Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Vergaderjaar 2010-2011
Vergaderingnummer 35
Datum vergadering 15 december 2010
Gepubliceerd op 27 januari 2011
Toon volledige inhoudsopgave

Gerelateerde informatie


Toon alle stukken over dossier Toon alle items in vergadering



Noot 1 (zie blz. 41 )

BIJVOEGSEL   Schriftelijke antwoorden van de minister en de staatssecretaris van Buitenlandse Zaken op vragen gesteld in de eerste termijn van de behandeling van de begroting van Buitenlandse Zaken voor het jaar 2011 (32 500-V).

Begrotingsbehandeling Buitenlandse Zaken 14 en 15 december 2010

Schriftelijke beantwoording van vragen van de Tweede Kamer

Vragen van het lid Timmermans/PvdA: Hoe zal Nederland zich actief inzetten om accountability van nieuwe internationale spelers, zoals Greenpeace, FIFA en IOC, te bevorderen?

Het is primair aan Greenpeace, de FIFA en het IOC, niet zijnde vertegenwoordigers van nationale regeringen, om de ook door Nederland voorgestane accountability binnen deze organisaties te bevorderen.

Hoe gaat Nederland handen en voeten geven aan het Ruggie Framework?

Nederland steunt het werk van VN-Speciaal Vertegenwoordiger «Mensenrechten en Handel» John Ruggie zowel politiek als financieel. In de recentelijk verschenen operationalisatie van zijn raamwerk «protect, respect and remedy» onderscheidt Ruggie de plicht van staten om mensenrechten te beschermen van de verantwoordelijkheid van bedrijven deze te respecteren. De zgn. «Guiding Principles» omvatten 29 aanbevelingen aan staten en bedrijven, waarover in de komende maanden binnen de Verenigde Naties consultaties plaatsvinden. Zij bieden praktische handvatten voor staten en bedrijven hoe zij mensenrechten in hun MVO-beleid kunnen integreren. De eerste analyse van het voorstel levert een positief beeld op. Nederland zal zich er actief voor inzetten dat het Ruggie-rapport in juni 2011 door de Mensenrechtenraad wordt aangenomen.

Nederland zet zich er ook voor in om het raamwerk van Ruggie te integreren in de OESO-richtlijnen voor multinationale ondernemingen. Deze worden op dit moment – onder voorzitterschap van Nederland – herzien. Nederland verlangt van bedrijven die in aanmerking willen komen voor ondersteuning via het bedrijfsleveninstrumentarium dat zij deze OESO-richtlijnen onderschrijven.

Het Ruggie-raamwerk wordt door zowel overheden, bedrijven, ngo’s als wetenschappers gesteund, omdat het concrete kansen biedt aan bedrijven om hun invloed aan te wenden om de mensenrechtensituatie te verbeteren. Dit is allereerst in het belang van bedrijven zelf; een bedrijf dat zijn «due diligence» verbetert, verkleint het risico betrokken te worden bij mensenrechtenschendingen (zoals kinderarbeid) en draagt bij aan verbetering van de mensenrechtensituatie in de landen waar het actief is.

De regering heeft besloten het mensenrechtenfonds ook open te stellen voor bedrijven. Dit verruimt de mogelijkheden voor bedrijven om zich, binnen de randvoorwaarden van het mensenrechtenfonds, actief in te zetten voor de verbetering van het respect voor mensenrechten wereldwijd.

Vragen van het lid Nicolaï/VVD: Vrijhandel. Vanuit het nationale belang roep ik de regering op zich te verzetten tegen strategische handelsbeperkingen.

De regering is het volledig eens met de VVD op dit punt. Vrijhandel draagt bij aan economische groei. Nederland heeft als exportland veel baat bij vrijhandel en een gelijk speelveld op buitenlandse markten. Vrijhandel leidt bovendien tot interdependentie tussen staten. En is daarmee vaak een bron van politieke stabiliteit. Nederland zet zich daarom in, samen met EU-partners, voor snelle afronding van de WTO Doha ontwikkelingsronde. Dit zou op mondiaal niveau ruim 400 miljard dollar kunnen opleveren. (in welke zin? De EU roept voorts andere landen op om af te zien van protectionistische maatregelen. Dit is telkenmale de EU-inzet op bijeenkomsten van de G20, maar ook in de dialoog met de strategische partners (o.m. China, India, Rusland en de VS).

Opkomende machten kan door herziening van internationale fora meer zeggenschap worden geboden. Kan de regering aangeven hoe zij binnen internationale structuren deze landen meer zeggenschap en verantwoordelijkheid wil bieden?

De regering vindt dat internationale structuren als de Verenigde Naties en het IMF hervormd moeten worden aan de verschuivende internationale verhoudingen en neemt actief deel aan de besprekingen over VN-hervormingen en wijzigingen in het bestuur van de Internationale Financiële Instellingen. De VN-Veiligheidsraad zou uitgebreid moeten worden met een aantal permanente leden, zonder uitbreiding van het vetorecht. Ook in de Internationale Financiële Instellingen zullen de opkomende machten een groter aandeel in het kapitaal en de middelen moeten krijgen. Het bestuur van het IMF wordt aangepast om meer gewicht te geven aan de opkomende economieën. Opkomende landen komt echter niet alleen meer zeggenschap toe; zij dienen ook meer verantwoordelijkheid te dragen. Dat geldt onder meer voor hun financiële bijdragen aan de VN-fondsen en -programma’s.

Vragen van het lid van der Staaij/SGP: Midden Oosten vredesproces: onderkent de Minister het gevaar van herbewapening van Hezbollah (Le Figaro). Wil hij dit in internationaal verband aankaarten?

Alle berichten over raketleveranties aan Hezbollah, al dan niet via Syrië, vanuit Iran zijn aanleiding om de situatie zeer nauwlettend te blijven volgen. De details – aantallen, herkomst en bestemming – in het artikel in Le Figaro waarnaar de heer Van der Staaij verwijst zijn vooralsnog niet verifieerbaar gebleken. Er is zeker sprake van wapensmokkel. Dat is zorgwekkend en strijdig met VNVR-resoluties. Nederland heeft zich steeds sterk gemaakt voor de naleving van verplichtingen voortvloeiende uit VNVR-resoluties en heeft betrokken partijen, wanneer en waar mogelijk, hierop aangesproken. Dit zal de regering, ook in internationaal verband, blijven doen.

Doet de Zuid-Afrikaanse regering wel voldoende aan geweld tegen boeren? Wordt ze vanuit Nederland en de internationale gemeenschap wel voldoende aangesproken? Helpt Nederland met antidiscriminatiemaatregelen? Kan Nederland nog meer doen om te helpen (bijvoorbeeld politieondersteuning)?

Helaas is de criminaliteit in Zuid-Afrika nog steeds hoog. Er zijn geen aanwijzingen dat er sprake is van systematische discriminatie van blanke boeren of van een patroon van misdrijven tegen Zuid-Afrikaanse blanke boeren.

Misdaadbestrijding is al jaren een prioriteit van de Zuid-Afrikaanse overheid, die aanzienlijk heeft geïnvesteerd in menskracht en opleiding van de politie, versterking van de rechterlijke macht en vergroting van het gevangeniswezen. Er is een aanzienlijk gat tussen de benodigde en beschikbare capaciteit.

In 2008 is een driejarig samenwerkingsprogramma gestart tussen de Zuid-Afrikaanse en Nederlandse politie. Centraal staan uitwisseling van kennis en ervaring, alsmede capaciteitsopbouw op het gebied van onder andere de preventieve rol van de politie in de gemeenschap, huiselijk geweld, forensisch onderzoek, georganiseerde misdaad en grote evenementen, zoals het wereldkampioenschap voetbal in 2010.

