4 Bestrijden voortijdig schoolverlaten

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Leerplichtwet 1969, de Wet educatie en beroepsonderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het primair onderwijs, de Wet studiefinanciering 2000, de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten en de Wet op het voortgezet onderwijs in verband met het treffen van diverse maatregelen ten behoeve van het bestrijden van verzuim en voortijdig schoolverlaten (32356).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Wij gaan het over een aantal belangrijke wetsvoorstellen hebben. Het betreft de uitval uit het onderwijs, een thema dat wij in deze Kamer vaak bespreken. Dat is een groot probleem, want als kinderen uitvallen, bederven zij een deel van hun toekomst. Als wij dat goed aanpakken, is dat een goed instrument om allerlei achterliggende problemen aan te pakken. De overheid onderzoekt heel vaak hoe zij iets kan doen aan middelengebruik door minderjarigen of problemen die anderszins achter de deur van gezinnen plaatsvinden. Het enige echte instrument dat wij kunnen hanteren om daar achter te komen en ons daar op een goede manier mee te bemoeien, is het handhaven van de leerplicht en het tegengaan van verzuim. Dit geeft ons heel vaak een ticket om gezinnen en kinderen te helpen.

Ik wil het niet spannender maken dan het is: de vier wetsvoorstellen kunnen op de steun van D66 rekenen. Wij hebben echter een aantal vragen en aanvullingen. Wij plaatsen ook veel vraagtekens bij de context van de wetsvoorstellen.

Iedere dag zitten er duizenden kinderen thuis op de bank, terwijl zij eigenlijk op school moeten zitten. Soms willen zij op school zitten, maar lukt dit niet. Dat aantal is de afgelopen jaren niet afgenomen. De Nationale ombudsman publiceerde daarover een schokkend rapport, waaruit blijkt dat in sommige gevallen niemand zich verantwoordelijk voelt. Uit de brief over passend onderwijs die de minister begin deze week naar de Kamer stuurde, blijkt dat er wachtlijsten zijn voor het speciaal onderwijs en voor kinderen met psychiatrische problemen en gedragsproblemen. Zij kunnen daardoor niet het speciale onderwijs ontvangen dat zij eigenlijk nodig hebben. Die kinderen hebben volgens D66 recht op goed onderwijs. Wie is het daar niet mee eens?

De minister zegt dat zij het aantal thuiszitters, verzuimers en schoolverlaters wil terugdringen. Alweer een prachtige ambitie, maar midden in het proces van passend onderwijs voor leerlingen die extra zorg nodig hebben, bezuinigt het kabinet 300 mln. op het onderwijs voor deze zorgleerlingen. Dat is een groot probleem, dat ik in dit debat genoemd wil hebben. Het draagvlak bij leraren zal afnemen. Zij krijgen namelijk zonder dat zij daarvoor zijn toegerust, de plicht om deze zorgleerlingen in hun klas op te vangen. Ook de bereidheid van een school om bijvoorbeeld een passende plek te vinden voor dit soort leerlingen, neemt af. Het aantal voortijdige schoolverlaters daalt wel, maar steeds langzamer.

Zonder extra inspanningen is het onmogelijk om ons doel te halen. Ons doel, want naast D66 zullen de regering en heel de oppositie het ermee eens zijn dat het naar beneden moet. De 35.000 scholieren die nog wel kunnen uitvallen, zijn dan nog steeds te veel. Vooral in het mbo verlaten veel leerlingen voortijdig de school. Het is waar dat een deel daarvan later weer terugkomt – dat is goed – maar het zijn het er nog steeds veel te veel. Zonder extra investeringen lukt het niet om die leerlingen beter op te vangen. Dat zei onder anderen ook de voorzitter van de MBO Raad.

Ik zei het al: de voorgestelde wijzigingen in de wetsvoorstellen zijn dus kleine stappen naar een oplossing. Die kunnen in zijn algemeenheid op onze steun rekenen, maar zij worden ondergraven door andere zaken waarmee de regering aan de slag is gegaan. Daarover maken wij ons zorgen. Graag een reflectie daarop van deze minister.

Het is goed dat het melden van verzuim nu sneller moet; binnen vier in plaats van vijf weken. Het is echter de vraag wat precies de motivatie is om dat nog maar vier weken te laten zijn. Waarom is die termijn niet nog veel korter? Ook het aansluiten van de melding bij contactgemeenten van de regionale meld- en coördinatiefunctie voor voortijdig schoolverlaten en bij gemeenschappelijke organen van samenwerkende gemeenten, is een goede en logische ontwikkeling. Volgens D66 is de onderwijsinspectie de aangewezen partij om het toezicht op de scholen steviger te kunnen neerzetten. Kleinere gemeenten hebben vaak onvoldoende capaciteit om het toezicht stevig in te kunnen vullen. Leerplichtambtenaren zijn bovendien vaak te afhankelijk van schoolbesturen in hun gemeenten, om hen via een boete aan te kunnen spreken. In het verleden zijn slechts twee bestuurlijke boetes opgelegd en dat zegt genoeg. Daarom is het van belang dat het nu zo wordt aangepast. Ook de helderheid die scholen richting leerlingen en hun ouders over hun verzuimbeleid moeten geven, spreekt ons zeer aan.

Wij hebben een paar vragen over de centralisering van het toezicht bij de onderwijsinspectie. Is die centralisering wel effectief? Juist de verschillende organisaties die zich met de jeugd bezighouden, moeten samen zorgen voor een goede oplossing voor de leerlingen. Leerplichtambtenaren moeten met scholen blijven samenwerken om verzuim op te lossen. De betrokken leerplichtambtenaar kan dan eerder ingrijpen of doorverwijzen naar een juiste hulpverlener, waardoor de problematiek niet nog veel groter wordt. Maar sluit de positie van de leerplichtambtenaar nu voldoende aan bij de gemeentegrensoverstijgende karakters van scholen en onderwijs? Dat is gewoon een praktisch probleem. Hoe verhouden de samenwerkingsverbanden voor lichte zorg in het primaire onderwijs, "Weer samen naar school", zich tot samenwerking van gemeenten om weer leerlingen te plaatsen? Wat zou het betekenen als de onderwijsinspectie daar doorheen gaat fietsen? Waarom kiest de minister er niet voor de ruimte van de leerplichtambtenaar uit te breiden, zoals de Ombudsman heeft voorgesteld?

Scholen zijn nu verplicht om een nieuwe school te vinden voor een leerling die zij willen verwijderen. In de praktijk blijkt vaak dat aan deze verplichting slechts heel minimaal invulling wordt gegeven. Wie houdt er dan toezicht op die verplichting? Is dat een leerplichtambtenaar of de onderwijsinspectie? Wanneer kan worden gesteld dat een school alles uit de kast heeft gehaald om een nieuwe school te vinden? Wat gebeurt er als een school concludeert dat er geen andere school te vinden is? Wordt er dan iets gemeld bij de inspectie en wat kan de inspectie dan vervolgens doen? Wie is er op dat moment verantwoordelijk voor het vinden van een goede school voor de leerling die thuiszit? Dan hebben wij het heel vaak over leerlingen van wie de ouders heel graag willen dat ze naar school gaan maar dus met de handen in het haar zitten omdat het niet lukt. Waar is het recht op onderwijs van die leerling die op dat moment door de ouders niet geholpen kan worden?

Een ander bezwaar lijkt te zijn dat de leerplichtambtenaren de mogelijkheid wordt ontnomen om een school op zijn verzuimregistratie te controleren en op die manier in de gaten te houden of al het verzuim wel wordt gemeld. Volgens de Leerplichtwet is dat namelijk een verplichting maar wordt dat ook daadwerkelijk gedaan? Hoe vaak gaat de inspectie de kwaliteit van het registratiesysteem en de volledigheid van het bijhouden daarvan controleren en hoe kan de leerplichtambtenaar recente gegevens daaromtrent opvragen bij de inspectie?

We schuiven in deze Kamer bij heel veel onderwerpen zaken heel snel door naar de inspectie, het toezicht. Wij vinden dat wij moeten uitkijken dat het toezicht geen papieren tijger wordt maar een echte tijger met tanden; dus niet met schuimpjes in de mond maar echt met glazuur en merg. Heeft de onderwijsinspectie voldoende capaciteit om die extra taken naar behoren uit te kunnen voeren?

Dan de G4. Grote gemeenten hebben vaak wel de capaciteit om het toezicht goed te organiseren waar dat bij kleinere gemeenten niet het geval is. Het heeft onze voorkeur ook dat het zo lokaal mogelijk gebeurt. De G4 zijn daartoe in principe in staat. Het Amsterdamse Bureau Leerplicht is bijvoorbeeld dagelijks op pad en is de oren en de ogen van de wethouder in de wijken en de scholen. Kan de minister meer inzicht geven in de afspraken die zij met de G4 heeft gemaakt over het mandateren van bevoegdheden? Is er al een samenwerkingsprotocol tussen onderwijsinspectie en gemeenten en hoe zijn de juridische mogelijkheden voor mandatering precies geregeld? Hoe ziet het toezicht op het verzuimbeleid van scholen er dan precies uit? Het is heel goed dat de minister een deal heeft gesloten met de G4. Dat is praktisch en het levert maatwerk. Dat juich ik ten zeerste toe. Maar als er andere gemeenten zijn die aangeven ook in staat te zijn om dat maatwerk te leveren en bij de minister aankloppen, wat is dan haar antwoord en welke eisen stelt zij dan? In hoeverre gaat zij dan ook eerst monitoren of het in die G4 wel zo gaat als wij wensen? Ik krijg daarover graag een doorkijkje naar de toekomst. Ik kan mij namelijk voorstellen dat deze minister ook geïnteresseerd is in dit soort maatwerk.

Dan een laatste maar wel zeer belangrijk punt, namelijk het leerrecht. Wij hebben een leerplicht die ooit is ingesteld omdat het soms heel moeilijk was voor de overheid om ouders te bewegen om überhaupt hun kinderen naar onderwijs te brengen. Dat is echt heel lang geleden, nu zien we nog maar heel beperkt dat je ouders daarvan moet overtuigen. Je ziet wel dat er problemen ontstaan als ouders wel iets willen maar dat onderwijsinstellingen het niet kunnen leveren en soms ook niet willen leveren of heimelijk niet willen leveren. Daarom vinden wij dat een leerplicht eigenlijk niet zonder een leerrecht kan bestaan. Iedere ouder is en blijft verplicht ervoor te zorgen dat zijn of haar kind naar school gaat, maar tegelijkertijd heeft ieder kind volgens D66 recht op goed onderwijs. Dat is zowel geregeld in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens als in het Verdrag inzake de Rechten van het Kind van de Verenigde Naties. Richting de toekomst zouden wij het dus heel belangrijk vinden om zo'n leerrechtwet in ons wetssysteem op te nemen. Is de minister bereid daartoe de eerste aanzet te geven? Wij gaan het nu niet even amenderen in deze wet, maar dit is wel een weg waar wij heen zouden willen.

De Leerplichtwet is nog geschreven vanuit het punt dat ouders niets willen. Echter, als op dit moment ouders iets willen, kunnen ze behoorlijk weinig afdwingen als ze hun kind ergens geplaatst willen hebben. Natuurlijk, wij kennen ook de veeleisende ouders die weleens lastig zijn voor een school, maar scholen en ouders zouden toch samen in staat moeten zijn het belang van het kind voorop te plaatsen. Het probleem dat ouders machteloos staan tegenover grote schoolbesturen die weigeren hun kind onderwijs te geven, is er. Het is misschien niet heel groot, maar wij hebben de getallen gezien. Een fors aantal leerlingen, enkele duizenden, zit ongewild thuis.

De keuzevrijheid van ouders is ernstig beperkt. De mogelijkheid om een nieuwe school te stichten, is in Nederland in de praktijk zeer beperkt. Scholen mogen leerlingen verwijderen en weigeren; daarvoor bestaan eigenlijk geen criteria. Scholen lichten deze besluiten nu soms helemaal niet toe. Ondanks het feit dat scholen zo'n besluit moeten melden, gebeurt dit ook niet altijd. Dat moet echt gehandhaafd worden. Hoe zorgt de minister daarvoor? Dan is ook de vraag op welke grond zij dit kan handhaven en of wij daarvoor wel voldoende juridische mogelijkheden hebben. Daarover de volgende opmerkingen.

De Leerplichtwet stamt uit een tijd van kleine scholen en kleine schoolbesturen. Die tijd ligt achter ons. Ouders vormen vanuit juridisch oogpunt geen partij voor grote schoolbesturen. Bovendien kennen zij hun rechten, die er nog wel zijn, en die van hun kinderen vaak onvoldoende. Om de macht van de school weer in evenwicht te brengen met die van ouders en leerlingen, moeten ouders een afdwingbaar recht krijgen op onderwijs voor hun kind. Ik wil geen discussie voeren over de acceptatieplicht, want dat is een heel andere discussie die vaak betrekking heeft op inhoudelijke of religieuze redenen, maar er zou wel een soort recht moeten zijn dat een kind ergens in het onderwijs moet worden geaccepteerd om onderwijs te krijgen. Wat mij betreft kunnen scholen niet zomaar zonder melding, toelichting en verantwoording leerlingen weigeren of verwijderen aan wie geen passend onderwijs kan worden gegeven.

Scholen en leerplichtambtenaren samen blijken te vaak niet in staat een passende plek te vinden voor leerplichtige leerlingen. Scholen in een gemeente of in aangrenzende gemeenten blijken elkaar te vaak informatie toe te spelen over probleemleerlingen die vervolgens worden geweigerd op basis van die informatie. Het is dus hoog tijd dat het leerrecht in de wet wordt vastgelegd. Wij zullen dat op een later tijdstip doen, maar ik wil in het kader van dit wetsvoorstel al twee punten naar voren brengen, namelijk een onderwijsovereenkomst en het feit dat scholen bij de inspectie gevallen moeten melden waarin kinderen thuis komen te zitten.

Ik begin met de onderwijsovereenkomst. Ik zou graag zien dat er een onderwijsovereenkomst komt die gelijk komt te staan met bijvoorbeeld de huurovereenkomst, de arbeidsovereenkomst of de medische behandelingsovereenkomst. De rechten van de leerling en de ouders worden helder uiteengezet in die overeenkomst. Dan is niet langer een echte onderwijsjurist nodig om alle rechten bij elkaar te harken die versnipperd zijn over allerlei verschillende regels. Maak de rechten van de leerling in ieder geval alvast toegankelijk. Als de minister niet wil toezeggen dat dit wordt onderzocht, zal ik dit in een motie vastleggen, maar ik hoop dat zij wil meedenken.

Door de onderwijsovereenkomst aan het Burgerlijk Wetboek toe te voegen, creëren wij voor ouders de mogelijkheid van een gang naar de kantonrechter om beslissingen van de school te toetsen. Dan krijg je dus echt maatwerk, omdat wordt gevraagd: wat heeft deze leerling nu precies nodig, wat is er aan de hand, staat de school met goede argumenten tegenover de leerling en zijn ouders of is er iets anders aan de hand? Bij de invoering van passend onderwijs kunnen ouders dan bijvoorbeeld ook bij de kantonrechter aankloppen als voor hun kind geen passende situatie wordt gevonden. Ik heb al gezegd dat ik hiertoe een motie heb klaarliggen, maar ik hoop dat de minister daarin wil meedenken.

Artikel 11 van de Leerplichtwet bevat nu een lijst van redenen waarvoor afwezigheid van een leerling gegrond is. Natuurlijk is het niet de bedoeling dat de school iedere afwezigheid van een leerling meldt; dat zou leiden tot onnodige bureaucratie. In de praktijk blijkt echter wel dat bijvoorbeeld een schorsing een eerste teken is dat er iets niet goed gaat. De leerling loopt grote kans op schooluitval of thuiszitten. Scholen hoeven nu geen melding te maken van gevallen waarin zij vaststellen dat zij die leerlingen geen passend onderwijs kunnen bieden. De leerling komt vervolgens thuis te zitten zonder dat iemand dat weet. Daarom stel ik voor dat scholen bij het schorsen van een leerling of het niet kunnen bieden van onderwijs aan een leerling, een melding moeten maken bij de onderwijsinspectie. Het melden van verzuim is de start van het zoeken naar een oplossing daarvoor.

De heer Biskop (CDA):

Ik wil terugkomen op de onderwijsovereenkomst waarover de heer Van der Ham zojuist sprak. De CDA-fractie heeft de onderwijsovereenkomst al vaker te berde gebracht als mogelijkheid voor ouders en school om afspraken te maken. Tot zo ver is het fantastisch en ben ik enthousiast. Hij begon echter plotseling te spreken over verankering in het Burgerlijk Wetboek en er allerlei juridische toestanden van te maken. Waarom zou je het op die manier willen vastleggen als uit de praktijk blijkt dat ouders dat heel goed zelf kunnen?

De heer Van der Ham (D66):

Als er niets aan de hand is, zullen dit soort vormen wel werken, maar wat doe je als je echt met de handen in het haar zit? De heer Biskop krijgt die e-mailtjes uit de samenleving natuurlijk ook van ouders die echt willen dat hun kind naar school gaat terwijl niemand zich verantwoordelijk voelt. Dan moet je zo'n onderwijsovereenkomst ook tanden kunnen geven. En dan moet je dus ook juridisch verankeren dat zo'n onderwijsovereenkomst voor de rechter kan worden gebracht en dat kan worden beoordeeld of het goed is gegaan. Dit materialiseren heeft echt een voordeel. We hebben het natuurlijk over extreme situaties, niet over gemiddelde problemen tussen scholen, leerlingen en ouders; over gevallen waarin geen uitweg meer is, waar de leerling echt niet meer weet waar hij heen moet. Ik wil de minister vragen om te bezien hoe zo'n onderwijsovereenkomst tanden zouden kunnen worden gegeven. Dit zou bijvoorbeeld in het Burgerlijk Wetboek kunnen. Ik heb dat nagevraagd bij juristen; die zeiden dat dit bijvoorbeeld op de manier van een huurovereenkomst, arbeidsovereenkomst of medische behandelingsovereenkomst kan worden vastgelegd. Maar als er andere mogelijkheden zijn, sta ik daar zeer voor open. Het wordt een motie, het is geen amendering op deze wet. Ik wil de minister dus op weg sturen om dit probleem het hoofd te bieden.

De heer Biskop (CDA):

Ik begrijp dat de heer Van der Ham voor die paar uitzonderlijke gevallen, die hij en ik allebei wel kennen, een gigantisch administratief circus gaat optuigen?

De heer Van der Ham (D66):

Laten we nu even een beetje constructief zijn. Wat wij doen, en wat u hebt voorgesteld, is vragen hoe ouders die in dit soort situaties met hun rug tegen de muur staan, hun recht kan halen. Ik sprak al van een onderwijsrecht, maar dat is een groot onderwerp dat we niet in dit wetsvoorstel kunnen krijgen met amendementen. Maar u zult met mij eens zijn dat dit soort leerlingen nergens hun recht kunnen halen, ook al willen ouders heel graag dat zij onderwijs krijgen. Met de minister en met u ben ik op zoek naar mogelijkheden om hieraan vorm te geven. Als je een voorzet doet, is er natuurlijk altijd het gevaar dat mensen die niet goed vinden; maar dan komt u weer met een alternatief en zo komen we in deze Kamer in gemeen verkeer tot een beter voorstel. Dat is wat wij doen na "gehoord de beraadslagingen".

De heer Dijkgraaf (SGP):

Voorzitter. Ik ben blij dat de heer Van der Ham niet met een amendement komt, want onlangs hebben wij daarover discussies gehad en die moeten wij vooral niet herhalen.

De heer Van der Ham (D66):

Lijkt me leuk!

De heer Dijkgraaf (SGP):

Goed, dat mag van mij, maar dan weet u ook wat de reactie is. Maar u snijdt wel een belangrijk issue aan. Ik ben erg benieuwd naar uw formulering van dat leerrecht, naar hoe ver dat gaat: is dat recht specifiek gekoppeld aan zorgleerlingen? Als het voor alle leerlingen gold, zou je al snel gaan naar een volledige uitholling van artikel 23, met een feitelijke acceptatieplicht die via de rechter kan worden afgedwongen.

De heer Van der Ham (D66):

Nee hoor, een leerrecht gaat over onderwijs kunnen volgen. De acceptatieplicht gaat veel meer over de school waar dat gebeurt. Wij kunnen daarover later discussiëren en het hierover dan oneens zijn, maar ik denk dat SGP en D66 samen zullen zeggen dat een kind gewoon recht heeft op onderwijs, hoe moeilijk het ook is. Juist kinderen met bijvoorbeeld gedragsmoeilijkheden zouden we via onderwijs of hulpverlening een beetje verder kunnen helpen. Zeker als ouders erg gemotiveerd zijn, moeten ze toch ergens hun recht kunnen halen. Mijn voorstel van vandaag moet er niet toe leiden dat mensen verplicht op een bepaalde school worden geplaatst, bijvoorbeeld op een school met een religieuze grondslag. Daarover gaat mijn voorstel niet, dat is weer een andere discussie.

De heer Dijkgraaf (SGP):

In dat geval wil ik twee dingen graag even scherp. Is dit in uw optiek gekoppeld aan deze specifieke zorgleerlingen, gaat het om een kleine groep van alle leerlingen of over alle leerlingen? Dat maakt voor onze standpuntbepaling namelijk nogal uit. En als dit in het Burgerlijk Wetboek terechtkomt, komt de school voor de rechter; daarmee gaat het dus wél om een specifieke school die al dan niet terecht een leerling heeft geweigerd.

De heer Van der Ham (D66):

Ik ben op zoek, samen met de minister en hopelijk ook met u, naar een moment waarop de samenleving zich verantwoordelijk kan voelen, of verantwoordelijk wordt gemaakt, voor leerlingen en hun ouders die helemaal met de rug tegen de muur staan. Nu gaat het veel te geleidelijk, waardoor onzichtbaarheid ontstaat en niemand zich verantwoordelijk voelt. Bij een leerrecht gaat het dus over leerlingen die nergens onderwijs kunnen volgen, omdat zij verwijderd zijn enzovoort; het gaat dus eigenlijk per definitie over zorgleerlingen. Er heeft een verwijdering plaatsgevonden, iemand zit niet meer op een school, wordt bijna van een school afgestuurd. Er is dus een probleem en per definitie of vaak gaat het om zorgleerlingen. Ik probeer er in dit overleg voor te zorgen dat wij gaan onderzoeken of het mogelijk is om dit probleem te tackelen. Ik wil namelijk dat wij ons hiervoor verantwoordelijk gaan voelen. Dat zouden wij kunnen doen via de weg van het Burgerlijk Wetboek. Het kan wellicht ook op een andere manier en ik laat mij dan ook graag adviseren door de juristen van het ministerie van OCW. De minister heeft bovendien genoeg tijd om hier nog eens naar te kijken. Dat is dus mijn zoektocht.

De heer Dijkgraaf (SGP):

Fijn dat de heer Van der Ham het koppelt aan een klein deel van de leerlingen, de echte probleemleerlingen, en niet aan de hele groep. Dat scheelt een slok op een borrel, maar het gaat dan nog steeds wel om de formulering.

Wij komen nog volop met elkaar te spreken over passend onderwijs. Is die discussie niet het moment om hierop door te gaan? U stelt het nu eigenlijk aan de orde in de zijlijn van een andere discussie. Het is dan ook terecht dat u geen amendement indient. Moeten wij het met andere woorden niet behandelen in de discussie waarin de minister haar complete visie op dit soort leerlingen geeft? Ik heb verder uit de kranten iets vernomen over de gedachten die men heeft over een zorgplicht voor scholen. Een dergelijk idee sluit volgens mij heel goed aan bij de discussie die u wilt voeren. Als de minister zegt dat zij serieus zal kijken naar de verschillende opties, bent u dan bereid om uw motie aan te houden totdat wij die discussie met elkaar hebben gevoerd?

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb nog geen motie ingediend! Ik kondig een motie ook pas aan als ik merk dat er helemaal niets gebeurt. Ik heb ook gezien dat de minister bezig is met dit probleem. Soms hebben wij te maken met ouders die niets willen. Om daaraan iets te doen is de minister met voorstellen gekomen. Op zichzelf vind ik het overigens sympathieke voorstellen. Je moet namelijk wel streng zijn tegen deze ouders. Het is ook de basis van het wetsvoorstel dat je streng moet zijn om uitval te voorkomen.

Er zijn ook ouders en leerlingen die graag willen maar niet kunnen. Daarom hoor ik graag van de minister in hoeverre de zorgplicht door deze ouders kan worden afgedwongen. Een afdwingbaar recht is nodig, want wij spreken nu over leerlingen die niemand wil hebben. Ik kan mij dat overigens ook wel voorstellen uit het perspectief van de school. Wij hebben echter de verantwoordelijkheid om juist voor dit soort leerlingen zorg te dragen. Al met al denk ik dat wij niet toekunnen met tandeloze regels en dat het misschien wel wat steviger geregeld mag worden, bijvoorbeeld in wetgeving.

Ik hoor graag van de minister hoe zij die zorgplicht ziet. Een antwoord hierop is belangrijk, omdat wij in het kader van dit wetvoorstel bespreken hoe wij uitval gaan tackelen. Ik ben dus bereid om ook naar andere mogelijkheden te kijken. Verder heb ik nog geen motie ingediend. Ik kan dan ook geen motie aanhouden. Ik hoop dat wij dit overleg zullen gebruiken om verder te komen.

Voorzitter. Ik zou de minister willen vragen of wij kunnen regelen dat de onderwijsinspectie de mogelijkheid krijgt om het besluit van een school om een leerling te weigeren of te verwijderen inhoudelijk te toetsen.

