Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2017-2018nr. 77, item 38

38 Verlaagd wettelijk collegegeld

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de introductie van een grondslag voor de verlaging van het wettelijk collegegeld voor groepen van studenten (verlaagd wettelijk collegegeld) ( 34911 ).

De voorzitter:

Aan de orde is de Wet verlaagd wettelijk collegegeld, Kamerstuk 34911. Ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van harte welkom.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef mevrouw Tielen ... O, ik zie dat meneer Bisschop als eerste mag. En iedereen vindt dat goed, meneer Bisschop? Dan geef ik eerst de heer Bisschop namens de SGP het woord.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter, dank u wel. Laat ik allereerst mijn collega's danken voor de ruimhartigheid waarmee zij mij toegestaan hebben om als eerste het woord te mogen voeren, hoewel ik veel lager op de sprekerslijst stond. Dat alles in verband met het heuglijke feit van precies 100 jaar geleden dat vanavond herdacht wordt, dat onze partij 100 jaar geleden is opgericht, en wel op de avond. Dank daarvoor.

Voorzitter, in uw richting maak ik mijn oprechte excuses dat ik verzuimd heb u dat tijdig te melden. Ik vraag nederig om vergeving daarvoor.

Mevrouw de voorzitter. Stelt u zich eens voor dat u een pot met gouden munten vindt, ter waarde van 175 miljoen euro en dat onze opdracht is om die eerlijk te verdelen. Hoe pak je dat dan aan? Dat is heel simpel, denk je dan; iedereen evenveel. Dat klinkt op het eerste gezicht eerlijk, maar is het dat ook? Is het eerlijk om iedereen evenveel te geven, als sommigen het geld eigenlijk niet nodig hebben, terwijl anderen juist chronisch tekortkomen?

Over dit vraagstuk van eerlijke verdeling gaat het wetsvoorstel waarmee de regering studenten een tegemoetkoming wil geven. De regering kiest ervoor om kinderen van topinkomens evenveel steun te verlenen als studenten die door het leenstelsel extra in de knel zijn gekomen. Laat ik maar eerlijk zijn: de SGP slaagt er nog niet in, ondanks haar eerbiedwaardige leeftijd van 100 jaar, om dat echt te begrijpen. We gunnen elke student een lastenverlichting, maar sommige studenten hebben toch echt meer steun nodig dan andere.

Ik vraag aandacht voor drie groepen: in de eerste plaats de minderjarige studenten, in de tweede plaats de mindere inkomens en in de derde plaats de deeltijdstudenten. Ten eerste de minderjarige studenten. Ouders van minderjarige studenten verliezen het recht op financiële ondersteuning van de overheid. Vóór de invoering van het leenstelsel was dit minder problematisch, omdat vrijwel alle studenten de beurs als gift kregen, en dat is voorbij. De regering geeft aan dat zij nog geen onderzoek heeft gezien waarin gewezen wordt op problemen van minderjarige studenten. Ja, dat zal best, maar als we naar de antwoorden kijken op de vragen die gisteren naar de Kamer zijn gestuurd, dan spreken die antwoorden toch boekdelen en is dat onderzoek verder eigenlijk overbodig.

Laten we eens kijken naar de volgende situatie, met in ons achterhoofd dat het onderwijs traditiegetrouw in Nederland een krachtige emancipatorische werking heeft gehad, een emancipatiemotor is geweest. Laten we eens naar dit voorbeeld kijken. Je doet eindexamen op havoniveau en je twijfelt bij je studiekeuze tussen mbo en hbo. Eigenlijk denk je dat het hbo beter bij jou zou passen, maar dan krijg je de financiële gevolgen te zien. Als je naar het mbo gaat, krijg je een ov-kaart, je pa en/of ma ontvangen €4.000 aan kinderbijslag en kindgebonden budget en je hoeft geen lesgeld te betalen. Tel uit je winst. Als je naar het hbo gaat, krijg je ook een ov-kaart, ja, maar pa en/of ma verliezen €4.000 aan kindgebonden budget en kinderbijslag, de overheid verwacht eigenlijk dat je ouders ook nog een keer €3.000 bijbetalen en met je aanvullende beurs kun je niet eens het collegegeld betalen. Dat hakt er dus behoorlijk in.

En dan te bedenken dat ongeveer 22.500 studenten met dit probleem te maken hebben. De regering hoopt dat de verlaging van collegegeld met €1.000 een stimulans oplevert voor studenten. Maar wat moet een nadeel van €4.000 dan volgens de minister betekenen voor de studiekeuze van deze doelgroep en voor de toegankelijkheid van het hoger onderwijs? Samen met de heer Futselaar heb ik een amendement ingediend om deze groep uit de brand te helpen. Ik besef dat het een departementsoverstijgend probleem is, want het raakt Sociale Zaken en het onderwijs, maar laten we ons daar alstublieft niet achter verschuilen! Hier ligt voor 22.500 jonge mensen echt een probleem. Het raakt ook eenzelfde aantal gezinnen. Dan kunnen we toch niet zeggen: maar denk om de schotten tussen de budgetten? Dat zal misschien wel waar zijn, maar dan moeten we een list verzinnen, net zoals Tom Poes dat ook altijd doet in de verhaaltjes van Marten Toonder, en dan komen we eruit: eind goed, al goed. Het lijkt ons toch dat in het beschikbare budget van 175 miljoen de benodigde 15 miljoen — daar het gaat feitelijk om — een redelijk beperkt bedrag is om dit knelpunt op te lossen.

De SGP heeft vragen over de veronderstelde ouderlijke bijdrage in de situatie van minderjarigen. De regering blijft benadrukken dat deze bijdrage niet verplicht is. Dat klopt formeel, maar tegelijkertijd is de bijdrage wel gebaseerd op de kosten voor levensonderhoud. Hoe is het uit te leggen dat de veronderstelde ouderbijdrage door het leenstelsel zelfs is gestegen, terwijl deze ouders duizenden euro's ondersteuning kwijtraken? Onderkent de regering dat het niet aannemelijk is dat ouders en studenten op grond van het wettelijke systeem voldoende in de kosten voor levensonderhoud kunnen voorzien?

Het is de SGP opgevallen dat de regering tot op heden benadrukt dat het wegvallen van de kinderbijslag wordt gecompenseerd door de ov-kaart. Dat was ook zo bij de behandeling van het leenstelsel. Onderkent de regering dat onvoldoende is beseft dat de kinderbijslag ook gevolgen heeft voor het kindgebonden budget en vervolgens ook voor de extra ondersteuning voor alleenstaande ouders? Gisteren kregen we antwoorden op onze vragen binnen, die daar een klip-en-klaar inzicht in geven. Zou het niet goed zijn om dit eens opnieuw te doordenken, nu we zien dat de effecten in de duizenden euro's lopen en de ongelijkheid tussen mbo en hbo moeilijk uit te leggen is? Er wordt in deze Kamer weleens over kleinere bedragen geklaagd, heb ik de indruk.

Voorzitter. Dan het tweede punt: de middeninkomens. Voor de SGP woog de positie van middeninkomens zwaar bij de behandeling van het leenstelsel. Juist de middeninkomens zijn extra onder druk komen te staan. De lagere inkomens konden door het wetsvoorstel rekenen op extra aanvullende beurs. Daarentegen werd van de middeninkomens verwacht dat zij extra zouden bijdragen aan de studie van zoon- of dochterlief. Ook bij andere regelingen hebben zij het zwaar. Het CBS geeft aan dat mbo'ers uit gezinnen met middeninkomens minder vaak doorstromen naar het hbo. De zorgen blijven dus onverminderd groot. Dit wetsvoorstel zou juist een uitstekende gelegenheid zijn geweest om hun positie te versterken, maar helaas gebeurt dat niet. Daarom de vraag: is de regering in ieder geval bereid om extra aandacht te besteden aan de positie van de middeninkomens en te werken aan verbetering?

Tot slot: de deeltijdstudenten van de Open Universiteit. Ik lees dat de regering geen mogelijkheden ziet om studenten van de Open Universiteit anders te behandelen dan deeltijdstudenten van andere instellingen. Dat zou namelijk discriminatie opleveren. Ik kan dat betoog in alle eerlijkheid niet volgen. Dat betekent niet dat ik een blinde vlek heb voor discriminatie, zoals u misschien geneigd bent te denken; integendeel. Ik geef een voorbeeld. De regering heeft voor studenten van de Open Universiteit in de wet bewust een afwijkende regeling opgenomen op grond waarvan zij per module kunnen betalen. Kennelijk zag de regering reden om deze studenten anders te behandelen. Waarom is dat dan géén discriminatie? En als dit geen discriminatie is, waarom kunnen we dan niet in de geest van de huidige regeling het verlaagd collegegeld vormgeven? Dat laatste zou juist recht doen aan de verschillen tussen deeltijdstudenten. Er lopen inmiddels ook experimenten bij andere instellingen met betalen per studiepunt. Wellicht kunnen we op termijn ook de andere deeltijdstudenten beter tegemoetkomen.

En dan helemaal tot slot, voorzitter. Het wetsvoorstel brengt de nodige rompslomp met zich mee, zeker als studenten tijdens de periode dat zij het verlaagde collegegeld ontvangen overstappen of stoppen met hun studie, en noem het allemaal maar op. Er is nog extra rompslomp omdat de regering naar ons idee het voorstel erg snel, naar ons oordeel te snel, wil invoeren. De lasten van de invoering worden op het bordje van de instellingen gelegd. De SGP vertrouwt erop dat de regering de instellingen in ieder geval extra tegemoet komt wanneer bijvoorbeeld blijkt dat de wet veel juridische procedures oplevert, met alle kosten die daarmee gepaard gaan.

Voorzitter, dat was de inbreng van de zijde van de SGP in eerste termijn. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bisschop. Dan ga ik nu naar mevrouw Tielen namens de VVD.

Mevrouw Tielen (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Het is een spannende week voor al die scholieren in 5 havo en 6 vwo die zich hebben ingeschreven om komend jaar te gaan studeren. Hoe gaat deze week uitpakken? Wat gebeurt er donderdagmiddag? Helaas, hoe leuk het ook zou zijn: hun spanning gaat niet over de stemmingen over wetsvoorstel 34911, waarover we vandaag debatteren. Nee, het is de laatste lesweek, die op heel veel middelbare scholen traditioneel wordt afgesloten met een door de eindexamenleerlingen georganiseerd evenement, dat meestal chaos en wanorde oplevert. Alle scholieren wens ik dan ook een fantastische laatste schooldag donderdag. Debatten over wetten kunnen de gemiddelde scholier of student niet al te veel boeien. Alhoewel, een heel aantal scholieren vindt het vast een aantrekkelijk vooruitzicht dat het collegegeld tijdens hun eerste studiejaar verlaagd wordt. Ik hoop dat ze vandaag meekijken.

Vandaag spreken we over het voorstel tot Wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek in verband met de introductie van een grondslag voor de verlaging van het wettelijk collegegeld voor groepen van studenten. De VVD is positief en kritisch over het wetsvoorstel. We denken dat het twijfelende scholieren over de streep kan trekken, zeker hen die twijfelen of ze leraar willen worden. Een collegegeldverlaging van ruim €80 per maand heeft immers invloed op de financiën van een student. Het wetsvoorstel roept nog wel een aantal vragen op en we denken dat het nog een beetje beter kan. Ik heb een aantal vragen aan de minister over de uitvoering en over de zijinstromers op de lerarenopleiding.

In het voorstel lezen we dat DUO voor het komende jaar nog niet in staat is om de maximering van het te lenen bedrag voor de genoemde doelgroepen naar beneden te brengen. Dit kan het nadelige effect hebben dat studenten meer lenen dan nodig is. Welke problemen voorziet de minister met betrekking tot aan de ene kant de uitvoering bij DUO en aan de andere kant ten aanzien van de studenten? En wat kan de minister doen om het alsnog mogelijk te maken dan wel om ervoor te zorgen dat die nieuwe studenten zelf hun leenbedrag aanpassen aan het verlaagde collegegeld?

De Raad van State is kritisch over het wetsvoorstel. De minister heeft in onze ogen gebalanceerd en duidelijk antwoord gegeven op die kritische vragen. Maar tegelijkertijd vindt ook de VVD dat het verstandig is om de doelmatigheid van het wetsvoorstel stevig te monitoren. Daarom dienen we ook een amendement in om de wet al eerder te evalueren, namelijk na drie jaar. Dat doen we samen met het CDA en de ChristenUnie. De invloed van de halvering van het collegegeld op de aantallen studenten die de lerarenopleidingen gaan doen en het leengedrag van de studenten is, wat ons betreft, een prima criterium om over drie jaar te kijken wat het heeft gedaan.

De minister heeft eerder aangekondigd, niet alleen het collegegeld van de pabo's maar ook dat van de lerarenopleidingen voor leraren aan het voortgezet onderwijs te halveren. Mooi! Maar de VVD hoopt eigenlijk dat het lerarentekort ook ingevuld zal worden door zijinstromers: studenten die na een andere studie en wellicht een aantal jaren werk overwegen om leraar te worden. Wat kan de minister doen om ook die twijfelaars over de streep te trekken en hun een korting te geven op het collegegeld? Om hoeveel zijinstromende studenten zou het gaan, en om hoeveel euro's?

Wij hadden geen idee en zijn zelf een beetje op zoek gegaan. De halvering van het collegegeld geldt voor de allergrootste groep studenten voor het wettelijk collegegeld van €2.060 per jaar. Er is ook een groep studenten die studeert aan instellingen die een verhoogd wettelijk collegegeld mogen vragen. Dat zijn er een stuk of 3.000. Dat is dus een heel kleine groep ten opzichte van de rest. Wij vinden het misschien niet helemaal nodig om ook dit verhoogde bedrag te halveren. Onze vraag aan de minister is wat zij daarvan vindt. Wij hebben daar in de schriftelijke ronde ook al een paar vragen over gesteld. Je zou ook kunnen zeggen: €1.030 korting op het collegegeld geldt gewoon voor iedereen die aan een instelling studeert waar het wettelijk collegegeld wordt geheven. Het geld dat dan overblijft — 2,5 miljoen — zouden we kunnen gebruiken voor een groep waar ik het eerder over had.

Ik wil graag een reactie van de minister op die vragen. Ik kijk daarnaar uit. Ik kijk ook uit naar de kritische vragen van de rest van de Kamer, de stevige antwoorden van de minister en het wetsvoorstel zelf. En ik wens al die eindexamenstudenten een mooie en succesvolle examenperiode en heel veel studieplezier volgend jaar.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Tielen. Dan geef ik nu het woord aan de heer Futselaar namens de SP, die twintig minuten spreektijd heeft opgegeven.

De heer Futselaar (SP):

Ja, voorzitter, want als we wetgeving behandelen, is grondigheid een deugd, lijkt mij.

Voorzitter. Je zult maar jong zijn in — 17, 18 of 19 jaar — in het jaar 2018. Hoe anders is dat bijvoorbeeld in vergelijking met twintig jaar eerder, in 1998, toen ik jong was. Of nog tien jaar eerder, in 1988, toen premier Rutte dat was. De jonge Frank Futselaar koos een opleiding in een vak dat zijn passie had, kreeg vier jaar studiefinanciering van de overheid, had woonlasten die nog net betaalbaar waren, kwam aan het werk in een tijd dat het economisch goed ging en landde in de zekerheid van een vast contract. En tien jaar eerder had de jonge Mark Rutte het nog beter. Hij deed dezelfde opleiding, net op tijd voor de invoering van de Wet studiefinanciering, en kreeg zes jaar studiefinanciering, met een veel hogere basisbeurs en met aanmerkelijk lagere huizenprijzen. En deze Mark Rutte deed ook lang genoeg over zijn studie om ervoor te zorgen dat hij in booming nineties op de arbeidsmarkt kwam. Net als overigens langstudeerders Alexander Pechtold en Diederik Samsom. Het is, wat dat betreft, wel een beetje ironisch dat de generatie politici die verantwoordelijk was voor het afschaffen van de basisbeurs, ook behoorde tot de generatie studenten die daar maximaal van geprofiteerd heeft, meer dan de generaties voor hen en meer dan de generaties na hen.

Voorzitter. Jong zijn in 2018 en dan willen studeren. Een studiedruk die hoger ligt dan ooit. Collegegelden die hoger zijn dan ooit. Een woningmarkt die zorgt voor torenhoge prijzen voor kamerhuurders en die starters een bijna onmogelijke positie geeft. Een arbeidsmarkt die gericht is op flexcontracten en onzekerheid. En voor iedereen die niet-gefortuneerde ouders heeft een forse studieschuld. De huidige generatie jongere mensen moet er ernstig rekening mee houden het slechter te gaan krijgen dan haar ouders. Dan doel ik niet op het somberen in de jaren tachtig, het doemdenken in de sfeer van: de bom valt toch wel. Het gaat om een rationele analyse van hun eigen economische positie. Die is gewoon uiterst onzeker. Geen wonder dat we zien dat de millennialgeneratie steeds later kinderen krijgt en dat we alarmerende berichten krijgen over studentenstress, met alle daaraan gerelateerde klachten.

Voorzitter. In die context is een voorstel van de regering om studeren voor jonge mensen financieel aantrekkelijker te maken in principe toe te juichen. Het is bittere noodzaak. De SP zal de voorliggende wetswijziging en de aangekondigde algemene maatregel van bestuur — dat is meer de inhoud — die de kern van het coalitievoorstel is, beoordelen op de vragen of het de financiële positie van studenten reëel verbetert, of het de toegankelijkheid vergroot, en dan specifiek voor doelgroepen als studenten uit gezinnen met een lager inkomen, en of de uitvoering logisch is in het geheel van het coalitieakkoord. Daarnaast zal ik op een aantal specifieke elementen ingaan, inclusief ons amendement en mogelijke motieonderwerpen.

