7 Afschaffing van het lerarenregister en het registervoorportaal

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het Voorstel van wet van de leden Bisschop en Kwint tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de afschaffing van het lerarenregister en het registervoorportaal ( 35145 ).

(Zie vergadering van 23 januari 2020.)

De voorzitter:

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van het voorstel van wet van de leden Bisschop en Kwint tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het voortgezet onderwijs en de Wet educatie en beroepsonderwijs in verband met de afschaffing van het lerarenregister en het registervoorportaal (35145). Dat is een hele mond vol.

Ik heet de initiatiefnemers van harte welkom. Zij worden in vak-K ondersteund door mevrouw Petra Schijvenaars, beleidsmedewerker bij de SP, en de heer Leertouwer, beleidsmedewerker bij de SGP-fractie. Natuurlijk heet ik tevens de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media welkom. Hij was al aanwezig, maar hij zit hier nu in een andere hoedanigheid, als adviseur van de Kamer. De eerste termijn van de zijde van de Kamer heeft plaatsgevonden op 23 januari 2020. Dat is al een tijdje geleden. Vandaag zijn de beantwoording in eerste termijn en de gehele tweede termijn aan de orde. De opdracht is om dat ook nog binnen een bepaald tijdsbestek te doen, het liefst voor 12.45 uur, 13.00 uur. We gaan eens kijken hoever we daarmee komen.

De algemene beraadslaging wordt hervat.

De voorzitter:

Ik geef graag het woord aan de heer Bisschop. Gaat uw gang.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Terecht zegt u dat het een hele tijd geleden is dat we hierover gesproken hebben in eerste termijn. Inmiddels zijn ook een aantal collega's gewisseld. Het is denk ik goed dat we aan de hand van de beantwoording de collega's toch ook een beetje meenemen met de inhoud en de geschiedenis van deze wet. Wij zullen ons uiterste best doen, maar dat hangt ook een beetje van de interrupties af, voorzitter.

De voorzitter:

En van uw bondige wijze van spreken.

De heer Bisschop (SGP):

U moest eens weten hoe bondig dit is.

De voorzitter:

Dit al?

De heer Bisschop (SGP):

Ja, dit is al bondig, ja.

De voorzitter:

Dat belooft wat!

De heer Bisschop (SGP):

Ik zie u wit wegtrekken, voorzitter, maar houd u sterk, we doen ons best.

Dit heeft ermee te maken dat kort daarna de coronamaatregelen toesloegen, waardoor een heleboel zaken gewoon vooruitgeschoven werden, geen prioriteit konden krijgen en de vergaderingen werden afgeschaald. Dat heeft er allemaal toe bijgedragen. Ook sprekend namens collega Kwint: we zijn heel blij dat we dit in de nadagen van dit kabinet hopelijk toch tot een afronding kunnen brengen. Dat is echt heel plezierig, want het is niet goed als dat hele gedoe rondom het lerarenregister als een zwaard van Damocles boven de sector blijft hangen. Corona is nog niet uit het onderwijs verdwenen, en ook niet uit de samenleving, maar we kunnen gelukkig stappen zetten, hoop ik. Zoals uit de vragen van de Kamerleden blijft, heeft het register namelijk alles te maken met de belangrijke thema's van het lerarentekort en de professionalisering. Het is belangrijk om scholen voor het aantreden van het nieuwe kabinet duidelijkheid te geven over de richting die we inslaan als het gaat om dat register, ook in relatie tot professionalisering.

De initiatiefnemers danken de collega's van harte voor hun zakelijke en scherpe inbreng. Terecht dat daarbij op een aantal punten de vinger is gelegd en dat even goed is doorgevraagd. We hopen daar naar tevredenheid op te kunnen antwoorden. Wij hebben dat verdeeld in vier thema's, wat tegenwoordig in het parlementaire jargon blokjes heten. Het eerste blokje is noodzaak en oplossing van het lerarenregister, het tweede is het belang van professionalisering, het derde blokje is lerarentekort en lerarenregister en het vierde blokje is ontwikkeling van de beroepsgroep en doorontwikkeling van het lerarenregister. We hebben het zo afgesproken in de taakverdeling dat ik de eerste twee voor mijn rekening zal nemen en op de laatste twee zal collega Kwint reageren.

Mevrouw de voorzitter. Als eerste dus de noodzaak en de oplossing. Mevrouw Kuik en de heer Van Meenen stelden de meest basale vraag die je bij een wetsvoorstel kunt stellen: welk probleem lossen wij hiermee op? De onderliggende vraag is dan natuurlijk: kunnen wij onze energie niet beter aan iets anders besteden?

De heer Van Meenen gebruikte hierbij een nogal krasse vergelijking. Ik weet niet of hij die nog paraat heeft, maar het was een ferme uitspraak. Volgens hem is het lerarenregister gewoon dood. We zijn alleen vergeten om het stoffelijk overschot te begraven. Volgens hem is de vraag alleen nog maar: gaan we het lerarenregister nog begraven of laten we het karkas liggen voor wat het is? De tekst van de wet is volgens de heer Van Meenen een dode letter en ons voorstel zou niets helpen als er een volgend kabinet komt dat weer een of ander overheidslerarenregister zou willen.

Mevrouw de voorzitter. De initiatiefnemers zijn van mening dat deze metafoor enige bijstelling behoeft. Naar ons idee is het een juistere beeldspraak, die overigens qua sfeer wel aansluit bij de beeldspraak van de heer Van Meenen, dat het lerarenregister eigenlijk niet dood is, maar in een diep comateuze toestand verkeert. De heer Van der Staaij heeft terecht opgemerkt dat de heer Van Meenen met zijn veronderstelling dat een volgend kabinet er weer mee aan de slag kan, zelf eigenlijk al erkent dat een overheidsregister op een ander moment wel degelijk weer gerevitaliseerd zou kunnen worden. En dat is precies wat de heer Van Meenen en de initiatiefnemers zo veel mogelijk willen voorkomen.

Vanuit die inzet maakt het een wezenlijk verschil of het lerarenregister als zodanig nog in de wet staat of daaruit gehaald is, wat dit initiatiefvoorstel beoogt. Als het lerarenregister nog in de wet staat, kan een nieuw kabinet het met één druk op de knop weer tot leven brengen, als een soort monster van Frankenstein, waarbij er allerlei bewegingen plaatsvinden. U kent uw klassiekers uiteraard. Misschien gebeurt dat met wat aanpassingen en wat nadere regelgeving. Maar als het lerarenregister uit de wet verdwijnt, zal er gewoon weer een heel ordentelijke procedure gevolgd moeten worden. Dan komt er een nieuw wetsvoorstel. De grondstructuur die nu in de wet, zal weer voor advies naar de Raad van State moeten. Instemming van de Tweede Kamer zal op basis van het regeerakkoord misschien nog wel lukken, maar ook de Eerste Kamer zal zich erover moeten buigen. Dan krijg je een ordentelijke wetgevingsprocedure. Als dat gebeurt, zijn wij er zeker van dat er op basis van de input vanuit het veld en de politieke discussies een wezenlijk andere structuur zal liggen dan nu het geval is. Wij zeggen uit respect richting het onderwijsveld: dat zorgvuldige traject moet je ingaan; je moet niet toch weer gebruik willen maken van een achterdeurconstructie. Dat is helder en duidelijk. Collega Kwint zal in het vierde blokje nog verder ingaan op de doorontwikkeling van het register.

Mevrouw de voorzitter. De initiatiefnemers willen nogmaals aandacht vragen voor de fundamentele staatsrechtelijke uitgangspunten die de Tweede Kamer moet respecteren. Het wetsvoorstel over het lerarenregister is niet alleen door de Eerste en de Tweede Kamer aanvaard, door de koning ondertekend en tot wet verheven, maar het is ook in werking getreden. Wetten die in werking zijn getreden, moeten worden toegepast en uitgevoerd. Mochten wetten onverhoopt niet uitvoerbaar blijken of tot onoverkomelijke problemen leiden, dan moet dat zo snel mogelijk verholpen worden door een wetswijziging. Inmiddels wordt al vier jaar lang niets met het lerarenregister gedaan. Dat is eigenlijk onbestaanbaar. Het is staatsrechtelijk onzuiver als wetten of onderdelen daarvan zonder wetswijzigingen buiten werking gesteld of gelaten zouden kunnen worden. Ik noem een ander voorbeeld om het wat meer inkleuring te geven. Stel dat er een donorregister is. Kort na de invoering komt er een groot protest van artsen die vinden dat het register onvoldoende recht doet aan hun professionele verantwoordelijkheid. Daarna besluit de minister eigenhandig om het register voor onbepaalde tijd buiten werking te stellen. Zelfs als je tegen de invoering van een dergelijk register hebt gestemd, zou je die route niet moeten willen accepteren, omdat dat willekeur in de hand werkt en omdat dat strijdig is met de fundamentele zekerheden die een rechtsstaat biedt.

Mevrouw de voorzitter. De initiatiefnemers voelen geen enkele behoefte om met welke eer dan ook te gaan strijken. De heer Van Meenen durfde de stelling aan dat oud-collega Rog en hij het lerarenregister om zeep hebben geholpen, evenals de Onderwijscoöperatie. Dat is naar zijn zeggen gebeurd met veel tegenstand vanuit de kabinetten-Rutte II en -Rutte III. Ere wie ere toekomt: daar is inderdaad hard aan gewerkt. Hun inzet staat buiten kijf. De initiatiefnemers doen daar dus niets aan af, hoewel het natuurlijk nog beter was geweest als zij met de SP en de SGP gewoon de invoering van het register hadden voorkomen. Dan hadden we hier nu niet gestaan. In ieder geval hebben de initiatiefnemers na herhaalde vragen geconstateerd dat, om toch maar in de beeldspraak van de heer Van Meenen te blijven, het kabinet én de moordenaars geen plannen hadden voor een begrafenis. Daarom hebben wij het noodzakelijk geoordeeld om die ondankbare of misschien wel dankbare taak op ons te nemen. Wij nodigen iedereen uit om hier een handje bij te helpen.

De initiatiefnemers gunnen de heer Beertema, die wij hier overigens node missen, graag het plezier dat collega Van Meenen de SP en de SGP verdacht van populisme. Zijn suggestie dat we daar last van zouden hebben en er misschien zelfs onder zouden lijden, is alleen niet juist. Als je onnodige bureaucratie te lijf wilt gaan en leraren te hulp wilt schieten in deze context, kun je wellicht niet gauw te populistisch zijn.

Voorzitter. Dan het tweede punt, of het tweede blokje: het belang van professionalisering. Mevrouw Westerveld vroeg of wij met haar zien dat aan de oorsprong van het idee van het register een heel aantal goede inhoudelijke redenen ten grondslag lag. Dat beamen wij ten volle. De wetgever had het ideaal voor ogen van een sterke beroepsgroep die op professionele wijze zelf waakt over de kwaliteit van hun beroepsuitoefening en van hun leden. Kort gezegd was de drijfveer om tot een register te komen volkomen legitiem. Het is begrijpelijk. Die wens leeft nog steeds, en breed. De redenen waren dus zonder meer gewoon goed. Alleen, voor de wetgever, voor ons, moet je dan constateren dat goede redenen nog niet altijd tot het gewenste resultaat leiden.

Mevrouw Van den Hul vroeg of wij de visie deelden dat nascholing wenselijk blijft zolang dat redelijkerwijs mogelijk is. Nascholing hoort inderdaad gewoon bij de professionele ontwikkeling van docenten. Het is niet alleen belangrijk dat leraren werken aan de ontwikkeling van hun vak en hun vaardigheden, maar ook dat daar inzicht in is en dat daar toezicht op is. Daarover bestaat tussen ons allen geen verschil van mening. De vraag is alleen — en dat is de kernvraag — hoe je dat nu het beste organiseert. Daar ging het naar onze overtuiging mis. Er is onvoldoende rekening gehouden met de specifieke werkomgeving van het onderwijs, ook door argumenten die op zichzelf best steekhoudend leken. Denk bijvoorbeeld aan het argument dat andere beroepsgroepen ook een register hebben. Nou ja, oké, mooi. Maar dat is toch geen doorslaggevend argument om dit ook of op dezelfde manier in het onderwijs te willen doen? In ieder geval zou er dan veel meer aandacht moeten zijn besteed aan bijvoorbeeld een vergelijking tussen registers in het onderwijs en registers in de zorg, want dat zijn wel twee verschillende werkterreinen, twee verschillende sectoren. Wat zijn de verschillen tussen die beide beroepsgroepen en wat betekent dat concreet voor de werking van een register?

