Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1404

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1404 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 15 maart 2011

Met deze brief informeer ik uw Kamer over een wijziging in het landgebonden asielbeleid voor de Democratische Republiek Congo (DR Congo).

Uit het in december 2010 verschenen ambtsbericht over de situatie in DR Congo1 blijkt dat de positie van Tutsi’s niet wezenlijk afwijkt van de positie van andere bevolkingsgroepen. Volgens verschillende bronnen lopen Tutsi’s in DR Congo geen groter risico om slachtoffer te worden van mensenrechtenschendingen dan andere etnische groepen. Van stelselmatige discriminatie van Tutsi’s is evenmin sprake. Soms bestaat wantrouwen jegens Tutsi’s en afgunst tegen Tutsi’s op invloedrijke posities.

Uit voorgaande ambtsberichten is een beeld naar voren gekomen van een langzaam verbeterende positie van Tutsi’s in DR Congo. In dit licht is eind 2008 het categoriale beschermingsbeleid voor Tutsi’s uit DR Congo beëindigd omdat voor hen inmiddels ook een verblijfsalternatief in de hoofdstad Kinshasa aanwezig is.

Het beleid ten aanzien van kwetsbare minderheidsgroepen hangt samen met de positie van een bepaalde bevolkingsgroep in een land of gebied waar sprake is van willekeurig geweld of willekeurige mensenrechtenschendingen. Hierbij wordt tevens betrokken de mogelijkheid waarin de personen behorende tot een groep effectieve bescherming kunnen inroepen tegen dit dreigend geweld dan wel de mogelijkheid om zich hieraan te onttrekken door zich elders te vestigen. De algehele veiligheids- en mensenrechtensituatie in DRC, met name in het oosten van het land, is onverminderd zorgwekkend. Daarnaast blijkt uit het ambtsbericht dat er sprake is van een slecht functionerend rechtssysteem.

Nu de positie van Tutsi’s niet in negatieve zin afwijkt van die van andere bevolkingsgroepen, zie ik geen aanleiding om Tutsi’s als uitzonderingsgroep te behandelen en worden zij niet langer aangemerkt als kwetsbare minderheidsgroep. Dit brengt met zich mee dat Tutsi’s uit DR Congo niet meer reeds op basis van geringe indicaties in aanmerking komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, onder b van de Vreemdelingenwet 2000. Asielaanvragen van Tutsi’s worden, net als die van personen behorende tot andere bevolkingsgroepen uit DR Congo, in het vervolg op louter individuele gronden beoordeeld. Beoordeling vindt vanzelfsprekend plaats tegen de achtergrond van hetgeen bekend is over de zorgwekkende situatie in het land zoals beschreven in het ambtsbericht.

Daarnaast bestaat op grond van de beschrijving in het ambtsbericht aanleiding om de provincie Equateur aan te merken als categoriaal beschermingswaardig. Dit heeft overigens beperkte betekenis voor de vergunningverlening, aangezien Kinshasa ingevolge de beschrijving in het ambtsbericht kan gelden als verblijfsalternatief.

Voor het overige blijft het beleid ten aanzien van asielzoekers uit DR Congo ongewijzigd.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers


X Noot
1

Zie http://www.rijksoverheid.nl/ministeries/bz/documenten-en-publicaties/ambtsberichten/2010/12/08/democratisch-republiek-congo-2010-12-08.html