Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 77, item 3

3 Rapport zelfmoord gedetineerde

Aan de orde is het debat over het rapport van de Inspectie Veiligheid en Justitie inzake een zelfmoord van een gedetineerde.

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Justitie van harte welkom, evenals de mensen op de publieke tribune en de mensen die thuis het debat volgen. De spreektijden per fractie zijn zes minuten.

De heer Van der Steur (VVD):

Voorzitter. De VVD heeft met afschuw kennisgenomen van het overlijden van de heer Dolmatov. Namens de VVD-fractie wil ik daarom allereerst diep medeleven betuigen aan zijn nabestaanden. Het verlies van een zoon en familielid onder de omstandigheden zoals die zich hebben voorgedaan, is vreselijk en zeer ingrijpend. Het was zichtbaar tijdens de persconferentie en te lezen in zijn beleidsreactie dat ook de staatssecretaris persoonlijk is geraakt door het overlijden van de heer Dolmatov. Het is dan ook belangrijk dat de familie goed is en wordt geïnformeerd. Mijn fractie neemt aan dat de betrokkenheid van de overheid bij de familie Dolmatov wordt voortgezet als dat door de familie op prijs wordt gesteld. Kan de staatssecretaris dit bevestigen?

Mijn fractie waardeert het dat de Nederlandse overheid haar verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid heeft erkend. Complimenten zijn op hun plaats voor het werk dat de Inspectie Veiligheid en Justitie in samenwerking met de Inspectie voor de Gezondheidszorg heeft verricht. De inspectie heeft in korte tijd een zeer gedegen onderzoeksrapport opgeleverd. De inspectie concludeert dat de Nederlandse overheid onzorgvuldig heeft gehandeld. Dat is niet alleen toe te schrijven aan het persoonlijke handelen van functionarissen of het nalaten daarvan, maar ook aan de afhankelijkheid van en het vertrouwen in de systemen, procedures en formulieren die functionarissen bij hun besluiten ondersteunen. Die conclusie is hard, maar terecht. Bovenal laat het rapport zien dat een reeks van tekortkomingen de omstandigheden creëerde waardoor de heer Dolmatov in de gelegenheid is geweest om, zonder dat zijn zorgwekkende geestestoestand werd onderkend, zelfdoding te plegen, terwijl hij aan de zorg van de Nederlandse overheid was toevertrouwd.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

De heer Van der Steur spreekt over een reeks van procedures, zaken die er allemaal toe hebben geleid dat het verschrikkelijke incident op 17 januari heeft plaatsgevonden. Hij noemt daarbij specifiek ook de regels die wij hebben gemaakt, het systeem dat wij met zijn allen hebben opgetuigd. Dit zijn de procedures die mede door toedoen – tenminste ik neem aan dat de heer Van der Steur dit ook bedoelt – van het functioneren van de politiek tot stand zijn gekomen. Hoe ziet hij zijn eigen verantwoordelijkheid daarin?

De heer Van der Steur (VVD):

Wat ik zojuist voorlas, was een letterlijk citaat van de conclusie die door de Inspectie Veiligheid en Justitie in haar rapport is opgenomen. Het is niet aan mij om de verantwoordelijkheid van de politiek als zodanig daarin te beoordelen. Eén ding is zeker: wij zijn hier om vragen te stellen over wat er is fout gegaan, hoe dit heeft kunnen gebeuren en wat daarvan de consequenties zijn.

De voorzitter:

Tot slot, mevrouw Gesthuizen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik moet dan bij dezen al concluderen dat de heer Van der Steur wegloopt voor die verantwoordelijkheid. Hij zegt hier in eerste instantie dat het voor een belangrijk deel aan de procedures ligt. Dat heeft hij gisteren zelf nogmaals kunnen horen van de inspectie die hier het woord is komen voeren. De inspectie nam geen blad voor de mond. Toch zegt de heer Van der Steur dat wij hier wel procedures hebben afgesproken, maar dat hij niet kan oordelen over de verantwoordelijkheid. Ik vind dat uiterst curieus.

De heer Van der Steur (VVD):

Die conclusie laat ik graag voor rekening van mevrouw Gesthuizen. Ik deel die niet. Wij zijn hier om te spreken over het rapport van de inspectie. Daarin staat een groot aantal facetten waarop fouten zijn gemaakt. Ik zal die zo meteen herhalen, maar VluchtelingenWerk Nederland spreekt niet voor niets van een unieke situatie die men niet herkent. Wij beoordelen vandaag deze unieke situatie en de staatssecretaris krijgt de gelegenheid om zich in dit verband te verantwoorden.

Als een persoon als gedetineerde aan de zorg van de Nederlandse overheid wordt toevertrouwd, spreekt het voor zich dat die zorg met zich brengt dat alles in het werk moet worden gesteld om te voorkomen dat de betrokkene zichzelf iets kan aandoen. De overheid heeft in dezen dan ook een zware zorgplicht. De VVD-fractie begrijpt overigens dat ook hierbij geldt dat honderd procent veiligheid niet gegarandeerd kan worden. Ten aanzien van deze individuele zaak is het wel bijzonder pijnlijk dat de heer Dolmatov niet alleen niet in vreemdelingenbewaring had moeten zitten, maar dat hem ook niet de noodzakelijke medische begeleiding werd geboden terwijl hij daar zat. De bestaande protocollen werden genegeerd, terwijl die juist het garanderen van noodzakelijke medische zorg tot doel hadden.

Ook had de heer Dolmatov, gegeven de omstandigheden, in een cel met cameratoezicht moeten worden geplaatst. Mijn fractie heeft vastgesteld dat in meerdere rapporten wordt verzocht om terughoudend om te gaan met een dergelijke plaatsing. Kan de staatssecretaris beoordelen of deze adviezen inderdaad geleid hebben tot terughoudend omgaan met het gebruik van cellen met cameratoezicht en, zo ja, of er als gevolg daarvan een begrijpelijke maar gevaarlijke drempel bestaat om dat middel in te zetten als het nodig is? En kan de staatssecretaris dan bevestigen dat hij alles in het werk zal stellen om deze cellen te laten gebruiken waarvoor ze zijn bedoeld?

Gisteren voerden wij een nader gesprek met beide inspecties die bij het rapport betrokken waren. Daarin hebben wij over de medische zorg geleerd dat de Inspectie voor de Gezondheidszorg onder meer onder de indruk is van de enorme investeringen die met name in het detentiecentrum Rotterdam zijn gedaan om alles te verbeteren. In dit specifieke en unieke geval lijkt echter sprake te zijn van overshooting. Dat wil in de woorden van de IGZ zeggen dat de focus op protocollen tot starheid in handelen heeft geleid, waardoor de individuele beoordeling uit het zicht is geraakt.

Uit het nadere gesprek met de Inspectie Veiligheid en Justitie van gisteren blijkt ook dat de systeemfouten, of in ieder geval bepaalde systeemfouten, bekend waren bij de directies waarmee de inspectie voor haar onderzoek heeft gesproken. Dit werpt voor de VVD-fractie de volgende vragen op. Welke directies waren dat? Wat hebben zij met die informatie gedaan? En tot welke handelingen heeft die wetenschap geleid? Ik krijg hierop graag een antwoord van de staatssecretaris.

Duidelijk werd ook dat zelfs de piketadvocaat, die naar zijn en aard en functie op de belangen van zijn cliënt moet toezien, zijn werk niet naar behoren lijkt te hebben verricht. Ik zeg dat met voorzichtigheid, omdat het ons niet past om daarover een oordeel uit te spreken. De piketadvocaat was ook niet bereid om aan het onderzoek mee te werken, terwijl de voorkeursadvocaat, die ook namens de heer Dolmatov optrad, die medewerking wel verleende.

De heer Schouw (D66):

Het is goed dat de heer Van der Steur een vraag over de directies stelt. Die wisten er namelijk van. Ik ben natuurlijk benieuwd of de staatssecretaris er ook van wist. Maar is de heer Van der Steur het met mij eens dat die directies van systeemfouten wisten?

De heer Van der Steur (VVD):

Het antwoord van de heer Bos op de vraag van de heer Schouw of de directies op de hoogte waren van systeemfouten, was: dat klopt. De vraag die voor dit debat relevant is, is welke systeemfouten bekend waren. Ik geef een voorbeeld aan de hand van de beantwoording die wij gisteren van de staatssecretaris hebben ontvangen. Het blijkt dat de systeemfout van "het vinkje" niet bekend was. Het betreft het feit dat mensen ten onrechte als "verwijderbaar" werden aangemerkt. Dat is in 300 gevallen gebeurd, weten wij uit de stukken die de staatssecretaris ons gisteren heeft doen toekomen. Die systeemfout was niet bekend, maar is onmiddellijk na het bekend worden daarvan hersteld. Volgens de VVD-fractie is dat op een goede manier gebeurd.

De heer Schouw (D66):

Dan zijn de VVD-fractie en de D66-fractie het op dit punt eens. Het is niet een individueel incident, maar er is sprake van systeemfouten in de vreemdelingenketen. Die systeemfouten waren bekend en daar had iets aan gedaan moeten worden.

De heer Van der Steur (VVD):

Die algemene conclusie van de heer Schouw kan ik nog niet onderschrijven, omdat dit typisch een punt is waar de staatssecretaris antwoord op moet geven. Om die reden heb ik die vraag ook gesteld. Een ding is zeker over de bekende systeemfout, namelijk die van "het vinkje" dat niet is gezet. Dat leidde ertoe dat in het computersysteem een automatische omzetting naar "verwijderbaar" heeft plaatsgevonden. Dat was echter niet juist omdat de voorkeursadvocaat van de heer Dolmatov tijdig een beroepsschrift had ingediend. Die systeemfout was in ieder geval niet bekend, maar die is hersteld. Naar ik aanneem is ook duidelijk – en misschien kan de staatssecretaris daar ook antwoord op geven – dat de reeks van fouten die voor een groot deel neerkomen op het niet-nakomen van beleid dat juist voorziet in de oplossing en het zo klein mogelijk maken van het risico dat iemand in detentie zelfmoord kan plegen, in ieder geval niet bekend was. Dat is de reden waarom ook VluchtelingenWerk het voorval een unieke situatie noemt.

De heer Klein (50PLUS):

Ik begrijp niet helemaal de opmerking dat de systeemfout van het vinkje niet bekend was. Uit de hoorzitting heb ik begrepen dat de IND bezig was met een interne discussie over de vraag of ze iemand na twee weken of na vier weken in bewaring moesten laten stellen. Die discussie heeft ertoe geleid dat er uiteindelijk niks gebeurde en dat het al na een dag plaatsvond. Als ik het goed begrepen heb, was er al een uitgebreide discussie bij de IND. Of heeft de heer Van der Steur dat deel van de discussie niet gevolgd?

De heer Van der Steur (VVD):

Zeker wel. De heer Klein zat naast mij en zal dus weten dat ik die discussie heb gevolgd. Ik heb de beantwoording van de staatssecretaris gelezen. Hij geeft aan dat het probleem met het vinkje niet bekend was en onmiddellijk is opgelost naar aanleiding van het rapport van de inspectie. Dat staat in de beantwoording op de vragen die wij gisteren hebben gekregen. Ik kan niet anders dan daarvan uitgaan.

De heer Klein (50PLUS):

In dat opzicht trekt u de woorden van de heer Bos van de Inspectie Veiligheid en Justitie dus even in twijfel.

De heer Van der Steur (VVD):

Nee! U moet goed luisteren naar wat de heer Bos heeft gezegd. Ik heb het om die reden nog even teruggeluisterd. Op de vraag of systeemfouten bekend waren bij de directies waarmee hij had gesproken, was het antwoord ja. Het probleem is echter dat ik niet heb gevraagd welke systeemfouten dat precies waren. Dat verwijt ik mijzelf ook. Ik denk dat het goed is dat de staatssecretaris deze vraag beantwoordt, want hij zal daarop een antwoord kunnen geven. Ik kan dat niet doen omdat ik niet over die informatie beschik. Wij moeten erg oppassen dat wij niet alle systeemfouten als zodanig hierop betrekken. Wij moeten niet vergeten dat een groot deel van de fouten die gemaakt zijn, juist betrekking hebben op beleid dat gericht was op het voorkomen van dit risico, maar dat op een afschuwelijke manier niet is uitgevoerd.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Volgens mij is het probleem ook dat al die fouten zich op allerlei verschillende plekken kunnen voordoen. Naast het punt over het vinkje – het is trouwens heel raar dat wij daarover op die manier spreken – heb ik een vraag over het ten onrechte vastzetten van mensen. Gisteren in de hoorzitting hebben wij daarover ook gesproken. De advocaat van de heer Dolmatov gaf aan dat het regelmatig voorkomt dat mensen ten onrechte worden vastgezet. Zojuist kreeg ik nog bericht van een minderjarige asielzoeker van wie de rechter gisteren ook heeft gezegd dat die ten onrechte is vastgezet. Ik zou daarop graag een reactie van de heer Van der Steur horen.

De heer Van der Steur (VVD):

Het ten onrechte vastzetten is in dit geval veroorzaakt door een onjuiste en onduidelijke instructie over de wijze waarop je in het computersysteem moet aangeven of iemand al dan niet in beroep is gegaan, aldus de inspectie. De daaruit voortvloeiende onjuiste uitvoering van een op zich bestaand beleid heeft ertoe geleid dat de heer Dolmatov als verwijderbaar werd aangemerkt. Dat heeft in dit geval geleid tot het ten onrechte vastzetten van de heer Dolmatov. Dat feit vindt de VVD-fractie absoluut te betreuren. Ik vind het niet juist om op basis van de rapporten waarover wij vandaag spreken, uitspraken te doen over andere voorvallen, die ik niet ken, maar ik kan niet uitsluiten dat die systeemfouten ook in andere gevallen zijn toegepast. Dat blijkt ook uit de rapportage en dat heeft de heer Bos gisteren ook gezegd. Wij weten dat nu. Wij weten inmiddels ook dat dit vinkje in 300 gevallen, die als ik de staatssecretaris goed heb begrepen overigens allemaal niet tot vreemdelingenbewaring geleid hebben, ook tot andere problemen heeft geleid.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Dat stond inderdaad in de beantwoording van de staatssecretaris: ondanks het vinkje waren mensen niet vastgezet. Het komt echter regelmatig voor dat mensen ten onrechte vastgezet worden. De heer Van der Steur heeft het uitgebreid over systeemfouten en uitvoering en dergelijke, maar het gaat hier wel om mensen. Afgezien van de analyse van de fouten zou ik graag wat meer een beoordeling daarvan willen horen. Wat vindt de heer Van der Steur hiervan?

De heer Van der Steur (VVD):

Als mevrouw Voortman de vraag zo stelt, is het antwoord eenvoudig te geven. Wij hebben een beleid dat erop gericht is dat mensen niet ten onrechte worden vastgezet. Dat geldt in de hele strafrechtketen en dus ook in het vreemdelingenrecht. Dat is het beleid. Wij moeten er alles aan doen om fouten in dat beleid te voorkomen. Mevrouw Voortman weet net zo goed als ik dat dit niet in alle gevallen lukt, maar dat neemt niet weg dat onze inzet erop gericht moet zijn om fouten te voorkomen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De heer Van der Steur zei dat dit een uniek geval was, althans dat had Amnesty International gezegd. Om dit even te corrigeren: Amnesty heeft gezegd dat dit geval uniek was qua opeenstapeling van fouten, maar dat het samenspel van fouten zeer herkenbaar was. Dit is niet het eerste rapport over de vreemdelingenketen. Ik zal ze nog even noemen: de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer heeft dit al in 2010 aangekaart, de Inspectie voor de Gezondheidszorg deed dat in haar rapport uit 2009. Ook het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing heeft hierover geoordeeld, evenals Amnesty International, de Ombudsman en VluchtelingenWerk. Al die rapporten geven keer op keer fouten in de vreemdelingenketen weer. Nu komt dat heel specifiek naar boven. Wat is het oordeel van de heer Van der Steur over de vreemdelingenketen en het optreden van de heer Teeven, aangezien er zelfs na de dood van Dolmatov nog heel afhoudend op een klachtenbrief is gereageerd?

De voorzitter:

Voordat de heer Van der Steur antwoord geeft, wijs ik erop dat het belangrijk is dat wij in dit debat voorzichtig zijn met de woorden die wij kiezen. Het gaat over de staatssecretaris. Het gaat niet over een persoon maar over de functie van staatssecretaris. Ik zou het dus fijn vinden als men niet aan de persoon refereert.

De heer Van der Steur (VVD):

Laten we vooropstellen dat het heel goed is dat er zo veel rapporten zijn die telkens weer onderzoek doen naar de vraag of alles wat wij in Nederland doen op het precaire punt van het vreemdelingenbeleid, op de goede manier wordt uitgevoerd. Elk rapport dat is verschenen, wordt voorzien van een beleidsreactie. Daarin wordt elke keer weer op al die punten gezegd: wij pakken die problemen aan. Ik heb dat heel grondig bekeken. Dat werkt heel goed, want als je goed kijkt – ik adviseer ook de andere woordvoerders om daar heel scherp in te zijn – kun je vaststellen dat die problemen op een heel groot aantal terreinen niet meer terugkeren. De rode draad wordt gevormd door problemen en klachten van vreemdelingen over het gebrek aan dagbesteding; ook vinden zij dat ze te lang in de cel zitten. Ook daarvoor geldt dat het een gevolg is van het beleid dat de Kamer heeft ondersteund. Als een probleem wordt gesignaleerd, volgt een beleidsreactie waarin maatregelen worden voorgesteld om dat probleem op te lossen. Dat is precies zoals het hoort. Het siert onze samenleving en onze overheid dat wij er op zo veel manieren voor zorgen dat het overheidsbeleid wordt getoetst door al dan niet volledig onafhankelijke organisaties.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Het is inderdaad de bedoeling van rapporten dat de aanbevelingen die daarin staan, serieus worden genomen. Er zijn al zo veel rapporten geschreven, het oudste is al uit 2008, met allerlei aanbevelingen. De Ombudsman heeft zich gisteren beklaagd over het feit dat hij al in april 2012 een rapport heeft neergelegd bij het ministerie met allerlei aanbevelingen. In het uiteindelijke gesprek met de staatssecretaris en de minister krijgt hij te horen: had u dan een vraag? En: wat maakt u het ons nu moeilijk. Is dit de houding die het ministerie moet aannemen met betrekking tot het Vluchtelingenverdrag bij het ter kennis nemen van een afgewogen, onafhankelijk oordeel over de vraag of mensen wel of niet zijn gevlucht?

