Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1416

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1416 VERSLAG VAN EEN SCHRIFTELIJK OVERLEG

Vastgesteld 26 april 2011

De algemene commissie voor Immigratie en Asiel1 heeft een aantal vragen voorgelegd, ter voorbereiding op het Algemeen Overleg Wijzigingen asielprocedures, aan de minister voor Immigratie en Asiel naar aanleiding van de volgende brieven2.

De minister heeft deze vragen beantwoord bij brief van 26 april 2011.

Vragen en antwoorden zijn hierna afgedrukt.

De voorzitter van de commissie,

Brinkman

Adjunct-griffier van de commissie,

Puts

I. Vragen en opmerkingen vanuit de fracties

Nadere toelichting op verzoek Dibi inzake beleidsconsequenties thematisch ambtsbericht Afghanistan

De leden van de VVD-fractie vragen of de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) al bezig is met een individuele afweging van het gehele complex van factoren in de te beoordelen dossiers.

Beleidsconsequenties nieuw thematisch ambtsbericht Afghanistan

De leden van de VVD-fractie vragen of het vaker gebeurt dat een nieuw ambtsbericht moet worden opgesteld. Zo ja, wat zijn hiervan de redenen? Zijn er kwaliteitscriteria die gelden voor ambtsberichten? Zijn er vaste onderdelen die ambtsberichten moeten bevatten? Wie stellen de ambtsberichten op?

Voornoemde leden vragen of er specifieke situaties bekend zijn waarin verwesterde meisjes voor hun leven hebben moeten vrezen. Zij vragen waarom de in het ambtsbericht beschreven problemen en risico’s niet in zijn algemeenheid zijn te kwalificeren als reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

Deze leden vragen of de minister een reactie kan geven op de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 19 april 2011.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de minister bereid is de gestelde Kamervragen naar aanleiding van de zaak van Sahar Hbrahimgel (ingezonden op 28 maart 2011, kenmerk 2011Z06349) voorafgaand aan het algemeen overleg te beantwoorden.

Deelt de minister de mening dat de internationaal verankerde kinderrechten mede verplichten dit nieuwe beleid in te voeren? In hoeverre hebben de belangen van minderjarige kinderen bij de beleidswijziging een rol gespeeld?

Voornoemde leden vragen of uit het nieuwe beleid, dat mede is gebaseerd op het criterium van acht jaar verblijf in Nederland als minderjarige kinderen, kan worden opgemaakt dat aan het eigen zelfstandige belang van het kind een grote betekenis wordt toegekend. In hoeverre heeft het recht op privéleven van minderjarige kinderen bij de beleidswijziging een rol gespeeld?

Kan uit het nieuwe beleid, dat mede is gebaseerd op het criterium van acht jaar verblijf van minderjarige kinderen in Nederland, worden opgemaakt dat waarde wordt toegekend aan de worteling van kinderen in onze samenleving? Betrekt de minister bij de individuele beoordeling of sprake is van verwestering van een Afghaans minderjarig meisje, tevens de mate van worteling in de Nederlandse samenleving? Gaat de minister ervan uit dat een minderjarig meisje na een verblijf van acht jaar in Nederland verwesterd en geworteld is?

Deelt de minister de mening dat uit het ambtsbericht blijkt dat voor alle schoolgaande kinderen bij terugkeer naar Afghanistan een zeer onveilige situatie kan ontstaan? In welke mate wordt dit meegewogen in het asielbeleid?

Is de minister van mening dat, gezien de zeer slechte veiligheidssituatie in Afghanistan voor schoolgaande kinderen zoals blijkt uit het ambtsbericht, het verantwoord is om verwesterde jongetjes terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, is de minister derhalve van mening dat deze jongetjes een kleiner veiligheidsrisico lopen en dat zij zich, ondanks een verblijf van langer dan acht jaar in Nederland, kunnen aanpassen aan de Afghaanse cultuur?

Vindt de minister het, gezien de zeer slechte veiligheidssituatie in Afghanistan voor schoolgaande meisjes zoals blijkt uit het ambtsbericht, wel verantwoord om meisjes, die niet volledig voldoen aan de criteria van het nieuwe beleid, terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, waarom is de minister van mening dat dit geen schending van artikel 3 EVRM oplevert?

Is het uitgesloten dat lang verblijvende meisjes onder de tien jaar, of meisjes die net meerderjarig zijn (bijvoorbeeld tussen de 18 en 22 jaar), op grond van dit nieuwe beleid een verblijfsvergunning krijgen? Deelt de minister de mening dat die meisjes, gezien de zeer slechte veiligheidssituatie in Afghanistan voor schoolgaande meisjes zoals blijkt uit het ambtsbericht, in uitzonderlijke situaties ook onder het beleid zouden moeten kunnen vallen?

Kan de minister aangeven welke overige omstandigheden, naast de leeftijd en de verblijfsduur, worden betrokken bij het bepalen van de mate van verwestering?

Kan het nieuwe beleid zo worden verstaan dat, indien sprake is van een meisje tussen de 10 en 18 jaar dat langer dan acht jaar in Nederland verblijft, en dit lange verblijf niet primair is te wijten aan de frustratie van terugkeer, er dan in beginsel sprake is van verwestering en vanwege de slechte veiligheidssituatie voor verwesterde meisjes, dan een verblijfsvergunning asiel wordt verleend op grond van klemmende redenen van humanitaire aard?

Kan de minister in het kader van dit nieuwe beleid aangeven welke andere omstandigheden, naast de mate van verwestering, medische aspecten, de gezinssamenstelling en mogelijke frustratie van terugkeer, verder van belang zijn bij de beoordeling of er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard?

Kan de minister toelichten waarom de combinatie van veiligheidsgerelateerde, schoolgerelateerde en maatschappelijke problemen ook in het geval van de groep van verwesterde meisjes niet te kwalificeren is als een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM?

Kan de minister toelichten waarom de situatie op de scholen, waaronder de lijfstraffen en vernedering op school die leerlingen ondergaan, niet al te kwalificeren is als reëel risico op schending van artikel 3 EVRM?

Heeft de minister bij de beoordeling van het risico van schending van artikel 3 EVRM rekening gehouden met de grote veiligheidsrisico’s die schoolgaande verwesterde meisjes in Afghanistan lopen?

In welke situaties zal er sprake zijn dat de duur van het verblijf primair te wijten is aan het frustreren van terugkeer? Hoe verhoudt het recht om op grond van de wet een procedure te volgen zich tot de tegenwerping in uw nieuwe beleid van het voeren van procedures die enkel zijn gericht op het bemoeilijken van terugkeer? Op welke procedures doelt de minister in dat geval?

Op welke wijze gaat de minister de verblijfsduur vaststellen van (gezinnen met) minderjarige meisjes die (deels) buiten het zicht van de Nederlandse overheid zijn verbleven?

Speelt bij het beoordelen van de betekenis van het lange verblijf voor de vraag of er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard, tevens de verwijtbaarheid van de Nederlandse overheid een rol, bijvoorbeeld als er sprake is van procedures die te lang hebben geduurd?

Nieuw thematisch ambtsbericht Afghanistan over de situatie van schoolgaande kinderen (in het bijzonder meisjes)

De leden van de SP-fractie vragen of de minister kan aangeven op welke wijze verwesterde Afghaanse meisjes en jongens zich zouden moeten aanpassen zodat zij veilig zijn voor bij terugkeer naar Afghanistan? Kan de minister duiden wat hij verstaat onder een Afghaanse levensstijl, onderscheidenlijk voor meisjes en jongens? Acht de minister de regel van veilige terugkeer bij verplicht aanpassen ook van toepassing op minderheden die vanwege religie en/of geaardheid anders gevaar zouden lopen? Acht de minister ook een dergelijke aanpassing niet onmogelijk? Is er Europese jurisprudentie op dit punt? Zo ja, kan de minister daar een overzicht van geven?

Zal de minister verwesterde meisjes en jongens toch terugsturen naar Afghanistan indien de duur van het verblijf te wijten is aan hun ouders? Hoe verhoudt zich dit tot de verplichting uit het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind dat de situatie van kinderen een eigen afweging verdient die prioritair is?

Deze leden vragen de minister of hij voornemens is op afzienbare termijn gezinnen met kinderen terug te sturen naar Afghanistan. Zo ja, hoeveel gezinnen en op welke termijn?

Kan de minister bevestigen dat er geen getalsmatige bovengrens is van het aantal verwesterde Afghaanse kinderen dat eventueel in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning op basis van de door de minister genoemde criteria?

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het thematische ambtsbericht terecht aanleiding heeft gegeven tot wijziging van het beleid ten aanzien van Afghaanse meisjes. Wel hebben zij enkele vragen bij de invulling van de consequenties zoals deze door de minister zijn verwoord.

Deze leden lezen dat een samenstel van factoren kan betekenen dat terugkeer naar Afghanistan voor deze meisjes een onevenredige psychosociale druk zou betekenen.

De minister spreekt in zijn brief aan de Kamer over de mate van verwestering. Deze leden vragen de minister om toe te lichten wat hij precies verstaat onder verwestering en hoe dit objectief kan worden gemeten.

De minister ziet ook klemmende redenen van humanitaire aard als omstandigheden die meewegen. Kan de minister toelichten en voorbeelden geven hoe de samenstelling van het gezin relevant kan zijn in dit kader?

Hebben voornoemde leden het goed begrepen dat de minister met de zinsnede overige omstandigheden ruimte laat voor niet nader genoemde omstandigheden die wel relevant kunnen zijn voor de beoordeling?

Voornoemde leden merken op dat de minister nadrukkelijk laat meewegen of betrokken personen hun terugkeer niet hebben gefrustreerd. Daarbij wordt genoemd het voeren van procedures die gericht zijn op het bemoeilijken van terugkeer. Deze leden willen hierop een verduidelijking van de minister. Over welke procedures heeft de minister het? Kan de minister nader toelichten hoe zijn opstelling zich verhoudt tot het recht van personen om in beroep te gaan tegen een beslissing van de overheid?

Diegenen die wel worden teruggestuurd komen in een Afghaanse samenleving die veel aanpassing van hen vraagt. Deze leden constateren dat de minister dit erkent, maar aanpassing tegelijkertijd niet als onmogelijk kwalificeert. Hoe beschouwt de minister de risico’s voor meisjes en vrouwen die na verblijf in een Westers land moeten terugkeren naar Afghanistan? Heeft de minister hierbij de richtlijnen van het UNHCR van 2009 meegenomen waarin de risico’s van een minder conservatieve leefstijl worden beschreven? Deze leden vragen de minister of hij informatie van UNHCR en over de ervaringen van andere lidstaten die meisjes en vrouwen hebben teruggestuurd naar Afghanistan en of zij geconfronteerd zijn met ongeoorloofde gevaarzetting van deze personen.

De minister heeft, reeds voorafgaand aan een individuele beoordeling van alle in aanmerking komende gevallen, aangegeven dat zo’n 40 tot 100 meisjes mogen blijven. De leden van de D66-fractie zijn verbaasd over deze constatering vooraf, daar dit de indruk wekt alsof de minister een quotum moet behalen in plaats van individuele gevallen zorgvuldig te beoordelen. Om de indruk van een quotum weg te nemen vragen deze leden of de 40 tot 100 meisjes niets meer en niets minder is dan een schatting betreft op basis van algemene informatie. Kan de minister vervolgens aangeven of er reëel rekening mee wordt gehouden dat dit aantal naar boven moet worden bijgesteld op basis van de individuele omstandigheden die aansluiten bij de omstandigheden die de minister als legitiem beschouwt voor het verstrekken van een verblijfsvergunning?

Ten slotte vragen de leden van de D66-fractie of de minister bereid is bij de beoordeling van een asielverzoek zich vaker dan nu het geval is thematisch te laten informeren over de situatie in landen en in het bijzonder over de risico’s aldaar voor bepaalde kwetsbare groepen zoals bijvoorbeeld meisjes, alleenstaande vrouwen en homoseksuelen.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met enthousiasme kennisgenomen van de consequenties die de minister verbindt aan het thematische ambtsbericht Afghanistan. Ter verheldering hebben deze leden de volgende vragen.

Welke definitie hanteert de minster bij het begrip verwestering? Welke criteria heeft de minister voor ogen waarop de mate van verwestering kan worden getoetst? Kan de minister aan de hand van (fictieve) concrete voorbeelden aangeven wie volgens hem wel en wie niet verwesterd is? Kan een meisje die ervoor kiest een hoofddoek te dragen vallen in de categorie «verwesterd»?

Kan van jongens die verwesterd zijn eveneens niet worden verlangd dat zij terugkeren naar Afghanistan, ook niet bijvoorbeeld wanneer zij homoseksueel zijn? Kunnen jongens die homoseksueel zijn niet ook onevenredig psychosociale druk voelen bij terugkeer in Afghanistan, net als een verwesterd meisje?

Wanneer is volgens de minister sprake van onevenredige psychosociale druk als een meisje terugkeert naar Afghanistan? Welke criteria heeft de minister voor ogen om dit te toetsen? Wanneer vindt de minister psychosociale druk wel evenredig? Onderschrijft de minister de conclusie uit het ambtsbericht dat meisjes die voor langere tijd in het westen hebben geleefd per definitie psychische druk ondervinden als zij terugkeren in Afghanistan, zelfs als zij zich aanpassen aan de leefregels aldaar? Hoe gaat de minister dat beoordelen?

