Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 26, item 9

9 Landbouw- en Visserijraad

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 21 november 2012 over de Landbouw- en Visserijraad.

De voorzitter:

De spreektijden zijn twee minuten inclusief het voorlezen van de moties.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Voorzitter. Als je kijkt naar de besteding van de Europese landbouwsubsidies, zou er allang moord en brand zijn geschreeuwd als dat om ontwikkelingsgeld zou gaan. Er verdwijnt geld in zakken van nota bene Amerikaanse bedrijven die lokale boeren verdringen. Ik wil daarover de volgende motie indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat Europese landbouwsubsidies blijken te worden gebruikt voor de bouw van megastallen ten koste van kleine lokale boeren, gezinsbedrijven, de volksgezondheid, milieu en dierenwelzijn;

verzoekt de regering, zich in te zetten voor een aanscherping van de criteria voor Europese landbouwsubsidies, zodat er een einde kan worden gemaakt aan de (in)directe financiering van megastallen met belastinggeld,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 659 (21501-32).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik heb voorts een motie in het kader van een level playing field. Dat doe ik niet vaak, maar ik denk dat dit toch mooi is.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het houden van vossen en chinchilla’s voor hun bont in Nederland reeds sinds 1 april 2008 verboden is;

verzoekt de regering, zich in te zetten voor een Europees verbod op het fokken van dieren voor hun pels,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 660 (21501-32).

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Mijn laatste motie luidt als volgt.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat diepzeesoorten zeer gevoelig zijn voor overbevissing omdat ze zich langzaam voortplanten en populaties daardoor moeilijk herstellen;

constaterende dat de Europese Commissie de wetenschappelijke adviezen inzake de vangstmogelijkheden diepzee 2013–2014 niet geheel heeft gevolgd en het nalaat sommige visserijen op bedreigde soorten te sluiten;

verzoekt de regering, zich ervoor in te zetten dat vangstquota in ieder geval niet hoger worden vastgesteld dan in wetenschappelijke adviezen verantwoord wordt geacht,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Ouwehand. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 661 (21501-32).

De heer Van Gerven (SP):

Voorzitter. Ik wil twee moties indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

verzoekt de regering, met verwijzing naar de aangenomen motie (28286, nr. 108) een onafhankelijk juridisch rapport te laten opstellen waarin alle mogelijkheden worden onderzocht om een verbod op of belemmering van (bijvoorbeeld middels accijns, labelling of verkooprestricties) de import van producten van vossen- en chinchillabont te realiseren;

verzoekt de regering tevens, daarbij verslag te laten doen van de Europese dan wel Nederlandse mogelijkheden om de verkoop van legbatterijeieren te verbieden of te belemmeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 662 (21501-32).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat IMARES in haar evaluatie schrijft dat het visserijakkoord de ontwikkeling van Mauritaanse kustvisserij en de kleinschalige visserij belemmert;

van mening dat de visserijakkoorden met ontwikkelingslanden er in ieder geval niet toe mogen leiden dat de Europese schepen concurreren met de voedselvoorziening van de lokale bevolking of dat de Europese schepen op niet duurzame wijze vissen;

verzoekt de regering, in Europa te pleiten voor een maximale strook kustwater waarin niet gevist mag worden door derde schepen onder het visserijakkoord met Mauritanië van minimaal 20 mijl;

verzoekt de regering tevens, bij verlenging van dit akkoord aan te dringen op een doeltreffende aanpak van zeebodembeschadiging, discards, overbevissing en bijvangsten waaronder bedreigde soorten als haaien, dolfijnen en schildpadden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Gerven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 663 (21501-32).

De heer Graus (PVV):

Voorzitter. Ik dien de volgende motie in, mede namens de geachte afgevaardigde van de SGP-fractie, de heer Dijkgraaf.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de voorstellen voor hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een koppeling is gemaakt tussen het vergroeningspakket en de basispremie, waardoor agrariërs die niet kunnen voldoen aan de vergroeningseisen niet alleen de vergroeningspremie mislopen, maar ook gekort worden op hun basispremie;

overwegende dat de uitkomst van de onderhandelingen over mogelijke flexibilisering van de vergroening voorlopig ongewis blijft en hoe dan ook een stevige opgave voor de hoogproductieve Nederlandse agrariërs zal betekenen;

overwegende dat veel agrariërs ongeacht de genoemde koppeling al stevig gekort zullen worden op hun basispremie;

overwegende dat de koppeling tussen vergroeningspakket en basispremie niet wordt genoemd in de zogenaamde “negotiation box” inzake de EU-meerjarenbegroting en daarom niet of minder relevant is bij de vaststelling van het totale budget voor de eerste pijler;

verzoekt de regering, zich proactief te verzetten tegen koppeling van het vergroeningspakket aan de basispremie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Graus en Dijkgraaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 664 (21501-32).

