8 Begroting Sociale Zaken en Werkgelegenheid 2018

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (XV) voor het jaar 2018 ( 34775-XV ).

De voorzitter:

Ik heet de minister en de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van harte welkom. Dit is hun eerste begrotingsbehandeling. Het is dus een beetje spannend. We hebben net afgesproken dat we het debat zo ordentelijk mogelijk gaan voeren.

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef de heer De Graaf namens de PVV als eerste spreker het woord.

De heer De Graaf (PVV):

Om het ordentelijk te houden, begint de PVV vandaag met het integratieverhaal. Dat gaat als volgt.

Voorzitter. De multiculturele samenleving is het heilige, onaantastbare streven van veel mensen in Nederland. Dan heb ik het vooral over politiek correcte mensen, over links, extreemlinks, links-christelijk en liberaal Nederland. Maar voor steeds meer mensen verandert het in een multiculturele hel. Decennialang zijn er massa's mensen naar Nederland gehaald, vooral uit islamitische landen. Vaak gaat het ook om mensen met een lager ontwikkelingsniveau; dat is een feit. Wensdenkers geloven echter dat die verzameling van culturen zich zal ontwikkelen tot een vreedzame samenleving met uiteindelijk gelijkheid voor iedereen. Mijn eerste vraag is: gelooft de minister dat ook, en zo ja, op basis van welke gegevens? Of wordt zijn komende beleid slechts een experiment?

Want er is veel ontwikkeling in multicultureel Nederland. Ik zal u voorbeelden noemen uit het hele land. Ik begin met onze hoofdstad, waar een islamitische asielzoeker een terreuractie richtte tegen een Joods restaurant. De rechtszaak loopt vandaag. Ook kon een IS-terrorist zijn slachtoffers in alle rust intimideren in debatcentrum De Balie. Onze hoofdstad is ook een stad waaruit al veel Joden zijn weggevlucht vanwege de oprukkende islam. Amsterdam is de stad waar de burgemeester een zogenaamd deradicaliseringsbeleid voerde, dat buiten de democratische controle van de gemeenteraad moest blijven. Om een voorbeeld te geven: hij wilde nepnieuws verspreiden via YouTube om radicalisering tegen te gaan. Daarvoor hees hij een radicale moslim op het schild, ene Bilal L., die vervolgens het tegenovergestelde deed, namelijk mensen ronselen voor IS. Kan de minister volledige helderheid verschaffen over dit drama?

Of neem Den Haag, waar wethouder Baldewsingh van de PvdA wederom miljoenen vrij heeft gemaakt voor buurtvaders, straatcoaches en noem maar op om de Schilderswijk en Transvaal de komende tijd rustig te houden. Den Haag is ook de stad waar op de Haagse Markt geen kerstversiering meer mag worden opgehangen, terwijl daar iedere vrijdag wel de gebedsoproep uit diverse moskeeën te aanschouwen valt. Het is een stad waar in de oude synagoge nu al jaren een Turkse moskee zit. Het is ook een stad die in het centrum een Marokkaanse fontein krijgt.

Neem Venlo en Blerick, met rellen tussen Turken, of Maastricht, waar afgelopen week een dubbele moord plaatsvond met steekwapens en halsafsnijdingen door een Syriër die een moskee wilde gebruiken om zich te verstoppen. Of Rotterdam, de tweede stad van Nederland, waar bijna 2.500 asielzoekers dit jaar een huis kregen, vaak met voorrang op Nederlanders. Bijna 100% van die asielzoekers leeft van een uitkering. Het is ook de stad waar Turken afgelopen jaar de Erasmusbrug hebben bezet en daar massaal hun loyaliteit aan Turkije hebben geuit door te zwaaien met Turkse vlaggen. In sommige wijken van die stad is amper nog een slager te vinden waar normaal, niet-halal vlees kan worden gekocht. Het is ook een stad waar op straat amper nog Nederlands te horen valt en waar de vrouw van de burgemeester een hoofddoekje draagt. Of neem Utrecht, waar deze week nog een bejaarde vrouw, slapend in haar huis, een afketsende kogel in haar been kreeg tijdens de zoveelste Marokkaanse schietpartij. Utrecht is ook de eerste stad waar een plein het Moskeeplein heet.

Voorzitter. Die multiculturele samenleving ontwikkelt zich in steeds grotere delen van het land, van Beerta tot Terneuzen en van Den Helder tot Landgraaf. Steeds grotere moskeeën, minaretten, islamitische scholen, maar daarmee gepaard gaand ook uitkeringsafhankelijkheid, agressie tegen niet-moslims, en scholen die de dag na de ramadan massaal vrijgeven. Het hele land krijgt hiermee te maken. En dat is nog niet alles. Politieagenten moeten zich van hun linkse bazen iedere dag afvragen of ze die dag in hun werk misschien racistisch of discriminerend bezig zijn geweest. Politieagenten moeten van die bazen ook iftars organiseren om de moslimbevolking in hun stad te behagen. Dienders in uniform knielen in een moskee en daarvan verschijnen foto's op internet. Is de minister bereid om deze ontwikkeling te stoppen? Steeds meer schoolklassen gaan op bezoek in moskeeën. Kinderen leren daar te knielen richting Mekka. Wat ons betreft kan niet symbolischer worden weergegeven hoe de overgave in Nederland is en ook hoe naïef, dom en in sommige vallen zelfs gewoon slecht de docenten of de schoolbesturen zijn die dit toelaten. Is de minister dit met mij eens? Deelt hij die mening?

Het onderwijs levert na 40 jaar van inspanningen op het gebied van emancipatie en integratie steeds meer jongvolwassenen af die zich afkeren van het land dat ze heeft opgeleid, Nederland. Jonge meisjes die het leven vrij durfden te benaderen en bijvoorbeeld een modeopleiding deden, zeggen de mode vaarwel en doen een hoofddoek op. Dat zagen we in Nieuwsuur. Ze willen niet meer luisteren naar muziek, want dat is niet islamitisch. "Salafisme is hun doel", zo zeiden zij. We zagen daar ook dat rappers rolmodellen zijn geworden en volle zalen trekken om jonge moslims in het strengst mogelijke gareel te krijgen. Daarbij komt dat steeds meer jonge Turken steeds strenger in de islamitische leer zijn. Dat wordt de laatste tijd ook steeds meer blootgelegd door onderzoek. Turks-Nederlandse middelbareschooldocenten vertellen in Trouw hoe ze de islam steeds serieuzer praktiseren. In Den Haag ging een prachtschool, het Aloysiuscollege, zelfs kapot aan de islamisering.

Waar de PVV altijd al pleit voor assimilatie, deed Nederland al die jaren slechts een slappe poging tot integratie. Dat heeft wrange vruchten afgeworpen. We hebben namelijk zelf een nieuwe voorhoede van jonge moslims opgeleid in Nederland. Ze spreken Nederlands, ze hebben een opleiding gevolgd, kunnen zich goed uitdrukken, werken vaak en zijn ook actief in de politiek of in het bestuur. Dat lijkt dan inderdaad op integratie, maar het niet hanteren van onze westerse cultuur als gevestigde en leidende cultuur, dus het niet-assimileren van grote groepen immigranten uit die landen en ook van hun nageslacht, ontploft straks niet alleen in het gezicht van de kinderen en de kleinkinderen van wensdenkend Nederland, maar ontploft ook nu al in de gezichten van vele gewone Nederlanders. Zij leven in steeds meer buurten in de multiculturele hel die dit kabinet en ook het vorige negeert en ontkent.

Nederlanders zelf raken steeds vaker en steeds meer verdwaald in de leegte die de ontzuiling van de afgelopen decennia heeft geschapen, maar de vestiging van de islamitische zuil vult die leegte steeds meer met gestaalde waarden, een sterke gemeenschapszin, een duidelijke identiteit, een onbreekbare culturele ruggengraat en een drang tot onderwerping die zijn weerga niet kent, op weg geholpen door subsidies en financiering uit het buitenland. Velen hier maken zich ook daar zorgen om: nieuwe moskeeën, invloed, immigratie en natuurlijk doet ook de terreurdreiging een hoop. Straks blijft er in Nederland nog maar één zuil over, de islamitische.

Ondertussen groeit een generatie Nederlanders op die cultureel verweesd ronddwaalt door het land, de kinderen van de "dat moet toch kunnen"-generatie. Hun is geleerd dat hun cultuur slecht is en dat ze geen identiteit hebben, want wit betekent slavernijverleden en koloniaal verleden. Hun wordt geleerd dat hun cultuur minderwaardig zou zijn aan andere culturen. Hun ouders en docenten stelden geen grenzen aan ze en de elite gooide de landsgrenzen open en schafte die af. Ik ageer hier natuurlijk niet tegen die kinderen, absoluut niet, maar tegen hun elitaire opvoeders, de politieke partijen, maatschappelijke organisaties en ook kerken en gesubsidieerde activisten, die hen weerloos hebben gemaakt, weerloos tegen die oprukkende islam die voor dolende wezens zo veel houvast in petto heeft. Een doodenge gedachte, voorzitter, als u het mij vraagt. Doodeng. Een verdergaande massa-immigratie uit islamitische landen zal die problemen alleen maar verergeren. Daarom pleit de PVV voor die dichte grenzen, voor de remigratie van hen die een islamitische levensstijl willen hanteren. Dat kan namelijk op heel veel plekken in de wereld. Wij pleiten ook voor het uitzetten van criminelen met een dubbel paspoort. Graag hoor ik morgen een reflectie van de minister op dit laatste stuk.

Dan het inburgeringsbeleid van dit kabinet. Allereerst heb ik een algemene vraag. Waar komt het vreemde idee vandaan dat je van massa's immigranten Nederlanders kunt maken? Waar komt die maakbaarheidsgedachte vandaan? Bij een laag niveau van immigratie is dat al bijna onmogelijk, laat staan als je massa's mensen uit islamitische landen hierheen haalt. Ik zie een interruptie komen. Die gun ik de heer Özdil natuurlijk heel graag, maar ik heb nog één zin en dan is dit stukje af. De islam is hier gekomen om te domineren, niet om te assimileren. Hoe kan het nou zijn dat grote groepen mensen onze leidende waarden, normen, cultuur, geschiedenis en gebruiken helemaal kunnen verinnerlijken, zodat ze complete Nederlanders worden? Ik zeg dat dat onmogelijk is.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik wil de heer De Graaf graag vragen om even om zich heen te kijken, want dan ziet hij een Marokkaans-Nederlandse Kamervoorzitter. Hij ziet een Marokkaans-Nederlands collega-Kamerlid. Hij ziet een Turks-Nederlands collega-Kamerlid. Hij ziet zelfs iemand uit Texel.

De heer De Graaf (PVV):

Helemaal uit Petten!

De heer Özdil (GroenLinks):

Mijn vraag aan de PVV is: zijn de mensen die ik net opnoemde volgens de PVV geïntegreerd, of geassimileerd, of hoe je het ook wilt noemen? En zijn die mensen Nederlanders?

De heer De Graaf (PVV):

Ik dank de heer Özdil voor deze vraag, want die vraag schept veel duidelijkheid en kan dingen ook even aanscherpen. Natuurlijk zijn er heel veel Nederlanders; er zijn natuurlijk Nederlanders die überhaupt Nederlander zijn, maar er zijn ook heel veel mensen van buiten gekomen. Een klein deel van hen — de heer Özdil noemt de voorbeelden — is zodanig geassimileerd dat zij op topniveau, in de Tweede Kamer, in het bestuur van Nederland, kunnen functioneren. Dat kan. Het gaat erom of mensen de westerse waarden, waar wij altijd voor pleiten en die Nederland groot hebben gemaakt, hebben verinnerlijkt: zijn die hun inborst geworden, worden die van binnen diep gevoeld en ervaren? Dat maakt je Nederlander. Of dat zo is, moet iedereen voor zichzelf bepalen. Wat wij wel zien, is de problematiek met steeds grotere groepen, die nog steeds naar Nederland blijven komen. Het is al moeilijk om van kleine groepen immigranten echte Nederlanders te "maken". Ik zeg het zo omdat zij dat zelf zullen moeten doen; de maakbaarheidsgedachte verwerp ik. Je ziet al 40 jaar dat dit bij grote groepen misgaat. Dan moet je dus niet doorgaan met het binnenhalen van nog grotere groepen, want dat gaat niet lukken. Dat is het punt dat ik hierbij maak. Dat is het grote probleem. Daarom werkt inburgering ook niet.

De heer Özdil (GroenLinks):

Wat ik altijd zo jammer vind van PVV'ers, is dat zij groteske verbanden leggen en non-oplossingen als zogenaamde oplossingen aandragen. Aan de ene kant kun je zeggen dat wij hier wél Nederlanders zijn en dat wij geassimileerd zouden zijn, maar ik heb nog steeds geen definitie gehoord van echte assimilatie. Ja, je Nederlander voelen. Tegelijkertijd zegt de heer De Graaf dat sommige Nederlanders, als ze een handtasje stelen, het land moeten worden uitgezet. Misschien voelen zij zich ook Nederlander als zij een handtasje stelen. Mijn vraag is eigenlijk of u het zelf niet jammer vindt dat deze inconsequentie van de PVV op het gebied van integratie niet alleen al ruim tien jaar lang niks heeft opgeleverd, maar ook een beetje sleets begint te worden, ook onder uw achterban?

De heer De Graaf (PVV):

Ik ben blij dat de vraag er is, want ik dacht: wanneer komt hij? Maar de vraag is uiteindelijk gekomen. De inconsequentie is er niet. Ik heb daarnet heel duidelijk in mijn inbreng neergezet — en dat zal ik zo meteen weer doen, ook als reactie op de eerste vraag van de heer Özdil — dat het erom gaat dat iemand zich van binnen, in zijn innerlijk, echt een Nederlander voelt en de westerse waarden kan uitdragen en letterlijk beleeft. Daar kun je geen wetenschappelijke controle op uitoefenen; dat zou ik ook niet eens willen.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer De Graaf (PVV):

Ja, sorry. Ik zit naar meneer Özdil te kijken.

De voorzitter:

Nee, doe dat niet.

De heer De Graaf (PVV):

Ik wilde hem antwoord geven. Ik wist niet of hij aan het luisteren was, want hij was met zijn collega aan het praten. Dat mag trouwens.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer De Graaf (PVV):

Daarvan heb ik gezegd: het is al moeilijk om ervoor te zorgen dat een kleine groep in een land assimileert, maar dat wordt nog moeilijker als je grote groepen blijft binnenhalen. De oplossingen die de PVV brengt, zijn negatief voor GroenLinks. Dat snap ik best wel, want GroenLinks ziet in nieuwe groepen nieuwe stemmers. Dat snap ik wel, maar we moeten wel zorgen dat we Nederland blijven.

Voorzitter. Ondanks het feit dat het CBS, het Centraal Bureau voor de Statistiek, gisteren liet zien dat de vervanging van onze bevolking doorgaat, stopt dit kabinet de massa-immigratie niet en gaat het door met het kansloze inburgeringsbeleid. Ik zei er net al wat over. Het wordt straks — ik heb het gelezen in interviews en het regeerakkoord — een geperfectioneerd hangmatbeleid waarbij asielmigranten twee jaar lang worden "ontzorgd", zoals dat heet. Alles wordt dus straks voor ze geregeld. Alles wordt voor ze gedaan. En dat zal van Nederland een grote zoete inval voor migranten maken. Er is maar een oplossing: iedereen die via een veilig land Nederland als asieleiser is binnengekomen, moet terug naar het laatste veilige land. Dat is heel normaal. Dat is logisch. Merkel zoekt het maar uit. Is de minister bereid om dit in te zien? En zo nee, waarom gaat hij dan door op deze heilloze weg? Want sinds het begin van de massa-immigratie staan niet-westerse allochtonen bovenaan in de negatieve statistieken, bijvoorbeeld in de statistieken op het gebied van criminaliteit of uitkeringsafhankelijkheid. Van de asielmigranten die de laatste jaren Nederland zijn binnengekomen, heeft nog amper iemand een baan. Het overgrote deel zit in de bijstand en dat aandeel groeit nog steeds door. Dat zal ook doorgaan onder het nieuwe kabinet. Kan de minister aangeven waarom hij de fouten van zijn voorgangers wil blijven herhalen? Denkt hij echt de trendbreuk te kunnen veroorzaken waar hij het vorige week in de Kamer over had? Zo ja, hoe dan? Hoe dan? Met welke onderbouwing? Waar op de wereld vindt de minister een bewezen model voor geslaagde inburgering van massa's mensen in een samenleving van beperkte omgang zoals de onze, de Nederlandse?

Voorzitter. De regering zet vol in op de aanpak van arbeidsmarktdiscriminatie. Dat dan weer wel. Maar met de voorrang op de woningmarkt, gratis zorg, gratis onderwijs en leefgeld toe worden niet de nieuwkomers, maar de Nederlanders gediscrimineerd. Aangezien de minister hecht aan feitelijke waarheden, wil ik hem uitdagen om de voorbeelden op onze website rutte3discrimineert.nl te ontkrachten.

Ik zie een interruptie.

De voorzitter:

Ik zie de heer Kuzu ook. De heer Kuzu.

De heer Kuzu (DENK):

De heer De Graaf spreekt vaak over de westerse waarden. Een van die westerse waarden is geloofsvrijheid. Nederland is van oudsher een land dat openstaat voor verschillende mensen met verschillende achtergronden. In de zestiende eeuw kwamen grote groepen Joodse mensen uit Portugal hiernaartoe. Een paar eeuwen geleden kwamen veel protestantse Nederlanders uit de Zuidelijke Nederlanden naar het noorden van Nederland, vanwege de geloofsvrijheid. Mijn vraag aan de heer De Graaf is dus: waarom haat u die westerse waarde van geloofsvrijheid zo enorm?

De heer De Graaf (PVV):

Ik ben blij met de spiegel die de heer Kuzu zichzelf voorhoudt. Je ziet vaak dat iemand datgene wat diep in hem leeft probeert op een ander te projecteren. Dat is ook altijd zijn kunstje hier in de Kamer, om zijn eigen idee van geloofsvrijheid op de ander te projecteren. Ik haat de geloofsvrijheid niet. De heer Kuzu noemt datgene wat hij zelf belijdt een geloof. Het is zijn Koran. Het is zijn islam. Maar het is een ideologie. Die ideologie doet niks anders dan de geloofsvrijheid van niet-moslims beperken. Die komt dan Nederland binnen, met die drang tot overheersing en niet tot assimilatie, waarbij anderen geen vrijheid wordt gegund. De heer Kuzu kan heel hard nee schudden, maar dan kent hij zijn eigen teksten niet. Dat moeten we niet in Nederland toelaten. Ik zou dus zeggen: projecteer dit niet op mij, maar houd de haat bij jezelf.

De heer Kuzu (DENK):

Het is duidelijk: de PVV heeft de afgelopen twaalf jaar in de Tweede Kamer niets anders gedaan dan het hebben over één agendapunt, namelijk de-islamiseren en het openlijk prediken van haat. Sinds de heer De Graaf in de Tweede Kamer zit, is dat altijd zijn bijdrage geweest. Mijn vraag is eigenlijk heel simpel. We zien zo veel verschillende tekenen van objectieve vooruitgang bij mensen met een migratieachtergrond. Het gaat beter met de taalbeheersing. Het gaat beter met de prestaties op school. Het gaat beter op allerlei verschillende vlakken, hoewel we nog veel uitdagingen met elkaar hebben. Maar het punt is: wat is de bijdrage van de PVV geweest aan de samenleving, aan Nederland, met de inbreng die u de afgelopen jaren heeft gehad? Het is telkens hetzelfde riedeltje, het is een grijsgedraaide plaat. U ziet het ook in de verschillende peilingen: de PVV vervaagt, gaat helemaal weg; Baudet neemt het over. Ik zou u dus willen vragen: wat denkt u dat de woorden die u hier predikt en die u de afgelopen jaren heeft gepredikt, opleveren voor en bijdragen aan Nederland?

De heer De Graaf (PVV):

Wederom het volgende kunstje van de heer Kuzu. Dat heb ik ook al vaker gezien. Ik zou hem eigenlijk willen uitnodigen om over te stappen naar het christendom. Hij zou met z'n toon en z'n intonatie een uitstekende dominee zijn. Dat wil ik hem graag alvast aanbieden: stap over, de afstand is maar klein; doe dat, laat die islam achter u. U zou een uitstekende dominee kunnen zijn, zou ik zeggen, want de toon is er al. Dat over de vorm.

Dan over de inhoud. U vroeg naar onze bijdrage en de uitdagingen waar we allemaal voor staan. In mijn beantwoording van de vragen uit uw eerste interruptie heb ik dat antwoord reeds aan u gegeven. U kunt wel zeggen dat het met veel migranten steeds beter gaat, maar met die islam gaat het nog geen — netjes gezegd — haar beter, want de islam verandert niet en blijft een heel slechte, kwaadaardige, haatdragende ideologie.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat.

De heer De Graaf (PVV):

Voorzitter. Dan kom ik op de Moslimbroederschap. Onderzoek van het Tony Blair Institute — dat is niet het minste instituut — heeft aangetoond dat de Moslimbroederschap en IS, Al Qaida, Jabhat al-Nusra en andere jihadistische organisaties dezelfde filosofie hanteren. Wij wisten dat al, maar dat blijkt nu ook uit onderzoek. De Moslimbroederschap heeft wereldwijd een grote invloed en is geïnfiltreerd in bestuur, politiek en maatschappelijke organisaties. Ook in Nederland breidt die invloed zich uit, zo hebben we gezien in een Kamerbrief uit 2011 van toenmalig minister Donner. In de VS is wetgeving in voorbereiding — die is bijna zover — om de Moslimbroederschap op de lijst van terroristische organisaties te plaatsen. Ook vorig jaar heb ik dit probleem aangekaart. Toen hebben veel partijen mijn motie gesteund om de invloed, financiering, belangen en leden van de Moslimbroederschap te onderzoeken. Ik wil de minister graag vragen om dat punt over te nemen. Anders ga ik daartoe in tweede termijn toch weer een motie indienen.

Voorzitter, ik kom tot een eind. De islamisering van Nederland is het grootste probleem — ik herhaal het nogmaals — van deze tijd. Het is een existentieel probleem en zal met het door kabinet-Rutte III voorgestelde beleid een steeds groter probleem worden. Het regeerakkoord leest als de witte vlag. Kan de minister, indien hij het beleid van Rutte III echt verdedigt, dan wel de verrijking die de islam Nederland brengt, benoemen? Kan hij aangeven wat de islam voor positiefs toevoegt aan onze cultuur, democratie en rechtsstaat? Daar wil ik graag een uitgebreid antwoord op.

Tot slot, voorzitter. Het zal u niet verbazen: we moeten de-islamiseren om ook voor onze kinderen en kleinkinderen Nederland een prettig en vrij land te laten zijn. Dus: moskeeën dicht, die 53 islamitische scholen sluiten, geen immigratie meer uit islamitische landen, stoppen met asielopvang, remigratie bevorderen, jihadisten preventief vastzetten, denaturaliseren en uitzetten, grenzen dicht, uitreizigers naar IS-gebied niet meer binnenlaten en stoppen met de samenwerking met Diyanet, Milli Görüs en Süleymanci; ontmantel die stichtingen. Dat is hard en snel nodig, want de multiculturele hel, waarin steeds meer mensen in Nederland terechtkomen, is een voorbode van nog veel meer ellende, islamitische ellende. Is de minister bereid onze maatregelen over te nemen en samen het tij te keren?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer De Jong, ook namens de PVV.

De heer De Jong (PVV):

Voorzitter, hartelijk dank. De versoepeling van het ontslagrecht, de aantasting van de WW, het voortzetten van flexibilisering op de arbeidsmarkt, kortom: meer onzekerheid voor de werkende middenklasse. Ondertussen moeten huishoudens blij zijn met een beschamende koopkrachtontwikkeling, gaat de AOW-leeftijd niet omlaag naar 65, worden pensioenen niet geïndexeerd en kortingen niet voorkomen. Terwijl Nederlanders langer moeten blijven doorwerken en ouderen al jaren naar de indexatie van hun pensioen kunnen fluiten, gaan er wel bakken met geld naar ontwikkelingshulp en asielzoekers. De bijstand blijft een allochtonenuitkering, waarmee vooral niet-westerse allochtonen ongestoord de boel kunnen blijven belazeren. Ondertussen worden zwaar arbeidsgehandicapten door dit kabinet wel extra aangepakt. Kortom, niets verbetering, niets lucht voor hardwerkende Nederlanders, ouderen en gehandicapten. Dit is in het kort kabinet-Rutte III. Het zet de afbraak van Rutte II voort.

Voorzitter. In de afgelopen jaren hebben de hardwerkende Nederlanders, onze middenklasse, het flink voor de kiezen gekregen. Op eigen kracht hielden deze helden in barre tijden hun hoofd boven water in vast dienstverband, als flexwerker of als zelfstandige. Ze hebben onvrijwillig de eurocrisis en het asieldrama betaald en profiteerden het minst van al hun inspanningen. Doordat ze willen werken voor hun geld, onafhankelijk willen zijn, wars zijn van het ophouden van hun hand en niet onnodig willen leunen op de verzorgingsstaat, konden ze fluiten naar extraatjes. Voor hen geen gratis zorg, geen voorrang op huurwoningen en geen cheque van duizenden euro's om hun huis mee in te richten. Dat zijn zaken die in Nederland wél aan niet-westerse allochtonen worden gegeven. De middenklasse krijgt niets van dit alles. Een keertje op vakantie? Dat zit er vaak niet meer in. Het kleine beetje spaargeld dat ze nog hebben verdampt in rap tempo. Gaat de wasmachine stuk? Grote kans dat iemand dan gelijk in de financiële problemen komt. Ze zijn de afgelopen jaren structureel door politiek Den Haag in de steek gelaten. De middeninkomens zijn vooral misbruikt om alle economische tegenslagen op te vangen en onverantwoordelijke hobby's van Mark Rutte te financieren, zoals ontwikkelingshulp, de EU, asiel en massa-immigratie.

Ondertussen doet dit kabinet net alsof het toch oog heeft voor deze groep en alsof deze groep er door het nieuwe kabinetsbeleid op vooruit zal gaan. Ze worden lekker gemaakt met koopkrachtcijfers. Het bleken mooie praatjes, want hoe zit het nu echt? Een paar weken nadat het kabinet de champagneflessen had ontkurkt om de cijfers van het CPB te vieren, bleek de gepresenteerde koopkrachtstijging een wassen neus te zijn. Dat moest ook de kersverse minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid bekennen.

De koopkrachtkruimels die ons namelijk zijn beloofd, zijn gebaseerd op een onrealistische loonstijging van meer dan 3% per jaar. De lonen stegen in de afgelopen vier jaar gemiddeld met slechts 1,4% en veel werkgevers zeggen dat het nu nog veel te vroeg is voor een loonstijging van meer dan 3%. Dus eerst moesten we blij zijn met 0,3% aan koopkrachtkruimels voor dit jaar en 0,6% voor volgend jaar — terwijl ons 1% was beloofd — en vervolgens komen we erachter dat ook de koopkrachtcijfers van het nieuwe kabinet gebaseerd zijn op complete lariekoek. Sterker nog, deze minister pronkt met de veren van een ander. Hij is namelijk helemaal niet degene die zorgt voor loonstijgingen en dus voor de koopkrachtstijging zoals die in het regeerakkoord staat. Als dat zo meteen ál gebeurt, dan komt dat door de werkgevers, en niet door Koolmees en co. Dat maakt het dus dubbel zo gênant.

Voorzitter. Zo ga je niet met onze mensen om. Deze mensen verdienen het niet om in de maling genomen te worden. Deze mensen hebben het zwaar en verdienen een eerlijk beeld van hun financiële positie in de komende jaren.

Voorzitter. Ik zal de minister een aantal cijfers meegeven, zodat hij zelf ook een realistisch beeld heeft. Een vijfde van alle huishoudens heeft geen enkele financiële reserve. Een op de drie huishoudens heeft niet genoeg geld om de wasmachine te repareren, versleten meubels te vervangen of een weekje met vakantie te gaan. Een kwart van de Nederlanders heeft structureel moeite om rond te komen. Zo kan ik nog wel even doorgaan. Dat zijn schokkende cijfers. Daar passen geen valse beloften en koopkrachtverwachtingen bij. Waarom doet dit kabinet dat dan wel? Waarom moet dit kabinet in de beantwoording van de feitelijke vragen tegen beter weten in aangeven "dat Nederlanders de vooruitgang in deze kabinetsperiode ook echt in hun portemonnee gaan voelen"? Waarom blijft de minister deze mensen in de maling nemen? Waarom gaat dit kabinet prat op een zogenaamd lage werkloosheid, terwijl er nog veel mensen aan de kant staan? Volgens het CBS behoren 1,3 miljoen mensen nog altijd tot de categorie "onbenut arbeidspotentieel". Dat is schrikken en een ander beeld dan dit kabinet graag zou willen schetsen. Het is echter wel de waarheid en het blijft hier niet bij. Wie de CPB-doorberekeningen namelijk goed leest, ziet dat binnen de huidige kabinetsperiode er nog eens 40.000 werklozen bij komen. Ik vraag de minister: hoe is dit in hemelsnaam mogelijk?

Voorzitter. Terug naar de werkende middenklasse. Het mag dan wel wat beter gaan met onze economie, maar Nederlanders hebben helemaal niet het gevoel dat ze daar ook van profiteren. Het verschil tussen wat we met onze economie zien gebeuren en wat we in onze eigen portemonnee voelen, was in dertig jaar tijd niet zo groot. Dat is ook niet zo gek. Sinds de eeuwwisseling is het bruto binnenlands product namelijk met 12% gestegen, terwijl ondertussen het gemiddeld besteedbaar inkomen met 3% is gedaald. Mensen merken in de eigen portemonnee dus helemaal niets van de jubelstemming van politiek Den Haag.

Wat ze wel merken, is dat ze massaal worden gediscrimineerd, dat de focus niet bij de gewone Nederlander ligt, maar bij niet-westerse allochtonen. Die ligt bij asielzoekers. Terwijl onze mensen het zwaar hebben, zien ze dat ze worden achtergesteld. Ze zien ook dat de door de hard werkende Nederlanders gefinancierde verzorgingsstaat wordt overspoeld en afgebroken door niet-westerse profiteurs.

Even mijn neus snuiten. Dat is de tijd van het jaar. Ik ben snotverkouden, voorzitter.

De voorzitter:

Ik dacht dat u emotioneel werd.

De heer De Jong (PVV):

Nee, nee, ik ben snotverkouden. Maar als ik deze tekst zo lees, er nog eens even op reflecteer en ook zie dat iedereen dat eigenlijk maar gewoon over zich heen laat komen, dan zou je er bijna emotioneel van worden!

De voorzitter:

Nou.

De heer De Jong (PVV):

Tijdens Rutte II is bijvoorbeeld de bijstand meer dan ooit het geval was een allochtonenuitkering geworden. 63% is allochtoon en 53% is niet-westers allochtoon. Ondertussen houden gemeenten zich niet aan het handhaven op de taaleis en wordt ook op de tegenprestatie nauwelijks gehandhaafd, terwijl onze bijstand op springen staat door de aanzuigende werking van onze verzorgingsstaat op niet-westerse allochtonen. Dit kan toch niet. We kunnen niet-westerse profiteurs toch niet de mogelijkheid geven om een peperduur en dood gewicht in onze maatschappij te vormen.

Klopt het dat we alleen al aan deze groep zo'n 3 miljard euro per jaar kwijt zijn? Dat gaat ten koste van de hardwerkende Nederlanders die zonder dankbaarheid van de ontvangers voor deze fout moeten betalen. 3 miljard aan bijstandsgeld voor deze groep! Hier moet simpelweg een einde aan komen. Het is tijd om onze eigen mensen weer de waardering te geven die ze verdienen. Dat begint met politiek handelen. Dat begint met deze groep niet meer te zien als makkelijke slachtoffers die je tot in het oneindige kunt uitknijpen, die je kunt gebruiken als melkkoe om de massa-immigratie mee te betalen. Het is tijd om weer oog te hebben voor onze eigen mensen, om het geld aan hen te besteden. Daarom moeten we orde op zaken stellen.

Voorzitter. Laten we beginnen met het voor eens en altijd erkennen dat het behoud van onze verzorggingsstaat en massa-immigratie een onmogelijke combinatie vormen. Wanneer je dat doet, kun je niet anders dan maatregelen nemen om onze verzorgingsstaat te beschermen. Ik noem het voor profiteurs zo onaantrekkelijk mogelijk maken, de aanzuigende werking van onze verzorgingsstaat een halt toeroepen, juist om het haalbaar te houden voor de toekomst. Laten we beginnen door alle bijstandsuitkeringen voor mensen die niet willen voldoen aan de taaleis, per direct in te trekken. Laten we ook per direct alle bijstandsuitkeringen van statushouder intrekken, en laten we die ook in de toekomst niet meer verstrekken aan gelukszoekers, in welke vorm dan ook. Laten we de gemeenten verplichten te handhaven op de vereisten en de voorwaarden voor het ontvangen van bijstand. Dit zijn logische maatregelen wanneer je geeft om onze verzorgingsstaat, wanneer je geeft om onze eigen mensen.

Als je oog hebt voor die Nederlanders, heb je ook oog voor het arbeidsmarktbeleid. Dan richt je dat ook in voor die Nederlander. Er is in de afgelopen jaren ontzettend veel gebeurd. Onder leiding van de VVD en de Partij van de Arbeid is de arbeidsmarkt in de afgelopen jaren vreselijk overhoop gehaald, met doorgeschoten flexibilisering, met alle gevolgen van dien voor mensen in hun bestaanszekerheid. En dat dit kabinet daar nu iets aan lijkt te gaan doen, is mooi maar dat verdient ook geen applaus, zeker niet wanneer je de brief van de minister van de afgelopen week leest. Dat zijn acht kantjes waarin nog ontzettend veel onduidelijkheden en vaagheden blijven bestaan. Want het is nog steeds niet duidelijk wat dit kabinet nou precies wil doen om flexwerk en arbeidsrelaties in vaste vorm dichter bij elkaar te brengen. Het is nog steeds niet duidelijk wat dit kabinet precies wil doen om de grote problematiek rondom het zzp-schap op te lossen en hoe het ervoor gaat zorgen dat 50-plussers weer aan de bak komen. Ik heb wel wat vage aangestipte punten gezien, maar echt concreet wordt het niet.

Ook de manier waarop de VVD en de Partij van de Arbeid in de afgelopen jaren met arbeidsgehandicapten zijn omgegaan, is gewoon verschrikkelijk. Als je kijkt naar wat ertegenover staat, is er nog ontzettend veel vaag. Waar zijn dan die beschutte werkplekken? Wanneer komen die er dan? Hoe ziet het er allemaal precies uit? Het blijft onduidelijk.

Kortom, voorzitter, ook de komende jaren blijven honderdduizenden mensen in onzekerheid. Men maakt zich niet alleen zorgen over het werk op zich. Men maakt zich ook zorgen over de manier waarop men straks met pensioen moet gaan. Dat zorgt bij veel mensen voor onzekerheid. Nederlanders hebben toch recht op een goede en onbezorgde oude dag, zeker wanneer je een heel leven lang keihard hebt gewerkt? Maar dit kabinet denkt daar blijkbaar anders over en laat de asociale automatische AOW-leeftijdsverhoging gewoon staan, met als resultaat dat veel mensen ziek richting hun pensioenleeftijd gaan, financieel in de problemen komen en amper hun hoofd boven water kunnen houden. Wij vinden dat dit beleid moet stoppen. Daarom roepen wij dit kabinet op om de AOW-leeftijdsverhoging te schrappen. Dus geen miljarden naar ontwikkelingshulp. Geef dat terug aan de mensen zelf en zorg ervoor dat de AOW-leeftijd weer op 65 wordt gezet. Dat is niet alleen een PVV-wens. Dat is een wens van heel veel Nederlanders. Een meerderheid van de mensen wil dat die leeftijd weer op 65 wordt gezet. Maar de stropdassen en de mantelpakjes van dit kabinet kijken er niet naar. Die luisteren niet naar de gewone man en vrouw op straat.

Voorzitter. Dit kabinet houdt zich ook bezig met het afbreken van het mooiste pensioenstelsel van de wereld. Onder het mom van "het pensioenstelsel toekomstbestendig houden" brengt dit kabinet het ondertussen met zijn paniekverhalen juist om zeep. Laten we ophouden met alle doemscenario's. Als er al problemen zijn met betrekking tot de houdbaarheid, dan komt dat vooral door de politiek zelf. De PVV begrijpt de aantrekkelijkheid van een meer persoonlijk pensioen, maar de huidige discussie en de plannen van dit kabinet gaan verder dan dat. Het gaat om het afschaffen van het een-na-beste pensioenstelsel van de wereld.

Voorzitter. Het regeerakkoord laat ook op dat punt nog veel onduidelijkheid bestaan. Wie krijgt straks welk deel van de pensioenpot? Wie gaat de door het CPB verwachte negatieve effecten voor de deelnemers betalen? Het gaat om zo'n 60 miljard euro. Hoe wordt dat gecompenseerd? Hoe zit het met afschaffen van die doorsneesystematiek? Welke risico's lopen de deelnemers precies? Wij willen het beste pensioen voor de deelnemers. Wij willen het huidige stelsel behouden en waar nodig verbeteren. Maar met zo veel essentiële vragen, risico's en onduidelijkheden ga je toch niet het beste pensioen van de wereld geweld aandoen? Is dat nou te veel gevraagd? Ik dacht het toch niet.

Voorzitter, ik rond af. De Nederlander heeft al te veel te verduren gehad onder het excuus van "de crisis oplossen". Er is ontzettend veel voor de Nederlander afgebroken. Mijn vraag aan deze nieuwe bewindspersonen is heel helder. Er dreigt namelijk weer meer onzekerheid te komen. Wat gaat u precies voor die mensen doen? Want zij kunnen niet nog een keer zo veel klappen achter elkaar te verwerken krijgen. Zij hebben het nu al moeilijk. Voor de Nederlandse middenklasse is het nu al zo ontzettend lastig om het hoofd boven water te houden dat ik mij afvraag hoe het de komende jaren nog goed zou kunnen blijven gaan voor die mensen.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Het is goed dat de heer De Jong uitlegt dat hij verkouden is, want ik had een aantal keren de indruk dat hij zichzelf retorisch tot tranen had geroerd, maar hij is gewoon verkouden.

De heer De Jong (PVV):

Goede grap!

De heer Pieter Heerma (CDA):

De heer De Jong is duidelijk niet heel tevreden met het regeerakkoord. Hij is negatief over heel veel dingen.

De heer De Jong (PVV):

Zeker.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Tegelijkertijd heeft hij in het hele stuk dat over de arbeidsmarkt gaat, een aantal keren gezegd: het is vaag; het is nog niet duidelijk. Maar in het regeerakkoord staat een groot aantal maatregelen waarvan de minister aangeeft: die gaan we nu uitwerken. Maar ik kan mij niet voorstellen dat de heer De Jong over geen van de maatregelen op het gebied van de arbeidsmarkt die in het regeerakkoord staan, positief is. Met betrekking tot de arbeidsmarkt heeft hij vaak gezegd dat het nog vaag is en nog niet uitgewerkt is. Dat is een feit. Het kabinet zit er net en het wordt nog uitgewerkt. Maar er zijn toch maatregelen waar de PVV-fractie positief over is?

De heer De Jong (PVV):

Laat ik beginnen met te zeggen dat het een hele tijd heeft geduurd voordat er überhaupt iets over de plannen naar de Kamer werd gestuurd. Er is een hele tijd geweest tijdens de onderhandelingen dat de hardwerkende Nederlander gewoon in onzekerheid verkeerde over het zzp'erschap en op allerlei niveaus. Nu moeten wij blij zijn dat er een paar dagen voor de begroting acht A4'tjes naar de Kamer worden gestuurd, waar nog steeds helemaal niets in staat. Als het gaat om het arbeidsmarktbeleid: wat wij vaak zien bij werkgevers is dat zij een groot probleem hebben met het loon doorbetalen bij ziekte. Wij kunnen ons voorstellen, als je dat naast andere landen zet, dat het in Nederland wel heel ruim is. Het terugbrengen naar één jaar en het tweede jaar collectief, vinden wij op zich wel een prima idee om te doen. Daar lopen wij niet voor weg; dat zou de werkgever lucht moeten geven. Maar als je dieper gaat kijken naar het arbeidsmarktbeleid, dan zie je dat dit kabinet nog steeds de loftrompet steekt over arbeidsmigratie en daar niets aan doet. Het blijft nog steeds erg vaag hoe we de 50-plussers aan de slag kunnen krijgen. Je ziet ook nog steeds dat veel mensen de verhoging van de AOW-leeftijd naar 67 niet aankunnen. Als je in de 30 bent, zal het wel boven de 70 uitkomen. Heel veel mensen kunnen dat nu helemaal niet aan. Dan kan ik niet tevreden zijn over de plannen die nu voorliggen. Dan kunt u het mij niet kwalijk nemen dat ik daar het liefste gehakt van zou willen maken.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik neem de heer De Jong niets kwalijk, dus die zorg kan ik wegnemen. Hij heeft nu gelukkig wel één punt genoemd waar hij beginnend positief over is. Toch wil ik daar iets specifieker over doorvragen. Ik wijs op maatregelen op het gebied van payrolling, de flexibele WW-premie op basis van soort contract, de verlengde proeftijd en maatregelen voor zzp'ers aan de onderkant. Zijn dat maatregelen waarvan de PVV zegt: wij zien — los van het feit dat het niet genoeg is in de ogen van de PVV — dat er wel stappen in de goede richting worden gezet en die gaan wij in beginsel steunen? Of zegt de heer De Jong: nee, dat zijn maatregelen die de PVV sowieso niet gaat steunen?

De heer De Jong (PVV):

Het lijkt er een beetje op dat de CDA-fractie naar een applausje zoekt. Maar u krijgt helemaal geen applaus. Waarom krijgt u geen applaus? Omdat er nog honderdduizenden mensen aan de kant staan. 1,3 miljoen mensen staan aan de kant met onbenut arbeidspotentieel. Veel mensen uit de middengroepen moeten elke dag weer kei- en keihard werken om de eindjes aan elkaar te kunnen knopen. Dan kunt u wel met allerlei vage plannetjes komen en vragen om applaus, maar dat krijgt u niet van mij.

Als het gaat om die zzp'er: er gebeurt helemaal niets. Die zzp'er is nu onzeker en hoort nu te horen te krijgen wat er precies gaat gebeuren, en niet allerlei vooruitschuifplannetjes. Dat is nu eenmaal zo. Als u de brief goed hebt gelezen, dan weet u dat er niets in staat over de zzp'er. Ik snap het wel: het CDA wil natuurlijk credits krijgen en voor zichzelf zoeken naar succesjes, maar ze hebben gewoon keihard gefaald. Als u het goed had gedaan als CDA, zou er nu een plan voor die zzp'er hebben gelegen om echt uit de problemen te komen en dan waren er echte plannen gekomen voor die middengroepen. Maar dat hebt u niet gedaan. U hebt vooral geld weggesluisd naar ontwikkelingshulp. U hebt er vooral voor gezorgd dat er meer geld is voor mensen die niet-westerse allochtoon zijn. U doet niets tegen de profiteurs van niet-westerse kant die hier jaren achterelkaar kunnen blijven zitten zonder aan de taaleisen te voldoen. U hebt gewoon compleet gefaald.

De voorzitter:

De heer Heerma moet hier ... Hij moet niets, maar u daagt hem uit om hierop te reageren. Een korte reactie.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Het interessante is dat allerlei fracties in dit huis ook kritisch zijn over het regeerakkoord. Op basis van hun verkiezingsprogramma mag dat ook. De heer De Jong mag dat ook. Tegelijkertijd zie ik dat al die fracties op onderdelen zeggen: dit is wel een verbetering en daar zien wij een stap in de goede richting. Dat komt omdat zij die plannen hebben bekeken en denken: dit is een verbetering. Ik hoor de heer De Jong alleen maar de loondoorbetaling noemen. Ik vraag naar verdere maatregelen op basis van zijn betoog. Het mogen heel kleine stapjes zijn en hij hoeft helemaal niet te applaudisseren. Dat heb ik persoonlijk in ieder geval niet nodig. Maar het is toch niet gek om te vragen om een appreciatie of iets een stap in de goede richting is of iets wat de PVV sowieso niet gaat steunen? Ik vraag hem toch om daar alsnog antwoord op te geven. Zijn dit stapjes die de PVV gaat steunen, maar waarvan zij nog steeds zegt "niet goed genoeg", of is het allemaal brandhout en gaat er niets gesteund worden?

De voorzitter:

Helder. Een korte reactie.

De heer De Jong (PVV):

Er valt weinig steun te verlenen op het moment dat het allemaal vage plannen zijn. Als het gaat om de rest van de partijen: daar ga ik geen verantwoordelijkheid voor nemen. Het toont wel aan dat ze zo ongeveer allemaal met elkaar zouden kunnen fuseren; het is allemaal één pot nat. Op het moment dat er een beetje tegengeluid komt, wordt er om applaus gevraagd vanuit de CDA-fractie. Dat krijgt u niet. U hebt keihard gefaald als CDA-fractie. Wees er blij mee, maar de middengroepen zijn dat in ieder geval niet.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan ga ik nu naar de heer Wiersma namens de VVD.

De heer Wiersma (VVD):

Voorzitter. Er komt een moment in je leven dat je denkt: zit ik hier nog goed? Wil ik het misschien allemaal anders doen? Ga ik die droom achterna die ik altijd had of durf ik daar niet voor te kiezen en blijf ik toch maar zitten waar ik zit? Maakt u zich geen zorgen, ik heb het niet over mezelf. Ik heb het enorm naar mijn zin als lid van deze Kamer, voorzitter, en ik vind het ook een bijzonder moment om hier vandaag met u te mogen spreken over een onderwerp dat voor iedereen zo ongelofelijk belangrijk is: de arbeidsmarkt. Ik zal in mijn bijdrage ook het onderwerp pensioenen meenemen en mijn collega Nijkerken-de Haan zal ingaan op alles rond de bijstand, de Wajong, de Participatiewet, schulden en integratie.

Nee, voorzitter, ik had het niet over mijzelf, maar wel over iemand die voor mij een belangrijke inspiratiebron was voor eigenlijk alle debatten die ik hier over de arbeidsmarkt mag voeren: mijn vader. Mijn vader, die tot zijn 49ste als kok in een verzorgingstehuis heeft gewerkt, maar bij wie het altijd wel bleef kriebelen om ook iets anders te gaan doen, om eigenlijk net als zijn vader, die ooit de loondienst achter zich had gelaten, te gaan ondernemen en voor zichzelf te beginnen. En dat heeft hij gedaan. Hij heeft zijn baan inmiddels al ruim tien jaar geleden opgezegd om bijna elke dag van de week tegen de twaalf uur per dag in zijn eigen zaak te staan. Daar was ik niet alleen blij om, omdat ik dan af en toe een frietje bij hem kon halen — ja, voorzitter, hij heeft een snackbar — maar ik ben er gewoon trots op, trots dat hij op die manier zijn droom is achternagegaan. Bijkomend voordeel is dat, als ik zo af en toe met mijn vader een kroketje eet — hij huist overigens in het Friese Franeker, mocht u trek krijgen — een groot deel van mijn portefeuille langskomt in onze gesprekken, en dat helpt weer om vandaag met u te spreken.

Want zo eenvoudig is het niet, iets anders gaan doen, en al helemaal niet om de stap te zetten naar het ondernemerschap. Gelukkig zijn er toch honderdduizenden die de keuze voor het ondernemerschap maken en zien we dat aantal ook weer stijgen. Daar mogen we heel trots op zijn. Mensen net als mijn vader, die voor eigen risico en eigen rekening met onzekere inkomsten hard werken voor hun geld en trots zijn als hun harde werk zijn vruchten begint af te werpen. Het zijn ook die ondernemers die de afgelopen jaren magere jaren hebben gezien en blij zijn dat de economie weer groeit en bloeit. Ondernemers die staan te springen om nieuw personeel, die dat personeel ook maar wat graag, na tijden van onzekerheid, weer vaste grond onder de voeten willen bieden. Maar het zijn ook die ondernemers die elke dag merken dat de starre regels hun in de weg zitten in dat ze er eigenlijk een avondstudie rechten naast moeten doen om het allemaal te handelen. En dat alles nog afgezien van de zoektocht naar de juiste mensen op de juiste plek, waar je dan weer bijna een avondstudie HRM voor moet hebben, en dat is frustrerend, voorzitter, niet alleen voor ondernemers, maar voor iedereen die op zoek is naar werk. We hebben dan ook de politieke plicht, juist nu het beter gaat, om de komende jaren fundamenteel naar de arbeidsmarkt te kijken. Dat doet dit regeerakkoord dan ook en daar is de VVD heel blij mee: een ambitieuze agenda voor de arbeidsmarkt.

Maar, voorzitter, laten we ook de afgelopen jaren niet vergeten. In een heel moeilijke tijd hebben we de boel weer op orde gekregen. Het past hier ook om daarvoor de waardering richting de collega's van de Partij van de Arbeid uit te spreken. Samen maakten wij zware en soms moeilijke keuzes, maar we kregen Nederland wel op de rails. We kijken niet alleen terug, maar ook vooruit. Voor de VVD betekent dat zorgen dat de arbeidsmarkt aansluit op de snel veranderende wereld van de eenentwintigste eeuw, alle potentieel dat we hebben ook echt benutten en uiteraard zorgen voor een vangnet dat daarbij helpt. Graag loop ik de thema's langs die daarbij voor de VVD van belang zijn.

Voorzitter. Het huidige beleid is nog niet ingericht op de arbeidsmarkt anno nu. Dat zien we aan de kant van de ondernemer en dat zien we ook aan de kant van de werknemer. Beiden voelen zich onzeker. En dat voel je je al helemaal als je aan de zijlijn staat. Daarom moeten we er alles aan doen om ervoor te zorgen dat ondernemers weer mensen durven aan te nemen en weer vaste grond onder de voeten durven te bieden. Daarom is het belangrijk dat dit kabinet haast maakt met het terugbrengen van de balans op de arbeidsmarkt, een balans tussen risico's en zekerheden, tussen vast en flexibel werk. We zien dit ook terug in de brief van de minister. Dat is mooi.

Ik heb toch een paar vragen en zorgen. Is de minister het met de VVD eens dat we geen tijd te verliezen hebben met het verbeteren van de arbeidsmarkt? En is hij bereid om de daad bij het woord te voegen en ervoor te zorgen dat in ieder geval de belangrijke regelgeving rondom ontslag, de regels rond de transitievergoeding voor mkb'ers en de aanpassingen in de ketenbepaling zo snel mogelijk ook in wetgeving terecht gaan komen?