Voorzitter. Verlaging van het collegegeld staat expliciet in het regeerakkoord. In de memorie van toelichting stelt de regering dat dit voorstel bedoeld is om te zorgen dat het financiële aspect van de beslissing om wel of niet naar het hoger onderwijs te gaan verdwijnt, zodat alleen de inhoudelijk gedreven studiekeuze overblijft. Dat zijn buitengewoon lovenswaardige beweegredenen. Dit kabinet is ook nog eens bereid om 175 miljoen neer te leggen om dit mogelijk te maken. Maar in hetzelfde regeerakkoord staat ook een en ander over de invoering van de tienjaarsrente in plaats van de vijfjaarsrente voor studieleningen, die op de langere termijn meer dan 225 miljoen per jaar moet opbrengen. Dat voornemen staat niet in deze wet. We gaan daar niet deze week over stemmen. Maar als je je terecht zorgen maakt over financiële drempels voor studenten — dat is toch de motivatie — dan begrijp ik niet dat je het verhogen van de totale schuld die studenten achteraf moeten betalen, niet als een nog veel hogere drempel ziet. Zeker omdat het collegegeld voor iedereen hetzelfde is — iedereen betaalt hetzelfde bedrag — ligt het voor de hand dat studenten uit gezinnen met lagere inkomens meer zullen lenen en dus meer zullen moeten terugbetalen en dus ook meer last zullen hebben van hogere rentes. Mijn eerste vraag is: is de minister het met de SP eens dat juist die groepen relatief slechter af zijn met de combinatie van beide maatregelen en dat welvarende studenten relatief beter af zijn? Zo ja, vormen deze maatregelen gezamenlijk dan niet een hogere drempel om te gaan studeren, gezien de leenangst? Of is de combinatie een gedachte in de trend van sommige telefoonaanbieders, die ervoor zorgen dat de nieuwe telefoon, die direct betaald moet worden, een stuk goedkoper wordt en die hopen dat mensen — vaak zijn dat jonge mensen — niet zien dat ze volgens het maandcontract dat daarna komt, meer moeten gaan betalen dan bij andere aanbieders? Als dat de gedachte is, dan feliciteer ik het kabinet met een effectieve verkooptechniek, maar dan vraag ik mij af of dit verantwoordelijk bestuur is.

De minister heeft in een eerder debat gesteld dat die tienjaarsrente nodig is voor het op langere termijn gezond houden van de overheidsfinanciën. Geldt dat dan niet voor deze collegegeldverlaging? Die drukt toch ook elk jaar weer op de overheidsfinanciën? Of gaat het kabinet ervan uit dat dit een tijdelijke maatregel is, die over enkele jaren weer ongedaan zal worden gemaakt, bijvoorbeeld als er geen partij in de coalitie zit die grote woorden heeft gesproken over het terugbrengen van de basisbeurs? Graag een reactie.

Voorzitter. Bij de invoering van het leenstelsel stelden de voorstanders dat de invoering de toegankelijkheid van het onderwijs niet in gevaar zou mogen brengen. Toch krijgen we nu een voorstel gericht op het weghalen van financiële drempels, die er kennelijk toch zijn. Kan de SP daaruit opmaken dat dit kabinet van mening is dat er wel financiële drempels zijn ontstaan bij de invoering van het leenstelsel?

Voorzitter. Ook de Raad van State is kritisch. Hij vindt de maatregel te generiek voor het gestelde doel: het weghalen van financiële drempels. De Raad van State wijst erop dat, gelet op de totale kosten van het studeren, die met de invoering van het leenstelsel uiteraard een stuk hoger zijn geworden, het financiële voordeel van één collegejaar half collegegeld of in het geval van lerarenopleidingen twee collegejaren half collegegeld zeer beperkt is. De Raad vindt die maatregelen te generiek en betwijfelt of deze effectief drempels weghalen. Het is voor de SP eigenlijk onduidelijk wat nou precies het verweer van de regering tegen dit verwijt is. De SP is niet tegen generieke maatregelen zoals bijvoorbeeld een basisbeurs, maar als je door coalitie- of begrotingsafspraken niet aan het bedrag van 175 miljoen kunt tornen, dan is het niet onredelijk om je af te vragen of je niet meer drempels weghaalt door gerichtere actie. Ik noem het verhogen van de aanvullende beurs, het verbreden van de groep die recht heeft op een aanvullende beurs of iets specifiek gericht op de doorstroom van mbo'ers. Waarom is hier niet voor gekozen?

Ook over de uitvoering maakt de SP zich zorgen. Een fors deel van de uitvoering — collega Bisschop heeft daar al aandacht aan besteed — komt bij de onderwijsinstellingen terecht, mede omdat DUO niet tijdig zijn processen kan aanpassen. De minister stelt dat hier komend jaar naar gekeken zal worden, maar dat is toch een beetje onbevredigend als antwoord. Ook de Raad van State spreekt wederom zijn zorgen uit en wijst op de onzekerheid van de uitvoeringskosten. Er is een onzekerheidsmarge van 50%. Instellingen geven aan dat zij zich zorgen maken om meer beroepszaken. De SP zou graag van de minister de garantie willen dat noch de onderwijsinstellingen, noch individuele studenten financieel de dupe zullen worden van eventuele uitvoeringsproblemen, ook niet wanneer het aantal beroepszaken een behoorlijke vlucht neemt. Specifieker: als de uitvoeringskosten hoger uitvallen, komen die kosten dan te liggen bij het kabinet en niet bij de instellingen? Wij willen daar graag duidelijkheid over.

Daarnaast is er op dit moment nog onduidelijkheid over de wijze van compensatie van instellingen voor de collegegeldverlaging. Het is voor de SP onbevredigend om deze wet te behandelen zonder dat dat is afgerond, niet alleen omdat we geen exacte uitkomst weten, maar ook omdat we feitelijk de onderhandelingspositie van de instellingen nogal ondergraven door de wet al vast te stellen voordat dit afgerond is. Het is niet anders. Wij begrijpen dat deze wet er nu snel door moet om de datum van 1 september te halen, maar zou de minister niet iets van een tussenstand kunnen geven? Hoe staat het daar nu mee? En hoever zijn de partijen uit elkaar?

Voorzitter. Eigenlijk heb ik nog met geen woord gesproken over het voorliggende wetsvoorstel, maar alleen over de in het regeerakkoord aangekondigde algemene maatregel van bestuur. De wet waar wij over stemmen, is eigenlijk, oneerbiedig gezegd, een vehikel om een snelle algemene maatregel van bestuur voor het komende collegejaar mogelijk te maken. Dat is prima begrijpelijk in het kader van de langdurige kabinetsformatie en gezien de wens om nog dit jaar deze maatregel in te voeren. Maar het ontslaat ons niet van de plicht om ook kritisch naar het wetsvoorstel zelf te kijken, en daar heeft de SP toch wel een groot probleem mee. Dit wetsvoorstel maakt het namelijk voor de regering mogelijk — niet alleen deze regering, maar elke regering — om in de toekomst zonder tussenkomst van het parlement wijzigingen aan te brengen in het collegegeld, gericht op bepaalde opleidingen of doelgroepen, zonder dat daar verder heldere criteria voor gegeven worden. Dat gaat de SP wel te ver.

Over de differentiatie van collegegeld bestaan in deze Kamer best wel verschillen van mening. Ik kan voor elk van de woordvoerders horrorscenario's bedenken waarin, laten we zeggen, minister Futselaar van Onderwijs zegt dat we opleidingen met minder arbeidsmarktperspectief goedkoper moeten maken of dat we een imamopleiding goedkoper moeten maken, omdat er een tekort is aan Nederlandstalige imams. Ik denk dat de meeste mensen zouden zeggen: daar moet het parlement bij betrokken worden. Vandaar dat de SP een amendement heeft ingediend om een parlementaire voorhang in te voeren. Het wijzigen van collegegelden kan grote economische en sociale gevolgen hebben en de financiële positie van studenten, instellingen en het Rijk beïnvloeden. Dat is niet iets om in de toekomst even in een AMvB weg te tikken. Vandaar het amendement.

Wij zijn ons natuurlijk bewust van de wens van de coalitie om de aangekondigde AMvB nog voor 1 september door te voeren. Het is niet onze bedoeling om dat nu te gaan frustreren met een voorhang en een parlementaire behandeling voor die tijd, maar in de toekomst zou ik toch wel graag zien dat die garantie er wel inzit. Nu is het mogelijk voor de regering om deze wet te laten ingaan na de algemene maatregel van bestuur en zo die parlementaire behandeling te vermijden, is ons uitgelegd, maar in de toekomst willen wij wel dat die parlementaire zeggenschap wordt gegarandeerd.

Dan de deeltijdopleidingen. Collega Bisschop heeft daar ook al iets over gezegd. De regering heeft aangekondigd bij algemene maatregel van bestuur uit te gaan van een collegegeldverlaging voor de eerste twaalf maanden van een studie en bij lerarenopleidingen dan de eerste 24 maanden. Dat is logisch als inzet bij alle opleidingen behalve deeltijdstudies, want deeltijdopleidingen, waarvan de Open Universiteit in het algemeen toch wel hét voorbeeld is, zijn specifiek gericht op meer maanden doen over dezelfde opleiding. Als je 30 punten per jaar haalt bij een deeltijdopleiding, ben je over het algemeen vrij snel aan het studeren. Dan is eigenlijk die grens van twaalf maanden onrechtvaardig. Dit steekt de SP des te meer omdat bijvoorbeeld studenten van de Open Universiteit relatief vaak afstandsonderwijs volgen, bijvoorbeeld omdat zij door een functiebeperking niet zo mobiel zijn en niet gemakkelijk onderwijs op locatie kunnen volgen. Het steekt om hen slachtoffer te laten zijn, of in ieder geval niet rechtvaardig te behandelen met de anderen. Daarom zouden wij willen voorstellen om voor deeltijdopleidingen die grens naar 24 maanden op te trekken, waarbij we ons kunnen voorstellen dat je wel uitgaat van een maximum van 60 ECTS-studiepunten. Als dit tenminste technisch mogelijk is, want we weten dat studiepunten volgen ingewikkeld is.

De minister heeft ons in de schriftelijke ronde al laten weten dat overgaan naar meer maanden bij deeltijdopleidingen mogelijk is, in ieder geval technisch, en dat het structureel ongeveer 6 miljoen extra zal kosten. Wat de SP betreft is dit echt de moeite waard. We horen graag van de minister of zij bereid is toe te zeggen dit alsnog in een AMvB te regelen, bij voorkeur voor dit collegejaar en anders voor het jaar daarna. Als zij daar niet toe bereid is, zullen we het uiteraard per motie aan de Kamer moeten voorleggen.

Dan wil ik ook nog kort ingaan op wat waarschijnlijk de grootste pechgeneratie studenten uit de naoorlogse geschiedenis is, namelijk de studenten die met hun studie zijn begonnen in de collegejaren 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018. Dit zijn de studenten die wél te maken kregen met het leenstelsel, maar slechts in beperkte mate met de investeringen die daarbij horen; wij voeren nog een debat over de vraag in hoeverre die daar terecht zijn gekomen. En nu lopen ze ook net een collegegeldverlaging mis. Deze groep studenten heeft het gevoel dat zij toch wel het slachtoffer zijn van wispelturig overheidsbeleid. En daar zit wat in, zou ik zeggen.

Deze groep heeft bij de invoering van het leenstelsel het recht gekregen om tussen vijf en tien jaar na afronding van hun opleiding gebruik te maken van onderwijsvouchers, om daarmee vervolgonderwijs te kunnen volgen. De SP zou graag zien dat deze studenten die vouchers of een deel van die vouchers direct na het behalen van een bachelordiploma kunnen krijgen. Dan kunnen zij dat geld eventueel gebruiken voor een masteropleiding. Zo krijgen ze toch hun deel van wat ik bijna het "gratis bier" zou noemen dat in dit wetsvoorstel wordt uitgedeeld. Eerlijk gezegd vind ik ook de grens van vijf tot tien jaar na het behalen van je diploma een curieuze. Het lijkt bijna alsof die grens gemaakt is om te voorkomen dat mensen gebruikmaken van de regeling.

Dit is misschien een goed moment voor een interruptie.

De voorzitter:

Ja. De heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Ik wil ook rustig wachten totdat de heer Futselaar helemaal klaar is. Maar ik dacht dat hij klaar was.

De voorzitter:

Nee, dat duurt nog even.

De heer Futselaar (SP):

Niet met mijn hele verhaal.

De heer Van Meenen (D66):

Zal ik het nu doen?

De voorzitter:

Ja.

De heer Van Meenen (D66):

Kijk, het is ergens jammer dat de heer Futselaar geen woordvoerder voor de SP was in de tijd dat we het over het leenstelsel hadden. Aan de ene kant klinkt dit mij toch als een SP-verhaal in de oren, in de trant van: wij weten bij elke oplossing wel weer een probleem te bedenken. Maar ik zoom nu vooral even in op die generieke maatregelen. De SP heeft hier jarenlang te vuur en te zwaard gestreden voor het behoud van de basisbeurs. Als er nou één generieke maatregel is, "gratis bier voor iedereen" zoals u dat zelf noemde, dan is dat wel die basisbeurs. Er is hier een aantal partijen geweest die gezegd heeft: laten we het niet zo generiek maken, laten we de aanvullende beurs behouden en die zelfs verhogen en laten we meer onderwijseuro's in de klas laten landen. Toch iets waar u ook altijd voor bent geweest. Mijn vraag, voorzitter ...

De voorzitter:

Ja?

De heer Van Meenen (D66):

Ja, was u al zover?

De voorzitter:

Nou, ú. U heeft een hele inleiding gehouden.

De heer Van Meenen (D66):

Mijn vraag is: is het denkbaar dat de SP tegen deze wet gaat stemmen?

De heer Futselaar (SP):

Ik wou de conclusie tot het einde bewaren, maar het antwoord is "nee". Wij zullen instemmen met deze wet. Als u het goedvindt, vat ik aan het einde de redenen een beetje samen. Wij zien gewoon problemen. Het is echter niet alleen de taak van de Tweede Kamer om voorstellen van het kabinet wel of niet goed te keuren, maar ook om te proberen ze beter te maken. En ik doe daar zeker pogingen toe.

Ik wil wel graag even ingaan op het generieke punt. Ik heb niet voor niets net letterlijk in mijn spreektekst genoemd dat de SP niet tegen generieke maatregelen is, inclusief de basisbeurs. Maar we hebben een vrij beperkte pot geld. Ik wil 175 miljoen niet als niks wegzetten, want het is een fors bedrag, maar in het totaal van de onderwijsgelden is het vrij beperkt. Als je dat wilt inzetten, dan vind ik dat je de vraag moet stellen: hoe zet je dat het meest effectief in voor het probleem dat je wilt oplossen? De minister zegt dat het gaat om het weghalen van financiële drempels. Ik vind het dan niet raar en ik vind ook niet dat we afstappen van onze voorkeur voor een basisbeurs, als we vragen of een generieke collegegeldverlaging wel de beste manier is. Laten we niet vergeten dat het bedrag van de basisbeurs plus de aanvullende beurs hoger was dan dat van alleen de huidige aanvullende beurs.

De heer Van Meenen (D66):

Ik ben ieder geval blij te horen dat de SP deze wet gaat steunen. Beter maken is altijd goed; we zullen zien. Maar nog even over die generieke maatregel. Als er één groot bedrag generiek is dat de SP wilde behouden, dan is het de basisbeurs. Andere partijen hebben destijds een andere keuze gemaakt. Nu wordt er opnieuw voor een substantieel bedrag toch een generieke maatregel getroffen. En wie vindt de coalitie tegenover zich op dat punt? De SP! U heeft een laten we zeggen vrij aparte omgang met generiek: als het er is, dan moet het behouden blijven en als het er komt, dan moet het wegblijven. Ik begrijp dat niet.

De heer Futselaar (SP):

Kennelijk kan de heer Van Meenen zich niet voorstellen dat er verschil bestaat tussen verschillende generieke maatregelen. Ik zie dat verschil wel. Er zijn generieke maatregelen waar ik erg aan hecht en er zijn ook generieke maatregelen waar ik meer twijfels over heb. Ik vind het een hele grote versimpeling van een op zich complex onderwerp om te zeggen: u was voor die generieke maatregel, dus u moet ook voor deze zijn.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat, meneer Futselaar.

De heer Futselaar (SP):

Met genoegen, voorzitter.

Ik was aan het praten over de pechgeneratie die vouchers krijgt die alleen mogen worden ingezet in een periode tussen de vijf en tien jaar na het behalen van het diploma. Ik heb dat een vrij vreemde maatregel gevonden. Ik heb nog niemand kunnen vinden die mij kan uitleggen waarom is gekozen voor tussen de vijf en tien jaar. Dat lijkt mij een ontmoedigingsbeleid, want dat is ongeveer de periode in je leven waarin je het minst bijscholing zoekt. Mijn voorstel is: zet die middelen of een deel daarvan in om de mogelijkheid te geven om de master te bekostigen. Is de minister bereid om zo'n maatregel te nemen, eventueel per algemene maatregel van bestuur, als zij daartoe de mogelijkheden krijgt met deze wet?