De minister spreekt van «andere omstandigheden» die mee kunnen wegen in het oordeel, zoals de samenstelling van het gezin. Bij welke samenstelling van het gezin is de kans groter dat terugkeer geen doorgang vindt en bij welke samenstelling wel?

Het frustreren van procedures is één van de wegingsfactoren om al dan niet tot een besluit te komen tot terugkeer. Speelt vertraging als gevolg van het overschrijden van beslistermijnen vanuit de betrokken overheidsinstanties ook een rol? Wanneer duidelijk sprake is van het overschrijden van beslistermijnen en een gezin daarom voor lange tijd in Nederland verblijft, is dat een criterium om niet tot terugkeer over te gaan?

Het gewijzigde ambtsbericht is alleen van toepassing op schoolgaande meisjes in Afghanistan. Is de minister van plan om op nieuwe ambtsberichten aan te dringen? Zo ja, welke? Te denken valt daarbij aan Afghaanse vrouwen, andere landen en schoolgaande meisjes in Irak.

De leden van de ChristenUnie-fractie verzoeken de minister nader toe te lichten hoe zijn nieuwe beleid, het kernbegrip verwestering en de benoemde randvoorwaarden «verwestering» zich verhoudt tot de voorwaarden als gesteld in het amendement Spekman/Anker (Kamerstukken II 31 994, nr. 24) en de motie Spekman/Anker (Kamerstukken II 19 637, nr. 1340).

De minister schrijft dat het uitgangspunt blijft dat terugkeer naar Afghanistan niet in strijd is met artikel 3 EVRM, aangezien Afghaanse meisjes in beginsel problemen kunnen voorkomen door zich bij terugkeer aan de Afghaanse levensstijl aan te passen. Deze leden verzoeken de minister nader toe te lichten waarom de combinatie van veiligheidsgerelateerde, schoolgerelateerde en maatschappelijke problemen ook in het geval van de groep van verwesterde meisjes niet te kwalificeren is als een reëel risico op schending artikel 3 EVRM nu hij schrijft dat zelfs indien meisjes bij terugkeer hun uiterlijk en gedrag aanpassen, zij niet anoniem zijn in het openbare leven. Heeft de minister bij de beoordeling van het risico van schending van artikel 3 EVRM de UNHCR-richtlijnen in acht genomen? Zo nee, waarom niet?

Is de minister bereid de mate van verwestering ook mee te laten wegen in het landgebonden beleid van andere islamitische landen waar de sharia van toepassing is? Zo nee, waarom niet?

Vertrekmoratorium Zuid- en Centraal-Somalië

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel Somalische asielzoekers aangeven dat zij uit Zuid- en Centraal- Somalië komen. Bij hoeveel van deze asielverzoeken is de uitkomst dat zij niet uit deze regio’s afkomstig zijn? Welke maatstaven worden gebruikt bij de taalanalyse, waarin wordt bepaald of iemand afkomstig is uit Noord- Somalië of uit andere regio’s? Kan aangegeven worden of er (kwalitatieve en systematieke) verschillen zijn tussen de taalanalyse die wordt gebruikt bij de contra-expertise en de taalanalyse die de IND gebruikt? Zo ja, waaruit bestaan die verschillen en waarom bestaan deze? In hoeverre speelt een competentiestrijd tussen native speakers en linguïsten hier een rol? Hoe wil de minister daarmee omgaan?

Voornoemde leden vragen in hoeveel rechterlijke uitspraken is aangegeven dat de contra-expertise voldoende twijfel opriep ten aanzien van de juistheid van de eerder gegeven taalanalyse?

Deze leden vragen voorts op hoeveel Somaliërs het vertrek-moratorium van toepassing is. Wat zijn de overwegingen om te constateren dat iemand uit Zuid- en Centraal Somalië niet in Noord- Somalië kan verblijven?

Wijziging in het landgebonden asielbeleid voor de Democratische Republiek Congo (DR Congo)

De leden van de VVD-fractie vragen of de provincie Equateur nu wordt aangemerkt als categoriaal beschermingswaardig. Wat moet eronder worden verstaan dat het categoriaal beschermingswaardig achten van de provincie Equateur beperkte betekenis heeft voor de vergunningverlening? Zijn er gevallen bekend waar een verblijfsvergunning is verleend aan mensen die afkomstig zijn uit deze provincie? Om hoeveel gevallen gaat het?

De leden van de SP-fractie vragen of de minister kan aangeven op welke wijze er zal worden omgegaan met de, in de aanloop naar de komende verkiezingen, verslechterende situatie van de verdedigers van de mensenrechten, van de media en van de leden van bepaalde oppositiepartijen. Daarnaast vragen de leden of er speciale aandacht is voor de positie van vrouwen nu conflictzones onverminderd het toneel blijven van massaverkrachtingen en andere zware inbreuken tegen de mensenrechten? Waarom wordt op dit tijdstip, met verkiezingen en daarmee gepaard gaand geweld in aantocht, het categoriale beleid beëindigd?

Beleidsvisie stroomlijning toelatingsprocedures

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de maatregelen worden doorgevoerd, temeer daar het nu de eerste helft van 2011 is. Worden er in de te nemen maatregelen ook plannen opgenomen om de samenwerking tussen de diverse ketenpartners (IND, Dienst Terugkeer & Vertrek etc.) te verbeteren? Behoort bij de te nemen maatregelen ook het afschaffen van de zogeheten M50 loketten? Hoe verhouden de aangegeven maatregelen zich tot de problemen met INDIGO? Kan de minister aangeven wanneer de problemen met INDIGO zijn opgelost?

Worden bij de procedurele aanpassingen niet alleen de beslismedewerkers uitvoeriger getraind op basis van een nieuwe werkinstructie, maar wordt er ook rekening gehouden met training voor de procesmedewerkers? Kan aangegeven worden welke verschillen er zijn met betrekking tot de rust- en voorbereidingsperiode voor volwassen asielzoekers en minderjarige asielzoekers? Wordt bij de stroomlijning van de asielprocedures rekening gehouden met de mogelijkheid van het doorprocederen? Kan de regering dit nader toelichten aan de hand van artikel 6 en 13 EVRM?

De leden van de PvdA-fractie en de CDA-fractie vragen naar de volgende cijfermatige gegevens:

  • + Aantallen herhaalde asielaanvragen

  • + Ingewilligde

  • + Afgewezen wegens geen nova

  • + Inhoudelijk afgewezen

  • + Aantallen reguliere aanvragen van ex asielzoekers

    • + Ingewilligde

    • + Afgewezen

    • + Beide uitgesplitst naar soort beperking

  • + Aantallen asielzoekers die tegen afwijzing asiel in beroep gaat

  • + Aantallen asielzoekers die in hoger beroep gaat

  • + Zelfde in het geval van een herhaalde asielaanvraag

  • + Aantal reguliere vervolgaanvragers die in bezwaar gaan

  • + Aantallen reguliere vervolgaanvragers die in beroep gaan

  • + Aantallen reguliere vervolgaanvragers die in hoger beroep gaan

    • + Alle uitsplitsen per gegrond / ongegrond

  • + Aantallen keren dat minister in hoger beroep gaat

    • + Asiel

    • + Herhaalde asielaanvraag

    • + Regulier vervolgaanvragers

    • + Uitsplitsen per gegrond / ongegrond

  • + Aantal intrekkingen negatieve beschikkingen door IND

    • + Asiel

    • + Regulier vervolgaanvragers

    • + Hoe vaak gevolgd door positieve / negatieve beschikking

    • + In geval van negatief, hoe vaak beroep en hoger beroep

      • + Gegrond / ongegrond

  • + Ten aanzien van alle bovenstaande categorieën de doorlooptijden.

  • + De gemiddelde doorlooptijden, uitsplitsen naar:

  • + aantallen (of %) dat op of onder dat gemiddelde zit

  • + aantallen (of %) dat boven dat gemiddelde zit – per half jaar langer

  • + Aantal afgegeven toevoegingen bij herhaalde asielaanvraag

  • + Aantal (inclusief redenen) geweigerde toevoegingen bij herhaalde asielaanvraag

De leden van de SP-fractie vragen waarop de minister zijn stellige uitlating baseert dat de nieuwe asielprocedure in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de efficiëntie van de asielprocedure. Welke cijfermatige onderbouwing kan de minister geven voor deze vaststelling? Wanneer kunnen de uitwerkingen worden verwacht van het verdere ontmoedigingsbeleid door beperking van rechtsbijstand?

Situaties waarin een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag worden afgewacht

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de voorgenomen wijziging dat een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland zal worden afgewacht na een herhaalde aanvraag (zonder nova en bij constatering van misbruik van recht) zich verhoudt tot de implementatie van richtlijn nr. 2008/115/EG.

De leden van de SP-fractie vragen wat de reactie van de Raad van State was op de door de minister voorgestelde wijziging van het afwachten van de uitspraak in Nederland van een voorlopige voorziening? Kan de minister een aantal voorbeelden geven van wat hij verstaat onder misbruik van recht indien een vreemdeling gebruik maakt van de hem tot dienst staande wettelijke bevoegdheden? Deelt de minister de mening van de leden dat het gebruik maken van wettelijke mogelijkheden die het rechtssysteem biedt, misbruik van recht uitsluit? Kan de minister buiten het vreemdelingenrecht voorbeelden geven waar het gebruik van rechtelijke procedures te kwalificeren zijn als misbruik van recht?

Deze leden ontvangen graag een reactie op de brief gericht aan de minister van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken van 12 april 2011 over beleid ten aanzien van verzoeken om voorlopige voorziening.

II. Reactie van de minister

Algemene opmerkingen met betrekking tot het asielbeleid voor Afghaanse meisjes

De leden hebben veelal vragen gesteld over de beleidsconsequenties die ik heb verbonden aan het recent verschenen thematisch ambtsbericht over schoolgaande kinderen (in het bijzonder meisjes) in Afghanistan. Een substantieel deel van uw vragen ziet op het zich moeten aanpassen aan de Afghaanse samenleving en de wijze waarop in het beleid «het verwesterd» zijn wordt vastgesteld. Alvorens uw concrete vragen te beantwoorden, zal ik ter inleiding ingaan op deze twee centrale punten.

Het zich weer moeten aanpassen aan de Afghaanse samenleving

Bij terugkeer naar Afghanistan zullen vrouwen en meisjes zich in beginsel moeten aanpassen aan de Afghaanse samenleving. Het is duidelijk dat dit voor een deel van deze vrouwen en meisjes grote beperkingen met zich mee zal brengen in de mate waarin zij zich bij terugkeer kunnen bewegen, uiten en ontplooien. Hoewel deze beperkingen door velen in de Nederlandse samenleving terecht als ingrijpend worden gezien, vormen deze beperkingen op zichzelf onvoldoende grond om betrokkenen in het bezit te stellen van een verblijfvergunning. Het recht op asiel beoogt te beschermen tegen vervolging, tegen een onmenselijke behandeling of te beschermen om klemmende humanitaire redenen. Beperkingen in de mogelijkheid tot ontwikkeling of ontplooiing bij terugkeer vormen niet voldoende grond voor deze bescherming. Het asielrecht is niet tot stand gekomen met als doel ontplooiingsmogelijkheden te waarborgen, hoezeer een ieder ook gegund.

Het recente thema ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken geeft aan dat de noodzaak tot aanpassing, hun geïsoleerde positie en de inferieure status van vrouwen en meisjes in Afghanistan op verwesterde meisjes een grote psychosociale druk kan leggen.

Ik meen dat het van belang is deze constatering uit het ambtsbericht een plaats te geven in landgebonden asielbeleid Afghanistan. Zonder de hiervoor genoemde uitgangspunten te verlaten heb ik de beleidskeuze gemaakt dat vanwege de grote psychosociale druk waarmee verwesterde meisjes bij terugkeer te maken kunnen krijgen onder bepaalde omstandigheden om klemmende redenen van humanitaire aard van die meisjes niet wordt verlangd dat zij terugkeren naar Afghanistan. Meer concreet, zal het die gevallen betreffen waarin sprake is van een combinatie van factoren waardoor ik van oordeel ben dat de psychosociale druk als onevenredig zwaar moet worden aangemerkt. Het gaat dan om verwestering in combinatie met factoren als medische omstandigheden en de samenstelling van het gezin. Tegelijkertijd wordt gekeken naar omstandigheden als het voeren van procedures die enkel gericht waren op het bemoeilijken van de terugkeer. In iedere individuele zaak waarin een beroep wordt gedaan op dit beleid zullen al deze elementen tegen elkaar worden afgewogen. Dergelijke wegingen zijn voor de IND niet nieuw, maar juist een wezenlijk onderdeel van haar taak en expertise. Ook zullen de gebruikelijke contra-indicaties van openbare orde en nationale veiligheid van toepassing zijn.

Het verwesterd zijn

Voor wat betreft het «verwesterd zijn», of het hebben van een «westerse levensstijl», gaat het om een ingewikkelde materie. Zoals ook opgemerkt in het ambtsbericht is het nu eenmaal niet een begrip dat zich goed laat definiëren. In het ambtsbericht (voetnoot 42) wordt een «westerse levensstijl» gezien als een leefstijl van meisjes die lange tijd in het buitenland hebben gewoond en die vergelijkbaar is met de leefstijl van Nederlandse meisjes.