Het zelfbestuur van de Papoea’s blijft achter bij de verwachting. Herkent de Minister de zorgen omtrent Papoea’s? En zal hij zich inzetten voor verbetering van situatie?

Nederland erkent de nationale soevereiniteit en territoriale integriteit van Indonesië. De regering spreekt binnen dat kader regelmatig met de Indonesische autoriteiten over de situatie in Papoea. Het accent ligt daarbij op de sociaal-economische ontwikkeling en de wijze waarop Nederland hieraan kan bijdragen. Ook heeft Nederland herhaaldelijk zorg uitgesproken over de mensenrechtensituatie in de betreffende provincies en bijvoorbeeld de hoge strafmaat die wordt toegepast voor personen die de Morgenstervlag hebben getoond.

De speciale autonomiewet (SAL) uit 2001 wordt nog steeds niet volledig geïmplementeerd. Zo blijven de politieke elementen van de speciale autonomiewet deels onbesproken. Daarnaast worden de financiële middelen bestemd voor sociaal-economische ontwikkeling van Papoea niet optimaal besteed. Dit is deels het gevolg van de gebrekkige bestuurlijke capaciteit in Papoea zelf. Nederland werkt daarom nauw samen met de Indonesische regering en met NGO’s om de capaciteit van het lokale bestuur in Papoea te versterken.

De regering zal zich blijven inzetten voor verbetering van de sociaal-economische situatie in Papoea en zal het gesprek met de Indonesische autoriteiten over de mensenrechtensituatie blijven zoeken.

China. Gedwongen abortussen vanwege één-kind-politiek. Ik roep de Minister op via internationale gremia recht op leven te verdedigen.

Gedwongen abortussen, in welk land dan ook, staat haaks op de reproductieve rechten van vrouwen. Op de Wereldbevolkingsconferentie van 1994 in Cairo is overeengekomen dat ieder individu het recht heeft om zelf te beslissen over het aantal kinderen dat men wil, wanneer en met wie. Tevens werd overeengekomen dat abortus nooit gezien kan worden als een methode van family planning.

De ondersteuning van reproductieve gezondheid en rechten is, zoals u in de Basisbrief OS heeft kunnen lezen, één van de prioriteiten in het nieuwe OS-beleid. Nederland zal die uitgangspunten blijven verdedigen in gremia zoals het VN Bevolkingsfonds en de VN Commission on Population and Development.

Vragen van het lid Van Bommel/SP: Het doorbreken van deze wapenwedloop in het Midden-Oosten is van het grootste belang om de spiraal van decennialange oorlogen te stoppen. Ik verwacht van de regering krachtige steun aan dit streven en de volle inzet voor het welslagen van een conferentie over kernontwapening van het Midden-Oosten. Dat komt overeen met de uitkomst van de toetsingsconferentie van het Non Proliferatie Verdrag van mei dit jaar. Ik hoor graag wat Nederland concreet gaat doen in dat verband.

Tijdens de toetsingsconferentie van het Non-Proliferatie Verdrag (NPV) in mei 2010 is afgesproken dat de Secretaris-Generaal van de VN samen met de Verenigde Staten, het Verenigd Koninkrijk en Rusland in overleg met de landen in de regio in 2012 een conferentie belegt over een massavernietigingswapenvrije zone in het Midden-Oosten. De betrokkenheid en deelname van alle landen in de regio is de belangrijkste voorwaarde om deze conferentie tot een succes te maken. Om dat te realiseren zal er alles aan gedaan moeten worden om het vertrouwen van de landen in de regio in een succesvolle bijeenkomst zo groot mogelijk te laten zijn. Nederland en de EU ondernemen daartoe initiatieven in de regio. Een concreet voorbeeld hiervan is een mede door Nederland en de Europese Unie gefinancierd seminar over de follow up van de NPV-toetsingsconferentie, dat werd georganiseerd door een Jordaanse NGO en van van 19 tot 21 oktober 2010 in Cairo plaatsvond.

Mediaprojecten die met Iran lopen; wordt de steun daaraan beëindigd?

Een deel van de op Iran gerichte mediaprojecten loopt, op basis van de daarvoor gesloten meerjarige contracten, door in 2011. Voor projecten die volgens contract eind 2010 zullen eindigen, geldt dat een deel van de uitvoerende organisaties aanvragen heeft ingediend voor verlenging van de subsidiëring. Op basis van de kwaliteit van de projectvoorstellen, de prestaties in het verleden en de beschikbare fondsen in het Mensenrechtenfonds is de gevraagde verlenging aan een aantal projecten toegekend, waarbij overigens geldt dat het toegekende bedrag in een deel van de gevallen lager is dan voorheen, in lijn met de doelstelling van het Mensenrechtenfonds dat projecten op termijn onafhankelijk van het ministerie van Buitenlandse Zaken moeten zijn.

Brandstofsanctie. Iraanse staatsvliegtuigen kunnen tanken. Waarom volgt Nederland de Verenigde Staten?

De EU, noch Nederland, hebben brandstofsancties tegen Iran afgekondigd. De Nederlandse regering treedt niet in beslissingen van individuele bedrijven om wel of geen kerosine te leveren aan Iraanse maatschappijen. Dat IranAir op sommige Europese luchthavens nog wél kan tanken heeft niets met de regeringen van de betreffende landen te maken maar puur en alleen met tankcontracten tussen Europese kerosineleveranciers en IranAir.

De regering heeft zich steeds principieel verzet tegen deze extraterritoriaal werkende sancties van de VS.

Nederland heeft een moeizame relatie met Indonesië. Hoe gaat de Minister die doorbreken? Is de Minister bereid 17 augustus 1945 als onafhankelijkheidsdatum te erkennen en is de Minister tevens bereid de zaak met de nabestaanden van Ragadeweh met spoed af te handelen. Erken de misdaden van Nederlandse militairen.

Nederland onderhoudt goede betrekkingen met Indonesië. Ik heb geen reden om te twijfelen aan voortzetting van de uitstekende en vriendschappelijke betrekkingen.

De Nederlandse regering heeft in 2005, toen de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken namens de regering de onafhankelijkheidsviering van Indonesië bijwoonde, de Indonesische onafhankelijkheidsdatum, 17 augustus 1945, politiek en moreel aanvaard. Zowel de Indonesische als de Nederlandse regering heeft bij deze gelegenheid kenbaar gemaakt daarmee een streep te willen zetten onder dit pijnlijke deel van onze gezamenlijke geschiedenis. De juridische erkenning van de onafhankelijkheid van Indonesië vond plaats bij de soevereiniteitsoverdracht in 1949. Dit kan achteraf niet worden gewijzigd.

De Nederlandse Staat erkent dat er in Rawagedeh standrechtelijke executies hebben plaatsgevonden en betreurt het optreden van Nederlandse militairen in Rawagedeh in 1947 in hoge mate. De regering heeft dit tijdens het Algemeen Overleg over Indonesië in februari 2008 besproken met uw Kamer. Tegelijk heeft de regering aangegeven dat een discussie over compensatie niet aan de orde was. De Staat is van mening dat de vordering op de Staat inmiddels is verjaard en dat schadevergoeding derhalve niet aan de orde is. Ik acht het niet opportuun hier nader in te gaan op de civiele rechtszaak die door nabestaanden is aangespannen tegen de Staat en nu onder de rechter is.

Suriname: is de Toescheidingsovereenkomst door de ambassadeur besproken met Bouterse? Wat doet Nederland aan de impasse waarin de onderhandelingen zijn geraakt?

De Toescheidingsovereenkomst is geen onderwerp van gesprek geweest tijdens de ontmoeting van de Nederlandse ambassadeur in Paramaribo met president Bouterse.