Richting afronding, voorzitter. Het kon zelfs binnen vijftien minuten, dus het viel weer mee. Deze wet is een verkeerde oplossing voor een groot probleem. Het grote probleem is de precaire financiële situatie van studenten. Er zijn alternatieven. Mensen willen liever de basisbeurs terug of meer inzetten op aanvullende beurzen, maar aan de andere kant — dat is mijn conclusie — is het buitengewoon cynisch om te beweren dat jonge mensen niet gebaat zijn bij een korting van €1.000. Jonge mensen zijn over het algemeen relatief arm en €1.000 maakt voor een 18-jarige zonder rijke ouders best wel verschil. Wij zijn op dit moment dan ook van plan om in te stemmen met dit wetsvoorstel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Futselaar. Dan ga ik nu naar de heer Van Meenen namens D66.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. D66 staat voor onderwijs en voor kansen, kansen voor iedereen. Daarom investeert dit kabinet 1,9 miljard euro per jaar extra in kansen om het onderwijs toegankelijker en sterker te maken. Ook in het hoger onderwijs is dat van groot belang. De toegankelijkheid moet altijd vooropstaan. Als financiële overwegingen naar de achtergrond verdwijnen, kunnen studenten een studie kiezen op basis van wat bij hun talenten past en wat zij echt interessant vinden. Het voorliggende wetsvoorstel halveert het collegegeld voor eerstejaarsstudenten en voor pabostudenten en studenten aan een lerarenopleiding zelfs de eerste twee jaar. Daarmee laat dit kabinet zien dat het de toegankelijkheid van het hoger onderwijs belangrijk vindt en dat het oplossingen biedt voor de aanpak van het lerarentekort. Voor een individuele student maakt die €1.000 natuurlijk een groot verschil — meneer Futselaar had het daar ook al over — zeker aan het begin van de studie, wanneer er onder andere boeken gekocht moeten worden, misschien een borg voor een studentenkamer moet worden betaald, et cetera.

Naast de halvering van het collegegeld voor eerstejaarsstudenten regelt dit wetsvoorstel ook een halvering van het collegegeld voor de eerste twee jaar van de lerarenopleiding. Dat is een van de maatregelen — ik zei het al — voor het terugdringen van het lerarentekort. Het lerarentekort is een serieus probleem en vraagt, naast deze maatregel, uiteraard ook om andere maatregelen, die we in andere debatten bespreken. Het zou fantastisch zijn als meer jonge mensen voor dat prachtige vak van leraar zouden kiezen, al is het maar om deze eenvoudige reden, want — u weet het, ik spreek uit ervaring — het is een schitterend beroep. Het kan niet vaak genoeg gezegd worden. Op dit moment is dat helaas niet het heersende beeld en dus is het belangrijk dat het beroep aantrekkelijker wordt. Door de lerarenopleiding aantrekkelijker te maken, worden jonge getalenteerde studenten gestimuleerd om deze opleiding te gaan volgen en dat is uiteindelijk weer goed voor het onderwijs.

De Raad van State was echter kritisch over dit wetsvoorstel en vindt dat het heroverwogen moet worden. Het wetsvoorstel zou een te generieke maatregel zijn, maar ik wil hier graag benadrukken dat het in het onderwijs juist gaat om individuen: kinderen, leerlingen, studenten, toekomstige leraren. Voor een individuele student, als je vanuit zijn of haar perspectief kijkt, is €1.000 wel degelijk een aanzienlijk bedrag, een bedrag dat iets uitmaakt en dat een steun in de rug is. Dat kan men in het onderwijs best eens gebruiken.

Voorzitter. Studenten moeten zo snel mogelijk profijt hebben van deze wet en daarom ben ik blij dat de minister en haar ambtenaren zo hard hebben gewerkt om deze wet snel naar de Kamer te sturen. Met dit tempo lukt het ook om alle nieuwe studenten die in het studiejaar 2018/2019 beginnen met studeren €1.000 korting op hun collegegeld te geven en dat is prachtig. Maar naast complimenten voor de minister, heb ik ook een paar vragen. Want als zaken snel gaan, willen mensen ook nog weleens iets missen. Daarom is mijn vraag aan de minister hoe zij ervoor zorgt dat alle nieuwe studenten zo snel mogelijk van dit nieuws op de hoogte zijn. In de memorie van toelichting wordt gesproken over het tijdig informeren. Ik vroeg er ook al naar in mijn schriftelijke inbreng. Via een onlinecampagne en brieven aan instellingen wordt breed ingezet om iedereen op de hoogte te stellen, maar zorgen deze generieke communicatiemiddelen er ook voor dat de individuele aspirant-studenten goed genoeg bereikt worden? En, zo ja, hoe dan?

Daarnaast viel mij op dat er voor deeltijdstudenten, zowel reguliere als die van de Open Universiteit, geen uitzondering is gemaakt om langer dan de reguliere periode van twaalf maanden aanspraak te maken op de halvering van het collegegeld. De minister schrijft dat dit niet uitvoerbaar is. Ik hoor daar nog graag een nadere toelichting op. Via de jaarlijkse monitor, de Monitor Beleidsmaatregelen voor het hoger onderwijs, wordt de effectiviteit van dit wetsvoorstel in de gaten gehouden. In hoeverre is het dan nog mogelijk om bij te sturen, indien nodig?

Tot slot nog een kort punt over DUO. Op dit moment is de DUO-website tijdelijk uit de lucht vanwege het installeren van een nieuw ICT-systeem. Dat men daar een maand nodig heeft om een nieuw ICT-systeem te implementeren, zegt op zich al iets en het is bekend dat zich bij DUO nog weleens problemen voordoen. Ik maak me dan ook een beetje zorgen of deze wetswijziging op korte termijn niet te veel op het bord van DUO legt. Kan de minister bevestigen dat DUO op tijd klaar is om de maatregel door te voeren, zodat alle studenten die recht hebben op deze halvering die ook zullen krijgen?

Ik rond af, voorzitter. Ik dank de minister nogmaals voor haar inzet om de drempel om te gaan studeren zo laag mogelijk te houden. Je zou kunnen zeggen dat die drempel er nauwelijks is, maar hiermee leggen we ook nog de rode loper uit zeg ik tegen de heer Futselaar. Dat moet hem toch, zeker gezien de kleur, aanspreken. Ik dank de minister er ook voor dat zij hiermee het lerarentekort aanpakt, want op deze manier zorgen we in het onderwijs voor kansen voor iedereen en dat is voor D66 de hoogste prioriteit. Punt.

De heer Özdil (GroenLinks):

Collega Van Meenen maakte net in het interruptiedebat terecht een punt van de aanvullende beurs die omhoog is gegaan met het studievoorschotsysteem. Hij maakte ook terecht het punt dat de toegankelijkheid bevorderd kan en moet worden. Mijn vraag is of het niet nóg beter zou zijn om in dit wetsvoorstel te kiezen voor een iets lagere generieke korting op het collegegeld, van bijvoorbeeld €500 in plaats van €1.000, en het geld dat daarmee vrijkomt toe te voegen aan de aanvullende beurs. Zou dat de boel niet nóg beter maken voor de toegankelijkheid et cetera?

De heer Van Meenen (D66):

Dat ligt eraan vanuit welk perspectief je het bekijkt. Kijk, het betere is soms de vijand van het goede. Dit is nu eenmaal hetgeen wij met vier partijen hebben afgesproken, en ik en mijn partij vinden dat een uitstekend voorstel, dus we gaan hiervoor.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik waardeer dit eerlijke antwoord van mijn collega, maar ik ga wel mijn best doen om zowel collega Van Meenen als de andere coalitiepartijen te overtuigen van het feit dat het betere soms ook beter kan zijn dan het goede.

De heer Van Meenen (D66):

Dat lijkt mij een heel goed plan. Het ware misschien nog beter geweest als u dat in een eerder stadium had gedaan, bijvoorbeeld bij de formatie.

De voorzitter:

Goed. Dank u wel, meneer Van Meenen. Dan geef ik nu het woord aan de heer Özdil namens GroenLinks.

De heer Özdil (GroenLinks):

Voorzitter. Net als de afschaffing van de dividendbelasting stond ook de halvering van het collegegeld in het eerste jaar en voor lerarenopleidingen ook in het tweede jaar, in geen enkel programma van de coalitiepartijen. Maar in tegenstelling tot over de afschaffing van de dividendbelasting, is mijn fractie wél positief over de doelstellingen in dit wetsvoorstel. GroenLinks is blij dat dit voorstel studenten minder collegegeld laat betalen. Dat levert de studenten uiteindelijk structureel tot 2023 175 miljoen euro op.

Maar tegelijkertijd maakt mijn fractie zich zorgen over de spreekwoordelijke sigaar uit eigen doos die een paar pagina's verderop in het regeerakkoord staat. Het kabinet wil namelijk ook de rente op de studielening verhogen. En dat kost de studenten weer meer geld dan de halvering van het collegegeld oplevert. De minister zegt dat de verlaging van het collegegeld en het verhogen van de rentevoet verschillende dingen zijn, maar voor studenten zijn dit geen twee verschillende zaken. Het is dan ook niet voor niets dat de studentenbonden LSVb en ISO deze zorgen al van meet af aan hebben geuit. Ik zei net al dat de minister ontkent dat er sprake is van een sigaar uit eigen doos. Prima, let's agree to disagree, in goed Hollands. Maar mijn vraag aan de minister is of ze bereid is om ten minste toe te geven dat studenten met het verhogen van de rentevoet uiteindelijk minimaal net zo veel geld kwijt zijn als ze bespaarden met de halvering van het collegegeld in dit wetsvoorstel.

De minister zei dat het wetsvoorstel het hoger onderwijs toegankelijker maakt, maar collega's wezen er al op dat de Raad van State aangeeft dat die toegankelijkheid in dit voorstel niet aangetoond wordt. Is dit niet raar? Zouden we ons niet meer moeten focussen op studenten van wie de ouders weinig of niets kunnen bijdragen aan de studie? Want daar hebben we namelijk al iets voor — we hebben het er net over gehad — namelijk de aanvullende beurs. Zouden we een gedeelte van de middelen die zijn gereserveerd voor het verlagen van het collegegeld niet kunnen inzetten om de aanvullende beurs te verhogen, bijvoorbeeld door het collegegeld in het eerste jaar en voor de lerarenopleidingen ook in het tweede jaar, met een kwart te verlagen in plaats van met de helft, en met het geld dat overblijft de aanvullende beurs te verhogen?

De heer Van der Molen (CDA):

Ik heb een vraag bij het punt dat de heer Özdil eerder aankaartte, evenals de heer Futselaar. Dat ging over de verhoging van de rente aan de ene kant, en aan de andere kant de verlaging van het collegegeld. Is de heer Özdil het met mij eens dat die twee dingen inderdaad niet aan elkaar te koppelen zijn? Want de opbrengst van de renteverhoging uit het regeerakkoord valt in ongeveer 2065, terwijl het voordeel voor de student al dit jaar ingaat.

De heer Özdil (GroenLinks):

GroenLinks is het er niet mee eens dat die twee dingen niet aan elkaar te koppelen zijn, want studenten beginnen meteen te betalen nadat ze zijn afgestudeerd.

De heer Van der Molen (CDA):

Ontkennen dat ze te koppelen zijn, kan ik ook niet, want de heer Özdil doet dat. Maar het CDA geeft aan: die koppeling is er niet. Het maakt namelijk in de individuele situatie heel veel uit hoeveel je leent en hoe de rente zich laat ik zeggen in de komende 50 jaar gaat ontwikkelen. We hebben allebei geen glazen bol om te kijken hoe dat zal gaan. Daar moet de heer Özdil mij toch gelijk in geven?

De heer Özdil (GroenLinks):

Het klopt dat niemand van ons hier een glazen bol heeft, maar we hebben wel een redelijke inschatting van wat die verhoging van de rentevoet van de vijfjaarsrente naar de tienjaarsrente teweeg gaat brengen, in ieder geval op de korte en middellange termijn. Dan zien we dat de tienjaarsrente dit jaar bijvoorbeeld veel hoger is dan de vijfjaarsrente. We zien dit ook in het regeerakkoord. Daar staat: "De verhoging van de rentevoet levert 225 miljoen op structureel." Dat is veel meer dan die 175 miljoen die de studenten gaan krijgen met de verlaging van het collegegeld.

De heer Futselaar (SP):

Er is inderdaad veel onbekend over de tienjaarsrente. We hebben natuurlijk ook nog geen wetsvoorstel of zelfs een begin daarvan gezien. Wij kunnen opmaken uit hoe het in het regeerakkoord staat dat het op termijn geld moet opleveren. Dat is ook de motivatie geweest: wij moeten de overheidsfinanciën op orde maken. Maar terecht zegt bijvoorbeeld de heer Van der Molen: het hangt er heel erg van af hoeveel je leent. Ja, dat klopt. Daarom is het het tegenovergestelde van een progressieve maatregel, want het betekent dat studenten die meer lenen — we kunnen ervan uitgaan dat dat studenten zijn uit bijvoorbeeld een gezin met armere ouders — zwaarder zullen worden getroffen. Dat is het probleem van aan de ene kant een generieke maatregel indienen en aan de andere kant eentje die specifiek leningen raakt, want zo tref je bepaalde groepen harder. Ik zou de heer Özdil willen vragen of hij dat met mij eens is.

De heer Özdil (GroenLinks):

Voorzitter, dit is bijna uitlokking! Laat ik het zo zeggen: GroenLinks vindt het in ieder geval geen goed idee om de rentevoet te verhogen. GroenLinks heeft ook een pleidooi voor een verhoging van de aanvullende beurs, waar ik het net over heb gehad. Ik verwacht ook steun van de SP om daarin mee te gaan.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Özdil (GroenLinks):

Mijn collega Futselaar had het er net over: dit wetsvoorstel biedt de mogelijkheid om op basis van een algemene maatregel van bestuur voor bepaalde groepen studenten in het hoger onderwijs het wettelijk collegegeld te verlagen. Kortom, het zet de deur open voor verdere differentiatie van het collegegeld. GroenLinks zou het een zorgelijke ontwikkeling vinden als het collegegeld steeds verder wordt gedifferentieerd. Mijn vraag aan de minister is dan ook of zij deze zorgen deelt. Collegegelddifferentiatie is een heikel politiek punt en om over mogelijke toekomstige gevallen van collegegelddifferentiatie nog een politieke afweging te kunnen maken, dienen we inderdaad samen met de SP een amendement in dat een voorhangprocedure bij dergelijke gevallen mogelijk maakt.

Tot slot nog twee belangrijke punten, twee wat GroenLinks betreft wat onterecht ondergesneeuwde kindjes. Ten eerste — collega's noemden het al — is de Open Universiteit bij dit wetsvoorstel een vreemde eend in de bijt. Daar studeert men flexibeler en halen studenten doorgaans niet 60 studiepunten in één jaar tijd. Dit wetsvoorstel geeft de korting alleen in het eerste jaar. Daarom is de vraag: is de minister bereid om met de Open Universiteit en de medezeggenschap in gesprek te gaan om tot een passende oplossing te komen? Ten tweede. Dit voorstel komt ten goede aan studenten in het hoger onderwijs, maar het mbo wordt weer eens vergeten. Het mbo is een onderwijsvorm waar toegankelijkheid en doorstroming van minstens net zo groot belang zijn als in het wetenschappelijk onderwijs. Heeft de minister overwogen om ook het lesgeld voor mbo-studenten te verlagen, is mijn laatste vraag.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Özdil. Ik geef nu het woord aan de heer Beertema namens de PVV.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter, dank u wel. Op het eerste gezicht hebben we hier te maken met een sympathiek voorstel, maar op het tweede gezicht ademt deze wetswijziging wat ons betreft symboolpolitiek, ondoordachtheid en onrijpheid. Het is tenslotte een pleister op de gapende wonde van het lerarentekort, maar ook op de denkbeeldige wond van dat zogenaamd tanende toegankelijkheids- en kansengelijkheidsprobleem. De minister wil de toegangsdrempel tot het hoger onderwijs verlagen, maar zelf stelt ze tegelijkertijd vast dat deze maatregel weinig effect zal hebben op de aantallen studenten die instromen in het hoger onderwijs. Dat vinden wij merkwaardig. Het zou toch juist zo moeten zijn dat studenten met leenangst door deze maatregel bewogen zullen worden om toch te gaan studeren nu die basisbeurs verdwenen is?

Uit twee rapportages blijkt gelukkig dat de instroom in het hoger onderwijs na de invoering van het leenstelsel is hersteld. Het is terug op het oude niveau zelfs. De doelstelling en de effecten van deze voorgenomen verlaging van het collegegeld zijn dan ook louter kwalitatief, stelt de minister, en moeten gezocht worden in de wijze waarop de keuze om wel of niet door te gaan met studeren gemaakt wordt. Ik vind dat een vage redenering. Het lijkt zelfs een beetje op een gelegenheidsargument. Het financiële aspect achter die keuze verdwijnt dan naar de achtergrond, waardoor de keuze vooral gebaseerd zal gaan worden op een overtuigde inhoudelijke keuze voor een studie. Dat is een opmerkelijke redenatie. Wordt de keuze om te gaan studeren niet juist vooral gedreven door het financiële voordeel dat deze wetswijziging zal bewerkstelligen? Na dat eerste jaar betalen studenten die geen lerarenopleiding volgen, uiteindelijk toch weer 50% meer collegegeld. Als studenten eerst gedreven worden om te gaan studeren vanwege verlaagd collegegeld, zouden ze, deze logica volgend, toch juist na dat eerste voordelige jaar gedreven kunnen worden om maar weer te stoppen met die studie omdat de kosten gewoon niet te dragen zijn? De aspirant-studenten die vanwege dit voordeel ervoor kiezen om te gaan studeren maar vervolgens na dat eerste jaar stoppen, zijn we dan voorgoed kwijt. Denkt de minister te kunnen anticiperen op dat scenario? Graag een reactie.

Voorzitter. Het doel van de wijziging van de wet is vooral de toegankelijkheid en uiteindelijk ook de kansengelijkheid vergroten. Het terugdringen van het lerarentekort is daaraan ondergeschikt omdat de minister erkent dat deze maatregel slechts een stukje is van de puzzel om het lerarentekort terug te dringen. Maar we weten het niet. We weten het niet. We weten eenvoudig niet of deze maatregel, waarvoor tot 2022 730 miljoen euro is uitgetrokken — als je die 2 miljoen voor het Profileringsfonds er steeds bij optelt 740 miljoen — gaat opleveren wat de minister beoogt. Wat gaat het opleveren? Het is heel veel geld voor een plan dat gebaseerd is op een stuk wensdenken. Deze verlaging, die vooral voordelig is voor aspirant-pabo-studenten, zal ook naar onze verwachting een aanzuigende werking hebben. Absoluut. Maar is het wel gewenst om louter en alleen om deze reden studenten te werven voor het leraarschap? Heeft de minister daarover nagedacht? Het gaat tenslotte om 740 miljoen euro belastinggeld. En zal het geen nadelig effect hebben op de kwaliteit van de studenten die uiteindelijk dat lerarentekort moeten terugdringen? Ook daar graag een reactie van de minister op.