Wij horen uit de hoek van ondernemers zorgen over een mogelijke stapeling van maatregelen, bijvoorbeeld rond het tijdelijke contract, het vanaf dag 1 opbouwen van een transitievergoeding, maar ook de uitbreiding van het kraamverlof. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat deze lasten ook voor die kleinere ondernemers te dragen zijn? Is hij ook bereid hier een mkb-toets voor in te zetten? En is de minister bereid bij het wetsontwerp over cumulatie van ontslaggronden in het ontslagrecht ook een aantal concrete cases mee te nemen zodat we nu ook zekerstellen dat het ondernemers en werknemers help om afscheid van elkaar te nemen, uiteraard met goed fatsoen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

De VVD praat hier over de balans die weer in evenwicht zou moeten komen. Ik hoor heel graag van de heer Wiersma of hij niet ziet dat die balans toch wat zoek is. Ik heb niet de indruk dat de balans tussen werknemers en werkgevers helemaal in evenwicht is, zeker niet gezien het feit dat er sprake is van veel meer onzekerheid en veel meer flex. Ik hoor dus heel graag waar de heer Wiersma die balans ziet.

En de heer Wiersma heeft het over "iedereen aan de slag". Kan hij in dat verband ook nog even inzoomen op de doelgroep waar ik voor sta, dus op de oudere werkloze? Hoe ziet hij dat? Ik heb namelijk niet de indruk dat de mentaliteitskwestie bij werkgevers al helemaal is doorgedrongen, namelijk dat juist deze groep een heel goed potentieel vormt op de arbeidsmarkt.

De heer Wiersma (VVD):

Ik kom op het onderwerp pensioen en ouderen zo meteen in mijn verhaal nog terug. Als het goed is, neem ik dus een antwoord op de tweede vraag daar mee.

Over de vraag over de balans op de arbeidsmarkt kan ik het volgende zeggen. Wat mij opvalt, is dat je zowel aan de kant van de werknemers als aan de kant van de werkgevers kritiek hoort op dit regeerakkoord. Die kritiek is soms dat het niet ver genoeg gaat en soms dat het juist veel te ver gaat. Ik zeg niet dat er daarmee automatisch sprake is van een balans, maar ik denk wel dat met dit regeerakkoord goed is bekeken hoe je er nou voor kunt zorgen dat die vaste baan ook aantrekkelijker wordt. Dat betekent echter ook dat je iets moet doen aan de constructies die eigenlijk de arbeidsmarkt soms wel uithollen. Payrolling is daar een voorbeeld van. Dat pakken we heel actief op. Premiedifferentiatie in de WW doen we ook. Daar gaan we naar kijken. We zeggen: zou je het principe van "de vervuiler betaalt" niet ook bij dat flexibele contract willen zien? Dat gaan we onderzoeken in dit regeerakkoord en ik hoop ook dat de minister dat voortvarend gaat oppakken. De transitievergoeding vanaf dag één hebben we eerder in het sociaal akkoord niet kunnen regelen; dat weet u. Maar die hebben we nu in dit regeerakkoord wel geregeld. Dat is volgens mij een groot voordeel. Bij zzp'ers gaan we echt iets doen aan de onderkant van de arbeidsmarkt om te voorkomen dat het nog verder wordt uitgehold als je geen echte ondernemer bent. Dus volgens mij zitten er heel veel maatregelen van deze strekking in het regeerakkoord. En ik ben het met u eens: dat zijn plannen. De minister heeft daar een agenda en een proces voor gepresenteerd, maar volgens mij zijn het plannen waar de arbeidsmarkt veel behoefte aan heeft. Ik pleit ervoor om daar juist haast mee te maken.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Nog een klein puntje. Ik zeg toch: er zijn een aantal dingen die positief zijn, zeker de aanpak van payrolling. Die credits krijgt u zeker. Maar het punt wat u aangeeft, zeg maar de transitievergoeding: mooi dat dat vanaf de eerste dag zeker opbouwt, maar ik zie toch ook dat het aan de achterkant weggehaald wordt. Het wordt echt versoberd voor oudere werknemers die langdurig werken. Dus ja, ik bedoel, over de balans? Ik kom daar in mijn betoog nog op terug, maar ik zie de balans toch onvoldoende positief zoals meneer Wiersma het hier toch even probeert neer te zetten.

De heer Wiersma (VVD):

Die conclusie verbaast mij niet. Ik ben ook benieuwd naar het betoog zo meteen van mevrouw Van Brenk. Die balans zit er wel degelijk in, ook op die transitievergoeding, met name om dat zo in te richten dat het ook gaat bijdragen aan een transitie op de arbeidsmarkt, dat het leidt tot je volgende stap, dat het leidt tot ontwikkeling en omscholing. Juist voor oudere werknemers is dat van groot belang.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Ik wil de heer Wiersma complimenteren met zijn introductie over zijn vader. Mooi, dat doet goed. Persoonlijke verhalen raken ons ook, denk ik. Ik word ook geraakt — dat verbaasde me zo dat ik eigenlijk van mijn stoel viel en hiernaartoe kwam lopen — door de woorden van de VVD over de zekerheden die werknemers op dit moment missen en die we hard nodig hebben. Heel goed. In het regeerakkoord staat: payroll moeten we aanpakken. We moeten de kosten van de WW-premie, met name voor flex, verhogen. Staat ook in het regeerakkoord. Goede woorden, goede uitgangspunten. En de VVD maakt zich ook zorgen over de snelheid daarvan.

De voorzitter:

En de vraag?

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

En het toeval wil dat GroenLinks, SP en de Partij van de Arbeid alvast een wetsvoorstel payroll klaar hebben liggen. Het toeval wil dat de SP, GroenLinks en de Partij van de Arbeid al een initiatiefnota over die flexibele WW klaar hebben liggen. Ik zou zeggen: laten we dat oppakken met z'n allen en nu invoeren. Hoeven we niet te wachten.

De heer Wiersma (VVD):

Dank voor de complimenten in de inleiding. Ik wil graag complimenten terugmaken in dit geval, namelijk voor de creativiteit van de heer Van Dijk, met zijn collega's, om in het regeerakkoord heel mooie plannen te vinden, die eruit te pakken en daaraan een hele mooie eigen draai te geven. Dat kan ik waarderen, want dat zie ik ook als ondersteuning van de richting die we in het regeerakkoord hebben. Tegelijkertijd zeggen we daarin ook dat we dat zorgvuldig doen. Die stap zetten we in payrolling met het veld. Volgens mij is het belangrijk dat, als we dit doen, daarvoor draagvlak is. We doen het, maar wel op de manier die leidt tot de oplossing op de arbeidsmarkt, namelijk mensen vaste grond onder de voeten bieden. Volgens mij moet je dat centraal stellen. Dat doen we, en dat geldt ook voor premiedifferentiatie. Dat moeten we goed bekijken. Dat gaat de minister doen. Ik vraag hem bij dezen hoe hij dat gaat doen, want daar ben ik net zo benieuwd naar als u.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Ik wil de heer Wiersma erop wijzen dat de payrollwetgeving er al sinds de zomer lag. Inmiddels is het wetsvoorstel naar de Raad van State, dus dat is niet creatief. En we hebben allemaal haast. Ik hoor de heer Wiersma aan de ene kant zeggen dat we haast hebben, maar nu liggen er twee concrete plannen die hij ook wil, maar dan moeten we op zoek naar draagvlak en dan moeten we in overleg met de minister. Nee, er zitten duizenden mensen te wachten op deze zekerheden. Laten we het nu doen, gelet op de woorden die u ook uitspreekt over de noodzaak ervan. Laten we dat gewoon nu met z'n allen doen. Wat is de reden om dat nu niet te doen?

De heer Wiersma (VVD):

Volgens mij is het de bedoeling om het nu te doen. Dat heeft de minister duidelijk aangegeven in zijn brief. Dat doen we gezamenlijk met een aantal andere maatregelen die wel met elkaar samenhangen. Zo is de aanpak die gekozen is en dat vinden wij een goed idee. Volgens mij moet je dit zorgvuldig doen, maar wel met snelheid, in de aanpak die de minister nu kiest.

De heer Özdil (GroenLinks):

Collega Wiersma van de VVD zei net dat SP, PvdA en GroenLinks heel creatief waren als het gaat om het vinden van goeie dingen in het regeerakkoord. Dat kunnen we als een compliment opvatten, maar het kan ook als een punt van zelfkritiek worden opgevat door de heer Wiersma. Dat laat ik even in het midden.

De heer Wiersma (VVD):

Dat is een compliment.

De heer Özdil (GroenLinks):

Oké, mooi, we blijven optimistisch. Ik hoor ook hele mooie woorden van mijn collega van de VVD. Een arbeidsmarkt, aansluitend op de wereld. Potentieel benutten. Onzekerheden wegnemen. Daar zijn we het volgens mij allemaal mee eens. Mijn vraag is dus: is de VVD heel plat gezegd van haar flexverslaving af? Met andere woorden: wat is volgens collega Wiersma een goed percentage aan mensen met een flexcontract in Nederland, een land waar het spuigaten is uitgelopen, zoals hij ook weet?

De heer Wiersma (VVD):

Volgens mij zien we nu op de arbeidsmarkt dat het beter gaat, dat er heel veel vacatures zijn, dat er in heel veel sectoren tekorten zijn, dat ondernemers staan te springen om, wat ik al zei, mensen weer in dienst te nemen, ook in vaste dienst. Als het goed gaat met ondernemingen, kan dat ook. Volgens mij is het niet een kwestie van percentages, volgens mij is het een kwestie van het aantrekkelijker maken van werkgeverschap en ervoor zorgen dat we zekerheden op de arbeidsmarkt opbouwen. Dat doen we in het regeerakkoord. Ik zal er zo meteen nog een aantal dingen over zeggen.

De heer Özdil (GroenLinks):

Dan zal ik mijn vraag kort herformuleren. Vindt mijn collega Wiersma van de VVD dat het huidige percentage onder een flexcontract werkende mensen in Nederland te hoog is?

De heer Wiersma (VVD):

Wij hebben de ambitie om een vaste baan voor werknemers en werkgevers makkelijker. Als we het percentage dat u noemt daarmee kunnen wijzigen, ben ik daarvoor. Maar dat is niet tegen alles, want het is voor werkgevers wel iets wat ze voor eigen risico en rekening ondernemen. Dat zou ook flexibiliteit nodig hebben. Ze zien een wereld die steeds sneller verandert, waarin een bedrijf van de ene op de andere dag om kan vallen. Kijk naar V&D. Hordes mensen komen dan op straat te staan. De technologie gaat snel. Elk huis kan een hotel zijn en elke auto een taxi. Dat is ook de arbeidsmarkt waar deze werkgevers mee te maken hebben. Volgens mij moet je dat met elkaar in balans brengen. Dat doen we met dit regeerakkoord.

De heer Van Kent (SP):

Wij waren heel blij om te zien dat de regeringspartijen ons idee hadden gejat en in het regeerakkoord hadden opgenomen. Dat op de eerste plaats. Maar nu hoor ik de heer Wiersma zeggen "snelheid is nodig". Vervolgens hoor ik hem allerlei barricades opwerpen: eerst moet daaraan voldaan worden en vervolgens daaraan. Volgens mij willen wij met z'n allen — er is geen enkele partij in de Kamer die dat niet wil — die payrollconstructies overbodig maken. Welke barricades werpt de heer Wiersma precies op? Aan welke voorwaarden moet worden voldaan eerdat deze Kamer de wet die mede door ons is ingediend, kan aannemen en de payrollers eindelijk krijgen waar ze recht op hebben?

De heer Wiersma (VVD):

Ik zei het net al, wij werpen helemaal geen barricades op. Een aantal maatregelen bij elkaar bekijken we gezamenlijk. De minister heeft daarover in zijn brief geschreven. Dat is de weg waarin wij ons kunnen vinden.

De heer Van Kent (SP):

De heer Wiersma zegt in een paar bijzinnen dat het in samenhang moet worden bekeken. Dat is precies die barricade, dat is precies die barricade. Laat ik de vraag anders formuleren: hoelang wilt u wachten totdat er over het ontslagrecht of weet ik wat allemaal, er akkoorden zijn bereikt, die er volgens mij nooit gaan komen? Hoelang wilt u wachten totdat die payrollwet hier in de Tweede Kamer aangenomen kan worden, zodat het probleem van de payrollers wordt opgelost?

De heer Wiersma (VVD):

Als ik het goed begrijp, gaat de minister in de loop van 2018 hiervoor wet- en regelgeving naar de Kamer sturen. Dat is het antwoord op uw vraag.

De heer Van Kent (SP):

Het ligt er al.

De heer Wiersma (VVD):

Ja, uw wet ligt er, maar de minister komt ook met regelgeving.

De heer Van Kent (SP):

Dat lijkt me dubbelop tijdverlies. Laten we meteen zaken doen, toch?

De voorzitter:

De heer De Jong.

De heer De Jong (PVV):

Allemaal mooie woorden: het gaat allemaal fantastisch, het gaat alleen nog maar beter worden. Ondertussen zien we als het om banengroei gaat, dat het zo ongeveer alleen maar flexbanen zijn. Maar goed, dat is mijn vraag niet. Mij gaat het om de manier waarop naar het regeerakkoord toe is gewandeld. Met veel bombarie werd aangegeven, ook door de VVD, dat iedereen er echt op vooruit zou gaan. De koopkrachtcijfers zijn daarna gepresenteerd, waarmee de VVD ontzettend blij was, om er vervolgens achter te komen dat het allemaal een wassen neus is. Waarom? Omdat het gebaseerd is op de groei van lonen. Nu is het de minister zelf geweest die zei: luister 'ns, die lonen stijgen toch minder dan verwacht. Hoe kijkt de VVD aan tegen haar eigen manier van het presenteren van de koopkrachtcijfers ten opzichte van de realiteit van vandaag, waaruit blijkt dat helemaal niemand erop vooruitgaat?

De heer Wiersma (VVD):

Dank voor deze vraag. Ik begrijp dat je, als je voor je betoog een mooi lijstje cijfers hebt gemaakt en er een brief komt waarin eigenlijk staat dat iedereen er netto gewoon op vooruitgaat, terwijl de loonstijging er nog niet in is meegenomen, dat de zorgtoeslag omhooggaat, dat het kindgebonden budget omhooggaat, dat de kinderopvangtoeslag omhooggaat, dat de ouderkorting omhooggaat, dat de arbeidskorting omhooggaat en je in de cijfers ziet dat mensen er gemiddeld genomen echt op vooruitgaan, wat niet aansluit bij je verhaal, hier dat punt nog een keer maakt. Dat snap ik, maar ik kan het niet onderbouwen met de cijfers die in deze brief staan. Want volgens mij komen die niet overeen met wat u zegt.

De heer De Jong (PVV):

Dit is wel heel mooi. Er is nu namelijk een VVD-Kamerlid dat aangeeft dat wat de minister hier naar voren brengt niet klopt. Mijn vraag ging over de manier waarop de VVD bij de presentatie van het regeerakkoord met veel bombarie aangaf dat we er zo op vooruit zouden gaan in koopkracht. Dit blijkt echter gebaseerd te zijn op de manier waarop de lonen zich ontwikkelen. Er moet dan sprake zijn van een stijging van meer dan 3% per jaar, maar werkgevers zeggen dat ze voor de komende jaren helemaal geen ruimte zien om de lonen met 3% of meer te laten stijgen. In de brief van vandaag ... Dat is een belangrijk punt, voorzitter, want het gaat om de koopkracht.

De voorzitter:

Alles is belangrijk, meneer De Jong.

De heer De Jong (PVV):

In de brief van vandaag wordt aangegeven dat iemand met een modaal inkomen, een alleenverdiener met kinderen, er 0,2% op achteruit gaat. Die gaat erop achteruit. Mijn vraag is dus: hoe verhoudt een en ander zich tot de realiteit, waarin mensen hun netto beschikbaar inkomen niet zien verbeteren?

De heer Wiersma (VVD):

Ik waardeer het dat de heer De Jong in dat hele lijstje met positieve cijfers het minnetje heeft gevonden. Ik heb die brief hier ook. Daarin staat dat de loonstijging daarin nog niet is meegenomen. Dat is ook wat u zegt. Die zit hier nog niet in. Die komt er nog bij. Ik noemde net een hele lijst aan dingen die we ook in het vorige kabinet geregeld hebben. Denk aan 5 miljard aan lastenverlichting. Er zijn dus heel veel maatregelen die we ook volgend jaar terugzien en die ook gewoon leiden tot vooruitgang, zoals u kunt zien in de brief die u daar ook heeft.

Specifiek op dit punt heeft u gelijk. Dat komt, en dat wordt ook in de brief beschreven, door de overdraagbaarheid van de heffingskorting, de afbouw daarvan, omdat werken ook wel moet lonen. Dat is ook wel ongeveer het mantra van mijn partij. Als er enigszins een prikkel kan zijn om dat te laten lonen, dan zit die hier. We hebben er ook bewust voor gekozen om die heffingskorting af te bouwen.

Voorzitter, misschien kan ik concluderend nog zeggen dat ik snap wat de heer De Jong allemaal zegt over cijfers en koopkrachtplaatjes, maar dat ik wel constateer dat hij zelf een heel duidelijk verkiezingsprogramma had waar ook wat cijfers in stonden. Er werd daarin volgens mij 3 miljard van de inkomstenbelasting afgehaald. Het kabinet doet het dubbele. Dat zijn van mijn kant dan dus even ook wat cijfers.

De heer Bisschop (SGP):

Terecht noemt de heer Wiersma het mantra dat werken moet lonen, maar de vinger wordt inderdaad terecht gelegd bij bepaalde groepen die tussen wal en schip vallen. Wij hebben als SGP een- en andermaal aandacht gevraagd voor de penibele situatie van eenverdienersgezinnen, waarbij een van de partners niet eens in staat is om te werken. Betekent dit dan dat er wat de heer Wiersma betreft geen enkele opening is om in dit soort schrijnende situaties iets tegemoet te komen aan eenverdienersgezinnen? Wordt er dan gezegd: slechts een van de partners werkt, dus jammer dan, dan worden die ook het slachtoffer van de afbouw van de heffingskorting en dat soort dingen; dat maakt allemaal niet uit?

De heer Wiersma (VVD):

Nee, het gaat om het totaalpakket. De loonstijging zit hier ook nog niet in. Ik begrijp het punt dat de heer Bisschop maakt ook echt goed. Het is natuurlijk ook nog zo dat we NIBUD-cijfers hebben gehad over die situatie. Voor de komende jaren ziet het plaatje, voor zover ik nu kan overzien, er ook weer anders uit. Die staat volgens mij ook bij ons op het netvlies. Het is niet zo dat we hier bewust voor een minnetje willen zorgen. Nee, de inzet van het kabinet is volgens mij om de koopkracht eigenlijk voor iedereen te verbeteren. Dat is bij het regeerakkoord ook gezegd.

De heer Bisschop (SGP):

Dan ben ik wel heel erg benieuwd naar de concrete maatregelen die de VVD bereid is te nemen. Wij hebben tot nu toe steeds aan de deur gerammeld met de boodschap: "Er moet wat gebeuren, want het NIBUD en de Wetenschappelijke Raad voor het Regerigsbeleid wijzen er allebei op dat dit de zwakste gezinnen zijn in de samenleving. Daar is de armoede te vinden. Daar heb je de kinderen onder armoedegrens." Ik ben nu wel heel erg benieuwd naar voorstellen van de zijde van de VVD om tot zaken te kunnen komen.

De heer Wiersma (VVD):

Dat is precies waarom we daar in het regeerakkoord voor hebben genomen, zoals het verhogen van het kindgebonden budget en met betrekking tot de heffingskorting, de arbeidskorting en noem maar op. De maatregelen die ik net al opsomde, zetten we juist in om wat voor deze groep te bewerkstelligen.

De voorzitter:

Ik stel voor dat u verdergaat.

De heer Wiersma (VVD):

Ja, want ik ben er nog niet.

De voorzitter:

Nee, dat weet ik. Daarom.

De heer Wiersma (VVD):

Een punt van zorg. Een belangrijk onderdeel van de nieuwe balans op de arbeidsmarkt is ook de verbeterde regelgeving voor zzp'ers door de introductie van drie categorieën. Voor de VVD staat voorop dat daarbij de evidente zzp'er en zijn opdrachtgever ook echt snel duidelijkheid krijgen. Na alle onduidelijkheid en angst die de afgelopen jaren zijn opgeroepen, zijn we echt verplicht om aan deze belangrijke groep ondernemers zekerheid te bieden. De VVD werd niet helemaal vrolijk van de aankondiging dat de zzp-maatregelen van het kabinet pas in 2020 in werking zullen treden. Onze vraag aan de minister is dan ook of daar de turbo op kan. Natuurlijk begrijpen we dat het ontwikkelen van zo'n webtool tijd kost, maar is het niet mogelijk om de criteria, die ook weer duidelijkheid kunnen geven over de gezagsverhouding, al eerder te openbaren, bijvoorbeeld uiterlijk 1 januari 2019, zodat er ook al duidelijkheid ontstaat voor de echte zzp'er? Hetzelfde geldt voor het hoge tarief, waarbij ook duidelijk sprake is van ondernemers. Kunnen zij ook eerder dan 2020 al deze duidelijkheid krijgen? We overwegen op dit punt een motie.

Een ander punt met betrekking tot zzp'ers. Het kabinet wil ook bezien hoe de verzekeringsgraad onder zzp'ers voor arbeidsongeschiktheid kan worden verhoogd door met verzekeraars in gesprek te gaan over een aantrekkelijk aanbod. Kan de minister toezeggen dat hij dat snel gaat doen? Kan hij daarin ook meenemen dat sommige verzekeraars bij specifieke beroepen bijvoorbeeld slechts tot 55 jaar dekken? Dat gaat om dakdekkers, vloerenleggers, ijzervlechters en metselaars. Kan hij dat in dat gesprek meenemen? Juist voor dat soort beroepen is het van belang om die verzekering mogelijk te maken.

De voorzitter:

De heer De Jong wil de heer Özdil voor laten gaan — wat een vriendelijkheid! — maar de heer De Jong was eerder.

De heer De Jong (PVV):

Ik hecht eraan om het debat een beetje zuiver te houden. Ik heb toch nog eens even de brief van zojuist bekeken, over de koopkrachtcijfers. En wat zie ik daarin staan? De gemiddelde loonontwikkeling is meegenomen. Die is meegenomen in de koopkrachtplaatjes die vandaag naar de Kamer zijn gestuurd. Er wordt zojuist tegen mij gezegd dat hetgeen waar ik net aan refereerde, niet zou kloppen omdat de loonontwikkeling niet zou worden meegenomen. Ik wil dat even als een aandachtspuntje naar voren brengen. Als de heer Wiersma op deze manier zijn eigen plannetjes wil verkopen, dan hoop ik dat hij dit voor de rest van het debat eventjes achterwege laat. Het staat namelijk gewoon in diezelfde brief.

De heer Wiersma (VVD):

Om die onduidelijkheid weg te nemen: ik citeerde slechts van pagina 1, waarop de tabel met de loonstrookjeseffecten staat. Daarin is de loonstijging nog niet meegenomen.

De heer Özdil (GroenLinks):

GroenLinks is het helemaal eens met de heer Wiersma als het gaat om de plannen in het regeerakkoord voor een minimumtarief voor zzp'ers. Hij gaf net aan dat de minister gaat spreken met de sociale verzekeraars om tot een passend aanbod te komen voor zzp'ers. Is de VVD het met GroenLinks eens dat wanneer het minimumtarief voor zzp'ers bepaald wordt, dat ten minste genoeg moet zijn om die verzekeringen te kunnen betalen en om daarnaast een normaal leven te kunnen hebben?

De heer Wiersma (VVD):

We hebben bewust drie categorieën genoemd in de uitwerking van het regeerakkoord. Ik kijk ook uit naar de uitwerking van de minister. Daarom ook mijn vragen. Dat gaat ook over het minimumtarief. Dat is ook een van de elementen waarvan ik mij besef dat dit precies komt. Ik vroeg om duidelijkheid, en die duidelijkheid vraag ik met name voor de evidente zzp'er. Op dit punt is precies de bedoeling van het kabinet om er een bodem in te leggen, zodat duidelijk is dat je anders in loondienst zou moeten zijn. Vraagt u dus eigenlijk aan mij om er in dat minimumtarief rekening mee te houden dat er ook nog verzekerd moet worden voor bijvoorbeeld arbeidsongeschiktheid? Mij blijkt dat dit het geval is; helder. Die vraag staat ook bij ons op het netvlies en geef ik hiermee door aan de minister, zodat hij daar ook zijn planning voor kan geven.

De heer Özdil (GroenLinks):

Het is heel vriendelijk dat mijn collega Wiersma de vraag doorgeeft aan de minister, maar mijn vraag was gericht aan hem. Nogmaals, mijn vraag is of de VVD het met GroenLinks eens is dat het minimumtarief voor zzp'ers in het regeerakkoord minimaal zo hoog moet zijn dat zij een arbeidsongeschiktheids- en pensioenverzekering kunnen betalen.

De heer Wiersma (VVD):

De keuze om te verzekeren maakt de evidente zzp'er zelf. In het regeerakkoord kiezen we er ook niet voor om die verplichting op te leggen. We kiezen er daarom juist wel voor om een duidelijke bodem neer te leggen. Als je daarboven zzp'er bent, geldt dus dat je zelf de keuze maakt hoe je het doet. Dan geldt nog de opdrachtgeversverklaring en dan gelden nog duidelijke criteria, waaraan wordt getoetst op je daadwerkelijk zzp'er bent. Vervolgens is het, als je evident zzp'er bent, aan jezelf.

De voorzitter:

Afrondend.

De heer Özdil (GroenLinks):

Dit uitgebreide antwoord ga ik al een nee opvatten. Ik hoor het graag als ik dat verkeerd heb opgevat.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Wiersma (VVD):

Voorzitter. Daar stopt het niet. Ik heb namelijk twee punten die meer gaan over het langetermijnperspectief. De minister kondigt aan dat hij in gesprek wil gaan over de vraag hoe we ons kunnen voorbereiden op de arbeidsmarkt van morgen en overmorgen, met permanent leren, waarover ik zo nog iets ga zeggen, het bieden van zekerheid, duurzame inzetbaarheid et cetera. De VVD ziet dit ook wel als de fundamentele discussie over de arbeidsmarkt. Het regeerakkoord bevat hiervoor al veel goede plannen, maar de uitdagingen stoppen niet na vier jaar. Daarom heb ik twee suggesties. De eerste: wil de minister ook nadrukkelijk alle nieuwe vormen van werken die in opkomst zijn, meenemen? De groei van platforms als Thuisbezorgd en Uber laat zien dat de platformeconomie in opkomst is. Dat geeft veel kansen voor nieuwe banen, maar zorgt ook steeds vaker voor arbeidsrechtelijke uitdagingen. De zzp-plannen van het kabinet zijn een deel van de oplossing, maar het arbeidsrecht zal steeds vaker schuren met de toenemende hybriditeit van het werk. Er ligt nog van de vorige minister een onderzoeksopdracht over de kluseconomie. Die is vooral gericht op de omvang en de manier van werken. Vandaar mijn oproep aan deze minister om ook de toekomst van de arbeidsovereenkomst mee te nemen. Is het mogelijk om de SER, en via de SER de veldpartijen, te verzoeken om een fundamentele analyse te laten uitvoeren betreffende de veranderende vragen die op de arbeidsmarkt afkomen en waarop de arbeidsovereenkomst zou moeten inspelen? Kan hij daarbij de knelpunten in kaart brengen en specifieke oplossingen aandragen? Kan hij toezeggen dat hij de Kamer daarover informeert?

Op dit punt heb ik ook nog iets praktisch. Tijdens de rondetafel over de platformeconomie die we, mede op initiatief van Gijs van Dijk van de PvdA, hebben georganiseerd, kwam naar voren dat de informatievoorziening over vragen als "hoe werk je nou in de platformeconomie?" en "waarmee moet je rekening houden?" niet altijd op orde is. Dat werd door nagenoeg alle aanwezigen aangekaart. Kan de minister hier werk van maken? Kunnen we de informatievoorziening over waarmee je rekening moet houden, bijvoorbeeld een checklist, ook via de openbare informatievoorziening van de overheid versterken?

De tweede suggestie: bij een discussie over de arbeidsmarkt van morgen hoort ook een overlegeconomie die toekomstproof is. Als oud-voorzitter van FNV Jong zal ik de eerste zijn die waarde hecht aan werkgevers- en werknemersvertegenwoordiging. Maar misschien ben ik dan ook wel de eerste die daarvan de uitdagingen beziet. Als gevolg van het feit dat dé werknemer niet meer bestaat, vertroebelt ook de mate van vertegenwoordiging van die welbekende sociale partners. Het centrale en sectorale overleg kenmerkt zich door een zekere stabiliteit, maar als je het door een minder positieve bril bekijkt, heeft het ook elementen van een monopolie. Er wordt aan de polder veel gegund — ja, ook door de VVD — en er wordt, heel vaak ook terecht, aan sectoren de ruimte gegeven om af te wijken van de cao. Maar als we dat zo willen houden, is ook hier denkwerk nodig. Er moet ook wel wat tegenover staan, namelijk ruimte voor modernisering en verbetering. Dit punt wordt ook genoemd in het regeerakkoord. We zijn benieuwd hoe de minister hieraan vormgeeft. Ik noem: ruimte bieden aan nieuwe collectieven aan de bestaande tafels, openstaan voor alternatieve afspraken voor een deel van het veld en meer ruimte bieden voor maatwerk, bijvoorbeeld door collectieve afspraken meer op hoofdlijnen te maken en te toetsen op ruimte voor maatwerk. Kan de minister aangeven hoe hij aankijkt tegen dit soort moderniseringsvragen? Kan hij ook aangeven hoe hij dit gaat meenemen in het gesprek dat hij met de sociale partners zal voeren? En hoe ziet de minister zijn rol hierin? Wat de VVD betreft past hem hier een soort rol van bondscoach van de polder, maar dan hopelijk een die succesvoller is dan de bondscoach die we in de afgelopen jaren op het veld hebben gezien. Kan de minister dit toezeggen? Gaat hij die bondscoach ook zijn?

Voorzitter, ik zie een interruptie aankomen, maar zal ik dit eerst helemaal afmaken? Ja, dat doe ik.

Het belang van ontwikkeling en scholing, je leven lang, is voor de VVD een zeer belangrijk punt. Ik noemde aan het begin van mijn betoog al mijn vader. De arbeidsmarkt vraagt om goed opgeleide arbeidskrachten. In sommige sectoren schreeuwt men er zelfs om. Het nieuwe normaal is dat je je gedurende je hele werkzame leven blijft verdiepen in nieuwe technieken en ontwikkelingen. Dat betekent dat je de gelegenheid moet hebben om je om te scholen en om je kansen op de arbeidsmarkt zo groot mogelijk te maken en te houden. Maar de VVD ziet ook dat het woord "scholing" nog weleens wat weerstand oproept. Ik noem de angst om weer de collegebanken in te moeten, voor een zware studielast in wat ooit jouw vrije avonden waren en natuurlijk voor het keihard buffelen voor examens. En laten we eerlijk zijn: dat klinkt ook best heftig. Maar zoals het klinkt hoeft het niet te zijn. Integendeel. Juist omscholing kan de juiste handvatten bieden om die gedroomde baan uiteindelijk te krijgen. Omscholing is niet per se iets klassikaals. Het is een manier om jouw vaardigheden verder te ontwikkelen of uit te breiden, ook in de praktijk. Voor die omscholing is geld beschikbaar, maar dat wordt niet altijd voldoende benut, zo bleek laatst ook uit onderzoek van De Telegraaf. En uit de brief van de minister maak ik op dat ook ten minste de helft van de middelen bij scholingsfondsen nog onbenut is. Het is dus versnipperd of het zit vast in collectieve potten. Dat is ontzettend zonde. Hoe gaat de minister dat geld loskrijgen?

De VVD zou ook graag zien dat mensen een persoonlijk budget tot hun beschikking krijgen. Dit staat in het regeerakkoord en heeft wat de VVD betreft ook echt haast. De arbeidsmarkt schreeuwt nu om goed personeel en er staan nog te veel mensen langs de kant. Kan de minister een tijdpad schetsen voor de realisatie van de persoonlijke leerrekening? Kan de minister haast maken door al komend jaar met enkele experimenten te starten? Er lopen al verschillende voorbeelden. Zou hij die kunnen ondersteunen? En is de minister ook bereid om te onderzoeken welke prikkels in combinatie met arbeidsvoorwaarden in de toekomst zouden kunnen bijdragen aan die permanente leercultuur? Dat is een belangrijk punt voor de VVD. Kan de minister ook toezeggen dat hij zal kijken naar het leggen van een directe koppeling tussen de leerrekening en de transitievergoeding?

Tot slot op dit punt. Het moet altijd lonen om jezelf te blijven ontwikkelen. Je bent immers nooit uitgeleerd. Is de minister het met mij eens dat dit gegeven een belangrijke rol in cao's verdient? Een opleidingsbudget is misschien wel het allerbelangrijkst voor de mensen die nu nog langs de kant staan. Welke mogelijkheden ziet de minister om omscholing ook een belangrijke rol te laten spelen binnen een uitkering? Is de minister bereid om een pilot uit te werken rond scholingsarrangementen? Het amendement dat wij hebben ingediend samen met CDA, D66 en de ChristenUnie om 30 miljoen vrij te maken voor omscholingsbeurzen is wat ons betreft een mooie eerste stap.

Tot slot ga ik in op de pensioenen. Hoewel mijn vader nog elke dag met veel enthousiasme in zijn snackbar staat, praten we onder het genot van die kroket ook over hoe het straks zal zijn, als hij met pensioen is. Want ook op dat punt leven mensen met onzekerheid. Daarom is het ook hier tijd voor modernisering en herstel van vertrouwen. Mensen willen zicht op hun eigen pensioenpot en daarvoor is ook het afschaffen van de doorsneepremie nodig. De SER heeft een belangrijke basis gelegd voor de hervorming van het stelsel. De VVD zou graag zien dat de minister snel duidelijkheid geeft over het tijdpad dat hij daarvoor voor ogen heeft en over de voortgang die hij daarop in de polder ziet.

De bewondering voor mijn vader is er een die ik voel voor alle ondernemers in dit land. In tegenstelling tot de indruk die hier nog weleens gewekt wordt, zijn ondernemers er niet op uit om hun werknemers in onzekerheid te laten, uit te knijpen of bij het minste of geringste op straat te gooien. Ze werken hard aan een mooi product of een mooie dienst en zoeken ook mensen die zij kunnen vertrouwen. Ze willen erop kunnen vertrouwen dat die mensen met evenveel hart voor de zaak het bedrijf verder helpen groeien. Die ondernemers moeten wij koesteren en de ruimte geven om vele anderen in ons land een baan te bieden. Zoals mijn vader de droom had om zijn eigen zaak te starten en uit te bouwen, zo heb ik de droom dat in deze Kamer, in dit huis en met deze collega's, de voorwaarden kunnen worden geschept om dat mogelijk te maken voor al die ondernemers, en daarmee ook voor al die mensen die werken, meer willen werken of op zoek zijn naar werk. En voor wie dat echt niet kan, hebben we in Nederland natuurlijk een goed vangnet.

Dat gezegd hebbende, geef ik zo het woord aan mijn collega Nijkerken-de Haan.

De voorzitter:

Voordat u dat doet, geef ik de heer Gijs van Dijk het woord.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

De heer Wiersma spreekt over de toekomst. Daarbij zijn de toekomst van scholing en de toekomst van werk van belang. Maar er is ook nu een heel groot probleem. Veel oudere werknemers kunnen namelijk niet gezond hun pensioen halen. Ik heb het regeerakkoord heel goed gelezen en ik zie geen enkel woord staan over mogelijkheden om eerder te stoppen of een dag minder te werken. Wat zijn de plannen van de VVD voor juist deze groep, deze generatie, die zich niet meer kan scholen, maar vooral iets minder wil werken om gezond het pensioen te halen?

De heer Wiersma (VVD):

In de afgelopen periode hebben we samen met de PvdA de AOW houdbaar gemaakt, zodat ook onze kinderen en kleinkinderen in de toekomst AOW kunnen krijgen. Dat is een belangrijk uitgangspunt. Ik denk dat de heer Gijs van Dijk dat met ons zal delen. We hebben in het regeerakkoord ingezet op het vernieuwen van het pensioenstelsel. We moeten veel meer kijken naar opleiding en scholing en ervoor zorgen dat mensen met een zwaar fysiek beroep zich kunnen omscholen naar een ander beroep. Volgens mij moeten we daar echt werk van maken. Opkomen voor deze groep doe je volgens mij door hen te helpen met concrete maatregelen. Die staan ook in dit regeerakkoord. Voor de groep die dat niet redt, verlengen we de IOAW. We hebben ook de overbruggingsregeling. Het is dus niet zo dat we die groep helemaal miskennen. Sterker nog, er zijn ook maatregelen om mensen sneller aan het werk te helpen. We hebben in de afgelopen periode bijvoorbeeld de no-rikspolis ingezet. Dus daar heeft het kabinet volgens mij heel veel aandacht voor.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dus niks. Ik hoor dus geen concrete maatregelen juist voor de mensen die dit breed aangeven. De FNV heeft ook terecht gezegd: we willen best praten over pensioen, maar dan willen we ook praten over mensen die het niet redden. En dan hebben we het over het generatiepact, over deeltijdpensioenen en over al dat soort maatregelen die nodig zijn en die de minister in de achterzak moet hebben om uiteindelijk een goed akkoord te kunnen sluiten. Is de VVD bereid om die ruimte te geven aan de minister?

De heer Wiersma (VVD):

Die generatiepacten zijn precies wat de minister in zijn zak heeft, ook als ik kijk naar wat hij daar letterlijk over gezegd heeft. Ik ken de generatiepacten ook. Dat zijn soms heel goede voorbeelden. Volgens mij is het heel goed om de uitdaging voor de zware beroepen op sectoraal niveau te bekijken. In deze tijd waarin werkgevers veel mensen zoeken en er tekorten zijn, kom je niet op voor oudere werkzoekenden door ze achter de geraniums te zetten. Dat doe je door serieus te kijken naar hoe je deze groep verder helpt. Daar hebben wij heel veel maatregelen voor in het regeerakkoord. Het staat er echt bol van, zou ik zeggen. Ik vind het echt te kort door de bocht dat u dat hier stelt. De zorg is duidelijk. Die zorg hebben wij ook. Hoe zorg je ervoor dat mensen met een zwaar beroep op een andere plek toch weer van waarde kunnen zijn met de kennis en expertise die ze hebben?

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

U heeft zorgen, maar u heeft geen maatregelen. Die maatregelen zijn keihard nodig om die mensen wel gezond naar het pensioen te kunnen leiden.

De heer Wiersma (VVD):

Ik heb die maatregelen genoemd. Een belangrijke maatregel waar ook de heer Van Dijk aan bij zou kunnen dragen, omdat hij eerder ook goed contact had met de polder, is ervoor zorgen dat we snelheid maken met het vernieuwen van het pensioenstelsel. Volgens mij hebben ouderen daar echt wat aan, want dan gaan ze er ook op vooruit.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Nijkerken-de Haan, ook namens de VVD.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Voorzitter. Zoals mijn collega Dennis Wiersma al zei, hebben we zo ontzettend veel ondernemers met banen en zo ontzettend veel mensen die graag willen werken of meer willen werken. Die zitten te springen om aan de slag te gaan. Onze economie groeit en bloeit. Als ondernemer zie je dat je harde werk zijn vruchten begint af te werpen. Je wilt heel graag mensen aannemen, maar het is een heel grote uitdaging om ze vervolgens te vinden. En dat terwijl er nog steeds 1,3 miljoen mensen aan de kant staan of best bereid zouden zijn om meer uren te gaan werken.

De arbeidsmarkt moet dus gemoderniseerd worden. Daarnaast is het wat de VVD betreft van groot belang dat we mensen die aan kant staan of mensen die nu werken en meer willen werken, in beeld krijgen zodat we vraag en aanbod meer en beter bij elkaar kunnen brengen. We moeten niet vergeten dat er een sociaal vangnet nodig is en blijft voor de groep mensen die het even niet alleen kan of die juist een steuntje in de rug nodig heeft. Zij moeten kunnen rekenen op de ondersteuning die ze nodig hebben om zichzelf staande te kunnen houden.

Voorzitter. Om überhaupt aan de slag te kunnen, moet je wel de juiste baan weten te vinden. Dat is nog steeds te weinig het geval. Dat heeft verschillende redenen. Zoals ik net al zei, sluiten vraag en aanbod niet voldoende op elkaar aan. Dat is frustrerend, voor de mensen die werk zoeken, maar ook voor de ondernemer die nou juist zit te springen om personeel. Vooral het mkb, de motor van onze economie, zit met de handen in het haar. Die zogenoemde mismatch moeten we aanpakken, en snel. Ik vind het namelijk lastig uit te leggen op een verjaardagsfeestje dat we er nog steeds niet in slagen, hoe vaak we er ook over gesproken hebben, om vraag en aanbod beter bij elkaar te brengen.

Terwijl er goede voorbeelden zijn. Ik neem beide bewindspersonen in gedachten mee naar Limburg; even een reisje naar het zuiden van het land. Als Kamerlid uit deze provincie zal mijn keuze voor juist Limburg niet verbazen. Niet alleen omdat het heel fijn is om er te wonen, maar vooral ook omdat ik graag hun antwoord op en aanpak van deze mismatch onder de aandacht wil brengen. De provincie Limburg heeft samen met 33 gemeenten een ambitieus aanvalsplan gemaakt: "Zo WERKT Limburg!" Dit initiatief is er gekomen omdat de afzonderlijke aanpakken van de verschillende gemeenten en betreffende arbeidsmarktregio's in de provincie te versnipperd waren. Zij bundelden hun krachten, waardoor dit plan een antwoord biedt op de mismatch waarover ik zojuist gesproken heb. Zo kan Limburg zijn onbenutte arbeidspotentieel klaarstomen voor de arbeidsmarkt. Partijen gaan zich nu samen richten op de zorgsector, de logistiek en de bouw, sectoren waar zich echt grote tekorten voordoen. Het plan staat ook niet geheel op zichzelf. Het is een vervolg op de Limburgaanpak, die zag op VDL Nedcar en echt heeft laten zien dat het werkt als bedrijfsleven, onderwijsinstellingen en gemeenten samen een passende aanpak maken, waardoor mensen die eerst aan de kant stonden nu als volwaardig medewerker een dienstbetrekking hebben.

Het is fantastisch dat deze initiatieven op zo'n grote schaal worden opgepakt en uitgevoerd. De VVD ziet in dit voorbeeld ook enorme kansen voor het midden- en kleinbedrijf. Laat ik vertellen waarom. Nog niet zo lang geleden bezocht ik een grote bakkerij in Zuid-Limburg. Dit familiebedrijf is ondanks de economische tegenwind de afgelopen jaren flink gegroeid. Het heeft zelfs plannen gemaakt om zelf mensen op te leiden, niet alleen zodat ze in de bakkerij aan de slag kunnen, maar ook bijvoorbeeld in de logistiek. U begrijpt: de broden en vlaaien moeten ook vervoerd worden naar de verkooppunten. Het is heel mooi dat een ondernemer die verantwoordelijkheid op zich neemt, maar de reden dat hij dat doet, is vooral dat hij niet het geschikte personeel met de juiste opleiding en ervaring kan vinden.

Dat, voorzitter, vind ik eigenlijk heel treurig, zeker als je bedenkt dat niet alle mkb'ers in de omstandigheden verkeren dat zij zelf mensen kunnen opleiden. Ondernemers uit het midden- en kleinbedrijf hebben niet de capaciteit om net als VDL met het UWV en gemeenten afspraken te maken over arrangementen voor mensen die aan de kant staan, terwijl ze nu wel een tekort aan personeel ervaren. Zij worden op dit moment echt onvoldoende geholpen door de overheid, die juist de mensen die aan de kant staan en die zo'n grote bijdrage kunnen leveren, aan zou kunnen leveren bij de bedrijven om daar aan de slag te gaan. Die trend moeten we echt doorbreken, want werkgevers haken af.

Voorzitter. Er ligt dus een belangrijke opgave voor de arbeidsmarktregio's. De staatssecretaris beaamt dat gelukkig in de brief die zij recent naar de Kamer heeft gestuurd. De dienstverlening richting werkgevers kan en moet op een aantal punten echt verbeterd worden. De VVD vindt het dan ook belangrijk dat er in elke arbeidsmarktregio één aanspreekpunt komt voor de werkgevers. Dat aanspreekpunt krijgt als belangrijke opdracht om vooral met mkb-ondernemers in gesprek te gaan en hun te ontzorgen. Ik heb samen met mijn collega's van CDA, D66 en ChristenUnie een amendement ingediend om ter ondersteuning daarvan financiële middelen beschikbaar te stellen. Ik zou ook graag zien dat de staatssecretaris, in navolging van de succesvolle aanpak bij VDL Nedcar, de arbeidsmarktregio's in Limburg aanspoort om, als aanvulling op het plan Limburg werkt, het mkb nadrukkelijk uit te nodigen om deel te nemen en bijvoorbeeld samen arrangementen te ontwikkelen waarvan scholing een heel belangrijk onderdeel is. Ik spreek dan van zogenaamde "leerbanen", waarbij mensen, ook boven de 27 jaar, op de werkvloer leren en werken met behoud van uitkering, om ze op die manier een kans te geven om weer volwaardig mee te kunnen doen. Gemeenten en UWV staan wat ons betreft dan ook echt aan de lat om deelnemers te leveren. Wat mij betreft is de aanpak van Limburg daarmee echt een voorbeeld voor andere provincies en arbeidsmarktregio's. Ik hoop dat de staatssecretaris dat met mij eens is en dat misschien ook aan andere provincies en arbeidsmarktregio's wil meegeven.

Voorzitter. Dit vereist natuurlijk wel dat UWV en gemeenten mensen ook echt kennen. Ik heb hier al vaker aandacht voor gevraagd. Ik weet inmiddels dat je in Den Haag een lange adem moet hebben, maar mijn geduld raakt wel een beetje op. Mede naar aanleiding van eerdere debatten hebben we de kandidaat-verkenner in het leven geroepen. Het UWV heeft inmiddels bijna 75.000 mensen ingevoerd, zodat werkgevers nu kunnen zoeken naar de capaciteiten van mensen die ze nodig hebben. Maar laat ik het maar zeggen zoals ik het voel: ik baal er gewoon ontzettend van dat gemeenten onvoldoende geleverd hebben. Tot week 40 van dit jaar zijn er slechts 3.200 klantprofielen ingevoerd. En dat terwijl wij vorig jaar bij de begrotingsbehandeling daar nog extra geld voor beschikbaar hebben gesteld. Zo wilden we gemeenten aansporen om dit gewoon te doen. Hoe kan een gemeente nu kandidaten leveren voor een vacature voor bijvoorbeeld een garantiebaan als ze nog steeds niet inzichtelijk heeft wie er vanuit de doelgroep in hun gemeente woont en welke capaciteiten en kwaliteiten iemand heeft? Ik hoor graag of de staatssecretaris mijn gevoel deelt en welke stappen zij gaat zetten om er bij gemeenten op aan te dringen dat ze gewoon moeten gaan doen waar ze voor verantwoordelijk zijn.

Voorzitter. Ik wil eigenlijk nog een stap verder gaan. De VVD vindt eigenlijk dat alle mensen in de bijstand vindbaar moeten zijn voor werkgevers. Ik zie een soort doorontwikkeling van de kandidaat-verkenner voor me, een soort Tinder-app, waarbij werkgevers snel in contact kunnen komen met mensen die graag en snel aan de slag willen. Ik roep de staatssecretaris op om in overleg te gaan met de VNG om dit probleem nu echt op te pakken en op te lossen, simpelweg omdat het mensen gewoon kan helpen om aan het werk te komen en omdat de arbeidsmarkt ook nog eens staat te springen om die mensen. Ik zou zeggen: een win-win.

Voorzitter. Dat is meteen mijn bruggetje naar het volgende punt dat ik graag wil bespreken: het onbenutte arbeidspotentieel. De VVD wil zo veel mogelijk mensen die nu om welke reden dan ook aan de kant staan en niet meedoen op de arbeidsmarkt, weer laten meetellen. Ik wil mensen niet gevangen houden in regelingen, maar de regelingen juist inzetten om ze eruit te helpen en ze onafhankelijk te laten worden. Werkgevers dragen graag hun steentje bij aan het creëren van arbeidsplaatsen voor mensen met een beperking. De huidige regels schrikken werkgevers echter wel af. Het helpt daarbij volgens ons om regelingen te harmoniseren en gelijk te trekken. We moeten ervoor zorgen dat het voor werkgevers gemakkelijker wordt om werkplekken te creëren en dat het voor mensen loont om te gaan werken vanuit een uitkering.

De VVD is blij met de contourenbrief van de staatssecretaris over loondispensatie, waarin zij de kaders schetst waarbinnen zij de regeling gaat uitwerken. Wij wachten deze wetswijziging dan ook met belangstelling af.

Voorzitter. Wij kennen ook onbenut arbeidspotentieel bij vaders en moeders met kinderen. De plannen uit het regeerakkoord zien op extra budget voor de kinderopvangtoeslag van 250 miljoen. Dat ziet de VVD dan ook als een extra impuls om meer ouders de mogelijkheid te geven aan het werk te gaan, om meer te gaan werken of om te voorkomen dat zij minder gaan werken. Daarnaast is de VVD verheugd dat de minister zijn toezegging tijdens de behandeling van de Verzamelwet SZW november jongstleden ook gestand heeft gedaan. Er is in overleg met de brancheorganisatie voor gastouderopvang een oplossing gevonden voor het probleem dat zich door de invoering van de Wet op het minimumloon zou voordoen. Het is mooi dat deze vorm van gastouderopvang, waarbij gastouders de kinderen van meerdere ouders in het huis van een van de gastouders opvangen — het is een beetje ingewikkeld — hierdoor gewoon kan blijven voortbestaan. Dank daarvoor.