Juist omdat de definitie van «verwesterd zijn» moeilijk is te geven, heb ik er voor gekozen om in het beleid voor verwesterde Afghaanse schoolgaande meisjes geen definitie te geven, maar de verblijfsduur en leeftijd als basisfactoren te noemen. Daarnaast zal worden gekeken of het meisje onderwijs heeft gevolgd. Ook zullen omstandigheden bij de beoordeling betrokken worden die er in een individuele zaak blijk van geven dat het meisje, ondanks het voldoen aan de verblijfsduur hier te lande en leeftijdsgrens, juist niet is verwesterd. Hierbij kunt u bijvoorbeeld denken aan het niet of nauwelijks spreken van de Nederlandse taal.

Ten slotte breng ik in herinnering dat het beleid zijn oorsprong vindt in de passage uit het thematisch ambtsbericht over de psychosociale druk. Ik benadruk hierbij dat het beleid niet is gebaseerd op «het verwesterd zijn» alleen, maar op de psychosociale druk die in individuele gevallen waarin sprake is van een combinatie van factoren als onevenredig zwaar kan worden aangemerkt.

Nadere toelichting op verzoek Dibi inzake beleidsconsequenties thematisch ambtsbericht Afghanistan

De leden van de VVD-fractie vragen of de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) al bezig is met een individuele afweging van het gehele complex van factoren in de te beoordelen dossiers.

Nee, de IND kan hiermee pas beginnen na publicatie van het beleid in de Staatscourant. Dit zal medio mei 2011 zijn.

Beleidsconsequenties nieuw thematisch ambtsbericht Afghanistan

De leden van de VVD-fractie vragen of het vaker gebeurt dat een nieuw ambtsbericht moet worden opgesteld. Zo ja, wat zijn hiervan de redenen? Zijn er kwaliteitscriteria die gelden voor ambtsberichten? Zijn er vaste onderdelen die ambtsberichten moeten bevatten? Wie stellen de ambtsberichten op?

Op mijn verzoek brengt de minister van Buitenlandse Zaken periodiek ambtsberichten uit over de situatie in de belangrijke herkomstlanden van asielzoekers. Incidenteel wordt in aanvulling hierop een tussentijds (thema) ambtsbericht opgesteld, zoals bijvoorbeeld het thema ambtsbericht over de positie van Oeigoeren in China. Hierdoor beschik ik steeds over objectieve, betrouwbare en actuele informatie, die ik nodig heb voor het bepalen van het landgebonden asielbeleid. Ten behoeve van een nieuw te verschijnen ambtsbericht stel ik een lijst met vragen en aandachtspunten op (de zogeheten «Terms of Reference» (TOR)). Hierin staan vragen die in alle algemene ambtsberichten aan de orde komen, zoals de veiligheidssituatie en politieke ontwikkelingen. Daarnaast stel ik landspecifieke vragen. De TOR wordt met het amtsbericht gepubliceerd. De ambtsberichten worden feitelijk opgesteld door ambtenaren van Buitenlandse Zaken met betrokkenheid van medewerkers van de diplomatieke vertegenwoordiging ter plaatse.

Voornoemde leden vragen of er specifieke situaties bekend zijn waarin verwesterde meisjes voor hun leven hebben moeten vrezen. Zij vragen waarom de in het ambtsbericht beschreven problemen en risico’s niet in zijn algemeenheid zijn te kwalificeren als reëel risico op schending van artikel 3 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM).

De specifieke gevallen van verwesterde meisjes die voor hun leven hebben moeten vrezen zijn mij niet bekend. Ik wil echter niet uitsluiten dat Afghaanse meisjes hun individuele vrees voor een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM op grond van individuele omstandigheden aannemelijk hebben gemaakt en op grond daarvan in het bezit zijn gesteld van een vergunning op grond van artikel 29, 1e lid, onder b Vw. Volgens de jurisprudentie van het EHRM moet een persoon een reëel risico lopen om bij terugkeer een behandeling of bestraffing als bedoeld in artikel 3 EVRM te ondergaan. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende. Om te kunnen spreken van een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM moet het voorts gaan om onmenselijke, vernederende behandeling danwel marteling. Handelingen die per definitie deze minimale grens overschrijden zijn bijvoorbeeld moord, steniging en vrouwenbesnijdenis.

Uit het ambtsbericht blijkt dat meisjes met een westerse levensstijl een verhoogd veiligheidsrisico lopen en te maken kunnen krijgen met schoolgerelateerde en/of maatschappelijke problemen. Uit het thematisch ambtsbericht blijkt dat ook indien meisjes bij terugkeer hun uiterlijk en gedrag aanpassen zij niet anoniem zullen zijn in het openbare leven. Zeker meisjes die uit het buitenland komen zullen in de gaten worden gehouden of en hoe zij zich aanpassen. Dit onderstreept de noodzaak voor meisjes om zich aan te passen aan de Afghaanse cultuur.

Hoewel het blijkens het ambtsbericht moeilijk is om uitspraken te doen over de mate waarin meisjes worden blootgesteld aan de veiligheidsrisico's, kan uit het algehele beeld dat wordt geschetst in het ambtsbericht niet zonder meer worden geconcludeerd dat elk individueel (schoolgaand) meisje een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM.

Uitgangspunt van het beleid is dan ook dat van vrouw en meisjes die terugkeren naar Afghanistan wordt verwacht dat zij zich aanpassen aan de Afghaanse samenleving om zodoende problemen te voorkomen.

Voorts concludeer ik ten aanzien van maatschappelijk gerelateerde risico's als pesterijen en intimidatie waarmee verwesterde meisjes meer dan andere Afghaanse meisje te maken kunnen hebben dat in het algemeen niet kan worden gesteld dat deze handelingen de hievoor genoemde minimale grens overschrijden. Of de behandeling strijd oplevert met artikel 3 EVRM hangt af van specifieke omstandigheden van het geval, daarop zal elke zaak individueel worden beoordeeld, waarbij uiteraard aandacht zal zijn voor het feit dat het hier gaat om minderjarige meisjes.

Deze leden vragen of de minister een reactie kan geven op de brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 19 april 2011.

De brief bevat vele vragen die nu ook door de leden zijn gesteld. Kortheidshalve verwijs ik dan ook naar mijn antwoorden op uw vragen zoals hier gegeven.

De leden van de PvdA-fractie vragen of de minister bereid is de gestelde Kamervragen naar aanleiding van de zaak van Sahar Hbrahimgel (ingezonden op 28 maart 2011, kenmerk 2011Z06349) voorafgaand aan het algemeen overleg te beantwoorden.

Ja.

Deelt de minister de mening dat de internationaal verankerde kinderrechten mede verplichten dit nieuwe beleid in te voeren? In hoeverre hebben de belangen van minderjarige kinderen bij de beleidswijziging een rol gespeeld?

Nee, de bepalingen in die kinderverdragen strekken niet zo ver dat die mij zouden verplichten dit beleid in te stellen. Het besluit tot de nadere invulling van het beleid voor verwesterde Afghaanse meisjes heb ik genomen op grond van de inhoud van het thematisch ambtsbericht, meer in het bijzonder de passages over de psychosociale druk waarmee verwesterde meisjes in de Afghaanse samenleving worden geconfronteerd. Vanuit de gedachte dat minderjarige kinderen bijzondere aandacht vragen, heb ik deze constatering uit het ambtsbericht over de psychosociale druk, die specifiek ziet op de situatie in Afghanistan, een plek willen geven in het landgebonden asielbeleid Afganistan.

Voornoemde leden vragen of uit het nieuwe beleid, dat mede is gebaseerd op het criterium van acht jaar verblijf in Nederland als minderjarige kinderen, kan worden opgemaakt dat aan het eigen zelfstandige belang van het kind een grote betekenis wordt toegekend. In hoeverre heeft het recht op privéleven van minderjarige kinderen bij de beleidswijziging een rol gespeeld?

Aan het belang van het kind wordt in het beleid alhier grote betekenis toegekend. Dit komt als volgt tot uitdrukking. Vooropgesteld wordt dat het belang van het kind niet per definitie is gediend met berusten in verblijf in Nederland na langdurig verblijf. Het is in het belang van het kind dat hij of zij snel duidelijkheid krijgt over het verblijfsperspectief. Het berusten in verblijf enkel vanwege langdurig verblijf in Nederland kan er juist toe leiden dat gezinnen met minderjarige kinderen zullen kiezen voor langdurig verblijf in de illegaliteit dat niet in het belang van kinderen is. In het nieuwe beleid is het enkele langdurig verblijf in Nederland dan ook niet voldoende voor een verblijfsvergunning. De duur van het verblijf in Nederland is gekoppeld aan de psychosociale druk bij terugkeer die de kern vormt van de beleidswijziging. Er wordt daarbij alleen vanwege klemmende redenen van humanitaire aard berust in verblijf van het meisje als meer omstandigheden dan alleen langdurig verblijf aannemelijk kunnen worden gemaakt.

Het recht op privéleven is op zichzelf geen reden om een asielvergunning te verlenen. Uit artikel 8 EVRM, zoals dat in reguliere toelatingsprocedures wordt betrokken, vloeien in ieder geval geen verderstrekkende aanspraken voort dan die welke in het voorliggende beleid worden gegund.

Kan uit het nieuwe beleid, dat mede is gebaseerd op het criterium van acht jaar verblijf van minderjarige kinderen in Nederland, worden opgemaakt dat waarde wordt toegekend aan de worteling van kinderen in onze samenleving? Betrekt de minister bij de individuele beoordeling of sprake is van verwestering van een Afghaans minderjarig meisje, tevens de mate van worteling in de Nederlandse samenleving? Gaat de minister ervan uit dat een minderjarig meisje na een verblijf van acht jaar in Nederland verwesterd en geworteld is?

In het algemeen, bij de beoordeling of iemand in aanmerking komt voor een asielvergunning staat de vraag centraal in welke (gevaars)situatie hij/zij komt te verkeren bij terugkeer in zijn land van herkomst. In lijn hiermee is de essentie van het beleid voor verwesterde Afghaanse meisjes dat in sommige gevallen terugkeer naar Afghanistan niet meer wordt verlangd als uit een samenstel van factoren blijkt dat de psychosociale druk waarmee het meisje in Afghanistan zal worden geconfronteerd onevenredig zal zijn. De in de vraag genoemde «worteling in de Nederlandse samenleving» is hierbij op zichzelf geen ter zake doende element omdat deze los staat van de situatie waarin het meisje bij terugkeer in Afghanistan komt te verkeren.

Zoals door mij uiteengezet in de algemene inleiding op uw vragen zijn omstandigheden die bepalend zijn bij het beoordelen niet enkel de leeftijd van het meisje in relatie tot de verblijfsduur hier te lande, ook onder meer het volgen van onderwijs, medische omstandigheden en de samenstelling van het gezin kunnen een rol spelen. Uitgegaan wordt van een leeftijd van minimaal tien jaar en een verblijf in Nederland van minimaal acht jaar gerekend vanaf de eerste asielaanvraag in Nederland.

Deelt de minister de mening dat uit het ambtsbericht blijkt dat voor alle schoolgaande kinderen bij terugkeer naar Afghanistan een zeer onveilige situatie kan ontstaan? In welke mate wordt dit meegewogen in het asielbeleid?

De veiligheidssituatie in Afghanistan is zorgwekkend en heeft ook effect op de situatie van schoolkinderen. Uit het ambtsbericht blijkt dat schoolgaande kinderen veiligheidsrisico’s lopen en te maken kunnen krijgen met schoolgerelateerde en/of maatschappelijke problemen.

Deze veiligheidssituatie wordt meegewogen bij de totstandkoming van het asielbeleid. De informatie uit het ambtsbericht over de veiligheidssituatie van de schoolgaande kinderen in Afghanistan rechtvaardigt echter niet (zonder meer) de conclusie dat sprake is van vluchtelingschap of een onmenselijke behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM.

Is de minister van mening dat, gezien de zeer slechte veiligheidssituatie in Afghanistan voor schoolgaande kinderen zoals blijkt uit het ambtsbericht, het verantwoord is om verwesterde jongetjes terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, is de minister derhalve van mening dat deze jongetjes een kleiner veiligheidsrisico lopen en dat zij zich, ondanks een verblijf van langer dan acht jaar in Nederland, kunnen aanpassen aan de Afghaanse cultuur?

Wederom, het beleid om in individuele gevallen om klemmende redenen van humanitaire aard aan Afghaanse meisjes een asielvergunning te verlenen, vindt niet zozeer zijn oorsprong in de veiligheidsrisico’s voor deze meisjes in Afghanistan maar in de psychosociale druk die op hen bij terugkeer in Afghanistan wordt gelegd. Deze psychosociale druk wordt, blijkens het ambtsbericht, naast de noodzaak tot aanpassen veroorzaakt door de geïsoleerde positie en inferieure status van meisjes. Deze positie van meisjes is wezenlijk anders dan de positie van jongens. De verschillende beleidsmatige benadering van beide groepen is dus gelegen in de verschillende feitelijke posities bij terugkeer. Het betreft daarom een geoorloofd onderscheid nu geen sprake is van gelijke gevallen.

Vindt de minister het, gezien de zeer slechte veiligheidssituatie in Afghanistan voor schoolgaande meisjes zoals blijkt uit het ambtsbericht, wel verantwoord om meisjes, die niet volledig voldoen aan de criteria van het nieuwe beleid, terug te sturen naar Afghanistan? Zo ja, waarom is de minister van mening dat dit geen schending van artikel 3 EVRM oplevert?