Suriname heeft in het verleden herhaaldelijk laten weten de toescheidings overeenkomst te willen afschaffen. De positie van de nieuwe Surinaamse regering ten aanzien van de overeenkomst is nog niet bekend. Nederland verzet zich tegen afschaffing ervan. Het is wel bereid te praten over aanpassing ervan met handhaving van bestaande rechten van Surinaamse Nederlanders in Suriname. Het laatste ambtelijk overleg over de Toescheidingsovereenkomst had plaats in januari 2010. Een datum voor een volgend overleg is nog niet voorzien.

De twinningfaciliteit voor samenwerking tussen Nederlandse en Surinaamse private partijen is een succes. Zet de regering deze faciliteit voort?

De huidige Twinningfaciliteit loopt tot en met april 2012. Zoals eerder aan uw Kamer is bericht, zal de Twinningfaciliteit geëvalueeerd worden alvorens beslissingen worden genomen over een eventuele voortzetting van deze faciliteit.

Het aantal klachten over onder andere de paspoortverlening is bijna vervijfvoudigd van 160 klachten in 2008 naar 799 in 2009. Waar ligt wat u betreft de grens in tijd en geld die burgers moeten overhebben om aan een paspoort te komen in het buitenland?

De heer Van Bommel heeft gelijk dat het aantal klachten over de beperking van het aantal uitgiftepunten van paspoorten in het buitenland is toegenomen. Ik wil het aantal klachten wel in perspectief zetten. Per jaar worden er nl. 160 000 paspoorten in het buitenland verstrekt; de 799 klachten betreffen dus minder dan een half procent van dit totaal.

Ik hecht aan een goede consulaire dienstverlening. Maar we kunnen onze ogen niet sluiten voor de kosten. Het handhaven van het oorspronkelijke aantal van 500 uitgiftepunten zou tot gevolg hebben gehad dat op sommige plaatsen de kostprijs van het paspoort duizenden euros per stuk zou hebben belopen. Om die reden is er al onder het vorige kabinet voor gekozen om paspoorten uit te geven op de bijna 140 beroepsposten en op 40 honoraire consulaten met meer dan 500 paspoortaanvragen per jaar. Uw Kamer is hierover ingelicht, meest recentelijk in antwoord op vragen van het lid Haverkamp (zie Kamerstuk 2993, vergaderjaar 2008–2009).

Wel wordt op verschillende manieren geprobeerd om de hierdoor ontstane extra lasten voor Nederlanders in het buitenland te verlichten. Zo streeft het kabinet naar een paspoortgeldigheidsduur van 10 jaar. Daarnaast kunnen Nederlanders in het buitenland voor een nieuw paspoort terecht bij elke post die met biometrie is uitgerust. Aanvragen kunnen, tijdens een bezoek aan Nederland, ook worden ingediend bij de gemeenten Den Haag, Enschede, Echt-Susteren, Maastricht en in de toekomst mogelijk op Schiphol. Ik wil mij er voor inzetten die mogelijkheid verder uit te breiden.

Vrijhandelsverdrag EU-India, mensenrechtenclausule. Houdt Nederland vast aan de clausule en mensenrechtenbeslechting?

De onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord zijn gaande en tijdens de recente EU-India top op 10 december jl. werd de ambitie uitgesproken de onderhandelingen in de eerste helft van 2011 af te ronden. Ook Nederland heeft aanzienlijk economisch voordeel bij dit akkoord.

Daarnaast wil Nederland graag dat de EU de politieke betrekkingen met India versterkt, onder meer door koppeling van het vrijhandelsakkoord aan samenwerkingsakkoord op het gebied van ontwikkeling, terrorismebestrijding, het tegengaan van massavernietigingswapens en eerbiediging van mensenrechten.

Ik zet mij er met u dus voor in dat de politieke clausules aangaande ondermeer mensenrechten in de verdragsrelatie met India een plek moeten krijgen.

2011 jaar is het jaar voor mensen van Afrikaanse afkomst. Wat gaat Nederland doen in lijn met de uitvoering van de desbetreffende resolutie van de AVVN?

De Algemene Vergadering van de Verenigde Naties heeft besloten 2011 tot het jaar voor mensen van Afrikaanse afkomst te maken. Met een resolutie roept zij landen in algemene zin op aandacht te besteden aan dit jaar. Nederland is in de regel geen voorstander van VN-resoluties die aandacht voor bepaalde thema’s vragen door decennia, jaren of dagen aan deze thema’s te wijden.

Duidelijk is dat Nederland zich actief inzet voor de wereldwijde bestrijding van racisme. Zo wordt bijvoorbeeld steun verleend aan de anti-discriminatie-eenheid van de Hoge Commissaris van de Rechten van de Mens en wordt bijgedragen aan de oprichting van een slavernij-monument in New York.

Binnen internationale organisaties en in bilateraal verband zal Nederland zich blijven inzetten voor wereldwijde bescherming voor etnische, religieuze en andere minderheden.

Vragen van het lid Irrgang/SP: Onafhankelijkheid van goede doelenorganisaties.

Ik heb bij het WGO toegezegd later terug te komen op de kwestie van de goede doelenorganisaties. Ik zal daarbij, zoals de heer Irrgang vroeg, niet alleen kijken of het eenvoudiger kan, maar ook of de onafhankelijkheid van deze organisaties voldoende is gewaarborgd.

Belastingontwijking en -ontduiking: daarover heeft de Staatssecretaris in de brief niets vermeld. Kan hij daar op terugkomen?

Tijdens het recente wetgevingsoverleg zijn door de heer Irrgang en mevrouw Dikkers en door de heer Voordewind moties ingediend over het bevorderen van transparantie van geldstromen en het tegengaan van belastingontwijking door burgers en bedrijven. Vorig jaar diende de heer Vendrik een motie in waarin hij vroeg om een doorlichting van het Nederlandse fiscale stelsel voor multinationale bedrijven op negatieve effecten voor ontwikkelingslanden.

In reactie op deze moties wil ik benadrukken dat het kabinet de problematiek van internationale belastingontduiking en -ontwijking serieus neemt. Het kan niet zo zijn dat ontwikkelingssamenwerking wordt ondermijnd door kapitaalvlucht uit ontwikkelingslanden, mede veroorzaakt door belastingontduiking. De problematiek is echter complex en vraagt om oplossingen die vooral in internationaal verband moeten worden gezocht, zoals in de G20, de EU en de OESO. Een eenzijdig onderzoek naar het Nederlandse fiscale belastingstelsel zoals de motie Vendrik verlangt, zie ik daarom niet als de juiste aanpak. Nederland is volgens de internationaal geldende OESO-criteria geen belastingparadijs. Wel is het zo dat Nederland door een gunstige fiscale infrastructuur een knooppunt voor financiële dienstverlening is. Mogelijk nadelige bijkomstigheid hiervan is dat Nederland kan worden opgenomen in ontgaansconstructies van het internationaal bedrijfsleven. In de beantwoording op recente Kamervragen van het lid Braakhuis over het bericht «Concerns ontwijken Afrikaanse fiscus» zal de Staatssecretaris van Financiën binnenkort verder ingaan op dit onderwerp en daarbij ook de motie Vendrik meenemen.

Nederland doet op dit moment al het nodige, via een gezamenlijke inzet van het ministerie van Buitenlandse Zaken en het ministerie van Financiën. De Nederlandse aanpak bestaat uit twee componenten: enerzijds zetten we in op versterking van nationale belastingstelsels in ontwikkelingslanden, anderzijds op het bevorderen van transparantie in geldstromen om belastingontduiking en -ontwijking inzichtelijk te maken en tegen te gaan.