Ik hoop dat wij het erover eens zijn dat lastige leerlingen niet thuis horen te zitten, maar op de juiste school. Het melden van het probleem vormt het begin van de zoektocht naar een oplossing. Ik zei al dat ik het graag zou regelen, zonder verzeild te raken in een discussie over de acceptatieplicht. Ouders zouden vervolgens dan wel met het oordeel van de inspectie op zak de leerrechten van hun kind aan de kantonrechter kunnen voorleggen. Was het besluit wel legitiem en afdoende gemotiveerd?

Een andere mogelijkheid zou kunnen zijn dat de leerplichtambtenaar meer bevoegdheden krijgt om de procedure te toetsen. Dat lijkt mij echter in strijd met de doelstelling van het wetsvoorstel om de verantwoordelijkheid hiervoor juist bij de onderwijsinspectie neer te leggen. Daarom doe ik dit voorstel dan ook uitdrukkelijk niet.

Ik ben van mening dat de door mij geschetste maatregelen op korte termijn zouden kunnen helpen, het aantal kinderen terug te dringen dat thuiszit en onnodig een onderwijsachterstand oploopt. Scholen moeten nu ook al op zoek naar een andere school als zij een leerling willen verwijderen. Hoe wordt deze verplichting nageleefd en kunnen de door mij voorgestelde maatregelen dit probleem het hoofd bieden?

Uit het rapport van de Ombudsman blijkt dat de privacy van ouders bij het zoeken naar een andere school vaak wordt geschonden. Informatie over het kind wordt uitgewisseld tussen scholen, wat vaak leidt tot het weigeren van de leerling door die andere school. In de wet staat dat informatie pas mag worden uitgewisseld wanneer de leerling op een andere school is ingeschreven. Hoe gaan wij dat handhaven? Wat doet de minister tegen heimelijk en openlijk misbruik? Ik wijs er maar op dat mijn fractievoorzitter hierover eerder Kamervragen heeft gesteld. Ik hoor dan ook graag hoe het er nu voor staat.

Mevrouw Smits (SP):

Voorzitter. Ze waren ongeveer net zo oud als ik, de gasten die ik een paar weken geleden ontmoette op een mbo-school in Zwolle. Ze waren begin twintig, sommigen waren wat jonger, sommigen wat ouder. Het waren allemaal gasten die om allerlei redenen een paar jaar uit het onderwijs waren geweest, waren uitgevallen op hun vorige opleiding en nu hadden besloten om weer aan de bak te gaan. Ik ontmoette ze op een school voor mbo niveau 1, een kleine school met veel structuur, overzicht, rust, reinheid, regelmaat en begeleiding voor deze jongens en meisjes. De docenten – er zijn er slechts tien tot vijftien, want het is een kleine school – zijn heel trots op hun leerlingen. De leerlingen voelen zich er thuis. Ze worden goed geholpen en begeleid maar ze moeten wel werken; het blijft tenslotte een school. Toen ik deze jongens en meiden vroeg naar de reden waarom ze op hun vorige school waren uitgevallen, kreeg ik verschillende antwoorden. Een paar hadden er geen zin meer in. Een paar hadden verkeerde vrienden. Een flink deel kwam thuis in de problemen en kon die problemen thuis niet meer overzien, waardoor school het eerste was wat uitviel. Allemaal hadden ze echter iets gemeen: het begon met af en toe spijbelen, met een uurtje weg, een dag weg, een keer een week weg. Langzaam verdwenen zij uit hun school.

Schooluitval is een groot probleem voor een land, economisch en maatschappelijk, maar vooral ook een probleem voor de mensen die uitvallen. Zonder diploma is het een stuk lastiger om voor jezelf te zorgen en om in de toekomst misschien wel voor je gezin te zorgen. Het gaat beter met de schooluitval en ook dit jaar is het aantal voortijdig schoolverlaters gedaald. Dat is goed. Toch waren er ook vorig jaar nog bijna 40.000 jongeren die uitvielen zonder startkwalificatie. De wens van het kabinet om in 2016 nog 25.000 schooluitvallers te hebben, delen wij natuurlijk van harte. Iedereen staat daar volgens mij achter. Het wordt wel lastig, zoveel is ook duidelijk. De scholieren die relatief eenvoudig op school te houden waren, zijn nu natuurlijk allemaal wel in de kraag gevat. De groep die overblijft, is een groep jongens en meisjes voor wie meer nodig is. De vraag is of de huidige plannen daarvoor genoeg zijn.

Wij kennen allemaal het goede rapport van de heer Winsemius. Voor leerlingen met veel verschillende problemen moet de school een betrouwbare uitvalsbasis zijn, anders raken wij deze kinderen kwijt. Dat betekent dat alle verschillende organisaties om kinderen heen goed met elkaar samenwerken en dat wij proberen om dat er niet zo eindeloos veel te laten zijn. Het betekent ook dat er structuur op school moet zijn. Eigenlijk gaat het om de dingen die ik net noemde. Het betekent wat mij betreft ook – maar daarover zullen de minister en ik het oneens zijn – dat 300 mln. bezuinigen op de begeleiding van de meest kwetsbare kinderen in het onderwijs een heel dom idee is als je die gasten op school wilt houden. De SP schat in dat er meer kinderen thuis komen te zitten. Dat zal alleen contraproductief werken.

Schooluitval begint bijna altijd met spijbelen. Wat blijkt nu? Spijbelen wordt slecht bijgehouden op scholen en slecht doorgegeven aan de leerplichtambtenaar. Driekwart van de mbo's heeft de cijfers niet op orde. Ze kunnen het aantal meldingen van schoolverzuim niet goed verantwoorden. De registratie is op meer dan de helft van de plekken op orde en op minder dan de helft van de plekken dus niet. Het Parool schreef op 29 november dat van de 64 mbo-scholen in Amsterdam slechts negen afdelingen het spijbelen het afgelopen schooljaar goed in de gaten hielden en indien nodig een melding deden bij Bureau Leerplicht. Hoe kan het dat in Amsterdam slechts 14% van de mbo-afdelingen zich volledig aan de regels hield? Is het beeld in de andere grote steden ook zo?

De inspectie noemt als een van de redenen voor het slechte bijhouden van het spijbelen de ingewikkelde regels en procedures. Voor een deel worden die met dit wetsvoorstel versimpeld; wij steunen dat. Ik geloof in alle oprechtheid echter niet dat de ingewikkelde procedures alleen de reden vormen dat in de helft van de gevallen het verzuim niet wordt opgeschreven. Wij horen bijvoorbeeld ook van scholen dat zij imagoschade oplopen als zij eerlijk zijn over hun verzuim en dat zij bang zijn dat zij te boek komen te staan als een school waar veel wordt gespijbeld. Dat willen zij niet. Herkent de minister dit? Hoe ziet zij het? Je mag van scholen toch ten minste verwachten dat zij weten welke leerlingen op welk moment in welke les zitten? Het lijkt mij de basis van het geven van onderwijs dat je weet wie er in je school is. Het lijkt mij ook dat als een directeur er achterkomt dat de helft van het verzuim niet wordt doorgegeven, hij opspringt uit zijn bureaustoel en roept: laten wij daar werk van maken. Maar kennelijk hebben de instellingen niet gevonden dat het bijhouden van spijbelen prioriteit heeft, of zijn er andere redenen. Dat hoor ik graag van de minister. Graag hoor ik ook van haar of zij van plan is de onderwijsinspectie af te sturen op die mbo-scholen die het verzuim niet op orde hebben, want dat moet wel snel in orde komen.

Het zou natuurlijk ook kunnen liggen bij de bureaus leerplicht. Ik heb een aantal vragen over de bureaus leerplicht. Hoe staat het ervoor bij de leerplichtbureaus? Zijn er voldoende ambtenaren? Kunnen zij het werk een beetje aan? De invoering van het digitaal verzuimloket heeft tot meer meldingen geleid bij de bureaus. Kan men dit nog wel overzien? Ik ben ook benieuwd hoeveel geld er is gereserveerd voor bureaus leerplicht in het Gemeentefonds, of iemand daarvan een overzicht heeft – "iemand" is in dit geval hopelijk de minister – en hoe het wordt besteed.

De motie van mijn collega Nathalie de Rooy uit 2007 riep ertoe op om de meldingsplicht van verzuim van scholen aan te scherpen. Dat ziet er nu goed uit. Daar zijn wij blij om. Met dit wetsvoorstel moet de administratie rond het spijbelen beter worden en beter worden doorgegeven aan de leerplichtambtenaren. Dat uitgangspunt onderschrijft mijn fractie van harte. Het wetsvoorstel verlegt de controle op de scholen van de leerplichtambtenaar naar de inspectie. Dat is voor de SP-fractie geen principekwestie, helemaal niet zelfs. Voor ons is alleen van belang dat scholen snel ingrijpen als het mis dreigt te gaan met een leerling. Daarbij hoort dat ze de administratie op orde hebben en daarbij hoort dat je een instantie hebt die controleert of scholen dat wel doen. Het maakt mij in alle eerlijkheid niet uit of dat de inspectie is of de leerplichtambtenaar. Het is wel heel belangrijk dat het gebeurt.

Daarover hebben wij nog enkele vragen. De inspectie doet aan thematische controle en aan risicogestuurd toezicht. De kans bestaat dus dat er nog minder dan voorheen wordt gecontroleerd op spijbelen en schooluitval. Ik hoor graag van de minister of het kan gebeuren dat een school vier jaar lang de registratie van het verzuim niet op orde heeft, maar dat de inspectie daar niet langskomt en de school dus niet wordt aangesproken. De minister geeft aan dat daarover afspraken moeten worden gemaakt tussen gemeenten en leerplichtbureaus. Is dat genoeg garantie, vraag ik mij af. Kan het ertoe leiden dat de inspectie op verschillende plekken in het land heel anders opereert omdat de gemeente er misschien niet zo achteraan zit? De inspectie verricht een papieren controle. Dus als een school simpelweg niet opschrijft wie wel en wie niet in de klas zit, kan de inspectie de papieren controleren tot ze een ons weegt, maar komt ze er niet achter of leerlingen aan het verzuimen waren. Ik vraag de minister: hoe moeten wij dit ondervangen? Dan bestaat het risico nog altijd, want de inspectie staat relatief ver weg van de school. De inspectie en de leerplichtbureaus zullen intensief moeten gaan samenwerken om dat gat te vullen. Ingrado, de club van de leerplichtambtenaren, legde uit dat de leerplichtambtenaar de oren en de ogen van de inspectie zal zijn. Wanneer de leerplichtambtenaar ziet dat het met het verzuim niet goed gaat, wordt de inspectie ingeschakeld. De inspectie kan vervolgens actie ondernemen.

De grote steden hebben sinds enige tijd een eigen manier om dit te doen. De heer Van der Ham refereerde daaraan ook. Het zou jammer zijn als de wet die wij nu invoeren het voor de grote steden onmogelijk maakt om hun toch wel succesvolle aanpak te stoppen. Zij doen het vrij simpel. Als het hard regent, is er doorgaans meer verzuim. Dan gaan ze op de school kijken hoe het staat met het verzuim, of die kinderen er zijn en of dit netjes is opgeschreven. Zo niet, dan gaat de leerplichtambtenaar het gesprek aan met de school en gaat men bekijken waardoor het mis gaat. Daarvoor moeten de leerplichtbureaus bij de verzuimadministratie van de school kunnen, niet alleen per leerling, maar ook per klas of opleiding. Juist dat laatste is nog onduidelijk in de wet. Kan de minister verzekeren dat ook in de nieuwe situatie de leerplichtambtenaar toegang heeft tot de administratie van de school? Hoe kan zij anders de ogen en oren van de inspectie zijn? Aan een klas zelf kun je niet zien of mensen afwezig zijn of niet en of de school dat opschrijft. Ik vind dit een belangrijk punt. Ik overweeg een amendement in te dienen. Met een beetje geluk is dat niet nodig en kan de minister mij geruststellen. Wij zullen zien.

In de schoolgids moet duidelijker komen te staan wat de regels zijn voor het spijbelen. Dat vindt de SP-fractie hartstikke goed, maar wij hebben in het verleden veel onderzoek gedaan naar schoolgidsen. Met name op de volledigheid is nog wel eens iets af te dingen. Het zou fijn zijn als daarop door de inspectie goed wordt gecontroleerd. Ik hoor die garantie graag van de minister.

Over de noodzaak van de aanval op de schooluitval hoeven wij hier niet te steggelen. Die zien wij allemaal. De SP-fractie steunt het streven van de minister, maar vraagt zich wel af of dit nu dé oplossing is voor het probleem. Wij vinden het van belang dat de grote steden niet worden gehinderd in hun aanpak, omdat zij vaak een grotere capaciteit hebben op de leerplichtbureaus en de laatste jaren veel werk hebben gemaakt van het tegengaan van de uitval.

Toen ik de scholieren van de mbo-opleiding vroeg waarom het nu wel goed ging op school, bleek dat aan een paar dingen te liggen. In de eerste plaats waren zij gemotiveerder dan ooit, omdat zij hadden besloten dat zij zonder diploma niet zo ver zouden komen in het leven. Daarnaast gaven zij aan dat de huidige school goed voor hen was: kleinschalig, veel structuur, goede docenten en duidelijke regels. Ik heb het gezien: bij de deur op die school zat een conciërge, die precies in de gaten hield wie er zonder reden naar buiten ging. Van elke leerling wist de school precies waar deze op dat moment was. Daarom lieten zij het wel uit hun hoofd om te spijbelen.

De heer Çelik (PvdA):

Voorzitter. Het wetsvoorstel dat wij behandelen is weer een voorbeeld van hand in hand samenwerken en beleid formuleren. Dat is ontstaan in de vorige kabinetsperiode, toen ook de PvdA van het kabinet deel uitmaakte. Uit de stukken blijkt een goede en gedegen voorbereiding. Het is opvallend dat er zeer brede steun is vanuit het veld. Dit is echt opmerkelijk, omdat er in vrijwel alle opzichten steun is voor de plannen van de minister. Het is ook bijzonder omdat een aantal maanden terug de wethouder in Den Haag nogal wat problemen had, omdat zij graag wat meer maatwerk wilde behouden. Ik heb in Den Haag en andere grote steden enkele gesprekken gevoerd en ik constateer dat de minister erin is geslaagd om ook de G4 achter het voorstel te krijgen. Als je de evaluatie leest van het digitaal verzuimloket, word je daar echte warm van. Voorzitter, via u maak ik de minister mijn complimenten.

Natuurlijk zijn er altijd ook gaten in een wetsvoorstel te schieten. Wat ons betreft is het voorstel niet breed genoeg en gaat het niet ver genoeg. Hoewel het lijkt of het niet zo is, hebben de punten die ik straks ga noemen wel degelijk direct of indirect te maken met het verzuimbeleid. Ik noem: lesuitval, thuiszitters en het actief betrekken van de ouders bij het geheel.

Ik begin met het schoolverzuim en loop even de stukken na die wij tot onze beschikking hebben gekregen. Zorgvuldig verzuimbeleid van scholen is van groot belang om effectief te kunnen handelen. Daarbij is ook van belang dat toezicht en handhaving hand in hand gaan. Als dat niet gebeurt, kun je doorgaan tot je een ons weegt, maar dan gaat het niet helpen, welk plan je ook hebt. Daarom vindt mijn fractie het een prima voorstel om de algehele basis van het toezicht bij de inspectie te laten. Hier en daar moet ook de samenwerking met de leerplichtambtenaren worden versterkt, om tegenover de ouders de betrokkenheid van burgemeester en wethouders effectief te houden. Ik vind dat een goede manier van samenwerken en een goede vorm van overheidsbemoeienis, waarbij enerzijds de inspectie en anderzijds de leerplichtambtenaren hand in hand orde op zaken stellen.

Het is belangrijk dat de spijbeldata waarover de inspectie beschikt in handen komen van de leerplichtambtenaren. Ik heb geconstateerd dat dit wel degelijk het geval is. Ik hoor het graag van de minister als ik onjuist ben geïnformeerd. Ook de leerplichtambtenaren kunnen de informatie van de inspectie krijgen. Sterker nog, zij hebben daar toegang toe. Dit betekent dat zij samen ook op dat punt met dezelfde data aan de slag kunnen.

Niet alle scholen melden schoolverzuim. Dat vind ik een kwalijke zaak. Wij wisten het al een tijd, maar het blijkt weer uit het rapport van de inspectie. Dan denk ik bij mijzelf: hoe kan dat toch? Hoe kan het nu dat scholen die met publiek geld draaien, dat wil zeggen geld van al die mensen die hier en thuis zitten, hun verantwoordelijkheid niet oppakken en verzuim melden? Wat is er nu zo moeilijk aan, als wij daartoe met elkaar afspraken maken? Waarom lukt het sommige scholen, rectoren, schoolleiders, besturen, of hoe je ze allemaal moet noemen, die ik als bevoegd gezag verantwoordelijk acht, niet om verzuim te melden en hebben wij daarvoor andere middelen nodig? Het gaat niet om simpele zaken. Het gaat om de carrière van de leerlingen die op school zitten. Het gaat om onze kinderen, die een goede opleiding behoren te krijgen. We moeten alle middelen aangrijpen om de leerlingen die andere paden proberen op te gaan, toch weer op het rechte pad te krijgen, via de overheid, via de ouders et cetera. Ik constateer met pijn in het hart dat er te veel scholen zijn die niet voldoen aan de verwachtingen van de samenleving.

Refererend aan de begrotingsbehandeling constateer ik ook dat de minister al deze plannen wel moet uitvoeren met minder geld. Als ik het goed heb uitgerekend, is er in totaal 56 mln. minder te besteden dan vorig jaar. Graag hoor ik van de minister of ze nog steeds daadkrachtig kan optreden en of ze nog steeds met al haar intenties hard op weg kan gaan.

Gedurende de vele werkbezoeken die ik de afgelopen maanden heb gebracht aan mbo- en vo-instellingen heb ik altijd ook de vraag gesteld hoe het verzuim geregeld is en hoe men omgaat met leerlingen die regelmatig verzuim plegen. Telkens constateerde ik dat de scholen op papier een prima oplossing en redelijke plannen hadden – eerlijk is eerlijk, ere wie ere toekomt – maar dat er in de praktijk toch te veel haperingen zijn, vaak door ziekte of allerlei andere omstandigheden. Dat is geen probleem. Ik bekritiseer die scholen niet. Ik constateerde dit alleen maar gedurende mijn werkbezoeken. Ik constateerde ook – en dat vind ik zelf wat kwalijker – dat bijvoorbeeld heel veel mbo-scholen wel de eigen beleidsregels volgen en de leerling bij verzuim dus bellen, de voicemail inspreken, weer bellen, een sms sturen. Dat lukt allemaal. Maar ze gaan er vervolgens niet toe over, het verzuim ook te melden aan de ouders. Dan slaan we, zo denk ik bij mezelf, de plank volledig mis. Het excuus was dat het vaak zou gaan om leerlingen die al 18 of ouder zijn. Dat is niet altijd het geval; op mbo-instellingen zitten ook leerlingen van 16 en 17. Ook bij die leerlingen gebeurt die melding echter niet. En als ze 18 of 19 zijn: so what? Als ouder heb ik de verantwoordelijkheid voor mijn kinderen en als mijn kinderen 19 of 20 zijn en ze spijbelen, dan wil ik dat weten als vader. Dan kan ik op mijn eigen manier, met mijn gezag, met mijn kinderen daarover praten.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Het klinkt mij als muziek in de oren om dit van collega Çelik zo te horen, maar hoe wil hij de ouders aanspreken van leerlingen van 18 plus die niet meer aan een startkwalificatieplicht hoeven te voldoen? Hoe wil hij die ouders en de leerlingen zelf aanspreken? Heeft hij daar ideeën over?

De heer Çelik (PvdA):

Het ei van Columbus zal ik wel niet hebben, maar ik heb twintig jaar bij de politie gewerkt, mijnheer Beertema. Ik ben net zoals u iemand met hart voor het onderwijs en ik weet dat je wel pogingen moet wagen. Als je helemaal niets onderneemt, dan weten we dat we nooit de jackpot winnen. Als wij echter met elkaar proberen om de ouders erbij te betrekken en de ouders aan te spreken op hun verantwoordelijkheid, dan hebben we misschien nog de helft erbij gewonnen. Wat we met de andere helft doen, dat weet ik op dit moment ook niet. Ik denk ook aan andere ouders die kinderen hebben op het mbo. Mijn zoon zit ook op het mbo. Als hij spijbelt, dan wil ik dat weten. Als het mij niet lukt, dan is dat mijn probleem en mijn verantwoordelijkheid. Dan lukt het me maar niet, maar dan heeft de school het wel geprobeerd en mij bij de discussie betrokken. Als scholen dat überhaupt niet doen, vind ik dat een kwalijke zaak.

De heer Beertema (PVV):

Ik prijs de heer Çelik. Ik denk dat hij ook naar alle tienminutengesprekjes gaat die de school organiseert voor ouders. Ik heb jarenlang dat soort gesprekjes gevoerd en die avonden waren altijd reuze gezellig, maar eigenlijk niet effectief. De ouders die ik op die gesprekjes had, waren namelijk precies de ouders die ik niet hoefde te zien, omdat ze al hartstikke gemotiveerd waren. Met hun kinderen was nooit iets aan de hand. Ik vind het toch een beetje vrijblijvend om nu de scholen te bekritiseren in de trant van: kom op, doe meer aan de betrokkenheid van ouders. In mijn ervaring willen de scholen dat heel graag, maar ze hebben geen wettelijke instrumenten en geen sanctioneringsmogelijkheid in handen om de ouders ook te dwingen. Helaas is dat toch vaak nodig.

De heer Çelik (PvdA):

Dat zijn twee discussies die enigszins door elkaar lopen. Laat ik zeggen dat ik naar aanleiding van het voorbeeld van verzuimbeleid dat ik net gaf, constateer dat de scholen niet met ouders participeren. Dat wil ik wel. In het andere geval ben ik van harte bereid om hier goed met de heer Beertema over na te denken en om na te gaan of we samen iets kunnen bereiken. Ik hoor echt bij de groep die vindt dat ouders verplicht moeten worden om bijvoorbeeld op ouderavonden aanwezig te zijn. Ik ben het echt zat dat er te veel ouders zijn die dat niet doen en die verantwoordelijkheid niet oppakken. Dat is een andere discussie. Die gaat iets verder, maar ik wil er graag met de heer Beertema over nadenken.

De heer Beertema (PVV):

U krijgt vandaag nog een mooie kans om met mij mee te denken, denk ik.

De heer Çelik (PvdA):

Halleluja!

Ik ga verder met mijn volgende punt: lesuitval. Lesuitval vervaagt in de ogen van mijn fractie de grens tussen legaal verzuim en spijbelen. Ik kan het echt niet accepteren dat er leerlingen zijn die maandenlang of vaker waarschijnlijk wekenlang geen les krijgen van een bepaalde docent. Ik wil dat in een beschaafd land als Nederland niet accepteren. Ik vind dat zo'n, nou ja, ik zoek …

De heer Van der Ham (D66):

Gooi het eruit!

De heer Çelik (PvdA):

Ja, ik wil het er wel uit gooien, maar in dit huis moet je op je woorden letten, terecht. Wij horen een voorbeeld voor de rest van Nederland te zijn. Ik meen het oprecht en heb hierover een motie voorbereid, want het moet afgelopen zijn met lesuitval. Ik hoop dat ik de Kamer achter mij krijg. Dat een docent ziek wordt, begrijpt iedereen, maar dat die docent na lange tijd nog steeds niet is vervangen door een andere en dat de rector nog steeds geen oplossing heeft gevonden door die lessen door een ander te laten geven, kan ik en wil ik niet accepteren. Het moet afgelopen zijn met die vrijblijvendheid. Het moet ermee afgelopen zijn dat schoolbesturen onvoldoende verantwoordelijkheid nemen voor de kinderen, die recht hebben op onderwijs. We hebben leerplicht in dit land, maar die kinderen worden buiten hun schuld om, buiten hun eigen verzuim om geconfronteerd met legaal verzuim, in dit geval van school. Dat mag niet meer van deze tijd zijn; het moet een keer afgelopen zijn. Ik verwacht van de minister stevige toezeggingen op dit punt en steun voor mijn motie, want we gaan dit punt samen met kracht bestrijden.

De heer Elias (VVD):

Ik heb geen motie gezien. Dat hoort ook zo. Wellicht komt die later, maar misschien hoeft er ook helemaal geen motie te worden ingediend.

Ik kan bijna niet geloven wat de heer Çelik nu allemaal zegt, dus ik wil het verifiëren. Vraagt hij geen extra geld voor wat hij nu zegt?

De heer Çelik (PvdA):

Ik vraag mij even af waarom u dat niet kunt geloven. Nee, ik ben het op een aantal punten met de minister eens. Als u goed had geluisterd naar mijn inbreng tijdens de begrotingsbehandeling, had u dat geweten. Ik ben iemand die vindt dat niet alles met geld moet. Dat onze wens was dat er meer geld voor onderwijs kwam, had hiermee niets te maken. Er moet meer geld komen voor het geven van meer lesuren. Er moet meer geld komen om docenten beter op te leiden, zodat we docenten van goede kwaliteit krijgen. Ook moet er meer geld voor allerlei andere zaken komen, maar niet voor het voorkomen van lesuitval. Lesuitval is een verantwoordelijkheid van de school. Die hoort bij de bedrijfsvoering, bij het verantwoordelijkheidsgevoel van scholen en de ernst waarmee die met dit soort knelpunten omgaan.