Voorzitter. De kosten van dit voorstel zijn niet gering. Ik noemde al het bedrag van 740 miljoen tot 2022. Vanaf 2023 gaat het structureel om 175 miljoen. Bij het spenderen van dit soort bedragen — ik vind het grote bedragen — zou je verwachten dat er vooraf ook kwantitatief onderzoek is gedaan, zeker omdat de minister zelf verwacht dat deze maatregel weinig effect zal hebben op de aantallen studenten die zullen instromen. Mij baart tevens zorgen dat er op geen enkele manier wordt gesproken over een mogelijk aanzuigende werking op buitenlandse studenten. Dat is echt een grote zorg. Wij hebben hier inmiddels 122.000 buitenlandse studenten. De Universiteit Maastricht — ik moet zeggen: Maastricht University — telt intussen 52% buitenlandse studenten. Dat liet de rector juichend weten.

De ongebreidelde internationalisering en verengelsing van ons hoger onderwijs roept al heel veel weerstand op onder de bevolking. Die snapt niet dat we zoveel honderden miljoenen uitgeven aan buitenlandse studenten in plaats van aan onze eigen kinderen. Straks is een kwart van alle bacheloropleidingen volledig in het Engels. En wat doet deze minister? Ze lokt nog meer buitenlanders naar ons hoger onderwijs door het collegegeld te halveren. Die maatregel geldt ook voor alle andere studenten in de EU. Waarom zou een Britse student ruim €30.000 betalen, even omgerekend vanuit ponden, voor een bachelor in eigen land, terwijl hij hier voor nog geen €5.200 klaar is? Dan kan hij ook nog eens in zijn eigen moedertaal studeren. Daarbij heeft hij ook nog eens het enorme voordeel dat hij of zij native speaker is, in tegenstelling tot zijn medestudenten en docenten. Vooral voor studenten uit het Verenigd Koninkrijk wordt het zo wel heel erg aantrekkelijk om als academische toerist de Noordzee over te steken en hier voor een fractie van het geld dat hij in het Verenigd Koninkrijk kwijt is, zijn studie te volgen. Wij zien niets in dat academisch toerisme. Wij zien wel al weer van heinde en verre aankomen dat juist deze maatregelen de internationalisering en de verengelsing nog verder zullen aanwakkeren. Kan de minister mij toezeggen dat deze maatregel geen stimulans zal zijn voor een nog ongebreideldere — ik weet niet of het woord bestaat — internationalisering en verengelsing? Graag ook daar een reactie van de minister op.

De heer Özdil (GroenLinks):

Mijn zeer gewaardeerde collega Beertema van de PVV maakt ook van dit wetsvoorstel gebruik om het weer eens te gaan hebben over internationale studenten en het feit dat zij ten koste van Nederlandse studenten misbruik of gebruik zouden kunnen maken van dit voorstel. Het voorbeeld dat mijn collega altijd gebruikt is dat van de Universiteit Maastricht. Schande, 52% internationale studenten! Voorzitter, de Universiteit Maastricht ligt in Limburg, op het grensvlak tussen Duitsland en België. De radius van elke universiteit, als het gaat om het aantrekken van studenten, is 100 kilometer. Op de Universiteit Maastricht bestaat het merendeel van die internationale studenten uit Duitse studenten. Is mijn collega van de PVV het met mij eens dat zijn kritiek, zijn schandroep tegen de Universiteit Maastricht, niet alleen betekent "eigen student eerst" maar ook dat de Universiteit Maastricht zichzelf kan opdoeken. Is dat uw doel?

De heer Beertema (PVV):

Ja. Kijk, ik begrijp uw redenering wel. Elke universiteit heeft een radius van zo'n 100 kilometer, maar ik ga er wel van uit dat we dat doen vanuit onze natiestaat, die ook nog grenzen kent. Nogmaals, ik voel mij niet heel erg verantwoordelijk voor of solidair met studenten uit Duitsland. Laat mevrouw Merkel dat oplossen. Die hebben een eigen Bundestag en zo. Die komen er echt wel uit. 52%! Waarom moet onze belastingbetaler dat bekostigen? Wij denken nog steeds in dat voor u perfide concept van een natiestaat die grenzen heeft. Wij niet; wij erkennen die grenzen nog wel. Als u inderdaad van alle kanten hoort dat er niet genoeg studenten zijn om de universiteit van Maastricht, Maastricht University, overeind te houden ... Het gaat er niet om dat er niet genoeg studenten zijn. Er zijn te veel universiteiten in dit land. Dat is het probleem, meneer Özdil.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik ben blij verrast met dit eerlijke antwoord van mijn collega Beertema. We zien hier duidelijk dat de PVV, die het altijd heeft over onze natiestaat, patriotisme, houden van Nederland, ...

De heer Beertema (PVV):

Nou, patriotisme ...

De heer Özdil (GroenLinks):

... tegelijkertijd heeft u net zelf — en dat waardeer ik — eerlijk toegegeven dat u de Universiteit Maastricht op wilt doeken. De Universiteit Maastricht, die Limburg een enorme boost geeft in termen van economische ontwikkeling, werkgelegenheid. U wilt af van Maastricht. U wilt af van economische ontwikkeling binnen ons land. Vindt u zichzelf nou een echte patriot door de Universiteit Maastricht op te willen doeken? Vindt u dat nou echt?

De heer Beertema (PVV):

Ik ben een heel echte patriot, maar daar gaat het even niet om. Bedrijfseconomisch is het zo dat als een bedrijf te weinig klanten heeft, we problemen krijgen. Dan heeft een bedrijf of een organisatie geen bestaansrecht meer. Als de universiteit van Maastricht bestaansrecht ontleent aan de meerderheid buitenlandse studenten, dan zijn we niet goed bezig. In het bedrijfsleven is het heel normaal dat zo'n bedrijf gesaneerd wordt, in het hoger onderwijs kennelijk niet. Dan worden er allerlei kunstgrepen gepleegd om leerlingen en studenten van de hele wereld ernaartoe te toveren. Maar ja, dat kan niet. Wij kunnen ook ...

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Beertema (PVV):

... elke onderwijseuro maar één keer uitgeven. Dat doe ik liever aan Nederlandse studenten dan aan buitenlandse studenten. Maar voor GroenLinks is dat best een lastig concept.

Voorzitter. Wij delen de kritiek van de Raad van State. Deze maatregel is niet doelmatig naar ons gevoel. Het voordeel komt terecht bij studenten die al voornemens waren om te gaan studeren en niet bij de groep die zonder deze halvering niet eens zou gaan studeren, want die groep studeert alweer, volgens de rapportages waar ik naar verwees. 740 miljoen tot 2022 en vanaf 2023 structureel 175 miljoen: heel veel geld uitgeven zonder deugdelijk onderzoek, alleen maar gebaseerd op wensdenken. Als volksvertegenwoordiger én controleur van de regering kan ik dat niet verkopen aan mijn achterban. Ik gun het de minister, voorzitter, om mij in haar termijn te overtuigen, maar voorlopig stel ik vast dat zij in ieder geval de Raad van State niet aan haar zijde heeft gekregen. Dus ik ben benieuwd.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Beertema.

Dan geef ik nu het woord aan de heer Bruins namens de ChristenUnie.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Voorzitter. We bespreken vandaag de halvering van het collegegeld voor eerstejaarsstudenten en studenten aan een lerarenopleiding. De ChristenUnie is blij met de voortvarendheid waarmee de minister deze afspraken uit het regeerakkoord heeft uitgewerkt. Studeren moet voor iedereen toegankelijk zijn. De ChristenUnie wil graag dat er zo min mogelijk drempels zijn om te gaan studeren. Het nu voorliggende voorstel maakt de financiële drempel om te gaan studeren minder hoog. Dat helpt om ons hoger onderwijs toegankelijker te maken. Studenten worden zo in hun keuze om te gaan studeren minder belemmerd door een financiële barrière.

De minister geeft aan dat deze maatregel juist ook kan helpen voor jongeren die twijfelen of ze het financieel wel aankunnen om te gaan studeren. Het is dan ook van belang dat deze maatregel goed bekend wordt, juist ook bij deze groep twijfelaars. Hoe wil de minister deze groep bereiken? Welke communicatie zal er plaatsvinden? Welke mogelijkheden ziet zij nog meer om twijfelaars over de streep te trekken?

De ChristenUnie is blij dat de halvering van het collegegeld zelfs twee jaar geldt voor lerarenopleidingen. Alles wat bijdraagt aan de bestrijding van het lerarentekort is winst. Ook dit is dus een goede stap om te investeren in het onderwijs en te zorgen voor genoeg gekwalificeerde leraren. Natuurlijk hebben we hiermee het lerarentekort nog niet opgelost. Daarbij spelen ook tal van andere aspecten mee: de arbeidsvoorwaarden van leraren, het carrièreperspectief, de werkdruk enzovoort. Het is goed dat het kabinet fors investeert in al die aspecten. De ChristenUnie roept de minister op om zo veel mogelijk vaart te maken met ook die maatregelen en om goed in de gaten te houden wat de effecten zijn van de diverse investeringen. Ook bij deze investering, de halvering van het collegegeld voor lerarenopleidingen, is het van belang om in de gaten te houden wat de effecten zijn. De minister gaat ons op de hoogte houden via de Monitor Beleidsmaatregelen hoger onderwijs. Ik vraag de minister of zij hiermee ook de effecten op het lerarentekort goed kan monitoren of dat daar nader onderzoek voor nodig is.

Daarnaast is wat de ChristenUnie betreft het hoofddoel van deze maatregel gewoon dat jonge mensen met minder schuld kunnen beginnen aan hun volwassen leven, vooral ook omdat het leenstelsel die situatie fors heeft verslechterd. Heeft de minister de mogelijkheden om ook dat doel te monitoren?

Sinds de invoering van het leenstelsel vraagt de ChristenUnie aandacht voor studenten met een functiebeperking of chronische ziekte. Juist zij zijn er sinds de invoering van het leenstelsel aantoonbaar op achteruitgegaan. Dit kabinet verhoogt het Profileringsfonds structureel met 2 miljoen euro per jaar. Kan de minister de instellingen ertoe bewegen om juist deze studenten, studenten met een beperking, bij voorrang te helpen? Wil zij specifiek hierover rapporteren bij de eerste rapportage die daarover gepland staat voor de zomer van 2018?

De heer Futselaar (SP):

Ik vond het bijna uitlokking. De heer Bruins zegt — en dat waardeer ik zeer — dat het doel is om ervoor te zorgen dat studenten met zo min mogelijk schuld hun studie kunnen afronden. Ik vraag me dan af waarom de ChristenUnie heeft gekozen voor een coalitieakkoord met daarin een maatregel die de rente gaat verhogen. Rente is toch bij uitstek een schuldverhogend principe? Is dat niet een beetje een tegenstelling? Dat is ook wat ik aan de minister vroeg. Staat die andere maatregel niet bijna haaks op de positieve maatregelen die met dit wetsvoorstel worden beoogd?

De heer Bruins (ChristenUnie):

Het is geen geheim dat de ChristenUnie liever de basisbeurs terug had gehad, maar op dit moment ligt het huidige wetsvoorstel voor. Het leenstelsel is ingevoerd in een periode waarin de rente historisch laag was. Die rente gaat ongetwijfeld op enige moment weer omhoog. Dat is eigenlijk een veel gevaarlijkere en kwalijkere zaak. De glazen bol kwam al langs. Die hebben we niet, maar aangezien het is ingevoerd in een periode waarin de rente historisch laag was, kunnen we verwachten dat het leenstelsel op zich al meer problemen gaat geven zodra die rente weer omhooggaat. Dat is, denk ik, een veel pregnanter aspect dan de dekking die in het huidige regeerakkoord beschreven wordt.

De heer Futselaar (SP):

Daar ben ik het overigens mee eens. Ik vind zelfs dat je je kunt afvragen of de overheid niet af en toe wat onverantwoordelijk is met haar communicatie over mogelijke risico's van lenen, ook voor een studie, maar dat is een discussie voor een later moment. Het probleem is dat je dan nog steeds kunt zeggen dat een maatregel die erop gericht is om ervoor te zorgen dat er meer rente-inkomsten binnenkomen, haaks staat op de doelstelling van het wetsvoorstel dat hier nu voorligt. Ik weet wel dat de rentevoetmaatregel die is aangekondigd nu niet voorligt, maar ik vind het toch logisch om kabinetsbeleid ook een beetje integraal, in zijn geheel te zien. Ziet de heer Bruins hier nou geen tegenstelling?

De heer Bruins (ChristenUnie):

Het is misschien goed om te memoreren dat de ChristenUnie een keer bij motie heeft voorgesteld om, zoals bij alle leenfaciliteiten, bij het leenstelsel altijd te vermelden: "Geld lenen kost geld". Daar was toen geen meerderheid voor. Maar wij vinden nog steeds dat we daar echt op moeten wijzen, omdat wij principieel vinden dat wij de volgende generatie niet met zo veel mogelijk schulden moeten opzadelen, maar juist met zo weinig mogelijk schulden. Dit voorstel helpt daarbij. Tegelijkertijd zien we ook de dekking. Maar ik denk dat het leenstelsel in de toekomst uiteindelijk in een heel andere dimensie gezien moet worden, wanneer de rente weer gaat stijgen. Daar is deze dekking wat mij betreft slechts een kleine factor in.

De voorzitter:

Gaat u verder, meneer Bruins.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik heb nog een punt van aandacht. De tegemoetkoming gaat gelden voor studenten die vanaf het studiejaar 2018-2019 voor het eerst studeren. Deze studenten gaan dan eerst een driejarige bacheloropleiding volgen, alvorens ze aan een universitaire lerarenopleiding kunnen beginnen. Dit zijn namelijk masters. Dit betekent dat het verlaagde collegegeld voor universitaire lerarenopleidingen effectief pas per collegejaar 2021-2022 gaat gelden. Ziet de minister mogelijkheden om dat gat te overbruggen? Zijn er bijvoorbeeld mogelijkheden via de regeling tegemoetkoming onderwijsmasters?

Voorzitter. Tot slot heb ik nog een vraag over de uitvoering van de maatregelen. Het is goed dat de minister zo veel vaart maakt, maar het is wel van belang dat het haalbaar is voor de uitvoerende partijen en dat het zorgvuldig gebeurt, want anders roepen we problemen over onszelf af. Daarom vraag ik hoe de minister dit inschat en hoe zij een zorgvuldige uitvoering van het voorstel kan borgen.

Voorzitter, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bruins. Ik geef tot slot het woord aan de heer Van der Molen namens het CDA.

De heer Van der Molen (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Namens het CDA ben ik zeer verheugd dat ik hier sta om het wetsvoorstel voor halvering van het collegegeld te bespreken en om dat wetsvoorstel weer een stap verder te brengen. In de afgelopen jaren heeft het CDA zich zorgen gemaakt over de toenemende schulden die studenten opbouwen. Met de halvering van het collegegeld willen we die trend doorbreken en studenten tegemoetkomen. De heer Futselaar vroeg: is dat een soort impliciete erkenning dat er drempels zijn? Wat het CDA betreft is dat inderdaad zo en moet je deze maatregel ook zo bekijken. Door ook voor het tweede jaar van lerarenopleidingen het collegegeld te halveren, hopen we dat meer studenten zullen kiezen voor de lerarenopleidingen. Het lerarentekort is namelijk groot. Dat vraagt op verschillende plekken om maatregelen om mensen voor dit mooie vak te interesseren. We begrijpen ook dat deze maatregel op zichzelf geen voldoende oplossing biedt voor het lerarentekort. Het is echter wel een concrete aanvulling in de reeks van maatregelen die het kabinet neemt om het lerarentekort tegen te gaan.

Voorzitter. Ik complimenteer de minister er graag mee dat ze dit wetsvoorstel zo heeft weten uit te breiden dat het niet alleen geldt voor pabostudenten, dat ze ervoor heeft gezorgd dat alle nieuwe studenten aan een lerarenopleiding in aanmerking komen voor halvering van het collegegeld. Dat geeft een heel helder politiek signaal. Daar is het CDA blij mee.

Ik ben er namens het CDA ook tevreden over dat de minister voor een instrument heeft gekozen waarmee we in de toekomst, als dat nodig is, ervoor zouden kunnen kiezen om bijvoorbeeld andere opleidingen nog ruimte te geven voor halvering van het collegegeld. Dat geeft wellicht in de toekomst ruimte om hier in de Kamer een aantal stappen te zetten. Ik sluit me aan bij het pleidooi dat het zorgvuldig moet gebeuren.

Voorzitter. In het schriftelijk overleg heb ik vragen gesteld over de studenten van de Open Universiteit en andere studenten die flexibel of duaal studeren. Waarom komen zij niet in aanmerking voor halvering van het collegegeld voor een periode van 60 studiepunten? Uit de antwoorden van de minister begreep ik dat dat alleen maar voor de Open Universiteit uitvoerbaar zou zijn en voor andere opleidingen niet, en dat op grond daarvan de keuze is gemaakt om daar niet voor te kiezen. Graag nogmaals een bevestiging van de minister dat dat de crux is, dat het daarop vastzit. In het verlengde daarvan roep ik de minister wel graag op om werk te maken van een werkwijze voor studenten die aan de pilots flexibilisering meedoen. In het kader van een leven lang leren gaan we naar veel flexibelere arrangementen kijken. Het zou heel jammer zijn als deze tegemoetkoming op een gegeven moment in de uitvoering stukloopt omdat we het met de systemen allemaal niet bij kunnen fietsen. Ik vraag de minister heel graag om in de flexibiliseringsbrieven die we van haar krijgen, aan de Kamer terug te koppelen wat er wellicht op termijn in de administratie gedaan kan worden om studeren per studiepunt, deels of duaal wel mogelijk te maken. Want het laten vastlopen op de uitvoeringsproblemen is nu heel begrijpelijk, maar of we dat voor de toekomst moeten blijven willen, staat voor het CDA zeker niet vast.