De heer Van der Steur (VVD):

Ik vind het lastig om antwoord te geven op de vraag van de heer Voordewind, omdat ik niet bij dat gesprek aanwezig was. Wij kunnen alleen afgaan op de opmerkingen die de heer Brenninkmeijer daar gisteren over heeft gemaakt in zijn functie als Nationale ombudsman. Ik stel vast dat op al zijn rapporten een beleidsreactie is gekomen. Ik stel vast dat de rapporten die hij schrijft, niet zien op de specifieke situatie die zich heeft voorgedaan. Ik vind niet dat de heer Voordewind van mij kan verwachten dat ik een waardeoordeel uitspreek over een gesprek waarvan ik slechts één versie ken en waar ik verder niet bij betrokken ben geweest.

De heer Schouw (D66):

Misschien kan de VVD-fractie wel een waardoordeel uitspreken over twee dingen. Een. Op ambtelijk niveau is anderhalf jaar lang gesoebat over het vinkje. Vindt de heer Van der Steur dat normaal? Twee. Dat had een fataal rechtsgevolg in, zo lees ik in de antwoorden van de staatssecretaris van gisteren, ten minste 300 zaken.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik begin met dat tweede punt. Ik denk dat ook de heer Schouw er verstandig aan doet om in dit debat heel zuiver te formuleren. Een "fataal rechtsgevolg" is toch iets anders dan het onderwerp waar wij nu over spreken. Wij hebben het nu over de afschuwelijke situatie van de heer Dolmatov. De staatssecretaris heeft vastgesteld dat in 300 gevallen ten onrechte het vinkje niet werd gezet, zonder dat dit geleid heeft tot uitzetting of tot vreemdelingenbewaring. Ik hecht eraan dat op te merken. Wij moeten wel uitgaan van de juiste feiten.

De heer Schouw (D66):

Dat is geen antwoord op mijn vraag. Ten minste 300 gevallen hebben nadeel ondervinden van het vinkje. Er is anderhalf jaar gesoebat in de organisatie over die kwestie die voor 300 gevallen leidde tot, laat ik het voorzichtig formuleren, een niet juiste beoordeling. Wat vindt de VVD-fractie daarvan?

De heer Van der Steur (VVD):

Het is goed als de heer Schouw de vraag op die manier – ik heb hem in algemene zin gesteld – ook aan de staatssecretaris stelt, zodat de staatssecretaris de gelegenheid krijgt om vanuit zijn expertise en zijn visie op zijn ambtelijke organisatie daarop antwoord te geven. Dan is het aan de VVD-fractie om daaraan in tweede termijn een kwalificatie te verbinden. Dan mag de heer Schouw het wederom aan mij vragen. Hij kan het op dit moment niet aan mij vragen, omdat ik niet over de feiten beschik. Ik weet niet wat het soebatten heeft ingehouden. Het is goed als de heer Schouw die vraag aan de staatssecretaris stelt.

Mevrouw Thieme (PvdD):

De heer Van der Steur zegt dat je goed scherp moet kijken naar de rapporten, de beleidsreacties en de verbeteringen die zijn verwezenlijkt. Vindt de heer Van der Steur dat de Ombudsman scherp heeft gekeken?

De heer Van der Steur (VVD):

Ook dat is een onzuivere vraag, want de Ombudsman heeft twee rapporten uitgebracht. Ik moet dus aan mevrouw Thieme de wedervraag stellen welk rapport zij bedoelt.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Er zijn de afgelopen jaren diverse rapporten verschenen. Dit speelt al zeer lang. De Ombudsman heeft gekeken naar alle rapporten die er op dit moment zijn. Hij heeft rechtstreeks contact gehad met het ministerie en hij heeft zelf een rapport uitgebracht. Ik wil gewoon van de heer Van der Steur weten of hij vindt dat de Ombudsman scherp heeft gekeken, ook in deze specifieke zaak.

De heer Van der Steur (VVD):

Het spijt mij zeer, ik kan hierop geen antwoord geven. Er zijn twee rapporten over twee totaal andere onderwerpen. Daar zijn twee verschillende beleidsreacties op gekomen. Ik kan de vraag dus niet beantwoorden, omdat ik niet weet op welk specifiek rapport mevrouw Thieme hier doelt.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Ik vind dit zeer flauw. De heer Van der Steur kan gewoon zeggen wat hij van beide rapporten van de Ombudsman vindt. Heeft die in alle twee de rapporten scherp gekeken of vindt de heer Van der Steur misschien een rapport toch wel erg slecht? Daar kan hij gewoon antwoord op geven.

De heer Van der Steur (VVD):

Dat is op zichzelf al een lastige vraag. Laat ik beginnen met het laatste rapport, want daarover heb ik gisteren ook een vraag aan de Ombudsman gesteld, het rapport over vreemdelingenbewaring. Dit na vastgesteld te hebben dat op het rapport van de Nationale ombudsman over suïcide in detentie een uitgebreide beleidsreactie van de staatssecretaris is gekomen, waarin alle kritiekpunten van de Ombudsman zijn opgevolgd. Ter illustratie noem ik het punt van het calamiteitenonderzoek nadat een suïcide in detentie heeft plaatsgevonden. Dat gaat niet alleen over detentie in de casus van vreemdelingenbewaring, maar over detentie in den brede in alle Nederlandse penitentiaire inrichtingen. Bijvoorbeeld het advies van de Nationale ombudsman om het calamiteitenonderzoek onafhankelijker te laten plaatsvinden, is door de staatssecretaris opgevolgd. Daarvan wordt ook gezegd dat de Nationale ombudsman op dat punt gelijk heeft en dat er onmiddellijk iets aan gedaan gaat worden. Dat is ook geïmplementeerd. Ik kan het wel herhalen, maar ik denk dat mevrouw Thieme de rapporten goed kent. Alle adviezen in dat rapport zijn opgevolgd.

Over het rapport over de vreemdelingenbewaring heb ik gisteren specifiek een vraag aan de Nationale ombudsman gesteld. Hij schrijft namelijk – ik zeg het uit mijn hoofd na, maar wel letterlijk – dat hij geen rechtstreeks onderzoek gedaan heeft naar het onderwerp medische zorg in detentie. Hij verwijst daarvoor naar een rapport uit 2009 van de Inspectie voor de Gezondheidszorg. Dat rapport is voorzien van een beleidsreactie. Daarvan heeft de Inspectie voor de Gezondheidszorg in een later rapport vastgesteld dat alle aanbevelingen in het plan van aanpak zijn opgevolgd. Desondanks heeft de Nationale ombudsman – en hij heeft dat ook bevestigd – in zijn rapport, op basis van gesprekken met de mensen in vreemdelingenbewaring zelf, geschreven dat er naar hun oordeel nog steeds problemen zijn rond de medische zorg. Dat is overigens een punt dat vanuit de positie van de vreemdelingen in vreemdelingenbewaring ook wel te begrijpen is. Dan is de vraag of de Nationale ombudsman zorgvuldig genoeg gekeken zou hebben of dat hij het onderzoek zorgvuldig heeft gedaan. Wat de gesprekken met de vreemdelingen betreft, vast en zeker; ik was er niet bij. De Ombudsman lijkt het echter niet met de Inspectie voor de Gezondheidszorg eens te zijn dat het plan van aanpak naar aanleiding van de conclusies uit 2009 van de inspectie adequaat is. Ik zal er in dit debat geen waardeoordeel over uitspreken. Dat mag mevrouw Thieme zelf doen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

De heer Van der Steur zegt hier eigenlijk met een heleboel woorden dat hij het werk van de Ombudsman helemaal niet serieus neemt. Hij zegt dat hij niet kan beoordelen of dat onderzoek wel zorgvuldig is uitgevoerd. Het feit dat hij geen enkele kritiek heeft op het aarzelen, op het treuzelen zoals de Ombudsman het gisteren zelf kwalificeerde, van het ministerie van Veiligheid en Justitie om iets te doen aan de schrijnende situatie die de Ombudsman weergaf in het rapport over vreemdelingendetentie, toont wel aan dat de heer Van der Steur dat rapport niet serieus neemt. Dat is echter niet het enige rapport. Ik noem de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, het adviesorgaan van deze staatssecretaris. Het betreft twee rapporten. Aanbevelingen overgenomen? Helemaal niet. "Expertise getoetst" van de ACVZ? Geen enkele aanbeveling overgenomen. "Menswaardig bestaan"? Geen aanbevelingen overgenomen. Hoe kan de heer Van der Steur hier volhouden met zo veel woorden dat de staatssecretaris kritiek die hem ter ore komt serieus neemt?

De heer Van der Steur (VVD):

Ik begrijp de vraag van mevrouw Gesthuizen. Ik weet dat die voortvloeit uit haar oprechte zorg over de wijze waarop in Nederland met de vreemdelingen wordt omgegaan. Ik respecteer dat ook. Zij vraagt mij nu om standpunten in te nemen die ver uitgaan boven het onderwerp van dit debat inzake de reeks van fouten die in het geval van de heer Dolmatov heeft geleid tot een afschuwelijk eindresultaat, waarvan ik helemaal in het begin al heb gezegd hoe de VVD-fractie daarover denkt. Wij spreken in dit huis met grote regelmaat over alle aspecten van het vreemdelingenbeleid. Ik vind het dan ook niet juist dat wij dit debat daartoe oprekken. Ik ben het ook niet eens met haar parafrase van mijn opmerkingen alsof ik zou vinden dat de rapporten van de Nationale ombudsman niet serieus zijn genomen. Ik constateer alleen maar de feiten, namelijk dat de Ombudsman adviezen geeft en dat die in het geval van een van de rapporten expliciet en duidelijk zijn overgenomen. Ik denk wel dat het juist is dat de Nationale ombudsman een andere visie heeft op vreemdelingendetentie dan de afgelopen kabinetten en bewindspersonen hebben gehad. Dat is ook uitgelegd in de briefwisseling. In de kabinetsreactie van, uit mijn hoofd, 19 maart op de brief van de Nationale ombudsman wordt een groot aantal van de aanbevelingen uit de rapporten over vreemdelingendetentie becommentarieerd en een deel ervan ook overgenomen.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Dit is geen antwoord op mijn vraag. Ik heb de heer Van der Steur twee rapporten voorgehouden die afkomstig zijn van de Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, die wel degelijk gaan over het wel en wee in de vreemdelingenketen. De heer Van der Steur zegt dat rapporten in het algemeen serieus worden genomen en dat er ook aanbevelingen worden opgevolgd. Dat is in deze gevallen niet gebeurd, Deze rapporten zijn met gemak terzijde geschoven door de staatssecretaris, bijvoorbeeld wat het eigen toezicht betreft op de medische controles, BMA en MediFirst. In het adviesrapport "Expertise getoetst" van de ACVZ stonden adviezen over het verbeteren van de interne controle, maar de staatssecretaris heeft die terzijde geschoven. De heer Van der Steur heeft hier toch zelf gezegd dat aanbevelingen serieus worden genomen? Als hij die opmerkingen in het algemeen maakt, mag ik hem toch vragen hoe het dan zit met deze twee rapporten? Ik herhaal mijn vraag.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik begrijp dat mevrouw Gesthuizen die vraag stelt. Die vraag moet zij echter niet aan mij stellen, maar aan degene die in haar beleving de aanbevelingen terzijde heeft geschoven, zoals zij dat zelf zegt. Dan zal ik met interesse naar het antwoord luisteren en ervan vinden wat ik ervan vind.

De heer Klein (50PLUS):

Ik begrijp dat de heer Van der Steur het debat niet wil oprekken, zoals hij dat uitdrukt. Hij zegt: het gaat alleen maar over de treurige situatie van de heer Dolmatov en de rest zien wij wel. Dat kan ik toch niet helemaal plaatsen in het licht van de vragen die de VVD-fractie afgelopen dinsdag heeft gesteld. Toen rekte zij de boel uitdrukkelijk wel op door te vragen welke maatregelen zijn genomen na de rapporten van de Ombudsman, hoe de staatssecretaris daarmee is omgegaan en wat hij met die opmerkingen heeft gedaan. De VVD heeft terecht vragen gesteld om meer inzicht te krijgen in het geheel en niet alleen in deze specifieke situatie. Ook de achterliggende discussie is dus aan de orde.

De heer Van der Steur (VVD):

Dit wordt een lastig debat. Wij hebben vastgesteld dat er fouten zijn gemaakt. De VVD-fractie wil weten hoe het gekomen is dat die fouten zijn gemaakt. Voor een groot deel geeft de inspectie daar een heel zuiver en gedegen antwoord op. Om die reden heb ik de inspectie ook gecomplimenteerd met het goede werk dat zij heeft gedaan. Ik heb die vragen heel specifiek gesteld in het kader van dit onderzoek en van de situatie zoals die zich hier heeft voorgedaan. De beantwoording daarvan neem ik mee in het debat over het rapport waar wij het vandaag over hebben. Ze kunnen in de toekomst ook meegenomen worden in algemene debatten over het gehele asielbeleid, maar zulke debatten zijn nu niet aan de orde.

De heer Klein (50PLUS):

Dan kijk ik vervolgens naar de antwoorden op de schriftelijke vragen, naar de beoordeling en, veel belangrijker, naar de aanbevelingen waarop de staatssecretaris heeft gereageerd. Die gaan niet over het specifieke geval, die gaan veel breder. Daarmee is de discussie hier per definitie veel breder. Het gaat niet alleen over het uitrekken, maar over de vraag ten principale hoe wij in Nederland omgaan met vreemdelingenbewaring.

De heer Van der Steur (VVD):

Op zichzelf begrijp ik die suggestie, maar wij zijn het debat met elkaar ingegaan om te zien wat in dit specifieke geval de aanleiding is geweest voor de afschuwelijke situatie die zich heeft voorgedaan. Het blijkt dat er op een aantal terreinen fouten zijn gemaakt. Voor een groot deel gaat het daarbij om het handelen of het nalaten van handelingen door functionarissen. Tegelijkertijd is er een probleem met de wijze waarop de instructie plaatsvindt. Dat is de focus van het debat. Dat wil niet zeggen dat de resultaten van de inspectie niet breder kunnen worden getrokken, maar het is niet aan mij om dat in dit debat te doen.

Ik stel vast dat de staatssecretaris na het voorval een groot aantal maatregelen heeft getroffen. Ik stel ook vast dat hij de aanbevelingen van de inspectie een-op-een heeft overgenomen en opgepakt. Zo wordt het beleid verder verscherpt. Hierbij geldt dat de verantwoordelijke functionarissen niet alleen het gewijzigde beleid en de gewijzigde procedures en protocollen juist moeten uitvoeren, maar zich ook blijvend moeten realiseren waartoe het beleid dient: de veiligheid van personen die aan de Nederlandse overheid zijn toevertrouwd. Ik verwijs nog een keer naar de woorden van de IGZ tijdens het gesprek gisteren: de blik op protocollen mag nooit in de plaats komen van de individuele beoordeling. Ik voeg daaraan toe: zeker niet als het gaat om het leven en welzijn van mensen die aan de zorg van de overheid zijn toevertrouwd.

De vraag is of de beleidsreactie op de aanbevelingen van de inspectie de geconstateerde problemen oplost, waardoor de kans op herhaling van zo'n afschuwelijk voorval als dit – ook VluchtelingenWerk typeerde het als een unieke situatie – zo klein mogelijk wordt gemaakt. Ziet de VVD het goed dat de bestaande systemen en de bestaande regelgeving het voorval met een juiste uitvoering en overdracht van informatie al hadden kunnen voorkomen, althans de kans daarop aanzienlijk hadden kunnen verkleinen? Ook op dat punt zou ik graag een reactie van de staatssecretaris krijgen.

De door de inspectie geformuleerde aanbevelingen vormen dus een extra garantie dat de werkprocessen worden aangescherpt en leiden tot vermindering van het risico op zelfdoding in detentie. De opvolging van de aanbevelingen moet ertoe leiden dat deze risico's zich niet meer op deze wijze kunnen openbaren. Het beleid en de uitvoering daarvan moet gericht zijn op een humane, persoonsgerichte behandeling binnen de vreemdelingenketen en met name in detentie, waarbij, ook als uitzetting onvermijdelijk is, afdoende medische zorg moet worden geboden. Ik vraag de staatssecretaris dan ook om in zijn reactie op de aanbevelingen en de wijze waarop hij die zal uitvoeren de volgende vragen mee te nemen. Hoe verandert het beleid daadwerkelijk? Wat betekent dat voor het risico op zelfdoding? Binnen welk tijdpad zal de aanscherping van het beleid volledig zijn geëffectueerd?

De VVD-fractie heeft de staatssecretaris in de afgelopen jaren leren kennen als een betrokken, kundige en stevige bewindspersoon. Mijn fractie wacht de beantwoording door de staatssecretaris op onze vragen en de vragen die door andere woordvoerders zullen worden gesteld, dan ook met interesse af.

Mevrouw Thieme (PvdD):

De VN heeft gezegd dat Nederland in strijd met het internationale recht handelt. Schaamt de heer Van der Steur zich daarvoor?

De heer Van der Steur (VVD):

Ik probeer even te bedenken wat de relevantie van mijn gevoelens over een uitspraak van de VN is voor het debat zoals we dat nu voeren.

Mevrouw Thieme (PvdD):

We hebben kennisgemaakt met de gevoelens van de heer Van der Steur, namens de VVD, over het tragische voorval met de heer Dolmatov, en over zijn betrokkenheid bij het welzijn van mensen in de vreemdelingendetentie. Hij heeft er met warme woorden over gesproken dat Nederland daarvoor een belangrijke verantwoordelijkheid heeft. Als de VN concludeert dat Nederland zich niet houdt aan het internationale recht, dan hoor ik graag de gevoelens van de heer Van der Steur namens de VVD-fractie.