Allereerst verwijs ik u graag naar mijn beantwoording van vragen van de leden van de VVD-fractie. Daarnaast wijs ik u erop dat elke zaak individueel en zorgvuldig zal worden beoordeeld op Vluchtelingschap, artikel 3 EVRM en – in het geval van Afghaanse meisjes – het nieuwe beleid. In die volgorde zal de toets ook plaatsvinden. Indien de conclusie luidt dat een meisje niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van de criteria van het nieuwe beleid dan heeft er ook reeds een zorgvuldige en individuele toets plaatsgevonden ten aanzien van het risico op schending artikel 3 EVRM bij terugkeer. Indien niet wordt voldaan aan de criteria van het nieuwe beleid is de conclusie gerechtvaardigd dat het in het kader van het asielrecht verantwoord is om het meisje terug te sturen naar haar land van herkomst.

Is het uitgesloten dat lang verblijvende meisjes onder de tien jaar, of meisjes die net meerderjarig zijn (bijvoorbeeld tussen de 18 en 22 jaar), op grond van dit nieuwe beleid een verblijfsvergunning krijgen? Deelt de minister de mening dat die meisjes, gezien de zeer slechte veiligheidssituatie in Afghanistan voor schoolgaande meisjes zoals blijkt uit het ambtsbericht, in uitzonderlijke situaties ook onder het beleid zouden moeten kunnen vallen?

Ik ga er van uit dat volwassen vrouwen, in het algemeen, beter met de psychosociale druk kunnen omgaan dan kinderen. Daarbij zullen in de meest gevallen deze volwassen vrouwen al een substantieel deel van hun leven in Afghanistan hebben gewoond. Ook dit zal in de regel het zich weer aanpassen vereenvoudigen. Kinderen in Afghanistan beginnen op 12-jarige leeftijd met middelbaar onderwijs en vanaf dat moment is de schooluitval onder meisjes groot en neemt de sociale druk op hen vanuit de Afghaanse samenleving toe. Met de leeftijdsgrens van 10 jaar heb ik ten opzichte van het hierboven genoemde een marge genomen. In het beleid zit voorts ruimte om te concluderen dat een meisje dat net onder of boven deze leeftijdsgrenzen zit, niet per definitie is uitgesloten van het beleid. Wel zal het zo zijn dat bij het net niet halen van de leeftijdsgrens, de bewijslast ten aanzien van de andere omstandigheden zwaarder wordt.

Kan de minister aangeven welke overige omstandigheden, naast de leeftijd en de verblijfsduur, worden betrokken bij het bepalen van de mate van verwestering?

Ik herhaal dat uiteindelijk bepalend de mate van psychosociale druk als gevolg van terugkeer. In dit kader speelt verwestering een rol. Naast de leeftijd van het meisje in relatie tot de verblijfsduur hier te lande is bijvoorbeeld het volgen van onderwijs een omstandigheid die bepalend is bij het beoordelen. Het niet of nauwelijks beheersen van de Nederlandse taal is ook een omstandigheid die bijvoorbeeld kan worden betrokken bij deze beoordeling.

Kan het nieuwe beleid zo worden verstaan dat, indien sprake is van een meisje tussen de 10 en 18 jaar dat langer dan acht jaar in Nederland verblijft, en dit lange verblijf niet primair is te wijten aan de frustratie van terugkeer, er dan in beginsel sprake is van verwestering en vanwege de slechte veiligheidssituatie voor verwesterde meisjes, dan een verblijfsvergunning asiel wordt verleend op grond van klemmende redenen van humanitaire aard?

Nee. Enkel het voldoen aan de verblijfsduur- en leeftijdsgrenzen is niet voldoende om te concluderen tot een onevenredige psychosociale druk bij terugkeer. Een vergunning zal pas worden verleend als uit een samenstel van factoren blijkt dat de psychosociale druk waarmee zij in Afghanistan zal worden geconfronteerd onevenredig zal zijn. Daartoe dient het meisje, naast het verwesterd zijn, aanvullende omstandigheden aan te voeren en aannemelijk te maken.

Kan de minister in het kader van dit nieuwe beleid aangeven welke andere omstandigheden, naast de mate van verwestering, medische aspecten, de gezinssamenstelling en mogelijke frustratie van terugkeer, verder van belang zijn bij de beoordeling of er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard?

Met de medische aspecten en gezinssamenstelling heb ik u enkele concrete voorbeelden genoemd. Uit het samenstel van onder meer leeftijd, verblijfsduur, verwesterd zijn, gezinssamenstelling en medische problematiek kan worden geconcludeerd dat bij terugkeer sprake zal zijn van een onevenredige psychosociale druk. De voorbeelden van deze bijkomende omstandigheden zijn niet limitatief opgesomd. Dit om de asielzoeker de ruimte en de gelegenheid te geven om haar specifiek betreffende omstandigheden in te brengen.

Kan de minister toelichten waarom de combinatie van veiligheidsgerelateerde, schoolgerelateerde en maatschappelijke problemen ook in het geval van de groep van verwesterde meisjes niet te kwalificeren is als een reëel risico op schending van artikel 3 EVRM?

Bij de beoordeling ten aanzien van artikel 3 EVRM moet het gaan om een reëel en voorzienbaar risico in het individuele geval. De enkele mogelijkheid op problemen is onvoldoende. Uitgangspunt is dat in beginsel van deze meisjes mag worden verwacht dat zij zich bij terugkeer aanpassen. Het thema ambtsbericht beschrijft dat deze verwesterde meisjes ook in dat geval niet anoniem zullen zijn en dat zij daarmee maatschappelijke en schoolgerelateerde risico’s lopen. Echter, op basis van de beschrijving in het ambtsbericht zijn deze risico’s in zijn algemeenheid niet als een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM aan te merken. De verschillende veiligheidsrisico’s en problemen waarmee de verwesterde meisjes kunnen worden geconfronteerd worden zorgvuldig gewogen. Bij de toets in het kader van artikel 3 EVRM wordt de specifieke situatie van de vreemdeling beoordeeld in relatie tot de kans dat zij wordt blootgesteld aan een behandeling als bedoeld in artikel 3 EVRM. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende.

Op basis van de informatie uit het thema ambtsbericht kom ik tot de conclusie dat niet zonder meer kan worden gesteld dat ten aanzien van elk verwesterd meisje sprake is van schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer. De mogelijkheid blijft uiteraard bestaan dat ik op basis van het individuele dossier tot een andere conclusie kom.

Kan de minister toelichten waarom de situatie op de scholen, waaronder de lijfstraffen en vernedering op school die leerlingen ondergaan, niet al te kwalificeren is als reëel risico op schending van artikel 3 EVRM?

Bij de beoordeling ten aanzien van artikel 3 EVRM moet het gaan om een reëel en voorzienbaar risico in het individuele geval. De enkele mogelijkheid van problemen is onvoldoende. Op grond van de informatie uit het ambtsbericht heb ik geconcludeerd dat niet zonder meer kan worden gesteld dat elk verwesterd meisjes bij terugkeer het reële risico loopt om aan een artikel 3 EVRM behandeling te worden blootgesteld. Dit impliceert dat het Afghaanse meisje individueel aannemelijk moet maken waarom zij wel onder de reikwijdte van artikel 3 EVRM valt bij terugkeer naar Afghanistan.

In concreto kan dit het volgende betekenen. In het geval van de door u aangehaalde lijfstraffen zal het meisje aannemelijk moeten maken dat zij op de school waar zij naar toe zou moeten een reëel en voorzienbaar risico loopt om aan deze straffen te worden blootgesteld, ook indien zij zich zoveel mogelijk heeft aangepast aan de Afghaanse cultuur, en er tevens geen alternatief (andere school, andere plaats) is waar zij naar toe zou kunnen gaan om deze problemen te voorkomen.

Heeft de minister bij de beoordeling van het risico van schending van artikel 3 EVRM rekening gehouden met de grote veiligheidsrisico’s die schoolgaande verwesterde meisjes in Afghanistan lopen?

Ja, bij de beoordeling van het risico op artikel 3 EVRM schending bij terugkeer naar Afghanistan van schoolgaande verwesterde meisjes is rekening gehouden met de veiligheidsrisico’s, zoals beschreven in het thematisch ambtsbericht.

In welke situaties zal er sprake zijn dat de duur van het verblijf primair te wijten is aan het frustreren van terugkeer? Hoe verhoudt het recht om op grond van de wet een procedure te volgen zich tot de tegenwerping in uw nieuwe beleid van het voeren van procedures die enkel zijn gericht op het bemoeilijken van terugkeer? Op welke procedures doelt de minister in dat geval?

Zonder uitputtend te willen zijn, kunt u hierbij denken aan het hebben ingediend van meerdere opvolgende asielaanvragen zonder daaraan nieuwe feiten te grondslag te leggen of opvolgende verblijfsaanvragen voor andere reguliere verblijfsdoelen. Ook kunt u bijvoorbeeld denken aan aan het in de vertrekgesprekken met de DT&V te kennen geven niet terug te zullen keren dan wel geen medewerking te zullen verlenen aan terugkeer.

Op welke wijze gaat de minister de verblijfsduur vaststellen van (gezinnen met) minderjarige meisjes die (deels) buiten het zicht van de Nederlandse overheid zijn verbleven?

Het uitgangspunt is een verblijf van minimaal acht jaar gerekend vanaf de eerste asielaanvraag. Zoals gebruikelijk in het asielbeleid is het aan het betrokken meisje en haar ouders om aannemelijk te maken waar zij in deze periode hebben verbleven. Dit kunnen zij bijvoorbeeld doen aan de hand van stukken waaruit blijkt dat en waar het meisje in deze periode schoolgaand is geweest.

Speelt bij het beoordelen van de betekenis van het lange verblijf voor de vraag of er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard, tevens de verwijtbaarheid van de Nederlandse overheid een rol, bijvoorbeeld als er sprake is van procedures die te lang hebben geduurd?

Nee, zoals aangeven in het antwoord op de vorige vraag is het uitgangspunt een verblijf van acht jaar gerekend vanaf de eerste asielaanvraag. Deze termijn heb ik redelijk gevonden en passend bij de grondslag van dit beleid omdat bij die termijn de minderjarigen waar het hier om gaat het grootste deel van hun bewuste leven in Nederland hebben verbleven. Ik heb dat de doorslag laten geven in het licht van de psychosociale druk die de kern van dit beleid vormt. Bij de beoordeling of een vergunning op grond van dit beleid moet worden verleend zal wel zwaar meewegen of de duur van het verblijf niet primair te wijten is aan het frustreren van de terugkeer.

Nieuw thematisch ambtsbericht Afghanistan over de situatie van schoolgaande kinderen (in het bijzonder meisjes)

De leden van de SP-fractie vragen of de minister kan aangeven op welke wijze verwesterde Afghaanse meisjes en jongens zich zouden moeten aanpassen zodat zij veilig zijn voor bij terugkeer naar Afghanistan? Kan de minister duiden wat hij verstaat onder een Afghaanse levensstijl, onderscheidenlijk voor meisjes en jongens?

In het algemeen: het is goed om voor ogen te hebben dat het asielrecht niet tot stand is gekomen met als doel om personen meer ontplooiingsmogelijkheden te bieden. Wanneer na een zorgvuldige individuele toetsing is gebleken dat geen vrees bestaat voor vervolging of onmenselijke behandeling, vormen beperkingen in de mogelijkheid tot ontwikkeling of ontplooiing bij terugkeer geen basis voor bescherming tegen terugkeer. Bij terugkeer naar hun land van herkomst zullen zij zich in beginsel moeten aanpassen aan de samenleving aldaar.

Meer concreet: het thematisch ambtsbericht vermeldt dat onder meer kledingstijl en gedrag moeten worden aangepast aan de sociale Afghaanse islamitische normen die breed gedragen worden in die maatschappij. Het ambtsbericht maakt duidelijk dat dit in het algemeen van vrouwen en meisjes meer vergt dan van mannen en jongens gezien de in het ambtsbericht beschreven sterk achtergestelde sociaal-maatschappelijke positie van meisjes en vrouwen in de Afghaanse samenleving.

Acht de minister de regel van veilige terugkeer bij verplicht aanpassen ook van toepassing op minderheden die vanwege religie en/of geaardheid anders gevaar zouden lopen? Acht de minister ook een dergelijke aanpassing niet onmogelijk? Is er Europese jurisprudentie op dit punt? Zo ja, kan de minister daar een overzicht van geven?

In de vreemdelingencirculaire is opgenomen dat van personen die in het land van herkomst een religieuze minderheid aanhangen niet wordt verlangd dat zij deze verborgen houden. Ook is opgenomen dat van personen met een homoseksuele voorkeur niet wordt verwacht dat zij deze voorkeur bij terugkeer verbergen.

Er is geen jurisprudentie van het Europese Hof van Justitie in Luxemburg over dit of een vergelijkbaar onderwerp. De jurisprudentie van het Europes Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg is vrijbeperkt laat een wisselend beeld zien. Het enkele feit dat de waarden en wetten van zijn land van herkomsthet niet mogelijk maken dat een vreemdeling zijn persoonlijke identiteit volledig tot uiting kanbrengen, betekent op zichzelfniet automatischdat de vreemdeling niet mag worden uitgezet (EHRM 22 juni 2004F. vs. Verenigd Koninkrijk 17341/03). Echter onder bepaalde omstandigheden kan de bejegening – bijvoorbeeld van een alleenstaande vrouw – zodanig zijn dat sprake is van een reëel gevaar op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM (EHRM 20 juli 2010, N. vs. Zweden 23505/09).