Mevrouw Westerveld vroeg terecht hoe wij ons voorstel zien in het licht van het versterken van het beroep van leraar en de status van het beroep. Hoe gaan wij er na het schrappen van het register op toezien dat het belang van goede, gekwalificeerde leraren niet uit het oog wordt verloren? Ook in deze tijd van schaarste willen we dat er bevoegde leraren voor de klas staan, vakmensen die tijd hebben om hun vak goed bij te houden. Ook de heer Van der Staaij vroeg daarnaar.

Hoe kun je op een positieve manier werken aan het versterken van de vakbekwaamheid zonder dat dit een verplicht nummer is dat even afgevinkt moet worden? Dat laatste was de uitstraling die het lerarenregister inmiddels in de discussie ging krijgen. De heer Van Meenen wilde weten of professionalisering en de aantrekkelijkheid van het beroep voldoende gewaarborgd blijven en, zo ja, op welke wijze. De initiatiefnemers hebben in de toelichting aangegeven dat de inspectie actief met het thema professionalisering aan de slag zou kunnen of zelfs moeten gaan. Ook de Onderwijsraad adviseerde om veel nauwer aan te sluiten bij de dagelijkse onderwijspraktijk van bekwaamheidsonderhoud. De inspectie concludeerde in 2010 dat er nog een wereld te winnen was op het punt van het uitvoeren van de wettelijke plicht om de bekwaamheid van het personeel te bevorderen. Let wel: dat raakt hier direct een deugdelijkheidseis, de basis waarop ons onderwijs ingericht is. Het eerlijke verhaal is helaas dat de inspectie daar ook zelf jarenlang niet bijzonder actief in was. Ik formuleer dit niet als een verwijt, maar wel als een constatering. Je hoorde nauwelijks van scholen dat ze hierop bevraagd werden, laat staan dat er herstelacties werden gevraagd. Ik heb de indruk dat daar sinds 2010 tot op de dag van vandaag nog niet zo heel veel in veranderd is.

Het kan naar de inschatting van de initiatiefnemer echt veel beter. De mogelijkheden zijn er om gewoon met de bestaande instrumenten te werken aan professionalisering, daar toezicht op te houden en daar zo nodig, als dat vanuit de organisatie gewenst is, ook wat sturing aan te geven. Op basis van de Grondwet zit hier zelfs een belangrijke kern van het toezicht. Het begint ermee dat we de wettelijke bepalingen niet zien als een inhoudsloos vinkje, maar dat we scholen echt bevragen op hoe ze de verschillende verplichtingen uitwerken. Wat is de aanpak van onbevoegdheid? Dat is een vraag die bij elk inspectiebezoek aan het bestuur dan wel de directie gesteld moet worden. Hebben de leraren voldoende te zeggen over vakinhoud en didactiek? Hoe kijkt de school naar de relatie tussen lestijd en voorbereidingstijd? In hoeverre worden leraren ondersteund om gebruik te maken van de verschillende voorzieningen? Wordt jaarlijks systematisch gewaarborgd dat leraren werken aan hun ontwikkeling?

Voorzitter. Het voordeel van deze aanpak is dat die op schoolniveau uitvoering kan krijgen binnen de vigerende kaders. Daar zijn gewoon voorschriften, regels en artikelen voor. Op die manier doen we ook recht aan de specifieke situatie van een school. Hoe de samenstelling van een schoolteam is, maakt bijvoorbeeld uit voor welke eisen je aan verdere professionalisering als bestuur of directie wilt stellen. Is er veel jong personeel of gaat het juist om veel ouderen? Het maakt ook uit wat de prioriteiten van de school en de kenmerken van de leerlingenpopulatie zijn. Waar is professionalisering ook nodig? In die zin kan er dus ook een zekere sturing plaatsvinden, maar dan wel op schoolniveau, vanuit de directie dan wel het bestuur. Zoals ik al zei, maakt het ook uit wat de prioriteiten van de school en de kenmerken van de leerlingenpopulatie zijn. Ziet de school misschien veel belang en noodzaak in het ontwikkelen van eigen methoden en een specifieke aanpak? Of wordt er vooral gebruikgemaakt van bestaand aanbod? Dat zijn vragen die een lerarenregister onvoldoende beantwoordt en die ook moeilijk in een lerarenregister te vangen zijn.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik heb een vraag naar aanleiding van het mooie betoog van de heer Bisschop. Ter voorbereiding zat ik natuurlijk ook nog even naar mijn eigen inbreng te kijken. Wij stelden inderdaad ook vragen over de oorsprong van dit register, want dat is niet in één keer uit de lucht komen vallen. Het kwam voor een deel vanuit de wens van de beroepsgroep zelf, juist om dat lerarentekort tegen te gaan en ook om ervoor te zorgen dat daar een trotse beroepsgroep stond met status. De heer Bisschop heeft het natuurlijk ook over de uitwerking: we kunnen ons afvragen of die uitwerking wel goed is. Nou zijn er vanuit de Kamer ook een heel aantal vragen gesteld over de manier waarop we er dan voor zorgen dat leraren kunnen meepraten en dat ze voldoende tijd krijgen voor ontwikkeling, want dat willen leerkrachten over het algemeen. De heer Bisschop zegt dan: misschien zou de inspectie dat op scholen moeten vragen bij bezoeken. Maar is hij ook niet degene geweest die, volgens mij samen met de heer Rog, in de Tweede Kamer een voorstel heeft neergelegd om dat inspectietoezicht te verminderen? Hoe verhouden die twee zich tot elkaar?

De heer Bisschop (SGP):

Dat is een hele goede vraag. Collega Van Meenen, collega Rog en ik hebben dat voorstel in onze eerste Kamerperiode verdedigd, en daarvoor steun van onze collega's ontvangen. Dat wetsvoorstel steekt in op de taak van de inspectie om toe te zien op handhaving van de deugdelijkheidseisen. Als je die deugdelijkheidseisen goed gedefinieerd hebt, heb je de basiskwaliteit van elke school gewaarborgd. Elke school kan dan vervolgens zelf, gezien de eigen leerlingenpopulatie, mogelijkheden, ambities, en noem het allemaal maar op, op basis van die deugdelijke grondslag het onderwijs verder vormgeven.

Een van die deugdelijkheidseisen is dat het personeel bevoegd moet zijn. Daar begint dus de taak van de inspectie. In de tijd dat ik directeur was van een middelbare school heb ik ettelijke malen een inspectiebezoek gehad, maar ik ben nóóit bevraagd over de stand van de zaken omtrent de bevoegdheid van het personeel. Ik zat daar zelf bovenop, en ik wilde dat in orde hebben. Het is namelijk een vorm van kwaliteitsborging. Ik vond dat een gemis. Zo heb ik het toen al als directeur ervaren. Dat heeft ook wel geholpen om te zien wat je nou als overheid moet doen om de kwaliteit, de basale kwaliteit die overal goed moet zijn, op alle scholen te borgen. Dan gaat het dus op die deugdelijkheidseisen. De kwaliteit van het onderwijs moet dus geborgd zijn. De inspectie heeft dan voldoende instrumenten in handen om een schooldirectie of een college van bestuur te bevragen over de manier waarop ze de professionalisering van het personeel hebben gewaarborgd, welke keuzes ze daarin hebben gemaakt, waarom ze die keuzes hebben gemaakt en hoe ze dat doen. Dat is een nadere uitwerking, maar dat sluit nog aan bij de eis van deugdelijkheid waaraan een school moet voldoen.

De heer Kwint zal ingaan op het vervolg. Hoe willen we nu verder? Dat moet bij de beroepsgroep belegd worden. Je moet daar als overheid je vingers een beetje van afhouden. Je moet misschien wat kaders stellen en eventueel wat faciliteren. Het is prima als de beroepsgroep daarvoor kiest, maar wettelijk gezien staat het overeind dat het toezicht op vakbekwaamheid en professionalisering de verantwoordelijkheid van de schoolleiding is, en dat het de verantwoordelijkheid van de inspectie is om daar basaal toezicht op te houden. Hoe je dat verder organiseert … Misschien kiezen ze wel voor een register. Dat zou kunnen. Maar je hebt hen dan ontdaan van de belastende discussie die hieromtrent, dus rondom dit lerarenregister, is gevoerd.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik kan het antwoord van de heer Bisschop helemaal volgen. Het is ook een heel mooi bruggetje naar mijn tweede vraag. Het register kwam hier natuurlijk ook als wens van de beroepsgroep, maar de beroepsgroep stelde wel als voorwaarde: het moet een register van ons zijn. Ik denk dat daar heel veel dingen in zijn misgegaan. Het voelde op een gegeven moment niet meer als een register van leraren zelf, maar als iets wat werd opgelegd vanuit de overheid. Daar hebben de indieners ook al het een en ander over gezegd. Daar sluit ik me bij aan. Wat zou dan de volgende stap zijn om ervoor te zorgen dat die beroepsgroep nog sterker wordt, dat die beroepsgroep kan opstaan en dat leerkrachten op scholen ook veel meer zeggenschap hebben over hun eigen professionalisering? Dat lijkt me namelijk wel iets waar we met elkaar naar op zoek zijn.

De heer Bisschop (SGP):

Heel goed. Dank voor deze vraag, want dit is een voortdurend spanningsveld. Hoe realiseer je nu een zelfbewuste doelgroep die doelgericht werkt aan een professionele attitude en die niet een uitvoerder is van opgelegde taken maar de ruimte heeft om zaken te doen die nodig zijn om ten behoeve van de resultaten van hun leerlingen de goede dingen te doen? En dan denk ik, maar dat is een heel lastig traject, dat er mogelijk ook op andere punten nog wel wat snoeiwerk zal moeten plaatsvinden in wet- en regelgeving. Ook vergt het van ons als wetgevers wel enige terughoudendheid, en een stuk zelfdiscipline en zelfbeheersing om niet alles te willen regelen. Wij hebben een fantastisch onderwijsstelsel, maatschappelijk verankerd en met de verantwoordelijkheden liggend in de samenleving en niet bij de politiek en de Kamers. Zo hoor het ook. Maar geef dan ook vertrouwen aan die professionals en zorg ervoor dat die kaders gewoon goed zijn, zodat de professional dat ook oppakt en daar zelfs een stuk arbeidsvreugde aan kan ontlenen. Waarom kiest iemand voor de positie van docent, dus voor het ambt van docent of leerkracht? Dat is omdat hij een klik heeft met jongeren in verschillende leeftijdsfasen en iets voor hen wil betekenen. Nou, geef docenten dan ook de ruimte om dat te doen. Ga dat niet protocolleren of dichtregelen met allerlei voorschriften. Ik heb heel veel vertrouwen in de professionaliteit van docenten op dit punt. Daar moet dus nog wel een slag in gemaakt worden, alleen voorziet dit initiatiefvoorstel daar niet in. Dit is één concreet puntje dat wij daar dus aan willen toevoegen.

Mevrouw Paul (VVD):

Ik zou toch een vraag willen stellen. Toevallig, of waarschijnlijk niet geheel toevallig, kreeg ik vanochtend een appje van mensen uit de beroepsgroep, vertegenwoordigd in het Lerarencollectief, die juist expliciet het volgende aangeven. Ik moet het even groot maken op mijn telefoon, want anders gaat het niet zonder leesbril. Ik citeer: "Het wegnemen van de betreffende bepaling maakt dat we een deel van onze zeggenschap verliezen. Daarnaast zou het betekenen dat we bij het uitwerken van het lerarenregister in de toekomst een veel langere weg te bewandelen hebben." Hoe kijkt u daar dan tegen aan?

De heer Bisschop (SGP):

Ik heb dat ook gezien. Ik was enigszins verrast door dat mailtje, door dat bericht. Dat geldt ook voor collega Kwint. Wij hebben de afgelopen tijd en ook in de aanloop naar dit initiatiefvoorstel heel veel contacten met de sector gehad. Als je kijkt naar de consultatie op dit initiatiefvoorstel, dan is het eigenlijk alleen maar omarmd; laten we zeggen in 99% van de reacties. In die zin is zo'n berichtje vlak voor de vervolgbehandeling dus op zijn minst opmerkelijk. Het geeft ook aan dat er binnen de sector zelf — dat zeg ik in alle eerlijkheid als ik naar de sector kijk — wel nog het nodige moet gebeuren. Wil je werkelijk een zelfbewuste, jezelf professionaliserende sector zijn, dan hoort er ook voldoende interne samenhang, interne organisatie en afstemming te zijn. Ik vraag me een beetje af waar dit nu opeens vandaan komt, terwijl dit ons in het voortraject niet op deze wijze geworden is, om het maar zo te zeggen. Dit is dus een terechte vraag, maar ik zoek ook nog even naar hoe we dat precies moeten plaatsen.