De heer Elias (VVD):

Ik stelde de vraag omdat de heer Çelik tot een partij behoort waarvan de reflex is om geld te vragen. Ik ben dus ongelooflijk blij met wat de heer Çelik nu zegt en zal hem daarin van harte steunen. Ik was het ook al zeer eens met wat hij zei over de eigen verantwoordelijkheid van de ouders, naast allerlei andere instrumenten die we moeten inzetten. Ik kom hem dus wat dat betreft – daarom stelde ik eerste een informerende vraag – meer dan tegemoet. Ik wilde het alleen zeker weten. Ik ben het helemaal met de heer Çelik eens.

Mevrouw Smits (SP):

Wat een harmonie vandaag, voorzitter. Dit moet u deugd doen.

De voorzitter:

De dag is nog niet om!

Mevrouw Smits (SP):

Dat is waar.

Ik kan mij ook vinden in de doelen van deze zeer gedreven strijd van de heer Çelik tegen de lesuitval. Ik heb wel een praktische vraag. Die lessen worden op dit moment vaak opgevuld door docenten die eigenlijk helemaal niet bevoegd zijn voor het vak. Vindt de heer Çelik dit ook een probleem, of is hij al tevreden als de kinderen zijn ondergebracht?

De heer Çelik (PvdA):

Dit is een zeer serieuze vraag die ik met zorg wil beantwoorden, omdat ik niet verkeerd wil worden geïnterpreteerd. Wij vinden ten principale dat leerlingen les moeten krijgen van bevoegde en bekwame docenten. Laat daarover geen misverstand bestaan. Mijn fractie heeft dat al verscheidene malen bij verscheidene debatten gesteld. Tegelijkertijd constateren wij echter dat er op dit moment sprake is van gaten. Wij praten over bevoegde docenten, maar soms alleen maar over bekwame docenten die niet bevoegd zijn. Daaraan wordt gewerkt. Ik geloof de minister op haar woord als zij zegt dat hiermee de komende jaren flink vaart wordt gemaakt. Ik geloof haar ook als zij die intentie uitspreekt. Zolang wij echter nog niet zo ver zijn, moeten wij voorkomen dat leerlingen buiten ergens verdwaald rondlopen omdat er geen les wordt gegeven vanwege lesuitval. Daarom accepteer ik dat op dit moment deze leerlingen tijdelijk les krijgen van een bekwame maar niet bevoegde docent. Ik kan dat accepteren omdat dit tijdelijk van aard is en ik ervan uitga dat dit straks helemaal uit de wereld is.

Mevrouw Smits (SP):

Oké. Ook ik kan mij er goed in vinden als dit op tijdelijke basis gebeurt. Aan welke termijn denkt de heer Çelik als hij het heeft over tijdelijk? Ik kan mij bijvoorbeeld voorstellen dat wij zeggen: het is goed als er lessen worden gegeven door bekwame onbevoegde docenten, als zij maar binnen twee jaar de bevoegdheid halen. Kan de heer Çelik zich daar ook in vinden?

De heer Çelik (PvdA):

Ik ben dat met mevrouw Smits eens. Ik weet niet of een termijn van twee jaar een redelijke is. Ik weet niet of het te doen is om binnen die termijn de bevoegdheid te halen. Het is echter de intentie en de ambitie van de Kamer dat die bevoegdheid wordt gehaald. Laten wij met elkaar afspreken dat dit punt binnen deze kabinetsperiode wordt opgelost en dat dit vanaf 2014 niet meer voorkomt. Als wij dat kunnen afspreken, ben ik dolblij.

Dit brengt mij bij het punt van de thuiszitters. Ik heb het persbericht van 24 januari van de minister vanzelfsprekend gelezen. Ik constateer alleen maar dat de minister duidelijke taal schrijft. Er staat geen woord Spaans in haar persbericht. Het doet natuurlijk pijn dat wij tegelijkertijd moeten constateren dat bij thuiszitters vaak een heldere probleemanalyse ontbreekt. Ook dat is in mijn ogen niet van deze tijd. In een beschaafd land als het onze hoort dat niet te gebeuren. Hoe kun je kinderen die op school horen te zitten, überhaupt thuis laten zitten zonder een duidelijke probleemanalyse of een serieuze conclusie? Waar haal je het lef vandaan? Dat zou ik bijna willen vragen aan alle schoolleiders en docenten die dit voor elkaar krijgen. De intentie van de minister op dit punt spreekt mij aan. Toch heb ik ook hiervoor een motie voorbereid. Ik wil voor eens en voor altijd kenbaar maken dat dit niet te accepteren valt. Ik hoop dat de Kamer mij ook op dit punt zal steunen. Zorgplicht of niet, dit moet nu al afgelopen zijn! Leerlingen mogen niet meer het stempel krijgen van zorgleerling of lastige leerling. Niet alle kinderen die thuis zitten zijn zorgleerlingen. Kinderen zitten ook vaak thuis omdat de directeur ze niet wil zien omdat ze lastig zijn en niet willen luisteren. Dat is niet meer van deze tijd, dat moet afgelopen zijn. Ik wacht de beantwoording van de minister op dit punt af.

De heer Van der Ham (D66):

Ik ben het op dit punt helemaal eens met de heer Çelik; dit moet niet gebeuren. Maar waarom gebeurt het toch? Kinderen zijn lastig. Scholen willen deze leerlingen liever kwijt, want zij zijn ook niet goed voor de statistieken van de school. Dit zijn allemaal redenen die wij geen geldige redenen vinden om kinderen thuis te laten zitten. De vraag is echter: hoe lossen we het op? Ik heb een suggestie gedaan. Ik heb gezegd: misschien moet je de verwijdering motiveren en bij de inspectie kunnen voorleggen. Op die manier ontstaat een scharnier, waarop ouders vervolgens kunnen aanklagen et cetera. Er is dan in ieder geval een moment waarop dit ter discussie kan worden gesteld. Bent u ook voor het onderzoeken van zo'n soort scharnierpunt? Dit ook om het wat harder te maken, omdat anders zo'n proces helemaal vervliegt.

De heer Çelik (PvdA):

Ik heb goed naar u geluisterd, mijnheer Van der Ham, en het klinkt sympathiek. Ik ben het met u eens dat het ook aan de handhavingskant door de overheid schort en dat daardoor dit soort situaties ontstaat. Ik ben het ook met u eens dat we moeten kijken of handhaving soelaas biedt en sta daar dus niet onwelwillend tegenover. Wel geld ontvangen voor de leerling, maar geen verantwoordelijkheid nemen, is net zoiets als op internet goederen bestellen, daarvoor betalen, maar de goederen nooit ontvangen. Dat is ook heel ongemakkelijk en niet van deze tijd.

Tot slot, voorzitter. In mijn inleiding heb ik al gezegd dat ik de ouders wat actiever wil betrekken bij het verzuim en daar laat ik het bij.

De heer Biskop (CDA):

Voorzitter. Duizenden kilometers hier vandaan doen overheden en ouders hun best om onderwijs mogelijk te maken voor alle kinderen. Jongens en meisjes smeken erom naar school te kunnen gaan: wij willen leren, wij willen een betere toekomst, is hun leuze. Dan is het zuur om te zien dat spijbelen en luxeverzuim in ons land bijna geaccepteerd zijn. Kort door de bocht zou ik willen zeggen dat iedere maatregel die bijdraagt tot het voorkomen van schooluitval en het tegengaan van verzuim door de CDA-fractie met gejuich wordt ontvangen. Met deze wet is dat zeker het geval. Het is goed om het afgesproken beleid te borgen in een wet. Verder werken aan een vereenvoudiging van de procedure verzuimmelding, de eenloketregeling, betekent verder werken aan maatregelen om schooluitval en spijbelen tegen te gaan. Als we kijken naar de evaluatie van het digitaal verzuimloket, dan lijkt dat ook te lukken. Een paar jaar geleden, toen ik het aanvalsplan tegen spijbelen van de CDA-fractie aan deze minister, toen nog staatssecretaris, aanbood, heb ik al gezegd: spijbelen is niet vet, het is niet cool!

Het is goed dat het meldproces verzuim gestroomlijnd wordt en dat meldtermijnen op een lijn worden gebracht. Een heldere tijdsaanduiding van zestien uur en vier weken moet bijdragen aan een betere registratie. Onbekendheid en ingewikkeldheid van termijnen en procedures kunnen geen excuus meer zijn. Daarnaast kunnen we het sturen van een brief naar de leerling als extra stimulans alleen maar aanmoedigen. Het wijzen op persoonlijke verantwoordelijkheid is in het kader van schoolverzuim geen slechte keuze. Elke stimulans lijkt nodig om het probleem aan te pakken, want elke leerling en elk uurtje is er een teveel.

De keten is echter zo sterk als de zwakste schakel. De zwakke schakel is hier vanmiddag al een paar keer voorbijgekomen: het meldgedrag van scholen. Ik heb dat niet voor niets als een van de vijf punten opgenomen in het aanvalsplan tegen spijbelen.

Vorige week was ik met een CDA-delegatie bij het Albeda College in Rotterdam, wat de heer Beertema ongetwijfeld goed zal doen. Een lerares knippen vertelde dat ze bij verzuim meteen de leerling en de ouders belt. Ze hoeft voorts nauwelijks ooit verzuim te melden, omdat de leerlingen alsnog op school verschijnen. De houding van de docent is dan ook cruciaal en scholen moeten daarop inzetten en, wanneer er sprake is van verzuim, dat natuurlijk actief melden. Een dergelijke betrokken docent levert het meeste op en werkt preventiever dan een actief meldbeleid. Wij kunnen hier in de Kamer wetten aannemen tot we een ons wegen, maar als leraren en scholen het verzuim niet actief tegengaan en zo nodig melden, dan valt de hele keten in duigen. Er moeten heldere afspraken zijn. Zo mogen alleen ouders en verzorgers hun kinderen afmelden op school. Vaak is het ook onduidelijk waarom een leerling verzuimt. Spijbelen vindt bijvoorbeeld plaats, de heer Çelik sprak daar zojuist ook over, omdat roosters tussenuren bevatten. Scholen kunnen ervoor zorgen dat er meer aansluitende roosters zijn, zodat spijbelen wordt voorkomen. Gisteren hadden wij een presentatie over Vensters voor Verantwoording, een uitstekend initiatief van de VO-raad om informatie van en over vo-scholen beschikbaar te stellen.

De heer Beertema (PVV):

Ik heb griep. Vandaar deze late reactie op het gestelde door de heer Biskop over de actieve juffrouw die meteen aan het bellen ging. Wij gingen ook altijd meteen bellen, maar de ervaring was vaak dat wij niemand thuis troffen. De telefoon was afgesloten, er was net een nieuw nummer aangevraagd, of we kregen een broertje aan de lijn dat nergens van wist. Dat is de realiteit in dat andere deel van Rotterdam. Alle respect voor de juf die de heer Biskop ten tonele voert, maar het lijkt mij een beetje kort door de bocht om te stellen dat alleen een actieve docent genoeg zou zijn om dit probleem te tackelen.

De heer Biskop (CDA):

Als dat genoeg zou zijn, dan stonden wij hier vandaag niet om een verzuimwet aan te passen. Wij kunnen ons wel heel erg concentreren op de achterkant van de keten, helemaal aan het eind, met behulp van boetes en allerlei sancties, maar als we aan de voorkant, als een leerling verzuimt, daar niets aan doen, dan slaan we de plank helemaal mis. Buiten dat telefoontje waarvan ik vind dat dit in ieder geval moet worden gepleegd, kun je ook denken aan mijn eerdere pleidooi voor een spijbelalert, een sms-systeem waarbij scholen een sms'je naar ouders sturen met de tekst: Uw zoon of dochter is vandaag niet op school verschenen! Er moet dan ook een kopietje naar de leerling met de mededeling: Onderstaand bericht hebben we zojuist aan je ouders verzonden! Scholen die van dat systeem gebruikmaken, hebben 80% minder spijbelaars.

Ik was bij de presentatie gisteren van Vensters voor Verantwoording. De mevrouw van de VO-raad die dit presenteerde, hielp ons door het systeem. Wat mij opviel, was dat er ook kon worden gekeken naar een tabel met uitvaluren. Wat schetst mijn verbazing? Het hoogste percentage uitvaluren zat bij de categorie excursies. Ik snap best dat leerlingen op excursie gaan, maar je bedenkt zoiets niet vandaag, waardoor direct lessen uitvallen. Zoiets wordt maanden van te voren gepland, zodat dit niet tot lesuitval hoeft te leiden. Hoe krijg je daar vat op, ook als zo'n school wel aan de urennorm voldoet?

Leerlingen nemen ook steeds vaker vakantie. Ze nemen met toestemming van de ouders vaker een dagje vrij om de vakantie eerder te laten beginnen of langer te laten duren. Een grote groep leerplichtambtenaren heeft voor de zomervakantie van vorig jaar controles uitgevoerd. Daaruit blijkt dat het luxe verzuim vrij groot is. De minister stelt dat de wederzijdse afhankelijkheid van school en gemeente, lees leerplichtambtenaar, daadwerkelijke handhaving in de weg lijkt te staan, maar dan slaat de schrik mij om het hart. Hoe zit het precies met de instructies van burgemeester en wethouders aan leerplichtambtenaren? Hoe zit het met de naleving van dat meldingsgedrag door scholen? We kunnen het wel hebben over de wenselijkheid van helder beleid, maar het lijkt mij ook goed om de wettelijke verplichting met betrekking tot het verzuimbeleid in de schoolgids op te nemen. Dat leidt in ieder geval tot een betere communicatie. Verantwoordelijkheden moeten worden opgepakt en mensen moeten kunnen worden aangesproken op hun verantwoordelijkheid.

Een ander positief punt aan dit wetsvoorstel is naar de mening van de CDA-fractie de herpositionering van het toezicht op de school en de keuze voor de bestuurlijke boete in plaats van de strafrechtelijke sanctie. Het is goed dat er gekeken wordt naar de effectiviteit en naar de bestuursrechtelijke gang van zaken. Hoewel in de nota naar aanleiding van het verslag wordt ingegaan op de positie van de schoolleider, blijft de CDA-fractie zich samen met de Raad van State afvragen of het hoofd van de school hiermee moet worden belast. Een dergelijke, op het individu gerichte sanctie strookt toch niet met andere onderwijswetgeving waarin het bevoegd gezag gesanctioneerd wordt? Natuurlijk is de schoolleider de eerstverantwoordelijke, maar ultimo is het bevoegd gezag toch eindverantwoordelijk? Het bevoegd gezag heeft desnoods de middelen om de desbetreffende schoolleider aan te spreken. Op dit punt heb ik reeds een amendement ingediend.

De heer Beertema (PVV):

Naar ik begrepen heb, vervalt de strafrechtelijke sanctie – daar is iets voor te zeggen – en wordt deze vervangen door een bestuurlijke sanctie. Dat is al een mildere vorm van sanctioneren, maar nog wel gericht aan het adres van het hoofd van de instelling. De heer Biskop stelt nu voor om een en ander nog verder weg te trekken van de persoon zelf en nog meer te "ontpersoonlijken" door het bevoegd gezag hiervoor verantwoordelijk te gaan stellen. Is de heer Biskop niet bang dat een dergelijke sanctie eigenlijk veel te routineus afgedaan zal worden door de boekhouder of, zoals dat tegenwoordig heet, de concerncontroller? Hiermee vervalt wat mij betreft de afschrikwekkende werking, en zeker de preventieve werking die van de maatregel uit zou moeten gaan.

De heer Biskop (CDA):

Dat zou kunnen, ik ben dat best met de heer Beertema eens. Laten wij echter naar de vraag kijken wie verantwoordelijk is voor de school. Dat is ultimo het bevoegd gezag. In alle andere onderwijswetgeving spreken wij steeds het bevoegd gezag aan, maar in dit geval spreken wij het hoofd van de school aan. Ik ga ervan uit dat als het bestuur van een school een boete te verwerken krijgt omdat een hoofd der school niet juist of niet gemeld heeft, het bevoegd gezag dan niet zegt: laten wij die € 1000 per sanctie – het maximum is € 100.000, zo staat in de wet – maar betalen en wij wijden er niet eens een telefoontje naar het hoofd der school aan. Ik mag toch aannemen dat het bevoegd gezag dan ook in staat is om het hoofd der school aan te spreken?

De heer Beertema (PVV):

Dat zal zeker gebeuren, denk ik. De gegeven straf zal echter toch gedekt moeten worden. Mijn ervaring is dat zo'n bedrag gedekt wordt door het werkveld zelf. De leraren en de leerlingen gaan daar de dupe van worden. En het bevoegd gezag? Ach, dat draait zich nog eens om en slaapt rustig verder.

De heer Biskop (CDA):

Ik deel die opvatting niet. Ik denk niet dat men op het schoolplein met de pet rondgaat. In dit geval is sprake van een serieuze boete. Overigens geldt ook in dit geval dat wij helemaal aan de achterkant van de keten zitten. Ik wil inzetten op de voorkant, maar ik wil een en ander wel graag zuiver houden.

De heer Elias (VVD):

Ik heb ook een vraag over het amendement. Sowieso wacht ik de reactie van de minister op het amendement af voordat ik een definitief standpunt inneem. Mijnheer Biskop, ik snap uw redenering. Vanuit juridische zuiverheid valt er ook wel wat voor te zeggen. Eigenlijk is het ook wel principieel voor de langere termijn. Het is het bevoegd gezag dat de school op orde moet brengen, daar hoort de verantwoordelijkheid ook te liggen. Dat is de ene kant van de medaille. De andere kant is deze. Dit is overigens ook enigszins de redenering die de minister kiest in de schriftelijke stukken en in de uitwisseling van argumenten met de Raad van State. Je kiest een wat pragmatischer invalshoek, ik vat het nu een beetje samen. Als je het schoolhoofd aanpakt, kan dat weleens een stuk effectiever zijn. Dit is ook wel een beetje de lijn van de interruptie van de heer Beertema. Ik voel er ook wel heel veel voor om dit probleem te regelen in plaats van het alleen maar te doen zoals het eigenlijk zou horen. Ik zit dus een beetje in dubio. Snapt u mijn probleem?

De heer Biskop (CDA):

Ik snap uw probleem. Samen met u wacht ik af wat de reactie van de minister is. U snapt ook waarom ik dit amendement heb ingediend.

Voorzitter, ik zie dat u tijdens de interrupties mijn spreektijd hebt laten doorlopen.

De voorzitter:

U kent het reglement: voor wetgeving gelden geen begrenzingen.

De heer Biskop (CDA):

Voorzitter. Regionalisering is een punt waarop de CDA-fractie meermaals heeft aangedrongen om het verzuim wat professioneler aan te pakken. In veel kleine gemeenten is slechts een paar uur aanstelling voor een leerplichtambtenaar. Heeft de minister er goed zicht op hoe de regionalisering op dit moment gestalte krijgt in het land? Waar wordt ermee gewerkt en hoe bevalt dat?

Over de rol van de inspectie zijn wij voldoende geïnformeerd. Er rest nog dat, vooruitlopend op de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, een overleg plaatsvindt tussen gemeenten, Ingrado en inspectie om uitvoeringsafspraken te maken. Graag willen we geïnformeerd worden over het effect van deze afspraken.

Met name in het middelbaar beroepsonderwijs lijkt het melden ernstig te wensen over te laten. Ik citeer de reactie van de voorzitter van de MBO Raad: "Zolang we in het mbo de achterstanden moeten repareren die studenten in het voortgezet onderwijs oplopen, blijft de uitval hoog." Tja, zo'n redenering kan toch geen reden zijn om geen melding te maken? Veelal betreft het een kleine harde kern spijbelaars. Wat het CDA betreft, is het hier, zowel naar de spijbelaar als naar de school toe lik-op-stuk. De heer Çelik had het over de 18-plusleerlingen en de heer Van der Ham over een onderwijscontract. Ik ken een heleboel scholen die op het moment dat een mbo'er 18 wordt, een schoolovereenkomst sluiten, waarin ook wordt afgesproken dat ouders worden geïnformeerd. Een voorbeeld is ROC West-Brabant. Als een 18-plusser een daar een weekje wegblijft, zoals mijn zoon een tijdje geleden, heeft het daarmee de mogelijkheid om de ouders te bellen, in dit geval mij. Zo kan ik de ouderlijke verantwoordelijkheid op mij nemen, mijnheer Çelik, om mijn eigen zoon ter verantwoording te roepen. Het kan wel!

De stap van verzuim naar voortijdig schoolverlaten is klein. Het voorkomen daarvan is een belangrijk punt voor de regering. Dat is terecht. Voortijdig schoolverlaters, zo weten wij ondertussen, gaan voor een deel na enkele jaren toch weer naar school. Zo'n 30% zit na vijf jaar weer op school. Een ander deel komt terecht in de Wet investeren in jongeren, de WIJ. Juist deze jongeren, de schooluitvallers, zijn ook de jongeren die zich niet zo gemakkelijk bij de gemeente melden. Bij de recente evaluatie van de WIJ bleek er nauwelijks inzicht te zijn in de niet-melders. Zou de minister bij haar collega staatssecretaris De Krom erop willen aandringen om deze groep wat nadrukkelijker in beeld te brengen? Het vormt immers het laatste stukje zorg voor de uitvallers.

Tot slot nog een opmerking over de spijbelrechter. De CDA-fractie is altijd een sterk voorstander geweest van de spijbelrechter. We zijn blij dat dit idee zijn plek heeft gevonden. Zijn er nu overal in Nederland spijbelrechters werkzaam en kan de minister aangeven wat de resultaten zijn in termen van aantallen zaken? Kan de minister ook iets zeggen over het type spijbelaar dat in deze zaken wordt aangepakt? Gaat het inderdaad om de harde kern van spijbelaars of hebben we toch veelal luxeverzuim te pakken of anderszins bijzondere groepen?

De heer Elias (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Het wetsvoorstel dat we vandaag bespreken, moet ervoor zorgen dat verzuim en spijbelgedrag, waar van alles mee samenhangt, zoals al uit de eerdere bijdragen is gebleken, wordt aangepakt. De VVD-fractie stemt in met het oogmerk van het wetsvoorstel, maar heeft wel een kritische vragen en mogelijke aanvullingen.

Het aantal voortijdig schoolverlaters, bijna 42.000 in 2008/2009 – heeft de minister trouwens al cijfers uit 2010 voor ons beschikbaar? – is een van de grootste problemen in het Nederlands onderwijs. Schoolverlaten begint nogal eens met eerst een of meerdere dagen spijbelen, waarna structureler verzuim volgt. Daarom is het van groot belang dat spijbelen tijdig wordt gemeld. Dat melden is de wettelijke taak van de school en burgemeester en wethouders behoren hierop toe te zien. Uit onderzoek van de Inspectie van het Onderwijs naar het melden van dat verzuim blijkt echter dat 48%, bijna de helft, van de instellingen voor beroeps- en volwasseneducatie en 15% van de scholen voor voortgezet onderwijs niet in staat is tot adequate verwerking van de beschikbare gegevens in dat meldproces. De verzamelde informatie is vaak omslachtig en daarom kunnen scholen er niet mee omgaan. Maar liefst 42% van de instellingen kan niet voldoen aan de wettelijke meldtermijnen. Veel scholen voegen gegevens over verzuim slechts eenmaal per week samen. Vaak is niet helder of het verzuim dan nog wel tijdig kan worden gemeld. Dit zijn allemaal gegevens van de Inspectie van het Onderwijs.

Het wetsvoorstel dat wij vandaag behandelen, behelst drie belangrijke maatregelen. Ten eerste wordt het meldproces voor verzuim gestroomlijnd, en worden systemen en meldtermijnen op elkaar afgestemd. Ten tweede worden het toezicht en de handhaving versterkt; het toezicht van de naleving op de Leerplichtwet door schoolhoofden wordt belegd bij de inspectie – daar kom ik nog op – en er komt een mogelijkheid om scholen een bestuurlijke boete op te leggen. Het betreft maximaal € 1000 per overtreding en maximaal € 100.000 bij elkaar opgeteld. Ten derde wordt het verzuimbeleid transparant: scholen en instellingen worden verplicht om hun verzuimbeleid op te nemen in de schoolgids.

De VVD pleit in alle Kamerdebatten over spijbelen al jaren voor het aanpakken daarvan. De VVD pleit ook voor het beboeten van scholen die spijbelen niet of slecht melden. Nogmaals, mijn fractie kan zich vinden in de richting van het wetsvoorstel. Zij heeft wel een aantal opmerkingen en een enkele vraag.

Verzuim moet ook bij de bron worden aangepakt; de aanpak moet niet louter gericht zijn op de melding en aanpak van verzuim, maar ook op preventie. Het is van enorm belang dat het uitvallen van lessen wordt tegengegaan. Mijn collega Çelik van de PvdA heeft daarover behartigenswaardige opmerkingen gemaakt. Je moet niet raar staan te kijken als kinderen die iedere keer op onverwachte momenten op het schoolplein of in de gangen hangen, op een gegeven ogenblik zelf bedenken dat zij wel een uurtje extra kunnen missen. Het tegengaan van lesuitval moet in elke school een grote prioriteit hebben. Soms, niet altijd – het zijn uitzonderingen, maar het moet wel gezegd worden – krijgen kinderen les van uitgebluste leraren die hun tijd uitzitten en amper nog energie in hun lessen stoppen. Onderwijs moet boeiend zijn.