Voorzitter. Daarnaast hebben we nog een andere zorg, namelijk het mogelijke misbruik van de halvering van het collegegeld voor opleidingen die het kenmerk "kleinschalig en intensief onderwijs" mogen hanteren. In de wet staat dat zij tot vijf keer het wettelijke collegegeld mogen vragen. Wordt de halvering van het collegegeld voor hen wellicht niet een reden om het collegegeld te verhogen? Dat hoeven ze niet te doen, maar je mag het je wel afvragen. Hoe kan de minister borgen dat dit niet gaat gebeuren? Heeft zij overwogen om voor deze opleidingen het collegegeld te maximeren tot bijvoorbeeld het bedrag dat nu ook voor andere studenten geldt? Ik verwijs nog even naar de opmerking van mevrouw Tielen van de VVD. Ik sluit me ook aan bij haar pleidooi om in dit kader vooral te kijken naar zijinstromers die bijvoorbeeld richting een lerarenopleiding zouden willen.

Voorzitter. Ten slotte benadruk ik nogmaals dat wij als CDA heel tevreden zijn met de uitwerking van de minister. Het is een voor studenten hele wezenlijke en belangrijke stap om iets te doen aan de oplopende studieschulden en aan de toegankelijkheid van het hoger onderwijs. We hopen met de minister het tempo erin te houden, zodat studenten ook met zekerheid kunnen weten dat zij er met ingang van het volgende collegejaar gebruik van kunnen maken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Molen. Daarmee zijn we aan het eind gekomen van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Ik stel voor om de vergadering nu te schorsen. Daarna krijgt de minister de gelegenheid om in te gaan op de vragen van Kamerleden.

De vergadering wordt van 17.57 uur tot 19.01 uur geschorst.

De voorzitter:

We gaan verder met het debat over de Wet verlaagd wettelijk collegegeld. Ik geef de minister het woord.

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter. Dank u wel. We bespreken vandaag met elkaar in dit debat het wetsvoorstel halvering collegegeld dat in het regeerakkoord was afgesproken. In dat regeerakkoord was de ambitieuze doelstelling opgenomen om die halvering al per collegejaar 2018-2019 te laten ingaan. Ik wil hier ook alvast de Kamer bedanken voor haar bereidheid om mee te werken aan de hele spoedige behandeling van dit wetsvoorstel. Ik wil ook mijn eigen ambtelijke staf — dat is door een aantal van u ook al gezegd — de mensen bij DUO en de instellingen voor hoger onderwijs danken voor de bereidheid van alle kanten om ervoor te zorgen dat er heel spoedig een wetsvoorstel zou liggen en dat we klaar zouden zijn voor de uitvoering. Dat is geen geringe klus geweest.

Ik vind het inderdaad belangrijk dat wij studenten komend jaar al kunnen laten profiteren van de halvering van het collegegeld en hen daar ook tijdig over kunnen informeren. Ik zal straks nog komen te spreken over dat informeren. Daarom hebben wij ook alles op alles gezet om dit mogelijk te maken. Dit wetsvoorstel, deze verlaging van het collegegeld, eigenlijk de halvering van het collegegeld, heeft een dubbel doel: de toegankelijkheid van het hoger onderwijs, het verlagen van de initiële drempel om deel te nemen aan het onderwijs en daarmee het bevorderen van kansengelijkheid, én voor de lerarenopleiding het verleiden van meer mensen om te kiezen voor het prachtige vak van leraar, zoals de heer Van Meenen zei.

Ik wil mijn beantwoording in vieren opbouwen. In eerste instantie wil ik ingaan op de vragen die gesteld zijn over de generieke maatregel, dus de halvering van het collegegeld in het eerste jaar voor alle studenten. Het tweede blokje gaat over de lerarenopleiding. Het derde blokje gaat over de uitvoering en de communicatie en een vierde blokje is, zoals altijd, voor alle overige vragen.

Velen van u hadden de vraag of er niet sprake is van een ongelijke behandeling van deeltijders. Die studeren in een ander tempo. Is het daar ook gepast om de halvering voor een jaar, twaalf maanden, te doen? Want voor deze generieke maatregel geldt dat alle studenten één jaar halvering van het collegegeld krijgen. Overigens geldt dit ook voor voltijdstudenten. Als zij niet nominaal studeren, krijgen ze ook één jaar. Het is overigens niet altijd zo dat de voltijdstudenten per se meer studiepunten halen dan deeltijdstudenten. Ik ben zelf ooit een van die gevallen geweest die weleens meer dan 60 studiepunten per jaar haalde als deeltijdstudent; dus het kan. Maar dat is echt heel individueel bepaald. Ook deeltijdstudeerders programmeren dus soms meer dan 60 ECTS per jaar. Daar zit wel een probleem als je zou zeggen dat we het voor alle deeltijdstudenten verlengen naar 24 maanden, want dat wil niet zeggen dat dit voor hetzelfde aantal studiepunten gaat gelden. Overigens zou die verlenging naar 24 maanden voor alle deeltijdstudenten ook extra geld kosten. Dus ook om budgettaire redenen ben ik daar niet voor.

Daarnaast is door velen van u gevraagd naar studenten aan de Open Universiteit. Zou je daar dan niet op een andere manier naar moeten kijken? De Open Universiteit heeft natuurlijk als instelling een heel specifieke, wettelijke opdracht. Ze moet bijvoorbeeld altijd volwassenen toelaten. Ze moet studenten per module inschrijven en ook biedt ze deeltijd- en afstandsonderwijs aan. In deeltijdopleidingen geldt eenzelfde afbakening niet altijd. Maar er is ook geen objectief onderscheid te maken tussen deeltijdstudenten die hun studie bijvoorbeeld volgen aan de Universiteit Utrecht, de Hogeschool Leiden of de Open Universiteit, als het gaat om het tempo waarin mensen studeren. Er is in ieder geval niet een juridisch relevant genoeg onderscheid om te zeggen dat de ene groep op een andere manier in aanmerking komt voor een verlaging van het collegegeld dan de andere groep.

In de schriftelijke beantwoording ben ik er uitvoerig op ingegaan dat het ook een enorme lastendruk met zich meebrengt als je dat wilt monitoren per betaald studiepunt. Korting per studiepunt is eigenlijk op dit moment administratief een heilloze weg. De heer Van der Molen vroeg daarnaar in het kader van het flexstuderen. Dat is natuurlijk ook een soort betalen per studiepunt. Die pilot loopt nu. Die heeft nog echt een paar jaar nodig. Volgens mij kunnen we in 2020-2021 echt conclusies gaan trekken. Ik ben het helemaal met hem eens dat we, als blijkt dat het flexstuderen de studeermethode van de toekomst wordt, dan wellicht wel moeten kijken wat we met de systemen kunnen doen zodat we dat wel kunnen doen. Maar daar is het op dit moment echt nog te vroeg voor. Ik sluit het voor de verre toekomst niet uit, maar op dit moment is dit echt een heilloze weg.

De voorzitter:

Ik zie de heer Futselaar, maar de minister is net begonnen met het onderwerp "generieke maatregel". Begrijp ik dat goed?

Minister Van Engelshoven:

Ja.

De voorzitter:

Daar was u mee bezig? U was nog niet klaar? De heer Futselaar vraagt of u terugkomt op deeltijdopleidingen.

Minister Van Engelshoven:

Eigenlijk is het als volgt. Juridisch is het onderscheid niet goed te maken. Voor deeltijders geldt dat ze ook weleens meer studiepunten per jaar halen dan voltijders. Studiepunten bijhouden is administratief een heilloze weg. Als je dan nu voor deeltijders zegt dat het 24 maanden moet zijn, zou dat jaarlijks extra 6 miljoen kosten. In het budget dat ik heb voor deze maatregel, heb ik die ruimte niet beschikbaar, los van de vraag of het juridisch verstandig zou zijn.

De heer Futselaar (SP):

Voor de helderheid: de minister zegt dat het bij de Open Universiteit niet kan, omdat het juridisch gewoon niet te doen is. Als je iets wilt doen — dit is even mijn vertaling — zul je dus deeltijdopleidingen in het algemeen moeten nemen. Ze zegt ook dat je het niet per punt kunt doen. Dus als je iets doet, zul je het in aantallen maanden moeten doen. Dan kijk je puur naar wat haalbaar is. Dat past toevallig precies in de motie die ik klaar heb liggen. De minister zegt dat dit een generieke maatregel is. Maar het onderscheid tussen deeltijd- en voltijdstudent is er natuurlijk niet voor niets. Dat wordt al gemaakt en dat heeft een reden. Ik vind dus niet dat je iets afdoet aan de generiekheid van de maatregel, die toch ook een bepaald doel heeft, door dit onderscheid te maken. Inderdaad, sommige deeltijdstudenten halen meer punten. Sommige voltijdstudenten halen veel minder punten. Maar sommige voltijdstudenten halen ook meer dan 60 ECTS-punten. Dat kan ook. Maar laten we dan naar gemiddelden kijken. Als je bijvoorbeeld met de Open Universiteit praat, zegt die heel duidelijk: voor de gemiddelde student is 30 ECTS per jaar wel echt het maximum dat gehaald wordt. Dan is het toch niet onredelijk om daar een wat ruimere opzet voor te maken, zo vraag ik de minister. Het enige echte solide argument daartegen is het geld. En dat is uiteindelijk een politieke keuze.

Minister Van Engelshoven:

Daar heeft u gelijk in: het is een keuze om dat te doen. Maar je kunt niet zeggen dat er een een-op-eenrelatie is tussen het verlagen van de drempel en studiepunten, en dat dan het ene 12 moet zijn en het andere 24. Het is lang niet altijd zo dat een deeltijdstudent over hetzelfde aantal studiepunten dubbel zo lang doet als een voltijdstudent. In heel veel gevallen, ik denk zelfs in de meeste gevallen, niet. Natuurlijk is alles passen en meten. Er zitten heel veel keuzes in. Maar als je op dit moment voor die maatregel kiest, kost dat extra middelen. Dan zal het ergens anders uit de maatregel gedrukt moeten worden. Dan ben ik ook benieuwd of uw motie voorziet in een dekking daarvoor. Zoals ik al zei tegen de heer Van der Molen: we zijn op dit moment volop aan het bekijken of flexstuderen ook in de voltijdopleidingen een optie is. Dan zul je iets moeten gaan doen met het volgen van studiepunten. Het lijkt mij veel logischer om het moment van die evaluatie af te wachten om te kijken of we veel generieker moeten kijken naar hoe het nu zit met het studeren per studiepunt en met het betalen voor het aantal behaalde studiepunten, en naar wat dat betekent voor deze maatregel. Dat lijkt mij eigenlijk veel logischer, want al het andere wat je nu doet, is eigenlijk redelijk willekeurig.

De heer Futselaar (SP):

Dan ga ik toch een beetje de Raad van State napraten, die eigenlijk met zoveel woorden zegt dat deze hele maatregel willekeurig is: wij zien een doel geformuleerd, maar eigenlijk hebben wij geen overtuigend bewijs dat deze maatregel dat doel gaat halen. Mijn voorgestelde alternatieven zijn daar eigenlijk niet anders in. Ik vermoed dat het eerlijker wordt als je het voor deeltijdstudenten 24 maanden maakt. Kan ik dat met cijfers hardmaken? Nee, evenmin als de minister kan hardmaken dat het collegegeld de eerste 12 maanden verlagen grootschalige effecten zal hebben. Op het gebied van de financiën gaat het hier om een afwijking van ongeveer 3,5% van het geplande budget. Die 175 miljoen is natuurlijk ook een inschatting, want we hebben niet in de hand hoeveel studenten er daadwerkelijk gaan studeren en dus gebruik zullen maken van deze regeling. Dus ik vind het in dit geval niet onredelijk om te zeggen: ik heb hier geen pasklare dekking. Het lijkt mij logisch om de minister dat dan in haar eigen budgetten te laten zoeken, mocht het zover komen.

Minister Van Engelshoven:

Ik vind het altijd een beetje makkelijk als er wordt gezegd: laat de minister dat dan maar in haar eigen budgetten zoeken. Alsof wij pijnloos kunnen zoeken in de eigen budgetten. Het gaat altijd ten koste van iets anders. Ik vind het wat makkelijk om te zeggen: wij weten dat het ergens leidt tot een pijnlijke keuze, maar wij hebben een wens en de minister moet dan maar zeggen waar het vanaf moet. Ik zou het dus fair vinden als u daar een indicatie van gaf.

Nog even terug naar het doel van deze maatregel. Het doel is niet om exact een verlaging van het collegegeld te geven voor exact het aantal studiepunten dat je studeert. Het doel van deze maatregel is om mensen over de drempel te helpen in het hoger onderwijs. Uit onderzoek weten we dat het vooruitzicht van een substantiële verlaging in dat eerste jaar wel degelijk helpt. Natuurlijk kunnen we daar eindeloos varianten op bedenken. Ik kan uw redenering ook nog best volgen, maar u zegt ook: ik vermoed dat. Het zijn dus inschattingen. Maar nogmaals, ik heb daarin een andere keus gemaakt, juist met het doel om mensen in dat eerste jaar over die drempel te helpen. Als je dezelfde verlaging over meerdere jaren spreidt, sluit dat niet altijd beter aan bij het daadwerkelijk aantal behaalde studiepunten van deeltijdstudenten.

De voorzitter:

Tot slot op dit punt, meneer Futselaar.

De heer Futselaar (SP):

Ik zou een motie kunnen indienen waarin ik voorstel om in de eerste 12 maanden geen 50% korting maar 48% korting te geven en dan ben ik er wel ongeveer, denk ik. Maar eigenlijk vind ik dat flauwigheid. 6 miljoen is best veel geld, maar op het totaal van de budgetten waar we het hier over hebben, is het echt weinig — gewoon echt weinig! En om dan rare sprongen te gaan maken; ik vind dat eigenlijk niet de taak van een Kamer, die richtlijnen geeft. Een aantal studenten heeft behoorlijke drempels om te gaan studeren. Voor een deel zitten die in de doelgroep van de Open Universiteit. Dit is een kleine aanpassing, die voor die specifieke groep studenten zorgt dat het net wat makkelijker wordt.

Minister Van Engelshoven:

Hierin verschillen wij van mening. We gaan het hier vanavond volgens mij niet over eens worden.

De voorzitter:

Die indruk krijg ik ook. Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

Mevrouw Tielen had gevraagd of de halvering wenselijk is voor het kleinschalige en intensieve onderwijs. Moet het daar ook gaan om een halvering? Als je de korting beperkt tot ongeveer €1.000, zou je het dan niet kunnen inzetten om zijinstromers in het onderwijs te bevorderen? Ik begrijp de vraag van mevrouw Tielen heel goed. Zij is er eigenlijk naar op zoek of we, gelet op het lerarentekort waarmee we te maken hebben, maximaal kunnen stimuleren dat we meer zijinstromers in het onderwijs krijgen. Ik ga eerst in op waar zij het geld vandaan wil halen. Het doel van dit wetsvoorstel is een bijdrage te leveren aan toegankelijkheid en aan kansengelijkheid, ook voor kleinschalig en intensief onderwijs, dat duurder is. Mevrouw Tielen zegt het collegegeld daarvoor niet te willen halveren maar er €1.000 af te willen halen. Daarmee maak je het ten opzichte van ander onderwijs relatief duurder. De kansengelijkheid maak je dus minder, terwijl het doel van deze maatregel in het regeerakkoord was om de kansengelijkheid juist te bevorderen. Om die reden maak ik die keuze ook niet. Het regeerakkoord zegt ook dat het collegegeld gehalveerd moet worden en maakt daarbij geen onderscheid naar het type opleiding.

De vraag van mevrouw Tielen met betrekking tot zijinstromers begrijp ik goed. Zij doelt dan, als ik het goed begrepen heb, op studenten die al een studie hebben afgerond en daarna nog een studie willen doen om te werken in het onderwijs. Dat gaat in totaal om ongeveer 9.000 studenten, die dus een tweede studie onderwijs volgen. Ruim 6.000 studenten hiervan betalen wettelijk collegegeld en 2.700 instellingscollegegeld. Die ruim 6.000 studenten kunnen al een tweede studie volgen tegen het wettelijk collegegeld. Daarmee hebben zij dus al een voordeel, op basis van een eerdere maatregel. De groep die instellingscollegegeld betaalt, heeft al een graad in de zorg of het onderwijs. De mensen die al een graad hebben in het onderwijs kunnen aan de slag in het onderwijs en kunnen daarna nog een vervolgopleiding volgen. Daar hebben we allerlei maatregelen voor in het kader van de lerarenbeurs. Als je een eerstegraadsopleiding wilt halen of een extra bevoegdheid wilt halen, kan dat. Daar hebben we allerlei varianten van de lerarenbeurs voor.