De heer Van der Steur (VVD):

Laat ik dan in algemene zin beantwoorden dat de VVD-fractie vindt dat ook Nederland zich aan alle internationaalrechtelijke verdragen moet houden. Maar als mevrouw Thieme wil weten hoe de staatssecretaris over dit specifieke punt denkt, moet zij die vraag aan hem stellen. Aan de hand van de beantwoording zal ik mevrouw Thieme dan op de hoogte brengen van mijn beoordeling van dat antwoord.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Dan is het wel opmerkelijk dat diverse organisaties in Nederland en daarbuiten, zoals Amnesty en de Raad van Europa, al diverse malen zeer harde woorden hebben geuit over het Nederlandse vreemdelingendetentiebeleid. Ik heb nog een vraag over het nemen van de maatregelen. Sinds de dood van Dolmatov zijn er maatregelen genomen en is er opgetreden. Had er, gegeven het feit dat de problemen deels al bekend waren, niet veel eerder moeten zijn opgetreden?

De heer Van der Steur (VVD):

Wij weten nog niet welke problemen bekend waren, en waar. Ik stel voor dat mevrouw Voortman die vraag aan de staatssecretaris stelt. Pas als dat duidelijk is, kan ik daarover een oordeel geven. Ik stel alleen maar vast dat de aanbevelingen zijn overgenomen en worden opgevolgd en dat meteen al na het voorval op een aantal naar mijn oordeel belangrijke terreinen door de staatssecretaris stappen zijn ondernomen om de risico's op dit specifieke geval te verkleinen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Uit een scala aan rapporten uit de afgelopen jaren, en ook uit de hoorzitting van gisteren, bleek dat verschillende problemen wel degelijk bekend waren. Denk aan de overdracht van medische informatie, denk aan het regime in de vreemdelingendetentie. Op allerlei plekken was die kritiek al bekend en is deze staatssecretaris daar rechtstreeks op aangesproken. Dus zeggen dat we nu nog niet weten welke problemen wel of niet bekend worden, is een beetje bezijden de waarheid.

De heer Van der Steur (VVD):

Ook hiervoor geldt zuiverheid. De IGZ heeft inderdaad in 2009 geconstateerd dat er risico's zijn. Het rapport van de IGZ uit 2009 concludeert overigens dat er op medisch gebied verantwoorde en veilige zorg wordt geboden in de detentiecentra. Die conclusie is, hoe je het ook wendt of keert, positief. Dat geldt overigens ook voor de conclusie van de Inspectie voor de Sanctietoepassing, over het detentiecentrum in Rotterdam: die is positief. Gelukkig worden in al die rapporten aanbevelingen gedaan. We kunnen doen alsof in die rapporten moord en brand wordt geschreeuwd – ik begrijp dat wel van de oppositie – maar een ding is zeker: het rapport over het Rotterdamse detentiecentrum is per saldo positief, en er worden aanbevelingen gedaan. Die aanbevelingen hebben in alle gevallen geleid tot een beleidsreactie waarin de aanbevelingen worden overgenomen. Zo hoort het binnen een correcte overheid te gaan.

De heer Schouw (D66):

Ik hoop dat dit geen debat tussen oppositie- en regeringsfracties wordt. De heer Van der Steur heeft deze week voor de NOS gezegd: het is aan de staatssecretaris om te laten zien dat hij het vertrouwen verdient om de aanbevelingen uit te voeren, en ik laat mijn oordeel daarover afhangen van het debat. De staatssecretaris zal met een goed verhaal moeten komen, aldus de heer Van der Steur. Ik zie hoe de VVD-fractie erin zit. Maar ik heb nog niet helemaal scherp wat de eisen van de VVD-fractie zijn ten aanzien van dat goede verhaal waarmee de staatssecretaris moet komen.

De heer Van der Steur (VVD):

De heer Schouw heeft zich ook de afgelopen weken meermalen over het staatsrecht uitgelaten. Hij weet dus heel goed dat de fractie een afweging maakt aan de hand van het debat en de punten die de fractie van relevantie vindt voor het debat. Ik kan op dit moment dus onmogelijk een antwoord op zijn vraag geven omdat ik niet het geweten van mijn fractie op dit punt ben.

De heer Schouw (D66):

Mag ik dan uit de inbreng van de heer Van der Steur in deze eerste termijn opmaken dat voor de VVD een belangrijk toetspunt is: de directie was geïnformeerd over de problemen en wat wist de staatsecretaris daar precies van en welke acties heeft hij op dat punt ondernomen?

De heer Van der Steur (VVD):

Dat is een van de toetspunten. Er zijn er dus meer, want ik heb meer vragen gesteld. Ik heb ook gevraagd naar de aanbevelingen en de wijze waarop die worden geïmplementeerd. Er zullen ongetwijfeld nog vragen zijn die ik heb overgeslagen en die wellicht de heer Schouw nog wel gaat stellen. Al die punten zullen we meenemen in onze eindbeoordeling in de tweede termijn.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De heer Van der Steur zegt dat de staatssecretaris pas op de hoogte was van de fouten in het systeem – denk aan het vinkje en de 300 onterecht verwijderbaren – op het moment dat de inspectie met het rapport naar de staatssecretaris en de directie toe kwam. Vindt de heer Van der Steur niet dat de staatssecretaris dit soort informatie had moeten kennen, aangezien de fouten al stammen van medio 2011 en de staatssecretaris inmiddels alweer zeven maanden staatssecretaris is?

De heer Van der Steur (VVD):

Volgens mij trad de staatssecretaris aan in november 2012. Dit even daargelaten, is dit een vraag die de heer Voordewind aan de staatssecretaris zou moeten stellen, omdat ik niet weet hoe dat gegaan is en ik ook niet weet wat de staatssecretaris er zelf van vindt. Ik stel wel vast dat in de beantwoording staat dat op een bepaald moment de inspectie kwam met het rapport en duidelijk werd dat dit probleem zich had voorgedaan en dat men inmiddels heeft vastgesteld dat in het ongeveer 300 gevallen heeft geleid tot het verkeerde vinkje en dat het in geen van die gevallen heeft geleid tot vreemdelingenbewaring. Ik denk dat dit laatste heel belangrijk is, want het betekent dat dat vinkje alleen in het geval van de heer Dolmatov tot bewaring heeft geleid.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Maar er zijn zeven mensen onterecht uitgezet. Dat zijn toch heel grove fouten in het systeem. Het gaat om mensen die dus niet hadden moeten worden uitgezet en in risicovolle gebieden en levensbedreigende situaties terecht hadden kunnen komen – het ging namelijk niet alleen over Dublinclaimanten – en dat is dan toch iets waar de staatssecretaris als politiek verantwoordelijke op zijn minst van had moeten weten? Ik vraag het straks aan de staatssecretaris maar ik vraag het nu aan de VVD-fractie.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik denk dat het goed is dat de heer Voordewind dat aan de staatssecretaris vraagt. Dan moet hij daarbij ook de vraag stellen of die zeven die onterecht uitgezet zijn, onderdeel vormen van die ongeveer 300. Als dat namelijk niet zo is, gaat het argument van de heer Voordewind niet op. Ik adviseer hem dan tevens de staatssecretaris te vragen wat de aard was van die onterechte uitzetting. We hebben hier het systeem dat de rechter zich uitspreekt over uitzettingen, terwijl in sommige gevallen de uitzetting al heeft plaatsgevonden. Zo werkt ons systeem. Dat heeft ook te maken met de termijnen die de heer Voordewind ongetwijfeld goed kent. Misschien is het wel heel simpel te verklaren doordat het niets te maken heeft met een systeemfout maar met het feit dat de rechter uitspraak heeft gedaan nadat de uitzetting had plaatsgevonden. In zo'n geval wordt zo iemand teruggehaald en dat weet ook de heer Voordewind.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik krijg helaas gen antwoord op mijn vraag.

De heer Van Hijum (CDA):

De heer Van der Steur gaf zo-even aan dat hij na het debat de mogelijke consequenties van het rapport van de inspectie voor de positie van de staatssecretaris zou willen beoordelen in de fractie. Dat lijkt mij een zuivere redenering die ook de CDA-fractie zal volgen. Mijn vraag betreft echter de opmerking die zijn fractievoorzitter in de aanloop naar dit debat heeft gemaakt, dat er een onderscheid gemaakt zou moeten worden tussen beleidsfouten en uitvoeringsfouten. Die staatsrechtelijke doctrine over de ministeriële verantwoordelijkheid kende ik nog niet. Zou de heer Van der Steur, die ook jurist is, mij de Zijlstradoctrine nader kunnen toelichten?

De heer Van der Steur (VVD):

Dat doe ik met genoegen. Laat ik vooropstellen dat de ministeriëleverantwoordelijkheidsdoctrine in Nederland de naam draagt van de heer Bolkestein. Die doctrine is in 1988 door de heer Bolkestein ontwikkeld. Die zegt twee heel eenvoudige zaken. Ten eerste ligt de politieke verantwoordelijkheid voor het handelen of het nalaten van handelen van diens ambtenaren, bij de bewindspersoon; of deze dat nu wist of niet wist. Dat maakt dus niet uit voor de vraag of de staatssecretaris in dit geval politiek verantwoordelijk is voor wat er fout is gegaan in het geval van de heer Dolmatov. De VVD-fractie houdt die doctrine nog steeds staande: voor de politieke verantwoordelijkheid doet het niet ter zake of de bewindspersoon op de hoogte is van iets of niet; dat doet niet ter zake bij een handelen of nalaten van handelen van een ambtenaar in een individueel geval. Het is dan ook logisch dat de staatssecretaris, uitgaande van dit uitgangspunt van de Bolkesteindoctrine, al in zijn beleidsreactie en in de persconferentie heeft gezegd dat hij zijn volledige politieke verantwoordelijkheid aanvaardt voor wat er fout is gegaan.

Onze fractievoorzitter heeft vervolgens aangegeven wat een voorbeeld is van de uiteindelijke afweging – die, zoals de heer Van Hijum ongetwijfeld weet, een politieke afweging is – rond de vraag of de politieke verantwoordelijkheid die wordt genomen en de fouten die zijn gemaakt, moeten leiden tot consequenties. Wat de heer Zijlstra zei, is dus een van de onderdelen van die afweging. Dat wil niet zeggen dat er opeens een andere doctrine is ten aanzien van de politieke verantwoordelijkheid. De heer Schouw vroeg net al naar voorbeelden van die afwegingen. Welnu, wat die afwegingen zijn, zullen we zien aan het eind van het debat. Zoals bekend zal dit voor een groot deel in de boezem van de fractie plaatsvinden en daar waarschijnlijk ook blijven, maar de eindconclusie zal ongetwijfeld helder zijn.

De heer Van Hijum (CDA):

Dat was een heel uitgebreid antwoord. Ik realiseer me dat zoiets wel een beetje wordt uitgelokt als je deze vraag aan een jurist stelt. Ik proefde echter dat de heer van der Steur zegt dat het doen of nalaten van mensen van uitvoeringsorganisaties die onder de verantwoordelijkheid van de staatssecretaris vallen, wel degelijk ook vallen onder diens politieke verantwoordelijkheid.

De heer Van der Steur (VVD):

Absoluut.

De heer Van Hijum (CDA):

Dat betekent dat het onderscheid dat de heer Zijlstra in dat interview maakte, voor dit debat niet relevant is.

De heer Van der Steur (VVD):

Daarmee ben ik het niet eens; die conclusie van de heer Van Hijum deel ik niet. Die afweging is namelijk wel relevant op het moment dat je de feiten vaststelt en je vaststelt – wat volgens mij nu niet ter discussie staat – dat de staatssecretaris een politieke verantwoordelijkheid heeft voor alles wat fout is gegaan in het specifieke geval van de heer Dolmatov. Daar doet de opmerking van de heer Zijlstra niets aan af. De heer Zijlstra heeft met zijn opmerking aangegeven dat bij de eindafwegingen over wat de consequenties moeten zijn van die politieke verantwoordelijkheid en de dingen die fout zijn gegaan, onder andere de vraag een rol kan spelen wat de staatssecretaris wel en niet wist. Dat is een van de aspecten waarvan je zou kunnen veronderstellen dat die een rol spelen in de eindafweging. Zo zijn die dingen ook zuiver. Die scheiding wordt al gemaakt sinds de Bolkesteindoctrine in 1988 werd ingevoerd en dit is consequent herhaald bij alle onderwerpen die sindsdien in deze Kamer aan de orde zijn geweest. Sommige fracties vinden dat zij al antwoord kunnen geven op die tweede vraag voordat het debat plaatsvindt. Onze fractie doet dat pas nadat het debat heeft plaatsgevonden, net zoals de fractie van de heer Van Hijum en vermoedelijk – en naar ik hoop – ook andere fracties.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Het gaat niet alleen om wat de staatssecretaris wel of niet wist, maar ook om wat hij had moeten weten. De heer van der Steur heeft nu een flink aantal vragen aan de staatssecretaris gesteld over wat deze wanneer wist. Op de vraag wat deze had moeten weten, kan de heer van der Steur nu al een antwoord geven. Vindt de VVD-fractie ook dat de staatssecretaris had moeten weten van de fouten die uiteindelijk een rol hebben gespeeld bij de dood van de heer Dolmatov?

De heer Van der Steur (VVD):

Ook dat is een vraag naar de eindafweging en die eindafweging ga ik hier en nu niet maken. Het is misschien vervelend voor mevrouw Voortman dat zij niet meekan met de afwegingen die wij zullen maken binnen onze fractie. De essentie is dat de staatssecretaris de politieke verantwoordelijkheid draagt voor alles wat er is gebeurd; of hij dat nu wist of niet, of hij destijds staatssecretaris was of niet. Laten we niet vergeten dat de staatssecretaris pas zeer kort actief is als verantwoordelijke voor de vreemdelingenketen. Daarvóór heeft minister Leers deze verantwoordelijkheid een paar jaar gedragen en zich in de Kamer verantwoord ten aanzien van aspecten van de vreemdelingenketen. Weer dáárvoor was staatssecretaris Albayrak met die verantwoordelijkheid belast, bijvoorbeeld ten tijde van het uitkomen van het rapport van de IGZ. We weten allemaal dat dit voor de vraag naar de politieke verantwoordelijkheid niet relevant is. Alles wat plaatsvindt in een departement is onderdeel van de politieke verantwoordelijkheid van de desbetreffende bewindspersoon. Bij de uiteindelijke vraag welke consequenties die verantwoordelijkheid heeft, kunnen dat soort aspecten echter een rol spelen. Bij de uiteindelijke vraag welke consequenties aan die verantwoordelijkheid verbonden moeten worden, kunnen dat soort aspecten een rol spelen. Daar ga ik nu niet op in, omdat ik niet vooruit wil lopen op de afweging die mijn fractie en iedere andere fractie zal maken.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Minister Leers zat in een kabinet waar de VVD ook deel van uitmaakte. Overigens zat de staatssecretaris toen ook al in het kabinet. Die verantwoordelijkheid was er dan ook wel degelijk al op dat moment. Speelt de vraag of de staatssecretaris het had moeten weten, een rol bij de afweging van de VVD-fractie? Had de staatssecretaris het moeten weten?

De heer Van der Steur (VVD):

Zonder enige twijfel is dat misschien een van de aspecten die de VVD-fractie meeneemt in haar afweging, maar het is niet aan mij om die afweging met mevrouw Voortman te bespreken. Dat is een afweging die wij zelf in de fractie maken. Ik hecht er verder aan op te merken dat mevrouw Voortman ten onrechte doet voorkomen dat een bewindspersoon in een kabinet verantwoordelijk is voor het hele beleid van dat kabinet. Zo werkt het niet. Ik heb zojuist wel uitgebreid uitgelegd dat het volgens de Bolkesteindoctrine niet relevant is waar de politieke verantwoordelijkheid begrensd is en ook niet of het voorval heeft plaatsgevonden in de bestuursperiode van een voorgaande bewindspersoon. De politieke verantwoordelijkheid strekt zich daar volgens de Bolkesteindoctrine gewoon toe uit. Maar dat wil niet zegen dat je het niet mee kunt nemen in de eindbeoordeling van de vraag tot welke consequenties die politieke verantwoordelijkheid moet leiden.

De heer Van der Staaij (SGP):

Ik gun de heer Van der Steur graag de Bolkesteindoctrine, maar ik herinner er wel aan dat de ministeriële verantwoordelijkheid voor het hele departement al sinds 1848 in de Grondwet is verankerd.

Ik vind het een belangrijk punt dat we de ministeriële verantwoordelijkheid en de vertrouwensregel nauwgezet uit elkaar houden. Als de heer Van der Steur het daarmee eens is, is hij het dan ook met mij eens dat het uiteindelijk niet gaat om de persoonlijke verwijtbaarheid van de betreffende minister of staatssecretaris? Zou dat wel het geval zijn, dan zouden we daarmee de ministeriële verantwoordelijkheid uithollen, aangezien er dan geen probleem zou zijn zolang de minister of staatssecretaris het maar niet wist. Het is nu juist de bedoeling om de ministeriële verantwoordelijkheid volledig te activeren door hem ook politiek verantwoordelijk te houden voor alles wat er in departementen gebeurt.

De heer Van der Steur (VVD):

Dat is een juiste samenvatting – ik had het niet mooier kunnen doen – van de gevolgen en de consequenties die wij verbinden aan artikel 42, tweede lid van de Grondwet dat de ministers verantwoordelijk zijn.

De Bolkesteindoctrine is in 1988 ontstaan, omdat juist dit laatste punt zich ontwikkelde. Men begon te zeggen: maar als hij er nou niets van afwist of er geen schuld aan had, dan … Het ging dus in de richting van een soort schuldaansprakelijkheid en Bolkestein heeft daar in ieder geval voor onze fractie een einde aan gemaakt door uit te spreken dat het niet gaat om schuldaansprakelijkheid, omdat een bewindspersoon op basis van de risicoaansprakelijkheid politiek verantwoordelijk is voor alles wat er fout gaat op zijn ministerie. Ik ben het dus geheel met de heer Van der Staaij eens.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Voorzitter. Heel scherp herinner ik me 17 januari, toen ik vroeg in de ochtend gebeld werd door journalisten met het afschuwelijke nieuws dat Aleksandr Dolmatov, gezeten in detentie in Rotterdam, zelfmoord had gepleegd. Gisteren, exact drie maanden na deze noodgreep van een nog slechts 36-jarige, getalenteerde, betrokken en slimme man, hoorden we nader over alle vreselijke details die zijn voorafgegaan aan zijn drastische besluit die nacht.