Wat betreft "het geeft ons minder zeggenschap": dat denk ik niet. Het is wel degelijk aan de beroepsgroep zelf om vorm en inhoud te geven aan verdere professionalisering. Als de beroepsgroep zelf van mening zou zijn dat de bestaande wet- en regelgeving ten aanzien van bevoegdheid en ten aanzien van professionalisering toereikend is, dan is dat prima. Dan is er een duidelijk signaal afgegeven en daar hou je als wetgever rekening mee. Als de beroepsgroep, de sector, zegt dat de randvoorwaarden nu op orde zijn, wat dat was de kritiek van de Raad van State op dit wetsvoorstel, en dat die nu toe is aan de volgende stap, namelijk het registreren en dat centraal bijhouden, dan zou dat ook kunnen. Het gaat echt alleen nog een tijd duren voordat je werkelijk zover bent. Ik hoop dat dit even voldoende reactie is op uw terechte vraag. En anders komt collega Kwint daar straks nog even op terug.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. De heer Van der Staaij vroeg nog hoe wij in de praktijk waarborgen dat inspecties zich alleen richten op het toetsen van de hoofdlijnen van het schoolbeleid en niet op het functioneren van individuele leraren. Dat is een terecht punt. Als we een sterke beroepsgroep willen, moeten we niet op de stoel van professionals gaan zitten en dus ook niet op de stoel van de bestuurder of de schoolleider. De vraag of juf Janneke of meester Mark al of niet een cursus hadden moeten volgen of dat de onderwijsassistent onvoldoende functioneert, is niet aan de inspectie. Met de herziening van het toezicht is onderstreept dat de inspectie zich beperkt tot een systeem van kwaliteitszorg. Heeft de school de bekwaamheidsontwikkeling van het personeel voldoende in beeld en wordt daar systematisch aan gewerkt? Uit het onderzoekskader van de inspectie blijkt volgens de initiatiefnemers ook dat de aandacht zich richt op het beleidsniveau. Het is belangrijk om de rol van de school en de inspectie in dit opzicht ook goed te blijven onderscheiden.

Voorzitter. Dat zijn wat mij betreft de eerste twee blokjes die we wilden bespreken. Ik verzoek u nu het woord te geven aan collega Kwint, die onze bijdrage zal afronden.

De voorzitter:

Ik dank de heer Bisschop voor zijn bondige beantwoording. Dan geef ik nu het woord aan de heer Kwint. Maar misschien moeten we even de microfoon schoonmaken. Het woord is aan de heer Kwint.

De heer Kwint (SP):

Dank u wel, mevrouw de voorzitter. Zoals door mijn collega Bisschop al was aangekondigd, zal ik de volgende onderdelen voor mijn rekening nemen: het lerarentekort en -register, de ontwikkeling van de beroepsgroep en de doorontwikkeling van het register. Vervolgens zal ik tot een slot komen. Het betreurt mij dat er geen overige vragen gesteld zijn, want ik had altijd al een keer willen eindigen met een blokje varia. Maar helaas is me dat niet gegeven. Ik hoop dat een van de sprekers mij bij een volgende initiatiefwet wel noopt tot een blokje varia.

Voorzitter. Het grootste probleem in het onderwijs op dit moment is al langere tijd het lerarentekort. De coronacrisis heeft dat probleem bepaald niet kleiner gemaakt. De werkdruk voor leraren is torenhoog. Ondanks dat er wel degelijk voor gewaarschuwd is om zo'n lerarenregister in te voeren ten tijde van een groot tekort, moest het er toch komen. Dat gebeurde ondanks het advies van de Raad van State, die zei: zorg nou eerst eens dat wij dat lerarentekort onder controle hebben voordat je met zo'n register komt. Dat is wat ons betreft onvoldoende gebeurd. Nu staat het lerarenregister in de ijskast. Het ligt in coma. Het is dood en begraven. Nou ja, de verschillende duidingen daarvan lopen nog wat uiteen. Ik hoop er daar nog een paar aan te kunnen toevoegen. Het lerarenregister is in ieder geval niet actief, terwijl het lerarentekort alleen nog maar groter geworden is.

Het waren onder anderen mevrouw Westerveld en mevrouw Van den Hul die in de eerste termijn aandacht vroegen voor de relatie tussen het register en het tekort. Wij delen de zorgen over dat tekort. We delen ook dat er op dit moment grotere problemen zijn op scholen, namelijk dat tekort zelf. Laten we dat eerst grondig aanpakken. Laten we vervolgens aan de beroepsgroep zelf overlaten hoe zij de professionalisering van hun vak willen invullen, met een schone lei en met zeggenschap over de eigen professionalisering. Tegen iedereen die zich daar zorgen over maakt, zou ik zeggen: natuurlijk betekent dit niet dat docenten pas gaan nadenken over professionalisering wanneer de overheid het lerarentekort heeft aangepakt. Een docent is een professional.

Ik roep hier even de drukte voor de aanvraag van de lerarenbeurzen in herinnering, als het mag. Het was op een doordeweekse dag, op een tijdstip waarop de meesten van ons, ik in ieder geval wel, allang in bed lagen. De meeste docenten moesten de dag erna gewoon weer werken. Toch gingen zij zo massaal een lerarenbeurs aanvragen dat de website offline was. En dat tussen 0.00 uur en 1.00 uur 's nachts. Dat zegt wat ons betreft niet alleen iets over de moeizame relatie die de overheid heeft met ICT, maar het zegt ook iets over de interesse van het onderwijsveld in de eigen professionalisering. De angst dat het definitief ten grave dragen van dit lerarenregister ten koste zou gaan van de wens tot professionalisering, lijkt ons echt ongegrond. Sterker nog, het was de misvatting dat de beroepsgroep dit register nodig zou hebben om überhaupt interesse te krijgen in bijscholing, die ten grondslag lag aan dit register.

We willen daar nog wel iets aan toevoegen in het kader van de schriftelijke beantwoording van de minister die we eerder mochten ontvangen, waarvoor onze uitdrukkelijke dank. Wat ons bevreemdde, is dat de minister daarin eigenlijk lijkt te zeggen dat zijn "ijskast", om het maar even zo te zeggen, eigenlijk volstrekt conform de huidige wet is. Het bevreemdde ons ook dat het altijd de bedoeling is geweest dat het register weliswaar wettelijk vastgelegd zou worden, maar dat het alleen een wettelijk kader zou krijgen en dat de invulling daarvan verder aan de beroepsgroep zou zijn. Ik sluit me aan bij wat collega Bisschop daar net al over zei.

Wij maken een andere keuze. Want waar het kabinet lijkt te zeggen dat het "hoe" aan het onderwijsveld is, willen wij een stap verder gaan. Wij willen ook het "wat", de vraag of professionalisering überhaupt het meest gediend is bij dit register, of welk register dan ook, bij de beroepsgroep beleggen. Mochten zij vervolgens in al hun wijsheid en professionaliteit besluiten dat het huidige register de best mogelijke optie is, dan sluit ik niet uit dat de heer Bisschop en ik onze wenkbrauwen flink zullen fronsen en daar misschien nog wel een kritische kanttekening bij zullen plaatsen. Maar uiteindelijk vinden wij wel dat die keuze bij de beroepsgroep belegd moet worden en niet bij de politiek.

De voorzitter:

Er zijn niet veel bewindspersonen of andere mensen in vak-K die zelf de stilte laten vallen voor een interruptie. Dat doet de heer Kwint wel. De heer Peters.

De heer Peters (CDA):

Ja, dat kan ik beamen. Ik zit zelf ook weleens voor bij commissievergaderingen en dan kom ik er ook achter dat stiltes niet altijd vallen.

De voorzitter:

Nee.

De heer Peters (CDA):

Maar goed. Collega Kwint zegt eigenlijk: als leraren zelf invulling kunnen geven aan hoe ze het willen, als ze echt gaan emanciperen en als dan de uitkomst is dat het in een register moet, dan past dat binnen de wet zoals die er nu is. Hij zou alleen misschien vreemd opkijken. Maar als we nou aan de ene kant willen dat de beroepsgroep zich emancipeert, zelf aangeeft en gaat over wat kwaliteit is en eindigt met een register, dan maken we die dode wet weer een beetje levend en kunnen we aan de gang; mooi. Maar stel nou dat de beroepsgroep — nu komt de vraag aan meneer Kwint — dat wil, maar het ineens uit de wet is geamendeerd is en je ineens twee jaar verder bent. Ik begrijp gewoon echt het nut niet. Waarom zou je iets wat dood is en wat volgens de wens van docenten weer ingevuld kan gaan worden, eerst echt om zeep helpen en definitief schrappen, terwijl het al niet meer beweegt? Het ligt in de ijskast. Zonder dat de docenten zeggen dat ze het willen, gaat het ook niet uit de ijskast. Ik probeer het gewoon te snappen.

De heer Kwint (SP):

Dank aan de heer Peters voor deze vraag. Misschien liet ik wel zo snel een stilte vallen omdat ik vanuit de andere kant van de zaal goed weet hoe ingewikkeld het soms is om te wachten op een moment waarop je een interruptie kunt plaatsen. Wij wegen dit echt anders. De heer Peters zegt eigenlijk: laat gewoon die dode letter in de wet staan, wie weet heeft er ooit weer iemand behoefte aan en dan ga je er weer mee aan de slag. Nog los van wat collega Bisschop zei over het proces van wetgeving en hoe wij met wetten dienen om te gaan, zit daar ook inhoudelijk een verschil van mening. Wij vinden dat de invoering van het lerarenregister echt niet gegaan is op een manier die recht doet aan het van, voor en door leraren doen. Daarover is volgens mij bijna elke spreker het eens. Een schone lei betekent dan: echt een schone lei. Dus niet: we laten nog even wat voor jou achter de hand, mocht je daar zelf weer een vraag over hebben. Het is nu aan de beroepsgroep — dat komt toevallig in het blokje waar ik straks mee aan de slag ga — om zelf met een voorstel te komen. Mocht daar de uitkomst van zijn dat men — ik betwijfel dat ten zeerste, gezien de vormgeving van dit register — precies op deze manier door wil, dan zal daar inderdaad een nieuwe wet voor komen, zodat dat zorgvuldig kan worden gewogen.

Maar de andere kant is ook waar. Op het moment dat je nu de beroepsgroep zou belasten met de uitwerking van een register met de geschiedenis zoals dat die nu al heeft, dan denk ik dat je de vorming van een sterke beroepsgroep, maar ook gewoon de vorming van een sterke vertegenwoordiging vanuit de docenten, belast met een erfenis waarmee je ze niet zou moeten willen belasten. Juist vanwege het respect voor de professionaliteit van die docenten.

Dat is voor mij een vrij natuurlijk bruggetje naar het blokje ontwikkeling beroepsgroep en de doorontwikkeling van het register, eigenlijk precies waar de heer Peters naar vroeg. Na de val van de onderwijscoöperatie per 1 januari 2019 ontstond een nieuw initiatief voor de beroepsorganisatie van leraren, het Lerarencollectief, maar ik wil in dezen ook niet de Beroepsvereniging opleiders MBO ongenoemd laten, die ook al geruime tijd bestaat. Initiatieven waarbij leraren zelf aan de slag zijn gegaan om hun slagkracht als beroepsgroep te versterken en te vergroten. En initiatieven die wat ons betreft hoopvol stemmen over de vraag of de beroepsgroep in staat is om zelf invulling te geven aan de wijze waarop professionalisering vormgegeven zou moeten worden. In reactie op de heer Van Meenen die daarnaar vroeg, erkennen wij volmondig dat deze initiatieven een belangrijke rol kunnen hebben in de verdere professionalisering van de beroepsgroep.

Hoe nu verder, vroeg de heer Beertema onder andere. Nou ja, in ieder geval niet verder met dit lerarenregister. En wel verder met het investeren in de vorming — want ik denk dat wij daar echt nog niet zijn — van die robuuste vertegenwoordiging van docenten. De leraar aan zet. Het is juist daarom niet onze intentie om veel specifieker te worden bij het "hoe nu verder". Waarom? Omdat het juist een vraag is die wij bij de docent willen beleggen, om niet dezelfde fout te maken als die met de invoering van het register gemaakt is, namelijk het vanuit Den Haag wijzen waar de docent naartoe moet.