Dan de groep die al een zorgopleiding heeft. Ook in de zorg kampen wij met behoorlijke tekorten op de arbeidsmarkt. Wij willen het liefst dat mensen die al een afgeronde opleiding in de zorg hebben zo snel mogelijk aan de slag gaan in de zorg. Ik zou het geen heel doelmatige besteding vinden als ik met behulp van overheidsmiddelen de concurrentie met collega De Jonge aanga, die een plan van aanpak naar de Kamer heeft gestuurd over hoe die mensen zo snel mogelijk aan de slag kunnen in de zorg. Ik zou dan als collega middelen gaan inzetten om die mensen van de zorg weg te trekken. Dan zijn we elkaar op een gekke manier aan het beconcurreren. Om die reden gebeurt het dus niet. Ik kom zo op de verkenning die we maken en waarmee ik hoop dat ik u tegemoetkom. Overigens: voor de tekortvakken hebben we een regeling voor de master. Als je een master wilt doen in een tekortvak, krijg je daar een tegemoetkoming van €3.000 tot €5.000 voor, ook het komend jaar. De indruk bestaat kennelijk dat die regeling het komende schooljaar niet meer bestaat, maar die bestaat ook komend jaar nog.

Bovendien is er op dit moment een verkenning gaande naar de drempels voor zijinstromers. De eerste indruk die wij uit die verkenning krijgen, is dat de drempel niet zozeer zit in het collegegeld dat men moet betalen. De drempel betreft de belemmeringen om een inkomen te verdienen. We zijn dus aan het kijken of ervoor kan worden gezorgd dat zijinstromers veel sneller in het onderwijs aan de slag kunnen, daarmee een inkomen kunnen verdienen en daarnaast hun opleiding kunnen afronden. Dat zou weleens de meest effectieve manier kunnen zijn om die zijinstromers te verleiden. Voor de zomer kom ik met de resultaten van die verkenning naar de Kamer. Volgens mij kunnen we dan kijken wat de meest effectieve maatregel is om zijinstromers te verleiden. Mocht daar nog iets extra's voor nodig zijn, dan kunnen we er bij de begroting over praten. Ik vind uw zorgen wel terecht. Ik vind het ook terecht dat u vraagt: wat kunnen we maximaal doen om zijinstromers te begeleiden? Maar om het nu op deze manier te doen, is misschien niet de passende weg, want dan haal je er geld weg, terwijl ik denk: dat is niet de bedoeling, want dat vermindert de kansengelijkheid. En het zou weleens zo kunnen zijn dat we dan niet het probleem aanpakken.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ik dank de minister omdat zij het herkent. Het is altijd plezierig als we in ieder geval in hetzelfde veld praten. Ik hoor dat de minister voor de zomer komt met de uitslag van de verkenning. Ik hoor graag dat dit wordt bevestigd. Dan weten we wat de verkenning rondom de drempels voor zijinstromers heeft opgeleverd en welke conclusies er getrokken kunnen worden. Het punt is alleen dat we nu dit wetsvoorstel bespreken richting de AMvB. Volgens mij lopen we dan ook qua tijd uit elkaar. Hoe kunnen we ervoor zorgen dat alles wat we nu bespreken, straks niet smelt in de warmte van het zomerreces en dan voorbij is?

Minister Van Engelshoven:

Als je collegegeldverlaging voor het kleinschalig intensief onderwijs niet volledig wilt doorvoeren, dan speel je ongeveer 2,5 miljoen vrij, die dan voor die maatregel kan worden ingezet. Ik vind dat niet een correcte uitvoering van het regeerakkoord. Daarmee snijden we in datgene waar deze maatregel voor bedoeld is: toegankelijkheid en kansengelijkheid bevorderen. Dan maak je de relatieve toegankelijkheid en de kansengelijkheid voor kleinschalig intensief onderwijs voor een bepaalde groep in de samenleving toch net iets minder. Tegelijkertijd ben ik zeer bereid om te kijken waar de belemmeringen zitten voor die zijinstromers. Nogmaals, die zouden weleens kunnen zitten in maatregelen die niet zozeer te maken hebben met de financiële tegemoetkoming maar juist met de vraag: hoe organiseren we dat mensen zo snel mogelijk aan de slag kunnen? Ik vind dan ook dat we in het kader van de begrotingsvoorbereiding voor volgend jaar maximaal dienen te kijken hoe we die groep tegemoet kunnen komen. Dat mag u dan van mij vragen. Maar zoals ik nu kijk naar het probleem, zie ik niet dat het vooral een financieel vraagstuk is.

De voorzitter:

Een korte vraag van de heer Futselaar.

De heer Futselaar (SP):

Ik vraag mij af of de minister kan uitleggen wat ongeveer het verschil is tussen "een ongedekte motie moet ik ontraden" en "ik hoor een idee en ik zal bij de begroting naar maximale ruimte zoeken". Ik vind dat er dan toch sprake is van een verschillende behandeling. Ik vind het prima als er wordt gezegd: als je deze wet wilt aanpassen, moet je ook uitleggen hoe je het wilt betalen. Maar ik zou de minister willen adviseren: zorg dan gewoon voor een consequente lijn met de oppositie en de coalitie.

Minister Van Engelshoven:

Dan heeft meneer Futselaar niet helemaal goed geluisterd naar wat ik gezegd heb. Wat ik nou juist probeer duidelijk te maken, is dat we, gelet op de eerste resultaten van de verkenning, de indruk hebben dat het probleem niet in de financiële tegemoetkoming zit. Het gaat juist om de mogelijkheid om zijinstromers die bezig zijn met hun opleiding, gewoon aan het werk te laten gaan in het onderwijs. Dan verdienen zij gewoon hun eigen inkomen en hebben zij niet zozeer behoefte aan die financiële tegemoetkoming. Dan kan het dus weleens een maatregel zijn die niet heel erg veel hoeft te kosten.

Daarnaast hebben we er in het kader van de aanpak van het lerarentekort ook budget voor. Ik kan best kijken of we middels een herschikking van het budget datgene kunnen doen wat nodig is om aan dit probleem tegemoet te komen. Ik ben namelijk met mevrouw Tielen van mening dat we het maximale moeten doen om die zijinstromers tegemoet te komen. Dat is iets anders dan het probleem dat u aankaartte. Dat kost 6 miljoen en ik vraag mij af of dat dezelfde indringendheid van noodzaak heeft.

De voorzitter:

Gaat u verder. Volgens mij is dit een mooi bruggetje naar het volgende onderwerp, de lerarenopleidingen.

Minister Van Engelshoven:

Een bruggetje naar de lerarenopleidingen … Nou, er is toch nog wel een aantal algemene vragen gesteld en ik vind dat de woordvoerders recht hebben op een antwoord daarop. De heer Bruins heeft gevraagd of deze maatregel bijdraagt aan het verlagen van de studieschuld van studenten. Ja, dat is zo, want als je €1.000 minder moet betalen, bouw je dus ook €1.000 minder schuld op.

De heer Futselaar vroeg of er drempels zijn ontstaan na de invoering van het studievoorschot. Wij zien in de monitor, die ook naar de Kamer is gestuurd, dat de instroom in de voltijds bachelor niet is gedaald maar eerder is gestegen, en eigenlijk gewoon weer goed op peil is, precies zoals verwacht bij de invoering van het studievoorschot. Wij zien de traditionele deelnamepatronen terug. Wat we alleen hopen met deze maatregel is dat men iets minder gaat kijken naar het financiële vraagstuk als men de drempel neemt om te gaan studeren, maar gewoon gaat kijken naar de inhoudelijke wensen die men heeft. Dus dat de kwalitatieve afweging beter wordt en we meer mensen verleiden tot de lerarenopleiding.

De heer Futselaar vroeg ook of ik niet een wat gerichtere actie had kunnen bedenken. We wilden de drempel voor iedereen verlagen, dus dan kies je voor een generieke maatregel. Daarom dus een halvering voor alle eerstejaars. In het interruptiedebatje met de heer Van Meenen bleek al dat de heer Futselaar eerder groot voorstander was van de basisbeurs. Ook dat was een zeer generieke maatregel.

De heer Futselaar vroeg, evenals de heer Beertema, of het niet oneerlijk is voor de cohorten 2015-2016, 2016-2017 en 2017-2018. U heeft eerder al gevraagd of we die niet kunnen meenemen. U weet echter ook dat dat 372 miljoen extra zou kosten. Daar is dus niet voor gekozen. Bovendien komt die groep in aanmerking voor vouchers en heeft hij kunnen profiteren van de voorinvesteringen. Bovendien, ook toen destijds de basisbeurs werd ingevoerd — ik kan mij dat moment nog zeer goed herinneren, want ik was toen student — waren er groepen studenten die er niet van konden profiteren. Als je een generieke maatregel invoert, zijn er altijd jaargangen voorafgaand die die niet hebben. Dat is nou eenmaal een feit als je iets verandert.

U vroeg in dit kader ook nog of het mogelijk zou zijn om de vouchers eerder in te zetten dan pas na vijf jaar. Dan is het toch belangrijk om even te kijken waar die voucher voor bedoeld is. Die was bedoeld om een leven lang leren te bevorderen door het voor studenten mogelijk te maken om vijf jaar na het afstuderen een voucher in te zetten om zich bij te scholen. In die periode van vijf tot tien jaar die we daarvoor ter beschikking stellen, kun je een afgewogen keuze maken. Dat is echt het inhoudelijke argument. Bovendien, als je het allemaal naar voren wilt halen, is dat nogal een forse kasschuif. Daar heb ik op dit moment de middelen niet voor.

De heer Futselaar (SP):

In het kader van een leven lang leren, is het natuurlijk juist vrij vreemd om een specifieke periode van vijf jaar te kiezen waarbinnen die vouchers moeten worden gebruikt. Ik vind vijf jaar geen "leven lang". Sterker nog, ik durf te wedden dat als je kijkt op welke leeftijd mensen het minst bijscholing zoeken dat waarschijnlijk ongeveer die categorie is. Die mensen zijn kortgeleden afgestudeerd en net begonnen met werken. Dan laten ze zich waarschijnlijk minder omscholen.

Dan de financiële middelen. We zullen die vouchers op een gegeven moment moeten ophoesten, over vijf tot tien jaar, dus die middelen zouden er moeten zijn of daar zou rekening mee gehouden moeten zijn. Dan heb je dus in ieder geval een budget. Dat is volstrekt onduidelijk, maar je hebt in ieder geval een theoretisch budget dat je ook eerder zou moeten kunnen inzetten. Vindt de minister dat ook niet?

Minister Van Engelshoven:

Nogmaals, er zijn twee redenen om dit niet te doen. We hebben gekozen voor die periode om, in het kader van een leven lang leren, als je al een tijdje aan het werk bent nog weer extra te gaan scholen, ook vanuit het idee dat we ervan af moeten dat je alleen maar in het eerste deel van je leven aan het studeren bent en later niet meer. Die redenering dus en het financiële argument. Ergens is rekening gehouden met dat bedrag, maar u weet ook dat als je in de begrotingssystematiek opeens die bedragen naar voren gaat halen dat ook betekent dat je andere uitgaven moet gaan uitstellen.

De heer Futselaar (SP):

Vijf tot tien jaar na je afstuderen is nog steeds aan het begin van je leven, durf ik te garanderen als iemand die 38 is. In het algemeen — dat is niet de schuld van de minister, want die heeft het niet ingevoerd — concludeer ik toch dat de periodisering van die vouchers en de opzet van het systeem er vooral op zijn gericht om ervoor te zorgen dat er zo min mogelijk gebruik van wordt gemaakt en dat vind ik een trieste constatering.

Minister Van Engelshoven:

En die laat ik voor uw rekening.

De heer Özdil vroeg of niet gekozen had kunnen worden voor een kwart en om dan de rest in de aanvullende beurs te stoppen. In theorie had dat gekund, maar er waren twee redenen om dat niet te doen. Er is wel voor gekozen om die verlaging in het eerste jaar echt te laten gaan om een substantieel bedrag. Hoe kleiner het bedrag, hoe minder de kans dat het effect heeft. Dat is eigenlijk de belangrijkste reden om dit nu zo te doen. Bovendien — volgens mij zei de heer Bisschop dat ook — als je het vooral richt op die aanvullende beurs, is het vooral voor één categorie, namelijk de lage inkomens, terwijl juist hier ook die middeninkomens zo van profiteren.

De heer Beertema vroeg nog of dit nou niet leidt tot een aanzuigende werking binnen de EU. Het collegegeld in Nederland is relatief hoog ten opzichte van heel veel andere Europese landen, waaronder bijvoorbeeld Duitsland en België. U noemde de Universiteit Maastricht. Die landen, Duitsland en België, zijn juist goedkoper dan Nederland en toch kiezen studenten voor Nederland. Dat doen ze dus niet vanwege de hoogte van het collegegeld. Ik was afgelopen week of de week daarvoor nog in Maastricht en ik heb daar met veel studenten gesproken. De reden daarvoor is nou juist de kwaliteit van het onderwijs en veel minder het collegegeld, omdat juist voor hen geldt dat het thuis goedkoper is. Ik verwacht dus in het kader van deze maatregel niet die aanzuigende werking.

De heer Beertema (PVV):

Nee, maar goed. Dan zou dat toch een stimulans moeten zijn voor de universiteiten van Noordrijn-Westfalen om daar op kwaliteit te gaan werken? Waarom moeten wij het probleem van Noordrijn-Westfalen oplossen? Dat is mijn eerste vraag. Dan mijn tweede vraag. In het Verenigd Koninkrijk is het wel degelijk heel veel duurder en de Nederlandse universiteiten zijn daar buitengewoon populair, dus je krijgt ongetwijfeld een aanzuigende werking voor studenten uit het Verenigd Koninkrijk.

Minister Van Engelshoven:

Ik ben bang dat we hier dadelijk weer het hele debat over internationalisering over gaan doen. Dat was ik niet van plan. Ik ben ook niet een probleem van Noordrijn-Westfalen aan het oplossen. Ik ben alleen heel trots dat wij kwalitatief heel goed onderwijs hebben, waar ook studenten ervoor kiezen en er heel bewust voor kiezen — dat is misschien een andere keuze dan u wenselijk vindt — om in een heel diverse internationaal samengestelde klas les te genieten. Dat ervaren studenten als een heel grote meerwaarde en laten we dat ook een beetje koesteren.

De heer Beertema (PVV):

Ik vind het mooi om zo heel trots te zijn, maar u bent dan wel trots op kosten van de Nederlandse belastingbetaler. Hoeveel van die studenten gaan dan naar Noordrijn-Westfalen om daar dat mindere onderwijs te gaan volgen? Waarom moeten wij die problemen van Duitsland oplossen? Het is toch een beetje gek om te zeggen: ik ben zo trots op die kwaliteit van Maastricht, laat ze allemaal maar tot mij komen? U beheert het belastinggeld van Nederlandse belastingbetalers! Hoe moeilijk is dat nou, zou ik u wel in uw oren willen schreeuwen.

Minister Van Engelshoven:

Meneer Beertema, misschien anders dan u ben ik er trots op dat wij een open samenleving zijn die samenwerkt in Europa. Ik hoop ook heel erg, en dat proberen we in Europa bijvoorbeeld via Erasmus+ te stimuleren, dat ook meer Nederlandse studenten elders in Europa gaan studeren. Laten we dat dus ook gezamenlijk uitdragen, want die samenwerking tussen universiteiten en die uitwisseling tussen studenten in Europa is heel waardevol. Die heeft meerwaarde. Daar gaan u en ik het niet over eens worden, maar daar denk ik inderdaad anders over.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Beertema (PVV):

Never the twain shall meet, zal ik maar zeggen. Maar het is natuurlijk wel zo dat u met het belastinggeld van Henk en Ingrid, laat ik ze nog maar eens inbrengen, uw particuliere D66-hobby aan het uitoefenen bent en dan met een heel warm gevoel in uw bedje stapt: o, wat ben ik trots! Ik vind het te schandalig voor woorden.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat.

Minister Van Engelshoven:

Deze Ingrid heeft daar heel graag belasting voor over.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter. Dan kom ik nu bij het punt van de lerarenopleiding. Voor lerarenopleidingen, dus niet alleen voor pabo's maar voor alle lerarenopleidingen, wordt het collegegeld twee jaar gehalveerd. Ook in die maatregel hebben we keuzes gemaakt. Ik merk aan een aantal van u dat u nog wat vragen heeft over waarom nou precies daar de streep is getrokken en of daar nog iets aan gedaan kan worden.

De heer Bruins vroeg onder andere naar de universitaire lerarenopleiding. Dan gaat het om een master. Het zou betekenen dat je pas in een later collegejaar daarvoor in aanmerking komt en niet nu. De VSNU heeft weleens beweerd dat het dan om een gat van drie studiejaren zou gaan. Ik wijs er nogmaals op dat de huidige regeling voor de tekortvakken nog steeds geldt tot en met het jaar 2018-2019, dus studenten die nu per 1 september aan die master beginnen kunnen nog een aanvraag indienen. Natuurlijk is het technisch mogelijk om die regeling nog uit te breiden voor de komende twee jaar, maar ook dan heb ik het over een totaalbedrag van ongeveer 8 miljoen. Dus dat vraagt ook om extra kosten. Verder houden we het echt bij de regeling van halvering voor die studenten die nu als eersten toetreden tot het onderwijs.

De heer Bruins vroeg ook: kunt u het effect op het lerarentekort gaan monitoren? Kunnen we gaan kijken of deze maatregel er echt toe leidt dat meer studenten kiezen voor de lerarenopleiding? Zoals eerder al gezegd en volgens mij ook in de schriftelijke voorbereiding toegelicht, worden de effecten van dit hele wetsvoorstel, van de hele maatregel gemonitord via de jaarlijkse Monitor Beleidsmaatregelen hoger onderwijs. Die verschijnt in de eerste helft van 2019. Hierin zullen we aandacht besteden aan de motieven en intenties van aspirant-studenten om wel of niet door te stromen naar het hoger onderwijs en aan effecten op de instroomcijfers, zowel generiek als in de lerarenopleiding. Volgens mij vroeg de heer Beertema eerder ook: gaat u dat nou ook monitoren? Ja, we gaan dus monitoren of deze maatregelen effect hebben op de instroom.