Gisteren pas achtte ik mij in staat om conclusies te verbinden aan datgene wat er is gebeurd. Dat brengt mij op de verontwaardiging en het ongeloof die ik voelde toen ik direct na het bekend worden van het verschrikkelijke nieuws op 17 januari op internet mocht lezen: zijn zelfmoord heeft volgens de woordvoerder van het ministerie van Veiligheid en Justitie te maken met persoonlijke redenen. Zijn asielaanvraag en de lopende procedure zouden volgens diezelfde woordvoerder geen rol hebben gespeeld. Gelukkig werd dit nieuws direct weersproken door de advocaat van Dolmatov en zijn moeder. En inmiddels weten we wie er gelijk had.

Waarom vond de staatssecretaris het nodig om gelijk al de verantwoordelijkheid van zich af te schuiven? Was het de bedoeling dat deze zaak niet tot op de bodem zou worden uitgezocht? En waar komt toch die neiging vandaan om direct de handen in onschuld te wassen, zonder dat we weten waarover we het hebben?

Aleksandr Dolmatov, een intelligente man die in Nederland een veilig toevluchtsoord zag en de fout maakte om op bescherming te rekenen door hierheen te komen, was doodsbang. Dat maakte hem doodziek. Ik schaam me, en dat zeg ik uit de grond van mijn hart, om te zien wat er in dit land is gebeurd met iemand die had laten zien de rechten van vrijheid, van rechtvaardigheid en van democratische inspraak ondanks gevaren te willen verdedigen. Fouten, het ontbreken van verantwoordelijkheidsgevoel, structurele gebreken in systemen en het niet willen zien van de mens voorbij het kruisje op het formulier, hebben Dolmatov het leven gekost. Daarom treur ik. Mijn hart gaat uit naar Dolmatovs moeder en vrienden, en naar hemzelf in zijn laatste momenten.

Mijn belangrijkste vraag aan de staatssecretaris vandaag is dan ook of hij bereid is om zelf zijn taak en functie neer te leggen. Ik vraag hem ook hoe hij de afgelopen tijd zelf heeft gereflecteerd op wat er is gebeurd onder zijn verantwoordelijkheid. De staatssecretaris heeft eerst in de media laten weten dat hij zichzelf de eerstaangewezen persoon acht om de verbeteringen uit te voeren die de inspecties voorstellen. Ik moet de staatssecretaris hier laten weten dat die opmerking bij mij alleen op gevoelens op twijfel kan rekenen, om niet te zeggen scepsis. Het is namelijk ook deze staatssecretaris die tot dusverre nergens blijk heeft gegeven van inzicht in de werkelijke problematiek die schuilgaat achter dit menselijk drama. Op die problematiek is hij eerder gewezen door onafhankelijke instanties zoals de Ombudsman. Daarvan zijn hem voorbeelden aangedragen door artsen, burgemeesters en wethouders, advocaten en kerken, vrijwilligers en professionele organisaties als Amnesty International, VluchtelingenWerk Nederland en INLIA, die zich bezighouden met het wel en wee in de vreemdelingenketen – niet in de laatste plaats met vreemdelingen in detentie – alsmede door een groot aantal fracties in deze Kamer.

De standaardreactie was echter dat Nederland uiterst zorgvuldige asielprocedures kent en dat de medische zorg, ook in detentie, op maat is en even goed is als in de rest van de samenleving. O ja? Is die medische zorg even goed als in de rest van de samenleving? Hoe komt het dan dat er al sinds dit najaar een verzoek ligt bij het bureau medische zaken van het Openbaar Ministerie om alsjeblieft te stoppen met de chantage door bewaarders van vreemdelingendetentie die meekomen met zieke vreemdelingen bij een bezoek aan een dokter, en die tegen deze arts in het ziekenhuis zeggen dat zij bij het gesprek willen zijn dat hij met de patiënt gaat voeren. Mag dat niet? Medisch beroepsgeheim? Dan wordt gezegd: dan nemen we de patiënt gewoon weer mee terug naar de detentie en dan spreekt u hem maar niet. Ik krijg hierop graag een reactie.

Dit soort voorbeelden zijn de afgelopen maanden steeds weer, keer op keer, aangedragen. De staatssecretaris hield zich er doof voor. Stokdoof waren ook de vertegenwoordigers van de IND en de DT&V toen we met vier Kamerleden een bezoek brachten aan het kantoor in Rijswijk, nog maar vier weken terug. Ik zie bij zowel deze bewindspersoon als bij de diensten waaraan hij leidinggeeft, weinig vermogen tot het bevatten van kritiek. Daar doet men gewoon niet aan. Hoe komt het dat in de gisteren van de staatssecretaris ontvangen antwoorden op onze vragen staat dat in 300 gevallen vreemdelingen die beroep instelden tussen 2011 en 2013, onterecht als verwijderbaar in het systeem van de IND kwamen? Dit hebben we ook niet gehoord bij ons werkbezoek aan de IND. Er ging geen belletje rinkelen, die 300 keer, bij de directies die dit hadden moeten oplossen. Er werd geen vraag gesteld. Kan dit niet tot gevaarlijke situaties leiden? Ik vraag de staatssecretaris nu of dit wel het geval is geweest.

Zelfs na de dood van Dolmatov antwoordde het ministerie van Veiligheid en Justitie als volgt op de noodkreet van gedetineerden van dezelfde afdeling, mensen die de suïcide van dichtbij hadden moeten meemaken en die bovendien zelf al kwetsbaar zijn: "Uw gezondheid heeft mijn aandacht. Daarom zijn de voorzieningen in het detentiecentrum erop ingericht dat de gezondheidszorg in het detentiecentrum gelijk is aan de gezondheidszorg in de samenleving. Onze inspanning is erop gericht dat uw gezondheid tijdens uw verblijf in detentie stabiel blijft." Geen krimp, geen enkele handreiking, helemaal niets, geen toezegging, geen gesprek. Helemaal niets. Geen bezoek om te kijken of datgene wat deze mensen in een noodkreet in een brief opschreven, misschien wel eens op waarheid kon berusten. Gewoon afgedaan, terzijde geschoven, niet meer naar gekeken na de dood van Aleksandr Dolmatov.

Dat is de papieren werkelijkheid van deze staatssecretaris. De harde waarheid is echter dat we niet eens weten hoeveel suïcidepogingen er plaatsvinden in detentiecentra waarin vreemdelingen zitten opgesloten. Dat wordt helemaal niet bijgehouden. Ik vraag of dat misschien komt omdat de zorg in detentiecentra ook stoelt op de gedachte dat als een vreemdeling hier dreigt met zelfmoord, dat eigenlijk altijd is omdat hij hoopt daarmee alsnog een vergunning te krijgen. Tal van mensen hebben gisteren in de Kamer verteld hoe de papieren werkelijkheid van de staatssecretaris er eigenlijk uitziet. Ik houd de staatssecretaris verantwoordelijk voor wat er is gebeurd. Hij heeft als bewindspersoon gewerkt aan een systeem en aan een attitude die er vooral op zijn gericht om vreemdelingen het land uit te krijgen. Het was het kabinet-Rutte I dat bij monde van de heer Wilders mooie sier maakte met uitspraken als: wij gaan de asielinstroom met 25% terugdringen. Uit alles wat is gebeurd, is duidelijk gebleken dat met dat motto geen fatsoenlijk beleid uit de bus kan komen. De bewijslast van de staatssecretaris is nu dan ook omgekeerd. Staat hier straks een geheel andere staatssecretaris Fred Teeven dan wij nu kennen? Neemt hij afstand van eerdere opmerkingen over zorgvuldige procedures en deugdelijke medische zorg? Ik vrees van niet, want zoals hij ook afgelopen maandag nog liet zien, is hij tot dusver doof voor kritiek en toont hij weinig oog voor de noodzaak voor humaniteit in het vreemdelingenbeleid.

De heer Recourt (PvdA):

Voorzitter. Zondag 13 maart 2013 wordt de Russische asielzoeker Aleksandr Dolmatov door de politie in verwarde en suïcidale toestand meegenomen naar het bureau en daar voor zijn eigen veiligheid ingesloten. In de nacht van woensdag op donderdag, 16-17 januari, verhangt hij zichzelf in de cel. In de periode daartussen – ik heb zelf geturfd – zijn minimaal negen fouten gemaakt door professionals die verantwoordelijk zijn voor het welzijn van Dolmatov: kleine fouten, grote fouten, individuele fouten, systeemfouten. Het inspectierapport dat die fouten blootlegt, liegt er niet om. De fouten en vooral de optelsom daarvan maken dat de Nederlandse overheid ernstig tekort is geschoten in haar zorgplicht voor Dolmatov. Of zijn dood een direct gevolg was van al die fouten, kan niet worden vastgesteld.

Mijn medeleven gaat in eerste instantie uit naar de moeder van Dolmatov. Zij vroeg: wat heeft mijn zoon gedaan dat hij voor de dood koos? Terecht wil zij de onderste steen boven hebben. Daar is met het rapport van de inspectie een grondig begin mee gemaakt. Vandaag gaan wij hiermee door. Toch heeft de inspectie niet alles kunnen onderzoeken. Het debat beperkt zich vandaag tot de vraag wat er gebeurd is in de periode van 13 tot 17 januari, de detentieperiode van Dolmatov, en de conclusies die daaraan moeten worden verbonden, ook ten aanzien van de ministeriële verantwoordelijkheid. Welke lessen wij kunnen leren zodat het nooit meer gebeurt, zodat het beter wordt, is nog een onderwerp.

Vooraf wil ik mijn respect uitspreken voor de staatssecretaris dat hij in ieder geval de koninklijke weg heeft bewandeld om hier in de Kamer verantwoording af te leggen voor iets wat goed mis is gegaan en waar hij politiek verantwoordelijk voor is; eerst het debat, dan de conclusies. Daarvoor mijn waardering. In mijn eerste termijn zal ik vooral vragen stellen. Conclusies bewaar ik voor de tweede termijn. Mijn eerste set vragen ziet op de beantwoording van de schriftelijke vragen die de Kamer aan de staatssecretaris heeft gesteld.

Als eerste is daar het probleem – ik zeg het maar oneerbiedig – met het vinkje. De staatssecretaris antwoordt dat een onjuiste registratie in INDiGO in geen enkel geval heeft geleid tot onterechte detentie of onterechte verwijdering met uitzondering van de heer Dolmatov. Dat is opvallend, want het is, zoals eerder gezegd, 300 keer misgegaan. Hoe moeten wij dat duiden? Is de fout telkens ontdekt voordat de bewaring feitelijk was opgelegd maar de vreemdeling al wel in de cel zat? Hoe zit het met die zeven mensen die ten onrechte zijn verwijderd en weer zijn teruggehaald? Welk probleem ligt daar dan aan ten grondslag als dat niet het probleem is met het vinkje?

Vervolgens zegt de staatssecretaris dat het departement pas bij het lezen van het onderzoek op de hoogte is gesteld van de problemen met het vinkje, maar in het rapport staat dat dit probleem al sinds medio 2011 bekend is. Bij de hoorzitting hebben wij ook gehoord dat de directies daarvan op de hoogte waren. Wat betekent dat dan? Kan de staatssecretaris hier nadere uitleg over geven? Met name het antwoord op vraag 16, waar een aantal keer naar wordt verwezen, lijkt een beetje cryptisch. Ik heb het voor mij. Er staat letterlijk: "In algemene zin geldt dat de geldende regelgeving moet worden toegepast. Daar zijn geen structurele signalen van niet-naleving geweest." En ietsje verder staat: "Wel is bekend dat verwijderbaarheidsinformatie altijd moet worden geverifieerd." Ik denk dat hierin het antwoord ligt, maar ik vind dit zo cryptisch dat ik er graag nog een nadere duiding van wil hebben.

De heer Schouw (D66):

Het siert de heer Recourt dat hij zegt zich te beperken tot vragen, maar hij zal het mij niet kwalijk nemen dat ik hem toch een opvatting probeer te ontlokken, met name op het punt waar hij over spreekt: anderhalf jaar ambtelijk gebakkelei over het vinkje en het formulier, met, zoals de heer Recourt het zelf omschrijft, grote gevolgen. Is er dan niet een begin van een oordeel dat dat niet acceptabel zou moeten zijn?

De heer Recourt (PvdA):

Nogmaals, het antwoord op de vraag of iets acceptabel is of niet zult u van mij horen in tweede termijn. De kwalificatie dat dit zeer onzorgvuldig is – zo kan ik het denk ik wel alvast stellen – krijgt u nu vast van mij mee.

De heer Schouw (D66):

Onzorgvuldig en natuurlijk toch ook ongewenst. Het mag toch niet zo zijn dat uitvoeringsorganisaties anderhalf jaar bakkeleien over iets zo cruciaals?

De heer Recourt (PvdA):

Evident is dit ongewenst. Gelukkig – kan ik bijna zeggen, maar dat weet je niet van tevoren – heeft het in maar één geval geleid tot een vreselijk ongeluk, als wat de staatssecretaris zegt inderdaad klopt, waar ik even van uitga. Dat ongeluk is overigens ook gekomen doordat nog meer veiligheidskleppen niet hebben gefunctioneerd. Maar evident is dit ongewenst.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Vindt de heer Recourt dat de staatssecretaris het had moeten weten, ofwel dat hij proactiever had moeten zijn in de feiten zoals wij die nu kennen? Dan gaat het om zeven onrechtmatige uitzettingen en 300 verkeerde indicaties in het systeem. Daarover hoor ik graag zijn oordeel.

De heer Recourt (PvdA):

Ook dat is wat mij betreft één termijn te vroeg. In de rest van mijn betoog zal ik nog verder op dit onderdeel ingaan. Eerst vraag ik nog echt goed door: wanneer was het ministerie op de hoogte en waarvan, wanneer was de staatssecretaris zelf op de hoogte, wat is er gedaan, ook om te controleren of maatregelen die zijn genomen daadwerkelijk het juiste effect hadden? Die vragen wil ik eerst beantwoord zien voordat ik een conclusie kan trekken.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Een aantal van de vragen die de heer Recourt stelt is ook schriftelijk gesteld. Daarop hebben wij gisteravond antwoord gekregen. Het blijkt dat de directies op de hoogte waren van de conclusies van de inspectie en de staatssecretaris naar wij aannemen dus ook, maar dat was pas na het uitkomen van het rapport. Mijn vraag is meer of de staatssecretaris eerder op de hoogte zou hebben moeten zijn, met name van de zeven onrechtmatige uitzettingen.

De heer Recourt (PvdA):

Ik kan alleen maar mijn antwoord herhalen. Het zou te vroeg zijn om nu daaraan nu die conclusie te verbinden. Sterker nog, de staatssecretaris heeft ook niet gereageerd op wat de voorzitter van de inspectie gisteren zei, dat het probleem bekend is bij verschillende directies. Het antwoord dat later is gekomen bij het ministerie is daarover wat mij betreft te vaag en onduidelijk. Vandaar dat ik nu vraag om opheldering. Na die opheldering krijgt u een conclusie.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik zie dat de heer Recourt dit hoog opneemt, maar zijn fractievoorzitter heeft deze week ook al gezegd dat hij het volste vertrouwen heeft in de staatssecretaris. Ik zou graag van de heer Recourt willen horen wat zijn standpunt daarover nu is.

De heer Recourt (PvdA):

Dat heb ik al een aantal keren in de media gezegd. Ik herhaal het graag hier in de Kamer. Wij kennen deze staatssecretaris als een goede staatssecretaris. Dat neemt niet weg dat wij vandaag open in dit debat staan en dat wij geen conclusies trekken voordat die conclusies moeten worden getrokken. Dat is mijn opdracht als woordvoerder. Ik heb alle ruimte als woordvoerder om het ook zo in te vullen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Dat hoorden wij inderdaad ook gisteren in een reactie van de heer Recourt, maar dan verbaast mij wel de aanvankelijke uitspraak van de fractievoorzitter van de PvdA, gelet op de zeer ernstige zaak waarover wij het nu hebben. Er is wel eens een staatssecretaris om minder afgetreden, onlangs nog de eigen staatssecretaris van de heer Recourt, de heer Verdaas.

De heer Recourt (PvdA):

Ik wil geen vergelijking trekken tussen wat ernstiger en minder ernstig is. Een vergelijking met het aftreden van de heer Verdaas is vandaag niet aan de orde. Je moet iedere zaak op zijn eigen merites beoordelen. Er is net een debatje gevoerd over de ministeriële verantwoordelijkheid. Die kent vele facetten. De conclusie trek je echter pas aan het eind. Dat is in alle gevallen hetzelfde.

Ik heb het al in een interruptie gevraagd, maar herhaal het nu snel. Wanneer is de staatssecretaris zelf op de hoogte gekomen van de problemen met het vinkje in INDiGO? In de beantwoording valt niet te lezen wat de staatssecretaris en het ministerie op dat vlak hebben gedaan. Wat is er gedaan om ervoor te zorgen dat in het systeem pas "verwijderbaar" komt te staan als honderd procent zeker is dat iemand echt verwijderbaar is? Wat is waar van de gisteren door de advocaat van de heer Dolmatov gedane bewering dat er anderhalf jaar gesteggel is geweest over de vraag of er twee of vier weken extra in het systeem zouden moeten worden opgenomen na een juridische omslag van rechtmatig naar onrechtmatig verblijf?

Ik vraag mij af wat de term "onduidelijkheid" betekent – de inspectie verwoordt het letterlijk zo – over de anderhalf jaar die het aanstrepen van het vinkje zouden hebben beslaan. Wat wordt hier bedoeld met onduidelijkheid? Waarover bestaat er dan precies onduidelijkheid? Bestaat er alleen onduidelijkheid over het invoeren van het systeem bij de IND, of slaat die onduidelijkheid op de inhoudelijke vraag of er al dan niet een verlenging van twee weken moet komen? Wat waren precies de afspraken in de keten over die twee weken extra? Gold dat in alle gevallen als er beroep was ingesteld? Wat was daar dan eigenlijk onduidelijk aan? Op welk niveau is de afspraak over de twee weken verlenging precies gemaakt?

