Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Tweede Kamer der Staten-Generaal2010-201119637 nr. 1410

19 637 Vreemdelingenbeleid

Nr. 1410 BRIEF VAN DE MINISTER VOOR IMMIGRATIE EN ASIEL

Aan de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal

Den Haag, 8 april 2011

Zoals u gemeld in mijn brief van 27 januari jl. (kamerstuk 19 637, nr. 1392) heb ik begin dit jaar, nog voor de rechterlijke uitspraak in de asielzaak van de Afghaanse familie Hbrahimgel, het initiatief genomen de minister van Buitenlandse Zaken te vragen mij te informeren over de situatie van schoolgaande kinderen (in het bijzonder meisjes) in Afghanistan. Dit omdat mij over deze situatie tegenstrijdige berichten bereikten en ik zelfstandig een objectieve beleidsafweging wilde maken op basis van een actueel thematisch ambtsbericht. Zeer recent, op 29 maart van dit jaar, heb ik de reactie van mijn ambtgenoot ontvangen in de vorm van het thematisch ambtsbericht dat als bijlage bij deze brief is gevoegd.1 In de inhoud van dit ambtsbericht zie ik aanleiding om het beleid ten aanzien van een specifieke groep minderjarige Afghaanse vrouwelijke asielzoekers nader in te vullen. Hieronder licht ik deze beleidswijziging toe.

In het nieuwe thematisch ambtsbericht wordt uitgebreid ingegaan op de risico’s die meisjes met een westerse levensstijl in Afghanistan in het dagelijkse school- en maatschappelijk leven lopen. In het ambtsbericht komen elementen voor die nieuw zijn ten opzichte van eerdere ambtsberichten. Het bericht schetst een zorgelijke ontwikkeling met betrekking tot de positie van schoolgaande meisjes. Daarbij wordt specifiek aandacht geschonken aan de noodzaak tot aanpassing aan de Afghaanse normen en waarden en de psychosociale druk die dit op deze teruggekeerde meisjes legt. Uit het ambtsbericht blijkt dat, ook als verwesterde meisjes erin slagen hun gedrag en attitude aan te passen aan de heersende normen, zij niet anoniem zijn. De noodzaak tot aanpassing, de geïsoleerde positie en de inferieure status van vrouwen en meisjes in Afghanistan leggen een grote psychosociale druk op verwesterde meisjes.

Deze passages over de druk die verwesterde meisjes bij terugkeer naar Afghanistan kunnen ervaren, noodzaken niet het uitgangspunt van het beleid ten aanzien van Afghaanse vrouwen en meisjes die een westerse levensstijl hebben aangenomen, te verlaten. Nog steeds geldt dat een terugkeer naar Afghanistan niet in strijd is met artikel 3 van het EVRM, omdat wordt verwacht dat de terugkeerder zich aanpast aan de Afghaanse samenleving om zodoende problemen te voorkomen. Een dergelijke aanpassing vraagt veel van betrokkenen, maar is niet onmogelijk. Ook indien meisjes bij terugkeer hun uiterlijk en gedrag aanpassen, zullen zij niet anoniem zijn in het openbare leven. Het ambtsbericht beschrijft dat zij ook in dat geval schoolgerelateerde of maatschappelijke problemen kunnen ondervinden. Deze in het ambtsbericht beschreven problemen en risico’s zijn echter niet in zijn algemeenheid te kwalificeren als reëel risico op schending van artikel 3 van het EVRM.

In de passages zie ik echter wel aanleiding om in het landgebonden asielbeleid te laten opnemen dat in individuele gevallen om klemmende redenen van humanitaire aard van verwesterde meisjes onder bepaalde omstandigheden niet kan worden verlangd terug te keren naar Afghanistan (artikel 29, eerste lid, onder c). Het betreft die gevallen waarin de individuele asielzoeker een combinatie van omstandigheden (waaronder de mate van verwestering) aannemelijk maakt, waaruit blijkt dat door het bijzonder samenstel van factoren terugkeer naar Afghanistan een onevenredige psychosociale druk oplevert. Omstandigheden die bepalend zijn bij het beoordelen van de mate van verwestering zijn onder meer de leeftijd van het meisje in relatie tot de verblijfsduur hier te lande. Ik ga uit van een leeftijd van minimaal tien jaar en een verblijfsduur van minimaal acht jaar. Overige omstandigheden die meewegen om te bepalen of sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard zijn bijvoorbeeld medische omstandigheden en de samenstelling van het gezin. Bij de beoordeling of sprake moet zijn van toepassing van artikel 29, eerste lid, onder c weegt zwaar mee of de duur van het verblijf niet primair te wijten is aan het frustreren van de terugkeer, waaronder tevens is begrepen het voeren van procedures die enkel gericht zijn op het bemoeilijken van de terugkeer. Dit om zo veel mogelijk te voorkomen dat uitgeprocedeerde Afghaanse asielzoekers extra gestimuleerd worden hun medewerking aan een terugkeer naar hun land van herkomst te onthouden.

Direct nadat ik kennis heb genomen van het ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken van 29 maart jl., heb ik besloten, zoals gemeld in mijn brief aan uw Kamer van 29 maart jl., om zaken aan te houden waarin verwestering, zoals hiervoor omschreven, van Afghaanse meisjes een rol speelt. Behandeling van deze zaken zal ik thans weer ter hand nemen met inachtneming van het hiervoor genoemde. Het is buitengewoon moeilijk een inschatting te maken van de omvang van de doelgroep en daarmee van het aantal vergunningen dat op grond van dit nieuwe beleid zal worden verleend. Dit heb ik eerder uiteengezet in de beantwoording van 22 maart 2011 van de schriftelijke vragen van de leden Spekman c.s. (aanhangsel, 2010–2011, nr. 1896). Voorts maakt het individuele samenstel van factoren dat bij de beoordeling in deze zaken een rol speelt, deze inschatting nog lastiger. Vergunningen verleend op grond van dit beleid kunnen bovendien niet worden geregistreerd in de systemen van de IND op een wijze die deze vergunning onderscheidt van andere vergunning verleend op de c-grond van artikel 29 Vw 2000. Onder de hiervoorgenoemde voorbehouden verwacht ik nu dat op grond van dit nieuwe beleid enkele tientallen tot een honderdtal meisjes voor een verblijfsvergunning in aanmerking kunnen komen.

Naar verwachting zal in de toekomst aan de hier beschreven beleidsinvulling steeds minder betekenis toekomen wanneer de door mij gepresenteerde plannen zijn geïmplementeerd om te komen tot snellere procedures, minder vervolgaanvragen en een effectievere terugkeer met prioriteit voor gezinnen met kinderen.

Een zaak waarin vragen rond verwestering spelen, is de zaak van Sahar Hbrahimgel. Vandaag heb ik het gezin Hbrahimgel geïnformeerd dat aan hen een verblijfsvergunning zal worden verleend. In deze zaak is in het licht van het nieuwe ambtsbericht sprake van het hiervoor genoemde samenstel van factoren. Gezien de publiciteit en de bijzondere aandacht die uw Kamer voor deze zaak heeft gehad, leek het mij van belang hierover tegenover betrokkenen en uw Kamer direct duidelijkheid te verschaffen.

De minister voor Immigratie en Asiel,

G. B. M. Leers


X Noot
1

Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt Tweede Kamer.