Zal de minister verwesterde meisjes en jongens toch terugsturen naar Afghanistan indien de duur van het verblijf te wijten is aan hun ouders? Hoe verhoudt zich dit tot de verplichting uit het Internationale Verdrag voor de Rechten van het Kind dat de situatie van kinderen een eigen afweging verdient die prioritair is?

De bepalingen in het door u genoemde Verdrag reiken niet zo ver dat deze mij zouden verplichten tot voeren van bijzonder beleid voor verwesterde Afghaanse meisjes. Ik heb deze beleidskeuze gemaakt op grond van de informatie die wordt gegeven in het thema ambtsbericht. Daarbij ben ik van mening dat de daden en keuzes van ouders zeker betrokken kunnen worden bij de weging of het kind en het gezin in aanmerking komen voor dit beleid.

Deze leden vragen de minister of hij voornemens is op afzienbare termijn gezinnen met kinderen terug te sturen naar Afghanistan. Zo ja, hoeveel gezinnen en op welke termijn?

Gezinnen met kinderen zijn in principe niet uitgezonderd van terugkeer naar Afghanistan. Als een gezin geen verblijf wordt toegestaan zal de DT&V de terugkeer van het gezin gaan voorbereiden. Op dit moment is de DT&V bezig met de voorbereiding van de terugkeer van enkele gezinnen met kinderen naar Afghanistan. Overigens is recentelijk een gezin met kinderen gedwongen vertrokken naar Afghanistan.

Kan de minister bevestigen dat er geen getalsmatige bovengrens is van het aantal verwesterde Afghaanse kinderen dat eventueel in aanmerking zou kunnen komen voor een verblijfsvergunning op basis van de door de minister genoemde criteria?

Ja, dat kan ik bevestigen. In ieder dossier, waarin een beroep wordt gedaan op dit beleid, zal een individuele weging plaatsvinden.

De leden van de D66-fractie zijn van mening dat het thematische ambtsbericht terecht aanleiding heeft gegeven tot wijziging van het beleid ten aanzien van Afghaanse meisjes. Wel hebben zij enkele vragen bij de invulling van de consequenties zoals deze door de minister zijn verwoord.

Deze leden lezen dat een samenstel van factoren kan betekenen dat terugkeer naar Afghanistan voor deze meisjes een onevenredige psychosociale druk zou betekenen.

De minister spreekt in zijn brief aan de Kamer over de mate van verwestering. Deze leden vragen de minister om toe te lichten wat hij precies verstaat onder verwestering en hoe dit objectief kan worden gemeten.

Zoals nader toegelicht in de algemene inleiding op deze antwoorden heb ik in het beleid geen definitie gegeven van verwestering. Centraal staat in het beleid de mate van psychosociale druk bij terugkeer. Factoren die daarbij een rol spelen zijn onder meer verblijfsduur, leeftijd, verwestering, de samenstelling van het gezin en eventuele medische omstandigheden.

De minister ziet ook klemmende redenen van humanitaire aard als omstandigheden die meewegen. Kan de minister toelichten en voorbeelden geven hoe de samenstelling van het gezin relevant kan zijn in dit kader?

Bekend is, uit de diverse landenrapporten, dat in de regel in het Afghaanse maatschappelijk verkeer een meisje begeleid moet worden door een meerderjarig mannelijk gezinslid. Als het meisje een aantal andere minderjarige zusjes heeft en enkel een vader als meerderjarig mannelijk gezinslid, dan zou dit meisje bij terugkeer meer in haar bewegingsvrijheid worden beperkt dan in het geval zij de enige dochter zou zijn en begeleid zou kunnen worden door meerdere meerderjarige broers.

Hebben voornoemde leden het goed begrepen dat de minister met de zinsnede overige omstandigheden ruimte laat voor niet nader genoemde omstandigheden die wel relevant kunnen zijn voor de beoordeling?

Ja, dat hebben zij goed begrepen.

Voornoemde leden merken op dat de minister nadrukkelijk laat meewegen of betrokken personen hun terugkeer niet hebben gefrustreerd. Daarbij wordt genoemd het voeren van procedures die gericht zijn op het bemoeilijken van terugkeer. Deze leden willen hierop een verduidelijking van de minister. Over welke procedures heeft de minister het? Kan de minister nader toelichten hoe zijn opstelling zich verhoudt tot het recht van personen om in beroep te gaan tegen een beslissing van de overheid?

Met deze procedures doel ik niet zo zeer sec op beroepsprocedures, maar meer op opvolgende asielaanvragen die worden ingediend zonder dat daarbij nieuwe feiten en omstandigheden worden aangevoerd.

Diegenen die wel worden teruggestuurd komen in een Afghaanse samenleving die veel aanpassing van hen vraagt. Deze leden constateren dat de minister dit erkent, maar aanpassing tegelijkertijd niet als onmogelijk kwalificeert. Hoe beschouwt de minister de risico’s voor meisjes en vrouwen die na verblijf in een Westers land moeten terugkeren naar Afghanistan? Heeft de minister hierbij de richtlijnen van het UNHCR van 2009 meegenomen waarin de risico’s van een minder conservatieve leefstijl worden beschreven?

Ik ben bekend met de richtlijnen van UNHCR. Ook uit de ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken blijkt dat vrouwen zich moeten aanpassen aan de Afghaanse samenleving om problemen te voorkomen. Het is duidelijk dat dit voor een deel van deze vrouwen en meisjes grote beperkingen met zich mee zal brengen in de mate waarin zij zich bij terugkeer kunnen bewegen, uiten en ontplooien. Hoewel deze beperkingen in de Nederlandse samenleving vaak als wezensvreemd worden gezien, vormen deze beperkingen onvoldoende grond om betrokkenen in het bezit te stellen van een verblijfvergunning. Wanneer na een zorgvuldige individuele toetsing is gebleken dat er geen vrees bestaat voor vervolging of onmenselijke behandeling, vormen beperkingen in de mogelijkheid tot ontwikkeling of ontplooiing bij terugkeer geen basis voor bescherming tegen terugkeer. Het asielrecht is niet tot stand gekomen met als doel om personen meer ontplooiingsmogelijkheden te bieden.

Het recente thema ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken geeft aan dat de noodzaak tot aanpassing, hun geïsoleerde positie en de inferieure status van vrouwen en meisjes in Afghanistan op verwesterde meisjes een grote psychosociale druk kan leggen.

Ik meen dat het van belang is deze constatering uit het ambtsbericht een plaats te geven in het landgebonden asielbeleid. Zonder het uitgangspunt te verlaten dat het verwesterd zijn of de beperkingen die zullen gelden bij terugkeer op zichzelf geen grond voor toelating vormen, heb ik de beleidskeuze gemaakt dat vanwege de grote psychosociale druk waarmee verwesterde meisjes bij terugkeer te maken kunnen krijgen onder bepaalde omstandigheden om klemmende redenen van humanitaire aard van verwesterde meisjes niet verlangd kan worden dat zij terugkeren naar Afghanistan. Het betreft die gevallen waarin de individuele asielzoekster een combinatie van omstandigheden aannemelijk maakt.

Deze leden vragen de minister of hij informatie van UNHCR en over de ervaringen van andere lidstaten die meisjes en vrouwen hebben teruggestuurd naar Afghanistan en of zij geconfronteerd zijn met ongeoorloofde gevaarzetting van deze personen.

Nee, zulke voorbeelden zijn mij niet bekend.

De minister heeft, reeds voorafgaand aan een individuele beoordeling van alle in aanmerking komende gevallen, aangegeven dat zo’n 40 tot 100 meisjes mogen blijven. De leden van de D66-fractie zijn verbaasd over deze constatering vooraf, daar dit de indruk wekt alsof de minister een quotum moet behalen in plaats van individuele gevallen zorgvuldig te beoordelen. Om de indruk van een quotum weg te nemen vragen deze leden of de 40 tot 100 meisjes niets meer en niets minder is dan een schatting betreft op basis van algemene informatie. Kan de minister vervolgens aangeven of er reëel rekening mee wordt gehouden dat dit aantal naar boven moet worden bijgesteld op basis van de individuele omstandigheden die aansluiten bij de omstandigheden die de minister als legitiem beschouwt voor het verstrekken van een verblijfsvergunning?

In mijn brief van 8 april 2011 heb ik u uiteengezet dat het buitengewoon moeilijk is een inschatting te maken van de doelgroep en het aantal meisjes dat in aanmerking komt voor een vergunning. Onder de in de brief genoemde voorbehouden heb ik de in de brief geduide inschattingen gemaakt. Dit betreft dus geen quotum. In ieder dossier, waarin een beroep wordt gedaan op dit beleid, zal een individuele weging plaatsvinden.

Ten slotte vragen de leden van de D66-fractie of de minister bereid is bij de beoordeling van een asielverzoek zich vaker dan nu het geval is thematisch te laten informeren over de situatie in landen en in het bijzonder over de risico’s aldaar voor bepaalde kwetsbare groepen zoals bijvoorbeeld meisjes, alleenstaande vrouwen en homoseksuelen.

Zoals ook eerder aangegeven, brengt de minister van Buitenlandse Zaken op mijn verzoek periodiek ambtsberichten uit over de situatie in de belangrijke herkomstlanden van asielzoekers. In de regel wordt in die rapporten de positie van de door u genoemde groepen beschreven. Aanvullende thematische ambtsberichten zijn dan ook niet nodig. In dit specifieke geval had ik om een thematisch ambtsbericht gevraagd omdat mij na het verschijnen van het algemene ambtsbericht Afghanistan tegenstrijdige berichten bereikten over actuele ontwikkelingen in de positie van een specifieke groep. Ik vond het belangrijk dat ik op zo kort mogelijke termijn de beschikking had over een objectief rapport om een objectieve beleidsbepaling te kunnen maken.

De leden van de GroenLinks-fractie hebben met enthousiasme kennisgenomen van de consequenties die de minister verbindt aan het thematische ambtsbericht Afghanistan. Ter verheldering hebben deze leden de volgende vragen.

Welke definitie hanteert de minster bij het begrip verwestering? Welke criteria heeft de minister voor ogen waarop de mate van verwestering kan worden getoetst? Kan de minister aan de hand van (fictieve) concrete voorbeelden aangeven wie volgens hem wel en wie niet verwesterd is? Kan een meisje die ervoor kiest een hoofddoek te dragen vallen in de categorie «verwesterd»?

Kortheidshalve verwijs ik u naar mijn algemene inleiding waarin ik ben ingegaan op de definitie.

Kan van jongens die verwesterd zijn eveneens niet worden verlangd dat zij terugkeren naar Afghanistan, ook niet bijvoorbeeld wanneer zij homoseksueel zijn? Kunnen jongens die homoseksueel zijn niet ook onevenredig psychosociale druk voelen bij terugkeer in Afghanistan, net als een verwesterd meisje?

In het asielbeleid is ook aandacht voor de kwetsbare positie van homoseksuelen in Afghanistan. Hiertoe zijn zij in het landgebonden asielbeleid aangewezen als risicogroep. Dit betekent dat al op grond van geringe indicaties asiel zal worden verleend.

Wanneer is volgens de minister sprake van onevenredige psychosociale druk als een meisje terugkeert naar Afghanistan? Welke criteria heeft de minister voor ogen om dit te toetsen? Wanneer vindt de minister psychosociale druk wel evenredig? Onderschrijft de minister de conclusie uit het ambtsbericht dat meisjes die voor langere tijd in het westen hebben geleefd per definitie psychische druk ondervinden als zij terugkeren in Afghanistan, zelfs als zij zich aanpassen aan de leefregels aldaar? Hoe gaat de minister dat beoordelen?

Zoals eerder uiteengezet blijkt uit het thema ambtsbericht dat het zich weer moeten aanpassen aan de Afghaanse samenleving zeker moeilijk is voor Afghaanse meisjes, die lang in het buitenland hebben verbleven en een westerse levensstijl hebben aangenomen. De aanpassing levert een psychosociale druk op. Dit is op zichzelf geen reden om een vergunning te verlenen. In beginsel blijf ik dan ook van deze meisjes verlangen dat ze zich aanpassen bij terugkeer. In sommige gevallen is echter sprake van een combinatie van factoren waardoor ik van oordeel ben dat de psychosociale druk als onevenredig zwaar moet worden aangemerkt. Het gaat dan onder meer om verwestering in combinatie met factoren als medische omstandigheden en de samenstelling van het gezin.

De minister spreekt van «andere omstandigheden» die mee kunnen wegen in het oordeel, zoals de samenstelling van het gezin. Bij welke samenstelling van het gezin is de kans groter dat terugkeer geen doorgang vindt en bij welke samenstelling wel?

Zoals ook aangegeven in mijn antwoord op een vraag van de leden van D66 blijkt uit de diverse landenrapporten dat in de regel in het Afghaanse maatschappelijk verkeer een meisje moet worden begeleid door een meerderjarig mannelijk gezinslid. Als het meisje een aantal minderjarige zusjes heeft en enkel een vader als meerderjarig mannelijk gezinslid dan wordt dit meisje bij terugkeer meer in haar bewegingsvrijheid beperkt dan in het geval zij de enige dochter zou zijn en begeleid zou kunnen worden door meerdere meerderjarige broers.