Op de vragen naar de bekendheid van de staatssecretaris en het ministerie met de problemen van het informatie-uitwisselingsformulier, formulier M118, is er naar de mening van mijn fractie nog onvoldoende antwoord gekomen. Wat is daar precies mee gedaan? Hoe kan het dat men een jaar na invoering van een nieuw systeem, een systeem dat juist de informatieoverdracht verbetert, in Rotterdam nog steeds met het oude formulier werkte? Op welke wijze is gecontroleerd of de genomen maatregelen effect hadden? Dezelfde vraag stel ik over het informatieoverdrachtsysteem BVV. Dat systeem zou alle relevante informatie moeten bevatten, maar die bevat het niet volgens de inspectie. Waarom niet? Hoe lang is dit bekend? Wat is er gedaan? Hoe is gecontroleerd of mogelijke oplossingen effect hadden? Een andere, meer algemene vraag is hoeveel er afgelopen jaar is uitgekeerd aan schadevergoeding voor onrechtmatige detentie in de vreemdelingenketen. Dat vroeg de advocaat van de heer Dolmatov. Ik vond dat een goede vraag, want daarmee krijgen wij een indicatie van wat er eigenlijk mis is op een wat meer algemeen niveau.

Ik kom nu bij de rapporten van de Nationale ombudsman. Hij is zeer kritisch over de wijze waarop het minister van Veiligheid en Justitie is omgegaan met zijn rapporten. Met name de urgentie van zijn rapport Vreemdelingenbewaring: strafregime of maatregel om uit te zetten, is volgens de Ombudsman miskend. De Ombudsman is met een kluitje het riet in gestuurd. Kan de staatssecretaris hier nader op reageren?

Ik zeg nog een paar woorden over de rechtsbijstand. Daar valt veel over te zeggen, maar ik moet een beetje opschieten. Ik heb eigenlijk maar één vraag. Hoe kan in de toekomst worden gegarandeerd dat, als er een eigen advocaat is, deze ook wordt geïnformeerd? Ik neem aan dat de eigen advocaat in het dossier vermeld staat. Als in dit geval de advocaat van de heer Dolmatov op de hoogte was gesteld, had hij meteen kunnen zeggen dat er beroep was ingesteld. Dat is nogal een wezenlijke verbetering in het systeem, maar terugblikkend kun je zeggen dat er mogelijk een fout in het systeem zit, omdat dit niet is gebeurd. Een vraag die hier zijdelings mee te maken heeft, is hoe het zit met het sms'je dat mogelijk is gestuurd aan de vriendin van de heer Dolmatov met de boodschap dat hij een advocaat wilde.

Voorzitter, ik zie het lampje knipperen. Vanwege de beperkte tijd zal ik niet mijn hele tekst voorlezen, maar nog een paar punten kort aan de orde stellen. Er is sprake van een opeenstapeling van fouten, individuele fouten en systeemfouten. Daar komt mogelijk een vervolg op voor individuele verzorgers en mogelijk ook wat betreft een proces-verbaal dat valselijk op ambtseed is opgemaakt. Dat vind ik heel ernstig. De Staat zelf blijft echter buiten beeld. Over een poosje zullen we spreken over strafrechtelijke aansprakelijkheid van de overheid, in het kader van een initiatiefwetsvoorstel van Partij van de Arbeid, ChristenUnie en CDA. Dit is een voorbeeld waarin die vraag heel pregnant voorligt, los van de politieke verantwoordelijkheid.

Verschillende ketenpartners bleven passief in de wetenschap dat informatie lang niet altijd betrouwbaar is. Daarin schuilt een belangrijk onderliggend probleem: hoe zit het met de cultuur in de vreemdelingenketen; is er sprake van onverschilligheid? Ik maak mij hier ernstig zorgen over. Je kunt maatregelen treffen wat je wilt, maar zonder alerte uitvoering gebeurt er niks. Dat geldt voor het departement en voor de werkvloer. De focus ligt volgens de Ombudsman op het halen van doelen en er is sprake van een tunnelvisie. Wil de staatssecretaris daarop ingaan? Zijn zijn departement en hij inderdaad blind voor kritiek, zoals de Ombudsman stelt, of zit het anders?

De voorzitter fluistert dat ik echt moet afronden. Ik laat mijn laatste punt schieten, maar ik wil nog wel één ding over de vreemdelingenbewaring zeggen. Waarom was de heer Dolmatov verwijderbaar, ook al stonden de vinkjes helemaal goed; waarom moest hij überhaupt in vreemdelingenbewaring worden geplaatst? Die vraag lijkt mij heel relevant. Vreemdelingenbewaring is namelijk een ultimum remedium. De heer Dolmatov is echter op de dag dat hij verwijderbaar zou zijn – dat was hij achteraf niet, maar stel dat het wel zo was geweest – meteen vastgezet. Dat lijkt niet nodig te zijn geweest.

De heer Schouw (D66):

Mijn vraag aan de heer Recourt sluit daar precies op aan. De PvdA-fractie maakt zich al heel lang druk over het inhumane regime in vreemdelingendetentie. Is de heer Recourt het met mijn fractie eens dat we deze treurige gebeurtenis moeten aangrijpen om de vreemdelingendetentie echt aan te passen en het aantal vreemdelingen dat daar nu in zit, 6.000 à 10.000 per jaar, radicaal te reduceren?

De heer Recourt (PvdA):

Mijn fractie is voorstander van een andere wijze van toepassen van vreemdelingenbewaring, minder met name. Alleen als het echt niet anders kan, moet iemand in vreemdelingenbewaring terechtkomen. Wij moeten echter meer zoeken naar alternatieven, in lijn met het rapport van de Ombudsman. Mijn fractie is voorstander van een andere uitvoering van de vreemdelingenbewaring. Er moet namelijk meer aandacht voor de persoon van de vreemdelingen komen. Vreemdelingenbewaring is geen straf, maar een manier om een vreemdeling binnen bereik van de overheid te houden. De Ombudsman zei het heel mooi, maar ik kan er even niet opkomen.

De heer Schouw (D66):

In woorden zijn de D66-fractie en de PvdA-fractie het eens, maar is het volgens de heer Recourt niet belangrijk dat het kabinet op dit punt ook gewoon met daden komt?

De heer Recourt (PvdA):

Ik stelde hierover niet voor niets een vraag aan de staatssecretaris. Dat deed ik overigens in de wetenschap dat er een beleidsvisie over dit onderwerp volgt. Die beleidsvisie komt volgens mei eind mei/begin juni, maar ik hoor dat graag van de staatssecretaris. In de wetenschap dat we bezuinigen op gevangeniscellen, ga ik ervan uit dat er daden zullen volgen. Daar kan de heer Schouw mijn fractie en mij altijd op aanspreken.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Ik sluit mij volledig aan bij de vraag van de heer Recourt over de rechtmatigheid van de bewaring en de vraag waarom daartoe is overgegaan. Wel wil ik van hem weten wat hij vindt van de antwoorden van de staatssecretaris op de vragen die wij hier al over hebben gesteld. De heer Dolmatov heeft zich vier keer niet gemeld, drie keer niet in het azc en een keer niet voor een vertrekgesprek. Hij zou ook niet bereid zijn geweest om mee te werken aan vrijwillige terugkeer, waardoor detentie dus terecht werd geacht. Daar kwam echter kritiek op van Amnesty. Ook hebben wij zelf kunnen constateren dat het vier keer niet melden, niet vermeld staat in het rapport van de inspectie, en ook niet vermeld staat op het formulier dat daarvoor bedoeld is, namelijk M110-A. Bovendien is het alleen niet vrijwillig willen meewerken aan vertrek niet altijd een dwingende reden om iemand op te sluiten, zoals de heer Recourt zelf ook zegt.

De heer Recourt (PvdA):

Wij weten dat het met de heer Dolmatov tijdens de laatste maanden van zijn leven steeds slechter ging. Wij weten dat hij ook niet op afspraken met zijn advocaat kwam. Hij had hoge psychische nood. Al zulke elementen moet je meewegen in de beslissing of je iemand in bewaring neemt of niet. De indruk die ik gekregen heb, is dat de afweging hier een automatisme was. De tekst die eraan gewijd is in de officiële formulieren, is gewoon de standaardtekst die in ieder geval van bewaring wordt gebruikt. Ik kan er niet uit opmaken dat individueel is bekeken of het in dit geval noodzakelijk was of niet. Ik denk zelf dat dit niet is gebeurd en ik zou het in de toekomst heel graag anders hebben.

Mevrouw Gesthuizen (SP):

Is het dan niet vreemd dat de staatssecretaris het drie keer niet melden in een asielzoekerscentrum, wat door het COA in dit geval en veel andere gevallen helemaal niet wordt gezien als een probleem of een reden om te vermoeden dat iemand er weleens vandoor zou kunnen gaan, nu wel als punt noemt in zijn antwoord op de schriftelijke vragen die de PvdA en veel oppositiefracties samen gesteld hebben?

De heer Recourt (PvdA):

De staatssecretaris geeft in zijn antwoord aan wat de gebruikelijke gang van zaken is op dit moment. Dat zijn inderdaad de elementen waarnaar gekeken wordt. Er wordt vrij standaard overgegaan tot vreemdelingenbewaring. Ik zou daarover later graag de discussie aangaan. Ik wil dat dit verandert en dat wij niet te gemakkelijk overgaan tot vreemdelingenbewaring. Wij moeten kritisch naar alternatieven kijken.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

De Ombudsman heeft gisteren in de hoorzitting aangegeven dat het regime in vreemdelingendetentie nog strenger is dan in een gewone gevangenis. Deelt de heer Recourt ons standpunt dat dit ook moet worden aangepast en dat de omstandigheden waarin mensen daar verkeren, moeten veranderen?

Mijn tweede vraag gaat over de initiatiefwet van de heer Recourt, die gaat over het strafrechtelijk kunnen vervolgen van overheden. Die is nog niet aangenomen, maar als dat wel zo zou zijn, zou dit hier dan ook aan de orde moeten zijn?

De heer Recourt (PvdA):

Mijn antwoord op de eerste vraag is ja. Mijn fractie en ik delen de mening dat kritisch naar het regime moet worden gekeken en dat het anders moet. In mijn vorige werk als vreemdelingenrechter heb ik een detentiecentrum voor vreemdelingen bezocht en dit als rechter geconcludeerd. Ook persoonlijk voel ik dit sterk.

Het antwoord op de tweede vraag is complexer. Ik vind dat de vraag of de Staat verantwoordelijk is voor deze keten van fouten, in ieder geval aan de orde moet zijn. Ik kan geen uitspraak doen over de vraag of dat vervolgens tot veroordeling moet leiden, maar het feit dat de Staat immuun is en dat wij dit überhaupt niet kunnen bekijken, vind ik een omissie.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik ben blij dat ook de PvdA verder kijkt dan fouten die op individueel niveau gemaakt zijn en dat de heer Recourt vindt dat ook de overheid hierin een aansprakelijkheid heeft. Ik ben ook erg blij dat de heer Recourt eveneens vindt dat het regime in vreemdelingendetentie moet worden aangepast en dat het humaner moet.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

De heer Recourt heeft de staatssecretaris kritische vragen gesteld over de gemaakte fouten. Vindt de PvdA-fractie ook dat het nu te voorbarig is om nieuwe asielwetgeving aan te nemen die mogelijk zou kunnen leiden tot een extra toestroom van mensen in de vreemdelingendetentie? Ik denk aan het wetsvoorstel tot strafbaarstelling van illegaliteit. Vindt de heer Recourt ook dat wij moeten wachten totdat de aanbevelingen die de staatssecretaris heeft gedaan, inclusief de audit, zijn uitgevoerd?

De heer Recourt heeft veel vragen gesteld. Mocht daarover vandaag geen duidelijkheid komen, vindt hij dan met mij dat wij na dit specifieke onderzoek naar de heer Dolmatov ook een breder onderzoek in de vreemdelingenketen nodig hebben om de communicatie, de dossieroverdrachten et cetera helder te krijgen?

De heer Recourt (PvdA):

Dat sluit ik niet uit. Die conclusie kan ik nu niet trekken, maar ik sluit niet uit dat wij uitkomen op een steviger onderzoek, vooral naar de onderlaag. Ik ben dus niet zozeer benieuwd naar de individuele fouten als wel naar de vraag op welke bodem die fouten hebben kunnen plaatsvinden.

De vraag over strafbaarstelling van illegaal verblijf staat los van deze discussie. Dan hebben wij het namelijk over de strafkolom, terwijl wij nu spreken over de vreemdelingenkolom. Overigens ben ik het met de heer Voordewind eens dat er een teveel aan veranderingen is; dat hoorden we gisteren ook terug in de hoorzitting. Wat is de verandercapaciteit van de keten? Zo moet ik het eigenlijk vragen. Als die capaciteit namelijk beperkt is en je er toch een hoop veranderingen in gaat doorvoeren, is de kans op fouten groot; dat ben ik met de heer Voordewind eens en ik krijg daar graag een antwoord van de staatssecretaris op.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik ben geen jurist, maar ik vraag mij even af wat dan het verschil is tussen "straf" en "vreemdelingendetentie". Op het moment dat uitgeprocedeerden, ongedocumenteerden, strafbaar worden gesteld, komen zij toch in diezelfde vreemdelingendetentie terecht, waarin wij met een heel verbetertraject te maken hebben. Is dat dan wel gewenst?

De heer Recourt (PvdA):

Nu snap ik het niet meer. Je komt in vreemdelingendetentie terecht op het moment dat je geen status hebt. Met het doel om uitgezet te worden, word je gedetineerd. Dat is dus geen straf. De strafbaarstelling van illegaal verblijf, waarbij een boete wordt opgelegd, zit wel in het strafrecht. Dat zijn echt twee verschillende elementen. Misschien kan de heer Voordewind zijn vraag verhelderen, maar ik zie het op dit moment niet.

Sorry voorzitter, ik lok wat uit.

De voorzitter:

U lokt het uit. Mijnheer Voordewind kijkt heel tevreden en ik wil hem dus niet teleurstellen.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Ik wil het met liefde uitleggen. Wanneer mensen inderdaad in de gevangenis komen omdat ze strafbaar zijn, zijn ze tegelijkertijd weer in beeld bij de overheid. Dan neem ik aan dat ze vanuit die reguliere gevangenis linea recta in vreemdelingendetentie gaan.

De heer Recourt (PvdA):

Dat kan, maar dat hoeft niet. Op het moment dat ze in vreemdelingenbewaring gaan, speelt dat evident. Dat ben ik met u eens.

De voorzitter:

Mijnheer Recourt, ik dank u voor uw bijdrage. U bent al twee minuten over uw tijd heen.

De heer Recourt (PvdA):

Ik bewaar de rest voor de tweede termijn.

De heer Schouw (D66):

Voorzitter. Een van de meest vergaande bevoegdheden van de overheid is de bevoegdheid om iemands vrijheid te ontnemen, om iemand vast te zetten. Dat is een uiterst middel, waarbij harde waarborgen zijn vereist. Mensen die aan de zorg van de overheid zijn toevertrouwd, moeten in goede handen zijn. De overheid heeft in dezen een heel zware verantwoordelijkheid. Een van de cruciale vragen vandaag luidt als volgt. Hoe kan het dat de Nederlandse overheid Aleksandr Dolmatov ten onrechte het land wilde uitzetten en ten onrechte in vreemdelingenbewaring opsloot? Deze fouten hebben geleid tot zelfmoord, een wanhoopsdaad die nooit had mogen gebeuren onder het toezicht van de overheid. De Inspectie Veiligheid en Justitie heeft een aantal spijkerharde bevindingen gedaan; ik noem de vier systeemfouten.

Een. Hij is ten onrechte in de gevangenis gezet door het niet aanklikken van een digitaal vinkje. Twee. Er was sprake van ambtelijke gemakzucht en er was een gebrek aan discipline om te checken of het beroepschrift al dan niet was ingediend. Drie. Er is gehandeld in strijd met het Vreemdelingenbesluit door niet de advocaat van Dolmatov maar een piketadvocaat in te schakelen. Vier. De zorg is tekortgeschoten tot twee keer aan toe; in strijd met de eigen protocollen is geen arts ingeschakeld. Kortom: er is fout op fout gestapeld. Fouten die bovendien, zo concludeert de fractie van D66 uit het rapport en de hoorzitting van gisteren, een structureel karakter hebben; het zijn systeemfouten, die ook nog bekend waren bij de directies in de keten. Dit roept, samenvattend, een dramatisch beeld op.

Er zijn drie kernproblemen. Een. De wetgeving, de regels en de protocollen zijn genegeerd. Twee. Er is sprake van miscommunicatie. Drie. Er zijn ernstige vermoedens van ambtelijke onverschilligheid. Ik zal ingaan op drie dingen: de fouten in de vreemdelingenketen, de aangekondigde maatregelen en de positie van de staatssecretaris.

De staatssecretaris zei zelf al over de fouten in de vreemdelingenketen dat hij zich niet alleen politiek verantwoordelijk voelt maar dat hij ook politiek verantwoordelijk is. Ik stel dan ook vast dat over het verantwoordelijkheidsvraagstuk verder geen discussie is. Punt, zou ik bijna willen zeggen. Er is al veel langer kritiek op de asielzorg in dit land; dat kwam al in de bijdragen van de voorgaande sprekers aan de orde. Verschillende inspecties, maar ook de Raad van Europa, hebben zich hiermee bemoeid. Dat geldt ook voor de Nationale ombudsman, die niet een essay daarover heeft geschreven, maar nog eens een samenvatting heeft gegeven van eerdere publicaties en onderzoeken, zoals iedereen in de bijlage kan lezen. De Nationale ombudsman schreef in augustus 2012 dan ook een indringend rapport over de noodzaak om asielzoekers niet zomaar in detentie te plaatsen. Hij sprak over geestdodend en inhumaan. Dat rapport werd, zo is in elk geval het beeld, genegeerd. De Ombudsman hield echter vol, zoals wij hem kennen, en eiste een inhoudelijk antwoord. Hij werd echter met een kluitje in het riet gestuurd. Hij kreeg van zowel de heer Teeven als de heer Opstelten in een "herengesprek" te horen dat hij het het ministerie vooral niet te moeilijk moest maken. Mevrouw de voorzitter, ik vond dat onthutsend.