Het enige wat wij met dit wetsvoorstel beogen te doen, is het — uiteraard op volstrekt diervriendelijke wijze — verwijderen van de beren op de weg die de voortgang zoals docenten die zelf willen nu in de weg staan. Het lerarenregister, of het nu in een koelkast, vrieskist, voorraadkast of grafkist ligt, is wat ons betreft een sta in de weg.

De heer Van Meenen vroeg ons verder in te gaan op waarom wij nou dat lerarenregister als een donkere wolk boven dat onderwijsveld karakteriseren. Ik zou hem daarbij ten eerste willen verwijzen naar alle dingen die hij in het verleden zélf over het lerarenregister gezegd heeft. Volgens mij vindt hij dan een aardige bloemlezing van de argumenten die ik zou kunnen gebruiken.

Maar daarnaast — de heer Bisschoep verwees daar net ook al even naar — kwamen er bijvoorbeeld bij de internetconsultatie op het wetsvoorstel heel veel reacties waarvan het onderwijsveld zelf zei: bevrijd ons hier nou van.

Minister Slob heeft in de afgelopen jaren positieve en negatieve recensies mogen ontvangen vanuit het onderwijsveld. Maar toen hij besloot om het lerarenregister in de koelkast te zetten, om het zo te zeggen, was het lerarenveld geloof ik zelden zo unaniem. Want die waren er heel enthousiast over om niet verder te gaan met de uitrol van het lerarenregister. Dat is niet voor niks.

De omstandigheden in het onderwijs zijn er in een hele hoop opzichten niet makkelijk op geworden voor docenten, qua werkdruk en tekort bijvoorbeeld. Het is niet voor niks dat PO in actie het over "de enige juiste stap" had om de stekker voorlopig uit dit register te trekken.

Dan is onze overtuiging: laten we de beroepsgroep niet opzadelen met dit gedrocht, deze erfenis. Volgens mij doen wij de docenten daar geen plezier mee en helpen wij daarmee ook niet de ontwikkeling van de initiatieven die wij juist als heel hoopvol zien.

Het risico bestaat namelijk — we leven allen in grote onzekerheid, in afwachting van wie er de komende jaren het ministerie van OCW zullen gaan bemensen — dat een bewindspersoon in de toekomst die juist ontstane initiatieven richting de organisatie van de docenten meteen weer opzadelt met de verdere implementatie van het register. Onder het mom van "nou ja, u wilde een sterke representatie van de beroepsgroep, daar is die beroepsgroep, veel plezier met het uitvoeren van het register". Dat willen wij voorkomen. De beroepsorganisaties verdienen ons vertrouwen. Zij zitten nu juist in het proces van het versterken van de eigen positie. Zij verdienen het niet om belast te worden met een negatieve erfenis. Als eenvoudig burger mag je een negatieve erfenis ook weigeren. Wij willen de docenten van Nederland ook dat recht geven. Als eenvoudige burger mag je een negatieve erfenis ook weigeren. Wij willen de docenten van Nederland dat recht ook geven.

De voorzitter:

En weer is daar de natuurlijke stilte. De heer Peters.

De heer Peters (CDA):

Hier kan ik aan wennen, voorzitter.

De voorzitter:

Zeker.

De heer Peters (CDA):

Ik heb een heel simpele vraag aan meneer Kwint. Dat u niet vindt dat het moet moeten, is mij helder, maar bent u het er wel mee eens dat de docenten, een geëmancipeerde beroepsgroep, het moeten willen?

De heer Kwint (SP):

Wat is dan precies "het"?

De heer Peters (CDA):

Zich emanciperen en zeggen "wij gaan over kwaliteit, wij gaan het invullen en wij gaan dat ook registreren en bijhouden", zoals in heel veel andere beroepsgroepen ook gebeurt.

De heer Kwint (SP):

Ik was er al bang voor dat er een heleboel achter dat "het" weg zou komen. Natuurlijk ben ik het ermee eens dat als je de docenten serieus neemt als een professionele beroepsgroep, daarbij ook de verwachting mag horen dat je werkt aan je eigen ontwikkeling, je professionalisering en het up-to-date houden van je kennis. Zeker. Meneer Peters maakt daarna het bruggetje naar een register. Daar ben ik niet van overtuigd. Het kan. Ik vind echt dat dat bij de beroepsgroep zelf belegd moet worden, inclusief de invulling van dat register, juist vanwege wat ik net al zei over de lerarenbeurs. Wij zien nu al het enthousiasme waarmee docenten de mogelijkheid tot bijscholing massaal omarmen. Mocht het handig zijn — ik vermoed dat dat dan vooral om praktische redenen zal zijn — om ergens op te schrijven wat iemand in de loop der jaren aan kennis bijgewerkt heeft, dan kan dat, als dat de uitkomst is waarvoor docenten pleiten. Dan is het vervolgens de vraag of je dat verplicht moet doen en of je dat wettelijk moet verankeren. Ik denk dat dat het moment is dat het ministerie daarover in gesprek zal moeten met docenten. Over die professionalisering zijn we het natuurlijk eens. Ik wil me juist niet al te veel bemoeien met hoe dat uiteindelijk geregistreerd gaat worden. Dat is juist de reden dat wij deze wet hebben ingediend.

De heer Peters (CDA):

Ik zit te denken. Volgens mij zitten we niet zo heel ver uit elkaar in wat we eigenlijk willen. Ik denk alleen dat als je iets niet moet moeten, maar wel zou moeten willen of eigenlijk moet willen, namelijk een sterke beroepsgroep die zich emancipeert en professionaliseert en die er zelf over gaat wat die professionaliteit dan inhoudt en dat ook bijhoudt … Dat willen we volgens mij in principe Kamerbreed. Mijn enige punt is dan het volgende. Als we dadelijk zover zijn, dan gaan we dat registreren. Er ligt nu al een wettelijk kader. Waarom zou ik het dan nu moeten stoppen, waardoor ik twee jaar vertraging zou oplopen? Dat vraag ik me gewoon af. Als het niet hindert als het er ligt … Mij hindert het niet. Het ligt er goed. U zei net dat de leraren stonden te juichen omdat het in de koelkast ligt. Nou, daar ligt het dan toch goed? Ik vraag me af of ik het proces niet hinder door dit straks te steunen.

De heer Kwint (SP):

Dan komen we weer terug bij de eerdere vraag van de heer Peters. Zijn voorstel is om het in de koelkast te laten liggen. Iedereen die een koelkast heeft, weet dat je op een gegeven moment ook weer dingen eruit moet halen. Als je dat niet doet, gaat het stinken. Dit register ligt nu al dusdanig lang in de koelkast dat het misschien verstandig zou zijn om het eruit te halen, en dan niet alleen uit hygiënisch oogpunt. Als je het in de koelkast laat, is het probleem dat je voorbijgaat aan de vraag of wij het op deze manier wettelijk moeten regelen. Je gaat dan met z'n allen praten over professionalisering. Als we het dan met z'n allen eens geworden zijn, trekken we het oude register weer uit de kast. Volgens ons doet dat geen recht aan de overtuigde wens van het onderwijsveld om dat zelf vorm te geven. Mocht men dat uiteindelijk willen vormgeven, dan vermoed ik dat de oude teksten nog wel op internet te vinden zijn. Nogmaals, ik sluit niet uit dat de heer Bisschop en ik dan onze wenkbrauwen zullen fronsen bij de uitkomst, maar onze intrinsieke motivatie om deze wet in te dienen is juist om het te beleggen bij de beroepsgroep.

Dat is ook meteen een antwoord op een andere vraag die ik nog moest beantwoorden. Volgens de heer Heerema, toenmalig onderwijswoordvoerder van de VVD, zouden we met dit wetsvoorstel een broedende kip storen. Gezien de natuurlijke achterban van onze twee partijen zou je misschien denken dat de heer Bisschop beter thuis is in agrarische beeldspraken dan ik, maar ik kom uit een boerendorp en ik zal een dappere poging wagen. Een kip broedt op een ei; dat weet ik. Het is gangbaar dat dat een ei is dat die kip zelf heeft gelegd. Dat is nu precies de kern van deze metafoor en waarom deze metafoor van de VVD volgens ons niet opgaat. Dit ei, het register, is niet van de kip, de beroepsgroep. In die zin zou het misschien passender zijn om te spreken van een broedende pinguïn, aangezien daar de mannetjes, die niet zelf de eieren gelegd hebben, uiteindelijk wel de verantwoordelijkheid nemen voor het broeden. Dit register is niet van de beroepsgroep en in die zin zijn wij de beroepsgroep ook niet aan het storen, maar juist aan het ontlasten. We denken dat wij in dit geval de kip opzadelen met een taak waar zij niet om gevraagd heeft. De kip zou zich beter kunnen concentreren op het broeden op de kerntaak, namelijk het vormen van een zelfbewuste beroepsgroep. Laten we dat wenselijke en volgens ons ook hoopvolle traject nou niet verstoren door er de erfenis van het lerarenregister aan vast te klinken. Ook de heer Futselaar — wij missen hem natuurlijk allemaal — zei het treffend: door het lerarenregister in de ijskast te laten, zouden we suggereren dat het mooi is waar de beroepsgroep mee komt, maar dat het wel moet passen in wat er al staat. En dat is volgens ons niet met, van, voor en door leraren.

De VVD zegt: het register moet straks van, voor en door de docent zijn. De hele reden waarom wij deze wet hebben ingediend, is dat het dat niet geweest is. Dit lerarenregister is dat nooit geweest en dan kun je wat ons betreft beter van voor af aan beginnen.

Mevrouw Paul (VVD):

Het appje dat ik eerder vandaag kreeg, laat me toch niet los. Ook wat net werd gezegd over het ei en de kip en …

De heer Kwint (SP):

De pinguïn.

Mevrouw Paul (VVD):

… de pinguïn triggert me ook. Wat ik uiteindelijk begrijp uit wat gedeeld is vanuit het Lerarencollectief is: bewaar dat ei nou maar gewoon. Zij willen kunnen bepalen of ze er een gebakken ei, een omelet of een geklutst ei van maken. Ik haak aan bij wat collega Peters zei: er is geen enkele reden om het kader uit de wet te slopen dat nog steeds nodig zal zijn wanneer straks vanuit de beroepsgroep is bepaald wat ze willen gaan doen. Ik begrijp het gewoon niet.

De heer Kwint (SP):

Dit is wel precies waar deze discussie in de kern spaak loopt. Wij zouden een paar artikelen moeten bewaren, zodat de beroepsgroep na uitgebreide contemplatie zichzelf kan voegen naar wat wij in die artikelen hebben vastgelegd. Dat is voor ons in de kern precies niet wat "van, voor en door" betekent. Ik heb ook kennisgenomen van het bericht van het Lerarencollectief. Als het Lerarencollectief uiteindelijk op een overtuigende manier kan aantonen dat zij binnen de eigen beroepsgroep en binnen de groep die vertegenwoordigd wordt kiezen voor een soortgelijke vorm, dan kan dat. Maar dan moeten we de ordentelijke weg gaan. Dan moet je nu niet zeggen: we laten jullie helemaal vrij, maar als jullie op a en niet op b uitkomen, hebben wij toevallig al een wet klaarliggen. Dat is wat ons betreft geen echte vrijheid om na te denken over de eigen professionalisering. Dan zeggen wij: echt een schone lei. Daar hoort dus bij het schrappen van dit register.

De heer Van Meenen vroeg wat er nu nog in de wet staat dat overeind blijft als er een register van, voor en door leraren komt. Nou ja, van het huidige register blijft wat ons betreft in ieder geval niks overeind met dit wetsvoorstel. Het wordt echt een schone lei. Dat geldt wat ons betreft echter niet voor het professioneel statuut, maar daar kom ik zo op terug.

De heer Heerma zei dat het bang was dat de wettelijke basis voor het Lerarencollectief zou wegvallen als deze initiatiefwet wordt aangenomen. Ik kan hem en in ieder geval de VVD geruststellen: er is nu helemaal geen wettelijke basis voor het Lerarencollectief. Die nemen wij dus ook niet weg. We hebben volgens mij allebei van harte de ondersteuning van de initiatieven vanuit de beroepsgroep en vanuit de Kamer ondersteund, maar daar is geen wettelijk basis voor. Tot nu toe wordt gewerkt met ondersteuning via subsidies. Na enige tijd zal logischerwijs vanuit het ministerie bezien worden of het gelukt is om het collectief te positioneren als de beroepsvereniging waar iedereen zo op hoopt en waar ook echt hoopgevende signalen voor zijn. Dan kan je vervolgens de vraag stellen: moet dat dan wettelijk geborgd worden of niet? Ik vermoed zomaar dat de minister daar zo meteen nog wel even op zal ingaan.