De inzet op capaciteitsversterking van nationale belastingstelsels vindt plaats via ondersteuning van multilaterale, regionale en Nederlandse bilaterale initiatieven. Een voorbeeld is de ondersteuning van een koepelorganisatie van Afrikaanse belastingdiensten (ATAF) voor de komende drie jaar. Deze steun wordt onder andere gebruikt voor kennis- en informatie-uitwisseling tussen Afrikaanse belastingdiensten, kennisopbouw op terreinen als «transfer pricing», en om Afrika gezamenlijk sterk te laten staan in internationaal overleg over bijvoorbeeld verbeterde transparantie. Een ander voorbeeld is de Nederlandse steun aan een IMF Trustfund, dat voorziet in advisering bij belastinghervormingen aan ontwikkelingslanden.

Om op internationaal niveau transparantie van financiële geldstromen te bevorderen zet Nederland in op het maken van goede internationale afspraken, met name in de OESO en in de EU. Zo is Nederland met Zuid-Afrika voorzitter van de Informele OESO Taskforce Tax and Development. De Taskforce, met daarin vertegenwoordigers van OESO, niet-OESO en ontwikkelingslanden, non-gouvernementele organisaties en internationaal bedrijfsleven, zal begin 2011 van start gaan met het uitvoeren van een breed programma op het terrein van «belasting en ontwikkeling». Het werk van deze Taskforce is belangrijk omdat deze, mede op verzoek van de G20, zal komen met concrete en voor ontwikkelingslanden bruikbare voorstellen op het gebied van uitwisseling van informatie, «transfer pricing» en «country by country reporting».

In reactie op de motie van de leden Irrgang en Dikkers kan ik u meedelen dat de consultatieronde van de Europese Commissie over de aanscherping van de Europese nieuwe transparantierichtlijn voor Europese multinationale ondernemingen momenteel plaats vindt. De regering moet hierover nog een standpunt formuleren. Ik zal bepleiten dat de belangen van ontwikkelingslanden zoveel mogelijk worden meegenomen.

Gaat het KIT zich aan de DG-norm houden? Geldt dat voor de hele directie? Hoeveel mensen kent deze directie? Klopt het dat de Staatssecretaris niet gelukkig is met de opstelling van de Kamercommissie?

De directie van het KIT bestaat uit één directeur. Die gaat zich aan de DG-norm houden.

De opmerking dat ik niet gelukkig zou zijn met de opstelling van de Kamercommissie klopt niet. Zoals u weet heb ik tijdens het WGO expliciet gezegd dat ik met de commissie van mening ben dat gesubsidieerde OS-organisaties zonder verder voorbehoud aan de DG-norm dienen te voldoen. Ik ben blij dat KIT en SNV zich ook naar die norm hebben gevoegd.

Vragen van het lid Ormel/CDA: Indonesië: zet de Minister zich in om het staatsbezoek zo snel mogelijk alsnog te laten plaatsvinden?

De betrekkingen met Indonesië zijn goed. De Indonesische president blijft van harte welkom in Nederland. Een nieuwe datum voor het staatsbezoek zal in goed overleg tussen beide regeringen worden gezocht. U kunt erop rekenen dat ik mij hiervoor met kracht zal inzetten.

Ik hecht aan de territoriale integriteit van Indonesië, maar vraag de Minister in EU-verband initiatieven voor internationale bemiddeling (voor Papoea’s) te ontplooien.

Nederland erkent de nationale soevereiniteit en territoriale integriteit van Indonesië. De regering blijft zich in dat kader inzetten voor verbetering van de sociaal-economische ontwikkeling in Papoea en blijft daarnaast in gesprek met de Indonesische autoriteiten over de mensenrechtensituatie. Ook in EU-verband staat Papoea regelmatig op de agenda, zoals tijdens de eerste EU-Indonesië mensenrechtendialoog, die op 29 juni jl. in Jakarta plaatsvond.

Is de regering bereid om – in EU-verband en in samenwerking met ASEAN, China en de VS – bij Birma aan te dringen op een tripartite dialoog tussen bewind, oppositie en etnische groepen?

De regering zal, mede in EU-verband, de Birmese regering blijven oproepen alle politieke gevangenen vrij te laten, een proces van nationale verzoening aan te gaan en een tripartite dialoog met Aung San Suu Kyi en andere oppositiepartijen, incl. etnische partijen, te starten. Zoals de Kamer mij verzocht, heb ik mij er tevens sterk voor gemaakt in EU-kader dat de VN een commission of inquiery instelt. De betrokkenheid van andere partners, zoals ASEAN, China, de VS en de VN, is onontbeerlijk.

Vraag van het lid Pechtold/D66: Gaat het kabinet «400 jaar betrekkingen Nederland–Turkije» net zo uitgebreid vieren als de vieringen met Japan en New York? Zal de Minister aansturen op een staatsbezoek?

Zoals aangekondigd zal ik begin volgend jaar een bezoek aan Ankara brengen in verband met het jaarlijkse bilaterale overleg met Turkije (Wittenburg Conferentie). Uiteraard zal voor wat betreft het beschikbare budget voor de viering rekening worden gehouden met het feit dat de Rijksoverheid dient te bezuinigen.

De nadruk bij de viering zal wat Nederland betreft liggen op de sterke economische betrekkingen tussen Nederland en Turkije. Gezien de grote belangen van Nederlandse bedrijven in Turkije, vormt economische diplomatie een speerpunt van de viering. Turkije behoort tot de twintig grootste economieën ter wereld. Het kent een dynamische private sector en een sterke economische groei. Nederland is een van de belangrijkste investeerders en een belangrijke handelspartner. Ik kan op dit moment nog niet zeggen of een staatsbezoek onderdeel zal uitmaken van de viering.

Vragen van het lid Kortenoeven/PVV: Ahmedinejad moet voor een internationaal tribunaal gedaagd worden, bijvoorbeeld ICC. Ziet de regering kans dit te bevorderen?

Alleen via een verwijzing naar het ICC door de VN Veiligheidsraad zou kunnen worden bewerkstelligd dat het ICC een zaak in behandeling neemt.

Welke cultuuruitingen worden door de Nederlandse ambassades in Soedan en Saoedie-Arabië uitgedragen? Hoe ziet de Minister dit voor zich?

De regering richt zich met culturele diplomatie en internationale culturele uitwisseling op een aantal prioriteitslanden. De landen die de heer Kortenoeven heeft genoemd, namelijk Saoedie-Arabië en Soedan, behoren niet tot deze prioriteitslanden.

Was het memo Clinton inzake financiering door Saoedi-Arabië of vergelijkbare informatie bekend op uw ministerie? Zo ja, wat is hiermee gedaan? Wat gaat de Minister doen om de verwoestende Saoedische invloed westerse samenleving tegen te gaan?

De regering acht het effectief tegengaan van terrorismefinanciering prioritair. Golfstaten spelen hierin een belangrijke rol. Deze landen zetten sinds enkele jaren belangrijke stappen om verbetering te brengen in bestrijding van terrorismefinanciering. Zo hebben Saoedie-Arabië, de Verenigde Arabische Emiraten en Qatar kunnen toetreden tot de Egmond Groep, het internationale overkoepelende orgaan van alle Financial Intelligence Units (FIU), omdat zij aan de relevante internationale standaarden voldeden. Dat in het bijzonder ook bij de Saoedische regering al langer zorgen bestaan over financiering van terroristische activiteiten vanuit Saoedie-Arabië, blijkt uit het feit dat de Saoedische regering actief maatregelen neemt om dit tegen te gaan.