Dat zijn bijzondere samenwerkingen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter. Het is leuk om mijn oud-collega’s van de landbouwportefeuille weer te zien. Ik vervang vandaag mijn collega Schouw. Namens hem dien ik graag de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de gelden in pijler 2 van het gemeenschappelijk landbouwbeleid een bijdrage leveren aan regionale plattelandsontwikkeling, duurzaamheid en innovatie en daarmee aan de concurrentiekracht van de landbouwsector;

van mening dat directe inkomenssteun op de lange termijn geen houdbare manier van ondersteuning van de landbouwsector is;

verzoekt de regering, zich maximaal in te spannen om kortingen zo veel mogelijk te realiseren op uitgaven die niet direct bijdragen aan innovatie of verduurzaming, zoals directe inkomenssteun;

verzoekt de regering tevens, zich in te zetten voor betere controle op de rechtmatige en doelmatige inzet van gelden uit pijler 2,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Veldhoven en Schouw. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 665 (21501-32).

Mevrouw Lodders (VVD):

Voorzitter. Omwille van de tijd en de overvolle agenda zal ook ik meteen aanvangen met het voorlezen van onze motie.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering er voorstander van is om in de onderhandelingen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid in te zetten op de tweede pijler ten koste van de eerste pijler;

overwegende dat in de nieuwe voorstellen van het gemeenschappelijke landbouwbeleid de huidige inkomenstoeslagen worden vervangen door doelgerichte betalingen (pijler 1);

overwegende dat de tweede pijler grotendeels afhankelijk is van cofinanciering en dat de eerste pijler volledig Europees gefinancierd is en het Nederland bijna geen extra geld kost;

overwegende dat de tweede pijler een extreem hoog foutenpercentage van 7,7 kent en hogere administratieve lasten met zich meebrengt;

van mening dat de regering de motie-Van Bemmel c.s. (21501-32, nr. 582) onverkort moet uitvoeren;

verzoekt de regering, in de onderhandelingen over het gemeenschappelijk landbouwbeleid en het budget daarvoor, in te zetten op de handhaving van de huidige verdeling tussen de eerste en de tweede pijler,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Lodders, Geurts en Dijkgraaf. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 666 (21501-32).

De vergadering wordt van18.01 uur tot 18.08 uur geschorst.

Staatssecretaris Verdaas:

Voorzitter. Er zijn acht moties ingediend. Ik loop ze allemaal even langs.

Mevrouw Ouwehand heeft op stuk nr. 659 een motie ingediend over het aanscherpen van de criteria voor megastallen. Ik ontraad de aanneming van deze motie. In het algemeen overleg van gisteren heb ik namelijk gezegd dat ik eerst wil weten wat de overwegingen van mijn Roemeense collega zijn om het zo te doen. Ik vraag de Kamer dan ook om de ruimte om mij eerst met hem hierover te verstaan. Vervolgens kunnen wij dan bezien of wij een stap kunnen zetten in de richting die wij nastreven. Dat lijkt mij beter dan de discussie te verengen tot een discussie over de grootte van een stal in een collega-lidstaat.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik begrijp natuurlijk ook waarom de staatssecretaris zich niet wil bemoeien met de normen die andere lidstaten al dan niet stellen. Deze stallen worden echter wel gefinancierd met geld uit de Europese belastingpotten. Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris heeft laten weten dat hij daar zelf niet voor zou kiezen en dat hij daarom vraagt waarom zijn Roemeense collega hiervoor wel heeft gekozen. Als hij dat doet, bespaart hem dat waarschijnlijk werk, want straks moet hij natuurlijk naar de Oekraïne of naar andere lidstaten. Waarom zouden we met andere woorden niet meteen gaan voor een aanscherping van de subsidiecriteria? Het staat dan overigens iedere lidstaat nog steeds vrij om eigen wetgeving te maken voor de grootte van stallen.