De heer Van der Steur (VVD):

Ik zal niet treden in de kwalificaties die de heer Schouw verbindt aan opmerkingen van de Ombudsman, want daar gaat hij zelf over. Nu ligt er wel de brief van 19 maart met de nadere klacht van de Ombudsman dat er niet voldoende werd gereageerd. Er is een brief aan de Ombudsman gestuurd met een inhoudelijke reactie, waarin ook een aantal aanbevelingen wordt opgevolgd. De feiten lijken niet helemaal synchroon te lopen met de opmerkingen die de heer Schouw maakt.

De heer Schouw (D66):

19 maart 2013. Ik wil graag de chronologie met de heer Van der Steur doornemen. Het rapport is van augustus. De Ombudsman heeft aangedrongen op een reactie. Hij kreeg geen reactie. Hij heeft nog eens aangedrongen en kreeg vervolgens een procedurele reactie. Hij was daar niet tevreden mee en heeft een brief naar het kabinet gestuurd, met een afschrift aan de Tweede Kamer. Hij kreeg toen binnen twee uur een uitnodiging om bij beide bewindspersonen te komen. De kernachtige samenvatting van dat gesprek is dat hij het het ministerie vooral niet te moeilijk moest maken. Dat gesprek moet ergens in januari of februari hebben plaatsgevonden. Daarna is uiteindelijk de brief van 13 maart gekomen. Het heeft nogal geduurd, het had ook heel veel te maken met trekken en duwen. Zoals ik het zie, vind ik toch dat beide bewindslieden op dit punt de Ombudsman hebben geschofffeerd in dat gesprek. Ik was er niet bij, dus ik hoor dadelijk graag de versie van de staatssecretaris.

De heer Van der Steur (VVD):

Dat laatste lijkt mij een juiste vraag. De heer Schouw verbindt allerlei kwalificaties en conclusies aan een eenzijdige rapportage van gesprekken waar wij geen van beiden bij waren. Ik deel overigens zijn analyse van de volgtijdelijkheid niet. Die blijkt namelijk niet uit het dossier, in elk geval niet voor alle niet-schriftelijke activiteiten die de Ombudsman zou hebben ondernomen. Ik vind het altijd prettig om af te wachten. Als de heer Schouw vraagt hoe het is gegaan in de beleving van de staatssecretaris, kunnen wij na het antwoord een oordeel geven en niet ervoor.

De heer Schouw (D66):

Ik stel wel vast dat als het kabinet gewoon in september zorgvuldig had geantwoord op het rapport van de Ombudsman van augustus, ik dit hier niet had hoeven aan te halen.

De D66-fractie heeft over het kompas van de staatssecretaris in dit dossier dan ook de volgende twee vragen. In hoeverre was de staatssecretaris zelf op de hoogte van de misstanden en hoe verliepen de informatiestromen tussen hem en zijn ambtenaren? Op welk moment heeft de staatssecretaris de urgentie van de hem bekende problemen onderkend en is hij maatregelen gaan nemen?

In dit verband wil ik ook nog een andere vraag stellen. Er gaan serieuze geruchten dat de heer Dolmatov direct of indirect ook benaderd is door de Russische geheime dienst. Dat kwam gisteren naar voren tijdens de hoorzitting. Dat zou geen incident zijn, want het zou vaker voorkomen. Ik wil van de staatssecretaris weten of hij namens het kabinet kan uitsluiten dat dit hier is gebeurd. Als hij het niet kan uitsluiten, overweeg ik om de minister van Binnenlandse Zaken uit te nodigen voor de tweede termijn.

Het zal duidelijk zijn dat de fractie van D66 vindt dat de aangekondigde maatregelen too little too late zijn. Het zijn vooral technische maatregelen, wij vinden die onvoldoende. Het is als het plaatsen van een emmertje onder een lekkend dak. Dat pakt het structurele probleem niet aan. Wat wil D66: 1. een goed gesprek over het opschorten van alle wettelijke verscherpingen en aanpassingen in het vreemdelingenbeleid in verband met de veranderingscapaciteit van de keten; 2. een onafhankelijk onderzoek, het liefst door de Onderzoeksraad voor Veiligheid, om de vreemdelingenketen in zijn geheel door te lichten, want er ontbreekt nu een betrouwbare risicoanalyse; 3. heel snel een concreet voorstel om het aantal vreemdelingen in detentie af te bouwen, alleen nog maar als ultieme oplossing.

Dan kom ik bij de positie van deze staatssecretaris. De staatssecretaris heeft voor de NOS-camera gezegd dat hij de juiste man is om de maatregelen door te voeren. Ik vond dat voorbarig en onverstandig. Los van de appreciatie van de te nemen maatregelen, is de vraag natuurlijk of het beleid niet anders zou moeten. De staatssecretaris zou naar de opvatting van mijn fractie het pad moeten verlaten van strenge, symbolische maatregelen met als hoogste doel vreemdelingen tegen te houden: afhouden, tegenhouden en ontmoedigen. "Humaan en snoeihard" is een onmogelijke spagaat. Vrijdag zagen wij een staatssecretaris die zijn verantwoordelijkheid nam en zich oprecht aangedaan toonde, maar maandag zagen wij weer een andere staatssecretaris met de quote "toerekenen is toch niet hetzelfde als aanrekenen". Ik heb die twee woorden eens opgezocht in de synoniemenlijst en ze blijken precies dezelfde betekenis te hebben.

De fractie van D66 wil vandaag antwoord hebben op de volgende vragen. Hoe structureel zijn de systeemfouten? Daarover willen wij een helder antwoord van de staatssecretaris. Had de Tweede Kamer niet eerder geïnformeerd moeten worden door het kabinet over de problemen in de vreemdelingenketen? Zijn de maatregelen adequaat en afdoende; met andere woorden, zijn ze geloofwaardig?Hoe oordeelt de staatssecretaris over zijn eigen handelen? Heeft hij, vindt hij zelf, fouten gemaakt en, zo ja, hoe hard rekent hij dat zichzelf aan?

Dolmatov is een illustratie van wat er mis is in de vreemdelingenketen. Deze tragische zaak moet de aanleiding zijn voor een fundamentele verandering in het asielbeleid.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Voorzitter. Ten onrechte gevangengezet, geen toegang tot je advocaat en slechte medische zorg. Je zou denken dat het om een ver buitenland gaat, maar het is Aleksandr Dolmatov overkomen hier in Nederland. Ik wil bij dezen mijn medeleven betuigen aan de nabestaanden van de heer Dolmatov.

De conclusies van de Inspectie Veiligheid en Justitie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg zijn spijkerhard: opeenvolgend systematisch falen van verschillende organen in de asielketen en menselijke fouten hebben uiteindelijk tot de dood van de Russische asielzoeker Aleksandr Dolmatov in het detentiecentrum in Rotterdam geleid. De sprekers voor mij van de SP, de ChristenUnie en D66 hebben hierover al veel vragen gesteld. Bij deze punten sluit ik mij graag aan, want er zijn nog zo veel vragen onbeantwoord over wat er kan zijn gebeurd of hoe dit kan zijn gebeurd. Duidelijk is dat wat Aleksandr Dolmatov is overkomen, nooit meer een andere asielzoeker mag overkomen. Daarom pleit ik voor een onafhankelijke doorlichting van de gehele asielketen op fouten, falen en bestaande risico's met als doel waarborgen in te bouwen die de mensenrechten van asielzoekers beschermen en het beleid menselijker maken. Dat het asielbeleid in Nederland menselijk genoeg is, kan niemand nu nog met droge ogen beweren.

Staatssecretaris Teeven heeft zich de afgelopen dagen wat dubbelhartig opgesteld. Toen het rapport van de inspectie vorige week publiek werd, was hij terecht bescheiden en zei hij van het begin tot het eind politiek verantwoordelijk te zijn. Maar na het weekend, inmiddels wellicht verzekerd van de steun van coalitiegenoot PvdA, kwam de arrogantie om de hoek kijken. De gemaakte fouten vallen de staatssecretaris niet aan te rekenen, aldus de staatssecretaris.

De heer Van der Steur (VVD):

Uiteraard gaat mevrouw Voortman over haar eigen conclusies die zij verbindt aan het debat, maar deze redenering is niet zuiver. De staatssecretaris doet niets af aan de politieke verantwoordelijkheid, ook niet met de opmerkingen die hij maandag heeft gemaakt. Hij zegt wel, zo begrijp ik zijn woorden, dat de aspecten die hij daar heeft genoemd, moeten worden meegenomen in de eindafweging van alle fracties betreffende de vertrouwensregel. Herkent mevrouw Voortman die doctrine?

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

De staatssecretaris gaf vrijdag heel duidelijk aan: ik ben van het begin tot het eind verantwoordelijk, ik wil het debat ingaan en dan een beslissing nemen. Maandag maakt hij een onderscheid – een merkwaardig onderscheid, zoals de heer Schouw al zei – tussen aanrekenen en toerekenen. Daar leek een verandering op te treden. Dat is wat ik hier aan de orde stel.

De heer Van der Steur (VVD):

Daar was ik al bang voor. Het lijkt mij goed om die verwarring weg te nemen. Met de opmerking over aanrekenen en toerekenen heeft de staatssecretaris helemaal niets afgedaan aan het aspect van het aanrekenen. En dat is de politieke verantwoordelijkheid. Die heeft hij en die draagt hij. Dat heb ik omstandig in mijn inbreng naar voren gebracht. Waar het uiteindelijk om gaat, is de afweging die de fractie van mevrouw Voortman moet maken: wat zijn de consequenties die de fractie van GroenLinks aan de politieke verantwoordelijkheid en de gebeurtenissen verbindt? Daarover mag de staatssecretaris uiteraard een mening hebben, maar dat doet er niet aan af dat de staatssecretaris nog steeds vindt dat hij politiek volledig verantwoordelijk is voor wat er is gebeurd. Mevrouw Voortman moet het misschien nog even aan hem vragen.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Op mij kwam het onderscheid tussen aanrekenen en toerekenen over alsof de staatssecretaris het zich wat minder aantrok dan de vrijdag ervoor. Dat is mijn punt. Wat ik de staatssecretaris aanreken, daar zal ik straks uitgebreid op ingaan.

De heer Recourt (PvdA):

Mevrouw Voortman legt de suggestie in haar woorden dat de PvdA en de VVD deze staatssecretaris steunen, ongeacht dit debat. Ik hoop dat dat voldoende is weggenomen. Ik vraag mevrouw Voortman of GroenLinks pas een finaal oordeel heeft op het moment dat wij aan het eind van dit debat zijn.

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Er is een aantal aspecten waarop ik het oordeel zal vellen, maar ik kan wel zeggen dat er tot nu toe heel veel informatie op tafel ligt waardoor het totaalplaatje er niet fraai uitziet.

De heer Recourt (PvdA):

Maar het oordeel is dus nog niet geveld. U ziet donkere wolken. Moet ik het zo samenvatten?

Mevrouw Voortman (GroenLinks):

Ik zal in mijn betoog aangeven wat er moet gebeuren.

Ik reken de staatssecretaris wel degelijk aan dat instanties onder zijn verantwoordelijkheid zo gefaald hebben. Maar vooral reken ik hem aan dat het falende systeem bij hem en de organisaties in de asielketen wel bekend was, ook ver voor het overlijden van Aleksandr Dolmatov. De staatssecretaris heeft die problemen weggewuifd. Het gevoel van urgentie dat het onderzoek van de Ombudsman op zijn minst teweeg had moeten brengen, bleef uit. Ik vraag de staatssecretaris om mij ervan te overtuigen dat hij nu wel beseft dat het asielbeleid in de huidige vorm inhumaan is en dat het anders moet. Waar eerdere waarschuwingen van verschillende organisaties en deskundigen in de wind zijn geslagen, moet de dood van Aleksandr Dolmatov hem wakker hebben geschud en een kantelpunt in het Nederlandse asielbeleid zijn. De staatssecretaris wil graag geloven dat het rapport van de inspectie geen systematisch falen van de asielketen aan het licht brengt en alleen betrekking heeft op de behandeling van Dolmatov. Door dit standpunt in te nemen, staat hij een fundamentele herbezinning over de manier waarop wij in Nederland met asielzoekers omgaan in de weg. Dit reken ik de staatssecretaris aan.

De behandeling die de asielzoeker Dolmatov heeft ontvangen, is geen incident. 300 mensen zijn de afgelopen jaren ten onrechte aangemerkt als "verwijderbaar", overigens een vreselijke term. Tot op de dag van vandaag komt het regelmatig voor dat mensen ten onrechte worden vastgezet. De verhalen over slechte medische zorg zijn legio. De afgelopen jaren asielbeleid, mede mogelijk gemaakt door VVD, CDA en PvdA, hebben van asielzoekers, zeker uitgeprocedeerde asielzoekers, derderangs burgers gemaakt met steeds minder rechten, steeds meer plichten en kosten, en grof tekortschietende begeleiding en medische zorg. Asielzoekers worden niet als mens gezien, maar als getal, een vinkje op een formulier. Het centrale doel van dit kabinet is die getallen zo klein mogelijk te maken. Het beleid is erop gericht om mensen het nadeel van de twijfel te geven. Dat moet anders. Basisvoorzieningen, zoals toegang tot goede medische zorg en rechtsbijstand, zijn mensenrechten waarop asielzoekers net zo veel recht hebben als u en ik. Dit moet niet alleen verankerd zijn in wet- en regelgeving en in protocollen, maar ook in het bewustzijn van alle mensen die met asielzoekers werken. De staatssecretaris kiest in zijn benadering van de aan het licht gekomen problemen vooral voor technische oplossingen: nog betere protocollen, betere aansluiting van de protocollen van verschillende organisaties en trainingen voor medewerkers om de protocollen beter te volgen. Maar de inspectie geeft juist aan dat er een te grote afhankelijkheid van en een te groot vertrouwen in de systemen en de protocollen is. Betere protocollen en uitvoering daarvan om voortaan geen verkeerde vinkjes meer te hebben staan, om juridische bijstand te garanderen en om de juiste medische zorg te bieden, zijn natuurlijk noodzakelijk. Maar er is veel meer nodig, wat mijn fractie betreft: een cultuuromslag. Asielzoekers zijn geen getallen, maar mensen, die een menselijke benadering op maat behoeven. Hoe gaat de staatssecretaris hiervoor zorgen? Hoe creëert hij het vertrouwen dat hij nu wel in staat is om die cultuuromslag naar een menselijk asielbeleid te bereiken?

Vreemdelingendetentie wordt door de staatssecretaris, ondanks toezeggingen, niet strikt als uiterste middel ingezet. Dolmatov had nooit automatisch als verwijderbaar in het INDiGO-systeem mogen worden aangevinkt. Maar op zichzelf had dit ook nog niet tot detentie hoeven leiden. Ik vraag de staatssecretaris of hij bereid is, de inzet van het instrument vreemdelingendetentie te heroverwegen. Is hij bereid in wet- en regelgeving te verankeren dat detentie alleen wordt ingezet als die onafwendbaar is en als alle lichtere middelen zijn overwogen en niet afdoende zijn gebleken? Is hij bereid, dit in het beloofde visiedocument op te nemen? De Ombudsman noemde het systeem van vreemdelingendetentie niet-humaan. Hij sprak van een crisis van het systeem. Ik deel zijn conclusie en hoor graag een appreciatie van de staatssecretaris.

Wat GroenLinks betreft had Dolmatov een asielvergunning gekregen. De IND twijfelt niet aan zijn relaas. Hoe kan het dan dat zijn gegronde angst niet serieus is genomen? De Russische president Poetin heeft de afgelopen tijd een reeks repressieve maatregelen genomen, juist op het gebied van de vrijheid van meningsuiting. Tegengeluiden worden niet geduld. De afwijzing van de IND kan verklaren waarom Dolmatov instabiel en depressief is geworden. Inmenging van veiligheidsdiensten kan dat verergerd hebben. De staatssecretaris geeft aan dat de asielprocedure van Dolmatov zorgvuldig is geweest. Hoe komt hij tot deze conclusie?

Voor Aleksandr Dolmatov is het te laat. Dat reken ik de staatssecretaris aan, want het falende systeem was bij hem en de organisaties in de asielketen bekend. Laat de dood van Dolmatov ertoe leiden dat het Nederlandse asielbeleid menselijker, rechtvaardiger en veel beter wordt. Het overlijden van Dolmatov moet een kantelpunt in ons asielbeleid zijn: van getallen naar mensen. Dan heeft zijn dood in elk geval een positief gevolg gehad voor asielzoekers die nu of in de toekomst in Nederland om bescherming vragen.

De vergadering wordt van 11.55 uur tot 12.00 uur geschorst.

De heer Van der Staaij (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Het overlijden van Aleksandr Dolmatov was een ontzettend ingrijpend bericht. Dat is het allereerst voor familie en vrienden – ons medeleven gaat dan ook allereerst uit naar hen – maar het is ook een ingrijpend bericht vanuit onze politieke verantwoordelijkheid; de overheid droeg voor deze man immers een heel bijzondere verantwoordelijkheid. Het is belangrijk om te bespreken hoe dit heeft kunnen gebeuren en welke verbeteringen al zijn aangebracht en welke verbeteringen nog moeten worden aangebracht. De SGP vindt het positief dat er juist met het oog daarop, een uitgewerkt en indringend rapport van de betrokken inspecties ligt. Hoewel het rapport erkent dat de vraag of zorgvuldiger handelen tot een andere afloop had geleid, niet te beantwoorden valt, worden wel ernstige problemen in kaart gebracht. Wat ons betreft is het van belang om het debat niet te breed te maken door het over de wenselijkheid van vreemdelingenbewaring, de mogelijke aanpassing van wetgeving en dergelijke te hebben. Tegelijkertijd moet je het niet te smal hebben over wat de staatssecretaris persoonlijk is te verwijten. Het is van belang om heel duidelijk vanuit de politieke verantwoordelijkheid van ook deze staatsecretaris te kijken naar wat er in deze ingrijpende zaak misging, hoe dit heeft kunnen gebeuren en wat er gedaan is met waarschuwingen dat er een en ander mis zou zijn.