Nederland werkt al langer samen met de Saudische autoriteiten op dit terrein. Zo vond in juni 2010 onder Nederlands voorzitterschap in Amsterdam een bijeenkomst plaats van de Financial Action Task Force. Daar werd uitvoerig stilgestaan bij de voortgang die Saudi-Arabië tot nu toe heeft geboekt op het gebied van tegengaan van witwassen van geld en financiering van terroristische activiteiten.

Vragen van het lid Driessen/PVV: De PVV roept de regering op om de Nederlandse ambassade te vestigen in de hoofdstad van Israël.

Het vestigen van een ambassade in Jeruzalem is strijdig met VN-Veiligheidsraadresolutie 478, en levert geen bijdrage aan het bewerkstelligen van vrede in het Midden-Oosten.

Bent u het met mij eens dat geen Nederlands belastinggeld ingezet moet worden tegen de enige echte democratie in het Midden-Oosten, Israël?

Door mij gesubsidieerde organisaties die activiteiten verrichten, dan wel handelingen plegen, in strijd met het Nederlandse buitenlandse beleid kunnen daarop worden aangesproken. In de subsidiebeschikkingen van het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn bepalingen opgenomen die betrekking hebben op de verenigbaarheid met het buitenlands beleid. Indien blijkt dat een subsidieontvanger activiteiten in strijd met het Nederlands buitenlands beleid ontplooit, wordt de betreffende organisatie daarop aangesproken en worden aan de subsidieontvanger aanwijzingen gegeven die ertoe strekken om deze strijdigheid op te heffen. Als de subsidieontvanger geen gehoor geeft aan dergelijke aanwijzingen bestaat de mogelijkheid dat de subsidie wordt verlaagd of stopgezet.

Is de Staatssecretaris bereid zich in te zetten voor het stoppen van alle EU-OS uitgaven?

Graag verwijs ik naar eerdere antwoorden over Europese ontwikkelingssamenwerking (Kamerstuk nr. 21 501-04, nr. 117 d.d. 21 oktober).

Een sterk internationaal georiënteerde economie als de Nederlandse heeft baat bij stabiliteit, veiligheid en groeiende koopkracht elders in de wereld, ook in ontwikkelingslanden en de buurlanden die Europa omringen. Dat zijn zaken die met Europese ontwikkelingssamenwerking worden bevorderd. In bepaalde gevallen kunnen we juist via de band van de EU een steviger antwoord geven op grote mondiale vraagstukken zoals armoede, veiligheid, het versterken van fragiele staten, klimaatverandering, bescherming van mensenrechten, open en eerlijke handel, migratie en bestrijding van grensoverschrijdende infectieziekten als AIDS, malaria en tuberculose. Europese ontwikkelingssamenwerking kan ook schaalvoordelen bieden, reden waarom het kabinet het van belang vindt dat de EU over een substantieel budget beschikt voor ontwikkelingssamenwerking en extern beleid.

Sinds haar oprichting in 1957 maakt ontwikkelingssamenwerking deel uit van het externe beleid van de EEG (en daarna de EU). Europese ontwikkelingssamenwerking is verankerd in het werkingsverdrag van de Europese Unie en in tal van verdragen met derde landen. Het kabinet respecteert verdragsverplichtingen.

Nederland zal zich de komende jaren inzetten om de Europese Ontwikkelingssamenwerking verder te moderniseren. Dat betekent onder meer dat gepleit zal worden voor meer betrokkenheid van de private sector bij de uitvoering van het ontwikkelingsbeleid en dat de Commissie zich meer toelegt op thema’s waar zij toegevoegde waarde heeft, zoals infrastructuur, landbouw/voedsel en handelsgerelateerde technische assistentie. Ook zal Nederland inzetten op minder en beter gemotiveerd gebruik van het instrument algemene begrotingssteun.

Vragen van het lid El Fassed/GroenLinks: China stelt geen moeilijke vragen, bouwt infrastructuur, levert wapens en houdt corrupte regimes in het zadel. Afrikaanse burgers profiteren maar in zeer beperkte mate. Het zijn Chinese werknemers die de olie en de wegen bouwen. Dat levert geen banen op en drukt Afrikaanse bedrijven uit de markt. De verwerking van de producten vindt bovendien in China plaats. Graag hoor ik van beide bewindslieden hoe zij dit beoordelen.

De Chinese activiteiten in Afrika worden primair ingegeven door wederzijds belang. Het Chinese beleid ten aanzien van Afrika richt zich op drie aspecten: afzetmarkt, grondstoffen en energie. Het Chinese non-interventiebeleid, onder andere als het om mensenrechten gaat, kan op sympathie rekenen onder sommige Afrikaanse leiders, waardoor China ook in toenemende mate op Afrikaanse steun kan rekenen in VN-kader. Op het terrein van vredesoperaties en versterking van de Afrikaanse crisisbeheersingscapaciteit wordt China steeds actiever, ook met eigen bijdragen. China erkent hiermee dat veiligheid belangrijk is voor stabiliteit en ontwikkeling.

De Chinese hulp en investeringen dragen bij aan de ontwikkeling van Afrikaanse landen, vooral met investeringen in infrastructuur en landbouwontwikkeling. Maar er zijn ook knelpunten. Chinese leningen kunnen, samen met reeds lopende leningen, leiden tot een te hoge schuldenlast voor Afrikaanse landen. China verbindt aan deze leningen geen andere politieke voorwaarden dan het volgen van een één-China beleid. Ondanks dat de Chinese investeringen in Afrika sterk groeien, maken deze investeringen slechts 5% van de totale Chinese FDI uit en maakt de handel met Afrika slechts 4% van de totale Chinese handel met het buitenland uit. China is niet meer weg te denken uit Afrika en het is van belang dat op een constructieve manier met China wordt samengewerkt. China lijkt hiervoor ook steeds meer open te staan.

Kan China worden geholpen om het fossiele energietijdperk over te slaan? Kan de «BV Nederland» hierbij helpen? Gaat de Minister dit faciliteren?

Investeren in duurzame energie en technologie is investeren in eigen etalage. Als realist moet de Minister voorstander zijn van duurzame energie. Graag een reactie hierop.

Nederland streeft naar 14% hernieuwbare energie in 2020 conform het EU-doel inzake hernieuwbare energie. Het kabinet zet in op het vergroten van de energie-efficiëntie met de green deal. China wordt in toenemende mate de dominante speler op de energiemarkt, zowel voor wat betreft de vraag naar energie (olie, gas, kolen) als de ontwikkeling van technologie voor hernieuwbare technologie. China is derhalve een grote afzetmarkt voor nieuwe (duurzame, energie efficiënte) technologieën en is het zelf katalysator/ontwikkelaar/producent van duurzame technologieën. De noodzaak voor een energietransitie in China is evident. China voert grote energietechnologieprogramma’s uit waarbij Nederland wil aanhaken. Nederland kan China kennis bieden en de grootste toegangshaven tot de Europese afzetmarkt. Met economische diplomatie zal maximaal worden bevorderd dat Nederlandse innovatieve en duurzame technologie een bijdrage leveren aan de energietransitie van China. Recentelijk nam Nederland deel aan de jaarlijkse bijeenkomst van de China Raad voor Internationale Samenwerking op het gebied van Milieu en Ontwikkeling (CCICED). Dit jaar stelde de CCICED ambitieuze maatregelen ten behoeve van het behoud van ecosystemen voor om de transitie van China naar een groene economie te bevorderen. De aanbevelingen van de CCICED zullen meegenomen worden in het 12de Vijfjarenplan van China. Nederland kan op zeer specifieke terreinen duurzaamheid in China bevorderen. Collega Minister Verhagen (EL&I) reist in mei naar China. Hoofdthema’s van zijn bezoek zijn handel, investeringen, energie en technologische samenwerking.