Wat betreft de overige acties — volgens mij vroeg u dat ook — die we in gang hebben gezet om het lerarentekort tegen te gaan, krijgt u dit najaar de Voortgangsrapportage plan van aanpak lerarentekort, ook omdat ik het belangrijk vind dat we bij de begroting een goed gesprek kunnen hebben: doen we daar nou juist de goede dingen en moet daar eventueel op worden bijgestuurd? Die informatie krijgt u dus.

De heer Beertema vroeg in dat kader: is het nou wel gewenst dat we mensen met een financiële prikkel gaan proberen te verleiden om te kiezen voor de lerarenopleiding? Uit de Monitor Beleidsmaatregelen is wel gebleken wat studenten nou meewegen. Dat is arbeidsmarktperspectief — gelukkig, zou ik zeggen — maar ook toekomstig salaris. De kosten van de opleiding worden ook genoemd als reden om wel of niet te gaan studeren of aan een studie te beginnen. Als om financiële redenen meer studenten die daar eerder over aarzelden, kiezen voor een lerarenopleiding, lijkt mij dat een mooi resultaat. Zijn die studenten dan voldoende gemotiveerd? Mij lijkt van wel. Die lerarenopleiding is ook pittig genoeg. Als je niet echt voor dat vak gemotiveerd bent, ga je ook niet die opleiding met goed gevolg afronden.

Voorzitter. Dan kom ik op het blokje communicatie en uitvoering. De heer Van Meenen, de heer Bruins en ik geloof ook een aantal anderen zeiden dat het wel belangrijk is dat we al die aankomende studenten op een goede manier bereiken en dat de instellingen en de studenten tijdig op de hoogte zijn van deze maatregel. Daarom is bij de start van de internetconsultatie ook een informatiepagina Halvering collegegeld op Rijksoverheid.nl geplaatst. Er is een promotiefilmpje gemaakt als start van een onlinecampagne op social media. Na de behandeling in de Tweede Kamer volgt ook nog een infographic, die we via social media zullen verspreiden. De instellingen hoger onderwijs zijn in januari 2018 al per brief geïnformeerd over deze maatregel. Na deze behandeling in de Tweede Kamer zullen we dat opnieuw doen. Ook zijn de instellingen van mbo en voortgezet onderwijs via nieuwsbrieven op de hoogte gesteld, zodat zij ook hun studenten kunnen informeren.

Vanaf mei gaan, vooruitlopend aan de invoering, de machtigingen al de deur uit. Op de machtiging die studenten krijgen, zal dus ook het verlaagd collegegeld staan. Mocht dit wetsvoorstel onverhoopt niet worden aangenomen — daar vroeg de heer Futselaar ook naar — dan mogen studenten daar natuurlijk niet de dupe van worden. Dan gaan zij het komende jaar toch gewoon dat gehalveerde collegegeld betalen en worden de instellingen gecompenseerd. Dat is een risico dat wij hebben moeten nemen om dit tijdig te doen, maar ik merk vanavond in uw Kamer al dat de maatregel dusdanig op draagvlak kan rekenen dat ik me daar niet heel grote zorgen over maak. Maar we hebben er wel degelijk over nagedacht.

De heer Futselaar (SP):

Het ging me niet zozeer over wat de gevolgen kunnen zijn als het wetsvoorstel niet wordt aangenomen. Het ging me er meer om als er iets niet goed gaat in de uitvoering, zoals problemen met inschrijvingen bij instellingen et cetera. Je kunt je er van alles bij voorstellen. Ook op dat gebied hebben studiefinanciering en collegegeld niet altijd een gelukkige geschiedenis gehad. Je kunt zeggen dat het bij de instelling ligt, als daar iets misgaat, maar het zou toch wel goed zijn als er ook een zekere mate van verantwoordelijkheid bij het ministerie ligt, gezien de haast die erop staat.

Minister Van Engelshoven:

Zeker. Die verantwoordelijkheid nemen wij ook. In ieder geval staat voorop dat studenten niet de dupe mogen worden. Dat ben ik zeer met u eens.

Mevrouw Tielen had een terechte vraag. Als studenten meer gaan lenen dan ze nodig hebben voor het aangepaste collegegeld, voorzien we dan problemen omdat op dat punt de aanpassingen bij DUO niet meteen vanaf september 2018 gereed zijn? Voor studenten wordt extra communicatie verzorgd. Dat zei ik zojuist al. Het bedrag dat studenten kunnen lenen, staat niet meer standaard op maximaal. Dat hebben we al eerder aangepast om ervoor te zorgen dat studenten een bewustere keuze gaan maken. In het voorjaar van 2019 zal DUO de systemen op dit punt aanpassen, zodat studenten niet meer gedurende het hele volgende jaar kunnen lenen tegen het hoge tarief.

De heer Futselaar vroeg nog hoe het staat met de afspraken met de instellingen voor hoger onderwijs over de compensatie. Ik ben met de koepels in overleg. Wij voeren het volgende overleg morgenochtend. Ik verwacht hier binnenkort heel heldere afspraken over te maken. In ieder geval verwachten we daar de laatste puntjes op de i te zetten, want daar gaat het om vóór de parlementaire behandelingen van het wetsvoorstel is afgerond.

De heer Van Meenen en de heer Bruins vroegen of we het tijdpad gaan halen. Ja, dat gaan we halen. Het is een zeer strak tijdpad. Dat vraagt heel veel inspanning van alle betrokkenen, maar tot nu toe zijn alle stappen in de goede volgorde gezet. Het ziet er ook naar uit dat bijvoorbeeld die machtigingen op de goede manier de deur uit kunnen. Dus, ja, dat gaan we halen.

De heer Futselaar vroeg nog: als die uitvoeringskosten nou stijgen, bijvoorbeeld door juridische procedures of beroepszaken, wie gaat dat dan betalen? Het is belangrijk dat de voorwaarden heel helder zijn. Daar hebben we bij het wetsvoorstel ook goed naar gekeken. Daar hebben de instellingen niet zo heel veel beleidsvrijheid in. Bezwaar maken bij een instelling heeft dan ook niet zo heel veel zin, dus wij verwachten in die zin niet zo heel veel beroepszaken. Er wordt ook heel duidelijk ingezet op communicatie zodat iedereen heel goed van tevoren weet of hij wel of niet in aanmerking komt voor dat verlaagd collegegeld. Wij verwachten op dat punt dus niet veel beroepszaken.

Over de compensatie van de instellingen heb ik het gehad.

Voorzitter. Dan kom ik bij het blokje overig. De heer Van der Molen stelde een goede vraag, maar daar ben ik eigenlijk al op ingegaan. Die ging over hoe wij in de toekomst studeren. Dat gaat over flexstuderen. Moet je een en ander op den duur toch niet gaan aanpassen aan dat studeren per studiepunt en dat gaan bijhouden? Er loopt nu een experiment met een looptijd van zes jaar. Dat wordt na vier jaar, in 2021, geëvalueerd. Een tussentijdse monitor volgt in 2019. Dat lijken me een goede momenten om dat debat te hebben en om te kijken of dit niet vraagt om op een andere manier te gaan kijken naar de betaling.

De heer Futselaar en de heer Özdil zeiden: studenten krijgen aan de ene kant een verlaging van het collegegeld, maar aan de andere kant hebben we de maatregel van de tienjaarsrente. Ik geloof dat de heer Van der Molen bij interruptie zei dat je die dingen niet zo naast elkaar kunt leggen. De verlaging van het collegegeld is heel specifiek gericht op studenten die het komende jaar als eerstejaarsstudent gaan studeren. Heel belangrijk bij de verhoging van de rentemaatstaf is dat de draagkrachtregeling voor studenten niet verandert. Elke oud-student die moet gaan terugbetalen, blijft beschermd tegen te hoge maandlasten. Hoe hoog je studieschuld ook is, je betaalt pas terug als je inkomen boven het minimumloon uitkomt en je hoeft nooit meer dan 4% van elke euro daarboven te besteden aan de aflossing van je studieschuld. Die draagkrachtregeling blijft dus van kracht. De heer Van der Molen wees er al terecht op: ook in de tijd loopt dit nogal uit elkaar, want de collegegeldverlaging kost nu direct geld terwijl de renteverhoging pas op langere termijn, in 2060, opbrengsten gaat genereren. Je kunt dit ook niet van persoon tot persoon naast elkaar leggen. Die bedragen komen misschien heel toevallig ergens bij elkaar in de buurt, maar je kunt dat geenszins per persoon een-op-een vertalen. Dus, nee, dat heeft niks met elkaar te maken.

De heer Özdil van GroenLinks vroeg of ik nog heb overwogen om het les- en cursusgeld in het mbo te verlagen. Nee, dat heb ik in dit kader niet overwogen. Het is goed om even uit te leggen waarom niet. Studenten in het mbo betalen pas vanaf hun achttiende les- of cursusgeld. Het lesgeld voor een voltijd-mbo-opleiding bedraagt ongeveer €1.037 en voor een deeltijd-mbo-opleiding of een bbl-opleiding €573. In het mbo krijgen studenten nog steeds een basisbeurs. Dat is €82,50 voor iemand die thuis woont en €270 voor iemand die uitwonend is. Dat is eigenlijk al meer dan die €1.000 verlaging die studenten in het hoger onderwijs krijgen. Daarnaast is er ook voor mbo-studenten nog de aanvullende beurs. In die aanvullende beurs zit ook een vergoeding voor het lesgeld. Er was dus geen aanleiding om ook voor het mbo vergelijkbare maatregelen te treffen.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik begrijp wat de minister zegt. Alleen, één nuance: mbo-studenten die nog geen 18 jaar zijn, hebben dus geen recht op de voorhanden beurzen. En uit onderzoek blijkt dat met name voor die groepen studenten er een obstakel is qua toegankelijkheid. Vandaar dat ik deze vraag stel.

Minister Van Engelshoven:

Maar voor mbo-studenten onder de 18 gelden ook weer andere bedragen. Bovendien gelden daar weer andere tegemoetkomingen via de ouders, via de kinderbijslag en het kindgebonden budget; de heer Bisschop wees mij daar in een debatje op. Dus uw redenering loopt niet rond, want daar gelden gewoon weer andere regelingen voor.

Voorzitter, de heer Bruins vroeg mij naar studenten met een functiebeperking. Terecht vraagt hij daar aandacht voor. Als ik iets graag wil, dan is het dat ik ook de toegankelijkheid voor studenten met een functiebeperking wil garanderen. Daarom is in het regeerakkoord ook een intensivering van het profileringsfonds van 2 miljoen structureel voorzien. Ik heb in de sectorakkoorden met de VSNU en de Vereniging Hogescholen afgesproken dat die middelen ook echt worden ingezet voor studenten die extra ondersteuning en begeleiding nodig hebben, zoals voor studenten met een beperking en chronische ziekten, maar ook bijvoorbeeld voor zwangere studenten en studenten met psychische problemen. Ik heb eerder al toegezegd dat ik u deze zomer een monitor stuur om te kijken hoe die profileringsfondsen voor de onderwijsinstellingen worden ingezet en of we daarop moeten bijsturen. Uw vraag komt op dit moment dus een beetje te vroeg, maar het heeft mijn volle aandacht.

Voorzitter. Er zijn een aantal amendementen ingediend, die ik kort van advies wil voorzien. Allereerst het amendement op stuk nr. 9 van de heren Futselaar en Özdil over de voordracht van een algemene maatregel van bestuur. Ik begrijp zeer goed de gedachte achter dit amendement. Het is in die zin ook wel een sympathiek amendement. Ik dank u in dit kader dat u wel aandacht heeft voor de planning van de AMvB die er nu aankomt. Het is natuurlijk volstrekt evident dat een belangrijke aanpassing van het collegegeldregime de goedkeuring van het parlement behoeft. Er kwamen een paar voorbeelden langs waarvan ik denk: je zou er als minister niet verstandig aan doen om daar niet de Kamer ruim van tevoren over te informeren. Toch ga ik dit amendement ontraden. Waarom? Als dit amendement wordt aangenomen, betekent dat dat wij elke wijziging van de AMvB rondom het collegegeld, hoe klein ook, moeten gaan voorhangen bij de Kamer. Wijzigingen van dubbeltjes en kwartjes, hele kleine verschuivingen, moeten dan ook worden voorgehangen. In die zin is de reikwijdte van het amendement echt te ruim. Ik ontraad dit amendement, omdat het ons systeem wel inflexibel maakt. We weten hoe gevoelig maatregelen rondom collegegeld zijn. Het zou niet in mijn hoofd opkomen om dat soort maatregelen in een AMvB te vervatten, zonder dat ik de Kamer daarover behoorlijk heb geïnformeerd. Maar om elke wijziging via een voorhangprocedure te doen, gaat mij net een stapje te ver.

De heer Futselaar (SP):

Maar wij ontwerpen wetgeving niet voor deze minister, maar voor alle ministers in de toekomst. En je weet nooit wat je dan krijgt. Wat betreft flexibel maken: als het goed is, verander je collegegeld echt niet vaker dan één keer per jaar. Als je het vaker dan dat doet, is er echt iets mis, en dan moet het parlement er sowieso iets van vinden. Voorhang betekent ook dat de Kamer er prima voor kan kiezen om het niet te behandelen. Dat is vaak logisch als het om inflatiecorrectie of iets dergelijks gaat. Dus mij lijkt dit vooral een garantie dat, als er iets raars, onverwachts of politiek controversieels gebeurt, je dan nog steeds de mogelijkheid hebt om in te grijpen. Expliciet, als dit amendement niet wordt aangenomen, hebben wij die mogelijkheid niet. En dat vind ik toch wel zwaarwegend. Vindt de minister dat niet ook?

Minister Van Engelshoven:

Ja, het is een kwestie van wegen, maar — en daarom ontraad ik het amendement — ik waarschuw dat het dan ook om heel kleine wijzigingen kan gaan. Het is voor mij ook geen wet van Meden en Perzen. Ik moet erop vertrouwen dat de Kamer daar verstandig mee omgaat. Nogmaals, het zal niet voorkomen dat er een minister is, ongeacht welke minister na mij dan ook, die op dat punt wijzigingen gaat voorstellen die omstreden zouden zijn en waarvan je kunt aanvoelen dat er een debat in de Kamer over gewenst is, waarna die minister aan die wens voorbij zou gaan. Je kunt dit aan twee kanten wegen. Het is voor mij ook een beetje een dubbeltje op zijn kant. Maar om de reden die ik heb gegeven, ontraad ik dit amendement.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Minister Van Engelshoven:

Dan het amendement van de leden Bisschop en Futselaar. Het is toch een beetje een gekke figuur om in dit debat een amendement in te dienen om de Algemene Kinderbijslagwet te wijzigen. Naar ik heb begrepen — ik was er niet bij — is dit onderwerp keer op keer aan de orde geweest toen het studievoorschot werd ingevoerd. Er is toen om goed overwogen redenen besloten om op dit punt niet de kinderbijslag te wijzigen. Bij dat standpunt blijf ik. In die zin is het amendement ontraden. Als de heer Bisschop op enig moment met de minister van Sociale Zaken een debat wil voeren over de kinderbijslag, is dat uiteraard altijd van harte welkom.

Dan het amendement van mevrouw Tielen, waarin zij vraagt om een evaluatie. De te evalueren onderwerpen zitten al in de jaarlijkse monitor. De gebruikelijke termijn voor de evaluatie van een wet is vijf jaar. U zou nog kunnen overwegen om de termijn te wijzigen in vijf jaar, maar als de Kamer zegt dat zij dat om haar moverende redenen eerder wil, kan dat natuurlijk. Alleen, je moet je wel afvragen of je op die korte termijn heel veel kunt zeggen over de werking van een maatregel. Maar ik laat het oordeel hierover graag aan de Kamer. Ik geef u wel in overweging om er nog eens over na te denken of u die termijn niet beter op vijf jaar kunt stellen.

Voorzitter. Dit waren mijn oordeel over de amendementen en mijn antwoorden op de gestelde vragen in de eerste termijn.

De voorzitter:

Dank u wel. Mevrouw Tielen.

Mevrouw Tielen (VVD):

Voorzitter. Mag ik u vragen om een korte schorsing om even onze tweede termijn voor te bereiden?

De voorzitter:

Dat ligt eraan hoelang u nodig heeft.

Mevrouw Tielen (VVD):

Ja, wat is kort? Bij het stellen van de vraag besefte ik het inderdaad. Een minuut of tien? Is dat acceptabel?

De voorzitter:

Laten we dat doen. Dan ga ik ervan uit dat jullie heel snel een korte en krachtige tweede termijn zullen houden.

Mevrouw Tielen (VVD):

U kunt op ons rekenen, mevrouw de voorzitter.

De voorzitter:

Dat is goed. Ik houd u eraan.

De vergadering wordt van 19.55 uur tot 20.05 uur geschorst.

De voorzitter:

Aan de orde is de tweede termijn van de zijde van de Kamer. Ik geef mevrouw Tielen namens de VVD-fractie het woord.

Mevrouw Tielen (VVD):

Dank u wel, voorzitter. Ook dank aan de minister voor de antwoorden en het ingaan op onze vraagstukken en stellingen. Ik heb ondertussen geen appjes meer gekregen van 5 havo- of 6 vwo-scholieren, dus ik denk dat die inmiddels echt wel afgehaakt zijn, maar dat terzijde.

De communicatie van DUO over het te lenen bedrag. Het deed mij deugd dat die maximering al omlaag is. Ik ga er dus van uit dat DUO zo kan communiceren dat studenten dat goed doen. Dus dat is fijn.

Dan de punten die ik heb aangehaald rondom het verhoogd wettelijk collegegeld en de zijinstromers. De minister spreekt over kansenongelijkheid. Het punt is natuurlijk dat eerlijkheid en gelijkheid altijd een beetje afhangen van het kijkpunt. De minister heeft dus gelijk, maar ik geloof dat ik ook gelijk heb. Daar kunnen we heel lang over twisten, maar volgens mij is dat niet zo erg handig. Hiermee houden we allebei ons gelijk en laat ik het maar even zoals het nu is.