Voor ons is een aantal factoren van bijzonder belang bij die beoordeling. Allereerst gaat het bij reguliere vreemdelingenbewaring om een laatste dwangmiddel van de overheid ten aanzien van vreemdelingen zonder strafblad. Ik zei het al: dat schept bijzondere verantwoordelijkheden. In dit geval zijn niet alleen fouten gemaakt maar zijn ook rechten van deze vreemdeling geschonden.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Ik wil nog even wat meer helderheid hebben over wat de heer Van der Staaij nu bedoelt met "niet te breed maken". Hij zegt dat we het specifiek moeten hebben over dit geval en over waar de fouten zitten maar ik wijs erop dat we ook te maken hebben met systeemfouten, waarbij ook de Ombudsman aangeeft dat er sprake is van een inhumaan vreemdelingendetentiebeleid. Zegt de heer Van der Staaij nu: daar wil ik het niet over hebben, dat is te breed, want ik wil vooral kijken naar dit specifieke geval, welke fouten er zijn gemaakt en in hoeverre die aan te rekenen zijn? Of kunnen we het met de heer Van der Staaij wel hebben over dat brede verhaal erachter?

De heer Van der Staaij (SGP):

Met dat brede verhaal loop je volgens mij toch een risico. Ik bedoel daarmee het volgende. Ook al zou er volstrekt rechtmatig gehandeld zijn door een staatssecretaris of een minister, dan zou iemand toch kunnen zeggen dat hij het inhumaan vindt en ook vindt dat het anders moet. Dat mag natuurlijk. Dat is een debat dat we mogen voeren en ook moeten voeren. Er komt op de korte termijn nog een visie op vreemdelingenbewaring. De rapportages van de Ombudsman worden erbij betrokken. Ik vind echter wel dat wanneer je niet oppast, dit gaat afleiden van de vraag waarom in dit geval zulke ernstige fouten zijn gemaakt, want deze mijnheer had uiteindelijk helemaal niet in vreemdelingenbewaring terecht mogen komen. Ook vanuit onze grondwettelijke waarborgen dat niemand zomaar van zijn vrijheid beroofd mag worden, is dat een ontzettend belangrijk punt.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Ik denk dat de heer Van der Staaij hiermee dan onrecht doet aan de zwaarte van deze kwestie. Bij de beoordeling van de vraag in hoeverre deze staatssecretaris verantwoordelijk is voor de gemaakte fouten en in hoeverre die fouten te voorkomen waren, moet je juist nagaan in hoeverre de staatssecretaris heeft opengestaan voor alle waarschuwingen en aanbevelingen die de afgelopen jaren van diverse kanten en van diverse toezichthouders zijn gekomen, waarin ook duidelijk is gemaakt dat doorgaan met detentiebeleid tevens inhoudt doorgaan met een inhumaan beleid dat de toets van het internationaal recht niet kan doorstaan. Dus juist bij de beoordeling of de staatssecretaris op deze manier door kan gaan, moet je dat brede verhaal erbij houden. Ik vraag de heer Van der Staaij dan ook om er in zijn beoordeling namens zijn fractie ook naar te blijven kijken.

De heer Van der Staaij (SGP):

Daarover verschil ik echt van mening met mevrouw Thieme. Het gaat hier om een situatie waarin deze mijnheer helemaal niet in vreemdelingenbewaring terecht had mogen komen. Met betrekking tot de vraag hoe dit kon gebeuren, moet je vervolgens wel bekijken in hoeverre er al eerder waarschuwingen waren dat het administratieve systeem dat nodig is om ervoor te zorgen dat alleen mensen in vreemdelingenbewaring worden geplaatst voor wie er een desbetreffende titel is, niet goed functioneerde. In die zin heeft mevrouw Thieme volstrekt gelijk: het is voor dit verhaal buitengewoon relevant in hoeverre al eerder bekend was dat het met die vinkjes en dergelijke niet goed zat. Mijn punt is en blijft echter dat het ter discussie stellen van het al dan niet humane karakter van de wettelijke maatregelen – dat mag mevrouw Thieme doen – de perken van de ministeriële verantwoordelijkheid en de vraag of in dit geval is gehandeld volgens zeer belangrijke rechtsregels, te buiten gaat. Daar heb ik in dit debat eerlijk gezegd mijn handen al aan vol. Ik vind dit een buitengewoon ernstige zaak en daarom is het goed dat we het hierover hebben. Het is nogal wat dat er in de eerste plaats wordt gezegd dat vreemdelingenbewaring ten onrechte is toegepast, dat in de tweede plaats wordt vastgesteld dat het ook niet goed is gegaan met de rechtsbijstand omdat het recht op een advocaat van voorkeur is genegeerd en dat in de derde plaats de medische zorg tekort is geschoten. Dat zijn voor mij de drie belangrijke tekortkomingen die in dit debat aan de orde zijn en waarop het debat zich mijns inziens moet toespitsen.

Ik vraag de staatssecretaris hoe hij deze gemaakte fouten en tekortkomingen weegt, hoe zij konden plaatsvinden en wat hij onderneemt om ervoor te zorgen dat herhaling niet zal plaatsvinden. Ik weet dat daarover allerlei vragen zijn gesteld. Dat is ook heel goed, evenals het feit dat we daarbovenop hebben gezeten met zeer gedetailleerde vragen, maar dit zijn de kernvragen die ik naar dit debat heb meegenomen en waarop ik de staatssecretaris straks graag persoonlijk een antwoord hoor formuleren.

Ik heb al gezegd dat een belangrijke vraag is welke acties in de afgelopen jaren zijn ondernomen om de zorgvuldigheid te waarborgen, overigens niet alleen door deze staatssecretaris maar ook door zijn voorgangers, voor wie hij ook politieke verantwoordelijkheid draagt. De staatssecretaris noemt in zijn brief maatregelen die in het verleden zijn genomen. Het probleem van de gebrekkige registratie inzake verwijderbaarheid is desondanks blijven bestaan. Dat probleem klemt temeer omdat ook directies in de vreemdelingenketen op de hoogte waren van de problemen en meermaals hierover hebben gesproken. Hoe heeft doorgewerkt dat in ieder geval voor vreemdelingenbewaring bijzondere zorgvuldigheid moet worden betracht en wat is bijvoorbeeld de waarde van de opgerichte hulplijn als die volledig is gebaseerd op het systeem dat juist de aanleiding is voor deze noodconstructie?

De staatssecretaris ziet extra sturingskansen nu een groot deel van de keten onder het ministerie van Veiligheid en Justitie valt. Dat klinkt logisch. Kan hieruit opgemaakt worden dat op dit punt problemen zijn ervaren die onder meer tot de geconstateerde problemen konden leiden? Kan de staatssecretaris aangeven dat de centrale knelpunten in deze zaak vooral te maken hebben met problemen in de aansturing? Wij schatten in dat veel problemen kunnen worden voorkomen met de aansturing door één ministerie. Over het vinkje lijkt bijvoorbeeld vooral binnen de IND zelf uitvoerig te zijn gediscussieerd, zonder dat noodzakelijke waarborgen zijn gesteld.

In de brief wordt gemeld dat de verpleegkundigen in het detentiecentrum te veel verantwoordelijkheden naar zich toe hebben getrokken. Het staat inderdaad vast dat zij het protocol niet hebben nageleefd. De Inspectie voor de Gezondheidszorg suggereert echter dat deze fout door het gebrek aan eenduidigheid in de regels wellicht niet toe te rekenen is. Ook het afdelingshoofd gedoogde de afwijking van het protocol. Met het oog op deze schimmigheid vraagt de inspectie een oordeel van de tuchtrechter. Hoe reageert de staatssecretaris op deze overwegingen? Wordt dit probleem voorkomen met het nieuwe protocol? Het rapport geeft aan dat arrestantenverzorgers bij de politie vaak onvoldoende bewust zijn van de afzonderlijke status van de vreemdelingenbewaring en de extra rechten die daaraan zijn verbonden. Wij ontvangen graag nog een reactie op dit punt. Is dit geen indicator dat in het beleid onvoldoende wordt benadrukt dat vreemdelingenbewaring een uiterste middel is?

Tot slot iets over het instrument van de vreemdelingenbewaring. Ik heb het net gehad over de visie daarop. Wij vinden het belangrijk dat die snel komt en dat daarbij het rapport van de Ombudsman wordt betrokken. Ik wil afsluiten met het element dat aan het slot van de brief naar voren komt en dat er ook nu telkens doorheen speelt: hoe zit het met het waarborgen van de menselijke maat? Aan de ene kant leidt juist de rechtmatigheid, die heel belangrijk is, ertoe dat allerlei regels en protocollen nauwgezet in acht worden genomen. Aan de andere kant gaat het wel over mensen. In hoeverre worden we niet verblind door regels en protocollen en is er ruimte om vanuit die menselijke maat tot een gerichte benadering te komen, die recht doet aan de omstandigheden in de situatie? Welke ruimte is er in de praktijk eigenlijk voor die menselijke maat? Ik hoor ook daarop graag een nadere reactie van de staatssecretaris.

De heer Voordewind (ChristenUnie):

Voorzitter. Het overlijden van de heer Dolmatov heeft op ons allen een diepe indruk gemaakt, zeker nu wij meer inzicht hebben gekregen in de omstandigheden rond dit overlijden. Ons medeleven gaat dan ook uit naar zijn familie, en met name naar zijn moeder.

Mijn fractie heeft respect voor staatssecretaris Teeven die, nadat het onderzoeksrapport was uitgekomen, in duidelijke bewoordingen aangaf dat hij voor deze situatie de politieke verantwoordelijkheid draagt. Staatsrechtelijk is dat inderdaad het geval. Hij loopt daar dus niet voor weg. Het is daarom goed dat hij zich voor de uitvoering van deze politieke verantwoordelijkheid hier in het parlement verantwoordt. Zo hoort dat, al weten we ook dat dit niet altijd zo gebeurt. Vandaag zullen wij als parlement een oordeel moeten vellen over deze verantwoording.

Ook voor de ChristenUnie-fractie waren de conclusies van de inspectie niet verrassend. Er waren al diverse rapporten van Amnesty, van VluchtelingenWerk, van de Ombudsman, van de Inspectie voor de Gezondheidszorg, zelfs al uit 2009. Hierin is substantiële kritiek geuit, met name op de vreemdelingendetentie. De Ombudsman constateerde gisteren dat er niet tot nauwelijks verbeteringen zijn doorgevoerd naar aanleiding van de kritiek die hij eerder uitte, met name met betrekking tot de vreemdelingendetentie. Sterker nog, toen de Ombudsman om een reactie vroeg op zijn laatste rapport uit 2012, werd er schamper opgemerkt: o, wilde u een antwoord; waarom maakt u het ons zo moeilijk? Het beleid is volgens de Ombudsman gericht op het zo veel mogelijk afhouden en tegenhouden van asielzoekers, uit angst voor een aanzuigende werking. Of, zoals VluchtelingenWerk de houding van de medewerkers betitelt: de nadruk ligt op het nadeel in plaats van op het voordeel van de twijfel.

Ik kom terug op twee centrale vragen: is het een incident of een trend? Ook na de hoorzitting van gisteren moge duidelijk zijn dat de zaak-Dolmatov niet op zichzelf staat, maar symbool staat voor de vele fouten die worden gemaakt in de keten. De medische zorg is nog steeds niet op orde, de dossieroverdracht werkt niet goed, de rechtsbijstand is te afwachtend, er wordt geen directe kans geboden om een eigen advocaat in te schakelen en de fouten in het INDiGO-systeem hopen zich op: nu waarschijnlijk 300 maal, waarvan zeven onrechtmatige uitzettingen. Niet voor niets trekt de inspectie lessen uit deze zaak voor de bredere asielketen. Ook de inspectie vindt dat nader onderzoek nodig is naar de gebreken in de communicatie, de dossieroverdracht en de registratie van de status van de asielzoeker in de gehele vreemdelingenketen. Het ontbreekt de diensten en het ministerie aan zelfreinigend vermogen. De reactie op de brandbrief van tien gedetineerden, zelfs na de dood van Dolmatov, toont dit nog eens duidelijk aan, alsook het uitblijven van een inhoudelijke reactie op het laatste rapport van de Ombudsman.

Ik kom tot verschillende vragen aan de staatssecretaris. Waarom nam de staatssecretaris het INDiGO-systeem al in gebruik, terwijl het overduidelijk was dat dit systeem nog te veel risico's meebracht? Dat was allang duidelijk, voordat de inspectie met haar rapport kwam; we hebben hier immers in de Kamer over gesproken. Waarom verdedigt de staatssecretaris zo abrupt en definitief de asielafwijzing van de heer Dolmatov door de IND, ook al was de heer Dolmatov eerder bedreigd en gearresteerd door de Russische veiligheidsdiensten, was hij een actief oppositielid en was hij werkzaam in een zeer gevoelige raketfabriek? Vindt de staatssecretaris ook dat er nader onderzoek nodig is naar de gebreken in de vreemdelingenketen, aangezien het onderzoek zich specifiek richtte op Aleksandr Dolmatov? De ChristenUnie overweegt op dit punt in tweede termijn een motie in te dienen. Is de staatssecretaris bereid voorlopig af te zien van verdere asielwetgeving, zoals de strafbaarstelling van illegalen, zolang de verbeterpunten uit het inspectierapport nog niet zijn doorgevoerd en geaudit?

Is de staatssecretaris bereid, de Kamer direct te informeren indien er weer sprake is van een onrechtmatige plaatsing in de vreemdelingendetentie en van onrechtmatige uitzetting? Moet de advocaat van de asielzoeker niet direct op de hoogte worden gesteld van plaatsing in vreemdelingendetentie, zodat deze niet afhankelijk is van de piketadvocaat? Is de staatssecretaris verder bereid, versneld over te gaan tot de alternatieven voor vreemdelingendetentie voor eenieder die geen strafbare feiten heeft gepleegd? Het kabinet komt voor de zomer met zijn visie hierop, maar ik vraag het toch omdat we hierop al heel lang wachten. Bovendien zijn de alternatieven bekend en lopen er al pilots.

Voorzitter. Ik sluit af met de belangrijkste vraag voor mijn fractie. In hoeverre vindt de staatssecretaris dat hij, als hij al niet wist van fouten in de keten, er wel van had moeten weten? Ik vraag dat ook, omdat zijn directies het volgens de inspectie wel wisten.

De staatssecretaris heeft beterschap beloofd en aangegeven hoe hij in de toekomst wil voorkomen dat dit soort situaties zich nogmaals voordoet. Dat is goed. Het is zelfs zeer noodzakelijk. Het laat echter onverlet dat de vraag gesteld moet worden of deze staatssecretaris, na alles wat er is gebeurd en waarvoor hij staatsrechtelijk de volledige politieke verantwoordelijkheid draagt, nog wel de man is om daaraan invulling te geven. Op basis van alles wat er gebeurd is, is dat voor de fractie van de ChristenUnie nog geen uitgemaakte zaak. Voordat wij ons definitieve oordeel daarover geven, wachten we de publieke verantwoording van de staatssecretaris af.

De heer Van Hijum (CDA):

Voorzitter. Het debat gaat vandaag wat betreft de CDA-fractie vooral over de zorgvuldigheid van onze asielprocedure. De aanleiding is de tragische dood van Aleksandr Dolmatov. Ik sluit mij aan bij de woorden medeleven van de andere woordvoerders aan het adres van de familie.

De heer Dolmatov was een Russische dissident die zich onveilig voelde en naar Nederland vluchtte. Zijn asielverzoek werd echter afgewezen. Voor de opeenstapeling van fouten en onzorgvuldigheden die daarop volgde, moeten wij ons als land eigenlijk schamen. Aleksandr Domatov belandde ten onrechte in vreemdelingendetentie en is essentiële rechtsbescherming en medische zorg onthouden. Hoe geloofwaardig is het om kritiek te hebben op de mensenrechtensituatie in Rusland als we zelf onze rechtsstatelijkheid niet weten te waarborgen?

Nederland hoort volgens de CDA-fractie te staan voor een strikt maar humaan asielbeleid. Strikt, omdat we ruimte willen bieden aan echte vluchtelingen en ook niet iedereen kunnen toelaten. We hebben afgelopen maandag nog uitgebreid met elkaar gesproken over de gronden van ons asielbeleid. Maar ook humaan, omdat er altijd oog moet zijn voor de menselijke kant en omdat zorgvuldigheid voorop moet staan. En die zorgvuldigheid bestaat zeker op papier, in wet- en regelgeving en in protocollen, maar in de praktijk betekent dat natuurlijk weinig als diensten en functionarissen het niet omzetten in de juiste professionele afwegingen en beslissingen.

De mensen die werkzaam zijn in de vreemdelingenketen, doen hun werk onder hoge druk en in een sterk gejuridiceerde omgeving. Ik heb dat in een aantal werkbezoeken in de afgelopen maanden kunnen constateren. Zij nemen belangrijke beslissingen die voor asielzoekers het verschil maken tussen hoop en wanhoop, tussen blijven en vertrekken. Verder begeleiden zij mensen bij hun terugkeer, waarbij het niet zelden om mensen gaat met psychische problemen. Het rapport van de inspectie laat gelukkig zien dat veel mensen hun werk professioneel en vanuit een grote betrokkenheid doen. Ik hecht eraan om dat vandaag expliciet te benoemen.