Wij zijn ervan overtuigd dat bij assistentie aan post-conflictlanden altijd de opbouw van het justitieapparaat, de aanpak van straffeloosheid en vrouwenrechten essentiele onderdelen moeten zijn. Denk aan training en ondersteuning van rechters, advocaten, openbare aanklagers, politie en aan het instellen van andere mechanismen van transitionele gerechtigheid. Graag een reactie van de Minister.

In het kader van assistentie aan post conflictlanden is Nederland zeer actief in de strijd tegen straffeloosheid zoals ook weergegeven in de aanvullende brief over transitional justice die de Kamer deze week toeging. Het Statuut van Rome van het Internationaal Strafhof (ICC) staat hierbij centraal. Daarnaast is via het MDG3 fonds o.m. ondersteuning verleend aan de NGO Women’s Initiatives on Gender Justice (WIGJ), dat assistentie verleent aan het ICC bij het opnemen van seksueel geweld in aanklachten en bij het verzamelen van bewijs van seksueel geweld als oorlogsmisdrijf in de landen in kwestie.

In de zogeheten lijst 2-landen, maar ook in andere landen levert Nederland een bijdrage aan de rechtsstaat en realisering van de rechten van vrouwen, bilateraal of door bijdragen aan internationale missies. Wederopbouw van de justitiële sector, inclusief de aanpak van straffeloosheid, vrouwenrechten en de link met de veiligheidssector, is essentieel in het streven naar herstel van veiligheid en stabiliteit. Onder andere in Afghanistan, Burundi, DRC, Guatemala, Kosovo en Soedan worden bijdragen geleverd.

– In de DR Congo steunt Nederland, samen met het VK, België en Europese Commissie, het REJUSCO programma gericht op herstel van de Justitiële sector in Oost Congo. Daarnaast wordt ondersteuning verleend bij de ontwikkeling van trainingsmateriaal voor het Congolese leger voor het tegengaan van seksueel geweld als oorlogsmisdrijf.

– In Rwanda en Oeganda vormt de programmatische aanpak van de juridische sector een voorbeeld van steun op dit gebied, waarbij er een link wordt gelegd met andere thema’s als traditionele rechtspraak en verzoening.

– In Kosovo staat ondersteuning van de EULEX missie centraal. Er zijn 10 Nederlandse Rule of Law experts bij deze missie gedetacheerd (rechters, officieren van justitie en overig justitiepersoneel). Daarnaast financiert Nederland de opleiding van jonge juristen in het kader van de opleiding voor de rechterlijke macht en steunt een zgn. civilian oversight programma waarin dagelijks op de televisie rechtszaken worden becommentarieerd.

– In Guatemala steunt Nederland de Internationale Commissie tegen Straffeloosheid (CICIG). Een belangrijk deel van het werk van dit VN-programma is het achterhalen van de waarheid over mensenrechtenschendingen in de veiligheids- en justitiële sector om de (eind)verantwoordelijken van dergelijke schendingen te kunnen vervolgen en berechten.

– In Afghanistan ondersteunt Nederland enkele concrete projecten ter versterking van de rechtsstaat, in lijn met de recente aanbevelingen van de «International Crisis Group», met name: training aan justitie, activiteiten ter versterking van de juridische positie van de vrouwen en hun toegang tot recht en oprichting en uitrusting van vertaalafdelingen binnen het Hooggerechtshof en het Ministerie van Justitie in samenwerking met UNDP. Dit is cruciaal voor de ontwikkeling van moderne wetgeving en harmonisatie van Afghaanse wetgeving met internationaal (humanitair) recht, zoals de «International Crisis Group» voorstelt.

De ervaring leert dat de positie van vrouwen in fragiele staten om een expliciet en uitgesproken beleid vraagt. De kamer en mijn fractie onderschrijven het belang van VN resolutie 1325. Het gevaar dreigt echter, dat deze resolutie een papieren tijger wordt. Is de Minister bereid assistentie te verlenen bij het formuleren van actieplannen door overheden en maatschappelijke organisaties in fragiele staten?

Nederland verleent al assistentie aan verschillende landen op dit gebied. Er wordt op dit moment via diverse kanalen ondersteuning verleend aan de ontwikkeling en implementatie van activiteiten en actieplannen rond VN-Veiligheidsraadresolutie 1325. Vergeleken met andere landen investeert Nederland aanzienlijk in het ondersteunen van organisaties en individuen die zich inzetten voor het versterken van vrouwelijk leiderschap, het tegengaan van straffeloosheid van geweld tegen vrouwen en het bevorderen van een actieve rol van vrouwen in wederopbouwprocessen. De totale Nederlandse uitgaven in 2009 voor vrouwen, vrede en veiligheid van alle ondertekenaars van het Nationaal Acteplan samen bedroegen bijna 23 miljoen euro, waarvan ongeveer 15 miljoen door het ministerie van Buitenlandse Zaken. Dit zal voor 2010 ongeveer gelijk zijn. Zowel vrede en veiligheidsinstrumenten (stabiliteitsfonds en wederopbouwfondsen) het MDG3 fonds en gedelegeerde financiële middelen op posten worden hiertoe ingezet.

Nederland heeft in 2010 onder andere bijgedragen aan het opzetten van een DPKO/UNIFEM/UN Action initiatief voor training aan troepenleveranciers aan VN-vredesmissies over preventie van seksueel geweld en bescherming van de lokale bevolking en het oprichten van eenWomen, Peace & Security Institute in het Kofi Annan Training Centre voor vredestroepen in Ghana. Voorts steunen wij een innovatief project waarbij mobiele cinema’s worden ingezet om de Congolese militairen van het regeringsleger te onderwijzen over seksueel geweld. Daarbij wordt materiaal gebruikt uit de documentaire «Weapon of War», winnaar van het Gouden Kalf 2010.

Bovendien ondersteunt Nederland in Afghanistan de overheid en het maatschappelijk middenveld middels een aantal activiteiten die vallen binnen het kader van het National Action Plan for the Women of Afghanistan (NAPWA). In andere fragiele staten zal, wanneer daar vanuit die landen een concrete vraag richting Nederland komt, worden gekeken welke assistentie mogelijk is. Hierbij blijft de nadruk liggen op Burundi, de DR Congo en Soedan..Voor meer details over de gezamenlijke Nederlandse inzet op landenniveau verwijs ik u graag naar de publicatie«The Dutch Do’s on Women, Peace & Security – Diplomacy, Defence and Development in Partnership».

Nederland heeft enorme expertise opgebouwd op het gebied van gender, vrouwenrechten en 1325. Iets waar wij wereldwijd om worden geprezen. Wat zijn de ambities van deze Minister als het gaat om vrouwenrechten?

De regering blijft zich onverminderd inzetten voor gelijke rechten en kansen voor vrouwen. Er kan geen sprake zijn van universaliteit in mensenrechten wanneer vrouwen minder rechten en kansen hebben.

De focus van het vrouwenrechtenbeleid is: vrouwen, vrede en veiligheid, seksuele en reproductieve rechten en geweld tegen vrouwen. Zowel in multilateraal- als bilateraal verband zal dit onder de aandacht worden gebracht. Zo zal Nederland morgen, op 16 december, in de Veiligheidsraad een verklaring afleggen wanneer gesproken wordt over vrouwen, vrede en veiligheid. Nederland zal aangeven dat de bescherming van vrouwen en de preventie van conflictgerelateerd seksueel geweld een kernelement is van vredes- en wederopbouwmissies. Hierbij zal worden gerefereerd naar de bilaterale samenwerking die onlangs is overeengekomen tussen Nederland en Spanje bij het creëren van meer civiele en militaire gendercapaciteit voor operaties in fragiele staten.