Voorzitter. Als we er alles aan doen om het onbenut arbeidspotentieel aan te boren, dan is het ook goed en verstandig om te kijken naar de regels die we hebben afgesproken over het sociale vangnet. U begrijpt, voorzitter, dat ik ook nog iets aan het kabinet wil meegeven over de gemeentelijke uitvoering hiervan, al realiseer ik mij dat vooral de gemeenteraadsleden hier lokaal hun bestuurders op moeten aanspreken. Gemeenten hebben met de invoering van de Participatiewet veel beleidsvrijheid gekregen, maar de kaders van de wet zijn volgens de VVD heel helder. Gemeenten hebben wat de VVD betreft een te vrijblijvende invulling gegeven aan instrumenten als de tegenprestatie en de taaleis, instrumenten die wat ons betreft juist bedoeld zijn om mensen sneller uit de uitkering te krijgen. We hebben hierover afspraken gemaakt in het regeerakkoord; ik ben benieuwd wat de staatssecretaris gaat doen om de gemeenten hierop aan te spreken. Trekt zij in dit dossier samen op met de minister die verantwoordelijk is voor integratie en inburgering? De minister heeft daar in ieder geval positief op geantwoord tijdens het algemeen overleg vorige week. Ik wil graag weten wanneer wij resultaat mogen verwachten van deze gezamenlijke inspanningen. Het is immers niet meer dan normaal dat je er alles aan doet om zo snel mogelijk zelf aan de slag te gaan.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik schrik ontzettend. Ik hoor de VVD hier zeggen: werk moet lonen. Dat is hartstikke positief; dat lijkt mij ook. Maar tegelijkertijd zegt de VVD: loondispensatie. Daardoor gaan mensen met een arbeidshandicap onder het minimumloon werken. Als wij naar de cijfers kijken, zien we toch echt dat loonkostensubsidie hoog gewaardeerd wordt door werkgevers en dat het een succesvol instrument is om mensen met een arbeidsbeperking aan het werk te krijgen. Ik begrijp dus niet dat u hier een pleidooi houdt voor de loondispensatie en daarover zegt: hartstikke mooi. Kunt u dat uitleggen in combinatie met uw zin daarvoor dat werk moet lonen? Als je gaat werken, moet dat ook lonen, zei u.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Ja, dat moet het ook. Volgens de brief van de staatssecretaris gaat dat ook gebeuren. Dat heeft ze heel duidelijk omschreven. Loondispensatie is geen nieuwe regeling. Het is een instrument dat we al sinds jaar en dag gebruiken in de Wajong. Het wordt ruim 16.000 keer gebruikt. Loonkostensubsidie wordt daarentegen veel minder gebruikt. Ook met loondispensatie gaat het lonen om te werken. Het gaat daarmee ook lonen om meer uren te werken. Op dit moment loont het met loonkostensubsidie volgens mij pas om te gaan werken als je meer dan 28 uur werkt. Volgens mij voldoet het dus gewoon aan de uitgangspunten die wij in het regeerakkoord hebben opgeschreven: werken moet lonen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Het zorgt er wel voor dat de werkende die al een arbeidsbeperking heeft, zijn inkomen uit verschillende potjes moet halen. Hij ziet ook dat het inkomen dat hij uit zijn werk krijgt, minder is dan wat zijn collega's krijgen. Ik zou wel van de VVD willen horen wat er rechtvaardig is aan die verschillende potjes, die bureaucratie, en aan het feit dat iemand minder betaald krijgt dan zijn collega.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Het is inderdaad zo dat je met loondispensatie twee regelingen naast elkaar hebt. Nogmaals, dat is niet nieuw. Een heleboel Wajongeren krijgen het op dit moment ook op deze manier. Voor mij is van belang dat het met het middel loondispensatie voor werkgevers gemakkelijker wordt. Daarmee worden er meer banen gecreëerd. Ik ben er heilig van overtuigd dat dat zo is. Volgens mij is dat wat we willen. We willen zo veel mogelijk banen, juist ook voor mensen met een arbeidsbeperking. Daar zet ik op in. Daar toets ik het ook aan. Vervolgens moet het in het plan zoals de staatssecretaris het gaat uitwerken heel duidelijk zijn dat het voor mensen gaat lonen om te gaan werken vanuit een uitkering. We houden ze dus niet vast op de bank. Door via loondispensatie meer banen te kunnen aanbieden wordt het voor mensen juist makkelijker om een baan aan te nemen, want dan zijn er ook banen. En het gaat ook nog lonen om te gaan werken.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Als je het door een maatregel makkelijker maakt voor een werkgever maar het tegelijkertijd voor de werknemer met een arbeidsbeperking moelijker maakt, aan wiens kant zou je dan moeten staan? Ik zou zeggen: dan sta je aan de kant van de werknemer met een arbeidsbeperking. De VVD zegt kennelijk: nee, wij staan aan de kant van de werkgever. Die heeft nota bene ook wel een P&O-afdeling om de administratie te regelen.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Ik ben dat niet helemaal met u eens, maar dat zal u niet verbazen. Ik sta zeker aan de kant van mensen met een arbeidsbeperking, juist omdat ik ze aan het werk wil helpen. Dat betekent dat er banen moeten zijn.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Ik word hier echt boos van. Volgens mij komt hiermee de droom van de VVD uit: mensen levenslang in een uitkering, mensen met een beperking levenslang in een uitkering zetten. Want dat is het plan. En vervolgens 500 miljoen bezuinigen op tienduizenden mensen die normaal gesproken een loon zouden krijgen, een pensioen zouden krijgen en sociale zekerheid zouden krijgen. Dat is een principieel punt voor die mensen, die heel graag volwaardig willen meedoen. Maar de VVD zegt, met deze coalitie: maakt ons niet uit, we geven een schop na, de uitkering in. Wat is dat voor opstelling?

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Ik jaag mensen niet de uitkering in, ik jaag ze er uiteindelijk juist uit, doordat er banen komen en doordat het ook gaat lonen om te werken.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Wij hebben met de VVD de garantiebanen afgesproken en we hebben afgesproken dat mensen volwaardig zouden meedoen op de werkvloer, met een volwaardig loon, met pensioen en met sociale zekerheid. Wij zijn nog geen paar maanden weg en de droom van de VVD komt uit: we drukken mensen levenslang in een uitkering en bezuinigen 500 miljoen op mensen met een beperking. Gefeliciteerd!

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Ik hoor daar geen vraag in, voorzitter.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het zijn een beetje korte antwoorden, dus ik geef mevrouw Nijkerken nog een kans. Ik zou willen voorstellen dat mensen die hier spreken over "loondispensatie", het hebben over "loondiscriminatie", want dat is het. Die mensen worden keihard onder het minimumloon gezet en blijven voor eeuwig in een uitkering. Er wordt een half miljard op die mensen bezuinigd. Onvoorstelbaar als u dat zou steunen, mevrouw Nijkerken. Of sluit u hier vandaag uit dat mensen onder het minimumloon terechtkomen door deze plannen?

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Volgens mij heeft de staatssecretaris in haar contourenbrief heel duidelijk gezegd dat de regeling nog moet worden uitgewerkt. Mensen gaan er meer aan overhouden dan wanneer ze thuis in een uitkering zitten, dus werken gaat lonen. We wachten de uitwerking af, we wachten af hoe de regeling er uiteindelijk uit komt te zien.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voor de goede luisteraars: ik kreeg geen antwoord op mijn vraag. Mevrouw Nijkerken, de VVD sluit niet uit dat mensen onder het minimumloon terecht kunnen komen. "Minimumloon" is volgens mij een volstrekt helder woord. Nou geven allerlei partijen — wethouders, bestuurders, mensen die zelf in die situatie zitten, vakbonden — aan: doe dit niet, want er is nul komma nul draagvlak voor. Bent u bereid om te kijken naar de uitstekende alternatieven die er voor dit plan zijn, bijvoorbeeld het lagere-inkomensvoordeel schrappen of de 20.000 beschutte werkplekken die er waarschijnlijk niet zijn schrappen? Bent u bereid om te kijken naar de alternatieven om dit vermaledijde plan van tafel te krijgen?

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Nogmaals, volgens mij heeft de staatssecretaris in haar brief heel duidelijk aangegeven dat zij ook met het veld in overleg gaat. Ik wacht dus heel erg graag de plannen waar de staatssecretaris mee komt af. Zij heeft ook haar ogen en oren open. Dat hebben we allemaal. Ik wacht die plannen graag af. Dan gaan we daar hier zeker en vast nog een keer over praten, want dit vergt ook een wetswijziging.

De voorzitter:

Gaat u verder.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Voorzitter. Zoals ik net al aangaf, is deze minister ook verantwoordelijk voor integratie en inburgering. Hij moet ervoor zorgen dat mensen die hier mogen blijven, zich aanpassen en een actieve bijdrage leveren aan ons land. Helaas zien we in de wijk en op straat, maar ook in de cijfers van de minister zelf nog grote zorgen. Mensen met een migratieachtergrond komen relatief vaker voor in criminaliteitscijfers, hebben minder vaak een baan en hebben vaker opvattingen die ver afstaan van de basisprincipes van de Nederlandse samenleving. Bij de tweede generatie is dit soms nog sterker dan bij de eerste. Met bepaalde herkomstgroepen gaat het ronduit slecht. Meer dan 50% van de Somaliërs zit bijvoorbeeld in de bijstand.

Integratie vraagt dus prioriteit van dit kabinet. Er was vorige week een eerste deel van een AO Integratie. De VVD is alvast blij met de reactie op vragen van collega Becker waaruit blijkt dat de minister de zorgen ook serieus wil aanpakken. Kan hij vandaag bevestigen dat hij binnen een halfjaar komt met de uitwerking van de regeerakkoordafspraken over het koppelen van consequenties aan het verwijtbaar niet inburgeren, over een ontzorgsysteem en over het verhogen van het taalniveau naar B1?

Gelukkig heeft de minister al gezegd niet opnieuw doelgroepenbeleid in te gaan voeren. Wel gaat hij door met het herzien van het inburgeringsstelsel. De VVD is blij dat hij daarbij de eigen verantwoordelijkheid van inburgeraars centraal zal blijven stellen. Wij kijken uit naar de plannen. De VVD wil daarbij wel alvast meegeven dat een nieuw systeem niet mag betekenen dat het van gemeentelijke politieke besluitvorming gaat afhangen wat goede inburgering is. Er zijn objectieve kwaliteitsnormen nodig met een objectief toezicht. Ook moet de markt wat ons betreft openblijven voor goede aanbieders van inburgeringsonderwijs en ook voor nieuwe toetreders. Deelt de minister deze opvatting van de VVD?

Verder vindt de VVD dat werk veel meer centraal moet staan tijdens het inburgeringstraject. Wij hebben in het AO voorgesteld om van de verplichte theoretische oriëntatie op de arbeidsmarkt een praktische oriëntatie te maken. De minister heeft positief gereageerd op het idee van inburgeren op de werkvloer, maar is hij ook bereid te onderzoeken of dit een standaardonderdeel kan worden van de module voor oriëntatie op de arbeidsmarkt?

Voorzitter, ik kom langzaam tot een afronding. Als we alle punten die ik zojuist besproken en aangestipt heb in de praktijk brengen, dan gaan meer mensen weer zicht krijgen op een baan en zelfstandigheid. Dat is waar ik mij voor inzet en dat is waar de VVD zich voor inzet, want werken moet lonen. Met dit regeerakkoord verhogen we de arbeidskorting, verlagen we de inkomstenbelasting en trekken we meer geld uit voor de kinderopvangtoeslag. Dit zijn de fiscale regelingen die zich richten op inkomensbeleid. Hoewel gemeenten niet aan inkomenspolitiek mogen doen, ziet de VVD wel degelijk dat het lokale armoedebeleid kan bijdragen aan de armoedeval, waardoor het voor mensen in geldelijke zin niet loont om te gaan werken. Dat kan toch niet de bedoeling zijn. Kan de staatssecretaris aangeven wat haar insteek gaat zijn in haar gesprekken met de gemeenten over dit onderwerp? Als wij als landelijke politiek waar willen maken dat werken ook echt lonend is, dan is het van groot belang dat ook de gemeenten ervan doordrongen zijn dat regelingen vanuit het armoedebeleid niet tegen die gedachte in mogen gaan.

Tot slot wil ik nog kort aangeven dat de VVD blij is met de recente brief van de staatssecretaris over de brede schuldenaanpak, waarin zij aangeeft hiermee haast te willen maken. Dat sluit ook mooi aan bij de ronde tafel van de commissie SZW, volgens mij aangevraagd door collega Voortman, begin volgend jaar waar mijn collega De Lange namens de VVD aan zal deelnemen.

Rest mij aan te geven dat ik uitkijk naar de beantwoording van de minister en de staatssecretaris.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik had een interruptie willen plaatsen over de manier waarop er met mensen in de bijstand wordt omgegaan. Maar wat mevrouw Nijkerken-de Haan nu zegt over armoederegelingen, nou, daar breekt werkelijk mijn klomp van. Zij geeft aan: als gemeenten te veel ruimte geven om armoede tegen te gaan, dan leidt dat ertoe dat mensen niet meer gaan werken. Maar juist de banen zijn heel moeilijk te vinden. Als je weet dat iemand op dit moment geen werk heeft en wel kinderen heeft die in armoede opgroeien, dan zouden we gemeenten toch juist meer mogelijkheden moeten geven om daar wat aan te doen en toch niet minder?

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Ik heb aangegeven dat het natuurlijk nooit de bedoeling kan zijn dat armoederegelingen een armoedeval tot stand gaan brengen. Dat betekent dat de staatssecretaris en de gemeenten daarover in gesprek moeten gaan om te kijken hoe we daar op een goede manier invulling aan kunnen geven, zodat we uiteindelijk mensen structureel uit de armoede kunnen helpen. We delen de opvatting dat we iets aan armoede moeten doen, volgens mij de hele commissie inmiddels. Dat wordt ook een gezamenlijke activiteit. Maar ik denk wel dat het van belang is dat je ervoor waakt dat allerhande regelingen eraan gaan bijdragen dat het niet meer aantrekkelijk is om te gaan werken, terwijl we juist willen dat mensen gaan werken om ze uiteindelijk structureel uit de armoede te kunnen helpen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Dit is precies het probleem: dat de VVD denkt dat mensen niet willen werken omdat de uitkering nu zo goudgerand zou zijn. Maar de bijstand is al geen vetpot, dus waar haalt de VVD dit vandaan? U zet bijstandsgerechtigden neer alsof het profiteurs zijn. Zij willen juist heel graag aan het werk. Als je de hele tijd mensen een rotgevoel geeft, dan komen ze juist niet aan het werk.

Mevrouw Nijkerken-de Haan (VVD):

Dat zijn de woorden van mevrouw Voortman. Ik zie dat niet zo. Ik denk dat het heel belangrijk is dat de prikkels op die manier worden ingericht dat het voor mensen inderdaad lonend is om te gaan werken en niet afhankelijk te blijven van die uitkering waardoor ze weer aanspraak moeten maken op allerhande andere regelingen, omdat ze anders hun kinderen geen eten kunnen geven. Daar delen wij met elkaar de mening dat armoede onder kinderen natuurlijk een groot probleem is en dat we dat moeten aanpakken.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Nijkerken-de Haan. Dan ga ik nu naar de heer Bisschop namens de SGP. De heer Bisschop heeft van alle Kamerleden toestemming gekregen om eerder te kunnen spreken.

De heer Bisschop (SGP):

Voorzitter. Nadat ik u bedankt heb voor het woord, wil ik dan ook graag mijn collega's danken voor de gelegenheid die zij bieden om eerder het woord te voeren in verband met verplichtingen aan het begin van deze avond. Dat zou dan samenvallen met het te verwachten moment van mijn bijdrage. Daarbij word ik geacht mijn best te doen om Elbert Dijkgraaf te vervangen, die wegens ziekte nog afwezig is. Maar het schijnt dat het iets besmettelijks is. Als mijn stem iets overslaat, dan is dat niet vanwege de emotie, maar inderdaad vanwege enig getob met luchtwegen en proesten.

Voorzitter. Alle groepen in Nederland gaan erop vooruit. Dat was de vrolijke toon bij de oplevering van het regeerakkoord. Inderdaad, de SGP ziet verschillende groepen die erop vooruitgaan en dan denken we niet allereerst aan buitenlandse beleggers. Kijk ook naar gezinnen. Het is een goede zaak dat zij op termijn meer financiële ondersteuning krijgen. Dat vooruitzicht blijkt echter niet voor alle groepen te gelden. Denk aan bijvoorbeeld de Wajongers — die kwamen al een paar keer aan de orde — die volgend jaar met een korting te maken krijgen. Denk aan de modale eenverdienersgezinnen, die in plaats van een klein plusje dat in september jongstleden nog werd voorgespiegeld volgens de brief van vandaag met een koopkrachtdaling van 0,2% te maken krijgen. Vele arbeidsgehandicapten zitten in spanning over het afschaffen van de loonkostensubsidie, die een terugval in inkomen gaat betekenen. Ik denk dat hierover snel duidelijkheid gegeven moet worden.

Vandaag wil ik om te beginnen aandacht vragen voor drie groepen die nauwelijks aandacht krijgen, maar die in de knel zitten of kunnen komen. Kwetsbare groepen dus. Allereerst gezinnen met studerende kinderen in het hoger onderwijs. Je zult maar een zoon of dochter hebben die een jaar voorloopt op leeftijdsgenoten en als 17-jarige naar de universiteit gaat. Dan zou je als pa of ma toch zo ongeveer de neiging hebben om van trots naast je schoenen te gaan lopen. Maar dat laat je wel uit je hoofd, want die schoenen heb je al moeten verkopen om de studie van je dochter of je zoon te kunnen betalen. Even figuurlijk dan, hè. Die ouders moeten wel financieel hun hart vasthouden, hoe blij de minister van Onderwijs ook is met excellente leerlingen. Ze verliezen niet alleen de kinderbijslag als die 17-jarige naar de universiteit gaat, maar ook het kindgebonden budget en de alleenstaande-ouderkorting. De studiebeurs voor lagere inkomens zet dan niet echt zoden aan de dijk. Ouders met een inkomen van €30.000 gaan er €1.150 op achteruit en alleenstaande ouders met een inkomen van €46.000 gaan er ruim €5.000 op achteruit. En tot hun verbazing ontdekken ze ook nog eens dat ouders van studenten in het mbo van dezelfde leeftijd wel gewoon kinderbijslag ontvangen. Het wordt dus als straf ervaren om als 17-jarige het hoger onderwijs in te gaan, terwijl deze kinderen de overheid juist onderwijsuitgaven besparen. Dit is niet uit te leggen, maar ik bied de minister toch graag de gelegenheid daartoe.

Een tweede groep die in de knel zit, zijn ouders die vanwege een sociale of medische noodzaak gebruik moeten maken van kinderopvang, bijvoorbeeld wanneer de man worstelt met psychische problemen. De doorsneeouder kan voor kinderopvang toeslag aanvragen, die zelfs wordt verhoogd. Voor ouders met sociale of medische problemen blijft het echter tobben. Zij moeten moeite doen om financiële ondersteuning te krijgen van de gemeente, terwijl zij als noodgedwongen eenverdiener al voor duizenden euro's gestraft worden in ons belastingsysteem. Gemeenten blijken zich in dit beleid vaak te beperken tot minimuminkomens. Het is toch eigenlijk de wereld op zijn kop dat voor een gezin waarin het goed gaat de sluizen open gaan, terwijl gezinnen die al in de problemen zitten slechts met weinig hoop en veel geworstel een scheutje subsidie kunnen krijgen? De SGP ziet dan ook graag dat deze ouders met de herziening van de financiering van de kinderopvang gelijk worden behandeld. Ik vraag daar een toezegging op.

De SGP is blij dat de minister de lasten voor werkgevers wil verlagen door verkorting van de loondoorbetaling. Dat zou echter moeten gebeuren door een hogere premie voor kleine werkgevers. De SGP is benieuwd hoe het financiële plaatje voor hen uiteindelijk uitpakt. Betekent dit bijvoorbeeld dat werkgevers die zelf de risico's voor zieke werknemers dragen erop achteruitgaan? De SGP vindt ook dat de premies voor arbeidsongeschiktheid in redelijke verhouding moeten staan tot de lengte van de arbeidsrelatie. Werkgevers ervaren het begrijpelijkerwijs als onbillijk dat zij tien jaar hoge premies moeten betalen voor werknemers die nog maar net een vast contract hadden. Is de regering bereid om dit in de verdere planontwikkeling en -uitwerking mee te nemen?

Dan kom ik aan mijn tweede punt: regels en rompslomp. De SGP vraagt aandacht voor de positie van de oudere werklozen. Zij moeten vaak honderden brieven sturen, terwijl de kans op succes bij voorbaat bijna nul is. Wanneer wordt de voorgenomen versoepeling van de sollicitatieplicht doorgevoerd? Gaat het kabinet ook bekijken of voor 60-plussers verder maatwerk mogelijk is om zinloze verplichtingen zo veel mogelijk te voorkomen? Ik heb even geaarzeld of ik deze zin wel moest uitspreken, omdat het ook direct mijn persoon betreft, maar ik spreek dit uit namens de fractie, dus vandaar. Dit is volstrekt geen belangenverstrengeling of wat dan ook. Dat ligt tegenwoordig heel gevoelig, hè. Ik probeer dus maar heel voorzichtig te zijn!

Als het gaat om kansen op een baan, wil de minister eens in kaart brengen of het midden- en kleinbedrijf inmiddels voldoende wordt bereikt met de afdrachtvermindering die bij het in dienst nemen van kwetsbare werknemers beschikbaar is? Misschien is daar nog wel een slag te maken, is onze indruk.

Als het gaat om de sollicitatieplicht vraag ik ook aandacht voor mensen die in de schuldsanering zitten. De rechter kan vrijstelling verlenen wanneer er een geldige verklaring is dat mensen arbeidsongeschikt zijn. Het blijkt dat rechters de verklaringen van het UWV dat iemand 100% is afgekeurd echter niet vanzelfsprekend overnemen. Mijn vraag is: is het eigenlijk niet logisch dat hier gewoon een wettelijk automatisme ontstaat? Willen de bewindspersonen daar hun licht eens over laten schijnen?

De SGP geeft ook graag stem aan burgers die radeloos worden van rompslomp bij subsidieaanvragen voor het Europees Sociaal Fonds. Echt, als je alle delen van Kafka uit hebt, moet je je eens wat gaan verdiepen in het aanvragen van subsidies bij het Europees Sociaal Fonds. Denk bijvoorbeeld aan een project voor extra problematische schooluitvallers. De subsidieprocedure is kennelijk zo veeleisend dat op een toegekend bedrag van ruim €200.000 maar liefst €60.000 aan advieskosten nodig was. Op een subsidiebedrag van €200.000 advieskosten van €60.000! De verantwoordingseisen van het Agentschap SZW zijn minutieus en formalistisch en subsidiebedragen worden uiteindelijk fors verlaagd, terwijl niet ter discussie staat dat de beoogde resultaten bereikt zijn. Dit is dan een van die kafka-achtige voorbeelden, maar het zal op het ministerie breder bekend zijn. Mijn vraag aan de minister is om zich tot het uiterste in te spannen om op dit soort dossiers verbetering aan te brengen.

Mijn collega Dijkgraaf heeft aandacht gevraagd voor de nadelige gevolgen van het verbod van inhoudingen op het minimumloon voor de land- en tuinbouw. Zowel werkgevers als werknemers gaan er netto op achteruit als de fiscale verrekening niet meer mag worden toegepast. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? De SGP vindt dat de mogelijkheid om bij besluit uitzonderingen te maken niet alleen moet worden benut voor huisvesting, zoals gedaan is, maar ook voor deze fiscale verrekening. Kan de regering bevestigen dat daar juridisch geen bezwaren tegen zijn?

Dan het laatste puntje bij het rampparagraafje van regels en rompslomp. Het kabinet wil vaart maken met de sanering van asbestdaken. In ander verband hebben we daar al vaker over gediscussieerd. Tegelijk blijkt dat onze aangenomen motie om het gebruik van werkbakken aan hijskranen mogelijk te maken, nog niet wordt uitgevoerd. Daardoor blijft bij bedrijven veel onzekerheid over de regels. Is de minister bereid om dit snel op te pakken?

Tot slot het derde puntje: antisemitisme en radicalisering. Ik heb het nodige gezegd over geld en regels. Belangrijk genoeg, maar er zijn zaken die dieper gaan. Dan gaat het over recht en onrecht, bijvoorbeeld over het kwaad van het antisemitisme, het kwaad dat heel subtiel kan werken. Haat en geweld richten zich op joden maar worden bijvoorbeeld verkleed als agressie tegen Israël. Het is bijzonder zorgelijk als begrip wordt gekweekt voor een aanslag op een joods restaurant, een koosjer restaurant, omdat president Trump een besluit over Jeruzalem heeft genomen. Je moet dan echt wel met één oog naar de werkelijkheid kijken om deze zaak alleen maar als vernieling te kunnen beschouwen. Er ontstaat ook begrijpelijkerwijs het gevoel dat met twee maten wordt gemeten wanneer deze dader na twee dagen op straat staat, terwijl een vreedzame joodse demonstrant die er liefhebberij in heeft om bepaalde demonstraties op enige afstand te begeleiden met een vlag omgehangen, zes dagen vastzit. Daar is wel enige extra toelichting voor nodig. Nou realiseer ik me dat dat niet direct het terrein van Sociale Zaken en Werkgelegenheid is, maar het gaat mij om het thema integratie en inburgering. Dit zijn dingen die vragen en verontwaardiging oproepen in de samenleving. We moeten op alle niveaus het antisemitisme consequent en eenduidig aanpakken. Als er ergens sprake van is dat zachte heelmeesters stinkende wonden maken, dan is het wel op dit dossier. Het Europees Parlement heeft opgeroepen de internationale werkdefinitie van antisemitisme te gebruiken. Gaat de minister dit in ieder geval in zijn beleid als uitgangspunt nemen?

Laatste puntje. Er blijven voortdurend zorgen over radicaal-islamitische bewegingen die onderwijs willen geven. Denk aan de salafistische school in Rotterdam. In de Kamer wordt vaak naar de financiering van dat onderwijs gekeken, maar de Grondwet biedt ook ruimte om het onderwijs als zodanig te verhinderen als er gevaren zijn voor de openbare orde. In het verleden was er zelfs een systeem van erkenningen. Mijn motie van vorig jaar om de grenzen van het toezicht op het onbekostigde onderwijs te laten onderzoeken, is aangenomen. Dat onderzoek was niet zozeer bedoeld om zich te richten op de onderwijsinspectie, maar juist op dat bredere toezicht in het kader van de openbare orde. De minister van Onderwijs stelt dat de motie is afgedaan, maar er is eigenlijk geen onderzoek geweest. Dat blijkt ook uit de stukken. De vraag aan deze minister is om uitvoering aan deze motie te geven in het kader van de integratieproblematiek. Is hij daartoe bereid?

Voorzitter, ik wilde het graag hierbij laten. Dank u zeer.

De voorzitter:

Dank u wel, mijnheer Bisschop. Dan ga ik nu naar de heer Özdil namens GroenLinks. En beterschap. Een nieuw glas; ik wil niet dat een paar Kamerleden worden uitgeschakeld! Gaat u verder.

De heer Özdil (GroenLinks):

Dank u, voorzitter. Ik ga mijn best doen om het uit te houden.

Voorzitter. In deze zaal zie ik iets heel bijzonders. Iets dat zo mooi is, zo prachtig, dat het mij trots maakt op Nederland. En nee, het is niet alleen die vlag hierachter. In deze zaal zie ik de Nederlandse droom, die het mogelijk heeft gemaakt dat misschien wel de beste Kamervoorzitter uit onze parlementaire geschiedenis uit Marokko komt, dat de kleinzoon van een geitenhoeder hier u kan toespreken als Tweede Kamerlid, dat iemand het van de mavo tot minister heeft kunnen schoppen.

Door alle partijen heen zijn er collega's die voor een dubbeltje zijn geboren, als rijksdaalder wilden eindigen, en die dat is gelukt. Dat was geen toeval. Ook ik ben geïnspireerd door mijn vader. Mijn vader was in de jaren tachtig een van die mensen die wilden dat zijn zoon een stapje vooruit zou komen. Hij werd ontslagen als fabrieksarbeider en belandde in de bijstand. Zelfs nu nog, jaren later, soms tot vervelens toe, vertelt mijn pa met warmte over hoe Nederland hem hielp iets van zijn leven te maken, hoe de overheid hem steunde om te zorgen voor zijn zieke vrouw en de opvoeding van zijn kinderen. Hij kreeg de mogelijkheid om vanuit de bijstand een hbo-studie te doen, zonder dat hij daar anderen mee hoefde te verdringen en zonder dat hij werd opgezadeld met een lawine aan verplichtingen. Mijn pa had te maken met een overheid die zei: als je hard werkt en doorzet, helpen we je altijd verder, zelfs als je er wat langer de tijd voor nodig hebt, zelfs als je een achterstand hebt; je bent een mens en wij vertrouwen jou.

Hoe anders is dat nu? De overheid doet steeds meer aan kortetermijndenken, jaagt mensen op en kijkt amper nog naar iemands persoonlijke omstandigheden. En dus vraag ik mij weleens af: als ik nu in dezelfde situatie zou zitten als mijn pa 30 jaar geleden, werkloos, met veel zorgen, wat zou er dan gebeuren? Zou ik dan ook mijn kinderen zo kunnen opvoeden dat zij een stap verder kunnen komen? Waarschijnlijk niet. Want mensen die nu een beroep moeten doen op de overheid, worden heel anders behandeld. Deze nieuwe behandeling gaat ook gepaard met een nieuw jargon. De overheid, gemeenten en instellingen zoals het UWV, spreken over de "loonwaarde" van hun "klanten". "Klanten" die de "workload" zijn van hun "klantmanagers". Als je ziek bent, ben je niet meer ziek maar een "zorgconsument".

Deze termen zijn sinds de jaren negentig steeds meer ingezet door onze overheid. Dat zal ongetwijfeld met de beste bedoelingen zijn gebeurd, maar het resultaat is dat die Nederlandse droom verder weg is dan ooit. Want door mensen, burgers om te dopen tot klanten, straal je als overheid een bepaald mensbeeld uit, namelijk dat sociale rechten niet zozeer rechten zijn maar producten waar je eigenlijk geen recht op hebt, maar die je als klant kunt consumeren. Een onbetrouwbare klant bovendien, die vooral zo snel mogelijk de winkel weer uit moet, of het nou de WW is, de ggz of het mbo. De onderlinge relatie tussen de overheid en de burger, excuus, klant is niet meer gebouwd op het democratische beginsel van sociale vooruitgang maar op wantrouwen. Dat past niet bij Nederland. GroenLinks wil de Nederlandse droom weer laten herleven. Daarom vraag ik deze minister wat voor een politicus hij wil zijn: een technocraat die de overheid vooral ziet als waakhond tegen frauderende klanten of een minister die vanuit idealen mensen vooruithelpt omdat hij ze vertrouwt?

Voorzitter. De verwachting is dat er grote tekorten gaan ontstaan aan werknemers in de zorg en in het onderwijs. We zijn daar nog niet op voorbereid. Deelt de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de zorgen van GroenLinks hierover? Gaat hij ervoor zorgen dat de lonen bij de politie, Defensie en de overheid omhooggaan, zodat die sectoren ook weer aantrekkelijk worden om in te werken? Ik stel deze vragen omdat de minister een brief heeft geschreven over de maatregelen die hij wil nemen tegen die aankomende tekorten. In zijn brief stond niks over lonen. Denkt hij dat wat er in zijn brief staat voldoende is en, zo ja, waar baseert hij dat op?

Ook schrijft de minister in zijn brief: "Het kabinet streeft naar een doorbraak op het gebied van leven lang leren." Dat wordt al jaren door politici en werkgevers geroepen. We zijn al decennia bezig met een leven lang leren. Hoe denkt deze minister dat hij het verschil gaat maken? Wat is zijn doorbraak precies? GroenLinks heeft grote zorgen — ik zei het net al — want de minister legt de verantwoordelijkheid voor de aankomende tekorten in de zorg en in het onderwijs neer bij zijn collega's van VWS en OCW. Maar dat is toch zijn verantwoordelijkheid? Hij is toch de minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid? Mijn vraag is daarom of deze minister zelf de regie neemt om deze tekorten op te vangen.

Voorzitter. De werkgelegenheid trekt aan. Er komen meer banen, gelukkig, maar de grote vraag is wat voor banen erbij komen: banen die zekerheid bieden of nog meer zogenaamde flexbanen, waar Nederland nu al koploper in is in West-Europa? Inmiddels valt 40% van alle werkenden onder de zogenaamde flexibele schil. Onder jongeren loopt dat zelfs op tot 50%. Ik zeg "zogenaamd flex", want in lijn met wat ik eerder zei, vraag ik me weleens af: sinds wanneer ben je flexibel als je niet meer weet of je morgen nog een baan hebt? Volgens mij ben je dan juist uiterst inflexibel, want het zorgt voor veel meer onzekerheid. Je kunt geen huis kopen. Als je jong bent, moet je levenskeuzes uitstellen, zoals uit huis gaan, samenwonen of kinderen krijgen.

Maar goed, als dit kabinet niet snel de nodige stappen zet, gaat het een grote kans missen om die doorgeslagen flexbanen te stoppen. Daarover gaan de volgende twee punten. Ten eerste, ons land kent al 1 miljoen zzp'ers: zelfstandigen zonder pensioen. Hun sociale verzekeringen zijn nog niet geregeld, terwijl veel partijen dat juist wel in hun verkiezingsprogramma hadden staan. Wat GroenLinks betreft krijgen zzp'ers een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering en maken wij het voor hen makkelijker te sparen voor pensioenen. Maar het regeerakkoord wil dat op een andere manier regelen: via een minimumuurtarief voor zzp'ers. Dat vinden wij interessant, maar is deze minister het met mij eens dat zzp'ers van dat minimumtarief behalve in hun levensonderhoud moeten kunnen voorzien, ook hun pensioen en arbeidsongeschiktheidsverzekering moeten kunnen betalen? En, zo ja, gaat hij dat meenemen bij het bepalen van het definitieve minimumtarief voor zzp'ers?

Voorzitter. Als het gaat om vrouwelijke zelfstandigen, dan is GroenLinks blij. Er is nu eindelijk een compensatieregeling voor vrouwen die geen zwangerschapsuitkering kregen omdat ze tussen 2004 en 2008 buiten de boot vielen. Maar het is toch raar dat die vrouwen, wanneer de regeling wordt ingevoerd, slechts drie maanden de tijd hebben om dit aan te vragen? Ook is de regeling nog veel te onbekend bij de doelgroep. Daarom vraag ik de minister: hoeveel vrouwen gaan gebruikmaken van die regeling? Is de minister bereid om de regeling beter onder de aandacht te brengen? En, heel belangrijk: kan de aanvraagperiode worden verlengd? Die drie maanden zijn echt veel te kort.

Ten tweede. Ook De Nederlandsche Bank maakte deze week een belangrijke kanttekening bij de aantrekkende werkgelegenheid. De lonen blijven achter, terwijl bedrijven en aandeelhouders profiteren. Hoe kijkt deze minister aan tegen de loonstijging of beter gezegd het gebrek daaraan? De lonen moeten echt veel meer omhoog. Dat vindt GroenLinks niet alleen, dat vindt ook De Nederlandsche Bank. Dat vindt premier Rutte zelfs. In september zei hij dat de lonen wel 3% omhoog kunnen. Is de minister het daarmee eens? En, zo ja, wat gaat hij daaraan doen? Is hij bereid om die noodzakelijke loonstijging nadrukkelijk in te brengen in zijn gesprekken met sociale partners?

Voorzitter. Er staan gelukkig ook goede dingen over werk in het regeerakkoord. Een paar wil ik niet onbenoemd laten. Het kabinet wil eerlijke beloning voor payrollmedewerkers, dus ik reken op steun voor de initiatiefwet die ik samen met de collega's van de PvdA en de SP heb ingediend. Het kabinet wil flexwerk minder aantrekkelijk maken. Gisteren heeft de minister in de krant kunnen lezen over de initiatiefnota van GroenLinks, SP en de Partij van de Arbeid om dat te regelen. Ik ga ervan uit dat de minister onze nota zal omarmen.

Voorzitter. Dan de pensioenen. Op dat gebied heeft dit kabinet grote plannen. De minister roept de SER op om snel tot een advies te komen. Hij wil zelfs binnen een paar maanden overeenstemming bereiken met sociale partners. Maar afgaande op recente uitspraken van de vakbeweging lijkt het SER-advies eerder verder weg dan dichterbij. Waarom denkt de minister dat hij er wel snel uitkomt met de sociale partners?

Voorzitter. Als het gaat om pensioenen, dan maakt GroenLinks zich vooral zorgen om mensen in zware beroepen, die veel eerder beginnen met afdragen maar niettemin ook langer moeten doorwerken. Daarom werd destijds bij het akkoord over de verhoging van de AOW-leeftijd beloofd dat er een regeling zou komen voor zware beroepen. Maar die regeling is er nog steeds niet. Dat is gewoon niet eerlijk. Ook steeds meer onderzoeken laten zien dat het niet realistisch is om te verwachten dat mensen in zware beroepen die vanaf jonge leeftijd hebben gewerkt, ook langer moeten doorwerken. Met andere woorden: dat we in Nederland nog steeds niet hebben aangewezen welke beroepsgroepen als zwaar te kwalificeren zijn, lijkt vooral op politieke onwil. Het Economisch Instituut voor de Bouw maakt duidelijk dat het wel kan en ook de Inspectie Sociale Zaken en Werkgelegenheid heeft een lijst van vijftien zware beroepen in de bouw. Ook de Harvard universiteit heeft een lijst. Meer dan genoeg handvatten dus. Laten we daarom alsjeblieft al die hardwerkende mensen in zware beroepen niet meer met een kluitje in het riet sturen. Laten we onze belofte eindelijk eens waarmaken. Mijn vraag is dan ook: is de minister bereid om er nu daadwerkelijk voor te zorgen dat er een regeling komt voor zware beroepen?

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik wil even terug naar de arbeidsmarkt en de tweedeling tussen vast en flex. Volgens mij deel ik een heel stuk van de analyse van de heer Özdil. Hij verwijst naar een aantal plannen van zijn partij, de SP en de PvdA die heel aardig lijken aan te sluiten bij het regeerakkoord. Maar in het regeerakkoord is wel een balans gezocht. We pakken doorgeslagen flex aan, maar we nemen ook maatregelen om het voor mkb'ers aantrekkelijker te maken om mensen in dienst te nemen. U vraagt aan de coalitie: bent u bereid om met mij te denken over flexmaatregelen? Ik zou graag een wedervraag willen stellen. Is GroenLinks ook bereid om met de coalitie na te denken over de vraag hoe we het aanbieden van een vaste baan kunnen bevorderen door maatregelen te nemen op het gebied van het ontslagrecht en de loondoorbetaling bij ziekte? Wat mij betreft staat boven water dat we het allebei moeten doen.

De heer Özdil (GroenLinks):

Wat duidelijk is en wat vrijwel elke partij in deze Kamer erkent, is dat de doorgeslagen flex in Nederland moet worden gekeerd, dat werk zekerder moet worden en weer moet lonen. Daar is collega Van Weyenberg het gelukkig ook over eens. Daarom doen wij samen met de SP en de PvdA een aantal concrete handreikingen om die ambities in het regeerakkoord waar te maken. Maar het is een misvatting om te denken dat wij helemaal tegen flexibilisering zouden zijn. Wij noemen het geen flexibilisering maar een gezonde arbeidsmarkt, waar de mensen die er zelf behoefte aan hebben en er als zzp'er of op een andere manier goed bij gedijen, aan de slag kunnen. Maar het moet geen norm zijn, het moet de mensen niet de armoede in sturen.

De heer Van Weyenberg (D66):

Het is goed dat de heer Özdil net toegaf dat ze ideeën uit het regeerakkoord wilden concretiseren. Daarover had de heer Van Dijk net een debatje met collega Wiersma. Mijn vraag heeft betrekking op iets anders. Ik zal het niet helder hebben gesteld. Ik ben het dus eens met de heer Özdil dat we op een aantal punten iets moeten doen aan doorgeslagen flex; dat doet het regeerakkoord ook. Maar het regeerakkoord stelt ook dat dat alleen niet genoeg gaat helpen als je niet ook die vaste baan beter bereikbaar maakt, zodat zeker die mkb'er weer een vaste baan durft aan te bieden. Dus nemen wij ook maatregelen rondom het ontslagrecht en de loondoorbetaling bij ziekte. U vroeg iets aan de coalitie, ik vraag nu iets aan u. Bent u ook bereid daarover na te denken? Want volgens mij moet je het wel allebei doen.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik kan deze vraag als volgt beantwoorden. Het lijkt mij niet verstandig om als wij doorgeslagen flex willen tegengaan, via een zijweg toch mensen makkelijker te kunnen laten ontslaan. Dat lijkt mij niet de juiste stap. In een initiatiefnota die wij samen met de SP en de PvdA hebben ingediend, nemen wij een andere maatregel: het omhoog krikken van de WW-premie van de werkgever voor flexibele contracten ten opzichte van vaste contracten.

De voorzitter:

Mijnheer Van Weyenberg, tweede interruptie.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank daarvoor, voorzitter. Die maatregel staat ook in het regeerakkoord. Ik ben blij dat u het dus met de coalitie eens bent dat dat een goede maatregel is. U heeft het vaak over uitgestoken handen. Nu probeer ik u eigenlijk tot het omgekeerde te verleiden. Ik wil graag hetzelfde: samen met u optrekken bij de aanpak van flex. Maar de Wet werk en zekerheid heeft laten zien dat dat niet helpt als je ook die vaste baan niet beter bereikbaar maakt. Nu krijg ik een beetje de indruk dat u de deur dichtslaat. Dat zou ik jammer vinden. Ik hoop dat de heer Özdil toch wil kijken of er wat dat betreft misschien aan zijn kant wat beweging zit.

De heer Özdil (GroenLinks):

GroenLinks zal nooit de deur dichtslaan om die gezamenlijke ambities te bereiken. Maar GroenLinks zal nooit de deur openlaten als via een zijweg die ambities toch worden tegengewerkt. De werkende mensen in Nederland hebben de prijs al genoeg betaald. Het wordt tijd om dingen voor hen beter te maken. We moeten het dus niet makkelijker maken om hen te ontslaan, of hen op een andere manier achteruit te laten gaan.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Özdil (GroenLinks):

Voorzitter, tot slot. Voor GroenLinks is het cruciaal dat werk weer gaat lonen, dat banen weer zekerheid gaan bieden en dat de hoop op een betere toekomst voor onze kinderen, die Nederlandse droom, weer tot leven komt. Ik hoop dat deze minister die ambitie deelt. Ik kijk ernaar uit om hem daarbij in de gaten te houden.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dan geef ik nu het woord aan mevrouw Voortman, ook namens GroenLinks.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter, dank u wel. Ik ben blij dat ik hier vandaag een debat mag voeren met deze nieuwe staatssecretaris. Wij kennen elkaar al van toen wij nog samen woordvoerders op de zorg waren. Haar sociaalliberale geluid, de focus op eigenregie en emancipatie van mensen, ook van mensen met een handicap, spraken mij toen aan. Ik hoop dus op een constructieve samenwerking.

Want, voorzitter, het regeerakkoord belooft tot nu toe weinig goeds. Het sociale geluid is daar nauwelijks in te vinden. Hoewel het kabinet belooft dat alle Nederlanders erop vooruitgaan, geldt dat voor één groep niet: mensen met een arbeidsbeperking. De Wajong voor mensen met arbeidsvermogen gaat van 75% naar 70% van het minimumloon. Mensen kunnen er zo €80 per maand op achteruitgaan. Het kabinet heeft de mond vol van economische voorspoed, heeft 1,4 miljard over voor grote bedrijven, maar 45 miljoen voor mensen met een arbeidsbeperking is te veel gevraagd. Daarmee lijkt het een bewuste keuze om deze mensen er als enigen in Nederland direct in inkomen op achteruit te laten gaan.

Voorzitter. GroenLinks wil deze maatregel terugdraaien en heeft dus het amendement hierover ondertekend. De vraag is waarom dit kabinet voor deze maatregel kiest. Ja, het is een maatregel die het vorige kabinet van VVD en PvdA invoerde en die steeds verdedigd werd door staatssecretaris Klijnsma. En ook toen was dat niet nodig, want als je echt wilt is 45 miljoen wel ergens te vinden. Het enige inhoudelijke argument dat tot nu toe wordt gegeven, is dat werken moet lonen. We hoorden dit net ook al in de inbreng van de VVD. Maar hoe kan het dan dat een deel van de werkende Wajongers er door de korting ook op achteruitgaat? Ik geef een eenvoudig rekenvoorbeeld. Een jonggehandicapte van 24 jaar die valt onder de Wajong, die werkt en €500 bruto per maand verdient, krijgt nu nog €1.267,48. Dat is loon plus brutoaanvulling op de Wajong. In 2018 daalt zijn inkomen naar €1.196,78. Dat is een achteruitgang van meer dan €70. In dit voorbeeld loont werken dus minder dan eerst. Ik wil graag van de staatssecretaris horen hoe dat zit. Is dat nou de bedoeling?

En dan komt het nieuwe kabinet ook met de loondispensatie. De staatssecretaris heeft vorige week geprobeerd om ons met een brief gerust te stellen, maar dat is nog niet gelukt. GroenLinks wil gelijk loon voor gelijk werk, met gelijke rechten. Ik herinner de staatssecretaris hierbij graag aan het VN-verdrag voor de rechten van mensen met een beperking, aan — om het specifieker te maken — artikel 27, lid 1: wij "erkennen het recht van personen met een handicap op werk, op voet van gelijkheid met anderen". Maar met de loondispensatie worden mensen elke keer via hun loonstrook weer geconfronteerd met het feit dat zij niet gelijk zijn aan hun collega's. Je geeft werknemers het gevoel dat ze er niet helemaal bij horen. En je brengt ze onder het strenge regime van de bijstand, terwijl deze mensen gewoon werken. Ons loon wordt toch ook niet aangepast omdat onze partner ook een inkomen of toevallig een goed gevulde rekening heeft? Waarom zou dat dan wel moeten gelden voor gehandicapten? Is dat nou de bedoeling van de staatssecretaris? Is dat haar idee van een inclusieve arbeidsmarkt? Staat ze dan eigenlijk wel achter dat VN-verdrag?

Voorzitter. De loondispensatie lijkt het resultaat van de zoveelste goede werkgeverslobby. Het wordt voor niemand gemakkelijker, behalve voor werkgevers. We hadden het er net ook al over met de VVD. Maar zelfs voor hen is het de vraag of het makkelijker wordt, want verschillende doelgroepen en regelingen blijven bestaan. Voor werknemers wordt het sowieso lastiger, omdat zij dan hun inkomen uit meer verschillende potjes krijgen. Als je moet kiezen voor minder administratie voor werkgevers of minder administratie voor werkenden met een arbeidsbeperking, dan kies je toch voor degene die niet iemand kan inhuren om de administratie te doen, namelijk de werkende? Graag een antwoord op deze vraag. Daarnaast kan de verrekening achteraf ertoe leiden dat mensen later nog grote bedragen moeten terugbetalen. Dat vergroot weer de kans op schulden. Kortom, de loondispensatie is wat betreft GroenLinks in strijd met de rechten van mensen met een beperking, draagt niet bij aan een inclusieve samenleving en maakt het voor een kwetsbare groep juist ingewikkelder. Ik hoop dus dat de staatssecretaris dit onzalige plan wil intrekken en dat ze in plaats daarvan om tafel gaat met sociale partners en belangenorganisaties om gezamenlijk te zoeken naar een oplossing die voor iedereen werkbaar is. Is de staatssecretaris daartoe bereid?

Ik kom op de Participatiewet. Mijn collega Özdil had het al over het wantrouwen in het socialezekerheidsstelsel. De Participatiewet, ingevoerd onder verantwoordelijkheid van staatssecretaris Klijnsma, is wat GroenLinks betreft een van de meest zichtbare uitingen van dat wantrouwen. Het is de strengste bijstandswet ooit, een wet die ervan uitgaat dat mensen met een uitkering er bewust op uit zijn om te frauderen, om te profiteren en om misbruik te maken van ons systeem. Maar dat is niet hoe ik naar de wereld kijk. Ik ga ervan uit dat mensen graag willen werken en graag wat van het leven willen maken. Dat moet je stimuleren. Volgens mij zouden de staatssecretaris en ik elkaar op dit punt moeten kunnen vinden. Maar ik heb helaas zoveel voorbeelden van mensen die niet worden behandeld als een persoon met capaciteiten en een eigen verhaal en wel als een potentiële fraudeur en profiteur. Ik noem het voorbeeld van de dame die zorgde voor haar demente moeder en daarvoor ook gebruikmaakte van haar pinpas. Ze moet bijna €30.000 terugbetalen, omdat werd gezegd: u had dat geld van uw moeder ook wel kunnen gebruiken om uzelf te onderhouden, dus betaalt u maar twee jaar bijstand terug. Dat kan toch niet de bedoeling zijn? Maar in de Participatiewet geldt: je bent schuldig tenzij je het tegendeel kunt bewijzen. Ik denk dat niemand daar beter van wordt: gemeenten niet en mensen met een uitkering al helemaal niet. Als je mensen continu een rotgevoel geeft, dan komen ze echt niet makkelijker aan het werk. Ik geloof er daarom in dat je mensen moet vertrouwen in plaats van wantrouwen. Deelt de staatssecretaris deze visie met mij? En is ze ook bereid om de gemeentes het vertrouwen te geven om veel meer specifiek naar de mensen te kijken en om te bezien wat wel en wat niet werkt? Oftewel, is de staatssecretaris bereid om de Participatiewet op de schop te nemen en een stuk socialer te maken?

Voorzitter. Ik zei het al: ik hoop dat ik constructief kan samenwerken met deze staatssecretaris. Een onderwerp waarop we dat goed zouden kunnen doen, is de problematiek van armoede en schulden. Het kabinet vindt dit duidelijk belangrijk, gezien de grote hoeveelheid tekst in het regeerakkoord. Maar die tekst verdient wel invulling. Er komen programmatische afspraken, er moet meer worden samengewerkt en er komt een vernieuwde aanpak. Van mij mag het nog wel een flinke slag dieper. We moeten niet alleen pleisters plakken, maar ook de echte oorzaken van armoede en schulden voortvarend aanpakken.

Dat betekent onder andere dat mensen genoeg inkomen moeten hebben om rond te komen. Dat is nu nog niet het geval. Honderdduizenden kinderen groeien nog steeds in armoede op. En wat doet het kabinet? Dat verhoogt de kinderbijslag. Miljonairs krijgen daarmee ook €85 per jaar meer om hun kinderen op te voeden. Daarmee verklein je de ongelijkheid dus niet. Het Nibud berekende dat een alleenstaande in de bijstand met een kind er maar €15 op vooruitgaat, terwijl het juist voor kinderen in armoede zo belangrijk is dat ook de financiële positie van hun ouders wordt verbeterd. Er moet ook genoeg geld zijn voor eten, wonen en een winterjas. Dat is ook een van de aanbevelingen die de Kinderombudsvrouw doet in haar onlangs verschenen rapport. GroenLinks vindt dus dat de 250 miljoen extra voor de kinderbijslag in het regeerakkoord naar het kindgebonden budget moet gaan, zodat het geld terechtkomt bij de gezinnen die het echt nodig hebben. Ik overweeg om hierover een motie in te dienen.

Daarnaast blijft het een probleem dat er wel allerlei regelingen zijn voor gezinnen in armoede, maar dat het moeilijk is om de mensen te bereiken voor wie dat geld is. Er is ook vaak een drempel om het aan te vragen. Het zou voor gemeentes ook makkelijker moeten worden om de inkomenspositie van ouders te versterken. Is de staatssecretaris bereid om na te denken over de mogelijkheid van categorale bijstand voor deze groep? Dan kan het geld gemakkelijker worden ingezet waar het nodig is. Het scheelt ook nog eens bureaucratie. Gegeven de opmerking van de VVD dat ook zij armoede onder kinderen wil aanpakken, reken ik op warme steun.