Dan het professioneel statuut en de koppeling met het lerarenregister, een van de hetere hangijzers uit de eerste termijn van de Kamer. Het is ook een onderwerp waar PvdA en GroenLinks een amendement over hebben ingediend. Na de eerste termijn van de Kamer kregen wij meerdere mails over dit onderwerp van docenten, van vakbonden, van onderwijsorganisaties. Het lijkt mij handig dat ik u eerst even meeneem in de overwegingen van collega Bisschop en mij waarom wij hebben voorgesteld wat wij wilden voorstellen. Een beetje de spanning opbouwen zo vlak voor de lunch kan geen kwaad. We hebben het vandaag al meerdere malen gehad over de schone lei waarmee de beroepsgroep volgens ons zou moeten beginnen. Een volledig schone lei betekent voor ons het schrappen van de oorspronkelijke verplichtingen uit de oorspronkelijke wet. Dat is dus inclusief een professioneel statuut. Los daarvan was er ook nog wat onduidelijkheid over de status van het statuut. Wanneer zou het verplicht worden? Welke rechten zouden leraren hieraan kunnen ontlenen? En zo waren er nog wat meer vragen. Een docent vertelde mij in de voorbereiding dat goede scholen het niet nodig hebben en dat minder goede scholen er niet zoveel mee doen.

Maar wij hebben goed naar uw vragen en zorgen geluisterd, en dan niet alleen naar de vragen van de PvdA en GroenLinks, want ook de PVV, D66 en de SP vroegen er aandacht voor. De laatste partij, die ik redelijk goed ken, had het zelfs over het risico van het kind met het badwater weggooien. Dat kan natuurlijk nooit de bedoeling zijn. Daarom hebben wij de koppen bij elkaar gestoken en besloten dat het behouden van een professioneel statuut de vorming van een beroepsorganisatie, die kan beslissen over hoe professionalisering van docenten het beste kan worden vormgegeven, niet in de weg staat. Daarmee is het dus niet contrair aan het doel dat wij met dit wetsvoorstel hebben. Wij hebben in ieder geval besloten om het amendement van de PvdA en GroenLinks te omarmen. De mate waarin de Kamer dat doet, zal nog moeten blijken. Wel vragen wij de minister iets meer duidelijkheid te verschaffen over de status van het statuut en de rechten en plichten die daarmee gepaard gaan. Wij zijn wel overtuigd geraakt van de potentiële meerwaarde van het professioneel statuut, maar van de werking in de huidige praktijk zijn wij iets minder overtuigd.

Tot slot. De heer Van der Staaij vroeg op welke andere terreinen wij zouden kunnen samenwerken om het onderwijs te bevrijden van onnodige regels. We hadden het voorafgaand aan dit debat toevallig al even over toelaatbaarheidsverklaringen. Ik kan mij herinneren dat wij met een meerderheid aan partijen hebben samengewerkt om de gekke situatie te voorkomen dat ouders met een ziek kind elk halfjaar weer moeten bewijzen dat het kind nog steeds chronisch ziek is, ook wanneer je ervan uit kunt gaan dat dat na een halfjaar echt niet mogelijk is. Wij kijken vanuit onze achtergrond misschien iets anders naar de mogelijkheid van onverwachte genezingen, maar om dat nu elk halfjaar te gaan controleren, ging volgens mij ook de SGP iets te ver. In iets meer algemene zin hebben we elkaar gevonden in het tegengaan van bijvoorbeeld de omvangrijke behandelplannen die voor leerlingen geschreven moesten worden en die soms als een molensteen om de nek van docenten hingen. Mocht de heer Van der Staaij overigens nog aanvullende suggesties hebben qua regels die in het onderwijs nog geschrapt kunnen worden, dan horen wij die graag. Ik vraag hem wel om enig geduld. Het schrijven van een initiatiefwet is een vrij intensief traject. In ieder geval is het, totdat de hele wet is afgerond, voor twee kleine fracties vrij intensief. Maar wij staan open voor suggesties. Als er verder geen vragen meer zijn, ben ik aan het einde van mijn beantwoording gekomen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dank aan de initiatiefnemers dat zij ons amendement over het behoud van het professioneel statuut omarmen. Ik hoop inderdaad dat die steun ook geldt voor de rest van de Kamer. Ik heb nog wel een vraag aan de heer Kwint, die enigszins in het verlengde ligt van de vraag die ik aan de heer Bisschop stelde. Hij hield overigens een heel mooi pleidooi over hoe die trots eigenlijk al in de beroepsgroep zit en over hoe graag docenten zich willen laten professionaliseren. De heer Kwint begon in zijn betoog terecht over het aantal docenten dat nog maar even niet naar bed ging omdat ze 's nachts een aanvraag wilden doen. We weten ook dat jaar na jaar meer docenten een aanvraag doen om zich verder te laten professionaliseren dan dat er aan subsidie beschikbaar is. Nou zou je kunnen zeggen dat het invoeren van een lerarenregister en een professioneel statuut misschien wel een stok achter de deur zijn voor het ministerie om de zaak op orde te krijgen. Ik weet niet of dat zo is, maar dat zou er misschien wel achter kunnen zitten, want daarin leggen we samen een aantal eisen vast waaraan een docent zich zou moeten houden. Maar daar moeten dan wel de voorwaarden voor geschapen worden. Het lerarenregister gaat weg als de Kamer daarvoor stemt. Maar zou er vanuit de Kamer misschien nog meer gedaan kunnen worden? Hebben de indieners samen nagedacht over wat er vanuit het ministerie nog meer gedaan kan worden om ervoor te zorgen dat die docenten, die zich graag willen laten professionaliseren, daar ook alle kansen voor krijgen?

De heer Kwint (SP):

Ja, dank. Ik weet niet of ik het met mevrouw Westerveld eens ben dat een statuut en een register een stok achter de deur zijn richting het ministerie. Volgens mij hebben wij juist in deze periode gezien dat er, terwijl er een wettelijke basis was voor een register — maar goed, dat stond in de ijskast — maar ook voor een professioneel statuut, nog steeds wat problemen ontstonden met de financiering van de bijscholing en professionalisering van docenten, ondanks dat er al een professioneel statuut in werking was. Ik verwijs maar even naar de misère ronde de vermeende onderuitputting — en later overuitputting — van de lerarenbeurs.

Ik denk dus dat het vooral een opdracht aan onszelf en ons allen is om ervoor te zorgen dat ten eerste in het specifieke geval van de lerarenbeurs echt een oplossing gevonden wordt, die ook recht doet aan waar wij, met alle goede bedoelingen, het onderwijs per ongeluk mee opgezadeld hebben. En ten tweede om ervoor te zorgen dat wij, bij die permanente aandacht voor hoe je die scholing stimuleert, ook tijd en ruimte gunnen aan docenten om dat zelf vorm te geven. Bij alles wat wij hier doen, moet dit een punt van zorg blijven en moet dit ook iets zijn waarvoor wij ook de voorwaarden moeten scheppen. Ik weet niet of een statuut of een register daar uiteindelijk mee gaat helpen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Dat snap ik wel. Met deze initiatiefwet wordt het lerarenregister geschrapt. De doelstelling van het register — daar hebben wij het net ook al even over gehad — was natuurlijk juist om ervoor te zorgen dat er voldoende ruimte is voor bijscholing en om de status van het beroep misschien wat te verhogen. Er zitten allemaal goede ideeën achter. Nu het register definitief geschrapt wordt met deze initiatiefwet, ben ik op zoek naar een manier om nog steeds wel de beroepsgroep te kunnen helpen, en dan natuurlijk op een manier die vanuit hun zelf komt. Maar het geld en de voorwaarden moeten uiteindelijk natuurlijk voor een deel wel uit Den Haag komen.

De heer Kwint (SP):

Daar ben ik het volmondig mee eens. Daarom zijn wij ook blij dat de Kamer toen het initiatief ondersteund heeft om bijvoorbeeld het Lerarencollectief heel actief te ondersteunen in de opstartfase. Volgens mij is ook de minister daar tot nu toe erg over te spreken. Ik vermoed zomaar dat hij daar nog even bij zal stilstaan. Op het moment dat dat nog meer cachet, meer body krijgt en je daarmee ook die beroepsgroepvorming ondersteund hebt, zullen wij vooral ons oor te luisteren moeten leggen, om te horen hoe zij denken dat wij op een betere manier die professionalisering kunnen borgen en beschermen. Uiteindelijk gaan wij die cursussen niet doen — wij gaan die niet geven en dat lijkt mij heel verstandig — maar wij moeten wel de omstandigheden creëren waarbij die docent, die echt wel intrinsiek gemotiveerd is om zichzelf te professionaliseren, dat ook kan doen.

De voorzitter:

Dank aan de heer Bisschop en de heer Kwint. Dan gaan wij nu luisteren naar de minister, maar niet dan nadat er even is schoongemaakt. Ik geef de minister het woord.

Minister Slob:

Dank u wel, voorzitter. Het is weer bijzonder om hier als adviseur aanwezig te zijn bij dit debat. Mijn grote waardering in de richting van de heren Kwint en Bisschop voor het feit dat zij wat in de gereedschapskist van de Kamer zit, het maken van initiatiefweten, ook ter hand hebben genomen, al moet ik u wel zeggen dat ik grote twijfels heb bij wat zij hier ter hand hebben genomen. Maar daar zal ik straks uiteraard ook woorden aan geven. Ik kan u nu alvast verklappen dat het kabinet adviseert om deze wet niet te steunen, maar dat zal u niet helemaal verbazen, denk ik.

Mevrouw de voorzitter. Ik heb, ook met instemming van de initiatiefnemers, al op voorhand een groot aantal schriftelijke vragen beantwoord, wetende dat we altijd in tijdnood komen. Ik zal mij nu echt beperken tot de hoofdlijn. Ik herken en begrijp de hele voorgeschiedenis van het lerarenregister en de gevoelens die het heeft losgemaakt heel erg goed. Maar toch denk ik dat het goed is om dat op een bepaald moment even van je af te schudden. Er is heel veel gebeurd. Er zijn keuzes gemaakt, ook door dit kabinet. Die heb ik aan uw Kamer voorgelegd en toen heb ik instemming van de Kamer gekregen. Maar nu is het, denk ik, goed om even te proberen om, los van al die hectiek en de gevoelens die er waren, heel sec even te kijken wat we hier nu eigenlijk aan het doen zijn. Dan is de vraag wel gerechtvaardigd welk probleem we aan het oplossen zijn. Het is volgens mij ook wel gerechtvaardigd om de vraag te stellen welke problemen we veroorzaken op het moment dat deze wet zal worden aangenomen.

De wet en het register komen voort uit de Wet beroep leraar. Die heeft indertijd drie dingen geregeld. Allereerst is er een omschrijving gekomen van het beroep van leraar. De initiatiefnemers laten die gewoon in stand. Zij hebben daar in hun initiatiefwet geen verandering in aangebracht.

Het tweede wat de wet deed, was de professionele ruimte van de leraar binnen de school vastleggen in een professioneel statuut. De zeis van de initiatiefnemers ging ook over dit onderdeel van de wet. Die is in 2017 in werking getreden. De scholen kregen een jaar om dat uiteindelijk uit te gaan voeren. In het mbo — ik had nog moeten zeggen dat ik hier ook sta namens mijn collega Van Engelshoven, want het gaat ons beiden aan — was er al vanaf 2008 sprake van een professioneel statuut, zonder dat het in de wet stond. Vanaf 2017 moeten de scholen hiermee aan het werk. De heer Kwint vroeg mij om nog even aan te geven wat de stand van zaken is. We zien dat een groot aantal scholen hier invulling aan geeft. Het biedt de inspectie de mogelijkheid om bij de bezoeken daarover met de school te spreken. Het is heel belangrijk dat je in de school de spelregels van de professionaliteit van de docent gewoon invult. Dat was niet op alle scholen het geval. Ik ben heel blij met het feit dat de initiatiefnemers daar nu op terugkomen en dat zij een positief oordeel hebben gegeven over het amendement van de Partij van de Arbeid en GroenLinks, zo zeg ik even uit mijn hoofd. Het zou inderdaad een enorme verarming zijn dat binnen de school niet meer duidelijk is wat de positie van de docent is en wat hun professionele ruimte is.

Ten derde regelde de Wet beroep leraar de mogelijkheid tot invoering van een verplicht lerarenregister. De beroepsgroep leraren bepaalt zelf de concrete uitwerking van de inhoud van en criteria voor de herregistratie. Dat is letterlijk vastgelegd in de Wpo en de Wvo. U kent de artikelen waarschijnlijk uit uw hoofd.

