5 Programma Eenvoudig Beter

Aan de orde is het debat naar aanleiding van een algemeen overleg op 2 november 2011 over het programma Eenvoudig Beter.

De voorzitter:

Laat ik eerlijk zijn, wij zitten behoorlijk in tijdnood. Daarom vraag ik de drie sprekers om kort en puntig te zijn en als zij zich beperken tot het indienen van een motie, heb ik daar geen bezwaar tegen.

De heer Paulus Jansen (SP):

Voorzitter. Ik vraag de minister te bevestigen dat zij tijdens het algemeen overleg heeft toegezegd dat zij in een aparte brief zal aangeven wat zij als "ongewenste nationale koppen" beschouwt in de context van het wetsvoorstel omgevingswet.

Ik wil aanvullend twee moties voorstellen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat het grootste wetgevingstraject op het gebied van ruimtelijk en milieurecht uit de geschiedenis van Nederland wordt ingezet zonder dat er een onafhankelijke, wetenschappelijke analyse is gemaakt van de problemen die samenhangen met het huidige stelsel van wetten en de onderliggende oorzaken van die problemen;

verzoekt de regering om uiterlijk bij de aanbieding van het voorontwerp omgevingswet een dergelijke probleemanalyse aan de Kamer aan te bieden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Paulus Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 42 (31953).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat in de beleidsbrief Eenvoudig Beter (31953, nr. 40) wordt gesteld dat "uit onderzoek blijkt dat 10% van de totale plankosten, waartoe de onderzoekslasten worden gerekend, kunnen worden bespaard met een efficiënter systeem", wat zou neerkomen op 600 mln. per jaar;

overwegende dat in de begroting IenM gerekend wordt op een besparing op apparaatlasten van 50 mln. per jaar ten gevolge van de nieuwe omgevingswet;

verzoekt de regering om uiterlijk bij de aanbieding van het voorontwerp omgevingswet een onafhankelijke analyse aan de Kamer aan te bieden, die de geclaimde besparingen onderbouwt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Paulus Jansen. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 43 (31953).

De heer Van Dekken (PvdA):

Voorzitter. Ik zal het kort houden. Wij hebben tijdens het algemeen overleg kort gesproken over het milieu en ruimtelijke normen. Ik wil de volgende motie indienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat milieu- en ruimtelijke normen uitgaan van de gezondheidseffecten voor mensen;

overwegende dat er geen verschil bestaat in gevoeligheid voor geluid, stank en fijnstof tussen mensen in verschillende delen van Nederland;

verzoekt de regering, te voorkomen dat er lagere normen gaan gelden in sommige delen van het land en vast te houden aan de normen volgend uit het volksgezondheidbelang voor milieu en ruimte,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Dekken. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 44 (31953).

De voorzitter:

Mijnheer De Rouwe, ik geef u het woord, ook al staat u niet op de lijst. Bij hoge uitzondering. Alleen moties.

De heer De Rouwe (CDA):

Voorzitter, ik dien alleen een motie in. Dank dat u mij in de gelegenheid stelt om die motie in te dienen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een van de doelstellingen van het programma Eenvoudig Beter en van de herziening van het omgevingsrecht is dat de planvorming voor gebiedsontwikkeling sneller kan verlopen;

constaterende dat het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) in het onlangs verschenen rapport Omgevingsrecht en het proces van gebiedsontwikkeling stelt dat een herziening van het omgevingsrecht, gericht op het verminderen van de complexiteit, de planprocedures bij gebiedsontwikkeling maar beperkt zal kunnen verkorten;

overwegende dat uit de rapportage van het Planbureau voor de Leefomgeving blijkt dat een belangrijk deel van de vertraging bij grote projecten niet alleen aan het omgevingsrecht te wijten valt, omdat omgevingsrecht slechts een van de elementen is bij gebiedsontwikkeling die de totale procesduur beïnvloeden;

overwegende dat de restrictiviteit van het omgevingsrecht – de beperkingen die de inhoudelijke (milieu)normen opleggen – van meer invloed op het proces zijn dan de complexiteit van het omgevingsrecht, en dat vooral aan tal van landelijk verplichte onderzoeken op het gebied van cultuurhistorie, bodem, flora en fauna, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid et cetera vertraging is te wijten;

verzoekt de regering, naast een vereenvoudiging van het omgevingsrecht gelijktijdig te onderzoeken hoe met deze vereenvoudiging een verbetering en herziening van landelijk verplichte onderzoeken en inhoudelijke (milieu)normen plaats kan vinden, zonder dat daadwerkelijk belangrijke voorwaarden op het gebied van cultuur en milieu in het geding komen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden De Rouwe en Houwers. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 45 (31953).