Staatssecretaris Verdaas:

Mevrouw Ouwehand koppelt het aan de megastallen, zonder dat helder is of er hiervan wel sprake is. Ik wil het discours in Nederland en Europa verder echt richten op de doelen die we nastreven. Als ik op pad wordt gestuurd met een opdracht van de Kamer om in Europees verband te werken aan scherpere criteria, dan wordt het een ander gesprek. Dat staat echter niet in de motie. Door deze motie voel ik mij al te zeer ingeperkt en daarom moet ik haar ontraden.

Staatssecretaris Verdaas:

De tweede motie van mevrouw Ouwehand, de motie op stuk nr. 660, moet ik ook ontraden. De motie heeft een ander onderwerp, maar ik ontraad haar eigenlijk met dezelfde argumentatie als bij de vorige motie. Ik voel meer voor een inzet in Europa op het doel van dierenwelzijn. Dat is iets wat ik graag in Europees verband zal proberen een stap verder te brengen. Met deze motie word ik op een kansloze missie gestuurd en kan ik niet het gesprek voeren over het onderwerp waarover het in mijn ogen wel zou moeten gaan, het verbeteren van het dierenwelzijn. Voor zo’n verbod is er bovendien in Europa helemaal geen draagvlak en dat staat los van allerlei in WTO-verband gemaakte afspraken.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ik overweeg om de motie aan te houden. Of ik dat doe, laat ik voor de stemmingen weten.

Ik breng de staatssecretaris in herinnering dat er al jaren een door de Kamer aangenomen motie ligt die de regering opdraagt om zich in te zetten voor een Europees verbod op het fokken van nertsen voor hun pels. Ik hoop echt niet dat dit kabinet na de vorige twee kabinetten ook zegt: die motie voeren we gewoon niet uit.

Staatssecretaris Verdaas:

Volgens mij was ik duidelijk toen ik zei dat het een goed gebruik is dat moties worden uitgevoerd. Als voor een motie geen draagvlak is in Europa en ik in wezen op een kansloze missie wordt gestuurd, zal ik dat ook eerlijk zeggen. Natuurlijk geef ik daarbij aan waar er in Europa volgens mij wel stappen vooruit kunnen worden gezet.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

De reactie van de vorige twee kabinetten was niet dat het een kansloze missie was, maar dat men er gewoon niet aan wenste te beginnen. Als de staatssecretaris nu al weet dat het kansloos is, dan loopt hij misschien een beetje op de feiten vooruit. Dat hoop ik dan maar.

Staatssecretaris Verdaas:

Maar misschien is het ook wel een goed gebruik om mij de ruimte te geven om eerst eens met mijn collega’s in Europa te bespreken hoe zij erin zitten. Dat biedt mij namelijk de mogelijkheid om te beoordelen wat wel of niet een kansloze missie is. Op dit moment doe ik het natuurlijk met de informatie die ik al heb. Dat lijkt mij ook verstandig.

Voorzitter. De motie van mevrouw Ouwehand op stuk nr. 661 zou ik als ondersteuning van het beleid kunnen zien. Ik nuanceer dat echter wel met de opmerking dat het natuurlijk niet zo kan zijn dat wetenschappelijke adviezen worden gezien als een keiharde normen. Soms ontbreekt er immers voldoende wetenschappelijke kennis. Als ik de motie zo mag duiden dat wetenschappelijke adviezen leidend zijn voor onze opstelling, dan kan ik de motie als ondersteuning van mijn beleid zien.

De voorzitter:

Kan de indiener daarmee leven?

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Ja, als daarbij het voorzorgsbeginsel geldt als er geen wetenschappelijke adviezen zijn. Volgens mij hoor ik de staatssecretaris dat ook zeggen.

Staatssecretaris Verdaas:

Het gaat mij erom dat adviezen adviezen zijn en dat ze leidend zijn bij onze inzet in de afspraken over quota. Volgens mij is het ook in het belang van de sector dat we nog heel lang kunnen blijven vissen. Mijn zorg is vooral, en dat wil ik hier precies gezegd hebben, dat ik een volgende keer te horen krijg dat ik net iets afwijk van een wetenschappelijk advies of dat er geen advies is, en dat er dus niet gevangen mag worden. Dat gesprek moeten we wel helder blijven voeren. Met die uitleg kan ik de motie zien als ondersteuning van beleid.

Mevrouw Ouwehand (PvdD):

Prima; dan stem ik daar voor nu mee in. Ik houd mijn motie over de bontfokkerij aan.