Ten slotte. Wij hebben de vorige staatssecretaris al vaak bevraagd over het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind. Ik ben erg benieuwd naar de mening van deze nieuwe staatssecretaris daarover. Is zij net als GroenLinks van mening dat ieder kind recht heeft op sociale zekerheid? En is zij dan ook van mening dat Nederland ook artikel 26 van dit verdrag zou moeten omarmen? Want Nederland is nu een van de weinige landen, of misschien zelfs wel het enige land, dat dit artikel niet omarmt. Nederland heeft daar een voorbehoud op gemaakt: een voorbehoud op een kinderrecht. Wil de staatssecretaris onderzoeken of er een verband bestaat tussen het grote aantal kinderen dat opgroeit in armoede en dit voorbehoud op het Internationaal Verdrag inzake de rechten van het kind?

Dan een andere veroorzaker van schulden: de overheid zelf. Een signaal dat ik vaak heb gehoord, is dat overheidsinstanties vaak zelf de moeilijkste partners zijn om mee samen te werken in een minnelijk traject. Waar andere schuldeisers meedoen in een gezamenlijke afspraak, mag de overheid als preferente schuldeiser overal doorheen walsen om als eerste het geld op te eisen. Hierdoor zijn andere schuldeisers minder vaak bereid om mee te doen aan een minnelijk traject, omdat ze weten dat ze toch pas op de laatste plaats komen. Is de staatssecretaris bereid om te onderzoeken of deze preferente status van de overheid aangepast kan worden?

Ik vraag mij ook af of het geen tijd is voor een grote verandering, want op dit moment maken bedrijven winst met de schulden van mensen. Dat zie je bij incassobureaus, bij deurwaarders en bij bewindvoerders. Door de marktwerking in het systeem ontstaat er een perverse prikkel om mensen die toch al niks hebben, nog net wat verder uit te knijpen. Uiteindelijk moeten we dat dan aan de andere kant weer oplossen met armoedebestrijding, psychische zorg en maatschappelijke opvang. Wat kost dát allemaal wel niet? Moeten we geen voorbeeld nemen aan bijvoorbeeld Zweden, waar deurwaarders, incasseerders en schuldhulpverleners samenwerken in één instelling? Want uiteindelijk gaat het erom dat mensen uit de schulden komen en weer de kans krijgen om hun leven op te bouwen.

Ten slotte heb ik nog een aantal kortere vragen. Ik heb jaren met onder anderen D66-Kamerlid Van Weyenberg gestreden voor vernieuwing van de kinderopvang. Die moet aansluiten bij het onderwijs in integrale kindcentra en uitgaan van het belang van het kind; een ontwikkelrecht. Juist met deze bewindspersonen hoopt GroenLinks dat we daar stappen in kunnen zetten, want het regeerakkoord doet er niets mee. Wat zijn de plannen van het kabinet op dit gebied?

Ik kom op de positie van vrouwen op de arbeidsmarkt, want daar gaat het niet goed mee. Zo is het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen het afgelopen jaar weer toegenomen, is het aantal vrouwen op topposities nog steeds erbarmelijk laag en komt het nog steeds voor dat zwangere vrouwen een grotere kans hebben dat hun contract niet verlengd wordt. Dit zijn allemaal voorbeelden van arbeidsmarktdiscriminatie. In het regeerakkoord staat dat het Actieplan arbeidsmarktdiscriminatie een vervolg krijgt, waarin onder andere aandacht aan zwangerschapsdiscriminatie besteed zal worden. Dat is positief. Komen er in dat actieplan ook voorstellen voor het verkleinen van het verschil in beloning tussen mannen en vrouwen? Graag een reactie.

Kortom, voorzitter, onder dit kabinet neemt de ongelijkheid op de arbeidsmarkt toe: de ongelijkheid tussen man en vrouw, tussen mensen met en zonder arbeidsbeperking en tussen vast en flex, terwijl wat GroenLinks betreft iedereen gelijkwaardig mee zou moeten doen. Hier zullen wij het kabinet de komende periode dan ook scherp op volgen. Ook zullen we met voorstellen komen.

Tot slot wil ik graag twee sollicitatiebrieven aanbieden. Die zijn ons net aangeboden op het Plein door een aantal Wajongers. Zij voerden daar actie samen met de FNV. Ik wil er graag één aanbieden aan de staatssecretaris en één aan u voorzitter, als vertegenwoordiger van ons allemaal, om ervoor te zorgen dat mensen met een arbeidsbeperking aan het werk komen. Afspraak is afspraak.

De voorzitter:

Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.)

Dank u wel.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Dank u wel voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel mevrouw Voortman. Dan geef ik nu het woord aan de heer Pieter Heerma namens het CDA.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dank u wel voorzitter. Ik durf bijna geen slokje water te nemen, maar ik doe het toch.

Voorzitter. Een jaar geleden stonden we hier de laatste begroting Sociale Zaken van minister Asscher te behandelen. Dat is inmiddels ruim een jaar geleden. Die begrotingsbehandeling was een soort eindrapport voor het kabinet-Rutte II als het gaat om de toestand van de arbeidsmarkt. Dat debat gaf een gemengd beeld. Het was voor de meeste fracties duidelijk dat de economie begon aan te trekken en tegelijkertijd was er bij veel fracties in dit huis ongemak voelbaar over de groeiende kloof en tweedeling op de arbeidsmarkt. Dat gevoel zag je later in de meeste verkiezingsprogramma's terug. Diverse partijen deden elk hun eigen en vaak verschillende voorstellen om hier wat aan te doen. Maar de grote consensus lag in de noodzaak om er wat aan te doen en om tot een eerlijker arbeidsmarkt te komen. Veel van de debatten die wij als woordvoerders Sociale Zaken in de campagne voerden, gingen daar ook over.

Tijdens de formatie is er een ambitieus pakket afgesproken, juist over de arbeidsmarkt, over de kloof tussen vast en flex en over het uitzicht van meer mensen op een vaste baan. Afgelopen maand hebben we een hoorzitting over de platformeconomie gehouden in de Tweede Kamer. Daar waren heel veel woordvoerders bij. Tijdens die hoorzitting werd opnieuw duidelijk hoe nodig deze afspraken zijn. Ik moest tijdens die hoorzitting onwelgevallig terugdenken aan het citaat waarmee ik vorig jaar bij de begrotingsbehandeling mijn inbreng begon. Ik begon toen met de woorden van Syb Talma, de grondlegger van het CNV en oud-minister van de ARP aan het begin van de twintigste eeuw. Die woorden zijn, zo bleek ook tijdens de hoorzitting, nog steeds actueel. Hij zei: "Arbeider en werkgever hebben onderling een zedelijke betrekking, omdat de arbeider niet is een levende machine en de werkgever niet is een bankbiljet of een obligatie, maar omdat beide menschen zijn, die hunne roeping in gemeenschappelijk samenwerken hebben te vervullen." Maar als je de constructies bekijkt die we ook gezien hebben in de hoorzitting over de platformeconomie, kun je niet per se zeggen dat de betrekking tussen de arbeider en de werkgever zedelijker aan het worden is.

De minister stuurde ons vorige week zijn planningsbrief met daarin een tijdlijn voor de uitvoering van de afspraken die we hebben gemaakt in het regeerakkoord. Ik ben benieuwd of de minister kan aangeven in welke van de maatregelen die hij daar aankondigt, hij zelf het meeste vertrouwen heeft als het gaat om het verkleinen van de kloof en het eerlijker maken van de arbeidsmarkt en ook als het gaat om het tegengaan van constructies om werkgeverslast en risico's af te wentelen op werknemers. Een punt van zorg naar aanleiding van die hoorzitting, in ieder geval bij mij, is het moment waarop we bijvoorbeeld payrolling gaan aanpakken en het latere moment waarop we zzp-constructies gaan aanpakken. Het is beide belangrijk. Maar neem bijvoorbeeld in de discussie die we hebben gehad met Deliveroo, waarop van links tot rechts in de Kamer behoorlijke kritiek was in die hoorzitting. Het risico bestaat dat in het interbellum niet alleen het vaste contract dichterbij komt, wat het doel is, maar dat ook meer bedrijven de weg van Deliveroo ingaan. Daar wil ik graag een reactie op van de minister, in relatie tot het CPB-rapport dat daarover vorig jaar verschenen is.

Ik ben ook benieuwd wat de minister bereid is te doen om schijnconstructies aan te pakken in de platformeconomie. We kregen een brief waarin ZZP Nederland zich afvraagt of een construct als van Deliveroo niet als "kwaadwillend" is te betitelen. Een platform als Temper heeft heel veel aspecten van een uitzendbureau, maar juridisch is het dat niet. De minister verwijst in de brief die we naar aanleiding van de hoorzitting gekregen hebben op verzoek van de heer Van Dijk naar een onderzoek naar de kluseconomie dat loopt en dat we dit voorjaar krijgen. Sorteert de minister hiermee voor op strengere handhaving? Daar is volgens mij wel aanleiding toe.

De heer Van Kent (SP):

Een onderzoek is fantastisch. We krijgen dat inderdaad dit voorjaar. Maar hoor ik in het betoog van de heer Heerma ook een oproep aan de minister om in het geval van Deliveroo meteen te gaan handhaven, omdat dit overduidelijk niet deugt en niet kan?

De heer Pieter Heerma (CDA):

De heer Van Kent kiest zijn eigen woorden. Ik houd een betoog voor de minister en verwijs naar bijvoorbeeld ZZP Nederland, dat aangeeft te denken dat er sprake is van kwaadwillendheid. Ik vraag of hij voorsorteert op stevig handhaven. Ik doe hem ook de suggestie dat het nodig is om te gaan handhaven tegen dit soort schijnconstructies, juist ook in de platformeconomie.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Met de aantrekkende economie zien we ook sectoren waar flinke krapte ontstaat. We weten dat er de komende jaren in het onderwijs, de zorg en de techniek een tekort aan mensen zal zijn. Tegelijkertijd zien we een hele rare situatie voor veel ouderen op de arbeidsmarkt. Het kabinet heeft het tegenwoordig officieel over 45-plussers. We begonnen bij 55, toen werd het 50 en nu wordt het 45. Vanochtend zei iemand: eigenlijk ben je met 40 al oud op de arbeidsmarkt. Een collega van de SGP was net zelfbewust op zijn 60ste. De minister en ik zijn tijdens de formatie 40 geworden, dus enig eigenbelang is ook op mij van toepassing. De 45-plussers blijven in de kaartenbak zitten terwijl er in sectoren zulke tekorten zijn. Dat is raar. Volgens mij ligt een deel van het probleem in het te weinig van de grond komen van het adagium "een leven lang leren", van het op tijd inzetten op om- en bijscholing, richting een baan waarin wel toekomstperspectief is. Volgens mij liggen ook hier structureel antwoorden op de grote vraagstukken rondom duurzame inzetbaarheid en werkbaar werk totdat je de AOW-leeftijd bereikt. Volgens mij moeten hier de komende jaren meters in gemaakt worden.

Het regeerakkoord zet daar ook stappen toe. Het woord "balans" is hier al eerder gevallen. Die balans zit ook hierin. De mogelijkheden om investeringen in scholing meer in mindering te brengen op een transitievergoeding kan een stimulans zijn om meer aan scholing te gaan doen. Ook is het goed dat het kabinet werk gaat maken van de individuele leerrekening. Collega Van Weyenberg en ik hebben daar een aantal keer gezamenlijk moties over ingediend. Daar is altijd breed in de Kamer steun voor geweest. Het kabinet gaat ermee aan de slag. Dat is een hele goede zaak. Wat verwacht de minister in dat kader van overleg met de sociale partners? Daar verwijst hij naar. Er ligt een grote verantwoordelijkheid bij werknemers en vooral ook werkgevers voor afspraken op cao-niveau en het daarbij betrekken van O&O-fondsen. Is de minister bereid om in die gesprekken ook het gevoelige thema van demotie te bespreken? Dat valt niet los te zien van het slimmer omgaan met duurzame inzetbaarheid. En wat gaat de minister doen indien sociale partners niet echt willen inzetten op het werk maken van werkbaar werk voor ouderen op de arbeidsmarkt?

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank voor de woorden van — nou ben ik even zijn naam kwijt — de heer Heerma over Deliveroo. We kennen elkaar al best lang, maar ik zocht even. We moeten gezamenlijk, van links tot rechts, gaan handhaven. We moeten onderzoeken of dat kan, en wel zo snel mogelijk. Mijn vraag gaat over die groep die het nu heel moeilijk heeft. De FNV heeft in brieven aan de Kamer en in het overleg met de heer Koolmees gezegd: aan die groep die het pensioen niet haalt, moeten we ook wat doen. Ik hoor de heer Heerma zeggen: we moeten investeren in scholing. Ja, natuurlijk moeten we dat. Maar moeten we ook niet denken aan vormen van generatiepacten, deeltijdpensioen en flexibele AOW? Als de minister dat kan doen, ontstaat er ruimte in het overleg met met name de vakbeweging.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Als ik zo naar de brief van de minister en naar de brief van de FNV kijk, dan heb ik de indruk dat van die twee de minister degene is die de meeste ruimte biedt. De uitgestoken hand die de minister op verschillende plekken in zijn brief toont, is vrij duidelijk. Er is zelfs soms de oproep om wat te gaan doen. Voor mij persoonlijk geldt dat een aantal dingen die de heer Van Dijk zegt, raken aan dingen die ik zelf ook gezegd heb. Die spreken me aan. Ik ben zelf altijd heel kritisch geweest over die flexibele AOW. Ook als oppositiepartij ben ik daar kritisch over geweest, omdat ik een heel groot risico zie. Er zijn ook linkse partijen die er altijd heel kritisch over geweest zijn. Collega Ulenbelt bijvoorbeeld was altijd heel kritisch. De heer Van Kent, die toch een beetje de erfopvolger is van de heer Ulenbelt, zie ik knikken. Er wordt divers over gedacht, omdat er het risico is dat de regeling vooral goed uitpakt voor mensen die het juist niet nodig hebben. Over een aantal van de onderwerpen die de heer Van Dijk aandraagt, ben ik erg enthousiast. Ik geloof daarbij het meeste in de structurele oplossing van dat leven lang leren, dat van de grond moet komen. Het kabinet doet daar een goede aanzet voor met meer geld voor om- en bijscholing, maar sociale partners hebben ook een verantwoordelijkheid om die handschoen op te pakken. Dat is niet alleen eenzijdig bij de minister neer te leggen.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Mag ik dan concluderen dat er meer dan alleen scholing mogelijk is? Voor de heer Heerma geldt dan niet de flexibele AOW, maar er zijn voor hem dus meerdere mogelijkheden om op sectoraal niveau te kunnen kijken naar vormen van eerder stoppen met werken of wellicht een dag minder werken, zodat het voor mensen gemakkelijker wordt.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik gebruik de term "werkbaar werk". Die term wordt in Vlaanderen heel veel gebruikt. Hoe hou je het voor mensen mogelijk om te blijven werken? Ik geloof dat omscholing, een baan waarin je kunt blijven werken, echt het beste middel is. Tegelijkertijd heb ik de heer Van Dijk de afgelopen weken in diverse debatten constructief zien meedenken. Als hij in zijn termijn straks met goede ideeën komt, wil ik daar altijd welwillend naar luisteren. Maar ik blijf daarbij zeggen: de uitgestoken hand van het kabinet was in het regeerakkoord heel duidelijk en dat geldt ook voor de brief die wij van de minister kregen. De sociale partners hebben zeker als het om vraagstukken als een leven lang leren, cao's en O&O-fondsen gaat, ook zelf een verantwoordelijkheid te pakken. Die zouden ze ook moeten nemen. Dat zeg ik ook tegen werkgevers; het ligt niet alleen bij vakbonden.

In het kader van de arbeidsmarkt kom ik zo nog op de voorstellen die wij als coalitie gaan doen rondom scholing, dat omscholen, maar ik heb tussendoor een vraag als het gaat over ondernemers met een arbeidsongeschiktheidsverzekering die arbeidsongeschikt zijn geworden voorafgaand aan het verhogen van de AOW-leeftijd, maar ook als het gaat over zzp'ers die nu verzekerd zijn, waar een discussie gaande is over de vraag of verzekeraars voldoende doen om hen hun polis te laten aanpassen, of die mogelijkheden er zijn. Ik ben benieuwd. Als je het hebt over de eerste groep, is er de discussie over het brandende huis. Verzekeraars zeggen: dit is niet ons probleem. Maar die mensen hebben wél een probleem. In het tweede geval is het de vraag of verzekeraars voldoende doen om die ondernemers, ook zzp'ers maar het is breder, de mogelijkheid te bieden om die polis aan te passen, en dat op een nette manier te doen. Mijn vraag aan de minister is of hij bereid is om met verzekeraars aan tafel te gaan zitten om te praten over beide problemen en de Kamer daarover terug te rapporteren.

Ik kom terug op die scholing. Volgens mij is het heel goed om een extra impuls te geven aan werkkansen voor ouderen in kansrijke sectoren door middel van scholing. Als je kijkt naar de sectorplannen, zie je dat er vooral onderbesteding is. Daar waar eerder een keuze is gemaakt, volgens mij op initiatief van collega Van Weyenberg, om meer te doen aan scholingsvouchers, zien we dat die wel gebruikt worden. In de laatste brief van de minister staat wel dat er twijfels zijn over de vraag of het geld in alle gevallen doelmatig besteed is. In sommige gevallen zijn mensen niet eens te bereiken om te toetsen of het doelmatig besteed is.

Maar in die hoek liggen wel kansen. Daarom hebben we met de woordvoerders van de coalitiepartijen het initiatief genomen om de onderuitputting bij de sectorplannen in te zetten langs die lijn. Er is sprake van een rare mismatch. Sectoren schreeuwen om personeel maar kunnen het niet vinden Bedrijven weten niet waar ze het personeel vandaan moeten halen. Tegelijkertijd zijn er de ouderen, 45-plussers of 40-plussers, die maar in die bakken blijven zitten omdat ze niet de juiste skills hebben voor de banen. Dat is de reden voor het initiatief vanuit de coalitiepartijen om daar geld voor vrij te maken. Wij zien namelijk dat dat beide problemen kan oplossen. We geven mensen een kans op werk in plaats dat ze kansloos moeten solliciteren. Werkgevers geven we de kans op gekwalificeerd personeel.

Ik ben ook benieuwd wat de minister daarbij aanvullend aan kansen ziet bij regionale scholingsfondsen voor vakmanschap. Bijvoorbeeld in de provincie Overijssel is men daarmee bezig, in de regio Twente. Dat doen de provincie, gemeenten en het UWV. Ook O&O-fondsen doen mee, evenals roc's. Ik begrijp dat hiermee ook in de provincie Gelderland en de provincie Drenthe gewerkt wordt. Op regionaal niveau doet men dat met precies hetzelfde doel als wij hebben, namelijk de mismatch oplossen. Daarvoor wordt geld uitgetrokken en er wordt gezamenlijk in opgetrokken. Mijn vraag aan de minister is of hij bereid is om dit soort regionale initiatieven actief te ondersteunen. Het hoeft niet financieel, want ze hebben zelf financiële middelen. Maar zij vragen wel om ondersteuning vanuit juist het landelijk niveau. Dat zou in de vorm van een pilot kunnen; dat is een suggestie. Maar wellicht ziet de minister nog andere manieren om dit actief te ondersteunen. De collega van de VVD had het volgens mij over Limburg in dit kader; die provincie vergat ik. Ik zie haar haar duimen opsteken. Er zijn goede initiatieven in provincies. Het initiatief in Overijssel was mij het eerst bekend, maar je merkt dat dit een breed levend thema is, dat ondersteund kan worden.

Zonet ging het debat over de flexibele schil. Met de krapte op de arbeidsmarkt zie je ten aanzien van de flexibele schil een nieuwe beweging ontstaan. Chipfabrikant ASML heeft aangegeven zijn flexibele schil te gaan halveren door allerlei mensen een vast contract te gaan aanbieden. Ziet de minister deze trend breder ontstaan? Denkt hij dat de maatregelen die wij in het regeerakkoord hebben afgesproken rond de verlengde proeftijd en rond premiedifferentiatie — ik weet dat een aantal oppositiepartijen dat enthousiast opgepikt hebben — een impuls kunnen vormen om die trend door te zetten?

Ik wil doorgaan naar mijn blok "integratie", maar ik zie de heer Van Dijk opstaan. Dus ik denk dat ik even wacht.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Ik heb een vrij simpele vraag. Ik zoek naar de ratio achter de verlengde proeftijd voor vaste contracten. Het gaat beter met Nederland. Er zijn banen te over. Toch gaan we de proeftijd verlengen. Wat is de ratio daarachter?

De heer Pieter Heerma (CDA):

In het regeerakkoord hebben wij diverse maatregelen opgenomen waarvan wij denken dat ze de kloof tussen vast en flex kunnen verkleinen. Ze vergroten de kans voor mensen om een vast contract te krijgen en ze verlagen de drempel voor werkgevers om zo'n vast contract aan te bieden. Dat geldt ook voor deze maatregel. Wij denken dat dit, in het pakket dat wij hebben afgesproken en waarin allerlei maatregelen zitten, een positieve bijdrage kan leveren om werkgevers te stimuleren om niet naar zzp-constructies te gaan maar mensen juist een vaste baan aan te bieden.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Mijn angst is dat er met de verlenging van de proeftijd eigenlijk een nieuwe constructie ontstaat. Wij kennen namelijk bepaalde sectoren — die kent de heer Heerma ook — die gebruikmaken van dit soort constructies. Er is een gevaar dat je na vijf maanden geheel zonder rechten wegloopt, of eigenlijk wordt ontslagen, en vervolgens weer voor vijf maanden wordt aangesteld. Is de heer Heerma bereid om daarnaar te kijken? Ziet hij ook dat we zo'n draaideurconstruct met z'n allen moeten voorkomen? Volgens mij is dat namelijk niet de bedoeling van dit plan.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik zou met de heer Van Dijk in een discussie kunnen komen over de vraag: welke constructies vinden we het ergst? Maar constructies zijn nooit goed. Het doel is volgens mij dat mensen vaker een vast contract krijgen. We hebben het met elkaar ook over andere constructies gehad, waarbij überhaupt niet meer met een contract wordt gewerkt. Tegelijkertijd, wat betreft de zorg van de heer Van Dijk: laat de minister daar zelf ook eens op reflecteren. Ik denk dat dit in samenhang met de andere maatregelen het vaste contract echt dichterbij brengt. Dat is ook het doel van het regeerakkoord. Ik begrijp de zorg die de heer Van Dijk heeft vanuit zijn positie natuurlijk ook.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Eerst even voor de volgordelijkheid: ik begreep dat de heer Heerma overging naar het blokje "integratie", maar ik heb het woord "Wajong" nog niet gehoord. Is dat juist?

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dat klopt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dan wil ik nu mijn vraag stellen. Anders zegt u "daar kom ik straks op terug", of zo.

De voorzitter:

Komt u daar nog op terug, meneer Heerma?

De heer Pieter Heerma (CDA):

Nee. Mijn collega komt zo direct terug op de kinderopvang, de Participatiewet en armoede en schulden, maar als u een vraag over de Wajong heeft: kom maar door!

De heer Jasper van Dijk (SP):

Wij hebben vanmiddag op het Plein gestaan met een protestactie van de vakbond en een aantal Wajongers die daar stonden. Zij zijn niet blij met de Wajong-korting die al eerder, in een vorig kabinet, is afgesproken. Het gaat om zo'n 50 miljoen euro. Zij willen dat die korting ongedaan gemaakt wordt. De deal was destijds: wij gaan een baan regelen en dan kan die korting gerechtvaardigd zijn. Het grootste punt waar die mensen zo boos over zijn, is dat die banen er helemaal niet gekomen zijn. En de banenafspraak, waarmee een quotum ingesteld zou worden, is nota bene uitgesteld! Vindt u dat ook niet onrechtvaardig, meneer Heerma? En wilt u met mij meedenken of we die korting ten minste voor komend jaar kunnen schrappen?

De heer Pieter Heerma (CDA):

Om te beginnen met de tijdlijn die de heer Van Dijk: zowel in de discussie over de herkeuring als in de discussie over loondispensatie is er nogal veel gewijzigd. Dat gaat terug tot een voorvorig kabinet. Deze maatregelen stonden namelijk grotendeels ook in de Wet werken naar vermogen. Wij waren daar als CDA verantwoordelijk voor. Die maatregelen waren nodig omdat de Wajong enorm gegroeid was. Ze volgden op een eerdere wet, de Wet werk en bijstand. Toen wij regeringspartij waren, hebben wij als CDA die maatregelen gesteund. Ik vind die maatregelen niet onrechtvaardig. Ik vind ze te verdedigen, juist als je ziet wat we in de Participatiewet van mevrouw Klijnsma uiteindelijk over de hele linie veranderd hebben. Ik zie dus ook heel weinig in het uitstellen van die korting. Daarbij geldt dat wij ook als oppositiepartij — ik kijk met een schuin ook naar de heer Van Dijk ...

De heer Jasper van Dijk (SP):

Naar mij?

De heer Pieter Heerma (CDA):

Nee, sorry, naar de andere heer Van Dijk, de heer Gijs van Dijk. Ook als oppositiepartij zijn wij blijven staan voor de maatregelen waar wij als regeringspartij voor stonden. De heer Jasper van Dijk kan hier zeggen dat de SP kritisch is gebleven, maar de PvdA heeft toen zij regeringsverantwoordelijkheid had, vijf jaar lang hiervoor gestaan. Voor het FNV geldt dat in het sociaal akkoord van 2013 een hardere herkeuring was afgesproken, die in het herfstakkoord weer is teruggedraaid door de C3 van destijds, ChristenUnie, D66 en de SGP. Dus verschillende actoren hebben hierover verschillende posities ingenomen. Als regeringspartij hebben wij dit gesteund en ik ben daarvoor blijven staan als oppositiepartij. Dat doe ik opnieuw nu ik hier weer namens een regeringspartij sta.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Colleges volgen we op de universiteit, maar hier voeren we een politiek debat. Het interesseert mij niet zoveel wat er allemaal is gedaan en wie allemaal wat heeft gedaan, toen en toen. Het gaat mij om uw politieke standpunt.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Dat heb ik u gegeven.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U kunt hier zeggen dat u vijf jaar geleden al iets vond en dat u er trots op bent dat u dat nog steeds vindt, maar gaat u nou eens in op die Wajongers die wij vandaag hebben gezien — waar u niet bij was trouwens, een beetje laf — en die woedend zijn omdat het kabinet en de politiek hebben besloten om het banenquotum een jaartje uit te stellen, maar de korting snoeihard in stand te houden. Waar is die sociaalchristelijke menselijkheid van het CDA? Waarom zegt u niet dat het dan ook redelijk is om die korting één jaartje uit te stellen? We hebben daar een geweldige dekking voor. Doe met ons mee, meneer Heerma!

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik ga zelf over mijn antwoorden en ik vind die tijdlijn wél relevant. Ik heb mijn standpunt in dat antwoord ook gegeven. Wij hebben dit als coalitiepartij in Rutte I afgesproken. Als oppositiepartij zijn wij daarvoor blijven staan. Dat doe ik als regeringspartij nu ook. Daarbij geldt het volgende: als uit de herbeoordeling blijkt dat je duurzaam zonder arbeidsvermogen bent, hou je 75%. Heb je arbeidsvermogen, dan ga je naar 70%. Dat was onderdeel van de plannen twee kabinetten geleden, het is vijf jaar lang onderdeel geweest van de plannen van het vorige kabinet, en het is niet nieuw nu.

De voorzitter:

De heer Van Dijk. Gijs van Dijk.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik zal de voornamen erbij blijven zeggen. Excuus, voorzitter.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Er werd verwezen naar Rutte II en terecht. De VVD en de Partij van de Arbeid hebben toentertijd het sociaal akkoord met de FNV gesloten, met de werkgevers, met het CNV enzovoorts. Maar dat was wel een andere tijd. Toen ging er 60 miljoen per dag meer uit dan er binnenkwam. Nu, vier jaar later, leven we gelukkig, ook door Rutte II, in een veel betere tijd met economische voorspoed en met enorme bedragen die we kunnen besteden aan mensen. Daarom zijn wij sinds maart, sinds wij hier in de Kamer zitten en sinds het demissionaire kabinet ook als Partij van de Arbeid al bezig om op te roepen: laten we dit nu oplossen, ten minste voor een jaar omdat wij weten — de heer Jasper van Dijk zei het al — dat die banen er nog niet zijn.

De heer Pieter Heerma (CDA):

In de marktsector zijn ze er sowieso wel. Nu kan de heer Gijs van Dijk — ik wilde Jasper van Dijk zeggen — aangeven dat de tijden veranderd zijn. Maar wat primair het meest veranderd is, is de positie van de Partij van de Arbeid. De noodzaak om wat aan de Wajong te doen als gevolg van de Wet werk en bijstand van 2004 was er. Die noodzaak was niet conjunctureel van aard; die was ook structureel van aard. De Partij van de Arbeid heeft daar keihard oppositie tegen gevoerd. Toen ze regeringspartij waren, hebben ze het verdedigd. Ze hebben een sociaal akkoord gesloten waar een hardere herkeuring in stond dan in de wet die ze verguisd hebben toen ze oppositiepartij waren. Ze hebben dat verdedigd tot het laatste moment. En nu ze in de oppositie zitten, gaan ze andere partijen aanvallen die dat als oppositie- én als coalitiepartij steeds verdedigd hebben.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

We kunnen dit politieke steekspel volhouden, maar wat mij betreft doen we dat niet. Wat mij betreft zeggen we hier als Kamer: we gaan dit oplossen, juist voor die Wajongers die hier actie hebben gevoerd en voor de velen die meekijken. Het gaat over flinke bedragen voor kleine inkomens. Wat mij betreft, stappen we met elkaar over het politieke verleden heen. Dat doen wij, ook met de vakbeweging. Laten we het nu eindelijk oplossen. Dat is mijn oproep aan u en ook aan de andere coalitiepartijen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik hoop natuurlijk dat er toch nog iets gebeurt waardoor ons amendement gesteund kan worden, maar er is ook nog een andere mogelijkheid. Vanochtend was het debat over de Najaarsnota. Uit de Najaarsnota blijkt dat er op de Wajong geld over is. 27,1 miljoen is daarop over. Bij de Voorjaarsnota kan worden bekeken of dat structureel is. Staat het CDA ervoor open om dat bedrag te besteden aan het niet laten doorgaan van deze bezuiniging?

De heer Pieter Heerma (CDA):

Nogmaals, in Rutte I hebben wij als coalitiepartij de Wet werken naar vermogen verdedigd. Daarin zat deze maatregel, die ook nodig was vanwege de effecten die de Wet werk en bijstand had op de Wajong. Ik vind die korting verdedigbaar, ook als je naar alle andere groepen kijkt, ook naar de groep die nu in de Participatiewet belandt en die geen verleden in de Wajong heeft. En nee, ik stond daar ook voor als oppositiepartij. Wij hebben in debatten, ook toen ik nog in de oppositie zat, hier deze discussies gehad. Ik sta daar als coalitiepartij nog steeds voor.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Los van wat je vindt van het beleid van de afgelopen jaren, is een van de effecten daarvan dat er nu meer mensen uit de Wajong stromen. Daardoor is er nu geld over, 27,1 miljoen. Dan zijn we al een behoorlijk eind op streek met die 45 miljoen. Waarom zou je dat geld niet gebruiken om ervoor te zorgen dat de mensen die nu nog in de Wajong zitten niet achteruit hoeven te gaan in hun inkomen? Waarom zou je dat nou niet doen?

De heer Pieter Heerma (CDA):

Mevrouw Voortman is heel consequent geweest in deze redenering, dus ik zal het verwijt dat ik de Partij van de Arbeid maak echt niet in de richting van GroenLinks maken. Maar ik ben ook consequent geweest in het staan voor deze maatregel, omdat ik die verdedigbaar vind vanwege de noodzaak van het hele pakket dat is afgesproken rond zowel de Wajong als wat eerst de Wet werken naar vermogen was en daarna de Participatiewet werd. Als ik daarvoor sta, verandert dat niet doordat er budgettaire ruimte in de Najaarsnota komt. Ik begrijp de vraag, maar dat verandert mijn standpunt niet.

Voorzitter, ik ga verder. De afgelopen week bleek opnieuw dat het niet goed gaat met de inburgering: trajecten die te laat worden gestart, achterstanden bij examens en grote groepen nieuwkomers die in de uitkeringsbakken bij de gemeenten belanden. Het recente rapport van het SCP over de positie van Somaliërs in Nederland laat een zorgwekkend beeld zien: slechte beheersing van de taal, slechte arbeidsmarktpositie, veel bijstandsuitkeringen en jonge kinderen aan wie die achterstandspositie wordt doorgegeven. Vorige week tijdens de eerste termijn van het AO Integratie zegde de minister toe om op korte termijn met een uitwerking te komen van die begeleide toegang tot de sociale zekerheid. Volgens mij is dat een goede zaak en is het ook hard nodig.

Breder dan alleen de inburgering is de manier waarop we naar integratie kijken eens tegen het licht te houden. Want ik denk dat te lang onverschilligheid de norm is geweest, maar dat dit tolerantie is genoemd. Het gevolg is vooral dat er veel discussie is ontstaan over de identiteit en de cultuur van mensen die hier naartoe komen en dat er te weinig aandacht is geweest voor de identiteit en de cultuur van het land dat ze moest opnemen. In het regeerakkoord staan gelukkig maatregelen en stappen om juist meer aandacht te hebben voor onze historie en voor onze cultuur en identiteit. Dat staat op verschillende plekken. Volgens mij is dat nodig, want als je ergens heen emigreert, als je naar Nederland emigreert, verander je niet alleen van grondgebied. Je verandert ook van natie en dat is een heel moeilijk proces. Ik moet zeggen de woorden van de heer Özdil me zeer aanspraken. Daar zal ik aan het einde van mijn betoog op terugkomen. Want zoals hij mij er vanochtend of vanmiddag toen we elkaar spraken aan herinnerde, hebben goede ideeën soms vele vaders en moeders. Maar daar kom ik zo op terug.

Het proces van emigratie, dat naar een nieuwe natie toegaan, is moeilijk en gaat zonder gedeelde waarden, zonder een gevoel van "wij", niet slagen. Dit besef grijpt terug op het denken van de Franse filosoof Renan. Zijn werk — dat komt recentelijk, ook internationaal, steeds meer in de picture te staan — wordt gezien als een pragmatisch pleidooi voor verlicht patriottisme. Hij stelt dat gevormd door een gemeenschappelijk bezit van een rijke erfenis aan herinneringen en uit tegenwoordig saamhorigheidsgevoel en de wens tot samenleven een natie wordt gevormd. Kijk naar de gebeurtenissen onder andere dit voorjaar in Rotterdam, maar ook afgelopen weekend — dat drukte ons weer met de neus op de feiten — het exposen, dat veelal gebeurt bij te geïntegreerde meisjes, als reactie daarop. Dan zie je dat er nog veel kwalijke kanten zijn en hoe actueel deze discussie is.

Grote vragen vliegen hier in de maatschappij heen en weer. Allochtone jongeren vragen zich af: mogen we hier wel zijn, horen we erbij? De samenleving vraagt op haar beurt weer: willen jullie hier wel zijn, willen jullie er wel bij horen? Dat Renan veel antwoorden biedt op dit soort vraagstukken en op het dieperliggende identiteitsvraagstuk, blijkt uit die steeds groter wordende aandacht voor deze discussie. We zien in allerlei politieke stromingen deze discussie steeds meer gevoerd worden, ook in stromingen waarin dit heel veel jaren lang een groot politiek taboe was. Sociaalliberaal denker Martha Nussbaum — ik weet dat zij ook in D66-kring veel steun geniet — pleit bijvoorbeeld in haar boek Politieke emoties expliciet voor het bijbrengen van patriottisme in het onderwijs. Ook in sociaaldemocratische kring wordt steeds meer geschreven over het loslaten van meer utilitaristische politiek en het gaan naar meer communitarisme. Onlangs nog hield Paul Collier in een groot internationaal sociaaldemocratisch tijdschrift een pleidooi voor het belang van "belonging", ergens thuishoren, bij elkaar horen, de wens om samen te leven. Daarom sprak het betoog van de heer Özdil mij aan.

Wij moeten afscheid nemen van het echt pure kosmopolitische utilitarisme, want daar is het permanente risico van onverschilligheid: zoek het maar uit, als ik er maar geen last van heb. Dat gaat gepaard met het langzaam afbrokkelen van de samenleving. Dat is ook wat we zien op zo'n brug in Rotterdam. Ik zou, in navolging van de American dream, willen pleiten voor een Dutch dream. Zoals de heer Özdil ook zei: een Nederlandse droom. Ik begrijp dat collega El Yassini van de VVD ook voor die Dutch dream staat. Ik weet dat er in PvdA-kring ook steeds vaker over progressief patriottisme wordt gesproken. Je ziet dus dat in meerdere politieke partijen, in meerdere stromingen, deze discussie opkomt. De noodzaak om met hoofd en hart hier te willen zijn, hier mee te willen doen en die wens om samen te leven. Die mensen verdienen ook de kans om mee te mogen doen en erbij te horen. Wat mij betreft — daar verschillen we misschien weer over, want dan kom je ook op inburgeringseisen — gaat het er daarbij om dat je enerzijds dwingender en harder bent tegen mensen die niet mee willen doen, maar je zult dus ook duidelijk moeten optreden wanneer mensen wel mee willen doen maar die kans niet krijgen. Optreden tegen discriminatie, optreden tegen wat afgelopen weekend naar buiten kwam over het exposen. Gelukkig heeft het kabinet dat opgepakt, want dat is heel erg. Die meisjes willen meedoen en worden er juist om die reden op social media uitgepikt en belaagd, of zelfs stukgemaakt.

Ik wil afsluiten met een voorbeeld. Daar kom ik op omdat Mohamed Ajouaou in Trouw een discussie is gestart over de taak die de moslimgemeenschap in Nederland heeft om zelf tot een register voor imams te komen. Hij verwijst hierbij ook naar België, waar een dergelijk register er al is en waar gedragscodes zijn voor imams. Daarin staat gewoon: je moet je aan de wet houden en je mag niet pleiten tegen de openbare orde. Ik vind het interessant dat in Nederland die discussie in de moslimgemeenschap ook steeds meer gevoerd wordt. De noodzaak om het kaf van het koren te scheiden, zelfreinigend vermogen te hebben, te kiezen om hier actief te zijn, voor polderimams, zo je wil. Dat betoog is eerder ook gedaan door bijvoorbeeld Yassin Elforkani vanuit het CMO. Dit is geen overheidstaak, maar volgens mij is het wel een goede beweging als je het hebt over met je hoofd en je hart hier willen participeren. Daarom wil ik als slot daar graag nog een reactie op van de minister.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Heerma. Ik geef nu het woord aan de heer Peters namens het CDA.

De heer Peters (CDA):

Dank u wel, voorzitter. Daar zat hij dan, aan tafel in een kaal huurhuis in een West-Brabants dorp. Hij schreef rouwkaarten voor zijn stervende vrouw. Diep in de schulden, een klein sociaal netwerk maar gelukkig met een buurman die hem af en toe hielp. Een hoopje ellende. De gemeente, de Belastingdienst, de nodige organisaties — allemaal waren het aardige mensen. Iedereen wilde meedenken, maar als het puntje bij paaltje kwam gebeurde er niets. Het was een indrukwekkend werkbezoek. Op de terugweg in de auto dacht ik aan mijn vader. Die kon woedend worden als hij de klantenservice van een bedrijf gebeld had en een keuzemenu kreeg voorgeschoteld. Vier keuzes kreeg hij dan, maar zijn probleem zat er net niet tussen. Nadat hij wat al te lang geaarzeld had welk nummer hij dan in zou moeten toetsen, werd de verbinding verbroken. Woest werd-ie dan: "Ik wil gewoon een mens aan de lijn die mijn probleem oplost!" Maar als je probleem niet in het keuzemenu past, dan kan men je niet van dienst zijn.

Wat zijn we toch een bijzonder landje. Aan tafel tussen de rouwkaarten werd me dat weer eens pijnlijk duidelijk. Alles is zo perfect georganiseerd. Wie waar recht op heeft, welke procedures gevolgd moeten worden: het staat allemaal vast. Rechtmatigheid als hoogste goed. Het is niet eens de bedoeling, maar de mens wordt dikwijls vergeten. Instanties en overheden gedragen zich als de klantenservice waar mijn vader zo kwaad om kon worden. Door de hoorn klinkt een vriendelijke stem, maar de computer beslist of je geholpen wordt of niet.

Een mens heeft bestaanszekerheid nodig en perspectief, de mogelijkheid om iets van het leven te maken. We weten het allemaal wel: naast eten, drinken en een dak boven je hoofd heeft de mens een arm om zich heen en een reden om uit bed te komen nodig. De wetenschap houdt het ons al jaren voor: wie noodgedwongen thuiszit, is vaker eenzaam, leeft ongezonder, is ongelukkiger en zieker dan mensen die wel meedoen in de maatschappij. Letterlijk alles is beter dan thuiszitten: studeren, tijdelijk werken, vrijwillig werken, parttime werken, zelfs werk waar je eigenlijk geen zin in hebt. Maar het beste is betaalde arbeid. De wetenschap dat je voor jezelf en de mensen die je liefhebt zorgt, doet goed. Daar moet een mens de kans voor krijgen. Op de een of andere manier lukt dat ons op dit moment niet goed genoeg, ook al investeren we daar miljoenen en miljoenen euro's in en zijn er objectief gezien vacatures genoeg. Mensen willen graag werken, maar blijkbaar maken we het toch te ingewikkeld.

In het regeerakkoord staan maatregelen die moeten helpen deze impasse te doorbreken. Een van die maatregelen, waar veel over te doen is, is de mogelijkheid tot loondispensatie. Op dit moment is de staatssecretaris bezig met het uitwerken en doorrekenen van de plannen. Voor het CDA zijn randvoorwaarden leidend. Ten eerste moet het voor werkgevers lonend en gemakkelijk zijn om mensen in dienst te nemen, want anders doen ze het niet. Ten tweede moet het voor werknemers te allen tijde ook financieel lonend zijn om te gaan werken. Ten derde moeten voor werknemers de administratieve lasten niet te groot worden. Ten vierde moet voor werknemers die vallen onder de andere regelingen, zoals dat nu al is, veranderingen niet gaan gelden. En ten vijfde moet voor mensen die niet kunnen werken binnen een reguliere setting, passend of beschut werk beschikbaar zijn, en wel veel meer dan nu het geval is.

Een aantal vragen aan de staatssecretaris. Kan de staatssecretaris bevestigen dat aan de bovenstaande randvoorwaarden wordt voldaan? Kan de staatssecretaris ten tweede aangeven wanneer de uitwerking van deze plannen gereed zal zijn? Over loondispensatie bestaan nogal wat misverstanden. Mijn vraag is dan ook: hoe gaat de staatssecretaris in gesprek met sociale partners om de misverstanden uit de weg te helpen?

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Ik zoek nu even. De vijf randvoorwaarden die de heer Peters stelt, spreken mij zeer aan.

De heer Peters (CDA):

Mooi.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Maar er wordt ook 500 miljoen bezuinigd. Als de heer Peters zegt dat werk moet lonen, kan ik dat niet met elkaar matchen, want die 500 miljoen wordt weggehaald bij deze mensen, die in ieder geval pensioenen, sociale zekerheid, al dat soort zaken, niet zullen krijgen met loondispensatie. Klopt dat?

De heer Peters (CDA):

Kijk, werk moet lonen, mijnheer Van Dijk. Dat is heel erg helder. Daarom worden er ook keurige tabelletjes daarvoor gemaakt. Als je 10 uur gaat werken in de bijstand, dan moet ook dat lonen. Ga je 5 uur werken, dan gaat het lonen. Bij 20 uur werken gaat het lonen. Als je beter kunt presteren en je loonwaarde hoger wordt, gaat ook dat meer lonen. In de huidige vorm, waar we met loonkostensubsidie werken, krijg je natuurlijk geen bijstand. Je krijgt volledig minimumloon — dat krijg je niet in alle gevallen in een nieuwe variant — maar dat betekent wel dat je een behoorlijk aantal uren moet maken wil arbeid lonen. Mevrouw Nijkerken-de Haan heeft net al uitgerekend dat dat zou neerkomen op ongeveer 28 uur. Dus als werk wil lonen, is deze variant wat mij betreft heel erg goed. U heeft gelijk dat er geld overblijft, deels omdat je dat niet gaat besteden aan mensen die niet-uitkeringsgerechtigd zijn bijvoorbeeld, en deels omdat je minder werkgeverslasten hebt. Maar dat arbeid blijft lonen, staat voor mij op één. Het geld dat je niet uitgeeft, die 500 miljoen, die zet je in om juist om mensen die ook onder deze regeling niet kunnen gaan werken, beschutte banen te bieden. Dat was mijn vijfde randvoorwaarde. Het is dus geen bezuiniging. Het is geld dat je anders in gaat zetten.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Daarover verschillen we van mening. Dat moge duidelijk zijn. Toch nog even een vraag over die beschutte werkplekken. Er zijn nu zo'n 1.100 plekken gevuld van de 30.000 die bij het sociaal akkoord zijn afgesproken. Nu al zegt deze coalitie dat er 20.000 bij komen. U betaalt dat uit de bezuiniging, de overstap naar loondispensatie. Waarom nu deze stap, terwijl werkgevers, gemeenten — we hebben vele brieven gekregen, u ook — zeggen: doe dit niet, laat ons nu aan de gang gaan, en die beschutte werkplekken hebben we op dit moment helemaal niet nodig?

De heer Peters (CDA):

Ten eerste, dit is ook een vraag die ik aan de staatssecretaris ga stellen. Hoe gaat de minister zorgen dat de werkplekken ook opgevuld gaan worden? Het tweede is dat die extra werkplekken er niet morgen moeten zijn. Zo was die bezuiniging, zoals u het zo mooi noemt — ik noem het "anders inzetten" — er ook niet morgen. Dat zit in de fasering tot 2026, meen ik. Die plekken zijn dus nodig voor mensen waarvan we weten dat ze bestaan. Gemeenten zullen ze moeten vervullen ook. Dat is een langzame opbouw van die werkplekken en een langzame afbouw van het geld.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Peters (CDA):

Daar heb ik een vraag over. Hoe gaat de minister monitoren dat er inderdaad 20.000 extra beschutte werkplekken komen? En op welke termijn is dat dan? Hoe gaat de staatssecretaris zorgen dat de gemeenten die werkplekken ook daadwerkelijk opvullen? Ziet de staatssecretaris kansen om beschut werk eventueel in te zetten als instrument en niet puur als voorziening? Ik kan snappen dat gemeentes zeggen: als ik iemand in beschut werk heb, dan zit hij daar in principe tot aan zijn pensionering in. Kan dat niet anders, namelijk als een soort instrument en niet als voorziening? Dat stelt de gemeente in staat om flexibele trajecten aan te bieden.

En dan heb ik nog een vraag. Ik krijg signalen dat jongeren die tot voor kort vanuit het praktijkonderwijs rechtstreeks de Wajong in stroomden, nu aan het werk gaan met behulp van een persoonsgebonden budget. Ziet de staatssecretaris die beweging ook en, zo ja, wat is dan daarop haar reactie?

Dan arbeidsdiscriminatie. We hebben er al over gesproken in de Kamer: als je solliciteert, dan kun je beter een strafblad hebben dan een Arabische achternaam. Die conclusie zou je ook kunnen trekken op basis van recente onderzoeken. Dat discriminatie op de arbeidsmarkt een probleem is, is wel duidelijk. Ik ben blij dat het actieplan tegen arbeidsdiscriminatie een vervolg krijgt. Ik heb daar twee vragen over. Hoe gaat de staatssecretaris rapporteren over de voortgang en de effecten van het actieplan arbeidsdiscriminatie? En hoe gaat de minister aantoonbaar werk maken van door zijn voorganger toegezegde naming-and-shaming van partijen die zich daar slecht mee bezig houden?

Dan de kinderopvang. Opvoeden is meer dan te eten geven. Het heeft te maken met socialiseren, met ruimte bieden in gebondenheid, met kansen bieden aan kinderen en met veilig opgroeien tot democratisch burger. Dat kunnen ouders niet alleen. Die opdracht ligt nadrukkelijk ook bij het onderwijs én de kinderopvang. Het CDA vindt het belangrijk dat ouders zich kunnen ontplooien en dat werken loont, maar ook dat kinderen opgroeien in een veilige en leerrijke omgeving. We zijn blij met het extra geld voor de kinderopvangtoeslag. We zijn blij dat ouderparticipatiecrèches kunnen blijven bestaan. We zijn blij met de verhoging van de kinderbijslag en het kindgebonden budget. We zijn ook blij dat door de harmonisatie met het peuterspeelzaalwerk de kwaliteit van de kinderopvang een grote impuls kan krijgen, maar we maken ons wel enige zorgen over de aansluiting van de kinderopvang met het onderwijs. Het is belangrijk dat onderwijs en kinderopvang goed op elkaar aansluiten. Regelgeving hindert hier met enige regelmaat. Er is een taskforce opgericht om de samenwerking tussen onderwijs en opvang te vergemakkelijken. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook: hoe staat het met de opvolging van de adviezen uit het rapport van de taskforce?

Dan een voor het CDA zeer belangrijk onderwerp: schulden en armoede. In Nederland hebben ruim 1 miljoen mensen moeite om rond te komen. Ruim 400.000 mensen hebben problematische schulden. Dat is nog een voorzichtige schatting, want de cijfers van de Algemene Rekenkamer zijn nog veel hoger. Per jaar helpen we met alle inzet en goede bedoelingen nog geen 10.000 mensen aan een schone lei. Veel zzp'ers bouwen geen pensioen op en velen verzekeren zich niet eens tegen arbeidsongeschiktheid. De huren en de zorgkosten zijn sterk gestegen. En armoede onder kinderen, waar mevrouw Voortman al aandacht voor vroeg, is een groeiend probleem. Het zorgt voor uitsluiting en minder kansen. De urgentie van een verbeterde schuldenaanpak staat bij alle partijen in deze Kamer hoog in het vaandel. Het CDA is dan ook blij en eigenlijk ook best trots dat eindelijk in een regeerakkoord een ambitieuze paragraaf op dat gebied is opgenomen. We zijn blij dat excessen in kredietverlening worden tegengegaan en dat er een einde komt aan de stapeling van boetes die je niet betalen kunt. Als mijn dochter Mies voor straf 50 keer zou moeten opdrukken en maar tot 40 komt, hoeveel nut heeft het dan om tegen haar te schreeuwen dat ze nu voor straf 100 keer moet opdrukken? Dat heeft geen nut. We zijn ook blij dat de mogelijkheden voor betalingsregelingen worden uitgebreid, dat incassobureaus worden aangepakt enzovoorts.