Het frustreren van procedures is één van de wegingsfactoren om al dan niet tot een besluit te komen tot terugkeer. Speelt vertraging als gevolg van het overschrijden van beslistermijnen vanuit de betrokken overheidsinstanties ook een rol? Wanneer duidelijk sprake is van het overschrijden van beslistermijnen en een gezin daarom voor lange tijd in Nederland verblijft, is dat een criterium om niet tot terugkeer over te gaan?

Neen, het overschrijden van de beslistermijnen is sec geen reden om een asielvergunning te verlenen.

Het gewijzigde ambtsbericht is alleen van toepassing op schoolgaande meisjes in Afghanistan. Is de minister van plan om op nieuwe ambtsberichten aan te dringen? Zo ja, welke? Te denken valt daarbij aan Afghaanse vrouwen, andere landen en schoolgaande meisjes in Irak.

Zoals al meerdere keren aangegeven worden door de minister van Buitenlandse Zaken al periodiek ambtsberichten uitgebracht over de belangrijkste herkomstlanden van asielzoekers, zoals ook Irak. Ik zie geen aanleiding om de frequentie van uitbrengen van deze rapporten te verhogen. Het initiatief voor dit thema ambtsbericht had ik genomen omdat mij tegenstrijdige berichten bereikten. Voor andere landen heb ik niet zulke concrete aanwijzigen en zie ik geen aanleiding tussenberichten te vragen aan mijn ambtgenoot van Buitenlandse Zaken.

De leden van de ChristenUnie-fractie verzoeken de minister nader toe te lichten hoe zijn nieuwe beleid, het kernbegrip verwestering en de benoemde randvoorwaarden «verwestering» zich verhoudt tot de voorwaarden als gesteld in het amendement Spekman/Anker (Kamerstukken II 31 994, nr. 24) en de motie Spekman/Anker (Kamerstukken II 19 637, nr. 1340).

Het enkel stellen van een verblijfsduurgrens zal neerkomen op een premie op het frustreren van de terugkeer. Ik benadruk ten zeerste dat het beleid waar we nu over praten specifiek ziet op Afghanistan en Afghaanse meisjes. In andere woorden: het is een specifiek beleid, voor een specifieke groep, gebaseerd op een specifieke situatie in een land van herkomst.

De minister schrijft dat het uitgangspunt blijft dat terugkeer naar Afghanistan niet in strijd is met artikel 3 EVRM, aangezien Afghaanse meisjes in beginsel problemen kunnen voorkomen door zich bij terugkeer aan de Afghaanse levensstijl aan te passen. Deze leden verzoeken de minister nader toe te lichten waarom de combinatie van veiligheidsgerelateerde, schoolgerelateerde en maatschappelijke problemen ook in het geval van de groep van verwesterde meisjes niet te kwalificeren is als een reëel risico op schending artikel 3 EVRM nu hij schrijft dat zelfs indien meisjes bij terugkeer hun uiterlijk en gedrag aanpassen, zij niet anoniem zijn in het openbare leven. Heeft de minister bij de beoordeling van het risico van schending van artikel 3 EVRM de UNHCR-richtlijnen in acht genomen? Zo nee, waarom niet?

De verschillende veiligheidsrisico’s en problemen waarmee de verwesterde meisjes kunnen worden geconfronteerd, ook indien zij zich aanpassen aan de Afghaanse cultuur, worden zorgvuldig gewogen. In het kader van de toets aan artikel 3 EVRM wordt beoordeeld of de vreemdeling een reëel en voorzienbaar risico loopt op een behandeling in strijd met dit artikel. De enkele mogelijkheid van schending is onvoldoende. Op basis van de informatie van het thematisch ambtsbericht concludeer ik dat niet zonder meer kan worden gesteld dat ten aanzien van elk verwesterd Afghaans meisje sprake is van schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer. Bij de beoordeling van de asielgerelateerde situatie van de verwesterde Afghaanse meisjes heb ik ook de UNHCR-richtlijnen betrokken. Deze richtlijnen geven aan dat meisjes in de leeftijd van schoolgaande kinderen behoren tot een «vulnerable group» en vragen om een zorgvuldige individuele beoordeling van de asielaanvraag van deze groep. Mij blijkt uit de UNHCR richtlijnen niet dat ieder schoolmeisje een reëel risico loopt van schending van artikel 3 EVRM bij terugkeer.

Is de minister bereid de mate van verwestering ook mee te laten wegen in het landgebonden beleid van andere islamitische landen waar de sharia van toepassing is? Zo nee, waarom niet?

De situatie in Afghanistan voor meisjes met een westerse leefstijl is dusdanig uitzonderlijk dat ik aanleiding zie daar specifiek beleid voor te voeren. Uiteraard laat ook in vele andere landen de situatie van vrouwen zich niet vergelijken met de situatie van vrouwen in Nederland. Echter, het is goed om voor ogen te hebben dat het asielrecht niet tot stand is gekomen met als doel om personen meer ontplooiingsmogelijkheden te bieden.Wanneer na een zorgvuldige individuele toetsing is gebleken dat er geen vrees bestaat voor vervolging of onmenselijke behandeling, vormen beperkingen in de mogelijkheid tot ontwikkeling of ontplooiing bij terugkeer geen basis voor bescherming tegen terugkeer. Bij terugkeer naar hun land van herkomst zullen deze vrouwen en meisjes zich in beginsel moeten aanpassen aan de samenleving aldaar. Het recente thema-ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken geeft aan dat de noodzaak tot aanpassing, hun geïsoleerde positie en de inferieure status van vrouwen en meisjes in Afghanistan op verwesterde meisjes een grote psychosociale druk kan leggen. Ik meen dat het van belang is deze constatering uit het ambtsbericht een plaats te geven in landgebonden asielbeleid. Dit is echt beperkt tot Afghanistan. Mij is geen informatie bekend waaruit zou blijken dat in andere landen de situatie voor meisjes met een westerse leefstijl ten volle vergelijkbaar is met die in Afghanistan.

Vertrekmoratorium Zuid- en Centraal-Somalië

De leden van de VVD-fractie vragen hoeveel Somalische asielzoekers aangeven dat zij uit Zuid- en Centraal-Somalië komen.

Er wordt niet geregistreerd of een Somalische asielzoeker afkomstig is uit Noord- of Centraal- en Zuid-Somalië, een exact aantal is hierdoor niet te noemen. In zijn algemeenheid kan echter wel worden opgemerkt dat de meerderheid van de Somalische asielzoekers aangeeft dat zij afkomstig is uit Centraal- en Zuid-Somalië en dan met name uit Mogadishu.

Bij hoeveel van deze asielverzoeken is de uitkomst dat zij niet uit deze regio’s afkomstig zijn?

Bij een groot deel van deze asielverzoeken wordt niet getwijfeld aan de gestelde afkomst uit Zuid- of Centraal-Somalië op basis van de verklaringen van de vreemdeling. In die gevallen waar wel wordt getwijfeld, kan aanvullend onderzoek plaatsvinden bijvoorbeeld door het stellen van aanvullende vragen. Ook kan taalanalyse worden gedaan. Van de personen die stellen afkomstig te zijn uit Zuid- of Centraal-Somalië en bij wie een taalanalyse wordt uitgevoerd, blijkt ongeveer 60% daadwerkelijk afkomstig te zijn uit Zuid- of Centraal-Somalië.

Welke maatstaven worden gebruikt bij de taalanalyse, waarin wordt bepaald of iemand afkomstig is uit Noord-Somalië of uit andere regio’s? Kan aangegeven worden of er (kwalitatieve en systematieke) verschillen zijn tussen de taalanalyse die wordt gebruikt bij de contra-expertise en de taalanalyse die de IND gebruikt? Zo ja, waaruit bestaan die verschillen en waarom bestaan deze? In hoeverre speelt een competentiestrijd tussen native speakers en linguïsten hier een rol? Hoe wil de minister daarmee omgaan?

Het Somalisch is goed beschreven in de taalkundige literatuur. Het Bureau Land en Taal van de IND beschikt over uitgebreide taalkundige documentatie, honderden spraakopnamen als referentiemateriaal, linguïsten met jarenlange ervaring in het verrichten van taalanalyses voor Somalië en deskundig bevonden taalanalisten afkomstig uit verschillende delen van het land. Ook de rapporten van contra-experts die aan BLT worden voorgelegd vormen een bruikbare informatiebron. Taalkundige informatie uit alle beschikbare bronnen wordt geïncorporeerd in de te leggen maatstaven.

De IND maakt bij het verrichten van taalanalyses gebruik van zowel taalkundige expertise als de taalervaring en taalbeheersing van moedertaalsprekers. De taalanalisten worden individueel getest en intensief getraind en begeleid. De geschiktheid van de betreffende taalanalisten voor hun specifieke taak volgt niet uit het «moedertaalspreker zijn», maar blijktuit de resultaten vande uitgebreide selectieprocedure en voortdurende kwaliteitscontroles, waar de linguïsten verantwoordelijk voor zijn. In aldeze opzichten wijkt de werkwijze af van wat gangbaar is bij contra-expertises; deze worden doorgaansuitgevoerd door academici (taalkundigen) die gespecialiseerd zijn in de taal in kwestie, vaak zonder de input van een moedertaalspreker.

Naar mijn mening, mede gebaseerd op het inzicht van de IND, is er geen sprake van «competentiestrijd» tussen moedertaalsprekers en taalkundigen. Naar het inzicht van de IND verdient het de voorkeur om beide vormen van deskundigheid in tandem te benutten bij het uitvoeren van taalanalyses. De IND heeft vier linguïsten in vaste dienst (drie Ph.D., een MA) om dit te bewerkstelligen.

Voornoemde leden vragen in hoeveel rechterlijke uitspraken is aangegeven dat de contra-expertise voldoende twijfel opriep ten aanzien van de juistheid van de eerder gegeven taalanalyse?

Dit wordt niet in de systemen geregistreerd. Hierover is dan ook geen uitspraak te doen.

Deze leden vragen voorts op hoeveel Somaliërs het vertrek-moratorium van toepassing is.

Gezien het feit dat het vertrekmoratorium pas recent is ingegaan, namelijk 7 april jl., is het nog te vroeg om daarvan cijfers uit de systemen te genereren.

Wat zijn de overwegingen om te constateren dat iemand uit Zuid- en Centraal Somalië niet in Noord-Somalië kan verblijven?

Een verblijfsalternatief in Noord-Somalië wordt aangenomen als gebleken is dat de vreemdeling aldaar veilig kan verblijven. Dit is het geval als de individuele vreemdeling uit Zuid- of Centraal- Somalië onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden tenminste zes maanden heeft verbleven in Puntland (met uitzondering van Noord-Galkayo), Somaliland, Sool of Sanaag. Hierbij geldt als aanvullende voorwaarde dat de vreemdeling in het desbetreffende gebied bescherming van de zijde van zijn clan kan krijgen. Een verblijf in een ontheemdennederzetting wordt niet aangemerkt als verblijf onder naar plaatselijke maatstaven gemeten redelijke omstandigheden. Alle overige Zuid- en Centraal-Somaliërs kunnen niet in het noorden verblijven.

Wijziging in het landgebonden asielbeleid voor de Democratische Republiek Congo (DR Congo)

De leden van de VVD-fractie vragen of de provincie Equateur nu wordt aangemerkt als categoriaal beschermingswaardig. Wat moet eronder worden verstaan dat het categoriaal beschermingswaardig achten van de provincie Equateur beperkte betekenis heeft voor de vergunningverlening? Zijn er gevallen bekend waar een verblijfsvergunning is verleend aan mensen die afkomstig zijn uit deze provincie? Om hoeveel gevallen gaat het?

Op basis van het laatstverschenen ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken over de situatie in DR Congo heb ik besloten om de provincie Equateur aan te merken als categoriaal beschermingswaardig gebied. Uit het ambtsbericht blijkt dat de veiligheidssituatie in de provincie Equateur in de verslagperiode verslechterde door gewelddadige confrontaties tussen enkele etnische groepen. De situatie in geheel DR Congo wordt gekenmerkt door wijdverbreide en stelselmatige schendingen van mensenrechten en in enkele gebieden is sprake van zodanige conflicten dat deze als categoriaal beschermingswaardig zijn aangemerkt. Op dit moment zijn de volgende gebieden in DR Congo aangemerkt als categoriaal beschermingswaardig: Haut-Uélé, Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en Equateur.

Er wordt evenwel geen categoriaal beschermingsbeleid gevoerd aangezien personen uit deze gebieden een verblijfsalternatief hebben in Kinshasa, waar de situatie stabieler is en waar de Congolese autoriteiten de feitelijke macht hebben. Er worden dan ook geen verblijfsvergunningen op grond van dit beleid afgegeven. In individuele gevallen kan er sprake zijn van klemmende redenen van humanitaire aard, waardoor de vreemdeling niet naar het verblijfsalternatief kan gaan. In die gevallen kan een verblijfsvergunning worden verleend op grond van bijzondere individuele klemmende redenen van humanitaire aard (artikel 29, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000). Dit komt in de praktijk niet of nauwelijks voor. Om deze reden heb ik aangegeven dat deze wijziging in de categoriaal beschermingswaardige gebieden beperkte betekenis heeft voor de vergunningverlening.