De voorzitter:

Op verzoek van mevrouw Ouwehand stel ik voor, haar motie (21501-32, nr. 660) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Verdaas:

Voorzitter. De motie-Van Gerven op stuk nr. 662 moet ik ontraden. Ik zeg maar gewoon wat ik ervan vind: het is volgens mij vragen naar de bekende weg. Dat heb ik gisteren in het AO ook gezegd. Er is al heel veel onderzoek en er is al heel veel expertise. Het is toch een inzet van collectieve middelen die we volgens mij niet moeten plegen. Het tweede verzoek is om verslag te doen van de mogelijkheden. Ook dat is bij mijn weten al eerder met de Kamer gewisseld. Ik kan dat best nog eens in een brief of een nota laten opschrijven, maar daar verandert de werkelijkheid niet van. Om die reden ontraad ik de motie.

De heer Van Gerven (SP):

De motie bestaat uit twee onderdelen. Wij denken dat veranderingen beginnen met het willen. De staatssecretaris lijkt zich te verschuilen achter de uitspraak dat het in Europees verband niet kan. Het begint altijd ergens. Laten wij op dit punt toch een gidsland zijn. Het tweede onderdeel betreft de legbatterijen. Er is een productieverbod. Ook in Europees verband zijn de legbatterijen exit. Het wordt echter nog wel verwerkt. Er is in Europees verband zeker draagvlak voor het idee dat we van de legbatterijen af moeten. Wil de staatssecretaris op dat vlak niet toch een toezegging doen om te bekijken welke mogelijkheden er zijn in Europees verband?

Staatssecretaris Verdaas:

Die toezegging wil ik wel doen. Als ik de heer Van Gerven daarmee tegemoet kan komen in een deel van zijn motie, vinden we elkaar misschien halverwege.

De voorzitter:

Het is dan de vraag of de motie wordt ingetrokken met deze toezegging of dat u haar alsnog in stemming wilt brengen, mijnheer Van Gerven.

De heer Van Gerven (SP):

Ik houd de motie aan. Ik ben in ieder geval blij met de toezegging over het tweede gedeelte. Ik verwacht dan ook dat we te zijner tijd de conclusies daarvan horen.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van Gerven stel ik voor, zijn motie (21501-32, nr. 662) aan te houden.

Daartoe wordt besloten.

Staatssecretaris Verdaas:

Voorzitter. De motie op stuk nr. 663 moet ik ontraden. De vrees die in de overwegingen wordt uitgesproken, deel ik ook niet. In het voorliggende protocol is de bescherming van de lokale visserij en een duurzame visserij juist leidend. Daarbij heb ik gisteren al aangegeven dat die 20 mijlszone dan wel 15 mijlszone vooral een discussie is met de eigen sector. Misschien zit daar nog ruimte in de onderhandelingen. De vraag of het 15 of 20 mijl wordt, doet niets af aan het uitgangspunt dat het niet ten koste mag gaan van de lokale visserij. Het gaat om de quota, dus de hoeveelheid vis die mag worden gevangen. De zorg van de sector hier en in andere lidstaten is dat je met een grens van 20 mijl dat quotum gewoon niet kunt vissen. Het is dan in overweging te nemen, omdat anders het protocol wellicht helemaal van tafel gaat. We weten dan in ieder geval één ding zeker, namelijk dat de duurzame visserij daarmee niet geholpen is. Daarom ontraad ik de motie.

De heer Van Gerven (SP):

Kan de staatssecretaris ingaan op het tweede verzoek, betreffende de overbevissing en bijvangsten van haaien, dolfijnen en schildpadden? Wat vindt hij van dat verzoek? Is dat uitvoerbaar?

Staatssecretaris Verdaas:

Ik kan alleen zeggen dat dit de continue inzet is. Wij sluiten het protocol nu juist om daar een duurzame visserij volgens onze normen en maatstaven te realiseren, die niet ten koste gaat van het visbestand en van de lokale visserij.

De motie-Graus/Dijkgraaf op stuk nr. 664 was gisteren al aangekondigd. Ik moet de aanneming ervan ontraden, want door te ontkoppelen halen wij juist het hart uit de transitie die wij met zijn allen, ook de sector, willen. Vergroening is in mijn ogen een randvoorwaarde om een basispremie te kunnen krijgen. Met die motie zou je mogelijkerwijs in de situatie terechtkomen dat je wel een basispremie krijgt, maar dat je niets aan vergroening, verduurzaming of wat dan ook doet. De koppeling moeten wij handhaven en daarom ontraad ik de motie.