Dan heb ik twee vragen aan de staatssecretaris. De staatssecretaris heeft toegezegd met een uitwerking te komen op het gebied van schulden. Mijn vraag is concreet wanneer die uitwerking komt. Graag krijgen we die met een tijdplan en met concrete acties, zodat we de voortgang nauwgezet kunnen volgen. Voor mij, en voor ons allemaal denk ik, is de aanpak van schulden het belangrijkste en meest urgente probleem dat de coalitie aan kan pakken. Ik volg het met zeer grote belangstelling. De tweede vraag aan de staatssecretaris is: hoe gaat zij de effecten van het beleid monitoren? Dat moet gebeuren maar wel zonder al te veel bureaucratie. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

De heer Peters had het over het tegengaan van armoede onder kinderen. Ik heb zelf gezegd dat het gemeenten zou helpen als zij meer mogelijkheden zouden krijgen om categorale bijstand te kunnen verlenen, zeker als het gaat om gezinnen. Mijn vraag aan de heer Peters is of hij daarvoor open zou staan. Dat zou een hoop bureaucratie schelen.

De heer Peters (CDA):

Het zou bureaucratie schelen, maar het werkt maatwerk tegen. Ik ben niet voor een categorale aanpak, maar ik ben er wel voor dat gemeenten het onderwerp schulden bij wijze van spreken in ieder haarvat en in ieder contact met de gemeente een belangrijke positie geven. Ik ben niet voor een categorale aanpak, maar voor maatwerk. Maatwerk levert niet per se meer bureaucratie op. Het zorgt ervoor dat de armoedeval niet zo groot is. Ik wil schulden en armoede altijd een rol geven in contacten met de gemeenten.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik ben blij om dat te horen. Mijn vraag ging niet specifiek over schulden, maar over armoede bestrijden.

De heer Peters (CDA):

Daar geldt hetzelfde voor.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Bij armoede zou het ook helpen als we de inkomenspositie van ouders kunnen verbeteren. Het gaat niet om een specifiek schoolreisje of iets anders, alhoewel dat ook allemaal heel belangrijk is. Het gaat erom dat je kunt zeggen: hier zijn gezinnen met kinderen en ik wil er als wethouder voor kunnen kiezen om daarvoor een regeling te treffen, zodat ik dat niet allemaal helemaal apart hoef te doen. Zou de heer Peters toch eens aan de staatssecretaris willen vragen om daarnaar te kijken in overleg met de gemeenten?

De heer Peters (CDA):

Nou, ik denk dat u dat net zelf heeft gevraagd. Mijn standpunt is dat inkomenspolitiek echt niet bij de gemeente hoort te liggen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

De heer Peters en ik hebben een warm hart en zijn heel actief bezig om te kijken hoe we met de schuldenproblematiek overweg kunnen. Ik wil u het volgende vragen. We hebben de afgelopen keer gezien dat de 100 miljoen die beschikbaar is gesteld voor arme kinderen, niet terecht is gekomen waar die hoorde. Er zijn gemeenten die hebben gezegd: wij kennen ze niet, wij hebben ze niet en wij gebruiken het voor de algemene middelen. Wij hebben toen gevraagd of dat geld niet teruggevorderd kan worden en of we het niet kunnen oormerken. Kan ik hierin het CDA aan mijn kant vinden? Als wij met elkaar in deze Kamer een afspraak maken over waar geld aan moet worden besteed, dan moeten we dat expliciet maken: alleen daaraan en niet ergens anders aan.

De heer Peters (CDA):

Volgens mij is dat kraakhelder en stond dat ook in alle afspraken. Dat geld is beschikbaar voor die kinderen en dat gaat ook aan die kinderen gegeven worden. Dat moet zo zijn. Onze vorige staatssecretaris heeft mij nog persoonlijk gezegd: ik ga iedereen bellen die het niet doet. Ze had zelfs mijn mobiele telefoonnummer van toen ik nog wethouder was. Ik weet niet of de staatssecretaris iedereen gaat bellen, maar ik wil haar wel vragen om er nadrukkelijk op te letten dat geld dat beschikbaar is voor kinderen, ook bij die kinderen terecht gaat komen, ook in de gemeenten die klaarblijkelijk andere keuzes maken. Overigens doen de meeste gemeenten het goed, met hart en ziel.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Peters (CDA):

Voorzitter. Voor schuldsanering doen mensen een beroep op de Wsnp. Er wordt eerst getoetst of er een deugdelijk minnelijk traject is gevolgd. Gemeenten zetten daarvoor soms private partijen in, in opdracht of op mandaat van de gemeente. Dat ging jaren goed, maar door een precieze uitleg van de wet door sommige rechters — sommigen zeggen: een foutje — mag dat in een enkel geval nu niet en komen mensen niet in aanmerking voor de Wsnp. De NVVK heeft daarover een brief geschreven. Die is inmiddels in uw bezit. Mijn vraag aan de staatssecretaris is eenvoudig: wat kan zij doen om dit foutje in de wet zo snel mogelijk te verhelpen?

Dan de maatschappelijke opvang. In de afgelopen weken heb ik stage gelopen bij maatschappelijk opvang in onder andere Utrecht, Amsterdam, Eindhoven en Oosterbeek. Naast de nodige afstemmingsproblemen met gemeenten en regio's, valt vooral op dat vrijwel iedere cliënt ook financiële problemen heeft. Die problemen worden soms verergerd omdat regelingen niet op elkaar zijn afgestemd. Ik noem een eigen risico dat betaald moet worden voordat er een uitkering is geregeld, om maar een voorbeeld te geven. Ik heb twee vragen aan de staatssecretaris. Kan de staatssecretaris in beeld brengen welke concrete problemen er zijn op dit gebied bij maatschappelijke opvang? De tweede vraag is: kan er een plan komen om die aan te pakken?

Voorzitter. Terug naar de man aan de keukentafel in West-Brabant. We hebben het hem wel heel ingewikkeld gemaakt. Net als 180.000 andere mensen staat hij inmiddels onder schuldbewind. Kosten: €140 per maand. Dat is 25 miljoen euro per maand; dat is 302 miljoen euro per jaar, betaald door gemeenten en opgelegd door de rechtbank. Hoeveel goedkoper en gemakkelijker zou het zijn als iemand een jaar geleden tegen deze man had gezegd: moet je horen, ik betaal je vaste lasten, jij krijgt een paar honderd euro leefgeld en dat was het. Gemeenten blij, mensen blij en de rechtbank blij. Mensen raken tussen de wal en het schip. We maken het veel te ingewikkeld. Rechtbanken en gemeenten communiceren in dezen niet of nauwelijks. Wat kan de staatssecretaris doen om daar verandering in te brengen, om op die manier geld te besparen en om mensen beter te helpen?

Voor de bestrijding van armoede wordt extra geld vrijgemaakt. Dat is mooi, zeker voor kinderen. Maar het is nog niet zo gemakkelijk ervoor te zorgen dat het geld inderdaad op de juiste plek terechtkomt. Gemeenten kregen altijd al geld om armoede te bestrijden. De meeste gemeenten doen ook echt hun best, maar lang niet alle mensen die in armoede leven melden zich aan het gemeenteloket. En lang niet alle mensen worden door de gemeenten gevonden. Niet zo vreemd dus dat ook niet alle gemeenten het geld dat bestemd was voor armoedebestrijding, daarvoor gebruiken. Er bleef nog vaak het een en ander op de plank liggen. De volgende vragen zijn net bij interruptie eigenlijk ook al gesteld. Hoe gaat de staatssecretaris ervoor zorgen dat het aan gemeenten reeds beschikbaar gestelde geld op de juiste manier besteed wordt? En wanneer komt de staatssecretaris met een plan voor de besteding van de extra middelen?

Van mijn kant ten slotte een cri du coeur, een hartenkreet. In Den Haag worden alle problemen keurig opgelost binnen de lijnen van een ministerie, langs beleidslijnen, langs begrotingen enzovoorts. Op papier althans, want iedere wet of regel is bedacht met een reden en vaak hartstikke logisch. Maar een mensenleven verloopt niet langs de lijnen van ministeriële verantwoordelijkheid. In Oss was het wat mij betreft gemakkelijk. Als zich een probleem voordeed, dat niet binnen één afdeling te begrijpen was, haalde ik verschillende ambtenaren bij elkaar en kwam er wel een voorstel. Hier kunnen wij dat niet. De man van mijn werkbezoek had te maken met de Belastingdienst, met de afdeling Werk en Inkomen, met andere afdelingen van de gemeente, met zorgvragen, justitie en nog wat zaken meer. De regels van de ene dienst werken de andere soms tegen, want regels zijn regels. Kamerleden moeten kunnen snappen hoe dat precies gebeuren kan, maar ik kan concrete vragen over dergelijke situaties eigenlijk niet kwijt. Ik kan ze bij één ministerie kwijt, en dat kan zeggen: vanuit mijn perspectief is het logisch. En dat zeggen ze dan allemaal. Staatssecretaris, bent u hiervoor mijn aanspreekpunt?

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Peters.

Ik stel voor om nu te schorsen tot 19.20 uur.

De vergadering wordt van 18.39 uur tot 19.25 uur geschorst.

De voorzitter:

We gaan verder met de behandeling van de begroting van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. We waren gebleven bij de heer Van Kent namens de SP-fractie. Ik geef hem nu het woord.

De heer Van Kent (SP):

Dank u wel, voorzitter. We moeten leren van onze geschiedenis. Als we meer dan 100 jaar teruggaan in de tijd, dan zien we dat werknemers het vroeger slechter hadden. In die tijd werd een begin gemaakt met de opbouw van ons socialezekerheidsstelsel. Steeds werden er wetten en regels bedacht om de problemen op te lossen. Dat heet "vooruitgang". Maar we zien dat de geschiedenis zich herhaalt. De stroppenpotten die de gildes ooit instelden om in geval van invaliditeit het gezin van een inkomen te voorzien, lijkt veel op de broodfondsen die nu door veel groepen zzp'ers worden opgezet. Cornelis Lely van de Liberale Unie ontwierp in 1898 de Ongevallenwet, met een verplichte verzekering tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. Nu zien we pakketbezorgers maar ook bezorgers van Deliveroo — ook op heel veel andere plekken zijn er mensen die eigenlijk werknemers zouden moeten zijn — rondrijden zonder dat ze verzekerd zijn tegen de geldelijke gevolgen van ongevallen. Drees kwam in 1947 met de Noodwet Ouderdomsvoorziening. Later was het Suurhoff die uiteindelijk de AOW invoerde. Veel mensen weten dat niet. Het was niet Drees maar Suurhoff die die wet invoerde. Door die wet zouden "arm" en "oud" niet meer in één zin hoeven te worden genoemd. Ik sprak laatst twee stratenmakers in Rotterdam, die bijna 50 jaar lang zwaar werk hadden verricht. Ze waren op hun 15de begonnen met werken. Ze hadden gebruikgemaakt van een vroegpensioenregeling, maar hebben nu een jaar lang geen AOW-inkomen meer omdat die vroegpensioenregeling tot 65 jaar liep en de AO-leeftijd voor hen 66 jaar is en omdat de overbruggingsregeling — die is echt compleet waardeloos; ik kom daar later nog op terug — voor hen niet van toepassing is. Daardoor hebben ze in die periode onvoldoende inkomen om goed van te kunnen leven.

Kortom, laten we leren van de oplossingen die in het verleden zijn bedacht voor de problemen van nu. Hoe ziet de minister dat? Wil hij doorgaan op de heilloze weg van meer zzp'ers, meer flex, minder werknemersrechten en een AOW-leeftijd die zo snel stijgt dat bijna niemand het kan bijhouden?

Voorzitter. Afgelopen maandag reikte ik samen met onze SP-jongerenorganisatie ROOD en een aantal bezorgers, ook wel "riders" genoemd, van de Riders Union een prijs uit aan Deliveroo. Het is een weinig eervolle prijs, moet ik er eerlijk bij zeggen: het is de prijs voor "flextremist van het jaar". Die prijs was terecht door Deliveroo gewonnen. Door werknemers te verplichten om rechteloze schijnzelfstandigen te worden, zet Deliveroo namelijk een streep door de zekerheden van mensen die het geld voor het bedrijf verdienen. Kan de minister hier bevestigen dat het verhaal van Deliveroo waarmee het probeert de schijn op te houden dat de bezorgers verzekerd zijn tegen arbeidsongeschiktheid, een grove leugen is? Het is een voorbeeld van fakenieuws waar ze in Rusland nog wat van zouden kunnen leren.

Voorzitter. Het is voor iedereen helder dat de bezorgers van Deliveroo gewoon werknemers zijn. Is de minister dat met de SP eens? En is de minister bereid om, zoals ik eerder al vroeg in de schriftelijke vragen maar net in het debat ook aan de heer Heerma vroeg, de inspectie opdracht te geven om per direct te gaan handhaven? Er is haast geboden, want als deze lelijke infectie niet meteen onschadelijk wordt gemaakt, zal die de rest van de sector gaan besmetten. Tijdens de rondetafel over de platformeconomie zeiden een aantal concurrenten van Deliveroo dat ook. Als het eenmaal die hele sector heeft besmet, zullen ook andere werkgevers denken: nou, ik kan van mijn werknemers ook wel zzp'ers maken. Daarmee is wat mij betreft de noodzaak aangetoond om zo snel mogelijk te gaan handhaven.

Voorzitter. Voor de "flextremist van het jaar"-verkiezing had ROOD ook drie andere bazen genomineerd: McDonald's, Randstad en Albert Heijn. Dat zijn stuk voor stuk bedrijven die vooral oog hebben voor de aandeelhouders en tegelijk werknemers uitknijpen en zo min mogelijk zekerheid geven.

Deze zomer was ik mee tijdens de zogenoemde flexinspectie van ROOD en ik kan u vertellen: flexwerk klinkt positief, maar het zijn de werkgevers die er de vruchten van plukken. De heer Özdil noemde dat ook al. Het is een ramp voor veel werknemers. Want je inkomen is dan misschien flexibel, maar de huur en de zorgpremie blijven gelijk. Ik noem nulurencontracten waarbij je vaak beschikbaar moet zijn en je niet weet hoeveel uren je mag werken in een maand en dus ook niet hoeveel geld je aan het eind van de maand hebt, terwijl de vaste lasten als de huur en de zorgpremie gewoon betaald moeten worden. Als je al een huis kan huren tenminste, want ook daarbij worden hoge eisen gesteld als het gaat om een zeker inkomen. Het ontbreken van een fatsoenlijk inkomen en het moeten leven met een constante onzekerheid maken het moeilijk voor mensen om een toekomst op te bouwen. De bazen in de kinderopvang zijn daar ook een voorbeeld van. Zij verlangen van medewerkers die minder dan achttien uur werken dat zij vier dagen in de week beschikbaar zijn. Het lijkt mij best logisch dat die cao-onderhandelingen zijn vastgelopen. Ik ben benieuwd naar de opvattingen op dit punt van de staatssecretaris.

Voorzitter. Bij onzeker werk is steeds de vraag: waarom? Waarom heeft het distributiecentrum van een supermarkt een flexibele schil van 80% nodig? Waarom werkt er bijna niemand meer als vaste kracht in een winkel of in de horeca? Er zijn verschillende antwoorden te geven, maar het belangrijkste is, denk ik, dat het geven van onzekere contracten goedkoper is dan het geven van zekerheid. Zolang we daar niets aan doen, blijft het dweilen met de kraan open. Daarom heb ik — het is vandaag al vaker genoemd — samen met GroenLinks en de Partij van de Arbeid een initiatiefnota geschreven. We geven hiermee een voorzet voor de uitwerking van het regeerakkoord op dit punt. Voordat er misverstanden over ontstaan, ben ik even iets nagegaan. Dit komt uit het verkiezingsprogramma van SP, Partij van de Arbeid en GroenLinks en verder uit geen enkel verkiezingsprogramma van welke partij dan ook. Dus als we het gaan hebben over waar dit idee vandaan komt: het is in eerste instantie van de partijen die dit hier al jaren voorstellen. Het stond al in de wet die ik nog samen met Paul Ulenbelt heb gemaakt en die samen met Mariëtte Hamer bij de Kamer is ingediend.

Dit is een heel belangrijk punt, want het is een van de redenen waarom de Wet werk en zekerheid zo slecht werkt. Het is voor werkgevers nog steeds goedkoper om mensen flexcontracten te bieden in plaats van vaste contracten. Dat heeft ook te maken met de ontslagvergoeding. Doordat mensen die vergoeding pas na twee jaar kregen, konden werkgevers mensen contracten geven voor één jaar en elf maanden en hen daarna ontslaan. Op dit punt is ook een voorstel gedaan in het regeerakkoord en daar zijn wij blij mee.

De initiatiefnota wordt trouwens op dit moment officieel ingediend en zal dus straks worden rondgestuurd. In de initiatiefnota stellen wij voor om werkgevers voor onzekere contracten een vier keer hogere WW-premie te laten betalen en voor zekere contracten een premie die lager is. Het bedrag dat we ophalen met die hogere premie gaat een-op-een door naar het verlagen van de premie voor vaste contracten. Dat is redelijk, want werknemers met onzekere contracten komen vaker in de WW. Zo ontzien we de werkgevers die zekere contracten geven en maken we dat ook financieel aantrekkelijker.

Voorzitter. Dit kabinet is van plan om de proeftijd te verlengen van maximaal twee maanden nu, naar vijf maanden. Dat zou dan gelden voor contracten voor onbepaalde tijd, dus voor vaste contracten. Het zou het geven van een vast contract aantrekkelijker moeten maken voor werkgevers. Maar we moeten niet naïef zijn. Grote bedrijven zoeken constant de grenzen van de wet op. Neem PostNL. Daar heeft men een speciale afdeling genaamd "Arbeidsmarktconcepten". Ik heb het niet bedacht. Er zijn gewoon mensen die bij PostNL werken op de afdeling Arbeidsmarktconcepten. Daar is men de hele dag bezig met het zoeken van de mazen in de wet. Ze willen steeds weer nieuwe manieren vinden om mensen zo goedkoop mogelijk voor hen te laten werken. Het risico is levensgroot dat het vijf maanden inzetten van rechteloze werknemers om hen vervolgens zonder opgaaf van reden op straat te knikkeren een nieuw verdienmodel wordt, bijvoorbeeld bij seizoenswerk. Dat risico moeten we niet nemen. We hebben daarover samen met de Partij van de Arbeid een motie in voorbereiding. Volgens mij is een proeftijd van één maand bij jaarcontracten en twee maanden bij meerjarencontracten meer dan genoeg om een indruk te krijgen van de toekomstige werknemer. Daarom zullen wij hierover een motie indienen als het antwoord op dit punt onvoldoende is, en ik gok zomaar dat dat zo is.

Dit kabinet komt met een aantal voornemens om iets tegen onzeker werk te doen. Eerder in het debat is ook al gesproken over payroll en over flex duurder maken. Die voornemens zijn nog vaag. Ze zijn nog niet nader ingevuld. Wat minder vaag is, is de rechtstreekse aanval op werknemersrechten, bijvoorbeeld het afbreken van de bescherming tegen onterecht ontslag, de proeftijd die ik net noemde en het feit dat werknemers een jaar langer moeten wachten op een vast contract, terwijl we nu juist willen dat mensen een vast contract krijgen. Ziet de minister dan echt niet dat die D66-agenda van meer flex en minder zekerheid juist conservatief is, dat hij ons hiermee honderd jaar terug in de tijd werpt en dat we hiermee dezelfde problemen opnieuw creëren, terwijl we die problemen honderd jaar geleden al hebben opgelost? Ik zie de heer Van Weyenberg lachen en opstaan.

De heer Van Weyenberg (D66):

Zeker, we lachen altijd om grapjes, ook al zijn ze slecht. Even gewoon een feit en voor mij een vraag. Vanaf dag één een transitievergoeding, het aanpakken van payroll, premiedifferentie in de WW: kunt u mij even uitleggen waarom dat tot meer flex leidt?

De heer Van Kent (SP):

Ik heb net een aantal zaken beschreven, oplossingen waar in het verleden wetten voor zijn bedacht, zoals voor de armoede onder ouderen en de broodfondsen van de zpp'ers. Ik ken D66 helaas als een partij die altijd heeft gepropageerd: meer flex, meer zzp, minder werknemersrechten en ook minder werknemerszekerheden. In dit regeerakkoord lees ik dat de bescherming tegen onterecht ontslag versoepeld moet worden. Als we die weg opgaan, dendert die D66-trein maar van minder werknemersrechten en meer flex maar door.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dit is misschien goed ingestudeerd, maar niet echt overtuigend.

De heer Van Kent (SP):

Nee hoor, niks ingestudeerd.

De heer Van Weyenberg (D66):

Dat zeg ik tegen de heer Van Kent via u voorzitter. Hij beantwoordt mijn vraag helemaal niet. Dat snap ik wel, want het regeerakkoord barst van de maatregelen om doorgeslagen flex aan te pakken. Het verschil tussen de heer Van Kent en mij is dat hij denkt dat elke mkb'er 's ochtends wakker wordt om mensen te pesten en te ontslaan. Dat ben ik niet met hem eens. We gaan dus de mkb'er helpen om mensen in dienst te nemen. Ik vind het prima dat de heer Van Kent het met mij oneens is, maar het regeerakkoord staat vol maatregelen die doorgeslagen flex aanpakken. Maar goed, voorzitter, langs de kant staan en dit soort opmerkingen maken vind ik niet een manier om constructief samen te werken. Ik ben enthousiast om met u, meneer Van Kent, samen te werken rond de premiedifferentiatie. Maar als u overal een karikatuur van maakt en mkb'ers wegzet als vijanden van werknemers, vind ik dat niet sterk.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Van Kent (SP):

Ik weet niet bij welk debat de heer Van Kent vandaag aanwezig is, maar ik heb geen enkele mkb'er weggezet als vijand. Ik heb een aantal maatregelen uit het regeerakkoord genoemd, bijvoorbeeld de ontslagvergoeding vanaf dag één. Die vinden wij goed. Als de heer Van Weyenberg om complimentjes komt vissen, kan ik er nog wel eentje toevoegen, namelijk de loondoorbetaling bij ziekte. Het is belangrijk voor kleine werkgevers dat dit wordt aangepakt. Dat was een motie van de heer Roemer en de heer Zijlstra van de VVD bij de Algemene Beschouwingen een aantal jaren terug, die toen door een meerderheid van de Kamer is aangenomen. Ik ben heel blij dat die wordt uitgevoerd. Dus als u complimentjes zoekt, heeft u ze bij dezen gevonden.

De heer Van Weyenberg (D66):

De reden waarom ...

De voorzitter:

Rustig, rustig, meneer Van Weyenberg.

De heer Van Kent (SP):

Van mij mag het, hoor.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik dacht dat u mij het woord gaf, voorzitter. Maar afijn. De reden waarom ik dit een beetje jammer vind, is dat ik op zoek ben naar samenwerking. Ik constateer dat de heer Van Kent zegt: alles wat ik ook een goed idee vind, vind ik een goed idee en dat moet iedereen doen, maar al de andere dingen die nodig zijn ... Is de heer Van Kent het met mij eens dat de Wet werk en zekerheid is mislukt? Die deed inderdaad alleen maar dingen om flex minder flex te maken. Het gevolg is dat mensen er eerder uitgaan. Dat is toch niet de oplossing? Laten we samenwerken en zoeken naar draagvlak. Alleen kunt u niet zeggen: als u mijn programma overneemt, is het goed en de rest is allemaal asociaal. Dat schiet toch niet op?

De heer Van Kent (SP):

Ik werk graag samen, zelfs met D66, maar wel als we het met elkaar eens zijn. Ik heb in het verleden gezien wat het kan betekenen als je met D66 samenwerkt. Dan kan het zomaar zijn dat de AOW-leeftijd versneld omhooggaat, dat de studiefinanciering wordt afgeschaft en noem maar al die akkoorden op waar D66 mee in zee is gegaan. Ik werk graag samen als het gaat om payroll, loondoorbetaling bij ziekte en ontslagvergoeding vanaf dag één en bij alle andere dingen waar de SP het mee eens is. Maar ik ga niet met u samenwerken om het ontslagrecht te versoepelen.

De voorzitter:

Niet uitlokken. Gaat u verder.

De heer Van Kent (SP):

Sorry voorzitter. Dat kan de heer Van Weyenberg inderdaad vergeten. Denkt de minister werkelijk dat de vakbonden een akkoord zouden willen sluiten met deze ellende over het ontslagrecht als inhoud, zeg ik tegen de heer Van Weyenberg?

Al jarenlang dringt de Kamer aan op extra geld voor de Inspectie SZW, nog zo'n goed punt uit het regeerakkoord. Dat is niet voor niks. Terwijl het aantal inspecties en onderzoeken de laatste vijf jaar met ruim een vijfde is gedaald, nam het aantal ongevallen ook met ruim een vijfde toe. Het aantal dodelijke ongevallen nam in 2016 zelfs met 37% toe ten opzichte van een jaar eerder. Dat zijn 70 werknemers die 's avonds niet meer thuiskwamen van hun werk. Vorig jaar riep de SP samen met onder andere D66 en het CDA op om het tekort aan mensen bij de inspectie te onderzoeken. In mei kwam de minister met het resultaat van dit onderzoek. Conclusie: er moeten tot 400 inspecteurs bij komen om alle taken goed te kunnen uitvoeren. Een debat hierover, zodat we direct zouden kunnen overgaan tot uitbreiding, werd helaas geblokkeerd door de onderhandelende partijen. Zij wilden het liever aan de onderhandelingstafel regelen. En eerlijk is eerlijk: er komt extra geld bij en dat is mooi. Het gaat om 50 miljoen, maar wel pas in 2022. In 2018 komt de eerste 13 miljoen beschikbaar, terwijl iedereen ziet dat er snel actie moet worden ondernomen. Waarom is dit? Het gaat om niet zomaar iets. Het gaat vaak om leven of dood. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om de extra middelen eerder beschikbaar te krijgen? Wij hebben daar een amendement voor ingediend met een fantastische dekking, namelijk het overschot op de sectorplannen. Ik hoop dat de staatssecretaris dat kan omarmen. Als zij andere wegen ziet die naar hetzelfde Rome leiden, dan zijn wij ook heel erg bereid om mee te denken.

Voorzitter. Mensen die vroeg zijn begonnen met werken en die een lage levensverwachting hebben, maar die een pensioen hebben dat niet zo hoog is dat ze eerder kunnen stoppen met werken, werken juist langer door. De PVV is er niet meer, maar er moet als het aan ongeveer iedereen hier, behalve 50PLUS, ligt nog veel langer worden doorgewerkt. Toen ik hier medewerker was en het debat met Donner en Klijnsma werd gevoerd over het verhogen van de AOW-leeftijd, heb ik gekeken op welke leeftijd de woordvoerders en de verschillende fractieleiders zijn begonnen met werken. Dat zat zo rond de 27 jaar. We kunnen het toch wel bizar noemen dat degenen die besluiten dat mensen tot 71 of zelfs 71,5 op de steiger moeten doorwerken, zelf op 27-jarige leeftijd zijn begonnen met werken en hier een riant pensioen opbouwen, waarvoor wel €1.200 per maand wordt ingelegd aan premie.

Voorzitter. Wat ons betreft moeten mensen de mogelijkheid hebben om eerder te stoppen met werken gewoonweg omdat ze het niet meer kunnen. Ik hoop dat de minister dat met ons eens is. Denk bijvoorbeeld aan de stratenmakers. Rutte beloofde in 2009 dat zij eerder konden stoppen met werken als ze maar op de VVD zouden stemmen. Vorig jaar is het aantal arbeidsongeschikten voor het eerst sinds jaren weer sterk gestegen. Het aantal uitkeringen voor mensen die arbeidsongeschikt zijn geworden, nam in 2016 met 40.000 toe. Dat is een toename van 12%, de grootste sinds 2010. Is de minister bereid om heel specifiek te laten onderzoeken wat de relatie is met de verhoging van de AOW-leeftijd? Want doorwerken tot je er letterlijk bij neervalt, wil de minister toch ook niet? Dat moeten we met elkaar voorkomen. Of kiest de minister in plaats van te zorgen dat mensen gezond oud kunnen worden en op tijd kunnen stoppen met werken — ik schrok toen ik dat in het regeerakkoord las — voor de schunnige weg om de toetredingscriteria voor de WIA zo aan te scherpen dat minder mensen daar recht op hebben? Zo wordt op papier net gedaan alsof het probleem is opgelost en mensen langer kunnen doorwerken, alsof ze niet letterlijk ziek worden van het doorwerken tot 71 of 71,5. Ik denk zomaar dat de minister en de staatssecretaris naast het omscholingsplan van de coalitiepartijen, het verbeteren van arbeidsomstandigheden als oplossing gaan presenteren. Ik deed daarom vorige maand, in het eerste debat dat wij met de staatssecretaris voerden, samen met de heer Gijs van Dijk tien concrete voorstellen. De reactie van de staatssecretaris was allervriendelijkst, maar eigenlijk niet meer dan een opsomming van de regels die er nu al zijn, regels die in de praktijk dus niet blijken te werken. Opmerkelijk is ook dat partijen als D66 en de VVD, die de mond vol hebben van betere arbeidsomstandigheden om langer doorwerken mogelijk te maken, zelf geen voorstellen deden. D66 gaan we zo nog horen, maar bij de VVD heb ik geen concrete voorstellen gehoord. We hebben vandaag het VAO Arbeidsomstandigheden gehad en ik reken erop dat de partijen die zeggen dat we daar de oplossingen moeten vinden, voorstellen zullen steunen om dat vorm te geven. En nee, inspecteren is niet het antwoord. Dat is echt wat anders dan regels stellen. En hoe denken deze bewindspersonen de arbeidsomstandigheden met terugwerkende kracht te verbeteren?

De heer Pieter Heerma (CDA):

Ik twijfel een beetje, omdat sommige woordvoerders niet bij dat debat aanwezig waren. Ik vind het wel chic om hier feitelijk een correctie aan te brengen. De VVD-fractie heeft het voorstel dat ik vandaag heb ingediend en waarover ik online zag dat de SP het gaat steunen, medeondertekend. De VVD heeft het voorstel dat vandaag bij dat VAO gedaan is en dat wel degelijk iets doet om de veiligheid te vergroten, mede ingediend. Het verwijt dat er helemaal niets gebeurt, is feitelijk niet waar, terwijl sommige woordvoerders over dat onderwerp zich hier ook nog niet kunnen verdedigen.

De heer Van Kent (SP):

Uw voorstel steun ik, want dat zorgt er namelijk voor dat er, als er een arbeidsongeval is, verplicht een verbeterplan moet komen. Maar dat is dus nadat dat arbeidsongeval heeft plaatsgevonden. Waar het mij bij het verbeteren van de arbeidsomstandigheden om gaat, en waar die tien voorstellen voornamelijk op toezien, is dat we met elkaar regels gaan stellen om te voorkomen dat die ongevallen plaatsvinden. Ik denk aan de taaleis rond het maximale tilgewicht voor pakketbezorgers. Geen misverstand: uw voorstel zullen wij zeker steunen.

De heer Pieter Heerma (CDA):

In de ingediende motie wordt ook heel duidelijk gesproken over de preventieve werking die het heeft. Het is niet alleen van belang nadat een ongeval heeft plaatsgevonden, het heeft ook een preventieve werking. De woordvoerder van de SP stelt hier dat partijen in dat debat geen voorstellen hebben gedaan, maar feitelijk heeft de VVD dit voorstel mede ingediend. Daarom is het niet correct wat de SP-woordvoerder hier stelt.

De heer Van Kent (SP):

Het siert u dat u het zo voor uw coalitiegenoot opneemt. Als dat zo is: prima.

Voorzitter. Hoe denken deze bewindspersonen de arbeidsomstandigheden met terugwerkende kracht te verbeteren? Hoe denken zij mensen met terugwerkende kracht om te scholen? Met andere woorden, kunnen zij uitleggen wat zij gaan doen voor werknemers die 63 zijn en simpelweg niet meer door kunnen werken? Het antwoord van de SP op deze vraag is helder: verlaag de AOW-leeftijd en maak eerder stoppen met werken mogelijk. Maar er zijn nog meer mogelijkheden. Je kan de AOW-leeftijd bevriezen en ontkoppelen van de levensverwachting. Je kan de fiscale boete, die RVU-heffing op eerder stoppen met werken, schrappen. Je kan een onderzoek doen, waartoe ik de minister graag zou willen oproepen, om te kijken of regelingen te bedenken zijn waarbij mensen bijvoorbeeld na 43 of 45 jaar werken eruit kunnen, met pensioen kunnen. Dat soort gegevens zijn bij de pensioenfondsen voorhanden. Bij de Belastingdienst zijn die gegevens wat ingewikkeld, maar het lijkt mij goed om naar mogelijkheden te gaan kijken. Het lijkt me heel erg belangrijk om die sollicitatieplicht voor senioren af te schaffen. Dat is echt pure pesterij.

Tot slot: los dat AOW-gat op. De huidige overbruggingsregeling is ongeschikt. Bijna niemand heeft er recht op en het stort mensen in een gigantisch financieel gat. Is de minister bereid om deze mensen tegemoet te komen door de overbruggingsregeling fors te verruimen? Ik ben benieuwd naar de reactie van regeringszijde op de voorstellen die ik heb gedaan om een deel van de problemen die mensen ondervinden met het langer moeten doorwerken, op te lossen.

Voorzitter. Dan over de pensioenen. Helaas kennen we D66 en de VVD niet als beschermers van ons pensioenstelsel. De afgelopen jaren zadelden zij pensioenfondsen op met bizarre rekenregels, waardoor pensioenfondsen zich verplicht arm moesten rekenen. Ook stelden zij een peperduur stelsel voor om pensioenen individueel te maken en om een manier van premie betalen, waardoor de premie voor jong en oud geen grote verschillen kent, af te schaffen. Dan ligt er nu een regeerakkoord. Bij de passage over de pensioenen — we komen er hier nog heel veel over te spreken — is mijn belangrijkste vraag: welk probleem wordt er nou mee opgelost? Maakt dit nieuwe stelsel eerder indexeren mogelijk? Zorgt dit nieuwe stelsel voor een beter pensioenresultaat? Zorgt dit nieuwe stelsel ervoor dat het vertrouwen in onze pensioenfondsen toeneemt? Ik denk dat dat niet het geval is. Ik denk dat het creëren van die individuele potjes die direct meebewegen met de ontwikkelingen op de financiële markten, er juist voor zorgt dat mensen denken: mijn pensioen is niet veilig, mijn pensioen is niet zeker. Ik denk dat het afschaffen van de doorsneepremie — sorry, dat is techniek, voorzitter, in ieder geval de manier waarop de premie tussen jong en oud verdeeld wordt, de huidige manier — ervoor zorgt dat er een gigantische rekening komt. Ik heb goed in het regeerakkoord gekeken, maar ik zie daarvoor nergens een dekking. De berekeningen van de kosten daarvan lopen uiteen tussen de 50 en 100 miljard. Ik zie daar nergens een dekking voor. Ik gok dus zomaar dat dat door werkgevers en werknemers moet worden opgehoest; ik vraag de minister of dat juist is. Als dat klopt, gelooft de minister dan daadwerkelijk dat er een pensioenakkoord gaat komen? Als de rekening zo hoog is, geloof ik daar eerlijk gezegd helemaal niets van.

Voorzitter, tot slot. Dit kabinet geeft ruimte voor samenwerking — tenminste, dat is wat het uitstraalt — zowel met bonden als met andere politieke partijen hier in de Tweede Kamer. Ik roep de minister toch op om uiterst flexibel om te gaan met de voornemens die in het regeerakkoord zijn opgenomen, want ik vrees en ik voorspel dat als deze Tweede Kamerfracties en zeker de minister daar star aan vasthouden, er geen akkoorden zullen komen en de samenwerking, in ieder geval met mijn partij, heel erg moeilijk zal worden op veel punten.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Kent. Dan geef ik nu het woord aan de heer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Na dit vlijmscherpe betoog van collega Van Kent mag ik ook nog wat zeggen namens de SP.

De nieuwe staatssecretaris gaat met frisse moed aan de slag. Dat zien we in de media. Ze gaat over armoede, schulden, arbeidsgehandicapten, bijstand, kortom, over het algemeen over mensen die niet zo veel verdienen als een bewindspersoon. De staatssecretaris verdient ongeveer anderhalve ton per jaar. Zou zij nou evenveel zin hebben in haar mooie nieuwe baan als ze er nog geen €1.000 per maand voor krijgt, zo vraag ik haar. Zou ze het oké vinden als haar collega's een veel hoger salaris zouden krijgen? Dat plan staat namelijk in het regeerakkoord, maar dan voor arbeidsgehandicapten. De loonkostensubsidie wordt afgeschaft, werken onder het minimumloon wordt mogelijk. Het moet niet gekker worden! Voltijd werken maar niet meer verdienen dan een bijstandsuitkering; je collega's verdienen een normaal salaris, maar jij mag je loon aanvullen bij de gemeente. Ik heb een aantal mensen gesproken, zoals Lidia en Masja — zij waren vanmiddag ook bij de Wajong-demonstratie — die hier nu al mee te maken hebben. Ze doen hetzelfde werk als hun collega's, maar krijgen veel minder betaald. Ik noem dat loondiscriminatie.

De staatssecretaris ziet de brede kritiek op haar onzalige plan en is daarom een charmeoffensief begonnen. Vrijdag zei ze op het journaal dat ze koerst op het minimumloon. Dat is natuurlijk buitengewoon vaag. Wat bedoelt zij met "koersen"? Hamvraag is of zij garandeert dat het minimumloon het minimumloon blijft en dus niet wordt ondermijnd. Graag een harde toezegging. Anders hebben we te maken met een kille aanval op de beschaving. Het minimumloon heet niet voor niets minimumloon. Daaronder gaan zitten is allesbehalve sociaal of christelijk. Het is nietsontziende afbraakpolitiek.

Talloze mensen zijn bezorgd over het plan om de loonkostensubsidie af te schaffen. We zien wethouders, bestuurders, vakbonden, maar bovenal de mensen zelf die hier niet op zitten te wachten. Ik som de bezwaren op. Door afschaffing van de loonkostensubsidie vervallen pensioenopbouw en WW-rechten. We zagen het maandag bij Nieuwsuur: minder pensioenopbouw voor arbeidsgehandicapten. De staatssecretaris gaf het volmondig toe. Wat is dat voor gekkigheid? Zullen we dat ook voor bewindslieden invoeren? Werknemers zijn niet langer gelijkwaardig aan hun collega's, want de arbeidsgehandicapte blijft afhankelijk van een uitkering en moet voor zijn loonaanvulling aankloppen bij de gemeente. Je krijgt dus eersterangs- en tweederangswerknemers. De werknemer moet dit alles zelf gaan regelen, wat alles nodeloos ingewikkeld maakt. De kans op fouten en daarmee schulden neemt toe. De door u beoogde eenduidigheid wordt helemaal niet bereikt, want de loondispensatie voor Wajongers wordt afgebouwd. In plaats van vereenvoudiging komt er weer een nieuwe regeling bij. "De loonkostensubsidie begon nota bene net op gang te komen. Ga dit nu niet weer veranderen. Hou er gewoon mee op. Het is jojobeleid!" Aldus CDA-wethouder Huib van Olden uit Den Bosch.

Groepen zonder bijstand of met gedeeltelijke bijstand zullen er fors op achteruitgaan door de woonsituatie, de partner of het vermogen. Ze krijgen geen loonaanvulling en blijven dus ver onder het minimumloon. Neem het voorbeeld van Frits, die in dienst is bij Milieuwerk, een sociale onderneming in Amsterdam. Hij heeft 40% loonwaarde. Hij woont bij zijn ouders, die hij helpt verzorgen, en heeft dus geen recht op een uitkering. Krijgt hij straks door loondispensatie nog maar 40% van het minimumloon? Dat zou toch een forse achteruitgang zijn.

Last but not least: er wordt snoeihard een half miljard bezuinigd op arbeidsbeperkten.

De heer Peters (CDA):

De heer Van Dijk heeft natuurlijk ook de brief van de staatssecretaris gekregen en gelezen. Daarin staat duidelijk dat werk in alle gevallen blijft lonen en dat er wordt toegewerkt naar het minimumloon. Er staat ook in dat de situatie voor de huidige groep mensen die nu onder de loonkostensubsidie werken, blijft zoals die is. Zij maken zich dus geen zorgen, want het blijft zo. We hebben ook enig idee hoeveel mensen dat op dit moment zijn, namelijk zo'n 6.000. En als ik dan hoor hoeveel mensen er op dit moment op de bank zitten en helemaal niet werken, die nu bang zijn dat ze misschien iets minder gaan verdienen dan het minimumloon ... Zij zitten op dit moment dus gewoon thuis en verdienen bijstandsniveau. Ze zijn niet aan het werk en komen ook heel slecht aan het werk. Hoe kijkt de heer Van Dijk daar dan tegen aan? Wat we nu doen, werkt eigenlijk niet. Dat kunnen we toch wel concluderen als het er 6.000 zijn. Gaat de SP gewoon niet akkoord met een verandering vanwege dat ene argument, of zie ik dat verkeerd?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb de staatssecretaris gezien op het nieuws. Ik heb uiteraard haar brief gelezen, en ik heb op het nieuws gezien dat ze zei: we koersen op het minimumloon. Toen ik net aan uw collega van de VVD vroeg of zij garandeert dat het minimumloon de bodem blijft, gaf ze mij volstrekt geen antwoord. Ik hoor het graag van u. Ik had geen interrupties meer, maar als u nu zelf hier zegt "beste mensen, het minimumloon blijft het minimumloon", dan drinken we straks een borrel. Dan ben ik heel blij, maar ik heb uw collega's dat nog niet horen zeggen. Sterker nog, ik heb net een hele rij van bezwaren, risico's en zorgen opgenoemd die worden aangedragen vanuit de sector zelf, door wethouders et cetera. Zij zeggen: dit is een heel slecht plan, want er komen eerste- en tweederangswerknemers.

De heer Peters (CDA):

Een heel aantal van de bezwaren die de mensen die hier waren geven, waren er echt wel voor de brief van de staatssecretaris, maar volgens mij neemt die brief heel veel verschillende zorgen weg. Mijn stelling is niet dat ik ervan uitga dat iedereen vanaf dag één op het minimumloon zal zitten, want dat zal niet gebeuren, dus die borrel moeten we een andere keer maar drinken. Dat zal 'm vanavond niet worden, vermoedelijk. Mijn punt is wel dat die mensen op dit moment thuiszitten en helemaal niet meer verdienen dan alleen maar de bijstand. Het is toch de bedoeling dat mensen aan het werk komen? Dat willen we toch allemaal? Op de manier waarop we dat nu doen lukt het gewoon niet. Het gaat om 6.000 mensen, met 1 miljoen mensen op de bank, hoorde ik mevrouw Nijkerken-de Haan daarstraks zeggen. Volgens mij moeten we iets gaan proberen. Verwachten dat mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt vanaf dag één 100% minimumloon krijgen, dat blijkt gewoon niet te werken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mensen aan het werk krijgen? Niets liever dan dat! Maar dat gaan we toch niet doen door hun rechten af te breken? Dat gaan we toch niet doen door te zeggen: nou, dan nemen we u uw pensioen af, uw WW-rechten en alle andere zaken die ik genoemd heb? Het is laag-bij-de-gronds om het op die manier te doen. Als nieuwe woordvoerder op dit terrein valt het mij op dat er een groep is in Nederland, de arbeidsbeperkten zeg maar, die al jarenlang snoeihard wordt getroffen. Ik heb mijn voorganger mevrouw Karabulut van de week nog even gesproken. Zij zei dat er in totaal al 3 miljard is bezuinigd op deze groep mensen. Daar komt nu weer 0,5 miljard bij. Waarom worden arbeidsbeperkten opnieuw in het pak genaaid? Buitenlandse aandeelhouders krijgen nota bene 1,4 miljard euro cadeau van Rutte III. Arbeidsgehandicapten worden met 500 miljoen gekort. Waar haalt u het lef vandaan?

Maar nu het goede nieuws. Er zijn uitstekende alternatieven, meneer Peters, waardoor dit onzalige plan van tafel kan. Ik noemde al de dividendbelasting, waar niemand blij van wordt. Daarnaast kunt u kijken naar het lage-inkomensvoordeel, het zogenaamde LIV. Dat levert ook ongeveer 500 miljoen op. Wethouders noemen het plan voor 20.000 extra beschutte plekken als alternatief. Dat zijn drie opties om een ondoordacht plan van tafel te halen. Kies er een uit en u krijgt groot applaus, want u stopt met de uitholling van het minimumloon.

Als u zo graag eenduidig beleid wilt, dan kunt u er ook voor kiezen om loonkostensubsidie landelijk in te voeren voor alle mensen met een beperking. Dus niet afschaffen, maar uitbreiden! Groot voordeel: je laat mensen niet als een baksteen vallen, maar je behandelt ze met waardigheid. Ook mensen die arbeidsongeschikt zijn, in de WIA of de WAO, jonggehandicapten die gaan werken, gaan er nu al regelmatig niet op vooruit. Bent u bereid daar wat aan te doen?

Arbeidsgehandicapten met een Wajong-uitkering worden snoeihard gepakt door het kabinet. De uitkering van Wajongers wordt per 1 januari aanstaande met 5% gekort. Dat is ongeveer €60 netto op een uitkering van nog geen €1.000. Het komt neer op twee keer per maand minder boodschappen doen. De korting is onnodig, oneerlijk en laf. Daarom heb ik met de Partij van de Arbeid en GroenLinks een amendement om deze zogenaamde "pestkorting" per direct van tafel te halen. De Wajong-korting komt uit de Participatiewet. Toen werd beloofd om jonggehandicapten met arbeidsvermogen aan een baan te helpen. In ruil daarvoor kon de Wajong-uitkering met 5% omlaag. Van de extra banen is echter niets terechtgekomen. De afspraak om dan een verplicht banenquotum voor deze groep in te voeren, is uitgesteld tot 2019. Conclusie: de banenafspraak is uitgesteld, de korting staat nog ijskoud overeind. Alleen al om die reden zou die korting toch ten minste met één jaar moeten worden uitgesteld.

Een ander argument voor de korting was de crisis. De crisis is echter voorbij. De economie groeit als kool en er komen veel meer banen bij, alleen niet voor Wajongers. De belofte van premier Rutte dat iedereen erop vooruitgaat geldt blijkbaar niet voor alle Nederlanders. Terwijl het ongedaan maken van de korting nog geen 50 miljoen kost, krijgen buitenlandse beleggers een cadeautje van 1,4 miljard. Aandeelhouders worden gespekt, mensen met een beperking krijgen een trap na. Onvoorstelbaar dat CDA, D66 en ChristenUnie dit harteloze beleid steunen!

Dan nog de vraag of deze korting wel in lijn is met het VN-verdrag voor gehandicapten. In artikel 28, lid 1, heeft Nederland afgesproken maatregelen te nemen voor een behoorlijke levensstandaard van mensen met een handicap en om te werken aan de voortdurende verbetering van hun levensomstandigheden. Nieuwe jonggehandicapten met enig arbeidsvermogen worden nu weggemoffeld in de bijstand. Dat betekent niet dat ze dan opeens miraculeus genezen zijn en kunnen werken, laat staan concurreren met andere werkenden. Dit betekent alleen dat ze een lagere uitkering krijgen en achter de vodden worden gezeten. Geregeld is het arbeidsvermogen puur theoretisch en zijn hun kansen op de arbeidsmarkt minimaal. Dit blijkt uit het feit dat van alle herkeurde Wajongers sinds begin 2016 er tot nu toe slechts 1.400 een baan hebben gekregen. Deelt u mijn mening? Uit onderzoek van Regioplan blijkt dat 60% van de jonggehandicapten in de Participatiewet nooit boven bijstandsniveau kan verdienen. Graag een reactie.

Samenvattend: de Wajongkorting is oneerlijk omdat de beloofde banen er niet zijn gekomen, zij is onnodig omdat de crisis voorbij is en zij is laf omdat je de meest kwetsbare mensen treft. Zij kunnen er niets aan doen dat zij die beperking hebben. Daarom was er gisteren een petitie van Rayeed met 7.000 handtekeningen en daarom was er vanmiddag een protestactie van de FNV tegen deze pestkorting. Ze boden ons sollicitatiebrieven aan. Mevrouw Voortman heeft ze al aangeboden. Is de staatssecretaris bereid om hiermee aan de slag te gaan? Ik steek hier ook de hand in eigen boezem. Ook mijn partij zou — ik denk dat dat geldt voor alle partijen en ook voor de Tweede Kamer — veel beter aan de slag kunnen gaan met het in dienst nemen van Wajongers. Maar u bent van de overheid, dus u hebt de grootste mogelijkheden. Laat ik het zo zeggen.

Wij hebben vanmiddag tijdens die actie ook kaarten van een kaartspel gemaakt, het kaartspel "pesten". Ik zie de minister al knikken. Ik denk dat hij daar heel goed in is en de staatssecretaris ook. Daarom wil ik de staatssecretaris deze speelkaarten aanbieden en haar uitnodigen om een potje te pesten. Kijk, hier staat u zelf op. En ja, u bent de joker. Dat is de grootste pestkaart. Maar ik beloof u dat ik hem weghaal als u zegt: inderdaad, die korting is onrechtvaardig. Dat gaan we morgen horen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik wil feitelijke onjuistheid rechtzetten. Vanmiddag na de FNV-actie heb ik meteen navraag gedaan naar hoe het nou bij de Kamerorganisatie zit. Onze directeur Bedrijfsvoering heeft mij meteen laten weten dat de Tweede Kamer voor dit jaar de doelstelling voor het aantal Wajongers haalt. Meer is natuurlijk altijd goed, maar de Tweede Kamer haalt haar doelstelling voor 2017. Een voorbeeld voor andere overheidsinstanties, denk ik zo.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Hulde, hulde. Mijn complimenten aan de voorzitter. Daar kunnen velen een voorbeeld aan nemen, voorzitter. Ik zal geen namen noemen.

Voorzitter, even zonder gekheid. Is de staatssecretaris ten minste bereid om de korting voor komend jaar te schrappen? Het banenquotum is ook uitgesteld. Zoals de vakbond zegt: geen banen, geen korting. Maak uzelf mateloos populair. Ik wijs u ook even op het amendement op stuk nr. 5 (34845). Ik kijk ook even naar de ondersteuning. Dat is namelijk vanmiddag ingediend bij de Najaarsnota, eveneens om de Wajongkorting voor volgend jaar ongedaan te maken met de middelen die overgebleven zijn in 2017 nota bene bij de Wajong zelf. Nou, ik denk bij mezelf: hoe haalbaar kan het zijn?

Vooral de overheid komt haar deel van de banenafspraak niet na — behalve de Tweede Kamer dan — maar ondertussen zijn de sociale werkplaatsen in een sterfhuisconstructie geplaatst, waardoor het aantal banen daar afneemt. Wat blijkt nu uit cijfers van Cedris, de koepelorganisatie? Het totaal aantal banen voor mensen met een arbeidshandicap neemt af. Er zijn netto minder banen. Wat gaat de staatssecretaris hieraan doen?