Het rapport laat echter ook zien dat sprake is van onzorgvuldig handelen, van nalatigheid en – erger – van systeemfouten die al langer bekend zijn bij de ketenpartners. Hoofdpunt van kritiek is dat de heer Dolmatov niet in vreemdelingendetentie had mogen terechtkomen, omdat hij zijn beroepsprocedure gewoon in Nederland mocht afwachten. Volgens de staatssecretaris komt het regelmatig voor dat mensen in het systeem INDiGO als verwijderbaar zijn aangemerkt, terwijl zij beroep hebben ingesteld. In de schriftelijke antwoorden heeft hij aangegeven dat dit iets meer dan 300 keer is. Dit zou volgens hem echter niet hebben geleid tot onterechte inbewaringstelling of uitzetting. Ik vraag hem toch waarop die stellige conclusie is gebaseerd. Wat is wel de oorzaak van de zeven gesignaleerde onterechte uitzettingen? Om hoeveel gevallen van onterechte inbewaringstelling gaat het? Hoe kan het dat al sinds 2011 onenigheid bestaat over het beruchte vinkje? Waren die problemen ook bekend bij de staatssecretaris? Wat heeft hij gedaan om die systeemfout te corrigeren?

Daarnaast is de heer Dolmatov essentiële rechtsbescherming onthouden. Hij heeft geen toegang kunnen krijgen tot zijn eigen advocaat en kreeg een piketadvocaat toegewezen. Over de rol van de advocaat bestaat nog veel mist; de heer Van der Steur is daarop ingegaan. Die rol lijkt op zijn zachtst gezegd passief te zijn geweest. Ook opvallend, wat mijn fractie betreft, is dat de vreemdelingenpolitie over de gang van zaken een onjuiste voorstelling van zaken heeft gegeven, zowel in het formulier Melding vreemdelingenpiket als in het proces-verbaal van gehoor dat met ambtseed is opgemaakt. Volgens de inspectie kan daardoor ten onrechte de indruk ontstaan dat zorgvuldig is gehandeld. Ik wil toch weten of het hier gaat om slordigheden die vaker voorkomen. Hoe is het gesteld met de kwaliteit van processen-verbaal? Dat is natuurlijk belangrijk omdat rechters hun oordelen uiteindelijk mede baseren op de informatie in het proces-verbaal. Gaat de staatssecretaris ook een onderzoek instellen naar meineed?

Tot slot zijn er fouten gemaakt in de medische beoordeling. Het suïciderisico is met name in de fase van vreemdelingenbewaring onvoldoende onderkend en onder de aandacht gebracht. Ook is op verschillende momenten te laat of niet een arts ingeschakeld. Ook hier geldt dat er al langer signalen zijn dat de uitwisseling van medische gegevens moeizaam verloopt en dossiers onvolledig zijn. Ik verwijs naar het rapport van de IGZ in 2009, het rapport over lijden in detentie van de Ombudsman en een recent onderzoek van de IGZ naar twee suïcidegevallen van vreemdelingen. Meer in het bijzonder heeft het CPT, een commissie van de Raad van Europa die de detentiefaciliteiten inspecteert, in oktober 2011 een bezoek gebracht aan Nederland en daarbij ook de detentiefaciliteit in Rotterdam bezocht. In het rapport dat het CPT op basis daarvan heeft gepubliceerd, zijn de aanbevelingen opgenomen dat er extra artsen in dienst moeten worden genomen en dat elke binnenkomende vreemdeling binnen 24 uur een medische check moet krijgen. Het CPT heeft over deze bevindingen in oktober 2011 een gesprek gevoerd met de staatssecretaris en de minister. Ik vraag de staatssecretaris of hij zich dat gesprek herinnert en wat er met de aanbevelingen van het CPT is gedaan. In de brief van augustus vorig jaar is in elk geval binnen zes maanden een reactie beloofd aan de Kamer, die we tot nu toe nog niet hebben mogen ontvangen.

De CDA-fractie heeft waardering voor het kritische rapport van de inspectie. Het is ook goed dat de staatssecretaris alle aanbevelingen overneemt. Ligt in zijn reactie echter niet te veel de nadruk op de vervolmaking van technische systemen en verdere digitalisering? Hoe wordt de menselijke toets gehandhaafd? Een aantal collega's heeft daar ook naar gevraagd. Zorgvuldigheid is immers niet alleen via protocollen te waarborgen; er moet ook ruimte blijven voor professionele beoordeling. De CDA-fractie heeft de indruk dat de inspectie de risico's en de kwetsbaarheden in de vreemdelingenketen nog onvoldoende op de radar heeft. Dit was pas het eerste onderzoek dat zij heeft uitgevoerd in de keten. Het hoofd van de inspectie gaf gisteren na enig aandringen ook aan dat er wel enige aanleiding is voor een nadere analyse. De CDA-fractie pleit dan ook voor een analyse van risico's en kwetsbaarheden in de keten en een directe vertaling daarvan in het werkprogramma 2013. Zij overweegt hierover in tweede termijn een motie in te dienen.

Tot slot heeft de staatssecretaris laten blijken dat de gebeurtenissen hem zeer hebben geraakt. Ook heeft hij aangegeven dat hij zich verantwoordelijk voelt. Dat waardeert mijn fractie. Hij heeft echter ook aangegeven dat hij in staat is om de lead te nemen bij het uitvoeren van de aanbevelingen omdat er, zo zegt hij, een verschil is tussen toerekenen en aanrekenen. Wij vernemen daar toch echt graag een nadere toelichting op. Welke consequenties verbindt hij aan de uiterst kritische beoordeling van het handelen en het nalaten van de diensten waarvoor hij politieke verantwoordelijkheid draagt? Op welke wijze gaat hij het vertrouwen terugbrengen in de zorgvuldigheid van onze asielprocedure?

De heer Fritsma (PVV):

Voorzitter. In de nacht van 16 op 17 januari jongstleden is de heer Aleksandr Dolmatov overleden. Ook de PVV-fractie vindt dat erg treurig. Natuurlijk is het heel slecht dat ten aanzien van één zaak zo veel fouten zijn gemaakt. Wat dat betreft liegt het rapport van de Inspectie Veiligheid en Justitie er niet om en is het goed dat de staatssecretaris daarin genoemde aanbevelingen overneemt. Ik denk daarbij aan het zorg dragen voor een betere regie in de vreemdelingenketen en voor beter werkende informatiesystemen. Ik denk ook aan het delen van relevante informatie over de gezondheidstoestand van vreemdelingen. Dan worden bijvoorbeeld geen scheermesjes of waszakken met koord verstrekt aan mensen van wie bekend is dat zij suïcidaal zijn. Zoals bekend, heeft de heer Dolmatov zich met zo'n koord verhangen.

Alle problemen begonnen op één cruciaal moment, te weten het moment waarop de IND vaststelde dat de heer Dolmatov geen rechtmatig verblijf meer had, waarop vreemdelingenbewaring volgde. In werkelijkheid liep er nog een beroepszaak op grond waarvan nog wel rechtmatig verblijf bestond. Die beroepszaak was echter niet geregistreerd in het IND-computersysteem INDiGO. Zoals bekend, is dat computersysteem één nachtmerrie. De invoering ervan was al ernstig vertraagd, de kosten ervan rezen de pan uit en het systeem zat vol onvolkomenheden.

Nu blijkt dat een elementair gegeven als het wel of niet rechtmatig verblijf hebben in Nederland niet goed is geregistreerd. De PVV-fractie is bang dat INDiGO daarmee één grote grabbelton is van foutieve informatie. We zien hier dat iemand die nog wel verblijfsrecht had te boek stond als uitgeprocedeerd, maar voor hetzelfde geld zijn er bijvoorbeeld ook vreemdelingen die hier illegaal zijn en te boek staan als hebbende rechtmatig verblijf. Procedure-informatie blijkt gewoon onbetrouwbaar. Dat levert in alle gevallen een onwerkbare situatie op.

Deze systeemfouten waren tot op directieniveau bekend. Dat roept natuurlijk de vraag op wat er met die kennis is gedaan. Is de staatssecretaris er gelijk van op de hoogte gesteld en wanneer is dat precies gebeurd? Graag helderheid daarover. Overigens is het de PVV-fractie al jaren een doorn in het oog dat de IND heel slecht is in de registratie van wezenlijke gegevens, wat ook belangrijk is voor bijvoorbeeld fraudebestrijding.

De PVV-fractie denkt dat de problemen ook niet los zijn te zien van het algemene functioneren van de IND. Op die organisatie is veel aan te merken. Niet voor niets heeft mijn fractie jaren geleden al om een parlementaire enquête gevraagd naar het functioneren van die organisatie. Ik wil er een oordeel van de staatssecretaris over hoe de IND nu wordt gerund. Al in 2007 werd in het kader van het vernieuwingsprogramma IND bij de Tijd vastgesteld dat 30% van de IND-managers "onontwikkelbaar" is. Dat betekent, plat gezegd, dat je met veel managers bitter weinig meer kunt beginnen. Is het management bij de IND echt verbeterd en welke zorgen zijn er op dit moment nog? Graag helderheid daarover.

Bij de IND is kwantiteit vaak belangrijker dan kwaliteit. Medewerkers worden vooral afgerekend op het aantal afgehandelde zaken. Dat is natuurlijk niet goed. De kans op fouten en slordigheden is daarmee groter. Zaken worden daarnaast ook te makkelijk ingewikkeld en met fraude-indicaties wordt te weinig gedaan. Want laten wij niet vergeten dat de problemen bij de IND ook tot gevolg hebben dat vaak in het voordeel van vreemdelingen fouten worden gemaakt. Mijn vraag aan de staatssecretaris is dan ook om zorg te dragen voor verandering van de bedrijfscultuur bij de IND die nu te veel op kwantiteit in plaats van op kwaliteit is gericht.

Die focus op kwantiteit hangt natuurlijk ook samen met het gigantische aantal procedures dat de IND moet verwerken. Daarom is het ook belangrijk om dat fors te beperken middels het aanpakken van het zo vervelende procedurestapelen. Je moet namelijk ook kijken naar vreemdelingen of vreemdelingenadvocaten die de ene na de andere procedure opstarten om bijvoorbeeld verblijf in Nederland zo lang mogelijk te rekken. Dat is belangrijk omdat de werklast van de IND moet worden beperkt, zodat er meer ruimte is om minder zaken beter te doen. Graag een reactie van de staatssecretaris daarop.

De staatssecretaris heeft zelf al erkend politiek verantwoordelijk te zijn voor de gemaakte fouten. Welke fouten had hij wel of niet kunnen voorkomen als hij erop terugkijkt? Het is in ieder geval duidelijk dat hij voor een behoorlijke klus staat. Hij moet grote problemen oplossen. De PVV-fractie hoort graag van hem hoe hij dit aan gaat pakken, welke verbeteringen wij kunnen verwachten en binnen welke termijn die worden gerealiseerd.

De heer Klein (50PLUS):

Voorzitter. Op vrijdag 12 april hebben wij het rapport ontvangen van de Inspectie Veiligheid en Justitie en de Inspectie voor de Gezondheidszorg, samen met de reactie van de staatssecretaris. Het was voor ons een beetje kort dag om daar uitgebreid vragen over te stellen. Toen wij dat rapport lazen waren wij van 50PLUS wel geschrokken. Het dossier leidt tot een onthutsend beeld van de vreemdelingenopvang en -detentie.

Voor 50PLUS staan voorop de rechtvaardigheid en het opkomen voor mensen die slachtoffer worden van het systeem, regels en protocollen. Daarom richten wij ons in dit debat met name op het systeem en minder op de specifieke omstandigheden waaronder de heer Dolmatov is gestorven. Terwijl hij op de zorg en veiligheid van de overheid was aangewezen, heeft hij zich onder de druk van de omstandigheden van het leven beroofd. Laten wij hopen dat dit debat tot verbeteringen in de vreemdelingenbewaring leidt. Nederland kent al jaren een systeem van vreemdelingenbewaring. Dan is het wat merkwaardig om te lezen wat er in de rapporten staat. Daarom heeft 50PLUS acht vragen in eerste termijn.

Ten eerste, waarom is de regie in de vreemdelingenketen niet geborgd? Ten tweede, waarom is er geen actueel en accuraat informatiesysteem? Ten derde, waarom is het INDiGO-systeem, waarvan de onvolkomenheden bekend waren, niet direct aangepast? Ten vierde, waarom heeft sinds de invoering van het M118-formulier geen permanente goede instructie en opleiding van personeel plaatsgevonden? Ten vijfde, waarom worden regelingen die gelden voor vreemdelingen, niet consequent uitgevoerd zodat hun rechten gewaarborgd zijn? Ten zesde, waarom worden medische dossiers ondanks de aanbevelingen van de Nationale ombudsman in het rapport Overlijden in detentie van april 2012 niet goed overgedragen? Ten zevende, waarom ontbreekt het bij de Dienst Justitiële Inrichtingen aan inhoudelijke samenhang en aan procedurele afstemming tussen de diverse regelingen? Ten achtste, waarom kent de Directie Bijzondere Voorzieningen geen sluitende medische screening en intake? Graag wachten wij de beantwoording van de staatssecretaris af.

Mevrouw Thieme (PvdD):

Voorzitter. Wie de berichtgeving over dit debat in de media volgt, zou de indruk kunnen krijgen dat het niet gaat over levens die gevaar lopen in vreemdelingendetentie, maar over de vraag of de staatssecretaris het debat overleeft. Dat is schrijnend en tekenend voor de politieke situatie in Nederland. Wij zijn een land van kongsi's aan het worden en van het zoeken naar tijdelijke meerderheden. In die zoektocht kunnen ernstige kwesties als de dood van een mensenrechtenactivist verworden tot wisselgeld. Dat zou niet mogen gebeuren met de principiële kwestie van de wijze waarop wij in ons land omgaan met vreemdelingen, of breder: hoe wij in Nederland omgaan met recht en rechtvaardigheid.

De feiten zijn bekend uit het onderzoek van de Inspectie Veiligheid en Justitie. De instanties waarmee Dolmatov te maken had, stapelden fout op fout. De staatssecretaris geeft aan verantwoordelijk te zijn en is bereid om alle aanbevelingen over te nemen, maar de vraag rijst wat hij met eerdere aanbevelingen deed. Was hij eerder op de hoogte? Waarom greep hij niet eerder in?

De Inspectie voor de Gezondheidszorg, de Inspectie voor de Sanctietoepassing, de Commissie Integraal Toezicht Terugkeer en het Europees Comité voor de Preventie van Foltering en Onmenselijke of Vernederende Behandeling of Bestraffing en Amnesty International hebben al jaren hun grote zorgen geuit over de situatie van vreemdelingen in Nederlandse gevangenissen. Ziek zijn en geen toegang hebben tot medische zorg, omdat je in vreemdelingendetentie zit in een ver land; probeert u zich dat eens voor te stellen, voorzitter!

De Nationale ombudsman noemde de wijze waarop vreemdelingen in Nederlandse detentiecentra opgesloten worden "inhumaan". Wat was de reactie van de staatssecretaris op dit harde maar rechtvaardige oordeel? Ik citeer: "U moet het ons niet zo moeilijk maken." De staatssecretaris geeft toe dat er recent zeven asielzoekers ten onrechte het land zijn uitgezet en dat 300 asielzoekers door een computerfout als "uitzetbaar" zijn aangemerkt, terwijl dat absoluut niet kon. Ten onrechte, in de meest letterlijke betekenis van het woord.

Een staatssecretaris kan niet zeggen en ik citeer: "Mensen die aan de zorg van de overheid zijn toevertrouwd, moeten in goede handen zijn. Daar sta ik voor." maar tegelijkertijd tegen beter weten in blijven handelen in strijd met adviezen van alle deskundigen die zich in de vreemdelingendetentie verdiept hebben. Amnesty International geeft aan dat er sprake is van structurele problemen die sinds 2008 niet zijn aangepakt. De Verenigde Naties hebben aangegeven dat Nederland in strijd met het internationale recht handelt en de Raad van State moest eraan te pas komen om een ernstig zieke Burundese vrouw te bevrijden uit vreemdelingendetentie.

Er wordt veel te snel overgegaan tot vreemdelingendetentie. De criteria zijn te ruim en het regime is veel te streng, zeggen vrijwel alle betrokken toezichthouders. Vreemdelingendetentie is een laatste middel, maar wordt veel te makkelijk en veel te snel toegepast, ook in het geval van Dolmatov.

Het kan en mag niet zo zijn dat een staatssecretaris van Veiligheid en Justitie enerzijds zegt dat hij staat voor het in goede handen zijn van mensen die aan de zorg van de overheid zijn toevertrouwd, maar dat hij anderzijds niet daarnaar handelt. Het kan niet zo zijn dat een staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van de ene kant zegt dat hij verantwoordelijk is voor de calamiteiten in de vreemdelingendetentie, maar van de andere kant niet de verantwoordelijkheid daarvoor neemt.

Het debat van vandaag kan twee uitkomsten hebben. De staatssecretaris kan proberen een meerderheid te vinden die bereid is recht te praten wat krom is. Zo'n poging zou in de huidige constellatie goed kunnen lukken. Er zijn partijen die vinden dat je vreemdelingen niet hard genoeg kunt aanpakken en er zijn partijen die diep in hun hart vinden dat de coalitie, het koste wat het kost, heel gehouden moet worden. Een simpele rekensom leert dat je op die basis heel goed staatssecretaris kunt blijven, zelfs als je verantwoordelijk bent voor ernstige fouten die het leven van mensen letterlijk verwoest hebben.

Een andere uitkomst zou zijn dat de staatssecretaris de eer aan zichzelf houdt en zelf consequenties trekt uit alle ernstige feiten die in de Nederlandse vreemdelingendetentie onder zijn verantwoordelijkheid hebben plaatsgevonden. Dat zou niet alleen de geloofwaardigheid van de staatssecretaris zeer ten goede komen, maar ook de geloofwaardigheid van het kabinet en van Nederland als een land waar recht en rechtvaardigheid een groot goed zijn. Voor veel vluchtelingen is het zoeken naar recht en rechtvaardigheid de reden geweest om hun heil in Nederland te zoeken. Het kan en mag niet zo zijn dat de pogingen om van Nederland een minder aantrekkelijk land te maken voor vluchtelingen, ten koste gaan van recht en rechtvaardigheid.

Daarom doet de Partij voor de Dieren een dringend beroep op de staatssecretaris om consequenties te verbinden aan de gemaakte fouten. Fouten verdienen het om niet alleen erkend te worden, maar ze moeten ook hersteld worden en kunnen niet zonder consequenties blijven.

Mede daarom zijn wij voorts van mening dat er een einde moet komen aan de bio-industrie.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 12.38 uur tot 14.00 uur geschorst.