De heer Bisschop gaf aan — dat was best een beetje bijzonder — dat dit nu een slapend artikel is. Er zijn ook allerlei medische termen gebruikt, die ik maar niet ga herhalen, al ben ik de afgelopen tijd veel in ziekenhuizen geweest en heb ik er heel veel van meegekregen. Eén ding is wel duidelijk: dit onderdeel is niet in werking getreden. De heer Bisschop laadt dat heel zwaar, omdat het staatsrechtelijk onjuist zou zijn. Ik kan u melden dat er de afgelopen kabinetsperiode verschillende onderwijswetten zijn geweest die de instemming hebben gehad van de SGP en de SP, en ook van andere partijen, waar ook artikelen in zaten die pas op een later moment in werking gingen. Soms heel concreet en met een datum, en soms zonder datum. Ik denk bijvoorbeeld aan de Wet actualisering deugdelijkheidseisen. Ik denk ook aan de wet die te maken had met de Wpo en de Wvo als het gaat om de BES. Ik denk ook aan het wetsvoorstel rondom het Participatiefonds en het Vervangingsfonds. Wetsartikelen treden ook niet altijd direct in werking en soms is onder voorwaarden in de wet geregeld dat ze op een later moment in werking treden. Dat is op zich dus niet heel bijzonder. De reden dat dat in deze tijd echt wel even een tijdje heeft geduurd, is wel te rechtvaardigen door het feit dat de beroepsgroep door het lerarentekort en alles waar de scholen mee te maken hadden, ook wel even wat andere dingen op z'n bordje had liggen. In de afgelopen anderhalf jaar hebben we ook met corona te maken gehad, wat ook al niet echt heel veel ruimte bood om allerlei initiatieven ter hand te nemen. Maar dat een artikel op een later moment in werking kan treden, soms zonder dat er een datum bij staat, is op zich niets nieuws voor onderwijswetgeving.

De heer Van der Staaij (SGP):

De minister geeft volstrekt terecht aan dat gefaseerde invoering niets bijzonders is. Dat is ook niet waar de bezwaren zich op richten. Wel is het bijzonder dat er eigenlijk een draagvlakprobleem is dat alleen maar zichtbaarder wordt. Al in de wetsgeschiedenis hebben de Raad van State en de Onderwijsraad gezegd: dit is prematuur, dit ga je niet redden. Ook de beoogde invoering is enorm veel trager dan eerder werd beoogd. Doet de minister nu te veel alsof dit de normale gang van zaken is? Er is hier wel degelijk iets aan de hand, namelijk niet echt een technische kwestie, maar veeleer een heel politieke discussie over de vraag: is dit eigenlijk wel zo handig, en moeten we dat eigenlijk wel op dit moment doen?

Minister Slob:

Vanaf de oorsprong van de wet waarin het lerarenregister is opgenomen en de discussie daarover, is van meet af aan, tot in de wetsteksten aan toe, helder geweest dat de beroepsgroep zelf invulling zou gaan geven aan het lerarenregister, als dat er zou komen. Ook was helder dat de verantwoordelijke bewindspersoon via een AMvB de uitwerking daarvan zou voorhangen, zowel bij de Tweede als bij de Eerste Kamer. Dit was dus een ordentelijk traject dat op een heel goede manier was en is geregeld. Het klopt dat hierover heel veel discussie is geweest, niet alleen in de politiek, maar ook in de sector zelf. Ook dat heeft natuurlijk z'n gevolgen gehad, ook voor de voortgang, maar dat laat onverlet dat het niet staatsrechtelijk onjuist is om in een wet een bepaling te hebben die op een later moment in werking treedt, waarbij volslagen helder is wie als eerste in de lead is om er uitvoering aan te geven. Als we het gedoe van de afgelopen jaren even buiten beschouwing laten, is dat wetstechnisch gewoon de situatie waar we hier mee te maken hebben.

De heer Van der Staaij (SGP):

De situatie waar de minister op doelt is een soort technische discussie over het goede moment van inwerkingtreding, maar is dit niet een voorbeeld dat de technische discussie ver overschrijdt? Ik verwijs alleen naar de motie-Rog/Van Meenen over de hele positie van de Onderwijscoöperatie. Was destijds niet al bij het wetsvoorstel door de Raad van State en de Onderwijsraad gezegd dat het prematuur was en dat je het niet zo in de wet moest regelen? Is dit juist niet een bewijs dat die kritiek op het wetsvoorstel terecht was, gezien de problemen waar we nu in de praktijk tegen aanlopen?

Minister Slob:

De wetsbehandeling heeft plaatsgevonden in een vorige kabinetsperiode. Daarin zijn deze argument natuurlijk uitgebreid gewisseld, ook rondom het advies en de kritiek van de Raad van State. Destijds heeft een meerderheid van de Kamer, en later ook de Eerste Kamer, uiteindelijk ingestemd met het uitvoeren van deze wet op de manier zoals die in de wetsteksten was vastgelegd. Dat we daarna de discussie hebben gekregen, hebben we allemaal kunnen meemaken, ikzelf ook als persoon in mijn verantwoordelijkheid, maar nogmaals, dat laat onverlet dat dit gewoon een door de Kamer aanvaarde wet is waar deze mogelijkheid in zit. Ik ben het zeer eens met de heer Bisschop en de heer Kwint, die dat iedere keer herhaald hebben: de lead — in slecht Nederlands — is hier bij de beroepsgroep zelf gelegd en het artikel kan niet eerder in werking treden dan nadat de beroepsgroep daaraan zelf invulling heeft gegeven en het via een AMvB is voorgehangen bij de Kamer. Daarna kan de politiek zelf weer de weging maken: is dit wat we bedoeld hebben?

De voorzitter:

De heer Van der Staaij, tot slot.

De heer Van der Staaij (SGP):

Waarom denkt de minister dat ook de Raad van State zonder meer instemmend was over dit wetsvoorstel?

Minister Slob:

De Raad van State heeft, zoals dat ook bij de rol van de Raad van State hoort, zijn beoordeling, zijn observaties gegeven van het wetsvoorstel dat toen voorlag. De Raad van State heeft inderdaad ook op dit wetsvoorstel weer een reflectie gegeven. Dat is zijn goed recht. Uiteindelijk is het aan ons om afwegende onze keuzes te maken. Ik gaf net al aan: als er kritiek is ... De beroepsgroep is niet in de lead. De beroepsgroep heeft niet het initiatief om invulling te geven aan het register. Dan is mijn antwoord via u, mevrouw de voorzitter, in de richting van de Kamer: kijk naar de wettekst. De beroepsgroep is juist in de wettekst in de lead. Op het moment dat we deze onderdelen uit de wet schrappen, wat de initiatiefwet beoogt, ontnemen we de beroepsgroep een mogelijkheid, in ieder geval op korte termijn, om als ze dat willen verder te gaan met de invulling daarvan.

Voorzitter. Daar heb ik uiteraard zelf met de beroepsgroep over gesproken. Allereerst hebben zij zich vooral publiek geuit over het professioneel statuut. Ze zouden het echt een verarming vinden als dat weggaat. Ik weet van het Lerarencollectief maar ook van de FvOv, het Platform VVVO en de BVMBO dat zij deze bepalingen graag in de wet zouden willen houden om op een voor henzelf geëigend moment ... Van het Lerarencollectief weet ik dat ze eerst met het beroepsbeeld aan de slag willen, waar ze overigens al mee bezig zijn, en met de beroepsstandaard aan de slag willen, maar ook de mogelijkheid willen hebben om op een zelfgekozen moment verder invulling te geven aan het register. Op het moment dat deze wet wordt aangenomen, kan dat natuurlijk gewoon doorgaan. Maar dan zijn we inderdaad weer twee jaar verder voordat daar dan ook een wettelijke grondslag voor is. Dan is de weging: vinden we het nodig om dat nu uit de wet te halen, wat voor doel is daarmee gediend?

Voorzitter. Wat zijn dan de consequenties? In ieder geval zal het dan meer tijd gaan vragen om bij wijze van spreken eenzelfde soort bepalingen in de wet te krijgen. Ik neem niet aan dat we dan opeens het initiatief niet meer bij de beroepsgroep, maar bij anderen zullen leggen. Dan is het een herhaling van wat we de afgelopen jaren hebben gehad.

Een tweede consequentie. Op het moment dat we de keuze hebben gemaakt om heel helder aan te geven dat er in deze kabinetsperiode niets meer zal gebeuren, hebben we wel de ruimte geboden aan docenten om op vrijwillige basis gebruik te maken van bepalingen in deze wet, bijvoorbeeld als het gaat over gegevensoverdracht, enzovoort, enzovoort. Er zijn op dit moment 14.000 docenten die zelfstandig bezig zijn met hun portfolio en die deze wet ook nodig hebben om dat te kunnen doen. Op het moment dat deze wet wordt aangenomen, wordt deze mogelijkheid hen ontnomen, wat ik echt een verarming zou vinden. Dan vallen we terug op de situatie zoals die op dit moment voor alle docenten geldt, namelijk dat het bekwaamheidsdossier dan weer de weg is waar ze zich toe moeten vervoegen. Maar het bekwaamheidsdossier is in handen van het bevoegd gezag, van het schoolbestuur, van degenen die leiding geven in de school. En daar hebben de docenten niet dezelfde regie over. Dus in ieder geval voor 14.000 docenten betekent dit dat ze de eigen regie kwijt zijn en dat ze zich weer moeten voegen in het bekwaamheidsdossier, waarvan ze nu ontheven zijn, omdat ze een eigen vrijwillige portfolio hebben. Ik zou dat echt een onverstandige zaak vinden. Ik zou het niet aanbevelen om dat te doen. Nogmaals, de bepalingen zoals ze nu in de wet staan, doen niemand kwaad. Als ze geactiveerd worden, is de beroepsgroep daar zelf bij betrokken en wordt de uitwerking aan uw Kamer voorgelegd, zodat u zich daar ook nog over kunt uitspreken. Wat is dan uiteindelijk het doel wat je dient door deze wet te aanvaarden, met alle nevenschade die dan ontstaat? Misschien wordt één nevenschade, het professioneel statuut, gerepareerd door het amendement, maar op het andere front gaat het helaas dan niet goed. Ik zou dat betreuren. Nogmaals, met alle respect voor de inzet van de initiatiefnemers en voor de gevoelens rond het lerarenregister zoals die de afgelopen jaren zijn ontstaan — ik zou mijn eigen gevoelens ook met u kunnen delen, maar dat lijkt me niet helemaal het geëigende moment — is ons advies als kabinet, dit alles afwegende, dat wij dit initiatief niet zouden steunen.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik ben benieuwd hoe de minister het dan het liefst verder ziet. Het lijkt me gewoon een feit: we hebben een lerarenregister waar een groot deel van de beroepsgroep in hoge mate ontevreden over is, waarvan een groot deel van de Kamer zegt: had dat wel op deze manier ingevoerd moeten worden? We kunnen allemaal de geschiedenis teruglezen. Wat ziet de minister dan als de volgende stappen die gezet zouden moeten worden?

Minister Slob:

Een deel van de gevoelens is gewoon veroorzaakt door de wijze waarop destijds dat hele traject is verlopen en de wijze waarop men het wilde inrichten. Dat begrijp ik. Ik zou haast zeggen: we hebben ook niet voor niets ingegrepen. Maar we zijn als wetgevers en medewetgevers bij elkaar: als je sec kijkt naar wat er in de wet staat, dan kun je niet anders dan constateren dat de beroepsgroep zelf uiteindelijk bepalend is voor het in werking laten treden van de bepalingen over het register. Zo hebben we dat ook bedoeld bij de wet. De beroepsgroep is zich nu aan het vormen is, waarover ik zeer enthousiast ben. Ik heb het al een paar keer gezegd: hoe het Lerarencollectief zich ontwikkelt — ik gun het nog veel meer leden, want het is nog niet vanzelfsprekend om je daarbij aan te sluiten — en inhoudelijk bezig is, is echt zoals we dat bedoeld hebben. Ik ben met name de heer Van Meenen dankbaar dat hij dat destijds vanuit de Kamer mede stevig onder de aandacht van het kabinet heeft gebracht. Ik ben daarvoor zelf ook overstag gegaan en ik zet me daar volledig voor in. Ik heb ze ook de ruimte gegeven, ook in coronatijd, om nog even wat meer tijd te nemen om dit verder uit te werken. Dat doen ze voortreffelijk, ook in het Nationaal Programma Onderwijs. Als die ooit zeggen — ze hebben daar nog geen concrete plannen voor — "we hebben dat beroepsbeeld gehad, we hebben de beroepsstandaard gehad, en nu gaan we met de doelgroep, met de leraren zelf aan de slag om er wél wat van te maken dat het ook echt hun eigendom is", waarom zou je hun dan die mogelijkheid ontnemen?