Het College voor de Rechten van de Mens heeft geconstateerd dat mensen met een beperking in 2015 twee keer zo vaak geen werk vinden als mensen zonder beperking. In 2015 nam dat zelfs nog toe. Laten we daar iets aan doen. Niet door een pestkorting, maar door banen en een goede begeleiding. Er zijn grote zorgen over het voortbestaan van de sociale werkvoorziening. Er zijn nu sociale werkplaatsen die noodgedwongen hun deuren moeten sluiten. 267 wethouders hebben om die reden een manifest ondertekend afgelopen voorjaar. De kern is dat ze onvoldoende budget hebben om kwetsbare mensen te kunnen begeleiden. Oorzaak is de voortgaande bezuiniging. Sociale werkvoorzieningen zijn wat ons betreft nog steeds hard nodig. Ten eerste voor mensen die het echt niet buiten de sw redden en een beschutte werkplek nodig hebben en ten tweede omdat de sw veel expertise in huis heeft die broodnodig is om mensen aan een baan buiten de sw te helpen. Wat we nodig hebben is een sociale werkvoorziening nieuwe stijl, die mensen zowel binnen als buiten de werkvoorziening aan een zinvolle baan helpt. Is de staatssecretaris bereid om samen met wethouders een plan te maken om de sociale werkplaats om te vormen tot een sociale werkvoorziening nieuwe stijl? Baanzekerheid en een fatsoenlijke cao zijn daarbij natuurlijk cruciaal.

Voorzitter. Ruim 1 miljoen mensen leven in armoede, waarvan ongeveer 400.000 kinderen. Onbegrijpelijk in een rijk land als Nederland. We zien ook steeds meer arme werknemers, zogenoemde working poor. Vindt de staatssecretaris dat aanvaardbaar? Dat is een duidelijke vraag, met een ja/nee-antwoord. Wat is dan haar ambitie? Ik schat namelijk in dat u het niet aanvaardbaar vindt. De Kamer heeft daar nog een motie over aangenomen van de heer Peters, ondergetekende en anderen: stel een duidelijke ambitie om die armoede terug te dringen. Het komt eigenlijk op uw bord terecht. Kenners, zoals Mariëtte Hamer van de SER — ze kwam al even voorbij — zeggen allemaal: het sociaal minimum is te laag; je kunt er niet van leven. Daarom bepleiten wij een forse verbetering van dat sociaal minimum. Verhoog het minimumloon en de daaraan gekoppelde uitkeringen met 10%. Dat zet zoden aan de dijk. Graag een reactie.

Voorzitter. Een op de vijf gezinnen heeft problematische schulden. De staatssecretaris komt voorjaar 2018 met plannen voor een brede schuldenaanpak. Ik wacht het in spanning af. Een paar punten geef ik mee. Zorg voor een aanpak van foute incassobureaus. Ik heb daar al veel vragen over gesteld. Sommige incassobureaus maken er echt een potje van. Ik kan er uit eigen ervaring over meepraten; ik zal daar niet verder over uitweiden! Zorg voor de aanpak van bankbeslag. Zorg voor de aanpak van de handel in schulden. Ik wacht een reactie af.

Voorzitter, dan naar de minister. Arbeidsmigratie. Ik stelde al vragen over misstanden bij het vragenuur, over oneerlijke concurrentie, verdringing en uitbuiting, bijvoorbeeld in het Westland. De enigen die hier beter van worden, zijn de werkgevers en de uitzendbureaus. Ze verrijken zich ten koste van de veelal Oost-Europese werknemers en zorgen ervoor dat werknemers uit Nederland niet aan de bak komen. Oplossing voor dit probleem is invoering van een systeem van tewerkstellingsvergunningen. Daarmee voorkomen we verdringing en hebben we direct ook in beeld wie hier werken, zodat er gecontroleerd kan worden of deze werknemers goed behandeld worden. Naast werkvergunningen pleit de SP voor een vergunningsplicht voor uitzendbureaus, stevige handhaving door de inspectie, boetes voor overtreders en daders hoofdelijk aansprakelijk stellen, zodat ze niet onder een andere naam weer verder kunnen. Graag een reactie.

Voorzitter. Last but not least: de lonen. Toen de regering op het bordes stond, hoorden we één groot hallelujaverhaal. Iedereen gaat erop vooruit, riep de premier. Maar wat blijkt? Die effecten worden alleen realiteit bij een loonsverhoging van ten minste 3%. Van die stijging zien we echter nog maar weinig. Vandaag nog in het nieuws: het gaat nog beter, de economische groei gaat nog harder, maar de lonen blijven achter. Hoe gaat u die zeer terechte loonsverhoging realiseren? Dus niet alleen op papier, maar ook in het echie.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Jasper van Dijk. Ik geef nu het woord aan de heer Van Weyenberg namens D66.

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Er ligt wat D66 betreft een ambitieus en tegelijkertijd gebalanceerd regeerakkoord, dat streeft naar meer evenwicht op de arbeidsmarkt. We hebben namelijk de afgelopen zeven jaar in totaal meer dan een half miljoen vaste banen verloren. Ook nu de economie aantrekt blijft het aandeel vaste banen dalen. Voor mensen die mij op twitter volgen: die plaatjes wil ik nog weleens de wereld in slingeren. Dan zie je dat het aandeel vaste banen is gedaald van 84% — ik heb het over werknemers — naar 73% in 2017. Het Centraal Planbureau en het Sociaal en Cultureel Planbureau laten ook zien dat er sprake is van toenemende tweedeling, waarbij jongeren en minderhoogopgeleiden vaker flexibel werk verrichten. En vaak niet omdat ze daarvoor kiezen, maar omdat ze geen alternatief hebben. Als we niets doen en de trend zet door, dan heeft over tien jaar nog minder dan de helft van de minder hoog opgeleiden een vaste baan en zitten zij in een tijdelijk contract.

Voorzitter. De Wet werk en zekerheid, ook door mijn partij gesteund, is er helaas niet in geslaagd om die trend van het dalende aandeel vaste contracten te keren. De daling zette door. Inmiddels heeft minder dan drie kwart van de werknemers nog een vast contract. Ook de sociale partners wisten helaas in de polder geen doorbraak uit de impasse te bereiken. Na jaren praten, ook nog na een motie van collega Heerma over de loondoorbetaling, kwamen zij er niet uit, zelfs niet in de blessuretijd die hen een aantal maanden werd gegund tijdens de kabinetsformatie.

Voorzitter. Dat maakt het wat mij betreft extra belangrijk dat we nu de hervormingen uit het regeerakkoord om die balans te herstellen, snel en zorgvuldig omzetten van papier naar praktijk. Ik ben blij dat de minister ook in zijn brief aangeeft dat hij tempo zal maken. Tot mijn spijt constateert de minister daarin dat er geen ruimte lijkt voor een alomvattend sociaal akkoord. Sommige bijdragen van sociale partners lezend, die dat eigenlijk ook zeggen, kan ik die conclusie helaas niet anders dan volgen. Ik vind het wel verstandig dat de minister desondanks blijft inzetten op deelakkoorden. Dat moeten wat D66 betreft dan wel deelakkoorden zijn waarin de ambitie blijft. Over inhoudelijke maatregelen valt altijd te praten, maar niets doen is geen optie. Daarvoor zijn de uitdagingen op de arbeidsmarkt en bij de pensioenen eenvoudigweg te groot.

Ik wil vandaag graag stilstaan bij een aantal elementen waarbij voortgang dringend noodzakelijk is. Ik begin met de tweedeling tussen flex en vast. Op de arbeidsmarkt zie ik uit naar de uitwerkingen om de vaste baan beter bereikbaar te maken en tegelijk draaideuren van flex aan te pakken. Dan heb ik het over flexcontracten voor werknemers; zelfstandigen vind ik echt iets anders. Daar kom ik zo nog op terug.

Voorzitter. Hier zit balans in het regeerakkoord. Er komt inderdaad een cumulatiegrond in het ontslagrecht, met bijbehorend ook een hogere transitievergoeding. Er komt recht op een transitievergoeding vanaf dag één, waarmee we de perverse prikkel naar draaideurcontracten wegnemen. Want als je dan maar continu iemand inderdaad een dag voor twee jaar ontsloeg, hoefde je niet te betalen. Het was dus aantrekkelijker om drie mensen ieder net geen twee jaar te laten werken dan één iemand zes jaar. Dat is niet goed. Er komen strenge regels voor payroll- en nulurencontracten. Heel goed, en in balans. Alleen flex minder aantrekkelijk maken, gaat het probleem niet oplossen. Ook de vaste baan moet beter bereikbaar worden.

Voorzitter. Daarbij staat ook de maatregel om de WW-premie te laten differentiëren naar type contract. Maar ik zie de heer Van Kent, voorzitter.

De voorzitter:

Ik ook. De heer Van Kent.

De heer Van Kent (SP):

Dank, voorzitter. Wat zou er in de ogen van D66 gebeuren als we flex minder aantrekkelijk maken en vast vast laten?

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik vind de Wet werk en zekerheid wel een mooi voorbeeld. Daar ging de ketenbepaling van drie naar twee jaar, want dan kregen mensen eerder een vaste baan. Mijn inbox, ik gok ook die van de heer Van Kent, bevatte vooral voorbeelden van mensen die zeiden: in plaats van dat na drie jaar de werkgever het nog niet aandurft mij een vaste baan te geven, wordt er nu al na twee jaar afscheid van mij genomen. Dan ben je weinig opgeschoten.

De heer Van Kent (SP):

Ik hoor de heer Van Weyenberg net zeggen dat we die draaideur stoppen door de ontslagvergoeding vanaf dag één toe te kennen en allerlei andere maatregelen te nemen. Dat waren natuurlijk allemaal maatregelen die niet in de Wet werk en zekerheid zaten. Dus daarom nogmaals de vraag: als we inderdaad het flexwerk duurder maken en het voor werkgevers niet meer lonend maken om mensen eindeloos in flexcontracten te zetten, welk doembeeld ziet de heer Van Weyenberg dan voor zich als we het ontslagrecht niet gaan versoepelen en mensen niet nog een jaar langer laten wachten op een flexcontract?

De heer Van Weyenberg (D66):

Wat ik dan zie gebeuren, is dat er weer allerlei andere constructies komen om daaromheen te werken. Precies dat hebben we gezien met de Wet werk en zekerheid. Daarom vind ik dus de balans in het regeerakkoord zo belangrijk: de doorgeslagen flex aanpakken. Maar de mkb'er — ik spreek er velen, dat zal voor de heer Van Kent niet anders zijn — zegt: ik wil wel, maar ik durf niet, door de loonbetaling bij ziekte bijvoorbeeld. Daar gaan we allemaal wat aan doen. Dat is toch schitterend? Maar, en dat is dan net wel de crux, je moet het dus allebei doen, beide kanten. Daar heb ik overigens ook campagne mee gevoerd. Dat is het verschil. Als de heer Van Kent denkt dat je het allemaal alleen aan de flexkant moet doen, wijs ik hem nogmaals echt op de Wet werk en zekerheid. Geprobeerd, mislukt.

De voorzitter:

Gaat u verder, tenzij meneer Van Kent nog een vraag heeft.

De heer Van Kent (SP):

Bij de Wet werk en zekerheid was het hele punt dat flex goedkoper bleef dan vast. Over loondoorbetaling bij ziekte en al die andere maatregelen om die draaideur te stoppen zijn wij het eens, maar ik begrijp nog steeds niet welk doemscenario D66 voor zich ziet. Andere constructies worden genoemd. Nou, dan maken we die ook onmogelijk, zoals de payroll en de schijn-zzp'ers bij Deliveroo. Welk doembeeld heeft D66 voor ogen op het moment dat we van het beschermen van mensen tegen onterecht ontslag af zouden blijven?

De heer Van Weyenberg (D66):

Dit is wel interessant. Die cumulatiegrond gaat helemaal niet over onterecht ontslag. Die gaat over zaken waarbij je met de huidige Wet werk en zekerheid nog maar op één grond moet kunnen ontbinden. Dat was nooit zo en ik hoor van heel veel ondernemers dat het doembeeld is dat afscheid nemen moeilijker wordt, ook als iemand helaas niet goed functioneert en er weinig werk is. Dan gebeurt er één ding: dan neem je mensen minder snel in dienst. Daar wil ik wat aan doen. Dat heeft overigens in veel polderoverleggen op tafel gelegen en heeft ook mij recent via allerlei wegen bereikt. Je krijgt overigens via die grond wel een hogere transitievergoeding. De heer Van Kent heeft een andere visie op de arbeidsmarkt. Hij denkt dat al die vaste banen vanzelf komen als je alles streng maakt. Ik geloof daar niet in.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Van Weyenberg (D66):

In het regeerakkoord zit ook het naar contracttype differentiëren van de WW-premie. Premiedifferentiatie in de WW zat in een iets andere vorm wel degelijk ook in het programma van D66, zeg ik tegen collega's. Alleen gebeurt dat hier naar contracttype waarbij voor vaste banen een lagere premie moet worden betaald dan voor tijdelijke contracten. In de uitwerking vrees ik overigens een buitengewoon complexe maatregel, waar de minister nog heel wat werk aan zal hebben, maar het is wel een goede maatregel, die inderdaad ook iets doet aan de beprijzing. Dat ben ik met de heer Van Kent en anderen eens. Dat zit precies in het regeerakkoord. Maar wanneer kunnen wij van de minister een nadere uitwerking ontvangen van die premiedifferentiatie? Kan hij daar al wat over zeggen? En ik zou de minister willen vragen om alles op alles te zetten om het wetsvoorstel over het bredere pakket — tussen flex en vast — nog voor de zomer naar de Kamer te sturen. Wil de minister daar alles aan doen?

Voorzitter. Ik heb ook nog een vraag over een snelgroeiende vorm van flex waar ik de laatste tijd steeds meer over hoor, namelijk contracting. Ik wil voorkomen dat wij nu dingen doen, zoals we bij payroll hebben gedaan, en dan over drie jaar moeten zien dat er weer een nieuwe vorm is gekomen; dat is ook een beetje een antwoord op de vraag van de heer Van Kent. Ik zou de minister willen vragen om nog wat dieper naar het fenomeen contracting te kijken en de Kamer daarover een brief te sturen met een analyse en een antwoord op de vraag of hij denkt dat daar eventueel nog andere maatregelen tegen nodig zijn.

Dat brengt mij bij loondoorbetaling bij ziekte. Om de vaste baan beter bereikbaar te maken, pakken we ook de tweejarige ... Ik zie de heer Van Dijk.

De voorzitter:

Heel kort, meneer Van Dijk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

De heer Van Weyenberg is nu nog bij het hele verhaal over de balans tussen flex en vast. Mijn vraag is dezelfde als die aan de heer Heerma van het CDA. Er is een gevaar dat de verlenging van de proeftijd een nieuw construct wordt waarbij je na vier maanden en zoveel weken wordt ontslagen en je weer opnieuw kan beginnen. Ziet D66 dat gevaar ook?

De heer Van Weyenberg (D66):

Dank voor die vraag. In het regeerakkoord staat dat die proeftijd alleen vijf jaar is ... vijf maanden, sorry — nee, nee, zeker geen vijf jaar — als je iemand meteen een vast contract geeft. Dat is precies de bescherming tegen de draaideur waarvan de heer Van Dijk zegt: daar wil ik niet uitkomen. Daar wil ik ook niet uitkomen. Welke werkgever geeft nu nog meteen een vaste baan? Ik zag mevrouw Minnesma van Urgenda bij Nieuwsuur vertellen: met die proeftijd durf ik het niet aan om mensen meteen een vaste baan te geven. Deze maatregel probeert werkgevers te verleiden om in één keer dat contract voor onbepaalde tijd te geven. Dat heeft een wat langere proeftijd. Dat klopt. Overigens heb je dan wel recht op transitievergoeding. Dat hebben we ook veranderd. Mocht blijken dat dit alleen maar een draaideur is, dan wil ik er ook meteen weer van af.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Van Weyenberg (D66):

Want het is puur een oprechte poging om het aanbieden van vaste banen, ook als eerste contract, weer wat terug te brengen.

Voorzitter. Ik was bij loondoorbetaling bij ziekte. Het tweede jaar wordt collectief. Zeker voor kleine bedrijven tot 25 werknemers is dit echt een hoofdpijndossier. Hier wordt allang over gepraat in de polder. Het regeerakkoord doet hier heel bewust ook een verzoek aan de polder: als u met verdergaande aanpassingen komt, wil het kabinet daar graag naar kijken. Die oproep herhaal ik graag. Ik hoop dat die handschoen wordt opgepakt.

Voor zelfstandig ondernemers kiest het kabinet een heel nieuwe aanpak, namelijk een veel grotere differentiatie tussen het type ondernemers en het beter proberen te scheiden van zelfstandig ondernemers die dat uit eigen wil zijn en constructies aan de onderkant. De Wet DBA gaat van tafel. Daar is mijn fractie buitengewoon blij mee. En ja, die nieuwe wetgeving wordt complex. Het opstellen van die nieuwe wetgeving moet samen met veldpartijen gebeuren, dus ook met zzp'ers en hun organisaties. Graag een expliciete toezegging van de minister. Niet óver zelfstandigen, maar mét zelfstandigen.

Ik begrijp dat dit heel complex is en dat de minister de nieuwe regelgeving pas per 1 januari 2020 zegt te kunnen laten ingaan. Ik had dat ook graag sneller gezien, net als de heer Wiersma. Ik zal de minister blijven bevragen of het niet sneller kan, maar ik begrijp dat de scherven van de Wet DBA zich helaas niet eenvoudig laten lijmen. We slaan een fundamenteel andere weg in met het regeerakkoord en die vraagt om een zorgvuldige en goede uitwerking. Wanneer krijgen we de uitwerking van de opdrachtgeversverklaring en de wetgeving die zorgt voor een aanpassing van de gezagsrelatie, zo vraag ik aan de minister. Wanneer verwacht hij die in de Kamer te kunnen indienen? Zou de minister toch nog een keer kunnen kijken of het voor de opt-out boven €75 sneller kan? Het is heel moeilijk. Als het niet kan, dan kan het niet, maar ik wil toch nog een laatste oproep doen.

Voorzitter. Op één punt vraag ik specifiek om versnelling, namelijk de verduidelijking van de gezagsrelatie. De heer Wiersma zei dat ook al. Het gaat niet om de aanpassing van de wet, maar om een verduidelijking van de bestaande wetgeving, die hopelijk ook al onzekerheid wegneemt. Als je als journalist een redactievergadering bijwoont, dan wil je dat je opdrachtgever niet bang hoeft te zijn dat dit enkele feit al bijna wordt gezien als een arbeidsrelatie. Die zorgen leven. Zou dit al voor 1 januari 2019 kunnen worden geregeld, zo vraag ik in het verlengde van de vraag van collega Wiersma. Ik denk dat dit ook eerder duidelijkheid kan bieden aan zelfstandigen met een wat hoger uurtarief, zodat hun opdrachtgever meer helderheid krijgt dat er ook met de huidige wet geen angst hoeft te zijn dat zij als werkgever worden gezien in plaats van als opdrachtgever. In de tweede termijn zal ik hier samen met collega Wiersma een motie over indienen.

Voorzitter. In het regeerakkoord staat ook een verkenning naar de ondernemersovereenkomst, een eigen plek in het Burgerlijk Wetboek voor zelfstandig ondernemerschap. Hoe gaat de minister die verkenning aanpakken? Heeft hij al een aanpak voor ogen? En als dat nu nog niet zo is, wanneer ontvangen we die?

En ja, ik wil meer tempo aan de bovenkant, maar ik wil ook meer tempo aan de onderkant. Veel collega's hebben het gehad over de rondetafel over de platformeconomie en het gesprek dat wij apart hadden met Deliveroo. Toen werd al duidelijk dat alle partijen, van links tot rechts, inclusief het politieke midden waar ik mij graag bevind, bezorgd zijn over de nieuwe constructie bij Deliveroo. Van zelfstandig ondernemerschap is daar wat mij betreft gewoon geen sprake. De nieuwe wetgeving aan de onderkant, met een minimumtarief van €15 à €18, zal waarschijnlijk ook pas in 2020 kunnen ingaan. Maar we kunnen de boel niet twee jaar lang de boel laten. Kan de minister kijken hoe hij aan de onderkant eerder en sterker zou kunnen handhaven? Wil hij specifiek met deze sector in gesprek gaan?

De heer Özdil (GroenLinks):

GroenLinks kan zich helemaal aansluiten bij de vragen van de heer Van Weyenberg over het minimumtarief voor zzp'ers. Ik heb nog wel een vraag voor hem. Is D66 het met ons eens dat het nieuwe minimumtarief voor zzp'ers, wanneer het er komt, minimaal zo hoog moet zijn dat zzp'ers zich kunnen verzekeren tegen arbeidsongeschiktheid en voor pensioenen?

De heer Van Weyenberg (D66):

Wat betreft de hoogte van het minimumtarief, zit er een marge in de afspraak in het regeerakkoord: tussen de €15 en €18. Dan zit je op ongeveer 125% van het minimumloon. Dat ligt dus bewust hoger dan alleen het minimumloon. Dat is om mensen in staat te stellen zich tegen arbeidsongeschiktheid te verzekeren. Dat is trouwens een keuze. Dat zeg ik erbij, want dat is voor mijn partij belangrijk. Daarnaast biedt het mensen de kans om ook wat opzij te leggen voor hun pensioen. Daarbij geldt wel dat je ook bij werknemers rond het minimumloon met de franchise zit. De AOW is toch met afstand de belangrijkste pensioenfactor.

De heer Özdil (GroenLinks):

Dank voor dit heldere antwoord. Als ik mijn collega van D66 goed begrijp, zegt hij dat de sectorale marge tussen €15 en €18 genoeg zou moeten zijn voor zzp'ers om zich te verzekeren voor pensioenen en tegen arbeidsongeschiktheid. Dat gebeurt natuurlijk wel uit vrije keuze, maar kan dankzij dat minimumtarief.

De heer Van Weyenberg (D66):

Bij pensioen geldt wel dat je ook met de franchise zit, waardoor er ook voor werknemers op dat inkomen vaak nog heel weinig aanvullend pensioen is. Eén feitelijkheid: die marge van €15 tot €18 is ook met €15 ruim hoger dan het minimumloon, ongeveer rond 125%. Dus ik ben het met u eens dat daar marge moet zitten, om voor zaken die bij werknemers via de werknemerspremies gaan, waaronder de arbeidsongeschiktheid, middelen te hebben om je te kunnen verzekeren, en om, als je dat wilt, nog iets voor het pensioen opzij te kunnen leggen. Volgens mij is het antwoord: ja, met een kleine komma. Ik wil voor pensioenen geen grote verwachtingen wekken. Ook voor werknemers op dat punt is de AOW namelijk de met afstand belangrijkste pensioenbron.

De voorzitter:

Tot slot.

De heer Özdil (GroenLinks):

Afrondend. Ik waardeer het dat de heer Van Weyenberg die komma eerlijk aangeeft, want dat wordt wel een belangrijke komma. Ik ga er in ieder geval namens GroenLinks op toezien dat die komma wegvalt, waardoor het een mooie zin wordt met heel veel zekerheden.

De heer Van Weyenberg (D66):

Maar die komma was er niet omdat ik het niet met het doel eens ben, maar omdat bij mensen met dit inkomen de AOW gewoon de met afstand belangrijkste factor is. Maar ik zie uit naar de uitwerking. Die €15 tot 18 is een bandbreedte die het kabinet heeft benoemd, ook omdat we nog zoekende zijn. Dus, zo zeg ik tegen de heer Özdil, laten we samen zoeken.

De voorzitter:

Gaat u verder, meneer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik dank de heer Özdil voor dit bruggetje naar de pensioenen. Dit was niet afgestemd, zeg ik tegen de andere collega's. Jarenlang zijn we nu al bezig met een stelseldiscussie. Deelnemers verliezen op dit moment het vertrouwen in het stelsel, pensioenen worden al te lang niet geïndexeerd, en als niets verandert zal er ook de komende jaren maar zeer beperkt ruimte zijn voor indexatie. Vorige week nog verscheen de stresstest van het Europese instituut EIOPA, waaruit blijkt dat in heel Europa pensioenfondsen het moeilijk hebben. Ook onze fondsen worden zwaar geraakt: er is een lage rente, we worden — gelukkig — steeds ouder dan gedacht, en ze zijn kwetsbaar in een eventuele crisis. Die combinatie van nominale zekerheid en de ambitie om te indexeren leidt niet tot een optimale uitkomst voor deelnemers. Het maakt ons stelsel kwetsbaar en ook heel rentegevoelig. Dat hebben we de afgelopen periode gezien.

Voorzitter. Absolute zekerheid kan niemand voor de pensioenen geven, maar er is wel verbetering mogelijk. We zitten in de blessuretijd na jarenlang praten. Het regeerakkoord bevat dan ook een tekst die bijna een-op-een aansluit bij de laatste stand van het denken, zoals verwoord in het rapport van de Sociaal-Economische Raad: persoonlijke potjes in de opbouwfase, het toestaan van het hebben van een buffer — maar die mag niet negatief zijn — een einde aan de doorsneepremie — waar overigens ook, zo zeg ik tegen de heer Van Kent, middelen voor zijn gereserveerd in het regeerakkoord — en het hooghouden van de premieruimte. Eerlijk gezegd kan ik me gewoon niet voorstellen dat we hier met sociale partners niet samen uitkomen. Laten we samen springen, politiek en polder, in het belang van alle deelnemers, of ze nu werken of al gepensioneerd zijn.

De voorzitter:

Dit loopt helemaal uit de hand. De heer Van Dijk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Het spijt me, voorzitter, maar dit is een relevant punt.

De voorzitter:

Alles is relevant wat hier gezegd wordt.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Het gaat inderdaad over de polder en een heel duidelijk signaal vanuit de vakbeweging. We willen praten over pensioenen maar dan willen we ook praten over vormen van eerder stoppen met werken. Ik roep D66 op om scenario's vorm te geven om dat wel mogelijk te maken. Hoe staat meneer Van Weyenberg daarin?

De heer Van Weyenberg (D66):

Onderhandelen via de Kamer vind ik altijd ingewikkeld. Ik hoop dat de heer Gijs van Dijk mij dat niet vraagt. We doen een aantal zaken in het regeerakkoord wél, zo zeg ik erbij. De IOW wordt verlengd, want die zou na uw kabinet aflopen. We investeren in de omscholing van oudere werkzoekenden. Dat doen we met een amendement dat er nu ligt maar ook middels extra geld in het regeerakkoord voor de bemiddeling van werkzoekenden. Ook willen we met sociale partners veel meer de nadruk leggen op scholing. Maar ik denk dat het bevriezen van de AOW-leeftijd echt niet reëel is. We worden allemaal ouder. Dat is een realiteit. Juist om de AOW betaalbaar te maken, moeten we wat. Maar verder ga ik graag over dingen in gesprek, waarbij het wat mij betreft vooral moet gaan over hoe we mensen gezond kunnen laten doorwerken. De gemiddelde uittreedleeftijd is inmiddels al 64,5 jaar.

De voorzitter:

Gaat u verder, meneer Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Maar — dat was de vraag van de heer Van Dijk — ik sta open om over dingen te praten. Zo'n akkoord over de pensioenen is mij wat waard.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Van Weyenberg (D66):

Excuus, voorzitter, u hebt haast; u hebt gelijk. Ik keer terug naar de arbeidsmarkt. Het Centraal Planbureau liet vanochtend zien dat er nog nooit zo veel banen zijn geweest en dat de werkloosheid in recordtempo daalt tot volgend jaar het laagste niveau sinds 2008. Het gaat zelfs zo goed op de arbeidsmarkt dat steeds meer werkgevers aangeven dat zij geremd worden door het gebrek aan personeel. Dit is wat mij betreft bijna de grootste uitdaging van de komende jaren, naast het aan de slag krijgen van mensen die dat zo graag willen. Want wij zien aan de ene kant grote tekorten bij werkgevers maar ook nog steeds een groep mensen die niets liever wil dan aan de slag gaan. Ook zien wij mensen die meer uren willen werken. Ook daar zit nog arbeidspotentieel, net als bij hen die zich sinds de crisis eigenlijk niet meer hebben gemeld omdat zij ontmoedigd zijn geraakt uit bezorgdheid dat er toch geen werk voor hen was. Hoe gaan we dat bij elkaar brengen? Daarom wil ik vandaag de minister vragen om met een aanvalsplan tegen krapte te komen. Het is belangrijk dat de minister nu de regie gaat voeren. We hebben allemaal losse cijfers. Wat is het grote geheel? Waar zitten de tekorten? Hoe past dat bij de mensen die nog niet aan het werk zijn? Hoe pakken we die mismatch op de arbeidsmarkt aan? Wat hebben we nodig om vraag en aanbod bij elkaar te brengen? Kunnen we goede voorbeelden uit verschillende sectoren niet veel beter delen? Of gaat iedereen opnieuw het wiel uitvinden? Hoe maken we het ook in cao's aantrekkelijker om meer uren te werken? Hoe zorgen we ervoor dat mensen wat langer gezond kunnen doorwerken? Ook dit is namelijk arbeidspotentieel in sectoren waar men om personeel zit te springen. Hoe kunnen sectoren ervoor zorgen dat ze ook aantrekkelijk worden voor nieuwe werknemers, dat mensen daar graag willen werken? Er is dus een veelheid aan maatregelen die kunnen worden genomen, in de marktsector maar ook bij de overheid. Want er is ook een tekort aan politieagenten, leraren en verpleegkundigen. Ik zal in de tweede termijn met de collega's van de coalitie een motie indienen waarin het kabinet wordt gevraagd om met een aanvalsplan tegen krapte te komen. Daarnaast sluit ik mij graag aan bij de vraag van collega Heerma hoe ook regionale initiatieven kunnen worden ondersteund.

Voorzitter. Terwijl werkgevers staan te springen om personeel, lijkt het alsof de loonstijging nog steeds achterblijft, zoals nu ook weer blijkt uit de vandaag verschenen decemberraming van het Centraal Planbureau. Ik weet het: de overheid gaat niet over de lonen. Maar in slechte tijden vraagt de politiek, ook mijn partij, heel vaak aandacht voor loonmatiging. We proberen daar vaak zelfs afspraken over te maken in het sociaal overleg. Dan vind ik het ook heel redelijk. logisch en verstandig om, nu het heel goed gaat met de economie, de ruimte voor loonstijging ook echt te laten neerslaan in hogere lonen. Wil de minister morgen bij de beantwoording een klip-en-klare oproep tot loonstijging doen? Wil hij die loonstijging ook meenemen in zijn gesprekken met de sociale partners? De heer Van Kent vroeg dit ook. Wat mij betreft zijn we op dit punt echt een bondgenoot van de vakbeweging. En als dit SP-teksten zijn, zoals de collega's van de SP buiten de microfoon zeggen, dan ga ik die nog eens nalezen.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Hoor ik D66 nu een oproep doen om voor iedereen die bij de rijksoverheid, bij Defensie, bij de politie enzovoort werkt — daar gaan wij natuurlijk wel over — te beginnen met een fikse loonsverhoging? Misschien kunnen we dan en passant ook het minimumloon even meenemen. Ik hoor graag een reactie van collega Van Weyenberg.

De heer Van Weyenberg (D66):

Deze had ik wel een beetje verwacht. Een hoger minimumloon? Nee, althans afgezien van de reguliere indexatie, die ook gewoon meestijgt. We hebben in Nederland een schitterend systeem: de loonruimte bij de overheid volgt uit de loonruimte in de markt. Dus als we ervoor zorgen dat ze in het bedrijfsleven goed hun best doen, dan neemt automatisch ook de loonruimte bij de overheid toe. Dat lijkt me een schitterende uitkomst.

Dit brengt mij, voorzitter, een beetje via de interruptie van 50PLUS — dat is dus weer een mooi bruggetje — bij hoe we ouderen langer aan het werk kunnen laten. Ik dank de collega's voor hun meedenken over de opbouw van mijn tekst. Steeds meer ouderen werken langer door. De gemiddelde uittreedleeftijd is inmiddels ruim boven de 64 jaar. Dat vind ik goed nieuws. Heel veel mensen zijn daar ook blij mee. Tegelijkertijd: als je je baan verliest, kom je er nog steeds lastig tussen. De langdurige werkloosheid, ook onder ouderen, is nog steeds te hoog. Ik ben blij met het extra geld in het regeerakkoord voor begeleiding door het UWV. We hebben samen met de coalitiepartijen een amendement ingediend om nu ook geld vrij te maken voor het omscholen van oudere werklozen naar kansberoepen. Het is natuurlijk doodzonde dat er aan de ene kant mensen zijn die niets liever willen dan morgen aan de slag gaan en aan de andere kant sectoren die niet aan mensen kunnen komen. Ik denk dat we daarmee zowel de langdurige werkloosheid als de krapte kunnen aanpakken. Wondermiddelen bestaan niet, maar ik denk wel dat het helpt.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Ik hoor meneer Van Weyenberg het statement maken dat iedereen heel blij is als hij langer kan doorwerken. Maar er zijn ook mensen die het niet halen, omdat ze een heel zwaar beroep hebben. We zien dat vooral ouderen — het gaat om 30% — de WAO induiken. Ik zou daarover graag een reflectie willen. Ik wil een compliment maken aan de coalitiepartners, omdat zij meer geld investeren in scholing om ouderen aan het werk te helpen. In 2014 was dat een voorstel van 50PLUS. Toen heeft niemand in deze Kamer dat ondersteund. Wij zullen dit voorstel van u van harte ondersteunen, want wij zijn blij dat wijsheid met de jaren komt.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ja, en soms zijn er ook middelen beschikbaar, bijvoorbeeld nu we uit de crisis komen. Overigens was er al een actieplan met scholingsvouchers. Ik vind dat we op dat punt ook het vorige kabinet recht moeten doen. Dat actieplan was er inderdaad ook op ons verzoek — de heer Heerma zei het al — maar dat instrument heeft ook wat haken en ogen. Daarom hebben we nu een andere vorm gekozen. Maar ook de collega's van de Partij van de Arbeid en de VVD hebben hierin eerder stappen gezet. Ik ben blij dat we dit nu kunnen versterken.

Voorzitter, ik ga overigens twee minuutjes van mijn tweede termijn naar mijn eerste termijn halen.

De voorzitter:

Ja hoor, dat is goed.

De heer Van Weyenberg (D66):

Voorzitter. Bij scholing wil ik het ook hebben over de individuele leerrekeningen. Het is cruciaal dat ook sociale partners daaraan hun bijdrage gaan leveren. We kunnen als overheid niet in ons eentje zorgen dat iedereen zich schoolt. Inderdaad, jarenlang streden velen hier voor individuele scholingsbudgetten; de heer Heerma en ik niet het minst. Nu komen ze er. Ik hoop ook echt dat sociale partners daaraan gaan bijdragen. In het regeerakkoord staan best stevige teksten over die bijdrage. Ik vraag aan de minister hoe het staat met het overleg met sociale partners. Wanneer wil hij dat gaan voeren? Want dit kunnen we echt alleen maar samen. En of het nou gaat om het doorwerken door ouderen, om het zorgen voor omscholing als mensen niet meer kunnen doorwerken of om demotie, ook sociale partners hebben een grote verantwoordelijkheid. Dat geldt zeker voor werkgevers, zo zeg ik tegen mevrouw Van Brenk. Die kunnen zich hierbij niet achter de overheid verschuilen.

Ik vraag vandaag ook aandacht voor de arbeidspositie van mensen met kanker. Te veel kankerpatiënten verliezen tijdens hun ziekte hun baan. Gelukkig wordt de medische wetenschap steeds beter. Mensen overleven deze vreselijke ziekte ook steeds vaker, afhankelijk van de soort kanker die zij hebben. Maar een aanzienlijk deel daarvan is dan zijn baan kwijt. Ik vraag de minister hoe het nu gaat met de pilots voor de no-riskpolis, waartoe is besloten. Daarmee willen we werkgevers minder huiverig maken om mensen na hun ziekte weer een kans te geven. En hoe staat het eigenlijk met de acceptatie door verzekeraars van ex-kankerpatiënten die als zelfstandige een arbeidsongeschiktheidsverzekering willen afsluiten? Er zijn mooie toezeggingen gedaan door verzekeraars en ik hoor steeds dat er hard aan wordt gewerkt, maar wanneer denken zij dat geregeld te hebben? Heeft de minister daar een beeld van? En begrijp ik goed dat het UWV, ook in het verlengde van een eerder actieplan, inmiddels middelen heeft gekregen om af en toe heel specialistische begeleiding in te kopen voor kankerpatiënten die in de ziektewet terechtkomen omdat ze hun baan verliezen? Dat zijn vangnetters, in jargon. Dat is heel belangrijk. Daar is in het verleden door de Kamer op aangedrongen. Ik krijg signalen dat die middelen er inmiddels zijn, maar ik zou graag een bevestiging van de minister horen.

Voor één groep zou ik nog wel wat extra's willen doen. Dat zijn mensen die hun baan zijn verloren en er echt niet meer tussen komen. Zouden we op dat punt niet meer initiatieven moeten ondersteunen, bijvoorbeeld van bedrijvennetwerken die deze mensen toch een kans willen geven? Ik zal een amendement indienen om daar wat experimenten mee te doen, om van te leren en om te kijken wat helpt om bedrijven over de drempel te trekken.

Voorzitter. Ik ga over naar een heel ander thema. Vorige week heeft er een AO Integratie plaatsgevonden. Dat debat loopt ook nog. Laat ik hier zeggen dat het centrale doel is dat je afkomst niet je toekomst mag bepalen. Ik vind dat een mooie tekst in het regeerakkoord. Daar nemen we ook veel maatregelen voor. Ik noem in het bijzonder de taalles vanaf dag één en de nadruk op meedoen. Want ik weet één ding zeker, zo zeg ik ook tegen de heer De Graaf: mensen die hier wonen willen het beste voor zichzelf en al helemaal het beste voor hun kinderen. Ze willen meedoen en niet langs de kant staan. Ze willen graag die kans krijgen en niet worden weggezet. De nieuwe inburgering is daarvoor natuurlijk heel belangrijk. De minister heeft aangegeven dat hij daarmee aan de slag gaat. Wij zien uit naar dat plan van aanpak.

In het verlengde daarvan — ik doe nu een klein intermezzo — wil ik graag met de staatssecretaris praten over arbeidsmarktdiscriminatie. Nog steeds zijn je achternaam, het land waar jij, je ouders of je grootouders zijn geboren, je geslacht of het feit dat je zwanger bent, te vaak een reden om niet aan het werk te komen en soms om je baan te verliezen. Dat mogen we niet accepteren. Ik zou de staatssecretaris willen vragen om voor 1 juni 2018 te komen met een vernieuwd Actieplan arbeidsmarktdiscriminatie. Daarbij zou ik ook willen kijken naar het instrumentarium van de Arbeidsinspectie. Dankzij een amendement van mevrouw Karabulut en D66 is er nu een unit tegen arbeidsmarktdiscriminatie, maar het is zoeken naar het instrumentarium. Ik begrijp dat mensen voor een individuele zaakbehandeling bij de rechter moeten zijn. Ik begrijp dat, hoewel ik het soms lastig vind. De heer Van Dijk heeft daar ook vaak aandacht voor gevraagd. Er komen meer mensen bij de inspectie. Ik vraag de staatssecretaris om toch nog eens te kijken of ook het instrumentarium nog wat kan worden versterkt. Ook wil ik hem vragen om eens te kijken of eventuele wetswijzigingen daaraan kunnen helpen. Ik zeg niet dat dat zo is — ik zeg dit ook om het enthousiasme van de heer Jasper van Dijk wellicht iets te temperen — maar ik wil daar wel goed naar kijken, want ik vind dit wel zoeken. Ik zou in ieder geval willen dat de verkenning van het actieplan ook wordt gedaan.

Dan wil ik graag eindigen met een, wat mij betreft, progressief winstpunt uit het regeerakkoord. Dat is dat ik gewoon trots ben — ik kan het niet anders zeggen — op de uitbreiding van het betaald partnerverlof bij de geboorte van je kind van twee dagen nu naar zes weken straks. Eindelijk, zeg ik. Nederland liep op dit vlak gigantisch achter. We zaten in de staart. Deze maatregel brengt ons weer terug in het peloton. Ik ben ook blij met de brede steun en de aardige woorden die een aantal oppositiepartijen over deze maatregel hebben uitgesproken. Zij vroegen hier ook al lang om. Ik ben natuurlijk heel nieuwsgierig wanneer dit wetsvoorstel naar de Kamer komt.

Voorzitter. Ik sluit af. Er is veel werk te doen. Er ligt een ambitieus en evenwichtig regeerakkoord. Ik wens beide bewindslieden wijsheid en voortvarendheid om dat van papier naar praktijk te brengen, zodat de ambities voor een beter functionerende arbeidsmarkt worden waargemaakt en er eindelijk een hervorming van het pensioenstelsel komt. Laten we die kans niet missen. Ik zou bijna zeggen: nu vooruit!

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Raemakers, ook namens D66.

De heer Raemakers (D66):

Voorzitter. Dank u wel. Dit is mijn eerste begrotingsbehandeling Sociale Zaken en Werkgelegenheid en meteen niet de minste. Ik zal mij vandaag richten op de volgende zaken: werken moet lonen, de overheid moet leveren, perspectief voor jongeren en ambitie op armoede.

Ik wil het als eerste hebben over het principe dat werken moet lonen. Dit is voor D66 een heel belangrijk uitgangspunt uit het regeerakkoord. Dit uitgangspunt moet ook onverkort gelden voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Ook als zij gaan werken, moet dat lonen. In de huidige situatie is dat vaak niet het geval. Hier zitten twee kanten aan. Het moet voor de werkenden aantrekkelijk zijn om te gaan werken en om meer uren te maken. Maar het moet voor de werkgever ook lonen om iemand in dienst te nemen en in dienst te houden.

Voorzitter. Ik zal nu de olifant in de kamer noemen: loondispensatie. Want er waren veel verhalen dat mensen met een beperking door de voorgenomen verandering van het stelsel van loonkostensubsidie naar loondispensatie voortaan op bijstandsniveau zouden gaan werken en dat werken nooit meer zou lonen. Voor D66 is dat onacceptabel. Ik was dan ook blij met de brief van de staatssecretaris. Mensen gaan niet werken op bijstandsniveau en werken gaat meer lonen. Dat is de bedoeling.

We ontvangen veel signalen van werkgevers waarbij het in dienst nemen van mensen met een beperking echt een win-winsituatie is, voor zowel werkgever als werknemer. Dat is de inclusieve arbeidsmarkt waarin iedereen meedoet. Tegelijkertijd laten tal van onderzoeken, bijvoorbeeld van het College voor de Rechten van de Mens zien dat werkgevers onder arbeidsgehandicapten nog onvoldoende geschikte kandidaten voor werk vinden. Dit is echt een punt van zorg. D66 ziet graag dat de staatssecretaris daar prioriteit aan geeft.

Zo nam de Kamer in juni de motie-Raemakers c.s. aan om voor de begrotingsbehandeling een stand van zaken te krijgen over de vraag in hoeverre gemeenten de kandidatenverkenner banenafspraak gebruiken. De staatssecretaris geeft nu aan dat gemeenten meer dan 3.000 klantprofielen beschikbaar hebben gesteld. Maar als we dat vergelijken met het UWV, stellen we vast dat dat er bijna 75.000 had. Dus het aantal van de gemeenten is echt veel te laag. Positief is dat we lezen dat de regio's Zwolle, Groningen en Friesland vooroplopen in het beschikbaar stellen van gemeentelijke klantprofielen. Maar hoe zit het met de andere regio's? Wat begrijpen de gemeenten daar niet aan die kandidatenverkenner? Of zijn er daar soms geen geschikte kandidaten? Misschien wordt het tijd voor naming-and-shaming, zodat er eens resultaat geboekt wordt.

Zo kom ik bij het tweede kopje: de overheid moet leveren. Het regeerakkoord geeft aan dat er 20.000 extra beschutwerkplekken moeten komen. Juist voor de groep mensen die echt ondersteuning nodig heeft, is een afgeschermde plek heel belangrijk.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Als ik het goed begrepen heb, is meneer Raemakers nu klaar met het blokje "werken moet lonen". Ik heb dan een vraag over de Wajong. Ik heb het zo begrepen dat je volledig duurzaam arbeidsongeschikt bent als je ooit AWBZ gehad hebt. Iemand die in de Wajong zit, krijgt dan 75% van het minimumloon. Op het moment dat hij gaat werken, valt hij in het nieuwe regime. Dan gaat hij met de korting waar D66 ook voorstander van is naar 70% van het wettelijk minimumloon. Dan loont werken dus juist niet. Is dat nou de bedoeling?

De heer Raemakers (D66):

Ik kom dadelijk nog op de Wajong, maar in algemene zin hebben we in het regeerakkoord opgeschreven dat we willen zorgen dat in alle situaties werken meer gaat lonen. Deze staatssecretaris gaat daarmee aan de slag. D66 wil natuurlijk dat mensen in de Wajongregeling er ook op vooruitgaan als zij gaan werken. Bij concrete voorbeelden dat dit niet het geval is — ik begrijp dat dit bij de AWBZ blijkbaar zo is — zou ik het een hele goeie vinden om ervoor te zorgen dat het meer gaat lonen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Dus ter bevestiging: D66 zegt dat in de gevallen dat werken niet loont en het dus beter is om in een uitkering te blijven zitten, zoals in dit geval, de korting op de Wajong niet moet doorgaan.

De heer Raemakers (D66):

Nee, dat zegt D66 niet. Dat maakt mevrouw Voortman ervan. Ik zeg dat wij oog hebben voor alle situaties waarin werken niet loont. Met het regeerakkoord van dit kabinet hebben we juist een opgave om ervoor te zorgen dat werken meer gaat lonen. Die korting van 75% naar 70% is weer iets anders, maar daar kom ik zo nog op.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Raemakers (D66):

Voorzitter. Ik was gebleven bij de 20.000 extra plekken beschut werk. Een aandachtspunt hierbij is dat gemeenten aangeven dat het nu al een opgave is om de geplande 30.000 beschutwerkplekken, die we sowieso al moeten leveren, in te vullen. Hoe ziet het kabinet dit? Mijn voorganger op dit dossier, Fatma Koşer Kaya, kreeg de vorige staatssecretaris ooit zover om een onderzoek te starten naar de mogelijkheid van het instellen van een aparte praktijkroute bij beschut werk. Afgelopen juni concludeerde de vorige staatssecretaris dat dit helaas echt niet mogelijk is. Ik ben natuurlijk benieuwd of de huidige staatssecretaris dat oordeel deelt. Is de praktijkroute echt niet mogelijk bij beschut werk? Of kunnen de criteria van beschut werk niet iets gewijzigd worden zodat de praktijkroute ook bij beschut werk mogelijk wordt? En zijn er, als alternatief, misschien pilots mogelijk om dat eens te proberen en er iets meer actie voor te ondernemen?

Daarbij vraag ik ook aandacht voor het volgende. Gemeenten krijgen nu een bonus van €3.000 per gerealiseerde werkplek. De Landelijke Cliëntenraad wijst er in zijn brief op dat sommige gemeenten beschut werk alleen in deeltijd aanbieden, om zo gemakkelijker de bonus te incasseren met minder inspanningen. Herkent de staatssecretaris deze signalen? Zo ja, wat gaat zij daartegen doen? Zo nee, is zij bereid dit signaal verder te onderzoeken?

Daarnaast is het heel treurig dat de overheid achterblijft met het halen van de banenafspraak. We begonnen deze kabinetsperiode met 2.903 banen achterstand. We hebben niet goed in beeld waar het nu misgaat. Hoe gaat de staatssecretaris dit aanpakken? Welke mogelijkheden heeft zij nog? Is het dan niet toch een optie om sociale inkoop van diensten en producten mee te gaan tellen voor de banenafspraak? Zo nee, wat zijn er dan voor alternatieven? We horen het graag.

Voorzitter. Ik ga naar het blokje "perspectief voor jongeren". Dat onderwerp ligt dicht bij mij. Natuurlijk ben ik zeer bereid om in deze Kamer nogmaals ons standpunt over de Wajong toe te lichten. Wij vinden dat het perspectief voor jongeren in de Wajong nog te slecht is. Waarom hebben meer dan 60.000 Wajongeren nog geen werk? Hoe kan het dat we dit als maatschappij laten gebeuren? Dit is niet acceptabel. Wat gaat de staatssecretaris doen voor meer banen voor deze groep? Ik had het zojuist over de mogelijkheid om de definitie van beschut werk in de toekomst wat te wijzigen. Zou het niet mogelijk zijn om met de definitie van beschut werk iets te doen, zodat een aantal van de 60.000 Wajongeren, die dus nu al jarenlang niet aan het werk komen, onder de titel van beschut werk wél aan de slag kunnen? Want daar gaat het om. Graag een reactie.

Behalve werk is ook studie voor jongeren in de Wajong en in de Participatiewet ontzettend belangrijk. Dankzij een voorstel van mijn collega Van Weyenberg van D66 kunnen jongeren met een arbeidshandicap naast studiefinanciering ook een individuele studietoeslag ontvangen. Dit ter compensatie voor het feit dat een bijbaantje nu eenmaal lastiger is als je een beperking hebt. We zien alleen in de praktijk dat maar heel weinig jongeren daarvan gebruikmaken. Slechts 7% van de jongeren uit de doelgroep maakt gebruik van de studietoeslag. Iets minder dan een kwart weet überhaupt van het bestaan van deze regeling. Hoe verklaart de staatssecretaris dit? Onderkent zij het belang van deze regeling en de inzet van gemeenten? Op dit punt wil ik graag in tweede termijn een motie indienen.

Voorzitter. Ik kom op het punt van de ambitie op armoede. Ik dank de staatssecretaris voor de brief over de brede schuldenaanpak.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U was klaar met het blokje over de Wajong en u begrijpt dat ik daar nog wel een vraag over heb, in feite dezelfde vraag als aan de heer Heerma. Hoe kan het ook anders? Die Wajong-korting komt niet van D66, maar van Rutte II. Dus de heer Raemakers, gloednieuw Kamerlid, kan vandaag de held van de Tweede Kamer worden in het hele land als hij zegt: ja, ik zie het in, het is een beetje gek dat de banenafspraak wordt uitgesteld terwijl de strafkorting gewoon doorgaat. We hebben het geld, er is een uitstekende dekking. Ik heb twee mogelijkheden gegeven. Bent u bereid om met mij te kijken naar het afschaffen, naar het ongedaan maken van die Wajong-korting in 2018?

De heer Raemakers (D66):

De heer Van Dijk heeft gelijk dat dit een besluit was van het vorige kabinet en dat het aanvankelijk de bedoeling was dat deze groep Wajongeren onder de bijstand zou vallen. Dat zou bijvoorbeeld ook betekenen dat de partner- en vermogenstoets ook in de Wajong van toepassing zou zijn. Stel je voor dat je als Wajongere thuis bij je ouders woont, wat heel goed kan. Dan kan het betekenen dat je van 75% teruggaat naar 0% of een heel laag percentage. Door de inzet van D66 en andere partijen is gezegd: dat willen we niet. We willen niet dat Wajongeren teruggezet worden in de bijstand. U hebt gelijk dat het een teruggang is van 75% naar 70%, maar die 70% is vergelijkbaar met alle andere regelingen waarbij mensen in zo'n positie met arbeidsvermogen zitten.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Maar dat is natuurlijk het hele punt. Die mensen met een Wajong-uitkering hebben een beperking, waardoor zij een extra korting krijgen, terwijl hun door de voorganger van deze staatssecretaris een baan was beloofd. De vakbond zegt niet voor niks: geen banen, geen korting. Logischer kan ik het niet verwoorden. De banenafspraak is uitgesteld, de korting niet. Vindt de heer Raemakers dat met mij niet onrechtvaardig? Is hij serieus bereid om met mij te kijken om die korting voor één jaar ongedaan te maken? Dan praten we daarna weer verder. Wil hij er serieus naar kijken voor één jaar?

De heer Raemakers (D66):

Het antwoord is nee. Als je vandaag de dag arbeidsongeschikt wordt, kom je in de Participatiewet en dan krijg je ook 70%. Bij die groep is het natuurlijk net zo lastig om mensen aan het werk te krijgen. Die opgave om meer mensen aan het werk te krijgen, zien we zowel in de Wajong als in de Participatiewet. Daar willen wij echt werk van maken.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Raemakers (D66):

Op het punt van armoede en schulden zien we heel veel ambitie, maar de brief van de staatssecretaris is toch vooral een soort vooraankondiging van een nieuwe brief. D66 wil de problemen ook echt aanpakken. Daarom wil ik de staatssecretaris vragen om in de nieuwe brief ook een helder tijdpad op te nemen, waarin vermeld staat welke maatregelen uit het regeerakkoord wanneer geïmplementeerd worden. Wanneer komt er een voorstel om misstanden in de incasso effectiever te bestrijden met een incassoregister, een diplomaplicht et cetera? Hoe gaan we excessen in de kredietverlening te lijf? Kan de staatssecretaris nu al het gesprek aangaan met kredietverstrekkers om onverantwoorde verdienmodellen en torenhoge rentes tegen te gaan? Graag een reactie.

Voorzitter, ik ga één minuut extra gebruiken. Dat gaat ten koste van de tijd voor de tweede termijn. Ik heb tot slot een korte, maar urgente opmerking op het gebied van de vaste gezichten in de kinderopvang. Daar gaat vanaf 1 januari strikter op gecontroleerd worden door de GGD. Daarbij is het doel dat kinderen zo veel mogelijk dezelfde leiders met dezelfde, vaste gezichten te zien krijgen. Dat is beter voor hun ontwikkeling. Maar er kan natuurlijk altijd sprake zijn van overmacht, waardoor het principe niet helemaal gehaald wordt. Het is in de sector nog onduidelijk hoe dat precies moet worden geïnterpreteerd. Mijn vraag is deze. Als er in situaties van overmacht even geen vaste beroepskracht van een kind werkzaam is op de groep, volgt er dan altijd automatisch een onvoldoende van de GGD voor de houder, of mag de GGD in zulke gevallen wel rekening houden met de uitleg van de houder? Dit is dus urgent in verband met de datum van 1 januari. Graag helderheid hierover.

Bedankt.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Raemakers. Dan geef ik nu het woord aan de heer Gijs van Dijk namens de PvdA.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Voorzitter. Er zijn veel zaken om blij mee te zijn in Nederland. We leven steeds langer, we zijn steeds gezonder en we zijn als volk gelukkig en welvarend. Deze week hebben we dat nog gehoord van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Onze agenten, verpleegkundigen en leraren doen iedere dag fantastisch werk om te zorgen dat we ons veilig voelen, dat we hulp krijgen als we dat nodig hebben en dat we het maximale van ons leven kunnen maken. Maar om echt iets van je leven te maken heb je wel vaste grond onder de voeten nodig. Het is de basis om vooruit te komen. Pas dan kun je echt zijn wie je bent en je ten volle ontplooien. Die vaste grond is er voor te veel mensen niet. We zien steeds meer mensen die noodgedwongen zonder bumper of buffer van schijnzelfstandigheid naar nulurencontracten stappen, mensen die werken in beroepen die langzaam verdwijnen door technologie, mensen die meerdere baantjes moeten combineren en alsnog nauwelijks rond kunnen komen. We zien mensen die het krijgen van een kind uitstellen omdat ze geen zekerheid over hun baan en inkomen hebben. We zien starters die geen huis kunnen kopen omdat ze als zzp'er werken. We zien gezinnen die razendsnel van schulden in armoede raken omdat er een inkomen wegvalt en ze vervolgens verdrinken in de papiermolen van de schuldenindustrie. Dat zijn geen natuurverschijnselen. Daar kunnen wij hier wat aan doen. Maar dan moet je wel de juiste keuze maken.

"Om de kwaliteit van het bestaan", daar draaide het om in 1963: het verkiezingsmanifest van de Partij van de Arbeid. Ik zou zeggen: lees het na. Het is zeker de moeite waard. Maar daar draait het nu, in 2017, nog steeds om: vaste grond onder de voeten, zodat je zo veel mogelijk uit het leven kunt halen. Kwaliteit van bestaan begint met zeker zijn van een fatsoenlijk inkomen waarmee je vooruit kunt plannen, een huis kunt kopen of een gezin kunt stichten. Dat begint met zeker zijn van een baan, een baan waarin je je gewaardeerd voelt, waarin je steun krijgt bij pech en waarin je kunt investeren in jezelf. En dat begint met zeker zijn van tijd voor jezelf en voor anderen, voor je familie en vrienden. Die drie zekerheden, zeker van een fatsoenlijk inkomen, zeker van een baan en zeker van tijd voor jezelf en voor anderen, vormen de rode draad van mijn inbreng vandaag.

De vraag die wij ons vandaag stellen is hoe het kabinet het doet langs deze meetlat. We zien goede maatregelen. Door minimumtarieven krijgen zzp'ers meer zekerheid over hun inkomen. Door een transitievergoeding te geven vanaf dag één en de kosten voor flex te verhogen wordt een vast, normaal contract aantrekkelijker. En door uitbreiding van het partnerschapsverlof kunnen ouders vanaf 2020 meer tijd nemen voor hun pasgeboren kind. Dat zijn allemaal goede zaken, die wij van harte steunen. Tegelijkertijd zien we dat dit kabinet in hoogconjunctuur en met overschotten op de begroting de kans niet pakt om te zorgen dat iedereen weer vaste grond onder de voeten krijgt. Vaste grond onder de voeten is meer dan een beetje koopkracht. Het is meer dan wat zalvende woorden in de inleiding van het regeerakkoord. Heb je een netwerk waarop je kunt rekenen? Is je diploma straks nog wat waard? Krijg je een eerlijke kans of word je gediscrimineerd? Weet je de weg in het systeem en is de overheid er voor jou als je dat nodig hebt? Het antwoord van het kabinet op die vragen is achterhaald. Geef geld aan multinationals, dan komt het met de rest van ons land heus wel goed. Dat is kiezen voor multinationals boven mensen. Alle goede voornemens van deze minister voor een breed sociaal akkoord ten spijt, lijkt het erop dat het kabinet deze plannen met de helft plus één wil doordrukken. Dat zou een ontzettend gemiste kans zijn voor al die Nederlanders die iets meer vaste grond in hun leven verlangen. Ik ga daar nu wat uitgebreider op in.

Voorzitter. Ik begin bij zeker zijn van een fatsoenlijk inkomen. Je wilt een inkomen waarmee je vooruit kunt plannen, een huis kunt kopen of een gezin kunt stichten. Daar moet je zeker van kunnen zijn. Tijdens de presentatie van het regeerakkoord zei premier Rutte: er ligt een akkoord waarbij gewone, normale burgers er echt op vooruitgaan. Kennelijk zijn die normale burgers geen werkenden met een arbeidshandicap. Dit kabinet kiest er in tijden van miljardencadeaus aan multinationals en overschotten op de begroting voor om 500 miljoen te bezuinigen op deze groep. Onbegrijpelijk! We zien dat gemeenten het plan niet steunen. Vele grote en kleine werkgevers en regionale werkbedrijven die met deze werknemers werken, roepen ons op: doe het niet! Het CPB zegt dat het nul banen oplevert. Werkenden met een arbeidshandicap krijgen hiermee te horen niet volwaardig mee te mogen doen. Je ontvangt geen loon, maar je krijgt een aanvulling. Je bouwt geen pensioen of WW op. Ook blijf je altijd een cliënt van de sociale dienst. Hiermee gaan werkenden met een arbeidsbeperking er niet op vooruit. Zij krijgen juist een status aparte.

Kunnen de minister en de staatssecretaris uiteenzetten welke verschillen er zijn in sociale bescherming tussen groepen die werken op basis van loonkostensubsidie en loondispensatie? Kunnen zij een motivatie geven waarom zij het goed achten dat arbeidsgehandicapten die werken op basis van loondispensatie, straks minder of geen socialezekerheidsrechten en pensioenen opbouwen? En waarom mogen werknemers met een arbeidshandicap niet volwaardig meedoen op de werkvloer? Kunnen de minister en de staatssecretaris aangeven wat er gebeurt met de opgebouwde rechten van mensen die tot nu toe hebben gewerkt op loonkostensubsidie? Wordt deze regeling eigenlijk niet veel te ingewikkeld, met drie systemen? Klopt het dat in de onderhandelingen een koppeling is gemaakt met beschutte werkplekken terwijl het een andere groep betreft en terwijl de huidige beschutte werkplekken nog lang niet gevuld zijn? Wij komen, niet verrassend, waarschijnlijk met een motie op dit punt.

Zeker zijn van een fatsoenlijk inkomen moet ook gelden als je een Wajong-uitkering krijgt. In de beginfase ...

De heer Raemakers (D66):

Ik heb nog even het regeerakkoord uit 2012 van de VVD en de Partij van de Arbeid erbij gepakt. Daarin staat: "Er komt één participatiewet die de Wwb, Wsw en een deel van de Wajong samenvoegt. Voor de hele doelgroep wordt een systeem van loondispensatie geïntroduceerd (...)." Vijf jaar geleden was de Partij van de Arbeid dus ook voorstander van loondispensatie, maar nu wordt het als een principieel punt opgeworpen. Ik ben even benieuwd waar bij de Partij van de Arbeid nou het verschil zit en wanneer ze die draai gemaakt hebben.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank voor de vraag! Er stond namelijk ook nog iets anders in het regeerakkoord: dat er gesproken zou moeten worden met sociale partners. Dat is ook gedaan en dat heeft geresulteerd in het sociaal akkoord. Vervolgens is hier ook in de Kamer over gesproken. Dat heeft geresulteerd in de loonkostensubsidie. Dus ja, het stond in het regeerakkoord met de VVD, maar vervolgens is dat hersteld in het sociaal akkoord. Later is het met de welwillende oppositie inderdaad nog beter gemaakt. Uiteindelijk zijn we begonnen met loonkostensubsidie, waarbij we het principe hebben gehanteerd dat mensen met een beperking volwaardig mee moeten kunnen doen en volwaardig loon moeten krijgen, inclusief pensioen.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Sorry, maar dat sociaal akkoord ... U wilde ze allemaal in de bijstand gooien! We hebben als welwillende C3 gezorgd dat het nog een beetje sociaal werd. Kom nou toch!

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dat is precies waar ik op wijs. Mede dankzij de Kamer hebben wij met elkaar gezegd, en terecht, dat mensen met een beperking volwaardig mee zouden moeten kunnen doen. Dat hebben we hier met z'n allen afgesproken. We zijn ook aan de slag gegaan. Inmiddels werken we met dat systeem en zien we in het land dat zowel gemeenten als werkgevers als de mensen zelf ons oproepen om dit te handhaven. Gisteren of eergisteren riep de VNG ons daar nog toe op. Dat doen ze niet voor niets.

Ik ga verder. Zeker zijn van een fatsoenlijk inkomen moet ook gelden als je een Wajong-uitkering krijgt. In de beginfase van het vorige kabinet, toen de overheid iedere dag ruim 60 miljoen meer uitgaf dan er binnenkwam, zijn er afspraken over gemaakt, maar vandaag is de realiteit een andere. Allereerst staan de overheidsfinanciën er beter voor. Er is zelfs een meevaller van 27 miljoen op de uitgaven van de Wajong. Ten tweede zien we bij de overheid onvoldoende banen erbij komen voor deze groep en is om die reden de quotumheffing ook uitgesteld. Hiermee hebben werkgevers ruimte gekregen, maar laten wij de Wajong-jongeren nu in de kou staan. Daarom dienen we met de SP en GroenLinks een amendement in om deze korting op jonggehandicapten te schrappen of in ieder geval een jaar uit te stellen.

Zeker zijn van een inkomen moet ook gelden voor zzp'ers. We zien dat dit kabinet goede stappen zet met de minimumtarieven. We zien ook dat we bijna Kamerbreed ons ergeren aan de opstelling van bedrijven zoals Deliveroo, dat zijn bezorgers vogelvrij op pad stuurt. Vindt er op dit moment nog handhaving in het kader van de DBA plaats op schijnzelfstandigheid en in het bijzonder de kwaadwillenden door de Belastingdienst, vraag ik aan de minister. Zo niet, dan overweeg ik ook op dit punt een motie. Wellicht kan de Inspectie Sociale Zaken kijken naar de positie van deze fietsbezorgers vanuit de optiek van veilige arbeidsomstandigheden.

Zeker zijn van een fatsoenlijk inkomen betekent ook dat je moet kunnen stoppen met werken als dat echt niet meer gaat. Nu blijkt eerder stoppen met werken vooral weggelegd voor mensen met een hoog inkomen die gezond zijn, niet voor de mensen die al hun hele leven zwaar werk doen en lichamelijk niet door kunnen. Dat is een wrange realiteit. De mensen met de hoogste levensverwachting zijn tevens de mensen die het eerste stoppen met werken. Niet voor niets maken wij samen met GroenLinks en de SP 1 miljard vrij om iets te doen voor alle ouderen die niet tot de verhoogde pensioenleeftijd kunnen doorwerken. Niet voor niets vraagt de FNV om stappen op dit punt. Zelfs vele werkgevers zien dat hun werknemers het gewoon niet redden en roepen ons op om maatregelen te nemen. Ook het CPB zegt dat deze generieke maatregel oneerlijk uitpakt voor verschillende groepen. Bovendien laat het Sociaal en Cultureel Planbureau zien dat er in 2030 ruim 1 miljoen kwetsbare ouderen zijn. Toch lezen we in het regeerakkoord hier niks over terug, geen enkel perspectief voor mensen die het nu al zwaar hebben en de pensioenleeftijd steeds verder zien stijgen. Klopt het dat de minister wel een breed sociaal akkoord wenste, maar met lege handen op dit punt bij de sociale partners is aangekomen? En als dat niet zo is: welke stappen acht de minister mogelijk om eerder te stoppen met werken mogelijk te maken voor de groep die dat het meeste nodig heeft? Is de minister bereid om scenario's te maken waarbij mogelijkheden worden geschetst om eerder te stoppen met werken of om minder te gaan werken en hierbij in ieder geval het generatiepact, het deeltijdpensioen en de flexibele AOW mee te nemen?

Zeker zijn van een inkomen betekent ook dat de torenhoge schulden op den duur weggaan. Het schuldenmonster is hardnekkig. Als je eenmaal een schuld hebt, is het zeer lastig om ervan af te komen. De overheid is bovendien de ergste schuldeiser. Het kabinet doet hier goede voorstellen en die steunen wij dus ook. Hoe staat het met de oprichting van één incassobureau voor alle rijksdiensten, vraag ik aan de staatssecretaris. Wat is de voortgang hierop? Is de staatssecretaris ook bereid de handel in schulden aan te pakken?

Meer dan 400.000 kinderen leven in armoede. Dat betekent niet lid kunnen worden bij een voetbalclub of niet mee kunnen op schoolreis, omdat er thuis geen geld voor is. In een rijk land als Nederland moet dat niet kunnen. De toegezegde gelden, de Klijnsmagelden, moeten terechtkomen bij kinderen. Gemeenten moeten gaan leveren. Het is daarom goed dat we hier na het reces snel een debat over hebben.

Zeker zijn van een fatsoenlijk inkomen moet ook gelden voor mensen die huurtoeslag krijgen. Het kabinet bezuinigt tot wel €100 per jaar op huurders. Dat hakt er keihard in voor deze groep. Volgens vicepremier Ollongren is het niet de bedoeling dat lage inkomens geraakt worden door deze maatregel. Dat zei ze vanmorgen bij Radio 1 en ze verwees door naar minister Koolmees, dus ik zit in het goede debat. Dat is goed om te horen, maar waar in het regeerakkoord zien we de compensatie voor deze groep dan terug? Is de makkelijkste manier om ervoor te zorgen dat huurders niets gaan merken van deze absurde bezuiniging niet gewoon het schrappen van deze bezuiniging, zo vraag ik de minister.

De heer Kuzu (DENK):

Ik ga even terug naar het vorige punt, namelijk de bestrijding van armoede. Wij vinden dat heel belangrijk. Er zijn inderdaad tijdens de vorige kabinetsperiode middelen beschikbaar gesteld die terecht moesten komen bij de mensen die ze echt nodig hebben. Een van de voorstellen die wij destijds hebben gedaan, is het oormerken van die gelden zodat ze echt besteed worden aan armoedebestrijding. In de vorige periode was de PvdA-fractie daar tegenstander van. Ik vraag me af of er voortschrijdend inzicht is ontstaan bij de PvdA-fractie en zij die middelen nu ook wil oormerken, zodat ze terechtkomen bij mensen die ze nodig hebben.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

We hebben hier al eerder over gesproken. Het blijkt dat verschillende gemeenten zeggen dat ze die gelden wel hebben, maar dat ze die aan heel andere zaken besteden. Ik heb eerst gezegd dat ik dat echt boven tafel wil hebben, want dat geld is echt exclusief bedoeld voor kinderen in armoede. Dus daar volg ik de heer Kuzu. Die bestemming delen wij. Als dat niet gebeurt, moeten wij, ook hier vanuit de Kamer, middelen hebben om een gemeente daarop aan te spreken en daar ook op aan te pakken. Daarom hebben we daar binnenkort een plenair debat over. Daar wil ik het kabinet ook toe uitdagen. Als wij 100 miljoen exclusief voor kinderen in armoede naar gemeenten overmaken en het komt er niet terecht, moeten wij hier vanuit de Kamer alles op alles zetten — oormerken is een van de mogelijkheden daartoe — om ervoor te zorgen dat dat geld goed terechtkomt.

De heer Kuzu (DENK):

Ik ben er in elk geval tevreden mee dat ik hoor dat de mogelijkheid van oormerken of het benoemen als doeluitkering niet wordt uitgesloten, maar ik vraag me dan toch wel af wat er nog meer nodig is om te constateren dat het gewoon fout gaat in een aantal gemeenten. U hebt vast en zeker ook die wethouders gehoord bij Nieuwsuur die aangaven: nee, wij besteden dat geld daar gewoon niet aan. In het verleden zijn er ook tal van onderzoeken geweest die aantoonden dat dat het geval is. De vraag is heel concreet wat er nog meer nodig is om de PvdA-fractie tot het besef te laten komen dat hier al sprake is van een probleem.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dat is niet nodig. Daarvoor hebben we hier een debat aangevraagd. We hebben hier een plenair debat over in januari, dus we zijn het met elkaar eens.

Zeker zijn van een baan, mijn tweede ijkpunt voor deze begroting. Een baan waarin je je gewaardeerd voelt, je steun krijgt bij pech en je kunt investeren in jezelf. We zien, zoals gezegd, goede punten van het kabinet, zoals een transitievergoeding vanaf dag een en het verschil in kosten voor vast en flex. Maar we hebben ook zorgen. Bij de Algemene Politieke Beschouwingen zei de premier: we gaan in gesprek met werkgevers en werknemers en we sluiten ons niet op in ons eigen gelijk. Anders gezegd: in een sociaal akkoord zouden afspraken gemaakt kunnen worden die afwijken van het regeerakkoord. Zolang ze maar zorgen voor extra vaste contracten, zei de premier toen. Deze toezegging was reden voor ons om onze motie op dit punt aan te houden. Maar twee maanden later zegt het kabinet zonder duidelijke opgave van redenen dat het geen ruimte ziet voor een breed sociaal akkoord. Daarom vraag ik de minister welke ruimte hij had van het kabinet om tot betere maatregelen te komen. Het lijkt erop alsof hij door de VVD wel op pad is gestuurd, maar zonder enig mandaat. Klopt dat beeld of was er wel ruimte en, zo ja, op welke punten dan precies?

Wat is de precieze wetgevingskalender. De minister onderscheidt vijf samenhangende routes, maar hoe ziet deze samenhang — dat woord komt meerdere keren in de brief terug — er precies uit? We lezen dat over pensioen begin 2018 overeenstemming zou moeten komen en dat de wetgeving rondom vast en flex in de loop van 2018 gepland staat. We lezen dat sommige maatregelen per 1 januari 2020 moeten ingaan en dat sommige wetgevingsprocessen in 2020 moeten worden afgerond. Ik vraag de minister om een helder overzicht. Wanneer komt welke wet naar de Kamer? Welke deadlines zijn er en hoe ziet de samenhang in dit proces er precies uit? Heeft het uitblijven van een akkoord op de ene route ook invloed op de andere en, zo ja, hoe dan precies?

De voorzitter:

De heer Van Weyenberg, kort graag.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ja, voorzitter. De teleurstelling dat sociale partners er zelf niet zijn uitkomen tot nu toe, al jarenlang, zal de heer Van Dijk neem ik aan met mij delen. Maar ik heb een vraag. We hebben brieven gehad, ook van de vakcentrales. De heer Busker schrijft daarin gewoon dat hij het niet ziet zitten. Dus ja, dan komt de minister op basis van de gesprekken die hij voert tot de conclusie dat er geen draagvlak is. Ik vind het interessant dat u de vraag aan de minister stelt en daar een vleugje verdachtmaking doorheen weeft, maar de kern is toch dat ook de vakbeweging blijkbaar geen zin heeft om afspraken te maken, met name over vast en flex, heb ik de indruk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Die brief heb ik ook gezien. Daarom heb ik niet voor niets al aan de heer Van Weyenberg en ook aan andere collega's gevraagd: is er ruimte, ook bij de coalitie, voor mogelijke oplossingen? Ik heb zelf ook lang bij de vakbeweging gezeten. Onderhandelen is niet makkelijk, maar je moet wel onderhandelen met een partner waarbij je van twee kanten allebei iets wil geven. De FNV heeft duidelijk gezegd: wij willen ruimte voor eerder stoppen met werken. Ik heb niet voor niets gevraagd: is daar nu ruimte voor? Om even te onderstrepen: wij hechten echt waarde aan draagvlak en aan afspraken die worden gemaakt met sociale partners. Daar zullen wij ook zeer geïnteresseerd naar kijken vanuit de Kamer.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ja, net zo goed als ik ook uitzie naar afspraken met de oppositiepartijen. Maar dan moet je inderdaad wel allebei willen. Ik vond dus eigenlijk vooral de latere zinnen van de heer Van Dijk een mooie aanvulling op wat hij eerder zei. Er wordt dus gestreefd naar deelakkoorden, maar dan moeten ook wel alle partijen willen. Op sommige onderwerpen zeg ik eerlijk dat ik in de polder nog weinig wil proef, maar die oproep doe ik u graag. Ik hoop dat u de oproep om afspraken te maken ook aan de sociale partners wil doen. Want ik heb uw oproep aan de minister gehoord. Wilt u vandaag ook een oproep doen aan de vakbeweging en de werkgevers, dat zij ook moeten geven en nemen in onderhandelingen?

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Ik weet niet of het aan mij is om een oproep te doen aan werkgevers en werknemers. Ik zou het in ieder geval aan werkgevers willen doen, want die vond ik er wel heel makkelijk vanaf komen in de laatste maanden richting het uiteindelijke regeerakkoord. Uiteindelijk moeten alle partners willen. Ik heb een aantal mogelijke blokkades genoemd. Zijn er blokkades? Zo ja, waar zitten ze dan precies? Van de FNV en de vakbeweging heb ik een duidelijke blokkade gehoord op het eerder stoppen met werken. Daar heb ik ook vragen over gesteld.

De voorzitter:

Ja, gaat u verder.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Voorzitter. Ik heb het al genoemd: onze aandacht gaat daarbij ook specifiek uit naar het voornemen van het kabinet om proefperioden van vijf maanden in te stellen. Vijf maanden werken zonder enige zekerheid, dit kan toch niet de bedoeling zijn? Ik heb het al eerder genoemd: krijgen we dan een vogelvrijconstructie of is het echt de bedoeling dat je een vaste baan krijgt? En wordt er wat gedaan aan de mogelijkheid voor bedrijven om daarmee te sjoemelen? Ik hoor daar graag de minister over. Ook hierbij is de vraag, ook naar aanleiding van wat de premier heeft aangegeven: zijn er alternatieven te bespreken met sociale partners op voorwaarde dat deze mensen meer zekerheid geven op de arbeidsmarkt?

Voorzitter. Wat ons betreft is het vaste contract de norm. Een vast contract geeft zekerheid en zodoende kan je je leven opbouwen. Dit kabinet laat zien dat het flex duurder wil maken en vast goedkoper. Daar zijn we erg tevreden mee. Daarom ook met SP en GroenLinks een initiatiefnota hiervoor. Ook voor payroll hebben we een voorzet gedaan. Wij werken graag samen op deze punten en horen dus graag of die deur echt op een ruime kier staat. Is de minister bereid om breed draagvlak hiervoor te zoeken en de samenwerking aan te gaan door onze initiatieven te omarmen en om te zetten in wetgeving?

Migrantenjongeren die een opleiding met goed gevolg hebben afgerond worden keer op keer niet uitgenodigd voor een gesprek of afgewezen, zonder goede redenen en waarschijnlijk vanwege hun naam. Iedereen moet mee kunnen doen. Daarom zie ik graag een pilot voor anoniem solliciteren bij de rijksoverheid. Het is een paardenmiddel. Uiteindelijk moeten we de cultuur en het aannamebeleid bij werkgevers willen aanpassen, maar we moeten wat met z'n allen. Op deze manier krijgt iedereen een eerlijke kans op een baan. Hoe kijkt de staatssecretaris hiertegen aan? En wat is er nog meer te doen, ook in het vervolg op het Actieplan arbeidsmarktdiscriminatie?

Voorzitter. Recent hebben de jongerenorganisaties uit de polder aangedrongen om een onderzoek te doen naar de positie van jongeren. Hun positie wordt vaak vergeten. Maar hoe zorgen we dat onze verzorgingsstaat er straks ook voor hen is? Ik overweeg een motie om de SER te vragen naar een verkenning over de positie van jongeren en hoe die positie kan worden versterkt, waarbij de jongerenorganisaties zelf worden betrokken. Graag een reactie.

Zeker zijn van tijd voor jezelf en voor anderen. Tijdens het spitsuur van je leven wil je ook zorgdragen voor je kind of je ouders. Dit moet te combineren zijn met werk. Het betaald ouderschapsverlof is een mooie stap voor werknemers. Als zzp'er val je helaas nog buiten de boot. Is de minister bereid om ook een vorm van partnerschapsverlof te realiseren voor zzp'ers? Naast het ouderschapsverlof wil je je kind ook zien opgroeien of moet je zorgen voor je ouders. De minister zet een goede traditie voort door zijn eigen kinderen naar school te brengen, maar hoe gaat de minister zich ervoor inzetten dat alle ouders of mantelzorgers minder kunnen gaan werken om zo werk en zorgtaken beter op elkaar af te kunnen stemmen?

Voorzitter. Alle kinderen verdienen een eerlijke kans. Nu zien we echter bepaalde peuters tussen de wal en het schip vallen en met een grote achterstand op de basisschool beginnen. De SER adviseert daarom alle kinderen recht te geven op 16 uur kinderopvang. Gaat de staatssecretaris daar werk van maken? Wat is de stand van zaken met de 60 miljoen die het vorige kabinet hiervoor heeft vrijgemaakt?

Ook is het belangrijk dat je echt tot rust moet kunnen komen als je thuis bent, dus geen appende of mailende baas of collega's buiten werktijd. Hoe zien de minister en de staatssecretaris dit? Zijn ze ook bereid om hierover in gesprek te gaan met sociale partners? Want laten we wel zijn: ziek worden van je werk door overmatige stress is een van de grootste ziekmakers in Nederland. Het is dus echt een discussie waard.

Voorzitter. Ik sluit af. Wij willen een inkomen waarmee je vooruit kunt plannen, een huis kunt kopen of een gezin kunt stichten. Werk met een fatsoenlijk salaris. Werk waar je steun krijgt bij pech. Werk waarbij je kan investeren in jezelf en je kan aanpassen aan een snel veranderende wereld. Dat zijn zekerheden waar iedere Nederlander op moet kunnen bouwen. We zien een kabinet dat een aantal goede maatregelen neemt op deze terreinen. Ik heb ze genoemd. We zien echter ook een aantal maatregelen die mensen onnodig hard raken zonder dat het iets oplost, zoals de bezuiniging op arbeidsgehandicapten, zoals de bezuiniging op huurders. En we zien een aantal mensen waar het kabinet geen verhaal voor heeft. Ouderen bij wie het water al aan de lippen staat en die de pensioenleeftijd steeds verder omhoog zien gaan. Agenten, verpleegkundigen en leraren die snakken naar minder werkdruk en meer salaris. We hebben gelukkig eerder van de premier gehoord dat de deur op een ruime kier staat. We hebben deze minister gehoord die op zoek wil naar breed draagvlak. We wachten de antwoorden van de minister en de staatssecretaris met spanning af. We hopen heel erg dat die uitgestoken hand gaat zorgen voor beter beleid voor al die Nederlanders die meer vaste grond onder de voeten nodig hebben.

Dank u wel.

De heer Van Weyenberg (D66):

De heer Van Dijk vroeg mij naar de ruimte voor een eventuele pensioenafspraak met de sociale partners en naar eventuele maatregelen rondom eerder stoppen met werken: de AOW, scholing et cetera. Ik heb ook een vraag aan de heer Van Dijk op dat vlak, namelijk of hij het met mij eens is — als ik het programma van de Partij van de Arbeid bekijk, zou ik denken dat het antwoord daarop ja is, en dat hoop ik ook — dat de eis om de hele AOW-leeftijd te bevriezen, zoals ik die ook vandaag weer hoorde, niet reëel is. Dus ja, naar het onderwerp kijken, maar bevriezen, echt bevriezen nu is niet reëel om de AOW betaalbaar te houden. Dat was altijd het standpunt ook van de PvdA. Is dat nog steeds zo?

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dat is nog steeds zo, maar wel echt met de aantekening dat wij als Partij van de Arbeid echt zoeken naar structurele maatregelen om de generatie die het nu heel moeilijk heeft, mogelijkheden te geven om eerder te stoppen met werken. We hebben niet voor niets een flexibele AOW in ons verkiezingsprogramma staan.

De heer Van Weyenberg (D66):

Ik ben blij met dat eerlijke antwoord. Dat waardeer ik. Dank daarvoor. Die oprechte zoektocht, ook naar een pensioenakkoord, moeten we doen, maar ik vind het goed om ook de hoeken van het speelveld wel te benoemen. Ik dank de heer Van Dijk voor dit antwoord.

De heer Pieter Heerma (CDA):

In mijn betoog, maar ook in dat de heer Özdil van GroenLinks, ging het ook over integratie en over de discussie over wat ik zelf "gezonde vaderlandsliefde" noem. De heer Özdil was daar ook vrij expliciet over toen hij het had over zijn zoektocht naar de Dutch dream, de Nederlandse droom. Ik schetste ook dat je een kentering ziet. Men gaat weg van het uitsluitend kosmopolitische enerzijds en het exclusieve nationalisme ...

De voorzitter:

Ja, hij heeft de hele speech gehoord.

De heer Pieter Heerma (CDA):

... dat door rechts bedreven wordt anderzijds, en er is een zoektocht naar een inclusief nationalisme. Nu heeft de Partij van de Arbeid aan het eind van de vorige kabinetsperiode ook een pleidooi gehouden voor progressief patriotisme. Ik ben benieuwd hoe de heer Van Dijk daarin staat.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank voor de vraag, want ik voel mij zowel door het verhaal van de heer Özdil als dat van de heer Heerma zeer aangesproken. Ik zie namelijk dat steeds meer mensen afhaken, want die mensen zijn bezig met hun eigen omgeving. Als je alleen maar kosmopolitisch blijft denken, dan raak je vervreemd van heel veel mensen hier in de samenleving die denken: het gaat niet over mij, het gaat niet over mijn zorgen. Waar mensen wel trots op zijn en waar wij, denk ik, met z'n allen trots op moeten zijn, is het fundament van onze samenleving: onze verzorgingsstaat, onze verworvenheden en onze waarden. Ik vind dat we dat moeten uitdragen. Ik denk dat dat het bindmiddel is van onze samenleving.

De heer Pieter Heerma (CDA):

Nou is er aan het eind van de vorige kabinetsperiode vrij veel gediscussieerd over de participatieverklaring. Daar was niet alleen maar steun voor in de Kamer, maar de Partij van de Arbeid geeft heel duidelijk aan ook door te willen gaan op die weg.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank voor die vraag. Daar is lachwekkend over gedaan, maar dat is juist een belangrijk moment voor mensen die nieuw in Nederland komen. Dan maken ze kennis met Nederland, met de Nederlandse verzorgingsstaat en de Nederlandse waarden. Mensen komen ook in hun beste kleren naar het tekenen van die verklaring. Dat is voor hen een emotioneel moment omdat ze echt Nederlander worden en dus ook deel gaan uitmaken van dit mooie land, zeker.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Bruins namens de ChristenUnie.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Voorzitter. Straatschoffie is nu stukadoor. Dat las ik vorige maand in het AD. Een paar jaar geleden wist ik amper wat stukadoren was, lees ik. Ali, die dit zegt, heeft sinds kort een mbo 2-diploma en een baan bij een onderhoudsbedrijf. Hij heeft net als tientallen andere jongeren in het leerwerkbedrijf van de broers Peet en Michel Traub een tweede of zelfs derde of vierde kans gekregen. Het is een prachtig voorbeeld hier uit Den Haag waarbij mensen naar elkaar omkijken en iedereen meetelt en kansen krijgt. Dat is het ideaal van de ChristenUnie en het ideaal van veel partijen en collega's hier in het parlement. Daarbij is ieders talent van waarde. De ChristenUnie ziet het als de eerste verantwoordelijkheid om dat talent in te zetten voor het goede. Werk neemt daarbij een belangrijke plaats in omdat het bijdraagt aan het geheel van welzijn, welvaart en vooral ook ons eigen welbevinden. Werken is gewoon fijn. Je hoort erbij.

Maar voor de ChristenUnie is er meer dan geld en betaald werk. Onderlinge zorg en solidariteit bieden een hoopvol tegenwicht tegen individualisme en materialisme. Wij hechten aan keuzevrijheid bij het combineren van werk en zorg. Daarom is mijn fractie ook content met maatregelen in het regeerakkoord op het gebied van belastingen, toeslagen, kinderbijslag en partnerverlof die de keuzevrijheid vergroten.

De heer Gijs van Dijk en ook anderen gingen al uitgebreid in op het SCP-rapport dat wij recent kregen. Wij zijn inderdaad een sterk en mooi land. Ik dank ook de heer Heerma voor zijn pleidooi voor gezonde vaderlandsliefde. Maar er is ook een "maar". Het SCP-rapport ziet ook een aantal hardnekkige problemen en ongelijkheden. Er is een groep van zo'n 5% die er niet zo goed voor staat en die weinig mogelijkheden heeft voor verbetering. Het is al gezegd: 1 miljoen mensen leven in armoede, 6% van de Nederlanders. Daar zijn ook veel kinderen bij. En er zijn tegenstellingen die groter worden, zoals tussen laag- en hoogopgeleiden, tussen gezonde en ongezonde mensen of zoals ze in Engeland zeggen: the somewheres and the anywheres, de mensen die zich overal waar ze ook wonen prettig voelen, en de mensen die ontzettend gehecht zijn aan hun dorp of hun stad of hun wijk. Er zijn grote verschillen in kansen van werknemers om vooruit te komen. Voor mensen met een beperking is het nog steeds moeilijk om aan een baan te komen. Er zijn te veel mensen die ondanks werk dicht bij of onder de armoedegrens leven. Voor hen zijn de lonen laag en de risico's hoog, bijvoorbeeld omdat ze als slecht verzekerde zzp'er of in een tijdelijk dienstverband werken. Een goede stap, naast lagere lasten, is natuurlijk het duurder maken van flex en het goedkoper maken van vaste contracten. Het is logisch dat zo'n beetje alles wat flex is, duurder is, maar voor arbeid lijkt dat niet zo te gelden. Daar moeten we iets aan doen. Hoe kijkt de minister hiertegen aan? Wat gaat hij doen om hier daadwerkelijk verandering in aan te brengen?

We moeten voorkomen dat er steeds weer nieuwe constructies worden bedacht om mensen minder te gaan betalen en arbeidsvoorwaarden uit te hollen. Het kabinet heeft geoordeeld dat de Wet DBA niet voldoet en wil deze vervangen. Kan de minister al iets meer schetsen over hoe een nieuwe wet eruit zou moeten zien?

De minister wil ook bekijken of premiedifferentiatie in de WW kan bijdragen aan het aantrekkelijker maken van een vast contract. Wat de ChristenUnie betreft raken we met dit idee de kern van het probleem, meer dan met de andere voorstellen hieromtrent uit zijn brief van de afgelopen week. Ik wil de minister dan ook van harte aanmoedigen om dit te doen en vervolgens maatregelen te nemen die ervoor zorgen dat er een eerlijker prijskaartje komt te hangen aan flexibele, kortlopende contracten. Ik wil graag van de minister horen op welke termijn het idee van premiedifferentiatie bekeken zal zijn en wanneer wij concrete voorstellen hierover mogen verwachten.

Dit punt kan natuurlijk niet los worden gezien van de zzp-discussie. Volgens een recent onderzoek heeft 78% van de zelfstandigen geen arbeidsongeschiktheidsverzekering. Een groot deel van hen zou dat eigenlijk wel willen. Kan ik de minister uitdagen zich ten doel te stellen om het aantal zzp'ers dat wel een verzekering heeft, te verdubbelen gedurende deze kabinetsperiode?

Wij verwachten dat door dit kabinet echt stappen worden gezet die leiden tot een eerlijkere arbeidsmarkt. We moedigen de minister aan om hiervoor draagvlak te zoeken bij de sociale partners.

Voorzitter. Het kabinet wil meer mensen met een arbeidsbeperking aan het werk krijgen. Dat is een heel goed streven. Er komt geld om 20.000 meer mensen aan speciale beschutte werkplekken te helpen, boven op de 30.000 waar gemeenten nu al in zouden voorzien. Nogmaals, dat is een mooi plan, maar het blijkt voor gemeenten nu al niet gemakkelijk om het huidige aantal van 30.000 te halen. Ik wil daarom snel concrete plannen zien hoe extra beschutte werkplekken gerealiseerd gaan worden. Ik overweeg in tweede termijn hierover een motie in te dienen samen met mijn collega van D66.

De voorzitter:

Meneer Özdil, heel kort graag.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ik heb nog een vraag over wat collega Bruins zei over verzekeringen voor zzp'ers. Hij noemde zelf het doel van een verdubbeling van het aantal verzekerde zzp'ers. Hij vroeg aan de minister of en hoe hij dat van plan is te doen. Mijn vraag aan de ChristenUnie is: is de ChristenUnie het met mij eens dat zzp'ers in ieder geval genoeg moeten kunnen verdienen om zelf die verzekeringen te kunnen betalen, zodat we die vrije keuze ook daadwerkelijk reëel maken?

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik kan mij natuurlijk aansluiten bij het eerdere interruptiedebatje waarin u het hier ook over had. We hebben in het regeerakkoord het plan staan om verschillende salarisgrenzen te kiezen: je bent wel of niet automatisch zzp'er in die tussenruimte. Het uurloon dat we als bovenkant van de eerste schijf hebben gekozen, en dat ook nog enigszins flexibel is, biedt daar inderdaad ruimte voor.

De heer Özdil (GroenLinks):

Ook hier wil ik graag iets over opmerken. Als ik het goed begrijp, zegt ook de ChristenUnie dat een minimumtarief tussen €15 en €18 voor zzp'ers genoeg zou moeten zijn om sociale verzekeringen af te sluiten. Begrijp ik dat goed?

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik zou heel graag de precieze berekeningen zien en een concreet plan waarin alle nitty-gritty ins en outs zijn uitgewerkt, want hieraan kleven een heleboel technische details. Als je zzp'er bent, moet je in principe de ruimte hebben om een arbeidsongeschiktheidsverzekering te kunnen afsluiten.

De voorzitter:

Gaat u verder.

De heer Bruins (ChristenUnie):

Ik had het over de beschutte werkplekken. We zien het plan om loonkostensubsidie om te zetten naar loondispensatie voor mensen met een arbeidsbeperking. Dit zou minder administratieve lasten voor werkgevers betekenen. Dat kan ertoe bijdragen dat zij gemakkelijker iemand met een beperking aan zullen nemen. Ik vraag de staatssecretaris of zij zal bijhouden of dat effect inderdaad zal optreden, want dat is wel een belangrijk punt als we nu die overgang gaan maken. Wat zijn de gevolgen voor de inkomenspositie van de doelgroep op de korte en op de lange termijn? Ik zou daar graag een overzicht van zien. En komen de administratieve lasten nu niet meer bij de mensen met een arbeidsbeperking te liggen? Het logische antwoord is: ja. De precieze uitwerking van deze regeling bepaalt hoe sociaal of niet sociaal deze nieuwe regeling zal worden. Ik ben wel blij met de eerste uitgangspunten, de contouren, die de staatssecretaris in haar brief hierover heeft geformuleerd. Het inkomen van deze mensen moet hoger uitkomen dan het voor hen geldende sociaal minimum. Dat is toch een stuk socialer dan dat de tegenstanders oorspronkelijk dachten dat deze regeling eruit zou komen te zien op grond van de tekst van het regeerakkoord.

Zoals ik het nu lees, zou het erop neer moeten komen dat, als mensen gaan werken en meer gaan werken, zij erop vooruitgaan. Verder moet hun inkomen naar een niveau gaan dat conform het minimumloon is, naar rato van het aantal uren dat zij werken. Dat klinkt echt sociaal. Maar betekent dit dat zij ook boven het minimumloon uit kunnen gaan komen? De omslag in het beleid heeft ook gevolgen voor pensioen en vakantiegeld. Het werd al genoemd. Ziet de staatssecretaris mogelijkheden om ervoor te zorgen dat die gevolgen verzacht worden? Hoe dan ook, houden wij de staatssecretaris graag aan de contouren uit haar brief.

In dit verband wil ik ook aandacht vragen voor de positie van de Wajongers. Zij waren vanmiddag inderdaad hier. Kunnen zij, als zij gedeeltelijk werken, verder groeien dan het minimumloon? Voor de ChristenUnie is het belangrijk dat de talenten van iedereen ingezet kunnen worden, want diversiteit op de werkvloer is belangrijk voor iedere organisatie. En we zullen die Wajongers ook nog hard nodig hebben, want we hebben handjes tekort op de arbeidsmarkt.

Voorzitter. De ChristenUnie vindt het principieel terecht dat de AOW-leeftijd hoger wordt als de levensverwachting stijgt. Maar daarbij blijven mensen in zware beroepen een duidelijk aandachtspunt. Vaak beginnen ze al jong op de arbeidsmarkt en maken ze dus een fors aantal dienstjaren vol. Bovendien: als je fysiek zwaar werk doet, kan je lichaam dat ook niet meer aan als je 50- of 55-plus bent. Bovendien is de levensverwachting van een deel van deze groep lager dan gemiddeld. Wat precies een zwaar beroep is, is vreselijk moeilijk te definiëren, en het aantal dienstjaren is iets wat we in de afgelopen halve eeuw nooit hebben geadministreerd. Ziet de minister een oplossingsrichting voor dit probleem van de mensen in de zware beroepen? Werken is immers een zegen, maar het is wel belangrijk dat mensen het vol kunnen houden totdat ze van hun welverdiende rust mogen genieten. Daar maakt onze partij zich oprecht zorgen over. Het is dan ook goed dat de minister de sociale partners uitnodigt om in gesprek te gaan over duurzame inzetbaarheid. Daarnaast is in het regeerakkoord niet voor niets een passage opgenomen over het gemakkelijker maken van deeltijdpensionering. Hoe wil de minister daar invulling aan geven?

Voorzitter. Een punt dat ik nog niet heb gehoord in deze zaal is dat van social return. In de laatste jaren wordt bij grote infra-aanbestedingen nog te weinig ingezet op social return. Dat is een aanpak om meer werkgelegenheid te creëren voor mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt. Inkopers van overheden kunnen bij het verstrekken van inkoopopdrachten de opdrachtnemer verplichten om kwetsbare groepen op de arbeidsmarkt te betrekken bij de uitvoering van de opdracht. Een geslaagd voorbeeld in de regio is de A4 Midden-Delfland, evenals de aanbesteding door Rijkswaterstaat van de zeesluis IJmuiden. Onderdeel van de aanbesteding voor deze sluis van ongeveer 400 miljoen was een plan van aanpak met social return. De winnaar van de aanbesteding nam hiermee de verplichting op zich minimaal 200 fte aan mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt werk te bieden en op te leiden tot vakman. Is de staatssecretaris bereid om het principe van social return te bespreken met de collega's van IenW, die over de infrastructuur gaan, en met EZ, dat over de aanbestedingen gaat? Is zij bereid om het principe van social return te bespreken met die collega's, met provincies en gemeenten, om te bezien of dit vaker of misschien wel standaard kan worden ingezet bij grote infra-aanbestedingen? En heel concreet: de aanbesteding van de A16 komt eraan. In de aanbestedingsleidraad wordt met geen woord gerept over de inzet van social return, terwijl in het nabijgelegen Rotterdam, waar de minister toch ook goed thuis is, ongeveer 40.000 mensen met een afstand tot de arbeidsmarkt wonen? Ik ben verbaasd dat juist een stad als Rotterdam deze kans laat lopen, vooral omdat Rotterdam als medevergunningverlener veel invloed heeft gehad op de aanbesteding. Is de staatssecretaris bereid om dit alsnog aan te kaarten en om te bezien wat daar mogelijk is?

Voorzitter. In de Najaarsnota zien we een relatief grote onderuitputting van de SZW-begroting door de fasering van de sectorplannen. Deze sectorplannen lopen al jarenlang ernstig achter op schema. Al in 2015 kwamen de plannen negatief in het nieuws, omdat toenmalig minister Asscher onder andere stageplakken voor mbo'ers meetelde als nieuw gecreëerde banen. Hoe staat het er nu mee? Gaan de bewindspersonen het echt op een andere manier aanpakken, zodat er echt passende nieuwe banen worden gecreëerd en niet alleen heel dure subsidiestages?

Voorzitter. Het regeerakkoord heeft een stevige paragraaf over schulden en armoede: maximering van de stapeling van boetes, het aanpakken van misstanden bij incasso, een experiment met een schuldenrechter, een landelijk dekkend netwerk van schuldhulp en financiële begeleiding en bestrijding van armoede, in het bijzonder onder kinderen. Kan de staatssecretaris een overzicht of op zijn minst een indicatie geven van wanneer we actie kunnen verwachten op dit belangrijke beleidsterrein? En hoe gaat de staatssecretaris de gemeenten hierbij betrekken? Dit moet snel worden opgepakt.

Tot slot, voorzitter, vragen we aandacht voor de positie van vrijwilligers. Veel mensen die zich als vrijwilliger inzetten, lopen tegen praktische problemen op die het hen onnodig lastig maken. Ze kunnen bijvoorbeeld reiskosten maar moeilijk declareren of vergoed krijgen. Dit geldt bijvoorbeeld voor WW'ers die vrijwilligerswerk doen, of voor asielzoekers. Ik vraag de bewindslieden: kan dit niet simpeler geregeld worden? Dat lijkt me belangrijk, want mensen die zich belangeloos willen inzetten voor onze samenleving, moeten we vooral stimuleren en obstakels die hen belemmeren, moeten we zo veel mogelijk uit de weg ruimen.

Voorzitter. Ik begon met ondernemers, de gebroeders Traub, die Ali in de kraag hebben gevat en hebben gezegd: ik ga jou een vak leren en ik ga jou een baan geven. Belemmeringen wegnemen en kansen geven, dat is wat de ChristenUnie wil bereiken, zodat meer mensen zoals de broers Traub uit Den Haag in de gelegenheid worden gesteld om kansen te geven aan hen die willen en kunnen werken en om een hand te reiken aan hen die wel willen maar niet meer kunnen.

Dank u wel, voorzitter.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Bruins. Ik geef nu het woord aan mevrouw Van Brenk namens 50PLUS.

Mevrouw Van Brenk (50PLUS):

Voorzitter. 50PLUS heeft zijn achterban gevraagd of die "vertrouwen in de toekomst" heeft. Dat is immers het motto van het regeerakkoord. Gesprekken met mensen in het land verwerken wij momenteel in een boekje, dat we de minister graag in het eerste kwartaal van 2018 willen aanbieden. Wil de minister het boekje in ontvangst nemen en in gesprek gaan met deze mensen?

Voorzitter. De werkgelegenheid neemt flink toe. Het zijn voor laagopgeleiden echter vooral onzekere banen die erbij komen. Het kabinet ziet gelijktijdig het minder vast maken van vast werk en het minder flex maken van flexwerk als dé sleutel naar een eerlijkere en evenwichtige arbeidsmarkt. Een nieuwe balans tussen zekerheid en arbeidsmarktkansen zou er moeten komen, maar komt die balans er? Als wij spreken met jonge flexkrachten, met oudere werkzoekenden en met Wajongeren, dan zien wij dat er geen balans is en dat zij weinig vertrouwen in de toekomst hebben. Begrijpt het kabinet de problemen en zorgen van deze mensen?

Met het voorgestelde beleid lijkt, alles bij elkaar opgeteld, het werkgeversbelang beter gediend dan het werknemersbelang. Volgens 50PLUS is in het regeerakkoord de balans voor werknemers nog steeds ver te zoeken. Het vaste contract zou volgens 50PLUS de norm moeten zijn. Maar wat zien wij? Het kabinet kiest per saldo juist voor aantasting van het vaste contract: ontslagregels worden versoepeld, tijdelijke contracten kunnen langer achter elkaar worden aangeboden, de proeftijd wordt verlengd naar vijf maanden, maatregelen om flexibele arbeid duurder en dus onaantrekkelijk te maken, zijn er nauwelijks en nergens wordt de flexverslaving van werkgevers echt doorbroken. En mensen met een tijdelijk contract die ziek worden, zijn helemaal de klos. Zij kunnen er €3.000 per jaar bij inschieten.

50PLUS vindt dat zelfstandigen nog steeds kwetsbaar zijn op de arbeidsmarkt. De doorgeslagen marktwerking blijft de norm. Er komt onvoldoende waarborg voor een behoorlijk loon voor zelfstandigen. Er ligt een minimumtarief. Hulde voor deze eerste stap, maar is het een realistisch uurloon? Kan je van €18 per uur economisch zelfstandig zijn en een pensioenvoorziening en een arbeidsongeschiktheidsverzekering betalen? Waarom geven wij zelfstandigen niet het recht om collectief te onderhandelen? Waarom komt er geen behoorlijke collectieve en daardoor goedkopere verplichte arbeidsongeschiktheidsverzekering? Nu nemen mensen het risico om onverzekerd te zijn en geen pensioen op te bouwen. En als er uiteindelijk problemen ontstaan, moet de maatschappij daarvoor opdraaien. Worden zzp'ers niet de armen van de toekomst? Wat 50PLUS betreft wordt een arbeidsvormneutraal, verplicht pensioen ingevoerd voor alle werkenden.

50PLUS vindt dat duurzame inzetbaarheid voor jong én oud de hoeksteen moet worden van het arbeidsmarktbeleid. Het kabinet bepleit een cultuuromslag voor ouderen op de arbeidsmarkt, maar blijft vaag over zijn eigen stimulerende rol en verantwoordelijkheid. Ondanks het goede werk van Ambassadeur Ouderenwerkloosheid John de Wolf moet er nog veel gebeuren om vooroordelen over ouderen bij werkgevers weg te nemen. Gaat deze minister zich daar ook voor inzetten? Of is hij van mening dat het werk nu klaar is?

50PLUS wil verder ouderenwerkloosheid langs de volgende lijnen aanpakken. Blijf arbeidskostenverlagende maatregelen stimuleren. Vorm een echt uitnodigende nationale scholingsregeling voor iedereen, zonder de verplichting van een startkwalificatie. Mensen zelf laten sparen voor scholing en die scholing ook ten laste brengen van de transitievergoeding, vinden wij onverstandig. Graag een reactie. En maak nog meer werk van persoonlijke begeleiding van werkzoekenden in de WW en de bijstand. Extra aandacht voor werkzoekenden in de bijstand is hard nodig. De gemeente Emmen laat zien hoe mensen aan werk geholpen kunnen worden. Een tijdelijke baan bij de gemeente, gecombineerd met een verplichte beroepsopleiding, leidt daar tot vaste banen binnen of buiten de gemeente. Gaat de minister dit soort initiatieven steunen? 50PLUS vraagt verder om een krachtig plan van aanpak tegen discriminatie in sollicitatieprocedures. Anoniem en zonder vermelding van leeftijd solliciteren moet de norm worden. Laat de rijksoverheid het goede voorbeeld geven door ouderen in dienst te nemen en te houden. Kan dat toegezegd worden?

Verbetering van de positie van ouderen op de arbeidsmarkt is een kwestie van lange adem, maar wat kunnen we nú doen? 50PLUS vindt dat het afspiegelingsbeginsel bij ontslag, dat toegepast wordt bij reorganisaties, ook toegepast zou moeten worden bij het aannemen van medewerkers. Omarmt de nieuwe minister dit idee? De kans op het krijgen van werk neemt boven de 50 jaar dramatisch af. Dat is een structureel gegeven. Voor oudere werknemers die ondanks de inspanningen toch werkloos worden, wordt de inkomensvoorziening voor oudere werklozen, de IOW, in het regeerakkoord met vier jaar verlengd. Dat vinden wij echt een stap in de goede richting. Maar wat zou het kosten om de leeftijdsgrens van de IOW te verlagen van 60 naar 55 of 50 jaar? Kan hiervoor een berekening ex-post en ex-ante geleverd worden? 50PLUS wil ook dat 55-plussers die een jaar werkloos zijn minder rigide behandeld worden, zeker ten aanzien van de sollicitatieplicht. Hoe ziet de minister dit? Welke mogelijkheden ziet hij?

Voorzitter. Werk moet lonen. In dit verband wil ik u met betrekking tot de IOW een voorbeeld schetsen van een meneer van 60 jaar die na jaren werk aangewezen is op een IOW-uitkering. Hij heeft drie verschillende nulurencontracten, waarbij hij soms enkele dagen werk heeft en soms een hele week. Maar de gemeente kijkt uitsluitend naar brutobijverdiensten. Die trekt de gemeente af van de bruto-uitkering. Dat betekent dat er in de maand dat er werk is en hij van drie verschillende partijen uitbetalingen krijgt, door de belastinginhoudingen netto minder overblijft dan wanneer er alleen een uitkering binnenkomt. Werken loont dus niet. Welke prikkel zenden we dan uit naar deze mensen? Moet een gemeente niet naar netto-inkomen kijken? Graag een reactie.

Voorzitter. Bijna zeven miljoen Nederlanders investeren jaarlijks een miljard uur van hun tijd vrijwillig en onbetaald in onze samenleving. Deze vrijwilligers zijn onbetaalbaar en onmisbaar. Wij roepen Rijk en gemeenten op om te onderzoeken hoe geïnvesteerd kan worden in een samenhangende ondersteuning van deze vrijwilligers. Graag een reactie.

Voorzitter. Dit kabinet doet volgens 50PLUS te weinig voor kwetsbare groepen. Wat wij zien, is verdringing aan de onderkant van de arbeidsmarkt tussen de verschillende groepen, de Wajongeren, beschut werk, mensen die wel loonsubsidie krijgen, mensen die geen loonsubsidie krijgen en mensen die voorheen in de sociale werkvoorziening waren met wél een cao. En dat terwijl financiële middelen van gemeenten te beperkt zijn, waardoor het goedkoper is om iemand achter de geraniums te laten zitten dan te laten begeleiden door een jobcoach. Ruim 70.000 mensen met een Wajong-uitkering worden per 1 januari gekort met de bedoeling hen te prikkelen om banen te zoeken die er niet zijn. Is dat nou de zorgzame samenleving van het CDA? Is dat barmhartigheid volgens de ChristenUnie? Is dat de overheid van de VVD die schild voor de zwakkeren wil zijn? Wij snappen dit niet. Wij hoorden van Lidia in het gesprek met de vaste Kamercommissie dat het voor haar €70 netto achteruitgang betekent. En dat is heel veel voor deze mensen die er toch al moeite mee hebben om economisch zelfstandig te zijn. Reken mensen nou niet af op hun gezondheidsbeperking. De Wajong-korting moet van tafel en wij hebben daarvoor een amendement ingediend.

De financiële middelen voor mogelijk 20.000 extra plekken voor beschut werk ogen aardig, maar worden gevonden door in de Participatiewet over te gaan van loonkostensubsidie naar loondispensatie. Een half miljard besparing en voortaan werken onder minimumloon: daar komt het op neer. Hoezo, werk moet lonen? Dit is wat ons betreft een grove bezuiniging over de rug van een van de kwetsbaarste groepen. Deze mensen hebben geen cao en bouwen geen pensioen op en dat heeft de regering deze groep te bieden. Geen wonder dat zij weinig vertrouwen hebben in de toekomst. En dat alles zonder de toegezegde evaluatie van deze looninstrumenten af te wachten. Bizar! Wat gaat de staatssecretaris hieraan doen? Wordt het niet tijd voor een deltaplan voor de onderkant van de arbeidsmarkt, zodat er geen verdringing plaatsvindt? Graag een reactie.

Kan ik een reactie krijgen van de staatssecretaris op de verkenning van de Sociaal-Economische Raad over de sociale infrastructuur voor kwetsbare groepen binnen de Participatiewet. De SER wijst op de wenselijkheid van een sluitende sociale infrastructuur en om de huidige expertise en kennis van de SW-bedrijven daarbij te benutten. Wat gaat hier concreet mee gebeuren?

Straks moeten ook volledig arbeidsongeschikte uitkeringsgerechtigden in de zogenaamde niet-loongerelateerde vervolgfase van hun uitkering aan de inkomenseis voldoen. Zij moeten de helft van hun resterende verdiencapaciteit gaan benutten. Slagen ze daar niet in, dan krijgen zij hun uitkering op basis van het minimumloon en niet langer op basis van hun vroegere salaris. Ook dit is weer bedoeld als prikkel om te gaan werken. Volgens 50PLUS is ook dit weer een botte bezuinigingsmaatregel voor mensen die toch al in een moeilijke situatie verkeren. Als zij er niet in slagen werk te vinden, kan dat zomaar honderden euro's aan uitkering schelen. Er staan nog altijd honderdduizenden werkzoekenden aan de kant, waaronder veel jongeren en ouderen die gezond zijn en graag willen werken. Help die nou eerst aan het werk, voordat je Wajongeren, mensen met beschut werk of volledig arbeidsongeschikten gaat pesten en korten op hun uitkering. Graag een reactie.

50PLUS vraagt aandacht voor de herkeuring van mensen die voor 35% zijn afgekeurd. Deze groep is de laatste jaren flink gegroeid. Hoe kan dit verklaard worden? En hoe kan verklaard worden dat mensen voor bijvoorbeeld 34,6% worden afgekeurd? Hoe komt het dat men met een dergelijk tot op de decimaal nauwkeurig percentage wordt afgekeurd, precies onder de 35%? Gebeurt dit bewust om te bezuinigen?

De herkeuringsmachine van het UWV lijkt meedogenloos. Wij krijgen signalen van mensen die worden goedgekeurd zonder dat hun gezondheidssituatie wezenlijk gewijzigd is. Herkent de minister dit?

Wij horen ook verontrustende verhalen over targets waarop gestuurd zou worden bij het UWV. Mag ik ervan uitgaan dat altijd de objectieve, feitelijke vermogens en de gezondheid van mensen leidend zijn, en niet de verlaging van het uitkeringsvolume? Kan de minister overzien welke kwaliteit het UWV levert? Graag een gedegen reactie.

Tegen de 60% van de zogenaamde 35-minners is werkeloos. De vorige minister wilde in oktober niet toezeggen dat het UWV alle 35-minners persoonlijk gaat begeleiden naar werk. Gaat deze minister de uitdaging wel aan? Deze mensen moeten echt geholpen worden aan werk.

Voorzitter. Ik kom bij de oudere generaties van oorlogsgetroffenen. Ons bekruipt het nare gevoel dat de Sociale Verzekeringsbank het beroep van zeer kwetsbare, hoogbejaarde oorlogsslachtoffers op voorzieningen probeert te beperken. Is die indruk juist? Waarom lijkt ook hier de menselijke maat soms zoek? Kan de staatssecretaris ons vertellen hoeveel aanvragen er de laatste twee jaar zijn gedaan? Hoeveel zijn er toegekend? Hoelang was de doorlooptijd van de aanvraag tot het moment van de uitkering? Hoelang is er uitgekeerd? En wat was de gemiddelde leeftijd van de aanvragers? Ik wil de staatssecretaris sowieso vragen indringend met de SVB te spreken en coulance te hebben met deze kwetsbare, hoogbejaarde groep. Graag een toezegging op dit punt.

Voorzitter, het armoede- en schuldenbeleid. In 2003 klopten 34.000 mensen aan voor schuldhulpverlening. Vorig jaar waren dat er 90.000. Een op de tien huishoudens heeft problematische schulden. In grote steden als Amsterdam en Rotterdam leeft nu ongeveer een kwart van de mensen onder de armoedegrens. Armoede en schulden zijn hardnekkig in ons welvarende Nederland. Het Sociaal en Cultureel Planbureau bevestigt dat het beeld van schulden en beslagleggingen in Nederland nog onvolledig is. Het CBS heeft geen complete gegevens over betalingsachterstanden en weet niet hoeveel mensen door beslaglegging op een bestaansminimum leven. Hoeveel mensen moeten bijvoorbeeld tegenwoordig leven van een beslagvrije voet en hoe moeten ze dat doen, zeker als je beseft dat de btw verhoogd wordt, de energiebelasting omhooggaat en de huurtoeslag verlaagd wordt? Wat gaat het kabinet doen om armoede en schulden beter in beeld te krijgen? Het nieuwe kabinet zegt oog te hebben voor de schuldenproblematiek. Wij lezen de voornemens van het kabinet. Die klinken theoretisch prima, maar hoe wordt dit uitgewerkt? En kunt u het experiment met de schuldenrechter toelichten?

De overheid speelt zelf helaas nog steeds de rol van een soort schuldenverdubbelaar. Denk alleen maar aan de boete van de Belastingdienst als je te laat betaalt of een verdubbeling of verdrievoudiging van een verkeersboete als je niet op tijd betaalt. Kortom, de overheid vergroot zelf de kans op schuldengroei. Ook de gemeentelijke sociale kredietverlening brengt mensen op het randje, met rentes tot wel 13%. Kan de staatssecretaris inzicht geven in aan wie sociaal geleend wordt? In welke leeftijdscategorie vallen deze mensen, en waarom doen juist deze mensen een beroep op gemeentelijke sociale kredietverlening? En waarom is dit stelsel per gemeente ingericht, waardoor zulke gigantische verschillen in rentes ontstaan? Is de staatssecretaris bereid onderzoek te doen naar de opzet van een landelijk dekkend systeem van passende sociale kredietverlening? Graag een reactie.

Het ontstaan van schulden is lang niet altijd een kwestie van onwil. 50PLUS vindt dat laaggeletterdheid, mede oorzaak van het ontstaan van armoede en schulden, aangepakt moet worden. Een verhoging van het budget hiervoor met 5 miljoen per jaar lijkt ons mager. Graag een reactie.

Zorg nu voor één vaste contactambtenaar, die mensen helpt met de aanvraagprocedure voor schuldhulp en die zorgt voor alle benodigde voorzieningen en toeslagen. Ontzorgen helpt. Mensen lopen vast in bureaucratische molens en dat moet voorkomen worden. Wat vindt de staatssecretaris van het voorstel van de VNG om niet-meewerkende schuldeisers aan te pakken? Zodra de gemeente de afloscapaciteit heeft berekend en een aanbod is vastgesteld, wordt de schuldregeling gestart. Daarna móéten schuldeisers meewerken.

Voorzitter. 50PLUS heeft aan mensen met een bijstandsuitkering gevraagd of die hoog genoeg is. En de conclusie was: als kort vangnet is het te doen, maar voor een langere periode is het echt onvoldoende. Mensen die hiervan moeten leven hebben weinig of geen vertrouwen in de toekomst, omdat zij ondanks gemeentelijk aanvullend beleid toch op het randje balanceren en financieel heel gemakkelijk vastlopen. Een voorbeeld van de gemeente Utrecht laat zien dat een gezin met twee kinderen maandelijks €200 tekortkomt en automatisch verder in de schulden raakt. Cijfers van het Nibud bevestigen dit. 50PLUS stelt vast dat het dringend nodig is tot een betere afstemming te komen van lokale minimaregelingen en rijksminimaregelingen. Doordat die afstemming nu tekortschiet, kan het voorkomen dat mensen met een sociaal minimum alles bij elkaar opgeteld toch substantieel tekortkomen. Wat gaat de staatssecretaris hieraan doen? Ook dringen wij aan op snelle afronding van het onderzoek naar het sociaal minimum in Caribisch Nederland.

Ik kom bij de BUIG-gelden, waarmee onder meer bijstandsverplichtingen betaald moeten worden door de gemeente. Ik verwijs naar de VNG-motie van juni jongstleden en het actuele VNG-commentaar: het budget is niet toereikend. De verdeelsystematiek blijft problematisch. Daar komt de opdracht om de armoedeval in de gemeentes ongedaan te maken, nog eens bij. Hoe gaat het kabinet dit oplossen?

Voorzitter. Het is onbegrijpelijk hoe verschillend gemeentes omgaan met de samenwoonboete, de kostendelersnorm. Wordt het niet eens tijd te stoppen met het tandenborstels tellen en de samenwoonboete geheel af te schaffen? Misschien komt de participatiemaatschappij dan ook een stapje dichterbij.

Voorzitter, ik rond af. Het sociaal beleid van dit kabinet kent enkele plussen, maar helaas ook vele minnen, die vooral terechtkomen bij kwetsbare groepen. Vertrouwen in de toekomst vereist meer dan de papieren werkelijkheid van dit kabinet. Vertrouwen moet verdiend worden door niet één gericht deel, maar alle Nederlanders, alle bevolkingsgroepen, alle generaties, mee te nemen. Wij moeten zo veel mogelijk gelijke kansen bieden en wij moeten de verschillende groepen evenredig laten delen in de beschikbare welvaartsgroei. Alleen zo wordt de weg geopend naar een inclusieve participatiesamenleving.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Dan geef ik nu het woord aan de heer Van Rooijen, ook namens 50PLUS.

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Voorzitter. Vanavond drie onderwerpen in vijftien minuten, dus niet vijf uur, laat staan vijftien uur.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Jammer!

De heer Van Rooijen (50PLUS):

Ja. 50PLUS vraagt of dit kabinet bereid is niet alleen werkenden, maar alle mensen in Nederland meer te laten profiteren van het economisch herstel. 50PLUS vindt dat eindelijk meer werk gemaakt moet worden van een gelijkmatige koopkrachtontwikkeling voor werkenden, mensen die niet kunnen werken en mensen die gewerkt hebben. Het kabinet begunstigt vooral de werkende middengroepen. Zij gaan er het meeste op vooruit. Het steekt 50PLUS dat bij alle mooie woorden over stijgende koopkracht en lastenverlichting voor iedereen vrij gemakkelijk voorbij wordt gegaan aan 400.000 kennelijk niet normale huishoudens voor wie geen koopkrachtstijging, maar juist een koopkrachtdaling wordt verwacht. Dat geldt ook voor ruim 400.000 gepensioneerden, die er niets bij krijgen of juist minder koopkracht krijgen in deze kabinetsperiode. Gaat het kabinet nog iets voor hen doen? Zo nee, waarom niet?

Ik dank de minister wel voor zijn antwoord op onze vijfde vraag bij de begroting over de koopkrachtontwikkeling van ouderen en werkenden. Wij zien grote verschillen tussen de diverse groepen, maar helaas ontbreekt de wegingsfactor per categorie. Kan dat nog worden toegevoegd?

Het spreekt voor zich dat wij hadden gehoopt op een uitbreiding van de bekende CBS-koopkrachtgrafiek over de periode 2000-2015. Bij het antwoord op vraag 115 en 116 komt het ook niet. In de toelichting staat wel dat de dynamischekoopkrachtvergelijking op basis waarvan wij in deze Kamer elk jaar met z'n allen de koopkracht van specifieke groepen bijsturen, eigenlijk neerkomt op een vergelijking tussen appels en peren. Goed dat u het zelf zegt. Elk koopkrachtperspectief heeft zijn beperkingen, maar een verlenging van het CBS-overzicht, waar we om hebben gevraagd, is wat ons betreft een even goed en relevant perspectief. Daar zitten ook echte mensen achter, en het geeft meer continuïteit in de informatiestroom.

Gelukkig heeft ook het Nibud gesproken. Daar schrokken wij wel van. Vooral de vergelijking tussen werkende partners en gepensioneerde partners schetst een onthutsend beeld van de keuzes van dit kabinet. Kijkt u maar op pagina 14 en 15 van het Nibud-rapport als u het in twee oogopslagen gezien wilt hebben. Dat is geen evenwichtige koopkrachtontwikkeling, en dat is al helemaal niet de dik verdiende inhaalslag voor ouderen waar wij ons sterk voor maken. Sommigen vinden dat 50PLUS overdrijft, maar ik zal het u nog sterker vertellen. Alle minnen in het Nibud-rapport staan bij ouderen en ook alleen bij ouderen. Gaat deze minister dat echt verdedigen of gaat hij er nog iets aan doen?

Wat zou je eraan kunnen doen? Dat is niet zo moeilijk: stop met discrimineren. Fiscale leeftijdsdiscriminatie is in strijd met gelijke behandeling, ook met gelijke fiscale behandeling. Voorbeelden zijn er te over, en dat zijn de ouderen nog niet vergeten, dat kan ik u verzekeren. Ouderen zijn de afgelopen tien jaar stapelgek geworden van het gestapel van lastenverzwaringen. Alleen al op fiscaal terrein is er sprake geweest van een ware hit list. Ik noem ze. Indirecte fiscalisering van de AOW. Invoering van de Bos-belasting. Forse verhoging van de inkomensafhankelijke zorgverzekeringspremie. De Wet uniformering loonbegrip. Het niet meedelen in het 5 miljard-belastingverlagingspakket. Het afschaffen van de ouderentoeslag. De ouderenkorting enorm achterstellen bij de arbeidskorting; ze is nog niet de helft. De ouderenkorting extreem snel afbouwen. Ten slotte, last but not least: de afschaffing van de wet-Hillen, de aflossingsboete.

Tot slot op dit onderdeel: het zijn niet de minste organisaties en personen die de laatste tijd wijzen op achterblijvende loonontwikkeling, vooral in relatie tot onze krappe arbeidsmarkt. Volgens De Nederlandsche Bank raakt de arbeidsinkomensquote voorlopig niet eens aan het langjarig gemiddelde. Dat vraagt toch om een ingreep, zo vraag ik de minister. Het kan. Nederland heeft immers niet alleen een overschot op de begroting, maar ook nog een enorm overschot op de lopende rekening. Geen twin deficit maar een twin surplus. Dat betekent iets. In het licht hiervan vraag ik de minister dan ook: welke extra maatregelen gaat u nemen om de loonontwikkeling steviger aan te jagen?

Voorzitter, het tweede blok, pensioenen. De minister verheugt zich er geloof ik al op, want hij vroeg me al of ik ook het woord "discontovoet" ga gebruiken. Even afwachten!

Wat ik u nu ga vertellen, zijn de feiten. De belegde middelen van de pensioenfondsen zijn bestemd om crediteuren, eigenaren van de pensioenfondsen, het pensioen te geven waar ze recht op hebben. Dat zijn de deelnemers, de slapers en de gepensioneerden. Het verwijt dat 50PLUS en onze medestanders altijd weer horen, is dat de potten leeggegeten worden door de gepensioneerden en dat er voor de jongeren niets overblijft. Maar dan heb je het niet begrepen, of je wilt het niet begrijpen. Op basis van alle historische gegevens die beschikbaar zijn, is het ook technisch niet eens mogelijk, want welke rente we ook toepassen voor de dekkingsgraad, zolang in werkelijkheid over de jaren heen een hoog rendement wordt gemaakt, groeit het vermogen. Dat was en is het geval. Waarom is de berekening van de dekkingsgraad van pensioenfondsen dan zo extreem conservatief? Omdat pensioenfondsen verplicht zijn om uit te gaan van een risicovrije rente en dus van een liquidatiescenario. Dat is het echte probleem van de zogenaamde onhoudbaarheid van ons aanvullend pensioenstelsel. Het vreemde is echter dat weldenkende mensen die vraagtekens zetten bij de onlogische en destructieve regels, worden weggezet als ondeskundig en egocentrisch.

Voorzitter. Nederland heeft een goed pensioenstelsel, en wij willen dat ook onze kinderen en kleinkinderen dat nog kunnen zeggen. Met persoonlijke pensioenvermogens raken we dat voor eens en voor altijd kwijt, en de minister lijkt bij deze omslag zelf vaak voorstander te zijn van de meest vergaande en de minst solidaire varianten. Klopt het bijvoorbeeld dat binnen de SER berekeningen zijn gemaakt over de uitwerking van de mogelijke tussenvariant voor een nieuw stelsel op basis van individuele posities van respectievelijk gepensioneerde, jongere en oudere werknemers? Kent de minister deze berekeningen en de conclusies daarvan? Is de minister bereid deze berekeningen en conclusies ter beschikking te stellen aan de Kamer? En zo nee, waarom niet? Kan hij anders de SER vragen om ons die berekeningen te geven, desnoods vertrouwelijk? Er wordt een jaar gerekend en wij weten nergens van.

Voorzitter. Pensioenfondsen lijken meer op coöperaties dan verzekeringsmaatschappijen, gelukkig maar. Leden zijn niet alleen klanten, maar ook eigenaren. Dat belangrijke feit lijken sommigen in dit huis regelmatig geheel naast zich neer te leggen. Een grote pensioenhervorming is, hoe je die ook inricht, ook een onteigening en herverdeling. Artikel 83 van de Pensioenwet geeft deelnemers overigens ook het recht bezwaar te maken tegen de overgang naar een ander stelsel. En let op mijn woorden: artikel 83 gaat nu weer een blokkade vormen voor de overgang naar een individueel stelsel. De minister herinnert zich ongetwijfeld nog de term "invaren" — die kwam van mij — bij de voorgestelde invoering van het zogenaamde reële contract. Ik riep toen: wij gaan naar Straatsburg! En weg was het reële contract. Kan de minister uiteenzetten hoe hij artikel 83 van de Pensioenwet in dit verband op dit moment waardeert?

Ik ben echt geen roepende in de woestijn. Han de Jongh, hoofdeconoom van ABN AMRO, heeft tijdens een lezing op 28 november, de Bismarck-lezing, nog terecht gewezen op de valse aanname dat bij een individueel stelsel de rentegevoeligheid afneemt. Dat is pertinent onjuist, zegt hij. Het huidige stelsel kan bovendien veel minder renteafhankelijk gemaakt worden zonder een grote hervorming met persoonlijke potjes, aldus De Jongh. Daarnaast wijst ik op de stresstest van pensioenfondsen door EIOPA van december dit jaar. Hieruit blijkt dat Nederland de laagste gewogen — daar komt-ie, minister! — discontovoet heeft van de vijftien onderzochte landen en als enige daarbovenop nog een buffervereiste heeft. Vandaag in NRC lezen we dat een van de meest gelezen artikelen van Teulings, van 17 april 2017, was: Pensioen en het gelijk van Krol. Dat u het maar even weet.

Voorzitter. Die stresstest zegt natuurlijk een heleboel. Recenter zijn er nog meer grote jongens geweest die met vreemde ogen naar ons pensioenstelsel hebben gekeken. In oktober kwamen de resultaten naar buiten van een internationale studiegroep, het ICPM, het International Centre for Pension Management in Toronto. Ik zal via de bode een powerpointpresentatie van het rapport en de conclusies laten ronddelen; ik geef die maar alvast bij dezen. Het is in het Engels; wijzen uit het buitenland.

De voorzitter:

Ik neem aan dat er geen bezwaar tegen bestaat dat dit stuk ter inzage wordt gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Kamer.

(Ter inzage gelegd bij het Centraal Informatiepunt van de Tweede Kamer der Staten-Generaal.)

De heer Van Rooijen (50PLUS):

De conclusies zijn glashelder: een sociaal contract wordt vervangen, aldus dat rapport, door een financieel contract van individuele rekeningen. Dit gaat in Dit gaat in, zeggen die buitenlanders, tegen veel waarden waar de Nederlandse maatschappij op is gebouwd. De problemen zijn beheersbaar en in feite van een korte termijn. De voorgestelde hervorming tast het coöperatieve karakter van het Nederlandse pensioenstelsel aan en lijkt een te radicale oplossing voor een probleem. Volgens de auteurs komt dit neer op een enorme risico-overdracht van het collectief naar het individu. Ze stellen ten slotte de vraag: Are the Dutch prepared for that? Nee, is het antwoord van 50PLUS, maar wat is het antwoord van de minister?

Wij hebben een kortetermijnprobleem met het pensioenstelsel. Dat vindt 50PLUS ook, en voor zover dat heel acuut is, heb ik reeds actie ondernomen. In januari spreken we namelijk in deze zaal over het generatieneutrale initiatiefwetsvoorstel-Van Rooijen voor een tijdelijke bodemrente van 2%. Het korten van pensioenen als gevolg van rentemanipulatie van de ECB is onnodig en onaanvaardbaar. Door de gedaalde rekenrente in de afgelopen jaren is er al sprake van een verschuiving van 100 miljard — een cijfer dat Pieter Omtzigt ook regelmatig in deze Kamer heeft genoemd — aan pensioenvermogen van oud naar jong. Het aandeel van de ouderen is van 38% naar 31% gegaan, aldus Mercer in februari. Genoeg is echt genoeg. Het initiatiefvoorstel heeft niet de bedoeling om te indexeren, maar uitsluitend om kortingen die er eventueel onvermijdelijk aankomen in 2020 te voorkomen.

Ik zou vandaag ook uren kunnen spreken over dit onderwerp — u weet dat; ik zal het niet doen — want er zijn sinds de indiening van ons voorstel weer veel medestanders en steunbetuigingen bij gekomen. Enfin, dat komt allemaal uitgebreid aan bod bij de aanstaande behandeling van de initiatiefwet na het kerstreces, dus u allen heeft nog ruim voldoende tijd om het gelijk van 50PLUS tot u te nemen.

Ten slotte de AOW-leeftijd. 7 december was wat mij betreft een heugelijke dag. Dat komt niet elke dag voor, zoals u begrepen heeft na gisteren: de wet-Hillen die afgeschaft is. De betonnen muur van partijen en instituten die jarenlang elke beweging op het gebied van de AOW-leeftijd resoluut blokkeerde, is uit elkaar gevallen. Wat is er gebeurd? Het Centraal Planbureau heeft een scheurtje veroorzaakt in de betonnen muur van institutionele onbereidwilligheid. In dat scheurtje zetten wij onze 50PLUS-koevoet; u ziet hem voor u. Om dat te illustreren citeer ik kort uit het interview met Laura van Geest in Het Financieele Dagblad. Het CPB vindt dat de overheid ook kan kijken naar het hoge tempo waarin de AOW-leeftijd omhoog gaat. Deze ligt al in 2022 op 67 jaar en drie maanden, omdat de leeftijdsverhoging is gekoppeld aan de almaar stijgende levensverwachting. Van Geest brengt in herinnering dat onder druk van de economische crisis voor deze variant is gekozen, nadat de overheid lang tegen verhoging van de AOW-leeftijd had aangehikt. De politiek kan als alternatief de leeftijdsverhoging de komende jaren uitsmeren over een iets langere periode dan bijvoorbeeld ieder jaar drie maanden erbij optellen. De huidige generatie ouderen heeft immers minder tijd gehad zich voor te bereiden op langer doorwerken. De 50-plussers tot 65 dus.

Hiermee is voor 50PLUS natuurlijk nog lang niet de buit binnen, maar ons arsenaal om deze minister onder vuur te nemen over de verhoging van de AOW-leeftijd en de gevolgen daarvan is nu wel gegroeid met deze figuurlijke koevoet. Ik voorspel u: het zal steeds lastiger worden voor het kabinet om niet te bewegen op het gebied van de AOW-leeftijd. Dat is winst, maar het zal niet vanzelf gaan. Dat blijkt wel uit de teleurstellende brief van minister Koolmees en zijn eveneens teleurstellende interview vanmorgen in de Volkskrant. Laura van Geest gaf in Het Financieele Dagblad nog een aantal generieke maatregelen op het gebied van de AOW-leeftijd in overweging, maar de minister wil dat niet. Waarom is dat?

Wij zijn natuurlijk niet uit op een stukje vertraging. 50PLUS wil de AOW-leeftijd terugbrengen naar 65 jaar — dat is geen nieuws — en dat kan gemakkelijk. Ook dat is geen nieuws. De miljarden waar dit kabinet mee smijt, 13 miljard in deze periode, tonen glashelder aan dat verlaging van de AOW-leeftijd uitsluitend een politieke keuze is. Mijn moeder zou zeggen: waar een wil is, is een wet. De minister weet dat de vergrijzing die Nederland treft minder omvangrijk is dan in veel andere Europese landen. Daarnaast hebben wij premie betaald voor kapitaalgedekte pensioenen, die maar liefst twee derde deel vertegenwoordigen van alle pensioenbesparingen in Europa. Maar leiden deze gunstige uitgangspunten ook tot sociale voordelen voor de bevolking van Nederland? Een lagere pensioenleeftijd misschien, een realistische rekenrente? Niets van dat alles!

Bij onze oosterburen is de koppeling aan de levensverwachting al verbroken. Angela Merkel is daar tijdens haar verkiezingscampagne heel duidelijk over geweest. Haar uitgangspunt is dat het niet realistisch is om te veronderstellen dat na 67 jaar nog verwacht kan worden dat het allergrootste deel van de mensen nog kan werken. De Duitse bevolking is aanzienlijk meer vergrijsd dan die van ons land, maar toch doet de politiek daar verstandig en stopt de werkzame leeftijd op 67 jaar. Als we daar het simpele feit bij optellen dat het tweedepijlerpensioen in Nederland veel sterker is geregeld en gefinancierd dan in Duitsland, dan wordt wederom onze conclusie gerechtvaardigd dat Nederland meer ruimte heeft voor een ruimhartig basispensioen en een lagere pensioenleeftijd dan Duitsland. Wat heeft het voor zin om het beste stelsel van de wereld te hebben, als er voor de deelnemers sociaal gezien geen enkel voordeel in zit ten opzichte van landen die veel minder prudent zijn met dit onderwerp? Duitsland is in dit opzicht nog niet eens een echt zorgenkindje.

Het mag duidelijk zijn: economisch en financieel was het verhogen van de AOW-leeftijd niet nodig. Teruggaan naar de goede oude tijd is in dit geval geen ongefundeerde 50PLUS-nostalgie, maar een realistische wens van een zeer groot deel van de Nederlandse bevolking. Nu ook het Centraal Planbureau beweegt, ziet 50PLUS het al voor zich: het kabinet zal na een lang opzichtig gevecht met de Kamer waarschijnlijk voorstellen om de verhoging van de AOW-leeftijd een heel klein beetje te vertragen. Niet wezenlijk natuurlijk, want het mag niks kosten. We kunnen een pleister krijgen voor een kanonschot en als ik de sfeer goed proef, dan wil het kabinet in ruil voor die pleister de ouderen van nu en vooral ook die van later nog een keer beschieten. In ruil voor niets meer dan een piepkleine vertraging van de verhoging van de AOW-leeftijd zouden we massaal akkoord moeten gaan met een onbewezen mega-ingewikkelde hervorming van ons dierbare pensioenstelsel. Speculatie of niet, wij zien de bui al hangen. But read my lips: no new pensioenstelsel. En geen koppelverkoop van de AOW en de tweede pijler. Kan de minister dat toezeggen? Want deze stelsels staan echt los van elkaar, met uitzondering van de pensioenrichtleeftijd.

50PLUS staat voor een lagere AOW-leeftijd en voor een passende verbetering van het tweedepijlerpensioen. Wij vinden daarbij overigens ook de FNV aan onze zijde. Op 13 december heeft de vakbond een brandbrief gestuurd met de boodschap: stop de versnelde verhoging van de AOW-leeftijd en stop met de automatische koppeling aan de levensverwachting.

Wij hebben een amendement ingediend om de AOW-uitkeringen volgend jaar met 2% extra te verhogen, bovenop de normale indexatie. Wij maken ons sterk voor een beheerste doch serieuze inhaalslag en daartoe is dit amendement een eerste stap. Daarnaast zijn wij ervan op de hoogte dat niet alle collega-Kamerleden al overtuigd zijn van een verlaging van de AOW-leeftijd naar 65 jaar. Dat is jammer, maar wij zullen ook de twijfelaars in dit huis optimaal in de gelegenheid stellen om in beweging te komen. Deze Kamer is stapsgewijs afgestapt van een AOW-leeftijd van 65. Via onze AOW-moties van morgen kan zij er ook stapsgewijs weer terug naartoe bewegen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Rooijen. Dan geef ik tot slot het woord aan de heer Kuzu namens DENK.

De heer Kuzu (DENK):

Voorzitter, dank u wel. Ik wil graag beginnen met het ophalen van een hele lijst van gedeelde herinneringen met de minister en de staatssecretaris, maar eigenlijk heb ik er maar eentje. We hebben de afgelopen week een debat gehad, een algemeen overleg, over integratie en inburgering en daarin hebben wij kennis kunnen maken met de visie van de minister op integratie en inburgering en ik moet zeggen dat het me bevallen is. Waar het gaat om inburgering, het werk maken van de taal en het inventariseren op korte termijn van wat mensen die hier naartoe komen kunnen en zodoende een bijdrage kunnen leveren aan samenleving, is dat prima.

De minister heeft ook kennis kunnen maken met ons standpunt over integratie en acceptatie. Wij zeggen heel duidelijk dat integratie niet iets is voor mensen die hier al decennia lang wonen of mensen die hier zijn geboren en getogen. Die moet je niet integreren. Die moet je accepteren. Integratie is voor nieuwkomers. Wat ons betreft is er dus ook geen sprake van een integratieprobleem, zoals vaak wordt gezegd. Volgens DENK is er sprake van een acceptatieprobleem. Want op overtuigende wijze worden talloze achterstanden snel ingehaald, weggewerkt, van mensen die hier al generaties wonen. Zij moeten dus geaccepteerd worden. Zij moeten vooral aangesproken worden als Nederlander.

Ik ben er tevreden mee dat de minister heeft aangegeven dat hij zich niet, net als zijn voorganger, wil gaan neerzetten als een soort van minister van wantrouwen van minderheden, maar als een minister die er echt staat voor de belangen van alle Nederlanders. Voorzitter, tot zover integratie.

De voorzitter:

Ik word heel streng nu, mijnheer Van Dijk. U hebt echt heel veel interrupties gepleegd.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Laat me dan één opmerking maken.

De voorzitter:

Eén kleine opmerking.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Er werd verwezen naar de voorganger. Die stond voor alle Nederlanders.

De heer Kuzu (DENK):

Ja, ik ben het daar niet mee eens. Want als een minister van Integratie een flutonderzoek laat uitvoeren waarin een grote groep jongeren, Turks-Nederlandse jongeren, wordt neergezet als IS-sympathisant — we hebben het over 87% en 83% van de Marokkaans-Nederlandse jongeren — dan ben je dat wat mij betreft niet. Maar daar hebben we het vaak genoeg over gehad, ook tijdens het afgelopen debat over integratie en inburgering. Ik kan u tal van andere voorbeelden geven. En dat kan ik, net zoals mevrouw Dijksma deed tijdens de begrotingsbehandeling van VWS, op een tergend langzame wijze doen, als u dat wilt.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Nou, het is tien voor half elf ...

De voorzitter:

Ik wilde eigenlijk de heer Van Dijk niet meer het woord geven, maar als u zo reageert moet hij ook daarop reageren. Dus laatste gelegenheid en dan wil ik voorstellen dat u verdergaat. De heer Gijs van Dijk.

De heer Gijs van Dijk (PvdA):

Dank u wel, voorzitter. Even alleen voor de orde: er wordt verwezen naar een onderzoek. Toenmalig vicepremier Asscher heeft ruim afstand genomen van zijn uitspraak daarover. Dat wilde ik even rechtzetten.

De heer Kuzu (DENK):

Ja, voorzitter, ik moet daar dan toch ook op reageren, want dat is ook in de afgelopen periode de methode-Asscher geweest: een grote bak met modder over een groep heen smijten en vervolgens aangeven dat hij de enige is die die groep kan redden. Maar goed, daar hebben we het uitgebreid over gehad.

De voorzitter:

Precies.

De heer Kuzu (DENK):

Ik wil nu overgaan op hetgeen waar we vandaag echt voor staan: de begrotingsbehandeling van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Wat ons betreft is dit een van de belangrijkste ministeries, want bij dit ministerie gaat het wat de DENK-fractie betreft om het maken van werk van belangrijke waarden en principes. Ik noem verbinding tussen individuele en collectieve verantwoordelijkheid en onderlinge solidariteit. Ik noem ook gelijkwaardigheid en rechtvaardigheid. Ik noem de strijd tegen racisme en discriminatie. Op deze thema's, waarden en principes wil ik graag mijn inbreng vandaag baseren.

Voorzitter. Ik begin met het principe van verbinding, en dan kom ik vanzelf terecht bij de polder. Deze minister heeft wat ons betreft de belangrijkste taak om werkgevers en werknemers met elkaar te verbinden in een sociaal akkoord. DENK betreurt dat het niet is gelukt om tot een sociaal akkoord te komen. Wij hebben hier eigenlijk alleen maar één vraag over aan de minister: waarom zijn de besprekingen mislukt, geklapt? En kan hij hier een heldere analyse van geven? Ik weet dat er deelakkoorden op de rit zitten, maar graag meer inzicht over hoe de minister daartegen aankijkt.

Voorzitter. Ik kom op het thema rechtvaardigheid. Dan kan ik natuurlijk niet anders dan ingaan op de korting op de Wajong en de omgang met arbeidsongeschikten. Waarom is dit kabinet, dat er een speerpunt van maakte dat alle Nederlanders het herstel moeten voelen, voornemens om een korting van 5% toe te passen op de Wajong-uitkering? Waarom kiest dit kabinet ervoor om jonge arbeidsongeschikten €60 per maand af te pakken in economisch gunstige tijden? Zijn dit soms geen gewone, normale Nederlanders, zoals onze minister-president aangeeft? De korting op de Wajong is aangekondigd in economisch slechte tijden. Nu er ruimte is om aandeelhouders en multinationals miljarden aan cadeaus te geven, moet het dit kabinet toch ook lukken om de Wajongers te ontzien? Is het kabinet daartoe bereid? En is het kabinet zich ervan bewust hoezeer het de vaak al kwetsbare situatie van veel Wajongers met deze botte besparing alleen maar verzwaart?

Voorzitter. Vorige maand concludeerde het Sociaal en Cultureel Planbureau dat 50% van de bedrijven geen mensen met een beperking in dienst wil nemen. De overheid doet het nog slechter dan dit en geeft het slechte voorbeeld terwijl ze het goede voorbeeld zou moeten geven. Zelfs nu het economisch beter gaat, komen mensen met een beperking dus niet aan de bak. Daar gooit dit kabinet dus gewoon een korting van €60 per maand op de uitkering bovenop. Begrijpt de minister dat dit onrechtvaardig is?

Onrechtvaardig is ook wat dit kabinet wil gaan doen met de inkomens van werkenden met een arbeidsbeperking. "Nieuw kabinet maakt werken onder minimumloon mogelijk", kopte Trouw in oktober. Met het vervangen van de loonkostensubsidie door loondispensatie krijgen mensen met een beperking een arbeidscontract met loon dat kan uitvallen onder het wettelijk minimumloon. Voor een aanvullende uitkering moeten ze aankloppen bij de overheid, die dit verzoek wel of niet honoreert. Mensen die werken onder het minimumloon en grote inkomensonzekerheid, dat is waar dit kabinet dus voor zorgt in een periode met inmiddels grotere economische groei dan vlak voor de crisis. Ik begrijp werkelijk waar niet waarom een kabinet met een begrotingsoverschot van miljarden ervoor kiest om Wajongers en mensen met een arbeidsbeperking keihard te raken. Kunnen de bewindspersonen dit uitleggen, niet aan mij maar aan de mensen om wie het gaat? Deze mensen worden keihard door het beleid geraakt. DENK staat ervoor dat dit kabinet gaat werken aan een norm zodat mensen met een arbeidsbeperking nooit kunnen werken onder het wettelijk minimumloon. Dat moet een bodem zijn. Is het kabinet daartoe bereid?

Voorzitter. Een ander punt dat raakt aan het principe van rechtvaardigheid is het AOW-gat voor Nederlanders met een Surinaamse achtergrond. Dit AOW-gat komt door het opbouwsysteem waarbij voor ieder levensjaar vanaf je vijftiende 2% AOW wordt opgebouwd. Uiteraard kunnen mensen die in de periode 1975-1980 naar Nederland zijn gekomen, hier niet aan voldoen. Deze mensen worden nu doorverwezen naar de aanvullende inkomensvoorziening ouderen, afgekort met AIO. Dit kan betekenen dat zij, wanneer zij hier aanspraak op maken, hun huis moeten opeten of hun spaargeld moeten opmaken. Volgens DENK is dit niet eerlijk. De mensen die in de periode voor 1975 in Suriname woonden, woonden op dat moment in het Koninkrijk der Nederlanden. Het waren rijksgenoten. Door een onrechtvaardig verloop van onze koloniale geschiedenis zitten deze mensen nu opgescheept met een gat in hun AOW dat ze alleen maar kunnen opvullen door onder het strenge regime van de bijstand te vallen. En waarom moeten deze mensen eigenlijk boeten voor het verleden? Waarom zijn zij een speeltje geworden van de geschiedenis?

De DENK-fractie ziet twee opties om dit op te lossen. In de eerste plaats het afschaffen van de vermogens- en inkomenstoets in de AIO voor mensen die voor 1975 staatsburgers van andere delen van het Koninkrijk waren. Of de tweede optie: het meetellen van de opbouwjaren voor alle delen van het Koninkrijk. Er wordt vaak gesproken, in deze Kamer maar ook in de samenleving, over compensatie voor het koloniale verleden, zonder dat dit echt heel concreet wordt. De DENK-fractie denkt dat op deze manier een eerste goede stap hierin kan worden gezet. Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Van het principe van rechtvaardigheid ga ik naar het principe van gelijkwaardigheid. Deze minister is medeverantwoordelijk voor het bestrijden van racisme en discriminatie in onze samenleving; een zeer belangrijke uitdaging wat onze fractie betreft. Het meest concrete gevolg van racisme en discriminatie zien we in de werkloosheid onder jongeren met een migratieachtergrond. Het gaat op heel veel vlakken goed met deze jongeren, maar op het gebied van arbeidsparticipatie lopen ze achter. De werkloosheid is helaas nog veels te hoog. 18% van de jongeren met een migratieachtergrond is werkloos, terwijl de gemiddelde jongerenwerkloosheid 9% is, tweemaal zo hoog dus. Een schrijnende vorm van ongelijkheid die mede — mede — het gevolg is van discriminatie. Mijn vraag aan de minister is wat hij hiertegen gaat doen. Wat gaat de regering hieraan doen?

DENK voelt er in ieder geval voor om opnieuw een ambassadeur jongerenwerkloosheid in te stellen. Mirjam Sterk was dit een paar jaar geleden al. En John de Wolf doet goed werk als ouderenambassadeur. Wij zijn blij dat de ANBO dit nu faciliteert, nadat SZW ermee is gestopt. Een te benoemen ambassadeur jongerenwerkloosheid zou een bijdrage kunnen leveren aan het bestrijden van de vooroordelen over jongeren met een migratieachtergrond en het aan het werk helpen van deze jongeren. Is de minister bereid om deze ambassadeur te benoemen en ziet hij daar meerwaarde in?

Maar veel belangrijker nog is dat dit kabinet de bestrijding van arbeidsmarktdiscriminatie gaat opschroeven. Is de minister daartoe bereid? DENK heeft eerder een Ketenaanpak Discriminatie gelanceerd, met een brede aanpak van discriminatie. Wij willen discriminatie bij werving en selectie bestrijden met loksollicitaties, en mensen die zijn veroordeeld voor discriminatie, sanctioneren met een educatieve maatregel discriminatie en een contacttaakstraf. Is de minister bereid om deze maatregelen in te voeren? Ook moeten bedrijven die aantoonbaar discrimineren op een effectievere wijze aan de schandpaal worden genageld. Het is toch niet effectief als deze bedrijven op een achterafpagina op de site van het ministerie worden gemeld? Dat moet toch veel zichtbaarder gebeuren om effect te hebben? Graag een reactie van de minister.

Maar het voornaamste is dat er met het acceptatiebeleid en het antidiscriminatiebeleid gewerkt gaat worden met targets, met concreet afrekenbare targets. Binnen het emancipatiebeleid bij Onderwijs, Cultuur en Wetenschap wordt terecht gewerkt met targets, met cijfers over de acceptatie van homoseksualiteit in onze samenleving. Is de minister bereid om ook met dergelijke targets te gaan werken voor het antidiscriminatiebeleid: cijfers over de acceptatie van mensen met een migratieachtergrond, cijfers over de acceptatie van moslims? Is de minister daartoe bereid? Graag een reactie.

Het is ook van belang dat wij de handhaving versterken. Daarom vraag ik aan de minister welk gedeelte van de 50 miljoen euro die erbij komt voor de Inspectie SZW naar het team arbeidsmarktdiscriminatie zal gaan. Wanneer krijgt dit team nou eens de mogelijkheid om ook te controleren op discriminatie bij werving? Tot slot op dit punt vraag ik de minister om zich ervoor in te zetten dat er meer antidiscriminatiebepalingen worden opgenomen in cao's. Dat is niet de primaire taak van deze regering — ik weet dat — maar hij kan het aanmoedigen. Graag krijg ik op al mijn punten een helder antwoord, want ik overweeg op al deze punten een motie in te dienen. Misschien is de minister zelfs bereid om een aantal toezeggingen te doen. Dat scheelt en helpt om papierwerk te voorkomen.

Voorzitter. Ik kom op het thema van de eerlijke arbeidsmarkt. Een groot punt van zorg daarbij is de doorgeslagen flexibilisering van de arbeidsmarkt. Het regeerakkoord bevat een aantal voorstellen die deze flexibilisering wellicht alleen nog verder zullen versnellen. De termijn waarmee werknemers aan het lijntje worden gehouden voordat ze een vast contract krijgen, gaat van twee naar drie jaar. De klok wordt eigenlijk teruggedraaid. Er komt in bepaalde gevallen een proeftijd van vijf maanden. De tussenpoos van zes maanden tussen contracten om onder het ketenbeding uit te komen, gaat weer naar drie maanden. De transitievergoeding wordt alweer verlaagd. Na het tiende arbeidsjaar wordt niet een half maar een derde maandsalaris opgebouwd. Dit is na 2008 en 2015 alweer de derde uitholling van de kantonrechtersformule.

Voorzitter. De cumulatiemaatregel wordt weer ingevoerd. Dit betekent dat hr-managers weer stiekem personeelsdossiers gaan aanleggen om in hun ogen niet-functionerende werknemers eruit te werken. Dit geeft ook nog eens een hoop rompslomp voor werkgevers. Wij hebben eerder aan het Centraal Planbureau gevraagd welke kwantitatieve uitkomsten al deze maatregelen voor de arbeidsmarkt gaan opleveren. Zij konden deze niet geven. Daarom vraag ik het aan de minister: op hoeveel extra banen, extra vaste contracten en minder flexcontracten rekent dit kabinet als gevolg van het voorgenomen contractbeleid? Graag hoor ik een heldere reactie en geen antwoorden als "het zit niet in de modellen van het Centraal Planbureau" en "daar kunnen wij op dit moment weinig over zeggen".

Voorzitter. De DENK-fractie is blij met het aan banden leggen van payrolling, nulurencontracten en schijnconstructies met zzp'ers. Het misbruik van deze constructies zorgt voor schrijnende uitbuiting die in een welvarend land als Nederland niet thuishoort. Kan de minister de contouren schetsen van de nieuwe wetgeving die hij van plan is in te voeren in 2019? Komt er een collectieve arbeidsongeschiktheidsverzekering voor zzp'ers? Wanneer kunnen wij wetgeving verwachten omtrent de collectivisering van de loondoorbetaling bij ziekte voor het kleinbedrijf? De loondoorbetaling bij ziekte is een grote horde voor bedrijven om personeel aan te nemen en kan bijdragen aan het stoppen van de flexibilisering.

Voorzitter, ik heb nog een aantal punten, maar ik weet dat ik moet gaan afronden, dus ik sla een aantal punten over.

De voorzitter:

U heeft wel tijd, hoor.

De heer Kuzu (DENK):

Ja, ik weet het, maar ik moet morgen ook moties indienen en ik denk dat ik nog drie minuten heb. Daarom wil ik mijn bijdrage afsluiten met waar ik mee begon: de gedeelde herinnering. Ik gaf al aan dat ik er slechts eentje had. Wij van DENK hopen echt dat we er in deze periode voor gaan zorgen dat we een heel lange lijst van positieve gedeelde herinneringen met deze minister en staatssecretaris kunnen ophalen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel. Daarmee zijn wij aan het einde gekomen van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Morgen gaan we verder met de behandeling van de begroting Sociale Zaken. Dan zullen de bewindspersonen antwoorden in hun eerste termijn.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Naar boven