Verder hoort de cultuur op school te zijn dat kinderen elkaar op spijbelen en verzuim aanspreken. Dat moet althans geprobeerd worden. Ik weet dat dit een beetje idealistisch klinkt. Toen collega Biskop daarnet zei dat spijbelen niet cool is en er nog een schoolklas op de tribune zat, werd er een beetje gelachen en gegiecheld. Toch moeten docenten en leidinggevenden erop gespitst zijn te bevorderen dat de cultuur in die richting gaat. Bovendien vindt mijn fractie dat docenten zich meer moeten inspannen om de problemen die soms achter het spijbelgedrag zitten, te herkennen. Is de minister het eens met dit soort waarnemingen? Zo ja, vindt zij dat scholen daar voldoende aan doen? En heeft zij daar überhaupt inzicht in? Mijn fractie vraagt zich ook af of er sancties moeten worden opgelegd, in de zin van aantekeningen in het personeelsdossier of iets dergelijks, aan een schoolleider die nalatig is in het melden van verzuim. Graag nadrukkelijk een reactie van het kabinet op dit punt.

De regering stelt voor om het toezicht op de naleving van de Leerplichtwet op scholen te beleggen bij de Inspectie van het Onderwijs. Is dat wel de juiste route? Dat vraag ik net als andere collega's die daarover hebben gesproken. Waarom is daarvoor gekozen? De Raad van State is daar nogal kritisch over. Het werkt nu kennelijk onvoldoende, maar waarom meent de minister dat toezicht via de inspectie wel of beter zou werken? Ik vraag ook met nadruk naar de achtergronden van deze keuze.

Het toezicht op de naleving van de leerplicht door ouders en leerlingen vanaf twaalf jaar, blijft ongewijzigd. Dat blijft via de gemeente lopen. Dat vinden wij een goede zaak, mits die gemeenten hun taak kunnen waarmaken en erachteraan zitten. Is dat het geval; heeft de minister daar gegevens over? Zijn er voldoende leerplichtambtenaren? Wordt er met verschillende ratio's en verschillende regio's gewerkt? Ook daarover sprak collega Biskop kort. Ik kan mij voorstellen dat het in Charlois anders in elkaar steekt dan in Zutphen en dat bijgevolg in Rotterdam meer leerplichtambtenaren nodig zijn. Zijn die er dan ook? Hoe zit het met de scherpte van het toezicht; zorgen de leerplichtambtenaren voor een strikte naleving van de regelgeving? Zo ja, met welke sancties?

De VVD bepleit extra mogelijkheden voor handhaving. Een voorbeeld van een dergelijke mogelijkheid is het inhouden van de kinderbijslag als ouders consequent de leerplicht niet nakomen. Het is heel redelijk en goed verdedigbaar om de kinderbijslag in te trekken van ouders die hun kinderen niet achter de broek zitten als zij structureel spijbelen. Ik doel vooral op kinderen van veertien jaar of vijftien jaar. Ik wil graag weten of de minister dit met ons eens is. Ik ben het zeer met de heer Çelik eens dat ouders hun verantwoordelijkheid moeten waarmaken. Ik discussieerde net nog in een radio-uitzending met een ouder die serieus beweerde dat een ouder niets aan spijbelen kan doen, omdat die ouder overdag tenminste werkt en daar geen zicht op heeft enzovoort. Hoezo niet? Waarom zegt die ouder, zodra die het gemeld krijgt van de school, niet tegen zijn kind: jij gaat niet naar het voetbal, naar een feest of wat dan ook? Waarom zorgt die ouder er niet voor dat zijn kind het wel uit zijn hoofd laat om te spijbelen? Ook al bespreken we nu allerlei maatregelen die nuttig en goed zijn wat ons betreft, we moeten niet lichtvaardig denken over de verantwoordelijkheid van de ouders. We moeten hen er ook op aanspreken. Het is de normaalste zaak van de wereld dat je je daar als ouder voor inzet.

Mevrouw Smits (SP):

Stoere taal van de heer Elias, zoals we hem kennen. Dat is fijn.

De heer Elias (VVD):

Mooi zo.

Mevrouw Smits (SP):

Ja. Is de heer Elias zich er ook van bewust dat de kinderbijslag al ingehouden kan worden in het geval dat kinderen spijbelen?

De heer Elias (VVD):

Voor zestien- en zeventienjarigen, zeker. Ik heb het er over dat het ook voor kinderen van twaalf tot zestien jaar zou moeten gelden.

Mevrouw Smits (SP):

Het instrument van een boete waarmee je ouders ook financieel treft …

De heer Elias (VVD):

Daar kom ik straks over te spreken.

Mevrouw Smits (SP):

… vindt de heer Elias niet genoeg?

De heer Elias (VVD):

Nee. Alle kleine beetjes helpen. Zo klein is het overigens ook weer niet, maar stel dat je met € 100 wordt gekort omdat je structureel je kind niet de achter de broek hebt gezeten wanneer je daar als ouders wat aan had moeten doen, dan is dat voor heel veel gezinnen een hoop geld. De Nederlanders en ook de mensen die hier wonen maar die niet oorspronkelijk uit Nederland komen, laten zich nog altijd stevig aanspreken in de portemonnee. Dat is vaak een heel goede manier om mensen in de benen te krijgen. En wij zijn daarvoor.

Mevrouw Smits (SP):

Misschien kan de heer Elias nog even toelichten wat er zo nieuw is aan zijn stoeremannenvoorstellen. Er zijn al boetes. Ouders worden aangesproken. Kinderen kunnen veroordeeld worden. Kinderen zijn medeverantwoordelijk. Er is een hele bups aan maatregelen te treffen. Niemand van de onderzoeksinstituten en geleerde mensen zegt dat dit dé oplossing is. Dus ik ben toch heel benieuwd waarom de heer Elias nu denkt dat dit het verschil gaat maken wat betreft spijbelen.

De heer Elias (VVD):

U hebt mij niet horen zeggen dat dit dé oplossing is. Er zijn een heleboel dingen die wij moeten doen en die wij ook doen. Dat is ook wat er in dit wetsvoorstel staat. Dat zijn de dingen die wij vandaag bespreken. Ik heb letterlijk gezegd: alle kleine beetjes helpen. Een van de dingen die je volgens onze fractie zou moeten doen, is om de kinderbijslag voor ouders die nalatig zijn ten aanzien van het structureel spijbelen van hun kind tussen de twaalf en zestien jaar – vermoedelijk spijbelen kinderen van veertien, vijftien jaar meer dan kinderen van twaalf jaar – in te trekken. Daar kunt u politiek anders over denken – dat is uw goed recht – maar wij denken dat dit enigszins zou kunnen helpen als aanvulling op heel veel andere dingen die wij ook moeten doen.

De heer Van der Ham (D66):

Alle beetjes helpen. Dus als wij daarmee ouders kunnen aanspreken die echt niets doen, prima, dat steunen wij. Maar kan de heer Elias ingaan op de grensgevallen? Je hebt soms ouders die graag hun kind op school willen hebben maar gewoon echt geen vat meer hebben op dat kind en waarbij ze vaak heel moeilijk aanspraak kunnen maken op bijvoorbeeld hulp van Jeugdzorg. Ze proberen dus overal te buurten, maar ja, hun kind heeft nog niets gestolen en heeft formeel nog niets misdaan. Het gaat dus om ouders die helemaal met hun rug tegen de muur staan en die nog nergens een haakje kunnen vinden in de wet om hulp te krijgen. Hoe wil de heer Elias daarmee omgaan? Hoe voorkomt hij dat die alleen maar te maken krijgen met zo'n boete terwijl de echte hulp die ze nodig hebben om die kinderen een schop onder de kont te geven, niet geleverd wordt?

De heer Elias (VVD):

Mag ik u een wedervraag stellen? U zegt: ik vind het een goed idee. Waarom zegt u nu dan eigenlijk: en toch zouden wij het niet moeten doen, want hier en daar zou er wel eens een uitzondering kunnen zijn waar een probleem optreedt? Wat is dat voor redenering?

De heer Van der Ham (D66):

Ik hoop dat de heer Elias een beetje constructief met dit onderwerp omgaat.

De heer Elias (VVD):

Jawel hoor, ik stel u namelijk een vraag.

De heer Van der Ham (D66):

Ik geloof dat ik aan het praten was, mijnheer Elias. Ik heb ook gezegd dat wij het over dat onderwerp op zichzelf eens zijn. Echter, wat doen wij met de ouders die een groot probleem hebben met hun kind en waarbij nog niet iets strafrechtelijks aan de orde is? Hoe wilt u daarmee omgaan? Het andere punt is geparkeerd, daar zijn wij het over eens.

De heer Elias (VVD):

Dat is mooi, want dat betekent dat u vindt dat wij dat moeten gaan doen.

De heer Van der Ham (D66):

Ja, dat had ik al gezegd.

De heer Elias (VVD):

Als er zich ergens problemen voordoen – dat zal in een heel kleine minderheid van de gevallen zijn – moeten wij nadenken over een vangnetconstructie of iets anders. Daar hebben we een minister voor. Ik heb gevraagd of ze dit idee wil uitwerken. Misschien kan ze dit probleem ook meenemen of de minister van Sociale Zaken onder wiens portefeuille dit officieel valt.

Voorzitter: Berndsen

De heer Elias (VVD):

Het is niet zo dat ik niet wil nadenken over de manier waarop dat probleem kan worden opgelost, maar ik heb er een hekel aan dat wij, als wij een probleem willen oplossen in Nederland, eerst kijken of er soms ergens een uitzonderingetje zit dat een probleempje zou kunnen opleveren en dat wij het daarna om die reden niet regelen.

De heer Van der Ham (D66):

Ik ben het daarmee eens, je moet krachtig zijn en je moet zorgen dat je zo'n besluit neemt. Daarover zijn wij het niet oneens, maar dat heb ik al in mijn eerste vraag laten weten. Pak dit moment, mijnheer Elias. Maar het andere punt is, en dat staat er los van, dat er ook een categorie ouders is met kinderen die thuiszitten en die nergens hun recht kunnen halen doordat alle scholen proberen die kinderen ook van school te houden omdat het van die lastige leerlingen zijn. Mijn vraag aan de heer Elias is, los van dit voorstel, hoe hij die ouders de tanden wil geven om hun verantwoordelijkheid te nemen. Soms willen zij wel graag, maar hebben zij niet de juridische instrumenten om dat te doen, althans te weinig.

De heer Elias (VVD):

Ik kom op dat punt nog apart terug.

De voorzitter:

Mijnheer Elias, graag via de voorzitter.

De heer Elias (VVD):

Ik zei: ik kom op dat punt terug.

De voorzitter:

Ja, maar u keek daarheen.

De heer Elias (VVD):

Dat staat straks niet in het verslag.

Mevrouw de voorzitter. Ik kom graag op dit punt terug.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik zal maar gelijk mijn piketpalen slaan.

De heer Beertema (PVV):

Ik juich de heer Elias toe, omdat hij tot maatregelen in de sfeer van de kinderbijslag wil overgaan die mijn fractie uit het hart zijn gegrepen. Ik zal in mijn eigen bijdrage nog verwijzen naar een amendement op dit punt. Ik begrijp best dat de minister daarvoor contact zal moeten opnemen met minister Kamp van Sociale Zaken om een en ander te stroomlijnen, maar uit deze interrupties begrijp ik dat ik alvast op steun kan rekenen, zowel van de heer Elias als de heer Van der Ham, voor het amendement om de kinderbijslag als instrument te gebruiken voor verzuimbestrijding.

De heer Elias (VVD):

Als dit geen wetstechnische of organisatorische problemen oplevert. De heer Beertema heeft inhoudelijk mijn steun, want de VVD wenst dit al jaren. Ik kan het alleen maar met de grootst mogelijke kracht naar voren brengen. Ik vraag aan de heer Biskop of hij hierover iets wil zeggen in tweede termijn, opdat er een Kamermeerderheid kan ontstaan.

Een tweede mogelijkheid – en dan zeg ik tegen mevrouw Smits: ook weer in dat hele rijtje van dingen die je kunt doen – is het opleggen van boetes. CDA-onderwijswethouder Hugo de Jonge in Rotterdam heeft in november 2010 aangekondigd dat ouders van spijbelende leerlingen sneller een boete zouden moeten kunnen krijgen. De minister van Onderwijs heeft daar, modern als zij is, met een tweet instemmend op gereageerd, maar ik heb geen beleidsbrief kunnen vinden of die is mij ontgaan. Aan welke boete denkt de minister en wat wil of zal zij doen om dit te bevorderen? Het moet niet bij tweets blijven, er moet actie komen. De VVD is dus voorstander van dit soort boetes en vraagt de minister uit te werken hoe zij dit landelijk zou kunnen vormgeven.

Mij bereikte een signaal uit Amsterdam dat leerplichtambtenaren lijsten moeten kunnen zien als zij een school binnenkomen opdat zij weten wie er in de klas zit en wie niet, om achter de spijbelaars te kunnen aan gaan. Naar hun zeggen hebben zij die bevoegdheid formeel niet omdat die bij de inspectie ligt. Om die reden heeft onder meer Amsterdam vanmiddag een afspraak met de inspectie gemaakt als uitzondering op de wet die wij nu bespreken, als ik het goed heb begrepen. Die deal heeft de minister vanmiddag feestelijk bevestigd.

Als ik eerlijk ben, snap ik daar weinig van. De minister maakt een wet waarin wordt bepaald dat de inspectie de scholen moet controleren. Dan komen Amsterdam en de andere grote steden en zij zeggen: dat kunnen onze leerplichtambtenaren en de politie toch echt beter. De minister is het daarmee eens, want zij sluit een deal. Waarom dan dat punt van de inspectie nu vastleggen in de wet? Ik denk het wel enigszins te begrijpen. In kleinere gemeenten zal de inspectie het wellicht weer beter aan kunnen dan de leerplichtambtenaren en om die reden zou de minister voor deze constructie hebben kunnen kiezen. Maar in dat geval had de minister toch veel beter wetgeving aan ons kunnen voorleggen die, afhankelijk van de situatie, het ene of het andere model voorschrijft, dan wel wetgeving die uitzonderingen mogelijk maakt à la die van de vier grote steden, zonder speciaal convenant maar bij wet? Zou de minister geen nota van wijziging op dit punt moeten overwegen? Ik ben benieuwd naar haar antwoord.

Ervaringen van ouders leren dat, ondank allerlei afspraken, ouders regelmatig niet op de hoogte worden gesteld van spijbelen van hun kind, maar de gemeente wel. Die ouders ontvangen dan ineens een waarschuwing of een dagvaarding van de gemeente of de rechtbank. Ik vraag de minister om specifiek hieraan aandacht te besteden. Scholen zijn soms werkelijk veel te nonchalant met het informeren van ouders. Uiteraard, ouders blijven de eerstverantwoordelijken om ervoor te zorgen dat hun kinderen naar school gaan, maar scholen moeten ook in de benen. Het kan niet waar zijn dat ik, na een halfjaar spijbelen, als ouder pas iets merk als de gemeente mij aanschrijft, en dat op de school wordt gezegd dat de mentor dacht dat de administratie dit wel zou melden, terwijl de administratie dacht dat de mentor dat wel zou doen? Helaas kan ik verzekeren, van huis uit, dat ik dit voorbeeld niet verzin.

Omdat dit wetsvoorstel de Leerplichtwet wijzigt, maak ik van de gelegenheid gebruik om het volgende onder de aandacht te brengen. Om tal van redenen zijn er kinderen dit thuis onderwijs ontvangen, maar door de wetgever worden geen eisen gesteld aan thuisonderwijs. De VVD vindt dit al jaren zeer merkwaardig, want ieder kind heeft recht op goed onderwijs. In een recente brief van 13 december stelt het kabinet op dit front geen nieuwe regelgeving te wensen, omdat er immers van ouders geen klachten komen. Ja, dank je de koekoek, die ouders geven dat onderwijs zelf, dus die klagen niet. Mijn fractie wenst een vorm van controle op het thuisonderwijs, wellicht steekproefsgewijs. Graag een reactie van de minister.

Een andere losse opmerking over eergerelateerd geweld. Veel, vaak jonge vrouwen die zijn getroffen door eergeweld vanuit huis, maar ook naar aanleiding van ellende met loverboys die hen misbruikten, komen in opvanghuizen en kunnen uit veiligheidsoverwegingen niet naar school. Dat is begrijpelijk, maar vaak volgen ze dan in het geheel geen onderwijs. Voor dat probleem kunnen e-learningsystemen een oplossing zijn. Ik denk hierbij aan e-learning zoals dat wordt gebruikt in de markt, voor volwassenenonderwijs door bijvoorbeeld de LOI. Kan de minister daar nog eens naar kijken? Ook ontvangen wij signalen dat leerplichtambtenaren erg hun best doen om kinderen die thuiszitten en wel onderwijs willen volgen – het punt van de heer Van der Ham – ook daadwerkelijk op een school geplaatst te krijgen. Ik realiseer mij dat dit formeel enigszins buiten de reikwijdte van het wetsvoorstel staat, maar vraag hiervoor nadrukkelijk aandacht. Graag een reactie van de minister.

Ten slotte een vraag over iets wat technisch lijkt, maar waar toch een addertje onder het gras zou kunnen zitten. Ontvangt de minister signalen, net als wij, dat scholen verzuim bewust te laat melden om in aanmerking te kunnen blijven komen voor een gunstige bekostiging? Het verhaal zou zijn dat als scholen na de teldatum van 1 oktober verzuim melden van leerlingen die meer dan de helft van de schooldagen tussen 1 augustus en de teldatum verzuimen, deze leerlingen nog wel meetellen voor de bekostiging, conform het Bekostigingsbesluit Wet op het voortgezet onderwijs. Hierin lijkt een perverse prikkel te zitten, omdat laat melden van verzuim gunstig uitpakt voor de bekostiging. Het zijn een paar technische punten, maar toch niet van belang ontbloot.

Het zal duidelijk zijn dat mijn fractie instemt met de hoofdlijnen van dit wetsvoorstel en dat dit een maatschappelijk probleem betreft dat veel groter is dan een uurtje spijbelen en een keertje iets stiekems doen. Het gaat om een serieus maatschappelijk probleem. Dit mondt vaak uit in rondhangen op straat, meer rondhangen op straat, in uiteindelijk de school helemaal verlaten, criminaliteit, drugsgebruik, weet ik veel. Allemaal rottigheid die wij niet moeten willen en die wij dus in de kiem zouden moeten willen smoren. Ik doe hierbij een beroep op mijn collega's om vast te stellen dat alle beetjes zouden kunnen helpen.

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. De PVV-fractie steunt met kracht alle maatregelen om het aantal voortijdige schoolverlaters te beperken. Een van de belangrijkste maatregelen die wij kunnen nemen, is paal en perk stellen aan verzuim. Schoolverzuim is funest voor de ontwikkeling van het kind.

Vooral in het mbo loopt het gierend uit de hand. Ik schets altijd graag het volgende beeld: elke ochtend gaan de leerlingen in de roc's vlak voor 08.30 uur op weg naar hun lokaal door doodstille gangen. Om 08.30 uur begint het eerste lesuur. Rond 08.45 uur komt vervolgens het spitsuur in de centrale hal een beetje op gang en dat duurt zo ongeveer tot 10.00 uur. Mbo-leerlingen die dan beginnen, tussen de 30% en 60%, hebben op dat moment al twee uur verzuim achter de rug, verzuim dat niet eens wordt gezien als ongeoorloofd verzuim, want er is altijd een legitieme reden. Ik moest op mijn zusje passen. Ik moest mijn broertje naar school brengen. Ik moest mee om te tolken op het consultatiebureau, het ziekenhuis of de sociale dienst. Ik voel mij niet lekker. Ik heb mij verslapen, maar ik ben er nu toch; wat maakt u zich toch druk? Dan zijn er nog de ziektegevallen. Die duren van een week tot meerdere maanden. Ik noem ook maar zwangerschappen die niet naar behoren verlopen, bijbaantjes om schulden te vereffenen enzovoort.

Dat is de situatie waarin veel roc's zich bevinden. Men weet wel vaak zo ongeveer wat er aan de hand is, maar men toont begrip. Dit soort verzuim komt niet in het gezichtsveld van de leerplichtambtenaar. Die komt meestal pas in actie bij leerlingen die zo chronisch afwezig zijn dat ze wat de opleiding betreft vaak een verloren zaak zijn. Het beeld dat ik schets, is in het beste geval een beeld van te veel empathie voor de leerling en in het slechtste geval een beeld van slordigheid, desinteresse, het afschuiven van verantwoordelijkheid, wegkijken en onmacht.

In de 34 jaar die ik in het beroepsonderwijs mocht werken, waren er een paar constanten. Een van die constanten waren de eindeloze discussies over verzuimregistraties, ieder jaar weer. Hoe kunnen wij het beter doen? Het is een eeuwige worsteling.

Een paar belangrijke wijzigingen komen in dit wetsvoorstel tot stand. De wetswijziging voorziet er namelijk in dat leerplichtambtenaren van de gemeenten de wet gaan uitvoeren en dat de onderwijsinspectie toezicht gaat houden. Wij juichen dat toe. Waarom? Nu heeft de leerplichtambtenaar een dubbele rol. Enerzijds dient de leerplichtambtenaar als intermediair op te treden tussen school en ouders en anderzijds moet hij boetes opleggen. Dat is lastig, want de leerplichtambtenaar staat dicht bij de school en heeft vaak een vertrouwensrelatie met alle partijen. Hij maakt ten slotte ook deel uit van de zat's, de zorgadviesteams.

Dat maakt het lastig om sanctionerend op te treden tegen de instelling. Het is niet zozeer lastig om sanctionerend tegen de ouders op te treden, want die worden weldegelijk gesanctioneerd. In het nader rapport lees ik dat er een toename is van het aantal processen-verbaal met 424%, terwijl het aantal sancties tegen scholen niet vaker dan eens in de tien jaar voorkomt. Dat is niet zo gek als je bedenkt dat grote instellingen vaak te maken hebben met drie of vier leerplichtambtenaren. Wie neemt dan het voortouw? En belangrijker nog: Hoe vertel ik het aan de voorzitter van het college van bestuur? Dat is nog niet zo makkelijk.

De inspectie staat op grotere afstand van de scholen en is daardoor beter in staat om boetes op te leggen. Hier hebben afstand en autoriteit duidelijk het voordeel. Het opheffen van het verschil in competenties tussen leerplichtambtenaren die zich richten op leerplichtige leerlingen en de inspectie die zich richt op niet-leerplichtige leerlingen, schept ook duidelijkheid. Toezichttaken zo veel mogelijk in één hand: dat is mooi.

Ik heb wel vragen over de bestuurlijke boete voor hoofden van instellingen die verwijtbaar laks zijn bij het melden van verzuim. Tot nu toe was het zo dat het hoofd van de instelling strafrechtelijk kon worden aangesproken met boetes en zelfs met hechtenis. Nu wordt het zo dat hetzelfde hoofd een maximale bestuurlijke boete kan worden opgelegd van € 1000 per overtreding. Ik begrijp het zo dat niet de persoon die boete op zijn bordje krijgt gelegd, maar de instelling. Die boete moet dan zo worden opgehoest dat de kwaliteit van het onderwijs niet mag worden geschaad. Naar mijn idee gaat hiervan geen enkele corrigerende of preventieve werking uit. In mijn 34 jaar onderwijs – ik zeg het nog maar een keer – heb ik een kleine 30 financiële crises meegemaakt. Altijd werden die afgewenteld op de werkvloer. Ik kan mij herinneren dat de strafkortingen na de ESF-fraude in het mbo erin resulteerde dat de Cup-a-Soupautomaten uit de lerarenkamers werden verwijderd. Je moet het ergens vandaan halen!

Waarom de strafrechtelijke sanctie voor het hoofd afschaffen als er nog nooit zo'n sanctie is opgelegd? Eén in tien jaar en die is geseponeerd: wij weten dus niet of het werkt. Laten wij het eerst eens gaan proberen, zou ik zeggen. Ik ben bang dat een bestuurlijke sanctie nu routineus door de concern controller wordt afgeschreven waarna de lasten worden verdeeld over de mensen die niet verantwoordelijk zijn voor de slechte naleving van de verzuimregistratie, namelijk de leraren en de leerlingen die er wel zijn. Ik hoor dus graag van de minister wat haar bedoeling is, wat de ratio is achter deze maatregel en waarom zij denkt dat hiervan wel een afschrikwekkende en preventieve werking uitgaat. Misschien kan zij dan ook laten weten op welke termijn zij deze specifieke maatregel wil evalueren. Ik zou daaraan grote behoefte hebben.

De wetswijziging regelt een landelijke eenloketaanpak, die er goed uitziet. Ook mijn fractie mist in deze wetswijziging evenwel heel nadrukkelijk een of liever nog twee zogenaamde stakeholders van het onderwijs, om maar eens een vreselijke term uit het onderwijslingo te gebruiken, en wel de allerbelangrijksten: papa en mama. Waar is de rol van de ouders gebleven? In de wetswijziging wordt de verantwoordelijkheid van de ouders nergens genoemd. Dat past niet in het beeld dat het kabinet en de PVV willen neerzetten dat burgers zelf in eerste instantie moeten worden aangesproken op ongewenst gedrag. De PVV-fractie pleit dan ook voor sancties voor ouders die aantoonbaar hun verantwoordelijkheid niet nemen. Een voor de hand liggende maatregel hiertoe is het korten op de kinderbijslag. Ik heb voor het korten op de kinderbijslag een amendement voorbereid dat erop toeziet dat de kinderbijslag wordt ingehouden bij ouders die hun kinderen laten verzuimen. De PVV vindt het hard nodig om alles uit de kast te trekken om de stijging van het schoolverzuim terug te dringen. Die bedraagt nog steeds 42.000 leerlingen. Het gaat niet om zomaar wat.

De heer Biskop (CDA):

Nee, het gaat niet om zomaar wat. Spijbelen is een serieuze zaak. Ik heb twee vragen aan de heer Beertema. Hij heeft het over het aanspreken van ouders die ook verantwoordelijkheid hebben. Dat is ook zo. Wij hebben een heel traject als het gaat om de leerplicht. Dat eindigt uiteindelijk via processen-verbaal van de leerplichtambtenaar bij een spijbelrechter die een boete kan opleggen. Vindt de heer Beertema dat dit traject niet voldoet? Welke gaten ziet hij daarin? Wat schiet daarin tekort?

Mijn andere vraag betreft het amendement. Als ik het goed begrijp, zegt de heer Beertema dat de kinderbijslag moet worden ingehouden als de Leerplichtwet niet wordt nageleefd. Kan hij preciseren wat hij daarmee bedoelt? Is "niet naleven van de Leerplichtwet" een keer spijbelen, is het een proces-verbaal van de leerplichtambtenaar of is het een veroordeling door de rechter? In dat laatste geval heb je de boete al te pakken. Kan de heer Beertema hier nader op ingaan?

De heer Beertema (PVV):

Ik begrijp de vraag. Het is wat mij betreft wel de bedoeling dat wij ook hier weer aan het eind van het traject gaan zitten. Het traject dat er is zal in stand moeten blijven. Aan het eind van het traject hebben wij dan de extra sanctie om op de kinderbijslag te korten. Op zich bestaat die sanctie nu al, maar alleen voor de zestien- en zeventienjarigen. Ik stel voor om dit uit te breiden naar de hele kinderbijslagleeftijd, dus vanaf twaalf jaar. Ik zie wel dat er een verbeterslag plaatsvindt, maar 42.000 leerlingen is nog steeds een ongelooflijk groot getal voor een beschaafd land.

De heer Biskop (CDA):

Ja, 39.000 is echt te veel. Dat ben ik helemaal met de heer Beertema eens. Wij hebben op dit moment echter een systeem waarin men via het proces-verbaal bij de leerplichtambtenaar uiteindelijk bij de door mij genoemde spijbelrechters terechtkomt, waar boetes worden uitgedeeld of andere sancties worden opgelegd. Aan het einde van het traject zit de spijbelrechter. Functioneert die volgens de heer Beertema onvoldoende?

De heer Beertema (PVV):

Ja. Mijn antwoord is ja.

De heer Biskop (CDA):

Dat is makkelijk. Waarop is dat gebaseerd?

De heer Beertema (PVV):

Dat is gebaseerd op een uitval van volgens de heer Biskop 39.000 en volgens mij 42.000 leerlingen per jaar. Ik zie nog steeds dat er te weinig vooruitgang wordt geboekt. Nogmaals, de PVV vindt een financiële prikkel in het kader van de kinderbijslag een heel goed middel om paal en perk te stellen aan het verzuim.

Mevrouw Smits (SP):

Ik heb het antwoord erbij gezocht op Kamervragen die ik met collega's heb gesteld over de uitvoering van het korten op de kinderbijslag voor 16- en 17-jarige spijbelaars. In het derde kwartaal van 2010 is dit bij drie ouders aangekondigd. Vervolgens is het bij een van hen niet gebeurd. Daar is het uiteindelijk goed gekomen. Het is pas net begonnen en mijn vraag aan de heer Beertema luidt allereerst of hij niet vindt dat hij wat op de feiten vooruitloopt wanneer wij niet eerst kijken hoe het gaat bij de 16- en 17-jarigen voor hij hier alweer staat te pleiten voor het uitbreiden. Misschien werkt het wel helemaal niet.

De heer Beertema (PVV):

Ik hoor mevrouw Smits zeggen dat het allemaal is goed gekomen met die ouders. Ik heb daarvoor niet zo veel aanwijzingen. Ik blijf erbij dat een extra financiële prikkel ongelooflijk goed kan helpen. Ik denk dat het nu de tijd is om daarvan werk te maken. Mevrouw Smits moet mij op mijn woord geloven: dat gaat echt werken.

Mevrouw Smits (SP):

Ik vind de heer Beertema een zeer vriendelijke man, maar ik ben niet snel geneigd hem op zijn woord te geloven bij dit soort zaken. Politiek gaat over het maken van verstandige keuzen, over dingen doen die effectief zijn. Dan moet je niet afgaan op de overtuiging van een enkel parlementslid, maar uitgaan van wat bewezen effectief is. Wij weten dat het aantal naar ouders gestuurde veroordelingen enorm is gegroeid, dus dat het met boetes en taakstraffen voor jongeren heel goed gaat. Er wordt stevig werk van gemaakt. Het is volgens mij succesvol beleid. De heer Elias en de heer Beertema hebben nog de cijfers van vorig jaar, maar dit jaar zijn er al weer 3.000 schooluitvallers minder, dus het gaat best wel goed. Ik wil van de heer Beertema horen waarom hij denkt dat je hier zomaar kunt roepen: "ach, dat voeren wij even in", terwijl hij geen idee heeft of het in de praktijk zal werken.

De heer Beertema (PVV):

Al die jaren van voorzichtig beleid, van eindeloze evaluaties, van eindeloos aan tafel zitten met al die stakeholders die hiermee te maken hebben, hebben geen zoden aan de dijk gezet. Al die tienduizenden uitvallers, dat kan niet. Dat kan gewoon niet. Nu hebben wij een situatie en ook een politieke constellatie waarin wij ouders veel directer kunnen aanspreken op hun eigen verantwoordelijkheid, ook in financiële zin. Daarom doen wij dit. Wij moeten alle zeilen bijzetten, want het gaat niet hard genoeg. Wij hebben haast. Wij hebben haast om deze verloren generaties een echte kans te bieden, ook met betrokken ouders. Als die ouders die betrokkenheid niet bieden, dan moeten wij die maar afdwingen.

Mevrouw Smits (SP):

Ik constateer dat de heer Beertema in zijn haast en met zijn grote woorden niet meer bereid is na te denken over de effectiviteit van de zaken die gebeuren en niet bereid is te kijken naar wat er allemaal al gebeurt en hoe hard er wordt gewerkt door de leerplichtbureaus, door scholen. Ik ben het met hem eens dat het vaak harder kan, maar dat de heer Beertema hier brult dat wij de kinderbijslag wel even bij ouders kunnen gaan innemen, vind ik een heel onverstandige houding.

De heer Beertema (PVV):

Brullen doe ik niet hoor. U zou mij eens echt moeten horen brullen. Dat is nog een heel ander geluid. Nogmaals, aan die betrokkenheid van die ouders schort het. Ik zeg het nog een keer: tot heel kort hiervoor heb ik zelf te maken gehad met die ouders en met die leerlingen. Ook vanuit die praktijk zie ik dat dit zou helpen. Het is geen leuke maatregel. Natuurlijk niet. Het is een akelige maatregel. Het is een geldelijke maatregel. Je kunt daardoor mensen echt in de financiële problemen brengen. Dat begrijp ik heel goed, maar het drukt mensen zo verschrikkelijk hard met de neus op de feiten. Ik denk dat dit een kans moet krijgen. Ik weet haast zeker dat het gaat helpen.

De heer Çelik (PvdA):

Wij hebben net kunnen vaststellen dat de heer Beertema en ik redelijk op één lijn zitten bij het aanspreken en aanpakken van niet-willende ouders, maar op dit punt gaat de heer Beertema een stap te ver. Is hij het niet met mij eens dat eerst het probleem van de thuiszitters moet zijn opgelost, dat lesuitval moet zijn bestreden en dat scholen de verantwoordelijkheid moeten oppakken om die weg te krijgen? Vervolgens kan men kijken waar de haperingen zitten in de verantwoordelijkheid van de ouders en hen aanspreken op het eventueel korten op de kinderbijslag. Vindt de heer Beertema niet dat hij te kort door de bocht formuleert als hij zegt: meteen de ouders aanpakken?

De heer Beertema (PVV):

Ook ik maak mij grote zorgen over de problemen die de heer Çelik nu noemt. Ik ben altijd bereid om met hem mee te denken om deze schandelijke zaken – ook dat ben ik met hem eens – aan te pakken, maar even niet in het kader van dit wetsvoorstel. Wat mij betreft valt het daarbuiten. Dit is een belangrijke wetswijziging, maar ik denk dat wij ons nu juist moeten concentreren op de maatregelen om het gigantische verzuim te bestrijden. In een ander kader ga ik graag met hem om de tafel zitten om naar oplossingen te zoeken voor zijn problemen, die ook de mijne zijn, want het is vreselijk.

Voorzitter. Ik zei: het gaat niet om zomaar iets. Aantoonbaar laks optreden bij spijbelen en verzuim ontneemt je kinderen aantoonbaar een kans op een startkwalificatie, en daarmee op een toekomst van een burger die meedoet, zijn verantwoordelijkheid neem en als volwassene ook iets teruggeeft aan de samenleving, al was het maar als belastingbetaler in plaats van als uitkeringsgerechtigde. Ik wil dat toch even kwijt, ook al lijkt het zo langzamerhand op het intrappen van een open deur, omdat wij het eigenlijk allemaal met elkaar eens zijn. Het gaat om wederkerigheid. Daarnaast stel ik voor, ouders te verplichten om te komen opdagen bij zittingen van de spijbelrechter. Aanwezigheid van de ouders is nu geheel vrijblijvend. Ouders moeten wat de PVV betreft verplicht aanwezig zijn bij een zitting. Mijn vraag aan de minister is: Ziet zij mogelijkheden om dat te bewerkstelligen, desnoods door middel van een sanctie? Ik heb hiertoe een motie voorbereid, maar ik wacht even de reactie van de minister in haar termijn af.

Leerlingen van ouder dan 18 jaar zonder startkwalificatie zijn nu niet aan te pakken. Hun ouders zijn dat ook niet. In het kader van de Wet investeren in jongeren, de WIJ, gaan zij werken. Zij krijgen dan een salaris in plaats van een uitkering. Of zij gaan naar school om de startkwalificatie alsnog te behalen. Juist die leerlingen verzuimen heel veel. Zo veel, dat hun eigen leerproces, maar ook dat van anderen, in gevaar komt. De mogelijkheid die het meest voor de hand ligt, is de instelling, de school, de wettelijke mogelijkheid te geven om een aanwezigheidsplicht per blok of semester in te voeren. Dan houden wij korte lijnen. Ik noem bijvoorbeeld een 80%-regeling. Heb je die aanwezigheidsnorm niet gehaald, dan heeft de school de wettelijke mogelijkheid om de leerling op te leggen, het semester in te halen. Ziet de minister de kansen die een dergelijke wettelijke verankering biedt? Het uitgangspunt daarbij is dat de instelling de leerling het onderwijs aanbiedt dat hij nodig heeft. Bij verzuim dient dat te worden ingehaald, met een wettelijke basis, die er nu niet is. Via u, mevrouw de voorzitter, zeg ik tegen de minister: geloof mij, het is een enorm probleem. De scholen zouden dolgraag een wettelijke mogelijkheid willen hebben om zo'n 80%-regeling in te voeren. Wij moeten ervoor zorgen dat de leerling dan niet vervolgens naar de rechter kan stappen, die de maatregel afschiet en de school tot de orde roept.

Op de website leerplichtwijzer.nl geeft de minister onder het tabblad ketenpartners aan dat het overzicht van de ketenpartners niet compleet is. Is er een andere website waar de ketenpartners terecht kunnen om inzicht te krijgen in de taakverdeling? Graag een reactie van de minister daarop. De PVV-fractie vindt het ontbreken van kennis in de verzuimketen echt een groot probleem. Wellicht kan de minister niet alleen mij, maar ook de partners in de verzuimketen, meer openheid bieden, de website leerplichtwijzer.nl evalueren en de betrokken ketenpartners vragen naar hun kennisbehoefte. Daarop kan dan actie worden ondernomen.

De PVV-fractie is voorstander van de wetswijziging, op voorwaarde dat wordt ingebouwd dat ook de ouders worden aangesproken.

De vergadering wordt van 16.10 uur tot 16.30 uur geschorst.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik dank de woordvoerders hartelijk voor hun betrokken reacties in eerste termijn. Het onderwerp dat wij bespreken, houdt ons al langere tijd bezig en blijft continu onze aandacht vragen. Ik dank de woordvoerders ook voor de gegeven complimenten voor het voorstel tot wijziging van de diverse wetten die wij kennen rond het onderwijs. Ik hoop dat wij in staat zullen zijn om het wetsvoorstel er met elkaar op een goede manier doorheen te krijgen.

Er zijn veel opmerkingen en vragen gesteld met de strekking: "is dit het nu, en moet er niet veel meer?" Ja, er moet veel meer en er gebeurt ook al veel meer. Daarom lijkt het mij goed om dit voorstel kort in historisch perspectief te plaatsen. Niet alleen het vorige kabinet maar ook deze Kamer – ik noem de Kamer heel bewust – is de afgelopen jaren buitengewoon betrokken geweest bij voortijdig schoolverlaten, verzuimbeleid en zorg rond kinderen op scholen. Dat is terecht, want wij komen van een heel ver punt. Wij komen van 72.000 schooluitvallers in 2002. Inmiddels zitten wij op zo'n 39.000. De heer Elias vroeg hiernaar. De Kamer krijgt binnenkort de cijfers, maar ik wil deze in een uitgebreidere brief over het voortijdig schoolverlaten aanreiken. In die brief wil ik ook teruggrijpen op de geschiedenis om een en ander voor een nieuwe Kamer in een breder kader te plaatsen.

Wij komen van ver, maar als ik bij elkaar optel wat wij met elkaar hebben gerealiseerd, mede door de inzet van de Kamer en de creatieve debatten die wij in de afgelopen jaren in algemeen overleggen met elkaar hebben gevoerd, kom ik op zo'n 120.000 leerlingen meer die wij met een diploma de samenleving in hebben geholpen in vergelijking tot de stabiele cijfers rond 2002–2003. Dat is een prestatie van formaat. Dit is mogelijk geweest dankzij de inzet in de Kamer en de inzet vanuit het kabinet, maar zeker ook dankzij de inzet van scholen, gemeenten en zorgorganisaties. Deze hebben hieraan in de afgelopen jaren een enorme bijdrage geleverd.

Hiertoe is een heel actief vsv-beleid gevoerd, met een haast activistische aanpak vanuit het ministerie. Deze kwam bovenop datgene wat er in de regio, op lokaal niveau gebeurt. Wij hebben er van alles aan gedaan. Ik noem bijvoorbeeld het digitaal loket. Hierover heb ik een evaluatiebrief geschreven en ik stel vast dat hierover eigenlijk geen vragen zijn. Dat is mooi, want dan is iedereen blijkbaar heel tevreden over wat daarmee is gerealiseerd. DUO verdient daarvoor een groot compliment. Dit soort organisaties kan wel eens de mist in gaan, maar DUO doet heel veel dingen goed. Dat stel ik hier voor onze mensen in Groningen en Zoetermeer graag vast.

Wij hebben daarmee ontzettend korte lijnen gekregen tussen de school, die soms wel 30 gemeenten in zijn bestand heeft, en de gemeenten, waar een melding uiteindelijk moet landen. Dat is een goede zaak. Dit maakt dat het voor scholen eenvoudiger is om dit daadwerkelijk toe te passen. In de afgelopen tijd zijn wij een aantal malen in Brussel geweest, bij de EU. Een halfjaar geleden heb ik daar mogen vertellen hoe wij het doen. Afgelopen week waren er weer mensen van ons ministerie in Brussel. Men is daar buitengewoon geïnteresseerd; het scheelt immers zo veel als je dit goed weet te regelen. Toch valt er nog veel te verbeteren. Daarover praten wij vandaag met elkaar.

Met betrekking tot het historisch perspectief, meld ik nog dat wij ook hard hebben gewerkt aan de bedrijfsvoering van scholen. Als ik kijk naar hoe het daarmee in het middelbaar beroepsonderwijs stond toen wij binnenkwamen met dit beleid, stel ik vast dat er een slag is gemaakt. Wel moet het op veel plekken veel beter; daar ben ik heel eerlijk in. Men vind mij in het mbo ook wel streng, maar ik ben er gewoon nuchter in. Wij moeten scherp zijn: er mag eigenlijk geen kind tussen wal en schip raken. Daarom moet er scherpte zijn in het beleid tegen verzuim. De docent hoort te weten of een leerling wel of niet in de klas zit. In dit verband zeg ik tegen de heer Çelik dat zijn bevlogen verhaal mij uit het hart is gegrepen. Je moet hierin bevlogen zijn; je kunt hierin niet lauw zijn.

Wat betreft de bedrijfsvoering is er al veel gebeurd. Scholen hebben hun bedrijfsvoering behoorlijk beter op orde. Dat zien wij ook aan de tevredenheidscijfers van leerlingen. Dit gaat echt vooruit; ook dat moeten wij met elkaar willen constateren. Maar wij zijn er nog niet. Ik noem zomaar een paar punten. We hebben zorgadviesteams ingesteld. Zij zijn inmiddels op vrijwel alle vo-scholen aanwezig. In het mbo zijn zij ook al veel meer hun werk aan het doen. Dit zijn zaken waardoor er een schil van zorg ontstaat rondom kinderen met wie het dreigt mis te gaan. Dit zijn allemaal zaken waarvoor scholen zich enorm ingezet hebben. Men komt van ver. Men heeft een forse slag gemaakt. Dit heeft er al toe geleid dat veel meer kinderen een diploma hebben gehaald. We zijn er echter nog niet. Al gaan we straks naar de 25.000, dan zijn we nog niet tevreden, zegt mevrouw Smits terecht. Toch is dit een enorme stap. We zullen er heel hard voor moeten werken om dit te halen. We komen steeds dichter bij de moeilijke pit, wat veel meer inzet vraagt. Dit heb ik gezegd ten behoeve van het historisch perspectief. Dit was mijn algemene inleiding. De rest van mijn betoog is opgebouwd uit vier blokjes.

De voorzitter:

Ik val u in de rede omdat wij gasten in ons midden hebben. De voorzitter van de Duitse Bondsdag, de heer Lammert, is aanwezig met zijn gevolg. Ik heet hem hartelijk welkom in deze Kamer.

(geroffel op de bankjes)

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Herzlich willkommen.

De voorzitter:

Ik vraag de minister om haar betoog voort te zetten.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Danke. Ik verdeel mijn betoog in vijf blokjes. Het eerste blokje gaat over het toezicht, zowel door de gemeente als door de inspectie. Het tweede blokje gaat over het onderwerp thuiszitters. Het derde blokje betreft het voortijdig schoolverlaten. Het vierde blokje betreft de overige zaken. In het vijfde blokje zal ik de twee amendementen behandelen. Ongetwijfeld komt de bespreking van deze amendementen deels al eerder aan de orde.

Ik wil vooraf toch nog even een stapje zetten. Ons uitgangspunt is dat wij het steeds op een evenwichtige manier willen aanpakken. Wij werken stap voor stap om het te verbeteren. Wij zijn daarin steeds effectiever aan het worden. Terecht zei mevrouw Smits zojuist achter de interruptiemicrofoon dat je je zegeningen mag tellen. Gaan deze maatregelen werken? Ik beluister hier een enorme drang om het nog beter te doen. Die drive is perfect. We moeten er wel voor waken dat wij regels op regels stapelen. Vandaag zijn verschillende onderwerpen langsgekomen. We hebben het gehad over kinderbijslag voor kinderen onder de 16. Ik ga daar zo meteen op in. Ik geef nu mijn waardeoordeel nog niet. Ook is gesproken over de bestuurlijke boetes voor de ouders, de verplichting van de melding aan de ouders, het verschijnen bij de spijbelrechter voor de ouders, de onderwijsovereenkomst en het melden van absoluut verzuim bij inspectie door scholen.

Kortom, we hebben al veel regels in Nederland en voor we het weten stapelen we regel op regel. Ik zeg eerlijk dat we hierin scherp moeten zijn. Dat vind ik mijn taak, ook in het licht van de deregulering die we juist in deze Kamer willen hebben. We willen uiteindelijk voorkomen dat scholen door de regels het bos niet meer zien. Dat zou een slechte zaak zijn.

Wat hebben we op dit moment aan mogelijkheden om in te grijpen, nu het onze wens is om er nog scherper bovenop te zitten? Voor de helderheid zeg ik dat ik nog steeds in het blokje "algemeen" zit. Daarna kom ik te spreken over het toezicht. Ik geef wel een seintje als het zover is.

Wij kunnen veel doen. De leerplichtambtenaar heeft veel mogelijkheden om aan de slag te gaan. Hij kan een kind een zorgtraject aanbieden. Laten we eerlijk vaststellen: het is niet altijd het kind te verwijten als het spijbelt. Er zit vaak diepe ellende achter. Daarom is het zo belangrijk dat we niet zomaar even een boete opleggen. Soms denk ik ook dat het wel lekker zou zijn als we dit konden doen, net als bij de verkeerd geparkeerde auto, hoppatee! Je moet soms even de tijd nemen om te bekijken wat erachter zit. Dan blijkt vaak dat er veel meer achter zit dan je zou denken. In sommige gevallen zit er niets achter. Dan moeten we korte metten maken en moet een leerplichtambtenaar aan de slag. Dan kunnen we doorverwijzen naar de GGD, naar de verslavingszorg, naar het maatschappelijk werk en het Meldpunt Kindermishandeling. Dit gebeurt ook heel veel in de praktijk. Dit gebeurt via de zorgadviesteams, maar soms ook gewoon vanuit de kennis van de leerplichtambtenaar. Dat is een goede zaak. Hiermee komt een kind in handen van iemand die misschien iets kan met het kind. Er kan een formele waarschuwing volgen en als er sprake is van een verzuim dat in vier weken tijd meer dan zestien uur bedraagt, kan een Haltstraf worden opgelegd. Er kan ook een proces-verbaal opgemaakt worden. Ook kan er een boete van maximaal € 3800 voor het incident gegeven worden. In 2007 en 2008 kregen zes ouders zelfs een gevangenisstraf van 30 dagen. Dat is gebeurd omdat zij de zaken niet aanpakten. Er gebeurt dus veel. Inmiddels is de Sociale Verzekeringsbank negen keer aangesproken. Deze mogelijkheid is nog maar kort ingevoerd. De leerplichtambtenaar maakt er niet zomaar gebruik van, wat goed is. De kinderbijslaguitkering is inmiddels zes keer ingetrokken. Zachtjes aan komen deze dingen dus op gang. We moeten het ook even de rust en de ruimte geven om het op gang te laten komen en niet regel op regel stapelen. Er kan veel en er gebeurt ook veel. We moeten er goed op toezien dat het goed gebeurt.

Ik kom bij het punt van de Algemene Kinderbijslagwet. De heer Beertema bracht het naar voren. De heer Elias had hetzelfde punt, zo zag ik vanochtend al op het ANP, maar ook hier in de Kamer. Zij zeggen: voor kinderen boven de 16 jaar is het wel geregeld en voor kinderen onder de 16 jaar niet. Mij is verteld dat er een wereld achter schuil gaat. Het was echter te kort dag om daar goed juridisch zicht op te krijgen. Ik wil hierover met mijn collega van SZW overleggen om te horen hoe hij ertegenaan kijkt en wat de voordelen zijn ten opzichte van de huidige instrumenten. Ik zal een brief naar de Kamer sturen waarin ik dit punt van de leeftijdsgrens van 16 jaar goed zal belichten, omdat ik er begrip voor heb.

De heer Elias (VVD):

Is de minister klaar op dit onderdeel?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Wel met de kinderbijslag. Ik wil de bestuurlijke boete nog bespreken, waarover ik door de heer Elias was betrapt op een tweet. Ik schrok mij een rotje. Waar had ik precies over getweet? Je tweet namelijk heel wat af in het leven. Ik had getweet over het plan van aanpak waar onze wethouder, een van de wethouders in ons land, in Rotterdam mee kwam. Dat was een uitgebreid plan. Het ging over ouders die betrokken moesten worden en over wie waar wanneer optreedt. Maar er sprak vooral ook veel engagement uit het plan. Daarvan heb ik gezegd dat het een goede zaak is dat die wethouder dat engagement vertoond. Zo was mijn tweet bedoeld. Ik vind het te veel om de bestuurlijke boete in te voeren naast alle instrumenten die er al zijn. Dat wil ik echt niet bepleiten, omdat we Halt al hebben en al een proces-verbaal kunnen opmaken. Ik wil wel het volgende doen. Ik weet dat zowel de wethouder van Rotterdam als de heer Asscher, die ik vanochtend op bezoek had uit Amsterdam, dat graag wil. Ik heb naar aanleiding van het plan uit Rotterdam een bijeenkomst georganiseerd via het Openbaar Ministerie – dat wil hier graag zicht op houden en dat is goed, want het moet geen mêlee van maatregelen worden – en de gemeente, de vereniging Ingrado om de wens die bij de grote steden leeft, in te brengen. Ik weet één ding. Een boete geven is één ding, maar het hele juridische verhaal dat erachteraan komt voor elke individuele gemeente kan een enorme "camel's nose" worden. Ik wil dus niet zeggen: dat ga ik even regelen. Dat vind ik niet evenwichtig.

De heer Elias (VVD):

Ik heb inmiddels over twee punten vragen. Allereerst, u gaat dus met uw collega Kamp van SZW overleggen over het punt of de kinderbijslag ook kan worden ingetrokken voor ouders van kinderen van 12 jaar tot 16 jaar die structureel spijbelen. Dat is prima, maar ik wil wel van de minister weten met welke gezindheid ze dat gesprek in gaat. Ziet ze er iets in? Vindt ze het wel een goed idee? Ik vind dat belangrijk om te weten.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik ga erin vanuit de gezindte: begrip voor het punt. Ik ben niet gehinderd door al te veel kennis door de Algemene Kinderbijslagwet. Ik kan dus niet zeggen dat ik er heel vrolijk in sta en dat ik het even ga regelen. Ik begrijp echter uw punt. Vanuit dat begrip wil ik mijn collega vragen of we zoiets kunnen doen.

De voorzitter:

Mijnheer Elias, graag via de voorzitter.

De heer Elias (VVD):

Ja, mevrouw de voorzitter. Dan is de vraag aan de minister of zij er iets in ziet als er geen technische problemen zijn.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Als er geen technische problemen zijn, zou ik er wel iets in zien. Ik wil het wel even goed wegen.

De voorzitter:

Mijnheer Elias, ten slotte.

De heer Elias (VVD):

Dan heb ik nog een vraag over het twitteren door de minister. Op 30 november 2010 stond in het Algemeen Dagblad dat de Rotterdamse onderwijswethouder Hugo de Jonge ouders sneller "een fikse geldboete" wil kunnen opleggen als hun kind spijbelt van school. Hij is met het ministerie van Onderwijs in gesprek over deze zogeheten bestuurlijke boete voor de ouders. Daarop volgde een quote van de minister: "Mooie aanpak van Rotterdam tegen schooluitval; goed dat de gemeente er op deze manier bovenop gaat zitten." Daaruit leid ik af dat de minister dit een goed idee vindt. Als dat zo is, vraag ik haar om dat punt op te pakken en naar de Kamer te komen om duidelijk te maken hoe zij het gaat regelen. Ik hoor ook graag wanneer dit zal gebeuren.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Er zijn verschillende krantjes die over bepaalde zaken schrijven. Ik heb getwitterd naar aanleiding van een artikel in De Telegraaf over een pakket van maatregelen van Rotterdam tegen schoolverzuim. Daarbij was ook die boete aan de orde. Ik heb in algemene zin complimenten gegeven aan een wethouder die full swing voor dit onderwerp gaat. Daarnaast heb ik gezegd dat ik reeds naar aanleiding van de aanpak van de Rotterdamse wethouder de bereidheid heb getoond om dit punt in te brengen in het overleg met het OM en de andere betrokkenen. Ik begrijp dat het mooi is als je lik op stuk kunt geven. Ik wil echter ook de wereld achter de problematiek zien. Mijn ambtenaren zeggen ook dat die er achter zit. Daar wil ik ook naar kijken. Dus ik breng het in het overleg in en ik meld mijn bevindingen daar aan de Kamer.

De heer Beertema (PVV):

Ik ben blij te horen dat de minister met een positieve instelling met haar collega Kamp aan tafel gaat. Ik hoor graag op welke termijn de Kamer haar brief hierover krijgt. We moeten dit niet op de lange baan schuiven.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

We zitten nu begin februari. Laten wij afspreken dat ik voor 15 maart terug kom bij de Kamer.

De heer Beertema (PVV):

Prima.

De heer Van der Ham (D66):

Ook de fractie van D66 heeft gezegd dat dit een interessant instrument kan zijn. Ik hecht eraan dat de minister naast het overleg met minister Kamp ook kijkt naar het geheel van semistraffen dat er al is. Ik vraag haar dus om ook met haar collega van Veiligheid en Justitie te bekijken of dit niet een soort pseudostrafrecht wordt waar ook weer nadelen aan kunnen zitten. Nogmaals, wij staan hier niet per definitie negatief tegenover, maar het moet wel goed geborgd zijn.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

De woorden van de heer Van der Ham zijn uit mijn hart gegrepen. Om die reden vraag ik ook aandacht voor de wereld achter de problematiek. Ik noemde alleen de collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, maar daar hoort zeker de collega van Veiligheid en Justitie bij. Het palet van maatregelen moet evenwichtig zijn. Wij moeten ook niet te veel van het een op het ander overgaan. Vanuit het begrip en de betrokkenheid die ik hier beluister, breng ik dit in kaart. Misschien geef ik mijn reactie hierop wel in één brief. Dan kan de Kamer hier verder evenwichtig over nadenken.

Dan het blokje toezicht. De bedoeling is dat gemeenten en de inspectie gaan samenwerken. Nu wordt dit toezicht uitgevoerd door de scholen, maar er wordt heel weinig mee gedaan. Er wordt wel toezicht gehouden, maar de ultieme stap om er een sanctie aan te verbinden is volgens mij maar één keer in de wetsgeschiedenis gezet. De heer Van der Ham dacht dat dit twee keer was gebeurd. Als er zo weinig sancties volgen, schiet het natuurlijk niet op. Het is ook wel te begrijpen, want de scholen hebben een heel andere relatie met de gemeente dan de inspectie. De inspectie is vooral ook de toezichthouder die bij een school binnenkomt en zo hoort het ook. De inspectie kan op grond van haar positie ook zeggen: geacht schoolhoofd, dat is niet goed gegaan en daar gaan wij door middel van een sanctie een eind aan maken. Toen ik ermee begon zei een heel groot deel van de betrokken partijen dat het anders moest. Inmiddels vinden alle partijen dat. Zelfs de leerplichtambtenaren zeggen dat het beter is dat de inspectie dit doet. Dat is de lijn.

De inspectie kan dit echter niet alleen. Zij oefent risicogericht toezicht uit en is maar al te dankbaar dat ook gemeenten bij de scholen over de vloer komen en dingen doorgeven. Het is een kwestie van teamwork. Daarover zijn inmiddels afspraken gemaakt met de gemeenten Amsterdam en Den Haag. Deze twee gemeenten doen het op dit moment pico bello. Het is zonde om die energie weg te laten vloeien. Wij moeten proberen om die energie te behouden en te richten op goed toezicht door de inspectie. Men is daar op een goede manier uitgekomen en vanochtend is het inderdaad getekend, met een fotootje erbij. Voor een feestje was geen tijd; helaas, zo zeg ik tegen de heer Elias. Er waren ook een aantal ambtenaren, die heel blij waren met dit resultaat, want Amsterdam gaf aan dat men ermee uit de voeten kan – dat is belangrijk – evenals Den Haag.

Ik weet dat ook andere gemeenten geïnteresseerd zijn. Als zij concreet zeggen te willen aansluiten bij deze aanpak, heb ik er geen bezwaar tegen. Wij moeten niet formalistisch zijn, want als het praktisch nog beter kan, is dat des te beter. Dat betekent wel dat de gemeente ook de tools moet hebben om in te grijpen – daarmee refereer ik aan een vraag van mevrouw Smits – en die heeft de gemeente. De gemeente kan voor wat betreft haar inwoners gewoon in het verzuimbestand van de school terecht. Gelet op het feit dat de school dat nooit allemaal apart administreert, komt men gewoon in het verzuimbestand. Men mag dat ook opvragen, want men moet wel toezicht kunnen houden. Dit is ook nodig voor toezicht om te bekijken of het wel goed gaat met een leerling en de ouders, waar de gemeente primair over gaat. Mevrouw Smits mag haar amendement in de zak houden in het kader van "niet te veel regelgeving"; het is geregeld. Ik zal er geen enkele onduidelijkheid naar de scholen over laten bestaan. Dat mag de gemeente.

Ik ben dus blij met de overeenkomst. Voor andere gemeenten ligt er zelfs een overeenkomst klaar die men zou kunnen sluiten met de inspectie om afspraken te maken. Ik denk dat heel veel gemeenten als ze eenmaal de boel lekker op gang hebben, er gebruik van maken. Ze zullen ook blij zijn dat er een inspectie is die, als het erop aankomt, tegen het desbetreffende schoolhoofd zegt dat het – daarmee kom ik nog even terug op het punt rond het bevoegd gezag – genoeg is geweest en dat er een sanctie volgt.

De voorzitter:

De heer Elias wil een interruptie plegen op het eerste blokje van de minister.

De heer Elias (VVD):

Ik heb nog een vraag over de wet en over de systematiek. Simpel samengevat maken wij nu dus een wet waarvan de minister zegt: ik heb nog een modelovereenkomst klaarliggen en als ze het toch weer anders zouden willen, kunnen ze van die wet afwijken. Zou de minister dat dan niet meteen bij wet regelen? Misschien moet zij daar dan een nota van wijziging of iets dergelijks voor schrijven. Hoe moet ik dat nu zien? Ik vind het toch een beetje wringen dat wij hier vandaag een wet maken, waarvan de minister, terwijl wij hem aan het maken zijn, zegt: hier en daar kan het misschien nog een tandje beter en handiger door de leerplichtambtenaren meer ruimte te geven op de scholen zelf; daardoor wordt er alvast een uitzondering op gemaakt. Misschien zie ik het verkeerd, maar dat is de indruk die ik krijg.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat licht ik graag toe, want die indruk zou verkeerd zijn. De wet is de wet. Die wordt gewoon gehandhaafd en de bevoegdheden in de wet liggen straks bij de inspectie. Gemeenten en inspectie kunnen straks echter met elkaar werkafspraken maken. De inspectie zegt dan: als u dat als gemeente doet en u met mij die afspraak maakt, spreek ik met u af dat ik heel snel en alert zal reageren, afhankelijk van het type signaal dat ik krijg; dan maken wij dus ook afspraken over de vraag of ik direct naar de school ga of dat ik het optel bij mijn dossier voor het risicogericht toezicht. Dat vind ik praktische afspraken en die liggen op dit moment tussen deze twee grote organisaties, namelijk de twee grote gemeenten en de inspectie. De inspectie kan die ruimte oppakken, maar ik weet dat er heel veel gemeenten blij zijn dat de inspectie dit nu doet, omdat zij er moeite mee hadden. Daarom was men bij Ingrado ook unaniem van mening dat dit het beste was. Het is dus een praktische aanvulling in zijn uitwerking op de bestaande wet. De hoofdlijn van de wet is echter de hoofdlijn van de wet; zowel in Amsterdam als Den Haag werd geen sanctie uitgedeeld aan hoofden. Daar was het sanctiemiddel niet benut en voelde de gemeente zich op dat moment tandeloos.

De Amsterdamse beleidscijfers sporen niet helemaal met die van de inspectie. Ze zijn, simpel gezegd, triest en treurig. Daarom ben ik ook scherp naar scholen toe. Dat vinden scholen niet altijd leuk; dat vind ik jammer. Het mbo gaat mij aan het hart, maar het gaat uiteindelijk om de kinderen die daar zitten. Die moeten gewoon zeker weten dat als ze er niet zijn, er iemand is die hen in hun nekvel grijpt. Dat zullen ze zelf niet leuk vinden, maar die ouders willen dat toch in grote mate weten. Ik geloof, zo zeg ik tegen de heer Beertema, dat er nog heel veel ouders zijn die best betrokken zijn bij kinderen en het allerbeste voor hen willen. Die ouders moeten misschien af en toe wakker geschud worden; wij laten ze misschien ook vaak te makkelijk achterover op de bank leunen. Dat moet klaar zijn. Ik ben het ook eens met iedereen die hier zegt: betrek die ouders erbij. Ik kom straks terug op het punt of we dat wettelijk moeten regelen of dat we de scholen dit laten oppakken. Het is dan aan de scholen hoe ze het doen. Wij weten in ieder geval wat we willen: het kind in de schoolbanken en niet thuis.

Er is door de heer Elias gevraagd hoeveel leerplichtambtenaren dit oppakken, want de gemeenten moeten dit allemaal uitvoeren. Ik ben behoorlijk tevreden over de hoeveelheid leerplichtambtenaren. Ingrado, de vakorganisatie bij uitstek met kennis van de leerplicht, hanteert een norm van 1 leerplichtambtenaar op 3800 leerplichtigen. Gemiddeld is er echter 1,6 leerplichtambtenaar. In de grote steden ligt het zelfs nog wat hoger. Dat is ook terecht omdat men daar vaak wat pittiger taken heeft. Gemiddeld ligt het in Nederland dus boven de norm. Het hoort bij de gemeentelijke vrijheid. Ook hiervoor geldt dat wij het wat en de gemeenten het hoe formuleren. Ik heb geen aanleiding te denken dat er te weinig inzet is. Sterker nog, in de afgelopen jaren heb ik het buitengewoon sterk zien groeien. Dat is goed. Die taak is de afgelopen vier jaar heel serieus opgepakt.

De heer Biskop heeft gevraagd hoe het zit met instructies van leerplichtambtenaren. De Leerplichtwet geeft gemeenten de opdracht een instructie te schrijven voor hun leerplichtambtenaren. Dat hebben ze ook gedaan. Daarin komen de wijze waarop de ambtenaren uitvoering geven aan hun werk, het aantal taken, het verlenen van verlof aan kinderen, de wijze waarop de verzuimgevallen ter kennis worden gebracht aan de gemeenten en worden behandeld en de manier waarop men omgaat met ouders en ambtsgenoten uit omliggende gemeenten aan bod. Dat is een goede zaak. De VNG en Ingrado hebben ook een model ambtsinstructie ontwikkeld voor de samenwerking met de inspectie op het vlak van het toezicht op de scholen. Dat is heel praktisch. Het is aan de gemeenten zelf of zij er gebruik van maken.

De heer Biskop vroeg hoe het staat met de regionalisering van het toezicht. Inmiddels werken zo'n 150 gemeenten samen rondom leerplicht en vsv. Er zijn 12 regio's waarin 84 gemeenten, en 16 regio's waarin 66 gemeenten samenwerken in regionale verbanden. Daarnaast oriënteren andere grote gemeenten zich ook op regionalisering. Het is echt een tendens. Het is mooi dat we met deze wetgeving faciliteren dat dit kan. Het melden rond de 18-minner hebben we allang geregeld. Dat moet binnen vier weken en binnen zestien uur. De heer Van der Ham vroeg waarom het vier weken is. Om het simpel te zeggen: "vier weken" is nu de magische term. Als een leerling binnen vier weken zestien uur spijbelt, moet dat via het digitale loket aan de gemeente worden gemeld. Als een 18-plusser langer dan vier weken weg is, valt dat niet meer onder de leerplicht, maar wel onder de RMC-regio en telt het ook mee voor de studiefinanciering en de WTOS. Die zaken komen er allemaal bij kijken. Dan melden we de geachte leerling die niet is komen opdagen ook dat zijn rechten het risico lopen te verdwijnen. Dat lijkt me een prima zaak. Daarmee maken we mogelijk dat er tegelijk bij de RMC-regio gemeld kan worden en bij de centrumgemeente die het uitvoert. Het hoeft dus niet eerst via de eigen gemeente naar een andere gemeente te lopen. Dit zijn allemaal faciliteiten om het scholen nog gemakkelijker te maken en tussenstappen te vermijden. Daarmee geven we steeds meer faciliteiten. We doen dat niet om regionalisering af te dwingen, maar we stimuleren het wel. Ik weet dat de heer Biskop daar altijd scherp op let omdat het een keuze van de gemeente zelf moet zijn.

De heer Van der Ham heeft gevraagd of er voldoende menskracht is bij de inspectie. Mijn antwoord daarop is "ja". De inspectie geeft zelf aan dat zij hier wel naar wil kijken. Het is ook een samenloop van omstandigheden van inbrengen van allerlei kanten die het beter wilden organiseren. Het is eigenlijk ook geen nieuwe taak, want de inspectie keek er al naar. Daarom hebben we al themaonderzoeken gehad over het verzuim. Het wordt gewoon meegenomen in het risicogericht toezicht van de inspectie zoals we dat kennen. Ongetwijfeld zal de Kamer af en toe vragen om een themaonderzoek om te horen hoe de stand van zaken is. De inspectie kan dat landsbreed doen en dat is een goede zaak.

Er is ook gevraagd of er sancties kunnen worden opgelegd aan de schoolleider. Er kunnen inderdaad sancties worden opgelegd aan het hoofd van de school. De heer Biskop heeft gevraagd of ze niet aan het bevoegd gezag moet worden opgelegd.

De voorzitter:

De heer Çelik wil u nog een vraag stellen over het vorige deel van uw beantwoording.

De heer Çelik (PvdA):

Ik heb gevraagd of de minister voldoende middelen tot haar beschikking heeft, want er is 56 mln. gekort op de begroting ten opzichte van vorig jaar. Ik wil daar graag een antwoord op.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik kom zo meteen terug op de middelen. Mevrouw Smits heeft daarover in algemene zin ook een vraag gesteld. Ik wil die vragen graag in één keer beantwoorden en toelichten waarom ik denk dat we een heel eind moeten kunnen komen.

Ik kom weer op het sanctioneren van de schoolleider. Ik pleit er zeer voor om het bij de schoolleider te houden en niet het bevoegd gezag te sanctioneren. Ten eerste is de Leerplichtwet geheel gericht op het hoofd van de school. Ten tweede sluit ik me aan bij hetgeen de heer Beertema naar voren bracht en waar de heer Elias op inhaakte: sanctionering van het schoolhoofd maakt misstanden heel scherp zichtbaar en raakt de school veel directer dan wanneer een groot bestuurlijk verband, waar vele tientallen miljoenen omgaan, misschien € 10.000 boete krijgt. Laat de school maar even lekker zweten. Als een school wordt getroffen, zal er binnen die school ook discussie ontstaan over de wijze waarop men in de toekomst sancties kan vermijden. Mijn formele punt is echter dat de Leerplichtwet is opgehangen aan het hoofd van de school. Dat is logisch, want er is een sterk lokaal verband met de gemeente, die in dezen ook taken heeft. Ik verzoek de heer Biskop dus om dit bouwwerk in stand te houden. Dat werkt beter.

Voorzitter: Verbeet

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik ben zojuist al ingegaan op de vraag waarom de inspectie de handhavingstaak goed aan haar taken kan toevoegen. De heer Elias heeft gevraagd waarom ik ervoor kies om deze taak niet bij de gemeente te laten liggen. Die vraag heb ik eigenlijk al in brokken beantwoord: uiteindelijk werkte dat in de praktijk niet. Verder wil hij weten waarom ik de taak, inclusief de boete die aan het schoolhoofd wordt opgelegd, bij de inspectie leg. Dat past heel goed in de werkzaamheden van de inspectie. De inspectie heeft bovendien afdoende afstand tot een school om de kwade genius te kunnen zijn die uiteindelijk de boete uitreikt. Dat vind ik al met al evenwichtiger. Daarom hebben zowel het Openbaar Ministerie als Ingrado gezegd dat het goed is om de zaak op deze manier te organiseren.

Mevrouw Smits heeft gevraagd of het kan gebeuren dat de inspectie vier jaar lang niet langskomt terwijl een school de administratie niet op orde heeft. Mijn antwoord is nee. Bij het ontbreken van voldoende verzuimmeldingen gaan er lampjes branden. Er is risicogericht toezicht en men komt dan dus langs. Bovendien zal een en ander zich uiten in de vsv-cijfers. Ook dat is voor de gemeente en de inspectie reden te over om actief te bekijken wat er op zo'n school gebeurt. Ik ben dus niet bang dat zaken helemaal door de inspectie heen glippen, zeker niet als er goed teamwork is tussen gemeenten en inspectie. Uiteraard evalueren we deze wet. We zullen dit in de gaten houden. Als dit niet werkt, moeten we natuurlijk afspraken maken, maar vooralsnog ga ik ervan uit dat het lukt.

De heer Biskop heeft toch een vraag gesteld over het Digitaal Loket: hoe is het meldingsgedrag van scholen bij het Digitaal Loket? Op dit moment wordt hiervan door zo'n 90% van de onderwijsinstellingen daadwerkelijk gebruikgemaakt. Van de vo-scholen meldt 89% verzuim tijdig; van de mbo-instellingen is dat 47%. Dat is natuurlijk veel minder. Dat verklaart het gemiddelde. De 10% moeten we beetpakken, want dan hebben we ook de rest van de mbo-instellingen in beeld.

Voorzitter. Ik heb het toezicht gehad en ik heb de financiën bij het blokje "overige" zitten. Dat betekent dat ik bij de thuiszitters kom.

De voorzitter:

Ik zit een beetje te kijken, ook naar de tijd. Ik moet eigenlijk om 18.00 uur al klaar zijn met dit debat, want wij hebben nog een dinerpauze en om 19.00 uur begint het kinderbeschermingsdebat. Maar dat moet lukken hè?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik lever daar altijd een grote bijdrage aan; dat weet u. Althans, dat probeer ik.

Laat ik heel kort zijn. De zorg die hier over de thuiszitters wordt uitgesproken, begrijp ik. Het is ook de mijne. Wanneer je in Nederland leerplicht hebt, vind ik het niet kunnen dat kinderen thuiszitten en niet een plekje op de school krijgen. Wij krijgen hierover een debat bij het passend onderwijs. Ik vraag degenen die hierover vragen hebben gesteld om dat debat daar te voeren. De zorgplicht die in het voorstel naar voren komt, moet voorkomen dat kinderen thuiszitten. Overigens is het niet door mij bedacht, maar uit het veld afkomstig in de afgelopen jaren. In die zin wil ik tegemoetkomen aan de zorg die is geuit. Dat is gestart bij de heer Van der Ham, maar successievelijk heb ik alle sprekers erover gehoord. Is het goed dat wij dat debat hier voeren aan de hand van dat punt?

De heer Van der Ham (D66):

Dat is natuurlijk goed. Iedereen die hier heeft gesproken, heeft gezegd: ik ga dat toch niet erin amenderen, althans in eerste instantie niet. Om dat debat goed te kunnen voorbereiden, hebben wij een aantal vragen aan de minister gesteld, ook omdat er een overlap met dit wetsvoorstel is. Ik heb er een paar dingen over gezegd. Ik kan straks ook wat moties indienen waarin de juiste formuleringen staan en waarop de minister weer kan reageren. Als zij dat wil, is het ook prima. Ik weet niet hoe nu het meest tijd kan worden bespaard op dat punt.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik ben bereid alle vragen mee te nemen naar het debat van 16 februari en ze daar te beantwoorden. Van sommige vragen zeg ik: helemaal eens. Van sommige punten zeg ik: nee, daar heb ik mijn bezwaren bij. Op dat moment krijgen wij het debat met elkaar, dus ik heb er geen probleem mee. Als u wilt dat ik ze hier beantwoord, doe ik dat.

De heer Çelik (PvdA):

Als je spijbelt, ben je ook thuis; dan ben je een thuiszitter. Wij hebben net geconstateerd dat niet alle thuiszitters kinderen zijn die zorg nodig hebben. Op dat punt verschil ik even van mening; ik wil toch mijn punt gemaakt hebben. Ik kan mij voorstellen dat het debat doorgaat bij het passend onderwijs, maar ik zal op dat punt wel mijn motie handhaven.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dan ga ik straks aan het eind nog in op de motie van de heer Çelik. Hij heeft die nog niet ingediend, maar als hij dat doet zal ik erop ingaan.

Ik kom bij het kopje vsv, voortijdig schoolverlaten. Ik heb er al het nodige over gezegd. Het aantal vsv'ers is inmiddels verminderd tot 39.600. Het zijn voorlopige cijfers. Mevrouw Smits vraagt wat ik ga doen om dat terug te brengen tot 25.000. Half februari ontvangt u een brief van mij over het vsv-beleid voor de komende jaren. De convenanten blijven een cruciaal onderdeel van het beleid. Wij hebben gemerkt dat "no cure, no pay" goed werkt: niet leveren, niet betalen. Wij hebben extra middelen rondom de plusvoorzieningen. De goede registratie is een belangrijk aspect. Door de transparantie in de cijfers wordt steeds duidelijker welke school het wel en niet goed doet. Er zitten soms ook argumenten achter, maar het resultaat telt. Het zijn allemaal aspecten die ik graag verder uitwerk om die misschien wel veel pittigere opgave dan in de afgelopen jaren zo goed mogelijk op te pakken in de komende jaren. U hoort daarover van mij.

Tegen de heer Elias zeg ik dat bij die brief ook gelijk de cijfers komen. De vraag van de heer Van der Ham hoort ook bij de zorgplicht of het leerrecht dat hij benoemde. Ik voeg het even bij mijn stapeltje en beloof u er op dat moment op terug te komen.

Ik kom op het kopje overig. De heer Biskop heeft mij gevraagd of ik iets kan zeggen over het type spijbelaar dat wij kennen. Gaat het om een harde kern of gaat het om een luxeverschijnsel? Dit is heel wisselend. Van de 7500 zaken die jaarlijks bij de parketten binnenkomen, is ongeveer de helft luxeverzuim en de helft signaalverzuim. Van luxeverzuim is sprake als een leerling zonder toestemming met vakantie gaat. Bij signaalverzuim gaat het vaak om achterliggende problemen. Ik heb net geschetst hoe wij dat aanpakken. Signaalverzuim is soms ernstig en moeten wij tijdig beetpakken.

De Nederlandse spijbelrechters doen het goed. Het is geweldig dat wij überhaupt zien wat er met die zaken gebeurt. Het zijn er jaarlijks zo'n 7500. Er wordt op dit vlak dus een enorme knowhow bij de rechterlijke macht opgebouwd, niet zomaar verdeeld over alle rechtbanken, maar gewoon bij een groep rechters die hier echt goed zicht op heeft en in staat is een oordeel te vellen over de spijbelaars.

Kunnen scholen verplicht worden om bij afwezigheid van de leerling de ouders direct op de hoogte te stellen? Ik vind dat scholen dat in het belang van het terugdringen van verzuim moeten doen, maar ik vind het ver gaan om dit wettelijk te regelen. Op dit moment kan het niet verplicht worden, maar wij verwachten wel dat scholen dit oppakken. Ik vind het belangrijk dat er in de schoolgids goed gecommuniceerd wordt over wat je moet doen, en dat er met de medezeggenschapsraad een discussie ontstaat als men het beleid op dit punt onder de maat vindt of het gevoel heeft dat het onvoldoende wordt uitgevoerd.

De heer Çelik (PvdA):

Ik ben het met de minister eens. Ik heb geen amendement ingediend, omdat ik het ook niet wettelijk wil regelen. Ik vraag de regering om scholen op te dragen om ouders/verzorgers binnen 24 uur te melden dat hun kind zonder opgaaf van redenen niet op school is verschenen. Wil de minister met de scholen, met de raden, met de besturen in overleg treden om dit te stimuleren, om dit met wat meer drang tussen de oren te krijgen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Omdat ik het woord "opdragen" had gehoord, dacht ik aan een wettelijke regeling. Ik ben zeker bereid om dit punt met de VO-raad en de MBO Raad te bespreken. Men moet dat met zijn leden bespreken. Met de heer Çelik begrijp ik niet dat zo'n ouder niet geïnformeerd wordt. Dat is het minste wat wij mogen verwachten. Overigens moeten ook de ouders scherp zijn, waarmee ik bij het punt van de heer Beertema kom. Als ouders zelf niet reageren, als ouders zelf niet vragen of hun kind nooit spijbelt, wordt het moeilijk. Er mag ook wel wat van de mensen zelf verwacht worden. It takes two to tango.

De heer Biskop (CDA):

Ik kom terug op die spijbelrechters. Hebben wij die inmiddels overal in Nederland?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het precieze aantal arrondissementen heb ik hier niet, maar ik weet dat het overgrote deel ervan inmiddels spijbelrechters heeft. Die slag is echt gemaakt, ingezet door minister Hirsch Ballin, die overigens op heel veel punten geweldig goed werk heeft verricht in het versnellen van de tempi. Ook dit vindt met grote voortvarendheid plaats. Ik kan dus een geruststellende mededeling doen.

Er is gevraagd om een onderwijsovereenkomst waarin rechten en plichten van leerling en ouders zijn vastgelegd. In het regeerakkoord staat dat wij oudercontracten willen afsluiten: wat verwacht ik van jou en wat verwacht jij van mij? Dat willen wij niet om daarmee het Burgerlijk Wetboek te verrijken, want dat vind ik erg ver gaan. Dat geeft een enorme regeldruk met juridisering er achteraan. Het kabinet wil scholen wel stimuleren om met elkaar afspraken te maken over wat men van de school mag verwachten en wat men van ouders mag verwachten. Ik keer nogmaals terug naar de inbreng van de heer Beertema: het elkaar – vooral ouders – daarop aanspreken zorgt er al voor dat ouders denken: o, is het belangrijk dat mijn kind een rustige plek heeft om te leren en is een ontbijt belangrijk? Je zou denken dat ouders dit weten, maar wij zien helaas dat dit niet zo is.

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb in mijn bijdrage inderdaad gezegd dat je dit bijvoorbeeld zou kunnen vergelijken met huurcontracten en dat soort zaken in het Burgerlijk Wetboek. Naar aanleiding van interrupties maar ook in mijn eigen bijdrage heb ik daarbij onmiddellijk het woord "bijvoorbeeld" benadrukt. Het gaat natuurlijk om een specifieke groep leerlingen en ouders. Die ouders staan met de rug tegen de muur en kunnen hun kind nergens kwijt. Zij kunnen niet op de een of andere manier beargumenteerd krijgen of aanvechten waarom hun kind verwijderd is en vervolgens thuis zit. De minister en ik zijn het er onmiddellijk over eens dat wij dit niet wenselijk vinden. Ik ben, hopelijk met de minister, op zoek naar scharniermomenten in zo'n beslissing waarop je iets kunt aanvechten en waarop je in ieder geval hulp kunt vragen om leerlingen onderwijs te laten volgen. Dat was de insteek van mijn vraag. Ik gaf het voorbeeld van het Burgerlijk Wetboek, waarin je dit zou kunnen regelen. Misschien is dat te fel of te groot. Dat zou zomaar kunnen, maar ik vraag de minister met welk alternatief je beide kanten met iets meer dwang aan elkaar kunt verbinden.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

In het mbo kennen wij dit al, want daar is er de overeenkomst die start bij het begin van de opleiding. Ik ben de naam ervan even kwijt, maar dit is gewoon een onderdeel van de wet. In het voortgezet onderwijs vind ik de oudercontracten een goed idee, maar het is een zaak tussen de school en de ouders om dit met elkaar te regelen. Dat wil ik inderdaad niet regelen in formele wetgeving, want de scholen gaan haast ten onder door de administratievelastendruk, terwijl wij veel van hen vragen op het punt van de kwaliteit van het onderwijs. Ik zie uw gedachte dus als een steun in de toekomst voor de oudercontracten die in het regeerakkoord staan, maar ik herhaal dat dit een zaak is tussen school en ouders.

De heer Van der Ham (D66):

Het gaat mij er niet om dat de school op elke slak zout gaat leggen en dat alles aangevochten moet worden, bijvoorbeeld als iemand een dag wordt geschorst vanwege wangedrag. Bij langdurige verwijdering moet er echter iets zijn waarop ouders kunnen terugvallen als zij zien dat er vervolgens geen onderwijs wordt geboden. Niemand wil dat kind immers hebben omdat geen enkele school zin heeft in zo'n lastig kind. Dat is het grote probleem. Ik wil dat de ouders, die gemotiveerd zijn om hun kind dat onderwijs te leveren, ergens heen kunnen gaan om dit op de een of andere manier hard te maken. Dan zou zo'n contract een rol kunnen spelen. Dat is maar een suggestie, maar het is wel de richting die wij in zouden willen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik begrijp de intentie van de heer Van der Ham, maar wij hebben in de wet al vastgesteld dat een kind eigenlijk niet verwijderd mag worden van een vo-school, tenzij die vo-school ervoor heeft gezorgd dat het kind naar een andere school kan. Nou zouden wij dit dus nog een keer vastleggen in een overeenkomst, maar het gaat om de vraag of het echt gebeurt. Dat is heel belangrijk, want een school heeft uiteindelijk de plicht om hetzij in de eigen school goed met dat kind om te gaan, hetzij elders. Als het echt niet gaat met een kind – het kan zijn dat wij geen lieverdje voor ons hebben en dat een kind echt onhoudbaar is – moet een school natuurlijk melden aan de leerplichtambtenaar dat het gewoon niet meer gaat zoals het behoort te gaan.

De heer Van der Ham (D66):

Mijn punt is dat de praktijk anders is. Er zijn voor een school mogelijkheden om een leerling te verwijderen. Dat moet in bepaalde gevallen ook kunnen, maar als een sluipend proces ontstaat met een enorm grijs gebied voor de verantwoordelijkheden voor de school en de ouders, waarbij de inspectie soms wegduikt en waarbij leerplichtambtenaren eigenlijk niet eens weten wat er gebeurt, is er een niemandsland. Dan moet je de ouders, die graag iets willen doen, het recht moet geven om zelf proactief iets te doen. Die middelen hebben zij nu amper en die wil ik hun graag geven.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Eigenlijk hebben wij dit al geregeld, want de Wet op het voortgezet onderwijs is gewoon een afspraak tussen het Rijk en de burgers om het voortgezet onderwijs en de scholen te regelen. Daar staat in dat dit inderdaad niet mag. Daarom zal een onderwijsovereenkomst geen toegevoegde waarde kunnen hebben. De school doet het gewoon niet. Op dat moment kunnen ouders bij rechters afdwingen dat er iemand naar gaat kijken. Men kan naar een leerplichtambtenaar. Er zijn ook consulenten die dit soort mensen bij elkaar brengen. Ik wijs op de beroemde rondetafels die de Ombudsman noemt. Er gebeurt veel. Soms duurt een oplossing echter gewoon wat langer. Ik doel dan niet op zorgkinderen maar op het percentage kinderen dat heel erg moeilijk te handhaven is qua gedrag. Die kunnen onmogelijk op een school blijven. Het kan weleens zijn dat een oplossing dan eventjes langer duurt. Hoeveel overeenkomsten wij er ook tegenaan gooien, in het leven krijg je het nooit helemaal perfect. De onderwijsconsulent is hierbij heel erg belangrijk als intermediair. Die moet ook benut worden. De leerplichtambtenaar mag daarbij ook zijn rol vervullen. Dat vind ik het goede van het rapport van de Ombudsman. Die erkent die rol en zegt dat die ook best pittiger mag worden opgepakt. Dat is bij wet geregeld. Een nieuwe regeling is daarmee wellicht overkill.

Lesuitval en verzuim moeten keihard aangepakt worden. Ik ben het daarmee eens. De kerntaak van de school is goed onderwijs geven. Voor goed onderwijs is lestijd nodig. Daaraan hebben wij in de afgelopen jaren heel veel gedaan, ook aan de onderwijstijd. In het mbo zijn wij met de 850 uur veel scherper bezig dan voorheen. Met de bbl zijn wij ook veel scherper aan het worden. Met de 1000 uur in het voortgezet onderwijs zijn wij ook scherp. Dat maakt wel dat scholen er al veel meer aan doen. Ik kom met een wetsvoorstel naar de Kamer over het voortgezet onderwijs, met daarin de waarborg dat voldoende onderwijstijd wordt gerealiseerd en dat scholen beleid moeten hebben om uitval van lessen op te vangen. Dat is een mooie gelegenheid om te bekijken of het nieuwe instrument voldoende mogelijkheden biedt. Scholen moeten in overleg met de ouders kijken of die het als adequaat ervaren. Daar moet de dialoog plaatsvinden. Wij kunnen vanuit Den Haag heel moeilijk zeggen hoe de scholen het moeten doen. Het is een punt dat door scholen overtuigend neergezet moet worden aan inspectie, ouders en leerlingen. Dat ben ik van hart eens met de heer Çelik. Er is al verbetering opgetreden. Het is echter ook een probleem van alle tijden. Ik herinner mij dat ook ik te veel naar de patattent ging omdat er uren uitvielen. Er was nog wel sprake van de oude structuur. Mijn ouders zaten er ook bovenop. Het is daarom in the end toch goed gekomen. Over de periode daarvoor zal ik geen mededelingen doen! Het is dus iets dat er was en is. Met de handhaving van 1000 uur zijn door de scholen in de afgelopen jaren enorme sprongen gemaakt. Dat gebeurde tegen heug en meug. Nu hoor ik de scholen er niet meer over. Het is echter verbeterd.

De heer Elias heeft gesproken over de inspanningen van docenten.

De heer Elias (VVD):

Wanneer komt de minister met dit wetsvoorstel?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het gaat een dezer weken naar de ministerraad. Het is al bij de Raad van State geweest. Het hoort terug te komen, omdat het een voorstel is van het vorige kabinet. Daarna gaat het wat mij betreft direct naar de Kamer. Daarin wordt ook de vakantieweek behandeld. Het heeft dus heel veel leuke aspecten.

De heer Çelik (PvdA):

Ik neem aan dat de minister mijn motie, die zeer waarschijnlijk breed door de Kamer wordt gedragen, een goed teken vindt voor dat wetsvoorstel. Ik neem aan dat zij de motie dus niet overbodig vindt op dit moment. Het is immers een nijpend probleem, ook al gaat het beter. Het probleem is aan de orde van de dag. Ik neem aan dat de minister de motie goed vindt.

De voorzitter:

Ik wil iets zeggen voordat de minister antwoordt. Wij zijn bezig met het antwoord van de minister in eerste termijn. Ik ken nog geen motie. Ik weet dat u de inhoud ervan heeft gedeeld met de Kamer. Om al in eerste termijn een oordeel over een motie te vragen, is echter heel ongebruikelijk.

De heer Çelik (PvdA):

U wilt straks een korte tweede termijn houden. Ik probeer mij daarom in te houden. Het is dan toch handig als ik weet of de minister een motie met dergelijke strekking op dit moment noodzakelijk vindt?

De voorzitter:

Dat gaat mij net een slag te diep. Dan had u formeel aan het begin toestemming moeten vragen om in eerste termijn een motie te mogen indienen. Dat is niet gebeurd. U moet de minister een beetje ruimte geven om straks een formele reactie op de motie te geven.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Dat doe ik graag, op dat moment.

De heer Elias vraagt naar de inspanningen van de docenten. Moeten scholen en docenten zich niet meer inspannen om problemen achter het verzuim te herkennen? Inderdaad, de problemen achter het verzuim zijn heel wezenlijk. In mijn inleiding heb ik gezegd dat er op dit vlak al ongelofelijk veel gebeurd is in de afgelopen tijd. Dat moet doorgaan en dat moet op een aantal scholen beter. De ene school heeft het veel beter onder controle dan de andere. Er zijn behoorlijke slagen gemaakt. Een docent moet zich inderdaad echt verantwoordelijk voelen voor het feit dat de leerling niet in de klas zit. Hij moet dat doorgeven en ervoor zorgen dat het wordt geregistreerd. Daarvoor hebben wij de procedure vereenvoudigd, onder andere waar het gaat om de termijnen. Om dit te vergemakkelijken, hebben wij een digitaal loket. Wij proberen het te faciliteren. Het is nu aan alle scholen in Nederland om het echt te doen. Het appel op hen mag pittig zijn. De heer Elias doet dat altijd in robuuste woorden. Ik ben het ermee eens dat hij een pittig appel doet op de scholen. Ook de heer Çelik sprak op dit punt geen woord Spaans.

Er is gevraagd waarom de meldtermijn niet korter wordt dan vier weken. Daar heb ik net al iets over gezegd. Dat hoef ik niet te herhalen.

Ik kom nu op de geldstromen. De heer Çelik vroeg naar korting op de gelden voor vsv. Ik weet daar niets van. Wij blijven de middelen voor het vsv-beleid volledig inzetten. Het kabinet gaat wat incidenteel was, namelijk de plusscholen, structureel maken. Dat gaat om 30 mln. De inzet blijft dus doorgaan. Er is veel geld beschikbaar specifiek voor de bestrijding van schoolverzuim. Er is vanaf 2008 13 mln. structureel beschikbaar voor de leerplicht en de kwalificatieplicht. Dat bedrag is beschikbaar gekomen toen de wet werd aangenomen. Er is 17 mln. structureel voor de 39 gemeentelijke regio's van de RMC om hun RMC-taak, die meer curatief is dan preventief, te kunnen uitvoeren. In het gemeentelijk accres is een oploop van 2009 tot 2011 van 10 mln. naar 19 mln. Daarom spreken wij de gemeenten ook actief aan op het beleid. Er is immers nog geld bij gekomen dit jaar.

Voor het onderwijsachterstandenbeleid, waar onder andere de vve en de schakelklassen in zitten, is 225 mln. beschikbaar. Dat budget is via een decentralisatie sinds 2010 naar de gemeenten gegaan. Er is jaarlijks 1,75 mln. beschikbaar om de vorming van Zorgadviesteams te stimuleren. Daarnaast is voor de Centra voor Jeugd en Gezin 100 mln. beschikbaar via de brede doeluitkering en 100 mln. via het gemeentelijk accres. Er is dus veel geld.

Door de gemeenten een belangrijke regierol te geven, komt er heel veel bij elkaar. Dat is winst. Ik denk dat dit ook het succes heeft bepaald van de aanpak van het voortijdig schoolverlaten in de afgelopen jaren. Geen Haagse aanpak, maar heel nadrukkelijk een lokale aanpak. Daarom heb ik er wel vertrouwen in dat wij ook de komende jaren behoorlijke slagen kunnen maken. Het zal echter niet makkelijk zijn. Er gaat veel om in het onderwijs op dit moment. Er komt ook veel op het onderwijs af. De kinderen die wij inmiddels in beeld hebben, zijn echt niet meer het laaghangende fruit.

Mevrouw Smits vroeg of men angst heeft voor het melden vanwege imagoschade van de school. Dat heb ik nooit gemerkt. Er zijn ook geen signalen hierover. Er zijn overigens ook geen signalen, zo zeg ik tegen de heer Elias, dat 1 oktober een grens is voor het afmelden van kinderen. Ik weet daar in elk geval niet van. Als hij concrete voorbeelden heeft, houd ik mij aanbevolen. Dan sturen wij de inspectie erop af.

De heer Biskop zegt dat een reactie op spijbelen moet zijn dat het niet cool is. Hij vroeg of gemeenten en scholen goed samenwerken op dit terrein en duidelijk maken dat het niet cool is. Hij wilde weten of wij het ook op een andere manier laten zien dan wij hier met al onze formele regels, de gemeente met al haar formele taken en de school met al zijn formele registraties. Ja, dat doen wij. Wij doen dat middels de vsv-aanpak. Wij hebben inmiddels jongeren die optreden als ambassadeur. Deze jongeren zijn ervaringsdeskundige op het vlak van spijbelen en schooluitval. Zij doen echt heel erg goed werk, in allerlei steden. Het zijn er ook steeds meer geworden. Het zijn heel leuke jongeren om te zien, dat is ook belangrijk. Zij gaan naar scholen toe om te vertellen dat zij ooit schooluitvaller waren en dat jongeren er niet aan moeten beginnen. Het zijn de jongeren op de mbo 1-opleidingen die blij zijn dat ze in de normale structuur terecht zijn gekomen.

Structuur is ongelooflijk belangrijk. Ik sprak laatst een moeder van een leerling van een mbo-school in Flevoland. Zij zei dat ze op de afdeling van haar kind – het scheelt ook wel per afdeling – ongelooflijk streng zijn. Ze zei dat ze zo vaak gebeld werd dat haar zoon er even niet was. Ik zei: wees blij. Het is heel erg belangrijk dat er structuur is en dat wij ook met het mbo heel schools omgaan. Kinderen hebben structuur nodig. Gelukkig is inmiddels dat licht wel gaan branden bij de meeste scholen.

De heer Elias bracht een punt naar voren met betrekking tot e-learning. Dit heeft te maken met de thuiszitters. Gaf u het niet in dat kader aan, mijnheer Elias? Misschien wilt u daarop nog een kleine toelichting geven. Dan ga ik erop in.

De heer Elias (VVD):

Een collega wees op eergerelateerd geweld: jonge meiden die in een opvang zitten en daar op geen enkele manier onderwijs krijgen, wat natuurlijk slecht is. Mijn vraag was of e-learning daarvoor niet een vorm van oplossing zou kunnen bieden.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Met virtueel onderwijs kun je niet de leerplicht invullen. Een kind moet uiteindelijk toch naar school. Wel kan e-learning meetellen voor onderwijstijd, mits het onder regie staat van een bevoegd docent die actief bereikbaar is. Dit punt is hier indertijd aan de orde geweest. Er moet dus een zeker evenwicht zijn. Je moet toch een geregeld bezoek brengen aan een fysiek gebouw. Er moet namelijk zicht blijven op de vooruitgang van een kind en het kind moet goed worden begeleid. Bij leerplichtkinderen gaat het om kinderen tot achttien jaar en voor hen is de structuur van het op school zijn en dagelijks of althans regelmatig aangesproken worden, heel belangrijk.

Ik kom toe aan de amendementen. Er is een amendement ingediend om "het hoofd" om te zetten in "bevoegd gezag". Daarover heb ik het nodige gezegd. Ik hoop eigenlijk dat dit amendement wordt ingetrokken.

Ook over de kinderbijslag heb ik het nodige gezegd. Ik ga daarmee aan de slag. Ik kan me voorstellen dat de heer Beertema dat even afwacht. Ik heb beloofd om hierop voor 15 maart terug te komen.

De heer Beertema (PVV):

Op twee punten heb ik nog geen reactie gekregen. Ik heb het idee aangedragen om ouders te beboeten die niet komen opdagen bij de spijbelrechter. Ik vraag de minister om een reactie hierop. Daarnaast heb ik het gehad over de 80%-aanwezigheidsregeling. Het zou zo mooi zijn als de roc's een wettelijk instrument hadden om die 80% bij leerlingen af te dwingen. Dit wordt nu wel in de onderwijs- en examenreglementen, de OER's, opgenomen, maar slimme leerlingen zeggen: je kunt in het OER zetten wat je wilt, maar ik ga naar de rechter en je hebt geen poot om op te staan. Dit gebeurt niet zo heel veel, maar het gebeurt wel en de rechter stelt die leerlingen in het gelijk. Dat geeft op de roc's heel veel koudwatervrees om deze regel toe te passen, terwijl het zo'n mooie, directe lijn is om de leerlingen bij de les te houden.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ouders zijn verplicht om bij de spijbelrechter aanwezig te zijn, zeg ik in reactie op uw eerste punt. Op de vraag of er boetes op staan als zij er niet bij zijn, kom ik in tweede termijn terug. Kunt u uw vraag over de 80%-regeling nog even toelichten? Ik ben het zicht even kwijt op wat u precies beoogt.

De heer Beertema (PVV):

Scholen bieden hun curricula natuurlijk aan in semesters, in blokken, in projecten of hoe dan ook. Daar staat een aantal schoolweken voor, een bepaalde hoeveelheid lestijd. Heel veel scholen proberen het instrument te hanteren dat zij de leerlingen verplichten om minstens 80% van dat blok aanwezig te zijn. Als zij daaronder komen, mogen zij bijvoorbeeld geen examen doen of geen tentamen doen of het project niet afsluiten. Dat is een mooie, schoolse regel. Hiermee hebben de leraren direct een instrument in handen om hun leerlingen bij de les te houden. Als het er uiteindelijk op aankomt, zie je echter dat scholen het toch niet durven door te zetten als zo'n leerling dwars gaat liggen. Het zou zo mooi zijn als dat wel kon, als hieraan een wettelijke basis kon worden gegeven.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

De heer Beertema brengt hiermee een goed punt in, vind ik. Ik denk dat wij bij scholen juist moeten stimuleren dat zij dit doen. Als je nauwelijks de lessen hebt gevolgd, kun je je immers afvragen wat je eigenlijk hebt opgestoken. Laat ik dus met de Kamer afspreken dat ik naga hoe dit zit. Als hierover onduidelijkheid is, en als ik mogelijkheden binnen mijn bereik heb, zal ik hierover naar de scholen communiceren dat zij dit gewoon moeten doen. Ik vind in ieder geval dat de school dit moet kunnen doen, maar ik wil mij wel even afgedekt weten door de wet.

De voorzitter:

Informeert u de Kamer erover wat u daarmee precies gaat doen?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Misschien kan ik dit meenemen in de vsv-brief. Ik zal de Kamer informeren en misschien neem ik dit in die brief mee. Anders moeten wij zo veel brieven schrijven.

De voorzitter:

Heel goed. U bedoelt de "voortijdig schoolverlaten"-brief, neem ik aan.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

U hebt gelijk: geen afkortingen.

Dit was het wat mij betreft.

De heer Elias (VVD):

Misschien kan ik met mijn interruptie een tweede termijn voorkomen. Ik heb op alle vragen antwoord gekregen, op een na. Ik heb een vraag gesteld over sancties voor het hoofd der school. Alles wat de minister hierover heeft gezegd is dat deze sancties kunnen worden opgelegd. Ik heb gesuggereerd dat het een goed idee is om ook een aantekening in het personeelsdossier te maken voor het geval de leiding van een school nalatig is, bijvoorbeeld bij het informeren van de ouders. Ik zei dat ik niet ver van mijn huis sprak toen ik het voorbeeld gaf van een spijbelgeval waarover de gemeente wel was geïnformeerd, maar de ouder niet. De ouder kan natuurlijk pas wat doen op het moment dat hij wordt geïnformeerd. De ouder is er niet bij; hij moet erover geïnformeerd worden. Als er structureel en vaak sprake is van nalatigheid, mag je ook eens denken aan sancties voor de schoolleider zelf. De minister is niet op deze vraag ingegaan.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik heb dit niet gedaan omdat het mijn taak niet is om het dossier van de leidinggevende en van de docent die onder het bestuur valt, bij te houden. Dit is de taak van de werkgever. Ik wil het hierbij laten. De heer Elias heeft zijn oproep gedaan, maar het is echt aan de werkgever om dit te regelen. Excuses voor het feit dat ik er niet op ingegaan ben.

De voorzitter:

Ik noem de toezeggingen.

  • - De Kamer ontvangt half februari per brief de cijfers over voortijdig schoolverlaten. In deze brief wordt ook gereageerd op de opmerking van de heer Beertema over de norm van 80% aanwezigheid voor leerlingen.

  • - De Kamer ontvangt een brief over de kinderbijslag in verband met de grens van zestien jaar en over de mogelijkheden voor kinderen vanaf twaalf jaar.

  • - Voor 15 maart ontvangt de Kamer een brief over de uitkomst van het overleg over het lik-op-stukbeleid.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Ik bedank de minister voor de vele antwoorden die zij heeft gegeven. De voorliggende wetsvoorstellen zijn niet de toverdrank die alle problemen in het onderwijs zullen oplossen, maar ze vormen daar wel een paar belangrijke ingrediënten voor.

Allerlei zaken die in de marge aan bod zijn gekomen, zijn op zichzelf erg belangrijk en hebben veel te maken met de problematiek. We krijgen nog allerlei brieven, bijvoorbeeld over de kinderbijslag. Daarin zijn wij zeer geïnteresseerd.

Zojuist was er een kleine discussie met de heer Beertema over de vraag of ouders verplicht kunnen worden om erbij aanwezig te zijn als een leerplichtzaak voor de rechter komt. Ik heb begrepen dat in de stad Utrecht bij elke rechtszaak voor iemand onder de achttien het lokaal min of meer verplicht is dat er een ouder bij is. Ik weet niet of dit alleen in Utrecht wordt toegepast of ook elders in het land, maar het lijkt mij op zichzelf heel nuttig om hier een soort verplichting op los te laten.