De heer De Rouwe (CDA):

Voorzitter, met zo'n motie heb je natuurlijk geen inleiding nodig.

De voorzitter:

Het is gewoon een termijn! U hebt volgens mij Oorlog en vrede een beetje samengevat.

Mevrouw Van Veldhoven, ik zie dat ook u het woord wilt voeren.

Mevrouw Van Veldhoven (D66):

Voorzitter, dank voor uw flexibiliteit. Ik maak graag gebruik van de mogelijkheid om de minister een paar punten mee te geven voor de verdere uitwerking.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat in de nieuwe omgevingswet het omgevingsrecht grotendeels wordt gedereguleerd;

overwegende dat ondernemers die in verschillende regio's en gemeenten actief zijn, hierdoor mogelijk te maken krijgen met veel verschillende regelgeving of normen;

spreekt uit dat de voorgenomen deregulering niet mag leiden tot juist meer onduidelijkheid en toenemende regeldruk voor ondernemers;

verzoekt de regering, hiermee rekening te houden bij de uitwerking van de omgevingswet,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Van Veldhoven en Verhoeven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 46 (31953).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de herziening van het omgevingsrecht potentieel grote gevolgen heeft voor milieu en natuur;

overwegende dat de nieuwe omgevingswet voldoende kaders dient te bieden voor een effectieve bescherming van natuur en milieu;

verzoekt de regering, door een onafhankelijke instantie te laten doorrekenen of de nieuwe omgevingswet voldoende kaders biedt voor bescherming van natuur en milieu en de Kamer hierover bij de toezending van de omgevingswet te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 47 (31953).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de herziening van het omgevingsrecht potentieel grote gevolgen heeft voor milieu en natuur;

overwegende dat wanneer en waar de nieuwe omgevingswet zal leiden tot negatieve gevolgen voor milieu en natuur, dit gecompenseerd dient te worden;

verzoekt de regering, in de omgevingswet maatregelen op te nemen die voorzien in eventuele compensatie op het gebied van milieu en natuur,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 48 (31953).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat een groot aantal taken door de voorgenomen decentralisering op decentraal niveau zal komen te liggen;

constaterende dat voor de uitvoering van een aantal taken uit het omgevingsrecht, bijvoorbeeld de toepassing van Europese regelgeving, specialistische kennis is vereist;

overwegende dat de benodigde kennis en kunde die voor de uitvoering van deze taken benodigd zijn, niet altijd aanwezig zijn bij de decentrale overheden;

spreekt uit dat bij het decentraliseren van taken naar decentrale overheden rekening moet worden gehouden met de aanwezige kennis en kunde bij decentrale overheden;

verzoekt de regering, hiermee rekening te houden bij de uitwerking van de omgevingswet en flankerend beleid,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van Veldhoven. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 49 (31953).

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Voorzitter. De heer Jansen heeft om een bevestiging gevraagd rond de nationale koppen. De Kamer ontvangt een brief over de ontwerpprincipes. Bij het voorontwerp wordt ook aangegeven welke EU-regels we op een andere wijze omzetten en verankeren in de Nederlandse regelgeving dan we oorspronkelijk zouden doen. Daarmee zeg ik toe waarom de heer Jansen heeft gevraagd.

In motie op stuk nr. 42 vraagt de heer Jansen om een probleemanalyse omdat er geen wetenschappelijke analyse zou zijn. Toch zijn er diverse wetenschappelijke organisaties bij betrokken. Ik vind de motie bovendien overbodig omdat ik in het AO al heb toegezegd dat er zo snel mogelijk een probleemanalyse naar de Kamer zal worden gestuurd.

In motie op stuk nr. 43 vraagt de heer Jansen de regering om een onafhankelijke analyse aan de Kamer aan te bieden die de geclaimde besparingen onderbouwt. Deze motie is ondersteuning van het beleid. Zo'n effecttoetsing zal worden gemaakt op basis van de ontwerpwet. De Kamer zal deze dus ook ontvangen.

In motie op stuk nr. 43 vraagt de heer Van Dekken mij om te voorkomen dat er lagere normen gaan gelden in sommige delen van het land. Ik moet deze motie ontraden. De Omgevingswet beoogt om de nationale normen te hanteren, maar dit hangt wel heel sterk af van de normen waarom het gaat. Veiligheidsnormen zullen zo veel mogelijk landelijk uniform zijn. Welstandsnormen hoeven dat bijvoorbeeld niet te zijn. Het kan zijn dat een gemeente op een bepaalde plek een zwaardere geluidsnorm wil hanteren dan ergens anders. Lokaal maatwerk moet mogelijk zijn. Daarom ontraad ik deze motie.

In motie op stuk nr. 45 vragen de heer De Rouwe en Houwers hoe we naast een vereenvoudiging van het omgevingsrecht ook landelijk verplichte onderzoeken en inhoudelijke (milieu)normen zouden kunnen bekijken. Ik zie deze motie als ondersteuning van mijn beleid. De Omgevingswet is niet alleen herziening van procesnormen en van termijnen, maar zal ook betrekking hebben op de inhoudelijke normen. Ik zal de conclusies van het Planbureau voor de Leefomgeving daarbij betrekken.

De heer Paulus Jansen (SP):

Hoe leest de minister de woorden "verbetering en herziening van landelijk verplichte onderzoeken"? Uit de overwegingen begrijp ik dat het vooral gaat om minder onderzoeken. Is dat de bedoeling?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Als door de herziening van het omgevingsrecht bepaalde onderzoeken elkaar overlappen, kan blijken dat je het op een andere, betere en slimmere manier zou kunnen doen. Dat moeten wij inzichtelijk maken. In het voorontwerp zal aan de orde komen welke zaken geschrapt worden, of alles blijft zoals het is en of er ook werkelijk veranderingen aangebracht gaan worden.

De heer Paulus Jansen (SP):

Het gaat dus uitsluitend om het schrappen van doublures?

Minister Schultz van Haegen-Maas Geesteranus:

Het gaat om het schrappen van doublures, maar het kan ook gaan over het schrappen van onderzoek waarvan wij constateren dat het eigenlijk niet erg nuttig en noodzakelijk is. Dan kun je politiek debat voeren over de vraag of je het daarmee eens bent of niet, maar mijn doel met deze wet is vooral om te bekijken hoe wij alle wetten kunnen versimpelen die wij met elkaar gemaakt hebben, met alle onderzoeken en alle AMvB's en regelingen daaronder, zodat mensen weer weten waaraan zij toe zijn.

In motie op stuk nr. 46 vraagt mevrouw Van Veldhoven of wij bij de uitwerking van de Omgevingswet rekening willen houden met de duidelijkheid voor ondernemers. Ik vind ook dat dereguleren niet mag leiden tot onduidelijkheid voor ondernemers. Ik zie de motie daarom als ondersteuning van het beleid.

In motie op stuk nr. 47 vraagt mevrouw Van Veldhoven of de regering een onafhankelijke instantie willen laten doorrekenen of de nieuwe Omgevingswet voldoende kaders biedt voor de bescherming van natuur en milieu. De effecten van de Omgevingswet op natuur en milieu zullen in kaart worden gebracht. Daarom zie ik deze motie als ondersteuning van het beleid.

In motie op stuk nr. 48 vraagt mevrouw Van Veldhoven of de regering in de Omgevingswet maatregelen wil opnemen die voorzien in eventuele compensatie op het gebied van milieu en natuur. In de regelgeving zullen regels worden opgenomen over compensatie waar Europa dat vereist. Wat dat betreft is deze motie ondersteuning van beleid, maar ik stel de Europese eis hierbij nadrukkelijk aan de orde.

In de motie-Van Veldhoven op stuk nr. 49 wordt de regering gevraagd, rekening te houden bij de uitwerking van de Omgevingswet met de aanwezige kennis en kunde bij decentrale overheden. Met decentrale overheden zal worden bekeken hoe de wet neerslaat bij gemeenten, provincies en waterschappen en wat nodig is voor een goed implementatietraject. Ik zie dus ook deze motie als ondersteuning van beleid.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Dank aan de minister voor de snelle beantwoording. We gaan door met het VAO Spoor. Ook dat wil ik in redelijk tempo afhandelen.

Naar boven