De heer Graus (PVV):

Ik begrijp dat van de kant van de staatssecretaris. Wij staan hier voor de boeren. Daarom hebben wij deze motie ingediend, ten behoeve van de boeren, die hier erg veel last van hebben. Het is allemaal te rigide en daarom dienen wij deze motie in. Wij laten haar zo. Ik weet ook zeker dat zij een meerderheid gaat halen.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik wil graag een korte vraag aan de staatssecretaris stellen ter toelichting, naar aanleiding van deze motie. De voorganger van de staatssecretaris heeft er in Europa altijd voor gepleit, de vergoedingsmaatregelen flexibeler in te zetten. Kan de staatssecretaris daarop ingaan, specifiek in relatie tot deze motie?

Staatssecretaris Verdaas:

Zoals ik gisteren al heb gezegd, is het een wens, ook van de sector zelf, om juist op de verduurzaming en de innovatie ook Europese middelen te kunnen inzetten. Als wij alleen op kostprijs blijven concurreren, is dat op de lange termijn geen houdbaar perspectief. Ik heb gisteren ook toegezegd, en dat doe ik bij dezen weer, dat ik in Brussel mijn stinkende best zal doen om met de sector zelf invulling te mogen geven aan de vergroening en de verduurzaming. Wij zijn op sommige terreinen al koploper en het mag niet zo zijn dat wij door Europa in een soort korset worden gedwongen dat ons en de sector niet vooruit helpt. Daar is het uiteindelijk allemaal om begonnen.

De motie op stuk nr. 665 van de leden Van Veldhoven en Schouw komt wat mij betreft te vroeg. Dat laat zich ook verklaren uit het feit dat ik gisteren heb aangegeven dat de onderhandelingen nog lopen. Ik denk dat de eerste inzet erop is gericht – ook gelet op de motie van de heer Omtzigt van het CDA die gisteren met brede steun is aangenomen – om eerst te proberen om binnen de kaders zoals ze zich nu ontwikkelen binnen het GLB de korting van 8,2% te reduceren. Als dat is gelukt, krijgen wij zicht op de kaders waarbinnen wij flexibiliteit tussen de pijlers of tussen de thema’s kunnen toepassen in dit land. Dan kom ik natuurlijk bij de Kamer terug en ga ik mij verstaan met de sector over de wijze waarop wij de kaders samen gaan invullen. Ik heb gisteren nadrukkelijk aangegeven dat innovatie, duurzaamheid en vergroening daarbij leidende thema’s zijn.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik zie in de motie geen tijdslimiet, dus de staatssecretaris mag ook zeggen dat hij deze motie pas gaat uitvoeren als we daaraan toe zijn in de onderhandelingen. Daar zou ik mee kunnen leven. Pijler 2 hebben wij nu ook. Er staat geen tijdslimiet in, dus het kan zowel voor de huidige uitgifte als voor het toekomstige GLB gelden.

Staatssecretaris Verdaas:

Mevrouw Van Veldhoven haalt mij de woorden uit de mond ten aanzien van het tweede verzoek.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Mag ik dan aan de staatssecretaris vragen of hij, met mijn toelichting hierop, zegt: oké, als ik het in de tijd mag meenemen, zie ik het als ondersteuning van beleid of laat ik het oordeel aan de Kamer over? Kan hij daar nader op reageren?

Staatssecretaris Verdaas:

Nee. Ik ga niet zeggen dat deze motie ondersteuning van beleid is, al probeert mevrouw Van Veldhoven mij daartoe te verleiden. Ik heb net herhaald wat ik gisteren heb gezegd. Ik vind het passen in de wijze waarop ik graag met de Kamer wil werken, en ook met de sector, om eerst de uitkomst van de onderhandelingen af te wachten. Daarna kunnen wij, met de sector, kijken naar eventuele verschuivingen tussen de eerste en tweede pijler en de doelen die wij met elkaar nastreven. Aan de hand daarvan kunnen wij bezien wat een realistische route is. Uiteindelijk heeft de Kamer ook dan het laatste woord. Laten wij de dingen alsjeblieft in de goede volgorde doen.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Ik hoor geen bezwaar ten principale ten aanzien van de inhoud van deze motie. Ik zal met de collega met wie ik de motie heb geschreven overleggen of wij haar zullen aanhouden tot een nader moment.