Wij hebben nog het punt van de thuiszitters. Ouders zijn soms zeer gemotiveerd om hun kind naar school te krijgen, maar krijgen geen voet tussen de deur. Ik dien hierover drie moties in. Ik ben erg benieuwd hoe de minister hierop reageert, ook in het kader van de discussies die nog komen.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

van mening dat ieder kind recht heeft op goed onderwijs;

overwegende dat dit recht is vastgelegd in het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind;

constaterende dat de Leerplichtwet in bepaalde gevallen tekortschiet waardoor leerlingen geen of tekortschietend onderwijs ontvangen;

verzoekt de regering, te verkennen hoe het leerrecht in de wet kan worden opgenomen en de Kamer hierover te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 10 (32356).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat ouders en leerlingen onvoldoende op de hoogte zijn van hun rechten in het onderwijs;

van mening dat deze rechten afdwingbaar moeten zijn voor ouders en leerlingen;

verzoekt de regering, te verkennen hoe een onderwijsovereenkomst vormgegeven kan worden,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 11 (32356).

De heer Van der Ham (D66):

De minister heeft gezegd dat zij een enorm circus wilde voorkomen. Die overweging heb ik meegenomen in de formulering van mijn motie. Daarom leg ik de verantwoordelijkheid helemaal bij de minister om te bezien hoe hieraan iets meer tanden kunnen worden gegeven, zodat via deze motie iets gedaan kan worden ten behoeve van ouders voor het geval er een soort niemandsland ontstaat waarin niets meer af te dwingen is. Ik dien mijn laatste motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat scholen een leerling mogen weigeren of verwijderen;

constaterende dat leerlingen door scholen worden geweigerd of verwijderd omdat zij onvoldoende in staat zijn goed onderwijs voor deze leerlingen te verzorgen;

van mening dat het melden en toelichten van zo'n besluit het begin vormt van het vinden van een passende plaats in het onderwijs voor de betrokken leerling;

verzoekt de regering, in overleg met het onderwijs te komen tot afspraken over het melden van weiger- en verwijderbesluiten aan de onderwijsinspectie,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Van der Ham. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 12 (32356).

De heer Van der Ham (D66):

Het is niet de bedoeling dat elk verwijderingsbesluit bij de inspectie moet worden toegelicht, want dat is niet te doen. Soms gaat het om een beperkte verwijdering die zeer gegrond is en die verder niet zo veel om het lijf heeft. Die hoeven niet gemeld te worden, want dan krijgen wij een enorme rompslomp en dat willen wij allemaal niet. Met deze motie wil ik de minister samen met het onderwijsveld laten verkennen op welke wijze er beter gemeld kan worden. Als iemand een maand geschorst is, moet dit na een aantal weken gemeld worden. Na een verwijderingsbesluit moet een traject worden opgetuigd om de betrokkene naar een andere onderwijsvorm te begeleiden. Het gaat mij erom dat het minder vrijblijvend is en dat de inspectie daar een grotere rol in moet gaan spelen. Nu weten burgemeester en wethouders ervan, maar ik kan mij heel goed voorstellen dat de inspectie hierin ook een belangrijke rol krijgt. Het geheel moet goed in kaart worden gebracht en vervolgens moet er druk worden uitgeoefend om ervoor te zorgen dat er daadwerkelijk iets gebeurt.

De heer Çelik (PvdA):

Voorzitter. Ik begin met het indienen van twee moties.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat lesuitval op scholen leerlingen kan demotiveren en kan bijdragen tot voortijdig schoolverlaten;

overwegende dat lesuitval ten koste gaat van de kwaliteit van het onderwijs en het leerrecht van kinderen ondermijnt;

constaterende dat scholen niet altijd alles ondernemen om lesuitval te voorkomen door bijvoorbeeld zo snel mogelijk vervangende docenten in te schakelen;

verzoekt de regering om maatregelen te treffen om scholen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en de lesuitval op scholen tegen te gaan en hierbij sanctiemiddelen niet uit te sluiten,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door de leden Çelik en Elias. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 13 (32356).

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat van de ruim 2,5 miljoen leerplichtige jongeren jaarlijks ruim 2500 leerlingen om allerlei redenen langer dan een maand thuiszitten;

overwegende dat elke dag thuiszitten betekent dat leerplichtige jongeren kansen op goed onderwijs wordt onthouden;

van mening dat in een beschaafd land als Nederland leerlingen niet het stempel "lastig" behoren te krijgen en dat scholen in alle gevallen verantwoordelijk blijven voor het bieden van onderwijs;

verzoekt de regering om de gevoelens van de Kamer maximaal over te dragen aan de schoolbesturen en deze op hun verantwoordelijkheid te wijzen opdat het probleem van de thuiszitters zo snel mogelijk tot het verleden gaat behoren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Çelik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 14 (32356).

De heer Çelik (PvdA):

Ik ben het met de minister eens dat wij in het kader van passend onderwijs hierover uitgebreid van gedachten kunnen wisselen. Juist omdat niet alle kinderen zorgkinderen zijn, is het van belang dat de Kamer daar nu een uitspraak over doet.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat voortijdig schoolverlaten vaak een vervolg is op veelvuldig ongeoorloofd schoolverzuim;

overwegende dat dit ongeoorloofde schoolverzuim ernstige vormen kan aannemen doordat het in de omgeving van de betrokken jongeren niet wordt gesignaleerd;

voorts overwegende dat ouders een belangrijke rol kunnen spelen bij het aanspreken van leerlingen op hun ongeoorloofd schoolverzuim;

constaterende dat het op dit moment niet gebruikelijk is om ouders bij schoolverzuim te betrekken als jongeren 18 jaar of ouder zijn;

van mening dat ongeacht de leeftijd ouders een zorgplicht hebben en als direct betrokkenen van invloed kunnen zijn op het verzuimgedrag van hun kinderen;

verzoekt de regering om er bij scholen op aan te dringen dat ouders/verzorgers binnen 24 uur ervan melding wordt gemaakt als hun kind zonder opgaaf van redenen niet op school is verschenen,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Çelik. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 15 (32356).

De heer Çelik (PvdA):

Volgens mij klopt de laatste zin van de motie niet, maar ik neem aan dat men begrijpt wat ik bedoel. De zin las in elk geval niet zo lekker.

De heer Elias (VVD):

Met zo'n smoes kun je als leerling niet aankomen!

De heer Biskop (CDA):

De heer Çelik refereert aan ouders van leerlingen die ouder zijn dan 18 jaar. Wie is er echter verantwoordelijk voor die jongeren?

De heer Çelik (PvdA):

Ik ben iemand die graag de rand van de wet opzoekt. Ook de minister ken ik als iemand die de randen van de wet opzoekt. In de vorige kabinetsperiode, toen ik geen deel uitmaakte van de Kamer, heb ik de politiek natuurlijk ook gevolgd. Ik denk dat wij niet op alle punten formeel naar de wet moeten kijken. Het gaat hierbij om het mbo; daarop zitten nu eenmaal ook leerlingen van achttien jaar en negentien jaar. Ik vind het een goede zaak als mbo-instellingen ook de ouders van mbo-leerlingen betrekken. Laten wij de randen opzoeken. Het gaat niet om "foei, foei, foei", maar het gaat erom dat de ouders maximaal worden betrokken bij de verantwoordelijkheid voor hun kinderen. Vandaar dat ik ook niets wettelijk wil regelen. De minister vraagt dat wel, maar ik niet. Dat is het verschil.

In antwoord op de reactie van de minister ten aanzien van de bezuinigingen rond voortijdig schoolverlaten zeg ik het volgende. Ik heb het nog eens nagekeken. Er wordt wel degelijk 56 mln. gekort in de begroting van 2011. Dat zit hem met name in de enveloppengelden, waarbij bovenop de reeds gereserveerde gelden extra gelden waren gereserveerd om dit knelpunt op te lossen.

De heer Biskop (CDA):

Voorzitter. Schoolverzuim en voortijdig schoolverlaten is een ernstig probleem – dat is genoeg gezegd – maar wij moeten ook constateren dat er de afgelopen jaren al flink wat gebeurd is. Daar willen wij de ogen zeker niet voor sluiten.

De minister heeft duidelijk gemaakt dat hetgeen ik met mijn amendement op stuk nr. 9 wilde bewerkstelligen, niet alleen consequenties heeft voor de plek waar de boete wordt gelegd, maar zo'n beetje de hele Leerplichtwet ondersteboven zou zetten. Voor dat argument wil ik wel zwichten. Dat het directer de school raakt, daarbij denk ik: dat is een zaak van het bevoegd gezag. Ik was echter geenszins voornemens om de hele wet op zijn kop te zetten; vanwege dat argument trek ik het amendement onder stuk nr. 9 in.

De voorzitter:

De heer Biskop wenst het amendement op stuk nr. 9 in te trekken.

De heer Biskop (CDA):

Ik schrok een klein beetje toen de minister inging op de verzuimzaken die uiteindelijk bij de rechter terecht zijn gekomen. Daarbij moet helder zijn dat wij met twee verschillende dingen te maken hebben, namelijk met verzuim aan de ene kant en met voortijdig schoolverlaten aan de andere kant. Er kunnen namelijk voortijdige schoolverlaters zijn, jongeren die zonder diploma de school verlaten, die geen dag gespijbeld hebben. Het zijn dus twee verschillende dingen.

De minister zegt dat er 7500 zaken onder de rechter zijn gekomen, waarvan ongeveer de helft luxeverzuim is. Dat betekent dus dat maar de helft van de zaken zo ernstig is dat het signaalverzuim betreft. Het aantal ernstige problemen met jongeren valt dus mee, maar 50% van het verzuim in Nederland is wel luxeverzuim. Dat is verzuim dat doorgaans op instigatie van ouders plaatsvindt; dat valt helemaal niet mee. Daarbij hebben wij nog een schone taak te vervullen.

Dan kom ik bij het aspect rond het melden. Ook luxeverzuim moet gemeld worden. Daartoe dien ik een tweetal moties in. De eerste motie betreft het melden door scholen an sich.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het melden van verzuim door scholen nog steeds ernstig achterblijft;

constaterende dat de handhaving van de Leerplichtwet tot op heden door de gemeente ter hand is genomen en vanwege de wederzijdse afhankelijkheid van school en gemeente onvoldoende handen en voeten heeft gekregen;

overwegende dat handhaving eerst dan kan plaatsvinden als er ook daadwerkelijk wordt gemeld;

verzoekt de regering om bij geconstateerd niet melden van verzuim door scholen de bestuurlijke boete onmiddellijk op te leggen aan de betreffende school,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Biskop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 16 (32356).

De heer Biskop (CDA):

Deze motie slaat op het feit dat in de wet staat: kan een boete opleggen. Wij vinden dat de boete moet worden opgelegd.

Ik dien ook de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het melden van verzuim door scholen voor middelbaar beroepsonderwijs nog steeds ernstig achterblijft;

constaterende dat de voorzitter van de branchevereniging het repareren in het mbo van achterstanden die studenten op het voortgezet onderwijs oplopen, als reden opgeeft om weinig aan verzuim te kunnen doen;

overwegende dat handhaving eerst dan kan plaatsvinden als er ook daadwerkelijk wordt gemeld;

overwegende dat het van groot belang is dat ook op het middelbaar beroepsonderwijs verzuim wordt gemeld;

verzoekt de regering om in overleg met de branchevereniging, de MBO Raad een verzuimbeleid te (doen) ontwikkelen, dat zich specifiek richt op verzuimmelding in het middelbaar beroepsonderwijs en waarbij tevens rekening gehouden wordt met de rol van ouders bij leerlingen die de leeftijd van 18 jaar al hebben bereikt,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Biskop. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 17 (32356).

De heer Beertema (PVV):

Voorzitter. Het amendement dat ik heb ingediend, laat ik toch staan. Ik beveel het van harte aan bij de minister en wens haar veel sterkte en wijsheid in haar consultaties met haar collega Kamp.

Ik wil nog even terugkomen op de spijbelrechters en op de ouders die niet komen opdagen. Op 25 januari is er weliswaar Kamerbreed een motie aangenomen waarin de regering wordt verzocht in gesprek te treden met de Raad voor de rechtspraak opdat in het vervolg de verschijningsplicht van ouders daadwerkelijk ten uitvoer wordt gebracht, maar dat is gebeurd in het kader van de vrijlating van een pleger van zware mishandeling. Hier gaat het toch om een heel ander concept. De spijbelrechters beginnen langzamerhand een begrip te worden. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat spijbelrechters in het land kampen met het probleem dat ouders niet komen opdagen op zittingen;

overwegende dat ouders primair verantwoordelijk zijn voor de opvoeding van het kind;

verzoekt de regering, ouders die niet verschijnen bij een zitting te sanctioneren,

en gaat over tot de orde van de dag.

De voorzitter:

Deze motie is voorgesteld door het lid Beertema. Naar mij blijkt, wordt de indiening ervan voldoende ondersteund.

Zij krijgt nr. 18 (32356).

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Voorzitter: Van Beek

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Voorzitter. Ik dank de Kamer voor haar vragen in tweede termijn en voor het debat dat we hebben gehad. Ik ga zo meteen in op de moties van de heer Van der Ham. De heer Çelik heeft erop gewezen dat de enveloppemiddelen onder vsv zijn weggevallen. Dat klopt, maar het gaat niet om een bezuiniging op het budget dat we al inzetten. Dat bedrag zou er nog bij zijn gekomen.

De heer Biskop vindt dat er forse luxeverzuimcijfers zijn. Dat ben ik met hem eens. Het gaat om de ouders die bijvoorbeeld zomaar besluiten om een dagje eerder op vakantie te gaan. Daarom vind ik het goed dat een gemeente als Amsterdam vrolijk bij Schiphol staat om te vragen of men de zaak wel met de leerplichtambtenaar heeft geregeld. Vaak is dat niet het geval. Ik ben het hierover in elk geval zeer met de heer Biskop eens.

Ik kom bij de ingediende moties. Allereerst heeft de heer Van der Ham een motie ingediend waarin hij het kabinet verzoekt om te verkennen hoe het leerrecht in de wet kan worden opgenomen. Op dit moment ben ik daar niet toe bereid. We zullen nog over passend onderwijs komen te spreken. Daar valt het overgrote deel van de leerlingen onder. We moeten flinke doelstellingen halen met de ambtelijke organisatie en ik wil voorkomen dat we onderzoek op onderzoek stapelen. Ik wil deze zaak aanpakken in het kader van het passend onderwijs. Juridisch is er een zorgplicht; zo zou ik het willen noemen. Er is de plicht om goed om te gaan met een leerling die aan de deur klopt. Ik wil daaraan parallel niet ook nog eens over leerrechten en dergelijke spreken. Daarom ontraad ik de motie.

De heer Van der Ham (D66):

Het maakt me niet zo veel uit of je het zorgplicht of leerrecht noemt. Het gaat me om de overwegingen die voor de conclusie staan. Als een ouder echt met de rug tegen de muur staat, als zijn zoon of dochter nergens onderwijs kan krijgen omdat alle scholen hem of haar de deur wijzen, moet de ouder ergens zijn recht kunnen halen. Of je dat zorgplicht noemt, iets wat de minister al wil realiseren, of leerrecht, zoals ik het noem, maakt me niet uit. Als de minister bereid is om de mogelijkheden in het kader van de aangekondigde zorgplicht te onderzoeken, kan ik mijn motie terugtrekken, want dan zijn we het eens. Het voornemen moet echter wel de gewenste hardheid krijgen.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

We zullen het debat over passend onderwijs en dus over de zorgplicht over twee weken met elkaar voeren. Dan zal ik hier nader op ingaan. Juridisch wil ik hier heel zorgvuldig mee omgaan. Daarom verzoek ik de heer Van der Ham om de motie tot die tijd aan te houden. Over twee weken kunnen we hierover met elkaar praten, want dan heb ik het materiaal om goed in te gaan op de punten en zorgen van de heer Van der Ham. Ik ontraad echter het lukraak aannemen van deze motie, want daarmee lossen we de zaken niet op en stapelen we onderzoek op onderzoek. Dat vind ik niet goed.

De heer Van der Ham (D66):

Die redenering doet geen recht aan de toelichting op de motie die ik heb gegeven. Ik heb gezegd dat het vooral gaat om de overwegingen die voor de conclusie zitten. Hoe de minister het noemt, maakt me niets uit. Het gaat me erom dat dit punt juridisch geborgd moet worden. Nu staan ouders namelijk met hun rug tegen de muur. Ik wil mijn motie best aanhouden; bij dezen het verzoek aan de voorzitter om dat te doen. Over twee weken kunnen we precies bekijken hoe de zaak juridisch geborgd kan worden. Ik wil dan graag een reactie op mijn analyse, die overigens ook de heer Elias en de heer Beertema hebben gemaakt. We hebben allemaal een probleem geconstateerd. We vinden dat we deze ouders moeten helpen. Laten we bekijken hoe we dat kunnen organiseren.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Van der Ham stel ik voor, zijn motie (32356, nr. 10) van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Het is een illusie dat ik binnen twee weken een analyse zou kunnen geven. Dat kan niet. We hebben over twee weken het debat over passend onderwijs. Daarin komen de genoemde aspecten heel specifiek aan de orde, zoals reeds duidelijk is geworden uit de onderzoeken van de Ombudsman en Ingrado.

Ik kom bij de motie waarin de heer Van der Ham vraagt om een onderwijsovereenkomst. Hoewel die dicht in de buurt komt van het oudercontract dat wij graag willen, wil ik toch niet zo'n overeenkomst. Er zit een bredere scoop achter dit verhaal. Ik wil de zaak aan de scholen laten. Ik wil geen blauwdrukken opleggen. Daarom ontraad ik deze motie. Een onderwijsovereenkomst geeft veel bureaucratie en pretendeert meer dan zij uiteindelijk kan waarmaken.

De heer Van der Ham (D66):

Met alle respect, ik heb goed naar de minister geluisterd. Zij heeft gezegd dat wij het niet nationaal kunnen opleggen, wat ook helemaal niet mijn intentie was. Ik heb gezegd dat het van groot belang is dat op de een of andere manier hard wordt gemaakt wat je van een school kunt eisen. Ik heb nergens gezegd dat dit nationaal geregeld moet worden. De minister mag ervan vinden wat zij wil, maar zij moet niet met argumenten komen die niet gaan over de motie die ik heb ingediend.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Excuus daarvoor. Ik had het even over de oude contracten. Ik voel gewoon niet voor onderwijsovereenkomsten die dunnetjes gaan overdoen wat reeds in de wet staat. Dat moet ik ook ter bescherming van mijn mensen, die uiteindelijk zaken moeten kunnen regelen die wij hier willen regelen; het moet behapbaar blijven. Ik moet hiertegen gewoon "nee" zeggen en ik raad dat ook de Kamer aan.

Ik kom bij het melden van weiger- en verwijderbesluiten bij de onderwijsinspectie. Ook dat wil ik ontraden. Ik wil geen regels op regels stapelen. Wat de weigering betreft, druist het in tegen artikel 23 van de Grondwet. Verwijdering is een onderdeel van de Leerplichtwet. Richting de leerplichtambtenaar dient daarvan gewoon melding te worden gemaakt, omdat het kind op dat moment geen onderwijs meer geniet. Daar wil ik het echt bij laten; daar hoort het bij.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 13 van de heer Çelik en de heer Elias: verzoekt de regering om maatregelen te treffen om scholen aan te spreken op hun verantwoordelijkheid en de (ongeplande) lesuitval op scholen tegen te gaan en hierbij sanctiemiddelen niet uit te sluiten. Ik heb al gewezen op de wet die eraan komt. Ik heb beloofd dat ik dit zal aankaarten en daarbij ook de indringendheid zal vermelden waarmee wij het hier aan de orde hebben gehad. Ik zie dit als een ondersteuning van mijn beleid en laat het oordeel aan de Kamer.

Ik kom bij de motie op stuk nr. 14 van de heer Çelik over de thuiszitters. Zoals ik ook richting de heer Van der Ham aangaf, vraag ik de heer Çelik of hij deze wil aanhouden. Het bestrijden van thuiszitten is een integraal onderdeel van de aanpak van passend onderwijs. Een overgroot deel van de jongeren die daar zitten, heeft alles te maken met passend onderwijs; dat functioneert op dit moment niet voldoende. Vandaar mijn vraag.

De heer Çelik (PvdA):

Ik houd de motie aan.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Prima, hartelijk dank.

De voorzitter:

Op verzoek van de heer Çelik stel ik voor, zijn motie (32356, nr. 14) van de agenda af te voeren.

Daartoe wordt besloten.

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Ik kom bij de motie op stuk nr. 15 van de heer Çelik, die als moeder wel mijn hart heeft, want boven de 18 is een kind ook vaak nog echt een kind. Maar formeel als minister, staande voor het rijksbeleid en voor de wet, moet ik deze ontraden, want jongeren van boven de 18 worden als volwassen beschouwd. Scholen kunnen wel al op eerdere leeftijd een onderwijsovereenkomst afsluiten, bijvoorbeeld: gedurende de tijd dat je hier op school zit, zullen wij altijd je ouders informeren over enzovoorts. De ouders moeten tekenen, de jongere tekent en dan kan het op die manier. Ik ben in de wandelgangen altijd heel nuchter tegenover scholen: handel gewoon verstandig en met je hart, als het nodig is. Ik moet hier formeel melden dat voor de 18-plussers geldt dat zij autonoom zijn, maar ik begrijp de motie heel goed. Als Kamerlid had ik haar gesteund, denk ik. Maar dat ben ik niet. En anders krijg ik toch met onuitvoerbaarheid te maken, maar ik begrijp de intentie heel goed.

In zijn motie op stuk nr. 16 over de Leerplichtwet gaat de heer Biskop uit van een verkeerde veronderstelling. Die zit in: overwegende dat handhaving eerst dan kan plaatsvinden als er ook daadwerkelijk wordt gemeld. Nee, er wordt gehandhaafd vanaf het moment dat de leerling er niet is en de school er niks mee doet. Verder staat er: verzoekt de regering bij geconstateerd niet melden van verzuim door scholen de bestuurlijke boete onmiddellijk op te leggen. Deze motie wil ik echt ontraden. Ik begrijp de drive die erachter zit van de heer Biskop, maar wij leggen die verantwoordelijkheid bij de inspectie neer. Als men dat constateert – men is er op dat moment al bij – kijkt men: wat is er aan de hand, waarom is dit zo? Vervolgens kan men die boete gebruiken, als men het idee heeft dat er niks aan wordt gedaan. Maar ik zou wel even ruimte willen creëren, want anders is er haast alleen nog maar een computer nodig om dit uit te voeren. Hier gaat de inspectie met haar kennis van het onderwijs en van de school op pad met een instrument dat er tot nog toe niet was en dat er nu wel is. Ik zou de motie dus echt willen ontraden en ik denk dat de heer Biskop, gelet op zijn politieke achtergrond, ook zal zeggen: wij geven even de ruimte aan de organisatie die wij de verantwoordelijkheid geven, in dit geval de inspectie. De Kamer kan van mij aannemen dat de inspectie een steeds pittiger toezichthouder is geworden en steeds minder een "critical friend". Soms wordt dat door scholen betreurd, maar ik vind het een goede beweging.

Over de motie van de heer Biskop op stuk nr. 17 laat ik het oordeel aan de Kamer. Het is goed dat er met de MBO Raad gesproken wordt over het scherper vormgeven van het verzuimbeleid. Daar is ook alle aanleiding toe, niet zozeer in de regelgeving, als wel in de aanpak, de bedrijfsvoering, de roosters et cetera.

De heer Beertema stelt bij motie op stuk nr. 18 voor om ouders te sanctioneren. Ouders moeten alleen aanwezig zijn als zij gedagvaard worden. Bij absoluut verzuim, wanneer het gaat om kinderen onder de twaalf jaar, worden alleen ouders gedagvaard. Bij leerplichtige jongeren komen dezelfde jongeren in beeld. Het is niet waar dat de ouders op dit moment nauwelijks komen opdraven. In de meeste gevallen komen ze wel. Ik vind de motie iets te rigide, maar ik wil wel met de heer Beertema afspreken dat ik dit bij het Openbaar Ministerie neerleg met de vraag hoe men hiertegen aankijkt en of men het een goed idee vindt. Over dit soort beleid gaat Justitie het in eerste instantie. Als de heer Beertema de motie in stemming wil laten komen, ontraad ik dat. Wij moeten dat niet even zomaar doen.

De heer Biskop (CDA):

Met de argumentatie van de minister trek ik mijn motie op stuk nr. 16 in.

De voorzitter:

Aangezien de motie-Biskop (32356, nr. 16) is ingetrokken, maakt zij geen onderwerp van beraadslaging meer uit.

De heer Biskop (CDA):

Ik hoorde de minister net iets zeggen over de motie van collega Beertema. Zij gaat die motie voorleggen aan de minister van Veiligheid en Justitie. Horen wij daar nog wat van?

Minister Van Bijsterveldt-Vliegenthart:

Zodra ik daar iets over te melden heb, hoort u het. Als dat in een AO kan, doe ik dat. Als ik toevallig een brief moet sturen waarin dit verwerkt kan worden, doe ik dat. U hoort het zo spoedig mogelijk van mij.

De algemene beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij zullen dinsdag 8 februari over het wetsvoorstel en de moties stemmen.

De vergadering wordt van 18.08 uur tot 19.10 uur geschorst.

Naar boven