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik snap wat de minister zegt. We komen hier wel in de wat ongemakkelijke situatie terecht dat het idee van het lerarenregister natuurlijk is ontstaan voordat het Lerarencollectief er was. Ik werkte in die tijd bij de Algemene Onderwijsbond, dus ik heb het ontstaan daarvan en ook wat er toen werd gewisseld en hoe het vervolgens verder is gegaan best wel goed vanuit die kant meegekregen. De verschillende bonden zeggen nu: als het op deze manier wordt ingevoerd, dan hoeft het van ons niet. Er is nu een andere beroepsgroep, het Lerarencollectief, waar ik ook groot fan van ben. Wij hoorden vanochtend dat zij zeggen: misschien moeten we de bepaling wel overeind laten staan. Ik blijf het nu een beetje ongemakkelijk vinden dat we in één keer in een heel andere situatie terecht lijken te zijn gekomen, waarbij de beroepsgroep ook in één keer op een andere manier wordt gedefinieerd.

Minister Slob:

Ik heb zelf meer namen genoemd dan alleen het Lerarencollectief, dus laten we ons niet alleen daarop richten. Dat is een jonge groep, maar die is wel stevig bezig. Ik heb ook BVMBO en FvOv genoemd. Ook die voelen geen enkele drang om dat nu al in te gaan vullen, maar ze hebben in ieder geval geuit dat ze de mogelijkheid ondersteunen om het overeind te houden in de wet. Dat hebben ze in ieder geval in onze richting geuit, en misschien ook wel in die van u. Ik denk wel dat er een misverstand is, dat we hier misschien weg kunnen nemen, namelijk dat men denkt dat er al een volledig ingevulde invulling ligt. Nee, er is op dit moment niet meer dan de bepaling in de wet. De invulling moet vanuit de beroepsgroep komen, dus iedereen die zich daar als docent zorgen over maakt, kan zich aanmelden bij zijn beroepsgroep. Die kan daar lid van worden, meedenken en bepalen wat uiteindelijk de invulling wordt. Maar nog los daarvan: als we deze bepaling nu schrappen, dan staan 14.000 docenten in de kou, want die zijn dan hun vrijwillige keuze en de regie over hun portfolio kwijt. Ze zijn dan ook ontheven van de verplichting om via het bekwaamheidsdossier aan hun bevoegd gezag vast te zitten. Dat zou ik een enorm verlies vinden. Alleen daarom zou ik al zeggen: doe het niet. Maar het is natuurlijk aan u om dat uiteindelijk af te wegen.

De voorzitter:

Mevrouw Westerveld, heel kort.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Het lijken me relevante zaken die hier gewisseld worden en die door de minister verteld worden. Als ik het goed begrijp, zegt hij: houd dat haakje en die bepaling, maar voor een nadere uitwerking van hoe het register er precies uit moet zien, wachten we op de beroepsgroep. Het is me nog wel onduidelijk wie daar dan precies over gaat.

Minister Slob:

De beroepsgroepen hebben we met elkaar vastgesteld. Het Lerarencollectief is een vertegenwoordiging van de beroepsgroep, maar dat is iets anders dan via de bonden over arbeidsmarktzaken spreken. Zij zijn echt met de onderwijsinhoud bezig, zoals u weet. De wet is daar helder over. Uiteindelijk komt er van hun kant een voorstel over hoe het ingevuld moet gaan worden. Zo hebben we dat met elkaar bepaald. Dat staat in de WPO en de WVO. Ik kan u de artikelen nog noemen: uit mijn hoofd zijn dat 38c en 41c. Maar daar staat ook in dat de minister dat uiteindelijk via een AMvB doorgeleidt naar de Kamer. Dan bent u zelf weer aan zet om te beoordelen of dit voldoende draagvlak heeft in de sector om daar uiteindelijk uw instemming aan te geven. U bepaalt dat uiteindelijk. Ook die waarborgen, zorgvuldigheid en staatsrechtelijke zuiverheid, zo zeg ik ook tegen de heer Bisschop, zijn hier nadrukkelijk in meegenomen.

Voorzitter, daar wilde ik het van mijn kant bij laten.

De voorzitter:

Ik dank de minister voor zijn beantwoording in zijn rol als adviseur bij dit initiatiefwetsvoorstel. We gaan door naar de tweede termijn van de kant van de Kamer. Ik zie de heer Van Meenen over zijn buik wrijven, maar er moet hier eerst gewerkt worden voordat u een boterham mag eten. Mevrouw Westerveld, het woord is aan u. Gaat uw gang.

Mevrouw Westerveld (GroenLinks):

Ik zie hier zes minuten staan, maar die heb ik helemaal niet nodig.

Voorzitter. Ik ben allereerst heel blij dat de indieners het amendement van de heer De Hoop en mij hebben omarmd. Ik denk dat het heel goed is dat we het professioneel statuut in ieder geval behouden. Verder heb ik met interesse geluisterd naar de antwoorden. Ik vond de bevlogenheid waarmee de beide indieners van het wetsvoorstel spraken over docenten en de wil van docenten om zich te laten professionaliseren, heel erg mooi. Ik denk dat het heel goed is om hier in de Kamer met enige regelmaat op deze manier te praten over wat het onderwijs allemaal kan en over wat wij zouden moeten doen om docenten te ondersteunen in hun beroep. Ik heb ook met interesse geluisterd naar de beantwoording van de minister. Wij gaan ons heel erg goed beraden op de stemmingen straks.

De voorzitter:

Dank u wel. De heer De Hoop van de PvdA.

De heer De Hoop (PvdA):

Dank, voorzitter. Het is de tweede termijn, maar voor mij is het de eerste termijn dat ik meespreek over dit initiatief. Ik wil dus toch ook nog even gebruikmaken van deze situatie om de beide heren te feliciteren met hun initiatief. Dan bedank ik ze ook gelijk voor het feit dat zij het amendement van de Partij van de Arbeid en GroenLinks omarmen. Mijn voorganger, mevrouw Van den Hul, en mevrouw Westerveld hebben daarin volgens mij goede overwegingen gemaakt. Ik denk dat het goed is dat jullie dat overgenomen hebben. Onze grootste zorgen zagen daar ook op. We hebben de antwoorden met betrekking tot de professionalisering goed aangehoord, die van u beiden, maar ook die van de minister. Net als GroenLinks zullen wij die meenemen in onze overweging. Wederom bedankt.

De voorzitter:

Dank. Mevrouw Paul, VVD.

Mevrouw Paul (VVD):

Dank, voorzitter. Dank aan de heren Bisschop en Kwint voor al hun inspanningen en ook voor hun bevlogen betoog. Het feit dat ik het helaas niet met hen eens ben, doet daar geen enkele afbreuk aan.

Voorzitter. In veel werkvelden is het heel gewoon dat ontwikkeling en training van professionals wordt bijgehouden in een register of hoe het systeem verder ook mag heten. Het doel is altijd het borgen en verhogen van kwaliteit, kennis, kunde en vaardigheden van de betreffende beroepsgroep. Dat is ook het doel van het lerarenregister. Door allerlei omstandigheden, waar ook al eerder aan is gerefereerd — ik zal er niet verder op ingaan — is er onrust en onvrede ontstaan. Dat snap ik best. Het register was nog onvoldoende uitgewerkt. Als leraar zou ik dan waarschijnlijk ook wel onrustig worden. Wat heeft dit voor gevolgen? Wat moet ik precies doen? Wat betekent het voor mij? En wat gebeurt er als ik niet in dat register kom? Al die vragen snap ik.

Maar ik snap niet dat mijn collega's hier in de Kamer het lerarenregister helemaal uit de wet willen slopen. Volgens de VVD biedt de huidige wet namelijk alle ruimte om op termijn te komen tot een register van, voor en door leraren. Door het nu te schrappen missen we straks, wanneer de beroepsgroep zover is en een goed, werkbaar alternatief heeft gevonden, het wettelijke haakje en gaan we onnodig tijd verliezen. Dat is gezien het oorspronkelijke doel, kwaliteitsborging en kwaliteitsverhoging, een gemiste kans.

Tot zover mijn bijdrage. Dank u, voorzitter.

De voorzitter:

Dank. De heer Beertema heeft geen behoefte aan een tweede termijn. Dan is het woord aan de heer Van Meenen van D66. Gaat uw gang.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Mijn partij wil heel graag een lerarenregister. Mijn partij wil heel graag een hele sterke beroepsgroep. Daar hebben we ons voor ingezet, en in het bijzonder voor het Lerarencollectief. De minister heeft dat ook aangehaald. We hebben ook gezorgd voor financiële ondersteuning et cetera et cetera. Maar een lerarenregister moet wel echt van leraren zijn. Ik ga hier niet de hele voorgeschiedenis herhalen, hoewel het voor sommigen misschien toch wel interessant zou zijn om die eens echt goed tot zich door te laten dringen. Maar laten we wel zijn: dit lerarenregister is nooit van leraren geweest en dat zal het op deze manier ook niet worden. Dat is heel erg jammer. Vergelijk het met andere beroepsgroepen, bijvoorbeeld de zorg. Daar is al jaren een register, het BIG-register. Daar is overigens ook een hele strijd aan voorafgegaan; het duurde tientallen jaren voor dat register er was. Maar het is wel écht van de beroepsgroep en niet van minister De Jonge of weet ik wie. Het is gewoon van de beroepsgroep zelf. Dat moet hier ook gebeuren.

Dat begint natuurlijk met een sterke beroepsgroep, die zelf zijn keuzes moet maken. Al vanaf het moment dat ook ik dat appje van het Lerarencollectief gehad heb, ben ik in gesprek met het Lerarencollectief, omdat ik het echt niet kan begrijpen. De beroepsgroep heeft zich voortdurend tegen deze vorm van lerarenregister verzet, en nu komt er één appje en lijkt het anders te zijn. Mijn indruk is zeer stellig dat dit eigenlijk gaat over het professioneel statuut. Men heeft heel hard gevochten om dat te behouden. Gelukkig hebben de initiatiefnemers ook steun uitgesproken voor het amendement van de Partij van de Arbeid en GroenLinks. Daar ben ik ook heel blij mee. Ik heb mij lang op het standpunt hierover gesteld — ik zeg eerlijk: ook doordat je in een coalitie zit die dit nu eenmaal in gang heeft gezet — maar ik voel me daar niet langer aan gebonden. Bovendien heb ik voortschrijdend inzicht. Ik begrijp de beschrijving die met name de heer Bisschop gegeven heeft. Ik had zelf de indruk dat ik het definitieve genadeschot gegeven had, om het maar zo te zeggen, maar dat is niet zo. Ik wil dat we echt met een frisse start kunnen beginnen. Daar ben ik ook hoopvol over. Ik hoop ook dat we daar misschien zelfs al in de formatie iets mee kunnen doen; wie zal het zeggen? Maar eigenlijk is dat helemaal niet nodig, want eigenlijk moet het de beroepsgroep zelf zijn. Maar wellicht kunnen we juist in die formatie de beroepsgroep nog meer in het zadel helpen. Met andere woorden en om een lang verhaal kort te maken: ik hoef niets mee te nemen in overwegingen om het nog eens goed tot me door te laten dringen. Nee, ik ga gewoon voor de initiatiefwet stemmen. Althans, dat zal ik mijn fractie adviseren, maar die doet altijd netjes wat ik zeg.

De voorzitter:

Nou, dat is dan weer een hele geruststelling. De heer Van der Staaij, SGP.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Ik wil de initiatiefnemers bedanken voor hun bevlogen en gedegen beantwoording en de minister voor zijn advisering. Om met de spannende conclusie te beginnen: ook in mijn fractie verwacht ik dat het advies om dit wetsvoorstel te steunen, in goede aarde zal vallen. Ik moet daar eerlijk bij zeggen — want je weet nooit helemaal precies hoe het gaat in zo'n wetgevingsproces, waarbij ik als Kamerlid verder toch wat op afstand sta, want ik ben geen onderwijswoordvoerder — dat je eigenlijk kunt gaan twijfelen over de ingeslagen koers óf juist des te sterker overtuigd raakt. Ik moet zeggen dat dat laatste het geval is. Ik ben eigenlijk steeds enthousiaster geworden over dit wetsvoorstel. Dat kwam ook doordat ik op een gegeven moment het boekje Regelgeving in Nederland nog eens uit mijn boekenkast trok en daarin deze zin tegenkwam: "Het onnodig laten voortduren van een enigszins zwevende toestand waarin wettelijke bepalingen zich voor hun inwerkingtreding bevinden, leidt alleen maar tot misverstanden." Dat is precies wat we nu zien. Een bepaling die wél is vastgesteld door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer maar die uiteindelijk niet in werking treedt, is vragen om problemen. Als de minister dan zegt dat gefaseerde invoering wel vaker plaatsvindt, zeg ik: ja, goedemiddag, natuurlijk, maar hier is wel iets anders aan de hand. Het is niet een kwestie van techniek waardoor je iets even gefaseerd moet doen. Dat is normaal; dat gebeurt veel vaker. Hier is er een draagvlakprobleem, een politieke weging: willen we dit eigenlijk wel op deze manier? Laat dat nou precies samenvallen met waar al bij de wetsbehandeling voor gewaarschuwd was en waar discussie over was: dit is niet rijp, dit is prematuur en dit is te veel top-down. Als we dan later zien dat het gaat zoals de critici, de Raad van State, de Onderwijsraad en diverse fracties in de Kamer zeiden, past er maar één conclusie: netjes intrekken, ermee stoppen. Dat is wat dit wetsvoorstel doet.

Het andere, het wel boven de markt laten hangen, vind ik gewoon niet zuiver. Dat ondergraaft — ik wil toch grote woorden gebruiken — de positie van het parlement als medewetgever, want dan ga je eigenlijk toch een beetje van politiek gedelibereer laten afhangen of iets wel of niet en op welk moment in werking treedt. Dat is nooit de bedoeling van wetgeving. En dan hoeft het echt geen twee jaar te duren als er nog een nieuwe wens zou komen. Dan is er al genoeg denkwerk geweest en dan laten we leraren echt niet in de kou staan met dit wetsvoorstel. We houden hen juist in de houdgreep als we dit wetsvoorstel niet aannemen en zo'n top-downvariant boven de markt laten hangen.

Voorzitter. Dat is de reden waarom ik steeds enthousiaster ben geworden, maar toch ook nog een amendement ben gaan voorbereiden tijdens deze behandeling. Dat was even lastig, want ik kon niet beschikken over de onderwijswoordvoerder. Ik heb dus de medewerker Buitenlandse Zaken aan de slag gekregen, maar misschien kan door de initiatiefnemers alvast op de suggestie gereageerd worden. Ik besef dat ik hen hiermee verras. Is het eigenlijk wel een goed idee om in dit wetsvoorstel tot intrekking de inwerkingtreding bij koninklijk besluit te laten bepalen? Is het niet verstandiger als dit wetsvoorstel, mocht het worden aangenomen, gewoon in werking treedt nadat het door de Tweede Kamer en de Eerste Kamer is aangenomen en als dus een andere formulering wordt gekozen dan bij de regering leggen op welk moment deze intrekkingswet in werking zou treden? Ik hoor daar nog heel graag een reactie op.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Staaij. Ik denk dat we dat amendement nog te zien krijgen. Meneer Peters, CDA, aan u het woord.

De heer Peters (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Mooi om te zien dat we Kamerbreed een geëmancipeerde, sterke beroepsgroep willen die gaat over zijn eigen kwaliteit, en die zegt: wij moeten die professionalisering echt ter hand nemen en we gaan mensen in hun kracht zetten om het zelf te kunnen doen. Toch grappig dat je met datzelfde uitgangspunt, via logischerwijs redeneren, tot zulke verschillende uitkomsten kan komen. Hoe moeten we dat nou wegen? Ik vond het wel een prachtig debat eigenlijk, maar mijn standpunt is niet veranderd. Wij gaan niet voor dit wetsvoorstel stemmen. We gaan voor het amendement stemmen.

Een beroepsgroep die zichzelf emancipeert, neemt de verantwoordelijkheid voor de eigen kwaliteit en wil zelf bepalen, zelf aan het roer zitten en zelf de kwaliteit ontwikkelen en bewaken. Samen iedere dag een beetje beter, van en met elkaar leren: zo vreemd is dat niet. Binnen de zorg en de advocatuur is dat sinds jaar en dag gebruikelijk. Ook het Lerarencollectief ziet dat op die manier, al denkt meneer Van Meenen dat ze niet weten wat ze appen.

Dank aan de collega's Bisschop en Kwint voor de beantwoording van de vragen. Maar zoals mijn collega Kuik reeds heeft aangegeven in de eerste termijn, ruim een jaar geleden, zullen wij tegen dit initiatiefvoorstel stemmen. De beantwoording van de vragen heeft daar geen verandering in teweeggebracht.

Voorzitter. De minister heeft aangegeven de bepalingen die de initiatiefnemers willen schrappen niet te zullen activeren. We zijn het er volgens mij Kamerbreed over eens dat dat op dit moment ook heel onverstandig zou zijn. Dat wil eigenlijk niemand. De minister geeft in de beantwoording van zijn tweede termijn ook duidelijk aan dat hij dat niet zo gaat doen. Hij wil dat leraren in de lead zijn. Het schrappen van die wet zal dus volgens mij niet nodig zijn. Daarna zitten er twee bepalingen in die we sowieso niet willen schrappen, maar daar is een amendement van Partij van de Arbeid en GroenLinks voor.

Voorzitter. Los van alle emoties en praktische bezwaren: het is toch van essentieel belang dat bevoegde en bekwame leraren zelf over de kwaliteit gaan? We roepen de beroepsgroep dan ook op om de handschoen weer op te pakken en betekenisvolle stappen te zetten om te komen tot een door de beroepsgroep zelf gedragen register, waarin bevoegdheden en bekwaamheden worden bijgehouden.

Zoals ik het begrijp, ligt datgene wat nu in de wet staat mij niet in de weg. Ik denk dat het niemand in de weg ligt. We kunnen daar prima weer bij aanhaken zodra de beroepsgroep heeft gedaan wat we allemaal willen en wat hij zelf ook wil. Als het register er dan iets anders uit zou komen te zien dan hoe het nu in de wet staat, amenderen we dat tegen die tijd. Dat bespaart een heleboel tijd.

Tot zover.

De voorzitter:

Dank. Tot slot is het woord aan mevrouw Pouw-Verweij van JA21. Gaat uw gang.

Mevrouw Pouw-Verweij (JA21):

Dank u wel, voorzitter. Ook ik wil de initiatiefnemers en de minister bedanken voor hun duidelijke reacties. Voor mijn fractie is dit de eerste keer dat we iets kunnen zeggen over dit wetsvoorstel. Ik vind het dus belangrijk om dat even goed uiteen te zetten. Maar ook ik zal hier niet ellenlang de tijd voor nemen. Maakt u zich geen zorgen.

JA21 steunt het streven naar een goed georganiseerde beroepsgroep van vakbekwame leraren. De context van de school vormt daarvoor het natuurlijke uitgangspunt. Als bureaucratische belemmeringen daaraan in de weg staan, moeten deze uit de weg worden geruimd en zo nodig uit de wet worden gesloopt. Het schrappen van het lerarenregister en het registervoorportaal in plaats van het opschorten ervan, geeft duidelijkheid. Onze fractie heeft waardering voor het initiatief van Bisschop en Kwint. Met het wegnemen van deze wolk kan het onderwijs het bevorderen van bekwaamheid weer in het zonnetje zetten.

De rode draad van de internetraadpleging is dat scholen en leraren vooral voldoende ruimte moeten krijgen. In verreweg de meeste reacties wordt het register beschouwd als een papieren tijger. Het papier kan de bak in, zodat de tijger op jacht kan gaan. De initiatiefnemers spreken namelijk de hoop uit dat zowel scholen als de inspectie actiever met het bekwaamheidsdossier aan de slag gaan dan in het verleden het geval was, op een wijze die past bij de eigen organisatie. Namens mijn fractie onderstreep ik dat graag. Bouwen aan bekwaamheid en het voortdurend bevorderen ervan verdient alle aandacht, en graag in de vorm van dossiers die ertoe doen en niet in de vorm van formulieren die stof gaan happen. JA21 verwacht van het onderwijs dat het deze inspanningen uit volle overtuiging voortzet, temeer nu een wettelijke stok achter de deur wordt weggenomen in ruil voor vrijheid van en vertrouwen in de scholen zelf.

De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een zogeheten blanco advies uitgebracht over het voorstel van wet. Een blanco advies kan mijn fractie niet geven, maar JA21 kan zich wel bij het positieve oordeel aansluiten, met het uitspreken van de hoop dat er nog meer overbodige bureaucratie uit de onderwijswetgeving wordt gesloopt.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik schors voor vijf minuten en dan gaan we luisteren naar de beantwoording van de initiatiefnemers.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik geef de initiatiefnemers het woord in tweede termijn.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Dank aan de collega's voor de reacties. Dank aan de minister voor de reflectie. Dank ook voor de interrupties die soms heel verhelderend werken. We zouden nog even bij een paar punten stil willen staan. Dat is wat mij betreft in de eerste plaats het tijdstip van inwerkingtreding van de bepaling ten aanzien van het lerarenregister cum annexis. Natuurlijk is het een juridische figuur die vaker voorkomt, maar die is dan wel met de nodige juridische waarborgen omgeven. Dat is niet afhankelijk van hoe het politiek gezien allemaal loopt. Op dat punt verschilt onze mening toch echt van het advies van de minister. Het is zorgvuldiger om het traject netjes te volgen, zodanig dat het een zorgvuldige invoering kan zijn, als die gewenst wordt door de beroepsgroep. Dat hangt daar nauw mee samen.

Collega Van Meenen gaf aan dat de discussie over dit register ongelofelijk beladen is. Je kunt wel zeggen dat je dat achter je moet laten. Nee, dat is onlosmakelijk daarmee verbonden. Wil je werkelijk de kans geven om een nieuwe start te maken, stop dan met sturende kaders. Want als dit in de wet blijft staan, suggereert dat op zijn minst dat het toch wel zoiets zal moeten worden. Maar het kan ook heel anders, misschien wel via het professioneel statuut dat in de wet blijft. Misschien moet het via die route allemaal uitgewerkt worden.

Op het amendement van de zijde van de SGP, bij monde van de heer Van der Staaij, dat we nog tegemoetzien, zullen we ons als initiatiefnemers grondig gaan beraden. We wachten de tekst even af.

Voorzitter. Dit was het wat mij betreft. Dit waren de punten waar ik het over wilde hebben.

De voorzitter:

Dan wachten we eventjes. Daarna neemt de heer Kwint het woord.

De heer Kwint (SP):

Dank, voorzitter. Dank aan alle collega's voor de vragen en de input in tweede termijn. Volgens ons is en blijft de kern dat wanneer je iets van, voor en door de leraren wilt laten zijn, je dan ook het vertrouwen geeft aan de beroepsgroep om daar een vorm voor te kiezen. Door fouten uit het verleden zadelen wij de beroepsgroep onnodig op met een erfenis en een rugzak waar die niet om gevraagd heeft. Jarenlang adviseerde bijvoorbeeld de Onderwijsraad al om de structuur, de manier waarop dit vormgegeven is, aan te passen en om meer aan te sluiten bij het bekwaamheidsonderhoud dat nu al gangbaar is.

Een paar keer werd door verschillende collega's gewezen op het BIG-register. Zoals de heer Van Meenen terecht zei, is dat register wel voortgekomen uit de sector zelf. Als ik het iets dichter bij het onderwijshuis zoek: het schoolleidersregister dat nu bestaat, is ontstaan door een cao-afspraak tussen werkgevers en werknemers. Die hebben in gezamenlijkheid besloten om te komen tot een register. Ze hadden daar geen wetgever voor nodig. Volgens ons is dat een goede weg, maar vooral een weg waarvan we vinden dat we die niet in de weg moeten gaan staan. Dat is een weg die het onderwijs zelf te gaan heeft. Ik kan mij zomaar voorstellen dat er dan ook nog wel een manier gevonden kan worden om het voor die 14.000 docenten, wanneer zij het prijs zouden stellen om hoeder van hun eigen dossier te blijven, technisch te faciliteren vanuit de overheid.

Ik geloof dat ik daarmee alle vragen beantwoord heb.

De voorzitter:

Dank. Ik dank de initiatiefnemers voor de verdediging van hun initiatiefwetsvoorstel. Ik dank de minister voor zijn advies bij datzelfde wetsvoorstel.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij gaan hier volgende week dinsdag over stemmen. Nogmaals dank.

De vergadering wordt van 13.25 uur tot 13.30 uur geschorst.

Naar boven