De voorzitter:

Dat horen wij dan voor de stemmingen van aanstaande dinsdag. Wij gaan verder met de motie op stuk nr. 666 van mevrouw Lodders.

Staatssecretaris Verdaas:

Voor de motie op stuk nr. 666 geldt eigenlijk dezelfde overweging als voor de motie op stuk nr. 665. Ik verzoek deze aan te houden. In deze motie wordt gevraagd om de eerste en de tweede pijler te handhaven zoals die zijn. Ook hierbij geldt dat ik eerst wil proberen om de korting op het GLB voor Nederland te verzachten. Als de kaders helder zijn, weten wij in hoeverre er flexibiliteit is. Daarna kan in overleg met de Kamer en in goede constructieve samenwerking met degenen om wie het gaat, namelijk de agrarische sector, worden gekeken wat wijsheid is. Ik heb gisteren ook al gezegd dat als je te sector de transitie te snel laat maken, je misschien meer verliest dan je wint. Wij moeten naar een balans zoeken. Laten wij nu niet al de piketpalen slaan voordat de uitkomst in Brussel bekend is. Daarom verzoek ik de indiener deze motie aan te houden.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik heb gehoord wat de staatssecretaris zei. Gisteren hebben wij juist over dit punt met elkaar gedebatteerd. Ik heb toen stellig de indruk gekregen van de staatssecretaris dat hij gaat pleiten voor de mogelijkheid om budget van de eerste pijler over te hevelen naar de tweede pijler. Dat is de reden dat ik deze motie heb ingediend. Ik verzoek de staatssecretaris om expliciet te benadrukken dat dit niet gaat gebeuren in de komende Landbouwraad. Dat is voor mij een belangrijke overweging.

Staatssecretaris Verdaas:

Ik heb gisteren gezegd dat als wij al gaan verschuiven, dat waarschijnlijk van de eerste naar de tweede pijler moet. Dat is namelijk de meest structuurversterkende optie voor de sector. Wat mevrouw Lodders vraagt met haar motie is om al nadrukkelijk vast te leggen dat ik die flexibiliteit niet mag organiseren. Ik vind dat wij niet bang moeten zijn voor het organiseren van flexibiliteit in Brussel voor hoe wij hier in Nederland met de eerste en de tweede pijler omgaan. Uiteindelijk beslis ik dat natuurlijk ook samen met de Kamer. Er komt dus nog een kans om dit vast te leggen, als daar een Kamermeerderheid voor is.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik heb de argumentatie van de staatssecretaris gehoord. De VVD-fractie vindt het, net als de fracties van de andere indieners, van belang om de huidige omvang en breedte van de eerste pijler te handhaven. Een pleidooi voor flexibiliteit komt niet tegemoet aan deze motie en zeker niet aan de motie-Van Bemmel, die door een meerderheid van deze Kamer is aanvaard.

Staatssecretaris Verdaas:

Ik heb gisteren het dictum van de motie-Van Bemmel gezien. Ik heb toen al gezegd dat daarin vooral wordt gevraagd om de korting op het GLB voor Nederland zo laag mogelijk te laten uitvallen. Dat geldt zowel voor de eerste als voor de tweede pijler, natuurlijk. Ik verzoek vooral om op dit moment ruimte te laten. Dat is volgens mij ook nadrukkelijk in het belang van de sector. Ik stel voor om pas als wij de uitkomst van het overleg over het GLB hebben, te bekijken hoe wij hier met eventuele flexibiliteit willen omgaan. Als de Kamer nu nog niet beslist, geeft zij nog niets weg. Dat oordeel komt dan nog. Het lijkt mij ook gepast om dit in overleg met de sector nader in te vullen. Vandaar mijn verzoek om deze motie aan te houden.

De voorzitter:

Ik vraag mevrouw Lodders of zij daartoe bereid is.

Mevrouw Lodders (VVD):

Ik kom daar voor de stemmingen op terug.

De voorzitter:

Dan wachten wij dat af.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik dank de staatssecretaris voor zijn beantwoording en zijn reacties op de moties. De stemmingen over de ingediende moties vinden plaats op dinsdag 27 november 2012.

De vergadering wordt van 18.27 uur tot 19.30 uur geschorst.

Voorzitter: Van Miltenburg