Ik kijk ook graag met de bril van kansengelijkheid naar de extra stimulans voor de zijinstromers. Dan zie ik toch een aantal groepen die er niet zo veel motivatie voor krijgen als anderen om bij twijfel de financiële drempel over te gaan. Ik heb goed gehoord dat de minister er onderzoek naar doet of die financiële drempels nou ook het enige zijn. Daar zie ik naar uit, zoals we in de interruptie al even hebben gehoord. Maar ik wil toch ook heel graag aandacht vragen voor de groep die een opleiding heeft afgerond en toch het instellingscollegegeld moet betalen, want die groep moet extra gemotiveerd zijn om toch alsnog leraar te worden. Ik zou het fijn vinden als de minister er toch even naar kijkt of daar niet ook meer kansengelijkheid mogelijk is.

Dat was het. Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Tielen. Dan geef ik nu het woord aan de heer Futselaar namens de SP.

De heer Futselaar (SP):

Voorzitter. Wat betreft het amendement ... Nee, laat ik eerst zeggen: dank aan de minister voor de beantwoording van de vragen. Zij verdedigt haar ongelijk met verve, waar dat speelt. Maar wat het amendement betreft wil ik toch wel graag een poging doen om nader tot elkaar te komen. Ik begrijp dat zij zegt: ik wil niet voor twee kwartjes een stuk naar de Kamer moeten sturen. Ik ben bereid om in overleg met de juridische dienst van de Kamer te zoeken naar een formulering wezenlijke wijzigingen, dus dat het om meer gaat dan de detailwijzigingen. Ik zeg er wel bij: mocht morgen blijken dat het niet kan — het zal morgen moeten zijn, want we gaan donderdag stemmen — dan zal ik het amendement zoals het nu is wel in stemming brengen, want ik vind te veel parlementaire controle op dit moment belangrijker dan geen parlementaire controle. Dat is in ieder geval wat ik wil doen.

Dan een tweetal moties, die de mensen die de eerste termijn hebben gehoord niet zal verbazen. De eerste betreft deeltijdstudenten.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering heeft aangekondigd per AMvB het wettelijk collegegeld voor eerstejaarsstudenten te halveren;

constaterende dat studenten onder bepaalde omstandigheden kiezen voor een deeltijdopleiding;

overwegende dat deze studenten op deze wijze onnodig benadeeld worden ten opzichte van studenten die elders in het hoger onderwijs aan een studie beginnen;

verzoekt de regering per AMvB het collegegeld voor wat betreft deeltijdopleidingen 24 maanden in plaats van 12 maanden te halveren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Futselaar. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12 (34911).

De heer Futselaar (SP):

Mochten er partijen zijn die zeggen "uit principe stem ik niet voor ongedekte moties, maar als je dekking vindt, dan stem ik er wel voor": prima, dan ben ik bereid haar aan te passen. Maar als het antwoord is "we gaan haar toch niet steunen", dan begin ik ook niet aan de moeite. Maar laten we eerlijk zijn: 6 miljoen is wel te vinden als het nodig is.

Voorzitter. De tweede motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat studenten die in de studiejaren 2015/2016, 2016/2017 en 2017/2018 zijn begonnen met studeren geen basisbeurs hebben gekregen en nu ook geen verlaging van het collegegeld krijgen;

constaterende dat deze studenten bij het behalen van hun hbo-bachelor of wo-bachelor plus master een voucher ter waarde van €2.000 voor nascholing of bijscholing ontvangen en dat deze voucher pas vanaf vijf jaar tot tien jaar na het behalen van het diploma kan worden gebruikt;

overwegende dat deze studenten voor het eerst te maken kregen met het leenstelsel, het minst van de kwaliteitsverbetering ervaren en in de toekomst mogelijk een hogere rente op hun studielening moeten betalen;

van mening dat deze studenten disproportioneel veel moeten betalen voor hun studie;

verzoekt de regering deze vouchers uit te geven aan studenten die gestart zijn in de studiejaren 2015/2016, 2016/2017 en 2017/2018 en een hbo- of wo-bachelor hebben afgerond;

verzoekt de regering voorts het mogelijk te maken voor deze studenten om deze voucher in te zetten voor een masteropleiding naar keuze, direct na het behalen van hun hbo- of wo-bachelordiploma,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Futselaar. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13 (34911).

Dank u wel.

De heer Futselaar (SP):

Meneer Van Meenen komt naar voren. Is dat een interruptie?

De voorzitter:

Nee, hoor. Meneer Van Meenen maakt gebruik van zijn tweede termijn. Dank u wel, meneer Futselaar. U stond helemaal klaar om te antwoorden, maar het was niet nodig.

De heer Van Meenen.

De heer Van Meenen (D66):

Voorzitter. Ik dank de minister voor haar uitgebreide beantwoording en, nogmaals, voor het vele werk dat daarin gestopt is. Ik hoop van harte dat de heer Futselaar erin zal slagen om zijn amendement over de voorhang zodanig aan te passen dat het onze zegen kan krijgen, want ook ik moet er, net als hij, niet aan denken dat hij hier later als minister staat en dan dit soort maatregelen gaat nemen. Maar goed, mocht dat zo gebeuren, dan overweegt mijn fractie daar wel steun aan te geven.

Voorzitter. Ik wil verder volstaan met de minister en haar ambtenaren veel wijsheid toe te wensen, evenals eenzelfde voortgang in de Eerste Kamer, zodat met ingang van het nieuwe schooljaar vele studenten van de halvering van het collegegeld gebruik kunnen maken.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Meenen. Ik geef nu het woord aan de heer Özdil namens GroenLinks.

De heer Özdil (GroenLinks):

Dank u, voorzitter. Ik dank de collega's voor het debat en de minister voor haar antwoorden. GroenLinks vindt het voorstel om het collegegeld te halveren in het eerste jaar en voor lerarenopleidingen in het tweede jaar, een goed voorstel. Maar, zoals collega Van Meenen terecht ook aangaf, er is een manier om dit goede voorstel nog beter te maken. Vandaar de volgende handreiking.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het wetsvoorstel halvering collegegeld de toegankelijkheid van het hoger onderwijs moet vergroten;

overwegende dat de toegankelijkheid van het hoger onderwijs nog meer wordt vergroot door te focussen op studenten wier ouders weinig of niet mee kunnen betalen aan de opleiding;

verzoekt de regering het collegegeld in het eerste jaar, en voor de lerarenopleidingen in de eerste twee jaar, met een kwart te verlagen;

verzoekt de regering voorts de middelen die hierbij vrijkomen te gebruiken om de aanvullende beurs te verhogen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Özdil en Van den Hul. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14 (34911).

De heer Özdil (GroenLinks):

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Özdil. Ik geef het woord aan de heer Beertema namens de PVV.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter, dank u wel. Ook ik dank de minister voor de uitgebreide beantwoording. Maar, ik ben net als de Raad van State niet overtuigd door de argumentatie van de minister. Deze maatregel om het collegegeld te halveren, gaat niet het effect sorteren dat het kabinet voor ogen stond. En dat terwijl die wel heel duur is: 740 miljoen tot 2022 en structureel 175 miljoen vanaf 2023.

Ook van de aanzuigende werking voor buitenlandse studenten, vooral uit het Verenigd Koninkrijk, ben ik zeker niet overtuigd, getuige ook de manier waarop de minister spreekt over de Universiteit Maastricht. Begrijp mij goed, en ik wil dat ook de minister mij goed begrijpt: die universiteit mag van mij internationaliseren tot op het bot, maar dan liever als private instelling — wat is daartegen? — en niet met geld van de Nederlandse belastingbetaler.

Voorzitter. Concluderend: op dit moment overweeg ik sterk om mijn fractie te adviseren tegen deze wetswijziging te stemmen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Beertema. Tot slot de heer Van der Molen namens het CDA.

De heer Van der Molen (CDA):

Voorzitter, dank u wel. Ik stel vast dat er in de Kamer brede steun is voor het wetsvoorstel. Ik zie de heer Özdil nog een beetje omtrekkende bewegingen maken, maar hij gaat heus niet tegenstemmen als zijn motie niet wordt aangenomen. Ik zou dat wel heel gek vinden. Maar dat zullen we gaan meemaken.

Voorzitter. Op één vraag die ik heb gesteld, heb ik nog geen antwoord gekregen. Dat was mijn vraag over de opleidingen die een verhoogd collegegeld mogen vragen. Als je een beetje een doemdenker bent, zou je kunnen zeggen: dat is een mooie gelegenheid om de prijs wat omhoog te doen. Maar de minister zei: dat zie ik niet zo gebeuren. Ik zou hierop heel graag nog een reactie van de minister krijgen. Hoe kan zij borgen dat we die kant niet opgaan? Dat zou namelijk een ongewenst neveneffect kunnen zijn.

Verder sluit ik me nog aan bij de opmerking die mevrouw Tielen van de VVD heeft gemaakt over zijinstromers. Voor ons als CDA is met name de groep mensen van belang die bijvoorbeeld het onderwijs in wil gaan, maar geconfronteerd worden met instellingscollegegeld. Dat is een van de groepen zijinstromers die de minister niet over het hoofd moet zien als zij voor de zomer met haar bredere aanpak naar de Kamer komt, want voor deze groep kan de hoogte van het collegegeld wellicht een rol spelen. Wij zouden het heel jammer vinden om daardoor getalenteerde mensen te missen voor de klas. Ik nodig de minister dus uit om daar nog iets over te zeggen. Wat mogen we voor de zomer van haar kant verwachten?

Tot zover, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van der Molen. Ik denk dat de minister direct kan reageren. Dat is het geval, zie ik. Ik geef de minister het woord.

Minister Van Engelshoven:

Voorzitter, dank u wel. Het is prettig om te merken dat het voorstel hier op hele brede steun kan rekenen, want volgens mij zetten we hiermee een hele mooie stap voor studenten.

Mevrouw Tielen had het over de havo- en vwo-studenten, voor wie het een spannende week is, misschien niet vanwege dit wetsvoorstel maar wel omdat ze aan hun laatste schoolweek bezig zijn. Ik hoop eerlijk gezegd ook dat ze niet gekeken hebben. Ik heb er zelf eentje thuis zitten en ik hoop dat zij vooral hard gestudeerd heeft vanavond, zodat ze het eindexamen gaat halen. Want die stap moet wel eerst genomen worden.

Mevrouw Tielen heeft een vraag gesteld over de zijinstromers. De heer Van der Molen vroeg het zonet ook: waar kunnen we nou precies voor de zomer op rekenen? Mevrouw Tielen heeft natuurlijk een punt. Als we het over kansengelijkheid hebben, zou zij graag zien dat ook al diegenen die graag leraar willen worden, daartoe een opleiding kunnen volgen. Als daaraan voor de een meer kosten zijn verbonden dan voor de ander, moeten we wel kijken of we iedereen in staat kunnen stellen om die stap te nemen. Zoals ik in eerste termijn al zei, zijn we op dit moment aan het verkennen welke hobbels deze groepen ervaren. Dan gaat het wellicht om mensen die een opleiding aan de pabo hebben gevolgd maar aan de slag willen in het voortgezet onderwijs of vice versa, of mensen die een andere bevoegdheid moeten halen. Ik kan me daar allerlei groepen bij voorstellen. Wij gaan verkennen waar er nog drempels zitten. U krijgt voor de zomer van mij te horen of die drempels zitten in het collegegeld dan wel in het vermogen om meteen aan de slag te gaan. Soms ligt het aan de manier waarop de opleiding wordt aangeboden. Er zijn vele varianten denkbaar. Mochten er financiële drempels zijn, dan zal ik uw Kamer daarover berichten en ook dan mag u van mij verwachten dat ik op zoek ga naar een oplossing daarvoor.

Ik ben de heer Futselaar zeer erkentelijk dat hij wil kijken of hij het amendement zo kan inperken dat het alleen gaat om wezenlijke wijzigingen in het collegegeld en dus om een AMvB waarin het echt gaat om een wezenlijk voorstel. Ik verwacht zomaar dat wij daar morgen in de loop van de dag en in aanloop naar de stemmingen nog contact over hebben. Ik ben ook zeer bereid om met u mee te denken over hoe dat kan, niet omdat ik vrees dat u ooit minister wordt, maar wel omdat ik kan invoelen dat u bij dit soort zaken hecht aan parlementaire controle. Dat wat betreft het amendement.

De heer Futselaar heeft ook nog twee moties ingediend. De motie-Futselaar op stuk nr. 12 gaat over een halvering in 24 maanden voor deeltijdstudenten. Nogmaals, alle studenten, hoe ze ook studeren, krijgen volgens dit voorstel één jaar halvering. Dat geldt ook voor voltijdstudenten als zij niet nominaal studeren, dus er langer dan een jaar over doen. En nogmaals, deeltijdstudenten halen niet altijd minder studiepunten per jaar dan voltijdstudenten. We proberen het ook in de uitvoering eenvoudig te houden en daar een zekere rationale onder te leggen. 24 maanden voor deeltijdstudenten is op dit moment nu eenmaal kostbaarder. Dat kost 6 miljoen extra. Dus die motie ontraad ik.

Dan de motie-Futselaar op stuk nr. 13. Het zal u niet verbazen dat ik, gelet op het gewisselde in eerste termijn, daar geen voorstander van ben. Dus ook die motie ontraad ik. Met de voucher kunnen vier cohorten van studenten na het afronden van hun studieloopbaan opnieuw studeren. Door het tijdvenster van tussen de vijf en tien jaar kan het juist een impuls zijn voor een leven lang leren. Zo is het destijds bedacht. Zo is het ook vastgelegd in de wet. Ik wil dat systeem echt een kans geven en dat niet eigenlijk voordat we dat serieus geprobeerd hebben, alweer wijzigen. Bovendien zou de uitvoering hiervan ook buitengewoon complex zijn.

De heer Futselaar (SP):

Zou de minister bereid zijn om de Kamer voor de zomer eens te informeren over hoe dat systeem nu in de praktijk zal worden ingezet? Het zal natuurlijk op zijn vroegst pas over vijf jaar actief moeten worden, om het zo maar te zeggen. Hoe werkt dat praktisch? Hoe vragen mensen dat aan? Wat voor budgetten zijn er? Ik ben daar eigenlijk wel geïnteresseerd in, want het lijkt me niet iets dat we pas in 2023 moeten behandelen. Het staat een beetje los van de wet. Maar nu we het er toch over hebben, zou ik daar graag wat nadere informatie over willen krijgen.

Minister Van Engelshoven:

Ik heb eerder in het debat toegezegd en erop gewezen dat wij de monitor maatregelen studiefinanciering hebben. Die gaat eigenlijk over alle maatregelen die wij nemen in het kader van het hoger onderwijs en wat voor effecten die hebben. U vraagt of ik de Kamer voor de zomer kan informeren. Volgens mij komt die monitor in het najaar. Ik kijk even naar achteren. Heb ik dat goed? Ik zie niemand reageren. Volgens mij is iedereen heel druk met iets anders bezig. Komt de monitor maatregelen in het najaar?

De voorzitter:

Hier staat in de eerste helft van 2019.

Minister Van Engelshoven:

Oké. Eerste helft 2019. Dat is net genoteerd als toezegging. Ik zou het graag in die monitor meenemen. We kunnen wel weer over alle maatregelen apart gaan rapporteren. Als u mij toestaat om dat in die monitor mee te nemen, dan neem ik hem daar expliciet in op en dan wordt u daarover gerapporteerd. Ik zie de heer Futselaar knikken. De motie blijft dus ontraden.

Dan de motie op stuk nr. 14 van de heer Özdil. Die ontraad ik. Wij hebben dat in eerste termijn gewisseld. Er is nadrukkelijk gekozen voor een substantiële verlaging van het collegegeld, omdat we nu natuurlijk nog niks hard kunnen bewijzen, maar de overtuiging is wel dat je die substantiële wijziging nodig hebt om echt aan drempelverlaging te doen. Overigens is daar ook de wens bij om niet alleen aan drempelverlaging te doen voor de lagere inkomens, maar ook voor de middeninkomens. De €1.000 heeft daarvoor ook wel degelijk betekenis.

Tot slot. De heer Van der Molen vroeg mij nog of de halvering van het collegegeld juist bij het kleinschalig intensief onderwijs een opdrijvend effect kan hebben op het collegegeld. In de praktijk vragen deze opleidingen nu gemiddeld €3.600 collegegeld. Dat is tussen de €3.000 en €4.000. Ze vragen lang niet het maximum. Laat ik dat ook even stellen. Wij verwachten niet dat die instellingen het wettelijke collegegeld zullen verhogen in reactie op die halvering, want dan moeten ze dat ook voor alle andere studenten doen die nu tweede- tot vierdejaars zijn. Dat maakt de gehele opleiding minder aantrekkelijk. Dus daarmee zouden ze zich wel in hun eigen vingers snijden. Dus de instellingen hebben ook zelf belang bij het zo gematigd mogelijk houden van het collegegeld. Eerlijk gezegd verwacht ik dat dus niet. Bovendien kijkt de medezeggenschap ook mee. We zullen ook monitoren of het niet gebeurt. Ik denk dat de belangrijkste garantie dat het niet gebeurt, is dat de instellingen daarmee behoorlijk in de eigen vingers zouden snijden.

Voorzitter, daarmee ben ik klaar met de beantwoording in tweede termijn. Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dat is ook de laatste termijn van deze avond. Daarmee zijn we aan het eind gekomen van dit debat.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Over de wet, de ingediende amendementen en de moties zullen we aanstaande donderdag stemmen. Ik dank de minister, de Kamerleden, de mensen op de publieke tribune, de mensen die dit debat via een ander medium hebben gevolgd en natuurlijk de stenografische dienst, de bodes en de ambtenaren. Ben ik iemand vergeten? De griffiers. Ik wens jullie een mooie avond en ik zie jullie morgen weer.