In de afgelopen jaren zijn ondermeer via het mensenrechtenfonds en het MDG3-fonds diverse activiteiten ondersteund om geweld tegen vrouwen uit te bannen. De activiteiten zijn landen- of regiospecifiek en zijn gericht op diverse vormen van geweld: onder andere huiselijk geweld, eergerelateerd geweld, mensenhandel en meisjesbesnijdenis. In de komende periode zullen diverse activiteiten op dit terrein worden gecontinueerd.

In het wetgevingsoverleg is aangegeven dat het succesvolle MDG3-fonds een tweede leven in zal gaan. Goed nieuws is ook dat het VK overweegt om financieel in het fonds te gaan participeren. Daarnaast zijn ook goede gesprekken gaande met diverse andere mogelijke donoren.

Deze zaken wordt verder uitgewerkt in het Actieplan Emancipatie, dat onder coördinatie van minister Van Bijsterveldt wordt opgesteld, en in de mensenrechtenstrategie.

Vragen van het lid Voordewind/Christenunie: Welke stappen denkt de Staatssecretaris te zetten om de ODA-richtlijnen te wijzigen? Welke richtlijnen betreft het hier? Welke coalities zijn hiertoe noodzakelijk? Wat is de motivatie om deze richtlijnen te wijzigen?

Om te beoordelen of een activiteit gerekend kan worden tot ODA worden in OESO/DAC verband afgesproken definities gebruikt. Deze zijn vastgelegd in de DAC statistical reporting directives. Nederland wil vernieuwing van deze richtlijnen; in het bijzonder de richtlijnen op het terrein van vredeshandhaving.

In 2007 is deze discussie door de ministeriële vergadering van de leden van de DAC (de zgn. High Level Meeting, HLM) afgesloten met een verzoek aan het DAC secretariaat om de bestaande richtlijnen op het terrein van vredeshandhaving verder te verhelderen. Dit proces is medio 2010 afgerond.

Er is overleg gevoerd met OESO/DAC en met enkele DAC lidstaten. Heropening van de discussie vereist consensus onder de DAC-leden. De inzet van het kabinet zal dan ook zijn: het bereiken van deze consensus door intensief overleg met potentiële tegenstanders. Dit overleg zal niet alleen bilateraal gebeuren maar ook in EU-verband en in Parijs in OESO/DAC-verband.

Vervolgens zal ik de DAC-voorzitter verzoeken heropening van deze discussie te agenderen op de volgende DAC High Level Meeting (HLM) die gepland staat voor maart 2011. Gedurende deze HLM zal er een discussie plaatsvinden over de wenselijkheid van herziening van de richtlijnen. Over deze wijziging zal dan in de Statistische werkgroep worden onderhandeld.

De inzet voor deze wijziging is het «onder ODA brengen» van (delen van) de kosten van vredesoperaties in landen op de DAC lijst. Het betreft hier vredesmissies die gemandateerd of geautoriseerd zijn door de VN via een Veiligheidsraadsresolutie en uitgevoerd door een internationale organisatie zoals de VN, NAVO, EU of regionale organisaties van ontwikkelingslanden.

Noord-Korea: kan de Minister zeggen wat de stand van zaken is met betrekking tot het terugsturen van vluchtelingen naar Noord-Korea?

In de EU-China mensenrechtendialoog van juni jl. is aandacht gevraagd voor de situatie van Noord-Koreaanse vluchtelingen in China. De Chinese autoriteiten blijven van mening dat Noord-Koreanen die het land illegaal binnenkomen, economische migranten zijn.

Volgens recente informatie van UNHCR China is de situatie van Noord-Koreaanse vluchtelingen in China niet substantieel veranderd. De meerderheid van hen wordt getolereerd, sommigen slagen er in een derde land te bereiken en anderen worden teruggestuurd naar Noord-Korea. UNHCR werkt aan duurzame oplossingen voor deze vluchtelingen. Nederland zal aandacht blijven vragen voor de positie van vluchtelingen, zeker waar het gaat om kwetsbare groepen.

West Papoea/Molukken: een christelijke actiegroep is onlangs uit huis gedreven. Kent de Minister deze situatie en wat vindt hij ervan?

Ik heb met zorg kennis genomen van dit bericht. Een medewerker van de Nederlandse ambasade te Jakarta heeft direct contact opgenomen met een vertegenwoordiger van de betreffende christelijke gemeenschap die het incident bevestigde en toezegde met nadere informatie te zullen komen.

De Nederlandse regering is zeer alert op de mensenrechtensituatie, waaronder de ontwikkelingen op het gebied van de vrijheid van godsdienstuitoefening en levensovertuiging, in Indonesië en brengt dit regelmatig op in contact met zowel de christelijke groeperingen in Indonesië als met de Indonesische autoriteiten. U kunt ervan op aan dat ik in mijn contacten met de Indonesische overheid aandacht blijf vragen voor het belang van godsdienstvrijheid.

Gaat het bezoek van de Indonesische president op korte termijn door?

Zie het antwoord op vraag 8 van het lid Ormel.

Kan onze fractie erop rekenen dat deze Minister ook bij Indonesië blijft aandringen op het respecteren van fundamentele mensenrechten?

Ja.

India: wil de Minister zich in Europa inzetten voor een stevige mensenrechten- en arbeidscomponent in het vrijhandelsverdrag tussen India en de EU?

Ik verwijs graag naar de vraag 16 van het lid Van Bommel over dit onderwerp. De onderhandelingen over een vrijhandelsakkoord zijn gaande en tijdens de recente EU-India top op 10 december jl. werd de ambitie uitgesproken de onderhandelingen in de eerste helft van 2011 af te ronden. Ook Nederland heeft aanzienlijk economisch voordeel bij dit akkoord.

Daarnaast wil Nederland graag dat de EU de politieke betrekkingen met India versterkt, onder meer door koppeling van het vrijhandelsakkoord aan een samenwerkingsakkoord op het gebied van ontwikkeling, terrorismebestrijding, het tegengaan van massavernietigingswapens en eerbiediging van mensenrechten.

Conform staand EU beleid zullen politieke clausules aangaande o.m. mensenrechten in de verdragsrelatie met India een plek moeten krijgen. Dat standpunt blijft de EU en dus ook Nederland uitdragen.

Zoals ik al zei tijdens het AO over de Raad Buitenlandse Zaken van 9 december jongstleden is het in dit geval wel belangrijk dat de EU niet teveel met het opgeheven vingertje naar India wijst, omdat India zelf de nodige maatregelen neemt om de mensenrechtensituatie (inclusief arbeidsnormen) te verbeteren.

Kan de extra medewerker op ambassade Santo Domingo worden ingezet om lopende adoptiezaken uit Haïti af te handelen?

Op de vraag van de heer Voordewind, wil ik in de eerste plaats verwijzen naar de mededeling aan uw Kamer van de Minister van Veiligheid en Justitie van maandag jl. over de voorlopige opschorting van adoptie van kinderen uit Haïti naar Nederland. Er is op dit moment geen sprake van lopende adoptiezaken uit dit land.

De Nederlandse ambassade in Santo Domingo blijft niettemin de nodige aandacht schenken aan de adoptieproblematiek in Haïti, mede ook ter voorbereiding van de ambtelijke missie die komend voorjaar zal onderzoeken of de omstandigheden dusdanig zijn verbeterd dat de adoptie uit dit land weer kan worden hervat.

Flotilla Gaza: kent de Minister de berichten over een nieuwe vloot richting Gaza? Kan de Minister daar iets over zeggen?