De leden van de SP-fractie vragen of de minister kan aangeven op welke wijze er zal worden omgegaan met de, in de aanloop naar de komende verkiezingen, verslechterende situatie van de verdedigers van de mensenrechten, van de media en van de leden van bepaalde oppositiepartijen.

Politieke tegenstanders van het bewind zijn in het landgebonden asielbeleid DR Congo aangewezen als aandachtsgroep. Er is geen bijzonder beleid voor verdedigers van mensenrechten, de media of leden van bepaalde oppositiepartijen vanwege de situatie dat er verkiezingen op stapel staan. Aanvragen van asielzoekers uit DR Congo worden individueel beoordeeld aan de hand van hetgeen bekend is over de situatie in DR Congo en hierbij wordt uiteraard de situatie in het licht van de aankomende verkiezingen meegewogen.

Daarnaast vragen de leden of er speciale aandacht is voor de positie van vrouwen nu conflictzones onverminderd het toneel blijven van massaverkrachtingen en andere zware inbreuken tegen de mensenrechten?

In het landgebonden asielbeleid DR Congo zijn vrouwen en meisjes aangewezen als aandachtsgroep vanwege de zorgwekkende situatie van (seksueel) geweld tegen vrouwen, met name in de conflictgebieden. Van vrouwen en meisjes uit DR Congo wordt niet verwacht dat zij bescherming van de autoriteiten inroepen tegen (seksueel) geweld. Ook wordt aan hen geen verblijfsalternatief tegengeworpen. Vrouwen die aannemelijk hebben gemaakt dat zij te vrezen hebben voor (seksuele) geweldpleging in DR Congo, kunnen op grond van artikel 29, eerste lid, onder b, Vw in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Aanvragen worden ook getoetst aan de hand van het algemeen geldende traumatabeleid.

Waarom wordt op dit tijdstip, met verkiezingen en daarmee gepaard gaand geweld in aantocht, het categoriale beleid beëindigd?

In DR Congo zijn diverse categoriaal beschermingswaardige gebieden aangewezen, te weten Haut-Uélé, Noord-Kivu, Zuid-Kivu, Ituri en Equateur. Er wordt geen categoriaal beschermingsbeleid gevoerd omdat er sprake is van een verblijfsalternatief in Kinshasa voor personen afkomstig uit deze gebieden. Eerder gold dit verblijfsalternatief niet voor Tutsi’s en werd ten aanzien van hen wel een beleid van categoriale bescherming gevoerd. Dit beleid is eind 2008 beëindigd omdat uit het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken bleek dat Kinshasa inmiddeld ook voor Tutsi’s als verblijfsalternatief kon gelden.

Op dit moment is er, behalve het aanwijzen van Equateur als categoriaal beschermingswaardig gebied, dan ook geen beleidswijziging inzake categoriale bescherming. Hiertoe is ook geen aanleiding omdat ook nu met verkiezingen op komst, de situatie in Kinshasa stabiel genoeg is om als verblijfsalternatief te gelden.

Wel heb ik u geïnformeerd dat er niet langer aanleiding bestaat om Tutsi’s aan te merken als kwetsbare minderheidsgroep. Dit heeft te maken met hun positie, die niet langer afwijkt van die van andere etnische groepen in het land zoals uit het ambtsbericht blijkt. Het ambtsbericht geeft geen aanleiding om te veronderstellen dat de komst van de verkiezingen hun positie weer opnieuw zou verzwakken. Uiteraard wordt bij ieder ambtsbericht bezien of een bijzonder beleid voor een specifieke groep geïndiceerd is.

Beleidsvisie stroomlijning toelatingsprocedures

De leden van de VVD-fractie vragen wanneer de maatregelen worden doorgevoerd, temeer daar het nu de eerste helft van 2011 is.

Momenteel worden de maatregelen die zijn geschetst in de beleidsvisie nader uitgewerkt. De maatregelen hangen in hoge mate met elkaar samen, wat het naar voren halen van onderdelen kwetsbaar maakt. Gaandeweg de ontwikkeling van de maatregelen wordt wel voortdurend in het oog gehouden of, met name waar het praktische verbeteringen betreft, deze al op korte termijn kunnen worden geïmplementeerd.

Rond de zomer zal een beeld zijn gevormd van de uitwerking van het geheel aan maatregelen. Deze wil ik vervolgens laten toetsen in een ex ante uitvoeringstoets. Hieruit zal blijken wat de uitvoerings- en financiële consequenties zijn van de maatregelen. Op basis hiervan zal uw Kamer eind 2011 een uitgewerkt voorstel ontvangen. Sommige maatregelen vergen een wetswijziging. De wetswijziging zal niet voor medio 2013 in werking treden.

Worden er in de te nemen maatregelen ook plannen opgenomen om de samenwerking tussen de diverse ketenpartners (IND, Dienst Terugkeer & Vertrek etc.) te verbeteren? Behoort bij de te nemen maatregelen ook het afschaffen van de zogeheten M50 loketten?

Uitgangspunt bij de ontwikkeling van nieuw beleid is altijd dat goede samenwerking binnen de gehele vreemdelingenketen geborgd moet zijn. In die zin is verbetering van de samenwerking tussen ketenpartners altijd een cruciaal inherent onderdeel van de beleidsvorming. Bij de verder ontwikkeling van de maatregelen is ook specifiek aandacht voor de samenwerking, bijvoorbeeld in het kader van de verkorting van ketenbrede doorlooptijden. Samenwerking en tijdige deling van bedrijfsinformatie kan een belangrijke rol spelen bij het soepel inspelen op de fluctuaties die eigen zijn aan de instroom van vreemdelingen.

Gezien de beleidsdoelstellingen zoals verwoord in de beleidsvisie zal na de implementatie van de aangekondigde maatregelen geen reden meer bestaan voor het behoud van de M50 loketten in de huidige vorm.

Hoe verhouden de aangegeven maatregelen zich tot de problemen met INDIGO? Kan de minister aangeven wanneer de problemen met INDIGO zijn opgelost?

De maatregelen in de beleidsvisie worden uitgewerkt uitgaande van de toekomstige situatie waarin INDIGO functioneert. Daar waar maatregelen kunnen worden ingevoerd voordat INDIGO (in volle omvang) in werking treedt zal uiteraard rekening worden gehouden met zowel de huidige als de toekomstige situatie.

Zoals ik uw Kamer op 30 maart jl. heb geïnformeerd (Kamerstukken 2010–2011, 30 573, nr. 66) zal ik u in de zomer van 2011 nader informeren over de stand van zaken ten aanzien van de implementatie van INDIGO.

Worden bij de procedurele aanpassingen niet alleen de beslismedewerkers uitvoeriger getraind op basis van een nieuwe werkinstructie, maar wordt er ook rekening gehouden met training voor de procesmedewerkers?

Ik veronderstel dat u hier doelt op de werkinstructie ten aanzien van de juiste toepassing van de beslissystematiek met betrekking tot de bewijslast in geval van ongedocumenteerde asielzoekers. Tevens veronderstel ik dat u met «procesmedewerkers» doelt op de medewerkers van de Directie Procesvertegenwoordiging van de IND. De werkinstructie is mede door de Directie Procesvertegenwoordiging opgesteld. Medewerkers van de Directie Procesvertegenwoordiging waren ook betrokken bij het geven van de trainingen aan de IND-beslismedewerkers en hebben voor de eigen medewerkers ook bijeenkomsten georganiseerd.

Kan aangegeven worden welke verschillen er zijn met betrekking tot de rust- en voorbereidingsperiode voor volwassen asielzoekers en minderjarige asielzoekers?

De rust- en voorbereidingstijd voor volwassen asielzoekers is minimaal 6 dagen. Voor amv’s is het in het bijzonder van belang om tot rust te komen voordat de asielprocedure van start gaat. In deze fase krijgen amv’s in de regel met veel verschillende organisaties te maken. Om die reden heeft de IND, in afstemming met de voogdij-instelling Nidos, de mogelijkheid de rust- en voorbereidingstermijn voor evident minderjarigen langer te laten doorlopen, waarbij als richttijd een periode van ongeveer drie weken geldt.

Wordt bij de stroomlijning van de asielprocedures rekening gehouden met de mogelijkheid van het doorprocederen? Kan de regering dit nader toelichten aan de hand van artikel 6 en 13 EVRM?

De mogelijkheden om door te procederen worden door de maatregelen die in de beleidsvisie worden voorgesteld niet afgesloten. Dat is juridisch niet mogelijk maar zou ook niet wenselijk zijn: het moet op basis van gewijzigde feiten en omstandigheden altijd mogelijk zijn bescherming in te roepen. Wel wordt met de maatregelen in de beleidsvisie getracht de procedures zo kort mogelijk te laten zijn, en prikkels die het stapelen van procedures stimuleren weg te nemen.

Voor wat betreft de verwijzing naar de artikel 6 en 13 van het EVRM wil ik graag het volgende opmerken. Artikel 13 van het EVRM garandeert het recht op een effectief rechtsmiddel. Uiteraard is dit recht van belang en het door mij voorgestelde stelsel zal daarmee in overeenstemming zijn en voorzien in een adequate rechtsbescherming die recht doet aan de omstandigheden van het geval en de stand van de procedure. Artikel 6 van het EVRM is volgens vaste jurisprudentie van het EHRM niet van toepassing op procedures die zien op toelating. Wel is het zo dat aan artikel 6 EVRM bepaalde algemeen aanvaarde rechtsbeginselen ten grondslag liggen, zoals het rechtzekerheidsbeginsel,die los van die verdragsbepaling ookin de nationale rechtsorde gelden. Deze beginselen wordenuiteraard wel betrokken, en bij de uitleg van deze beginselen zal aansluiting worden gezocht bij de jurisprudentie van het EHRM.

De leden van de PvdA-fractie en de CDA-fractie vragen naar de volgende cijfermatige gegevens:

  • + Aantallen herhaalde asielaanvragen

  • + Ingewilligde

  • + Afgewezen wegens geen nova

  • + Inhoudelijk afgewezen

  • + Aantallen reguliere aanvragen van ex asielzoekers

    • + Ingewilligde

    • + Afgewezen

    • + Beide uitgesplitst naar soort beperking

  • + Aantallen asielzoekers die tegen afwijzing asiel in beroep gaat

  • + Aantallen asielzoekers die in hoger beroep gaat

  • + Zelfde in het geval van een herhaalde asielaanvraag

  • + Aantal reguliere vervolgaanvragers die in bezwaar gaan

  • + Aantallen reguliere vervolgaanvragers die in beroep gaan

  • + Aantallen reguliere vervolgaanvragers die in hoger beroep gaan

    • + Alle uitsplitsen per gegrond / ongegrond

  • + Aantallen keren dat minister in hoger beroep gaat

    • + Asiel

    • + Herhaalde asielaanvraag

    • + Regulier vervolgaanvragers

    • + Uitsplitsen per gegrond/ongegrond

  • + Aantal intrekkingen negatieve beschikkingen door IND

    • + Asiel

    • + Regulier vervolgaanvragers

    • + Hoe vaak gevolgd door positieve / negatieve beschikking

    • + In geval van negatief, hoe vaak beroep en hoger beroep

      • + Gegrond / ongegrond

  • + Ten aanzien van alle bovenstaande categorieën de doorlooptijden.

  • + De gemiddelde doorlooptijden, uitsplitsen naar:

  • + aantallen (of %) dat op of onder dat gemiddelde zit

  • + aantallen (of %) dat boven dat gemiddelde zit – per half jaar langer

  • + Aantal afgegeven toevoegingen bij herhaalde asielaanvraag

  • + Aantal (inclusief redenen) geweigerde toevoegingen bij herhaalde asielaanvraag

In de bijlage treft u de door u gevraagde cijfers voor zover deze op verantwoorde wijze op deze korte termijn te genereren waren.3 Enkele cijfers ontbreken, omdat deze niet geregistreerd worden. Overigens worden veel van de door u gevraagde cijfers, en dat geldt met name voor de doorlooptijden, momenteel wel in kaart gebracht. Zij zullen vervolgens als basis dienen in de ex ante uitvoeringstoets en voor de doorrekening van de voorspelde effecten van de voorgestelde maatregelen. Hierover zal uw Kamer dus, middels het rapport van de ex ante uitvoeringstoets, aan het einde van het jaar worden geïnformeerd.

Ik hecht eraan hierbij op te merken dat nog los van de kwantitatieve analyse ik de problematiek van lange en elkaar opvolgende procedures urgent acht. Het is een problematiek die reactie behoeft ongeacht om hoeveel procedures het gaat.

De leden van de SP-fractie vragen waarop de minister zijn stellige uitlating baseert dat de nieuwe asielprocedure in belangrijke mate heeft bijgedragen aan de efficiëntie van de asielprocedure. Welke cijfermatige onderbouwing kan de minister geven voor deze vaststelling?

Sinds de invoering van de verbeterde asielprocedure per 1 juli vorig jaar krijgt bijna de helft (49%) van de asielzoekers in de eerste acht dagen van hun procedure te horen of zij in Nederland mogen blijven of niet. In de eerste helft van 2010 was dat nog 29%. Door verbeterde procedure liep de gemiddelde behandeltermijn van een asielprocedure terug van 215 dagen in de eerste helft van 2010 naar 167 dagen in de tweede helft van dat jaar.

Sinds 1 juli vorig jaar werden 7 710 asielaanvragen door de IND in behandeling genomen. 21% van de aanvragen werd in de Algemene Asielprocedure afgewezen en 28% kwam in aanmerking voor asiel. 51% kon niet binnen acht dagen worden afgehandeld en stroomde door naar de Verlengde asielprocedure.

Van de in het tweede half jaar van 2010 afgehandelde asielaanvragen (voor bepaalde tijd en onbepaalde tijd) werd 85% binnen de wettelijke termijn beslist. In dezelfde periode van 2009 betrof dit nog 73%.

Wanneer kunnen de uitwerkingen worden verwacht van het verdere ontmoedigingsbeleid door beperking van rechtsbijstand?

Ook voor deze maatregelen geldt dat de uitwerkingen met uw Kamer zullen worden gedeeld ná de ex ante uitvoeringstoets, dat wil zeggen eind 2011.

Situaties waarin een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag worden afgewacht

De leden van de VVD-fractie vragen hoe de voorgenomen wijziging dat een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland zal worden afgewacht na een herhaalde aanvraag (zonder nova en bij constatering van misbruik van recht) zich verhoudt tot de implementatie van richtlijn nr. 2008/115/EG.

In antwoord op de leden van de VVD-fractie kan ik melden dat de Terugkeerrichtlijn (richtlijn 2008/115/EG) slechts beperkte betekenis heeft voor het in de lidstaten te voeren rechtsmiddelenstelsel bij toelatingsprocedures. De terugkeerrichtlijn ziet primair op het vertrek van personen die geen rechtmatig verblijf hebben. Voor het te voeren rechtsmiddelenstelsel bij toelatingsprocedures zijn de richtlijnen relevant die zien op die betreffende toelatingsprocedures, zoals onder meer de Procedurerichtlijn (richtlijn 2005/85/EG).

De leden van de SP-fractie vragen wat de reactie van de Raad van State was op de door de minister voorgestelde wijziging van het afwachten van de uitspraak in Nederland van een voorlopige voorziening?

Onderhavige beleidswijziging betreft een wijziging van de Vreemdelingencirculaire. Anders dan bij wijziging van hogere regelgeving, is het bij wijziging van beleidsregels geen gebruik om deze voor te leggen aan de Raad van State. Ook in dit geval heeft voorlegging niet plaatsgevonden.

Kan de minister een aantal voorbeelden geven van wat hij verstaat onder misbruik van recht indien een vreemdeling gebruik maakt van de hem tot dienst staande wettelijke bevoegdheden? Deelt de minister de mening van de leden dat het gebruik maken van wettelijke mogelijkheden die het rechtssysteem biedt, misbruik van recht uitsluit? Kan de minister buiten het vreemdelingenrecht voorbeelden geven waar het gebruik van rechtelijke procedures te kwalificeren zijn als misbruik van recht?

Zoals ik in mijn brief van 11 januari 2011 reeds heb aangegeven komen situaties waarin sprake is van misbruik van recht beperkt voor en moet terughoudendheid worden betracht in het komen tot deze conclusie. Daarbij moet worden gedacht aan situaties waarin de vreemdeling een aanvraag indient die evident op niets anders is gericht dan het frustreren van het vertrek. Een voorbeeld zou kunnen zijn dat een vreemdeling kort voor een geplande uitzetting een aanvraag indient gericht op gezinsvorming of -hereniging maar waarbij in het geheel geen sprake is van een partner of gezinleden waarbij dit recht kan worden uitgeoefend. Ook kan gedacht worden aan een aanvraagprocedure gericht op verblijf voor het verrichten van arbeid in loondienst, waarbij in het geheel geen sprake is van een arbeidscontract of een werkgever. Vele varianten hierop kunnen als voorbeeld worden gegeven, waarbij een aanvraag wordt ingediend waarvan de vreemdeling zelf ook duidelijk is dat die nimmer voor inwilliging in aanmerking zou kunnen komen, maar enkel beoogd wordt de uitzetting te frustreren. Ik meen dat genoemde voorbeelden waarbij de vreemdeling onder gebruikmaking van de wettelijke mogelijkheden een oneigenlijk doel te bereiken zeer wel aan te merken zijn als misbruik van recht. In de meer recente literatuur wordt hierbij ook wel gesproken van misbruik van bevoegdheid.4 Buiten het vreemdelingenrecht komt het leerstuk van misbruik van recht (of bevoegdheid) voor op tal van andere juridische terreinen zoals het personen- en familierecht, het arbeidsrecht, het belastingrecht, het beslagrecht, het burenrecht, het faillissementsrecht, het octrooirecht, het procesrecht, het vennootschapsrecht (misbruik van stemrecht).

Deze leden ontvangen graag een reactie op de brief gericht aan de minister van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken van 12 april 2011 over beleid ten aanzien van verzoeken om voorlopige voorziening.

De leden van de SP-fractie vragen naar mijn reactie op het briefadvies van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken (ACVZ) van 12 april 2011 over beleid ten aanzien van verzoeken om voorlopige voorziening (vovo’s). De ACVZ is kritisch over het beleid inzake vovo’s zoals dat reeds door eerdere kabinetten is gevoerd alsmede de wijziging die is beschreven in mijn brief aan uw Kamer van 11 januari 2011. Naar het oordeel van de ACVZ staat het vovo-beleid op gespannen voet staat met de waarborgen uit het Europese recht en het EVRM.

In reactie hierop acht ik het vooreerst van belang vast te stellen dat volgens de ACVZ de beleidsdoelstellingen van het kabinet rond het gewijzigde vovo-beleid legitiem zijn en dat het stelsel van spoedvovo’s en de piketregeling goed werkt. Ik waardeer voorts de bijdrage die het ACVZ heeft willen leveren aan de gevoelde problematiek met haar voorstel om alle vovo’s in het vervolg binnen vier weken door de rechtbanken te laten behandelen.

Het voorstel van de ACVZ zal echter in de praktijk onvoldoende zijn om de beleidsdoelen te bereiken. Hoewel ik vanzelfsprekend het belang van snelle procedures onderschrijf zou het voorstel van de ACVZ tot gevolg hebben dat een vreemdeling die elke 4 weken een herhaalde aanvraag in blijft dienen zonder dat daar nieuwe feiten aan ten grondslag worden gelegd nimmer uitzetbaar zal worden. Het tegengaan van frustratie van het vertrek zou met dit voorstel dan ook niet worden bereikt.

De juridische waardering van de ACVZ van het beleid van eerdere kabinetten alsmede de meest recente beleidswijziging volg ik niet. Het door de ACVZ gekozen standpunt is op zichzelf niet nieuw en is in de achterliggende jaren al eerder geuit door een aantal juristen.

De ACVZ trekt haar conclusies in belangrijke mate uit jurisprudentie van het EHRM. Deze jurisprudentie kan echter niet zomaar worden vertaald naar het Nederlandse stelsel omdat duidelijk sprake is van verschillende situaties en stelsels. Van belang acht de ACVZ onder meer de uitspraken van Gebremedin tegen Frankrijk en M.S.S. tegen België. In de Franse zaak ging het om een situatie waarin een weigering aan de grens niet alleen de weigering inhoudt om het grondgebied te betreden, maar tevens betekent het dat iemand de mogelijkheid wordt onthouden om bij de autoriteiten een officiële asielaanvraag in te dienen, omdat daarvoor toegang tot het grondgebied is vereist. In de Belgische zaak constateerde het EHRM dat de rechtsprekende Belgische instantie niet kon en mocht oordelen over het gehele geschil maar slechts over een deel van het geschil. Beide gevallen zijn niet vergelijkbaar met de Nederlandse situatie.

In de Nederlandse situatie mag de rechter die oordeelt over de spoedvovo kennis nemen van alle door de vreemdeling naar voren gebrachte argumenten en deze betrekken bij zijn oordeel. Ook bij twijfel staat het de rechter vrij om het verzoek van de vreemdeling toe te wijzen. Ook biedt de Nederlandse situatie de mogelijkheid voor de vreemdeling om altijd – al is het middels een spoedvovo – een rechterlijk oordeel te krijgen nog voor de daadwerkelijke uitzetting; hetgeen ook naar het oordeel van de ACVZ goed werkt.

Kern van de recente beleidswijziging is dat bij een herhaalde aanvraag zonder nieuwe feiten een voorlopige voorziening niet mag worden afgewacht. In die gevallen heeft in de eerdere procedure dus al een rechterlijk oordeel kunnen plaatsvinden, ook ten aanzien van het risico op schending van artikel 3 EVRM. In de jurisprudentie van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) zie ik bevestiging van mijn oordeel dat het Nederlandse vovo-stelsel past binnen de uitgangspunt van het Europese recht. In een uitspraak van 22 september van vorig jaar5 heeft de Afdeling in een zaak waarin een vreemdeling zijn voorlopige voorziening niet mocht afwachten (en dus bij dreigende uitzetting in beginsel was aangewezen op een spoedvovo) geoordeeld dat het stelsel voldoet aan de vereisten van artikel 39 van de Europese asielprocedurerichtlijn, waarin het recht op een effectief rechtsmiddel is verwoord.

In het advies is de ACVZ voorts kritisch over het feit dat wanneer vreemdelingen in het uitzetcentrum (UC) worden geïnformeerd over de precieze vluchtdatum, niet tevens de gemachtigde wordt geïnformeerd. In reactie hierop acht ik het van belang dat wanneer een vreemdeling in bewaring wordt gesteld hiervan altijd melding wordt gemaakt aan een gemachtigde, dan wel in dat verband een gemachtigde wordt toegevoegd. Bij plaatsing van een vreemdeling in een uitzetcentrum is duidelijk dat uitzetting op korte termijn aan de orde is. Vreemdelingenbewaring is immers ter fine van uitzetting. Uit jurisprudentie van de Afdeling6 blijkt dat vanaf dat moment spoedeisend belang geldt en de gemachtigde dus al de benodigde stappen kan ondernemen. Hoewel de vreemdeling ook nog uiterlijk 24 uur voor uitzetting wordt geïnformeerd over het precieze moment van de uitzetting is die informatie dus niet essentieel voor het tijdig kunnen voeren van de benodigde juridische procedures. Bovendien wordt tijdens het eerste vertrekgesprek op het uitzetcentrum de vreemdeling met een informatiefolder nogmaals gewezen op zijn mogelijkheden en is er voldoende ruimte om in contact te treden met zijn gemachtigde. De folder is in vele talen beschikbaar.


X Noot
1

Samenstelling:

Leden: Staaij, C.G. van der (SGP), Dijsselbloem, J.R.V.A. (PvdA), Sterk, W.R.C. (CDA), Bochove, B.J. van (CDA), Aptroot, Ch.B. (VVD), Dam, M.H.P. van (PvdA), Knops, R.W. (CDA), Brinkman, H. (PVV), voorzitter, Voordewind, J.S. (CU), Spekman, J.L. (PvdA), Thieme, M.L. (PvdD), Fritsma, S.R. (PVV), Gesthuizen, S.M.J.G. (SP), Dibi, T. (GL), Kuiken, A.H. (PvdA), ondervoorzitter, Peters, M. (GL), Berndsen, M.A. (D66), Nieuwenhuizen, C. van (VVD), Schouw, A.G. (D66), Steur, G.A. van der (VVD),Klaveren, J.J. van (PVV), Taverne, J. (VVD) en Vacature SP.

Plv. leden: Dijkgraaf, E. (SGP), Arib, K. (PvdA), Çörüz, C. (CDA), Omtzigt, P.H. (CDA), Liefde, B.C. de (VVD), Çelik, M. (PvdA), Smilde, M.C.A. (CDA), Elissen, A. (PVV), Ortega-Martijn, C.A. (CU), Dekken, T.R. van (PvdA), Ouwehand, E. (PvdD), Bontes, L. (PVV), Kooiman, C.J.E. (SP), Sap, J.C.M. (GL), Jadnanansing, T.M. (PvdA), Voortman, L.G.J. (GL), Hachchi, W. (D66), Azmani, M. (VVD), Pechtold, A. (D66), Venrooy-van Ark, T. (VVD), Kortenoeven, W.R.F. (PVV), Schaart, A.H.M. (VVD) en Dijk, J.J. van (SP).

X Noot
2

– dere toelichting op verzoek Dibi inzake beleidsconsequenties thematisch ambtsbericht Afghanistan (Kamerstuk 19 637, nr. 1411).

– Beleidsconsequenties nieuw thematisch ambtsbericht Afghanistan (Kamerstuk, 19 637 nr. 1410).

– Nieuw thematisch ambtsbericht Afghanistan over de situatie van schoolgaande kinderen (in het bijzonder meisjes) (Kamerstuk 19 637, nr. 1407).

– Vertrekmoratorium Zuid- en Centraal-Somalië (Kamerstuk 19 637, nr. 1405).

– Wijziging in het landgebonden asielbeleid voor de Democratische Republiek Congo (DR Congo) (Kamerstuk 19 637, nr. 1404).

– Beleidsvisie stroomlijning toelatingsprocedures (Kamerstuk 19 637, nr. 1400).

– Situaties waarin een verzoek om een voorlopige voorziening in Nederland mag worden afgewacht (Kamerstuk 19 637, nr. 1389).

X Noot
3

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.

X Noot
4

Zie onder andere E.J.H.Schrage, Misbruik van bevoegdheid, uitg. Kluwer, Deventer, 2007.

X Noot
5

LJN BN8249, Raad van State, 22 september 2010, 200906855/1/V1.

X Noot
6

LJN BQ0754, Raad van State, 4 april 2011, 201100190/2/V3.