Op het internet circuleren enkele oproepen om in het voorjaar van 2011 een vloot naar Gaza te sturen. NGO’s uit Italië, Zwitserland, Frankrijk, Spanje, Canada, Noorwegen, België en de Verenigde Staten zouden zich hebben aangesloten bij deze Europese campagne. Mij is niet bekend of ook Nederlandse organisaties zullen deelnemen. Ik ben geen voorstander van dergelijke acties.

Union of Good: is daar al meer over bekend?

De regering onderzoekt de mogelijkheden voor opname van «Union of Good» op de lijst van terroristische organisaties. Dit is nog niet afgerond.

Iran: kent de Minister het sanctiebeleid van het Verenigd Koninkrijk tegen Iran en is de Minister bereid daar naar te kijken?

In de gehele Europese Unie zijn de in Europees verband overeengekomen sancties tegen Iran van toepassing. De Nederlandse regering is in overeenstemming met de betreffende sanctieverordening terughoudend bij het afgeven van vergunningen voor de uitvoer naar Iran. Verschillen tussen lidstaten bij de interpretatie van de verordening moeten in het belang van de effectiviteit van de sancties en van de betrokken bedrijven worden vermeden. Ik heb intensief contact met mijn EU-collega’s, waaronder het VK, om het «level playing field» binnen de Europese Unie te waarborgen.

Vragen van het lid Thieme/Partij voor de Dieren: Welke criteria worden gehanteerd bij het subsidiëren van projecten onder het Initiatief Duurzame Handel. Hoe wordt het geld verdeeld over de projecten? Welke verantwoordelijkheid neemt de overheid in dit proces? Hoe worden deelnemers geselecteerd, zowel hier als daar? Welke indicatoren hanteert het kabinet? Op welke manier kan het op dit beleid afgerekend worden? Wat is de definitie van duurzaamheid die in de proces gebruikt wordt?

Kern van het Initiatief Duurzame Handel is dat op basis van de voorstellen van maatschappelijke organisaties en bedrijven er gewerkt wordt aan het verduurzamen van ketens. Er is dus geen vaste verdeelsleutel voor de projecten. Betrokkenheid van zoveel mogelijk deelnemers is daarbij het uitgangspunt. Voorwaarde is wel dat bedrijven en maatschappelijke organisaties ook echt een verschil kunnen maken in een keten en zelf echt bijdragen met financiële middelen en in kind. Vanaf 2011 moet tenminste 50% van de bijdragen aan de IDH-projecten van het bedrijfsleven afkomstig zijn.

Per keten worden vervolgens indicatoren ontwikkeld. Ten aanzien van cacao gaat het dan bijvoorbeeld om de hoeveelheid gecertificeerde cacao die op de wereldmarkt is gebracht. Ten aanzien van het duurzaam hout gaat het bijvoorbeeld om het volume FSC-gecertificeerd hout uit het Amazone gebied dat verhandeld wordt op de overige Europese markten. Monitoring van de indicatoren vindt plaats op basis van een monitoringsprotocol dat is vastgesteld door de IDH-raad waarin bedrijfsleven en maatschappelijke organisaties vertegenwoordigd zijn.

De definitie van duurzaamheid verschilt per keten, maar de kern is dat in alle ketens meer aandacht komt voor sociale aspecten als inkomen en arbeidsrechten en milieu aspecten zoals het gebruik van pesticiden en duurzaam bosbeheer. Daarbij wordt aangesloten bij de internationale afspraken en normen vanuit de ILO, GRI en de OESO.

De Round Table on Responsible Soy (RTRS) speelt een belangrijke rol bij het organiseren van een open en transparant proces voor de verduurzaming van soja. Dit gebeurt in samenwerking met IDH. Dit jaar hebben de betrokken stakeholders de standaard voor duurzame soja definitief vastgesteld. Het verminderen van pesticidengebruik is één van de overeengekomen criteria. Bescherming van tropische bossen en gebieden met hoge biodiversiteitswaarden een ander. Met het aannemen van de standaard zal komend jaar het proces van certificering starten. Dit moet leiden tot een duurzamer productie. Er resten daarbij ongetwijfeld nog de nodige uitdagingen. Nederland blijft in dit proces een constructief-kritisch waarnemer.

Wat is de visie van het kabinet op de lopende Doha-ronde binnen de WTO? Welke handreikingen is Nederland bereid te doen aan OS-landen?

De EU en Nederland blijven zich in het kader van de DOHA-ronde inzetten voor een ambitieus en evenwichtig totaalakkoord dat rekening houdt met de offensieve en defensieve belangen van Nederland en dat ook serieus werk maakt van de ontwikkelingsdimensie van deze ronde. In november 2010 heeft de G20 de wens uitgesproken om de onderhandelingen in 2011 af te ronden. De APEC (Aziatische landen) herhaalde deze oproep. Sindsdien is er weinig voortgang geboekt. DG WTO Lamy heeft op 14 december onderhandelaars opgeroepen hun verantwoordelijkheid te nemen.

Juist nu, in tijden van financiële crisis, is het van het grootste belang het multilaterale (handels)stelsel te bestendigen met een akkoord. Bovendien zal een nieuwe ronde van handelsliberalisering en vermindering van marktverstoringen een positieve impuls zijn voor de reële economie. Een WTO-akkoord zou op mondiaal niveau ruim 400 miljard dollar kunnen opleveren.

Eindelijk werd duidelijk hoe Shell in Nigeria te werk gaat. Wat gaat Nederland hieraan doen, vraag ik de Minister. Hoe nemen wij onze verantwoordelijkheid, nu de hele wereld weet dat een groot Nederlands bedrijf zich schuldig maakt aan corruptie? Graag hoor ik hoe hieraan een vervolg gegeven zal worden. Hoe zit het momenteel met de aansprakelijkheid van Nederlandse bedrijven voor activiteiten in het buitenland?

Vanuit hun verantwoordelijkheid voor het bevorderen van zowel de Nederlandse economische belangen als van Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen hebben de ministeries van BZ en EL&I aanhoudend contact met Shell. Daarbij komen de «Voluntary Principles on Security and Human Rights» en toepasselijke OESO-richtlijnen aan de orde. Shell heeft deze principes vertaald naar de «Shell General Business Principles», die ook worden toegepast door de werkmaatschappijen in Nigeria. In genoemde gesprekken wordt niet alleen op corruptiebestrijding ingegaan, maar ook op mensenrechten, milieu- en luchtvervuiling, onveiligheid, georganiseerde diefstal van olie en activiteiten van rebellen in het gebied. De visie die de Amerikaanse autoriteiten in hun berichten gaven, laat ik voor hun rekening.

Zoals het er nu naar uitziet zal de door sommigen bepleite afgeslankte Afghanistan-missie worden gefinancierd uit het ontwikkelingsbudget. Dit is een regelrechte schande. Als dit dan een vorm van ontwikkelingshulp is, hoe verhoudt zich dat dan tot de kabinetsafspraak dat we alleen ontwikkelingshulp zouden geven aan landen zonder corruptie en die enigszins stabiel zijn, waardoor we zeker zijn van de effectiviteit van de hulp? Graag een reactie.

Nederland houdt zich voor de financiering van eventuele toekomstige missies aan de internationale afspraken. Er is geen sprake van financiering vanuit ontwikkelingssamenwerking van onderdelen van een missie die daar niet voor in aanmerking komen (zie ook het antwoord op de vraag van Lid Voordewind).

Zoals bekend wordt de Kamer regelmatig op de hoogte gehouden van de ontwikkelingssamenwerking met Afghanistan, inclusief de zorgvuldige keuze van partners en kanalen die risico’s aanzienlijk beperkt. Van de resultaten van de Nederlandse inzet in Uruzgan werd de Kamer op de hoogte gesteld door middel van de rapportages van een Afghaanse NGO, die hier onderzoek naar heeft verricht.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl