Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Tweede Kamer der Staten-Generaal2009-2010nr. 22, pagina 1865-1905

Aan de orde is de behandeling van:

het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2010 (32123 VIII).

De algemene beraadslaging wordt geopend.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. "Helaas wordt het mij erg moeilijk gemaakt als leraar, omdat ik het idee heb dat niet de kinderen belangrijk zijn, maar de rapportages en de toetsen. Ook de vele zogenaamde vernieuwingen kosten mij de kop. Ik moet zoveel. Eigenlijk wil ik gewoon lekker werken met mijn leerlingen in de groep." Dit zegt een van de leraren in ons onderzoek onder ruim 3300 leraren. De resultaten staan in het rapport De leraar aan het woord, dat ook op onze website vinden is. Het onderzoek legt de kloof bloot tussen de werkvloer op school en de werkelijkheid in Den Haag. Eén conclusie luidt dat 60% van de leraren niet de gewenste kwaliteit onderwijs kan geven. Leraren hebben plezier in het lesgeven, maar er is veel onvrede over de omstandigheden op school. Dan gaat het met name om de grote klassen, de hoge werkdruk en de bureaucratie.

Het kabinet heeft gereageerd met een brief. Dank daarvoor. In het kort schrijft de minister dat hij al veel doet. Het zou ook gek zijn als dit niet zo was. Het is wel de vraag of hij het goede doet. Ik noem bijvoorbeeld het punt van de klassenverkleining, een groot punt in ons onderzoek. De minister zegt dat daar al veel aan is gedaan, maar hij zegt er niet bij dat die klassenverkleining van de afgelopen jaren gepaard is gegaan met de integratie van zorgleerlingen in die klassen. Iets minder leerlingen die meer verschillen vertonen, maakt het per saldo zwaarder. Het punt is dat klassenverkleining de grote wens is van veel leraren. Uit onderzoek blijkt dat dit echt werkt, dat leerlingen er beter door gaan presteren. Ik vraag het kabinet om de doelstelling van klassenverkleining op te nemen in het beleid.

Een ander groot punt is de werkdruk. De minister maakte hiervan in zijn reactie tijdens onze presentatie een soort denkbeeldig verschijnsel. Hij zei dat de werkdruk vooral als hoog wordt ervaren. Als leraren meer vrijheid zouden krijgen en zich meer baas over hun werk zouden voelen, zou de werkdruk vanzelf minder worden. Daar zit iets in, maar het is ook een truc om de feitelijke werkdruk te bagatelliseren. Een klas van 30 verschillende leerlingen is nu eenmaal zwaar. Dat is geen verbeelding. Dat is de realiteit.

De heer Zijlstra (VVD):

De heer Van Dijk geeft zorgwekkende signalen af. Hij baseert die signalen op een onderzoek dat door de SP is uitgevoerd. Ik ben nieuwsgierig naar de manier waarop dat onderzoek is verricht. Houdt een onderzoek bij de SP in een poll op de website waar mensen op kunnen reageren? Worden aan de hand van de uitkomsten daarvan conclusies getrokken? Of is een onafhankelijk bureau ingeschakeld, dat onafhankelijk docenten heeft geïnterviewd, zodat daarmee een betere waarheidsvinding kan worden gedaan?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Een poll op de website is misschien de werkwijze van de VVD. Wij hebben een vragenlijst gestuurd naar de medezeggenschapsraad van alle basisscholen en scholen voor voortgezet onderwijs. Daarbij hebben wij gevraagd of zo veel mogelijk leraren de lijst wilden invullen.

De heer Zijlstra (VVD):

Wat was het responspercentage? Hebt u een onafhankelijke partij ingeschakeld? Moeten wij op uw blauwe ogen vertrouwen dat datgene wat u hier vertelt, ook daadwerkelijk de uitkomst is geweest van die steekproef?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ruim 3300 leraren hebben gereageerd. Het is heel uitdrukkelijk een SP-onderzoek geweest, als dat tenminste het punt is dat de heer Zijlstra wil maken. Volgens mij zijn leraren heel wijze en verstandige mensen en hebben zij het onderzoek zo goed mogelijk ingevuld. Ik moet zeggen dat de minister er in zijn reactie goed op heeft gereageerd. Hij heeft de conclusies bestudeerd en hij heeft een brief naar de Kamer gestuurd. Er zijn ook vele andere onderzoeken, ook vanuit het ministerie, die vergelijkbare conclusies te zien geven ...

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Jasper van Dijk (SP):

... namelijk dat die grote klassen en die hoge werkdruk een groot probleem zijn in het Nederlandse onderwijs.

De voorzitter:

Als ik dank u wel zeg, is het de bedoeling dat u afrondt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Voorzitter. Het kabinet doet absoluut een aantal goede dingen. Laten wij dat vooral niet onbenoemd laten. Er wordt ingezet op rekenen en taal. Zwakke scholen worden eerder aangepakt. Er is extra geld voor leraren. En er komt een fusietoets. Er wordt dus geïnvesteerd in onderwijs, maar er wordt ook bezuinigd. In 2010 gaat het maar liefst om 140 mln. Wat gaat er gebeuren? De ov-kaart voor mbo'ers vervalt. Dat is een slechte zaak. Vorig jaar leek er iets vanuit de coalitie te komen, maar het bleek valse hoop te zijn. Ik daag de coalitie uit om op dit punt alsnog met een voorstel te komen, want mbo'ers hebben er net zoveel recht op als hbo'ers.

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik vind het heel goed dat de heer Van Dijk zaken bij de coalitie neerlegt. Die kan blijkbaar dingen voor elkaar krijgen. Maar ik vind het bijzonder dat hij steeds de coalitie uitdaagt en dat hij meelift op dingen die de coalitie doet, maar zelf niet met een voorstel komt. Kan ik dat nog van hem verwachten?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Op dit punt is de coalitie nu juist zo teleurstellend. U hebt aanvankelijk een voorstel gedaan. De ChristenUnie liep daarin voorop. Er is 30 mln. vrijgemaakt voor een ov-kaart voor mbo'ers. Het kabinet heeft dat weer van tafel gehaald. De SP heeft in haar tegenbegroting 110 mln. vrijgemaakt voor een volwaardige ov-kaart voor mbo'ers. Als de heer Anker zegt dat hij de SP daarin natuurlijk zal steunen, dan dien ik op dit moment een amendement in.

De heer Anker (ChristenUnie):

Daar ben ik benieuwd naar. Ik zal er zeker op terugkomen; een groot deel van mijn betoog gaat over die ov-kaart voor mbo'ers. Nogmaals, ik vind het goedkoop als de heer Van Dijk meelift en niet meedoet aan het zoeken naar een oplossing. Als hij een amendement voor 110 mln. heeft, ben ik daar erg benieuwd naar.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het is echt een beetje te gek dat de heer Anker dit zegt, want hij heeft het voorstel ingetrokken en ik heb hem nog niet horen protesteren. Wij hebben het gewoon in onze tegenbegroting meegenomen. Maar goed, wij hebben een afspraak. Ik maak een amendement voor een ov-kaart en ik reken op de steun van de ChristenUnie. Ik zal zorgen voor een fatsoenlijke dekking. Wij gaan het binnenhalen. Het is duidelijk dat de heer Anker nu een belofte doet aan de mbo-studenten. Mijn steun heeft hij.

Vanaf 2011 zien wij dat de studiefinanciering voor studenten wordt bevroren. Studenten mogen dus opdraaien voor de crisis. Ik blijf de vraag stellen: waarom wel korten op studenten, maar niet op het koningshuis? Hopelijk krijg ik deze keer wel antwoord, want ik heb deze vraag al drie keer gesteld.

Op educatie wordt maar liefst 35 mln. bezuinigd, bovenop een eerdere bezuiniging van 50 mln. Het budget wordt maar liefst met 44% gekort. Dat is bijna de helft en daarmee een kaalslag op deze voorziening voor de laaggeletterden.

Dan is er een forse bezuiniging op het basisonderwijs van maar liefst 90 mln. De werkgevers, de PO-Raad, protesteren hiertegen en dreigen met grotere klassen. De staatssecretaris zegt dat dit niet de bedoeling is, maar dat kan zij niet garanderen, want de scholen bepalen zelf waarop zij bezuinigen. Zelfs als er wel op management wordt bezuinigd, bestaat de kans dat dit gevolgen heeft in de klas. Er valt immers ondersteuning weg, hetgeen door het onderwijspersoneel moet worden opgevangen. Erkent de staatssecretaris dat dit gewoon een bezuiniging is op het basisonderwijs?

Op pag. 56 van de begroting zien wij dat er vanaf 2011 sprake is van een korting van maar liefst 427 mln., oplopend tot bijna 0,5 mld. in 2014. Dat is een forse bezuiniging. Hoe is dit te rijmen met de mooie woorden over onderwijs?

Het kan allemaal nog veel erger worden. Het kabinet heeft twee werkgroepen ingesteld die op zoek moeten naar 20% besparingen op het budget. De werkgroep hoger onderwijs moet op zoek naar ruim 1 mld. en de werkgroep productiviteit onderwijs moet op zoek naar 4 mld. Eerst die werkgroep hoger onderwijs. Dit kan drie dingen betekenen: er komt een leenstelsel, het collegegeld wordt verhoogd of het hoger onderwijs wordt uitgekleed. Meerdere partijen zijn gecharmeerd van een leenstelsel. Ik vind dat bijzonder onverstandig. Invoering van een leenstelsel komt neer op een ernstige aantasting van de toegankelijkheid. Ik sluit mij dan ook aan bij de LSVb die zegt: ho even.

Dan de werkgroep onderwijs. Daarbij gaat het om basisonderwijs, voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs. Die moeten het met 4 mld. minder doen als de opdracht van de werkgroep wordt uitgevoerd. Dat is ronduit van de zotte. Het komt neer op een wurgcontract. Wat bedoelt de regering eigenlijk met het productiever maken van het onderwijs? Bedoelt zij dat klassen 20% groter moeten worden? Bedoelt zij dat leraren 20% productiever moeten worden? Wij weten dat Nederlandse leraren de meeste uren maken voor de grootste klassen. Het is dan toch een belediging van de eerste orde om te zeggen dat zij nog 20% harder moeten werken?

Tegenover die werkgroepen staat de motie-Hamer, een mooie intentieverklaring. Het gaat om de ambitie om tot de top 5 van de wereld te horen. Uitvoering van de motie zal zeker investeringen vergen, maar wat moeten wij dan nog met die werkgroepen? Het is het een of het ander. Óf wij gaan investeren en wij stoppen met de werkgroepen, óf wij gaan door met de werkgroepen, maar dan is de motie een lege huls.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Zijn dit echt de enige twee opties van de SP?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee, dit zijn de twee opties van het kabinet. Het kabinet heeft werkgroepen ingesteld die op zoek moeten gaan naar 20% bezuinigingen op het onderwijs. Ik vind dat echt onaanvaardbaar.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Zouden door heroverwegingen gelden ook niet beter besteed kunnen worden? Is het mogelijk dat door heroverwegingen geld elders in het onderwijs kan worden besteed? Of is dit voor de SP een onbegaanbare weg?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is helemaal niet de eerste taak van die werkgroepen. De eerste taak van die werkgroepen is om 20% bezuinigingen te zoeken, dus gewoon te korten op het onderwijs om het hogere tekort van mogelijk 30 mld. te kunnen aflossen. Ik vind het schandalig dat de PvdA accepteert dat die werkgroepen überhaupt aan het werk zijn gezet. Voor de SP geldt namelijk: hou onderwijs buiten deze opdracht, stop met die werkgroepen, laat die mensen hun tijd beter besteden, sluit het onderwijs uit van bezuinigingen, net als media en cultuur. Doet de minister dat niet, dan is hij inderdaad de minister van feesten en partijen, zoals wel eens wordt gezegd.

Als het gaat om geld voor onderwijs, dan is er ook nog wel wat te vinden bij de scholen zelf. Deze potten namelijk geld op en hebben nu een eigen vermogen van meer dan 10 mld. Daarvan kan een fors deel naar het klaslokaal, mogelijk 2 mld. Kortom, stel een maximum aan het oppotten en zorg dat het overtollig budget in de klas terechtkomt.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Hoe komt de heer Van Dijk aan het getal van 10 mld.? In het rapport van de commissie-Don heb ik vorige week geen concrete getallen gelezen. In het rapport van de AOb heb ik gezien dat het om maximaal 2 mld. gaat. En de heer Van Dijk komt met 10 mld.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het bedrag van 10 mld. komt wel degelijk van de AOb. En daarvan is mogelijk 2 mld. eenmalig inzetbaar en 500 mln. structureel. Ik zou zeggen dat het CDA daar toch ook heel blij mee is. Zoveel geld ligt er nu onbenut op de plank. Wij kunnen dat geld eigenlijk in het klaslokaal stoppen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Vindt u het niet veel verstandiger om even te kijken wat er met de aanbevelingen van de commissie-Don wordt gedaan, namelijk dat er bekeken wordt op welke manier je strategisch met reserves moet omgaan? De commissie-Don wilde absoluut niet aan uw rekensom. Zij vond uw conclusie veel te gevaarlijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Van Dijk is net iets te vroeg met zijn interruptie. Ik wilde gaan zeggen dat er een addertje onder het gras zit. De commissie-Don adviseert namelijk dat het schoolmanagement versterkt moet worden, zodat er meer financiële deskundigheid komt. Maar daar wil de regering nu net 90 mln. op bezuinigen. Tegelijk neemt de regering wel de aanbevelingen van de commissie-Don over. Hoe zit het nu? Wil de regering dat scholen hiermee aan de slag gaan of gaat zij door met deze bezuiniging? De regering zal moeten kiezen. Ik zeg: zie af van die bezuiniging. Beter is het natuurlijk als de regering helemaal stopt met die lumpsumfinanciering. Dan wordt de overheid verantwoordelijk voor het budget en hoeven scholen helemaal niets meer op te potten. Wat de regering ook kan doen, is een waarborgfonds oprichten. Dan kan het overtollig budget van rijke scholen gebruikt worden voor scholen met minder middelen. Wat is de reactie van de bewindslieden?

De kwaliteit van de leraar bepaalt de kwaliteit van het onderwijs. Helaas staan er steeds meer onbevoegde leraren voor de klas. Een kwart van de lessen wordt door onbevoegden gegeven. Als wij de nota Werken in het Onderwijs van het ministerie bekijken, is het nog ernstiger. Dan zien wij dat in voortgezet onderwijs en middelbaar beroepsonderwijs door 40% van de docenten lessen worden gegeven waarin zij niet bevoegd zijn. Dat het één keertje gebeurt, vind ik begrijpelijk, maar hier is sprake van een structurele ontwikkeling. Het is meer regel dan uitzondering. De regering heeft er een website voor geopend, bevoegd.nl, maar dat maakt geen eind aan het probleem. Daarom doe ik twee voorstellen om het beleid te verbeteren. Om te voorkomen dat leraren jarenlang onbevoegd voor de klas staan, moet een leraar binnen twee jaar zijn diploma halen. Is de staatssecretaris het met mij eens dat wij hier beter op moeten toezien? Daarnaast doe ik het voorstel om de Wet BIO aan te scherpen. Door deze wet hoeven scholen geen ontheffing meer bij de inspectie aan te vragen als zij een onbevoegde leraar voor de klas willen zetten. Ik stel voor om die regeling te schrappen, zodat ontheffing weer wel nodig is. Is de staatssecretaris het ermee eens dat scholen zonder enige toestemming een onbevoegde leraar voor de klas mogen zetten? Moeten wij dat niet wat aanscherpen?

Ik kom op de intimidatie van leraren. Het komt maar al te vaak voor dat leraren de mond wordt gesnoerd door de directie. In het voortgezet onderwijs is er inmiddels een klokkenluidersregeling, maar wordt deze ook gebruikt? Is deze bekend en wat zijn de resultaten? Over de klokkenluidersregeling in het mbo gaat de staatssecretaris mij in dit debat informeren, zoals zij vorige week heeft beloofd.

Staatssecretaris Dijksma heeft een plan gepresenteerd voor de zorgleerlingen. Het is de vraag hoe het uitpakt. De afschaffing van het rugzakje kan een verbetering zijn. Wij hebben altijd gezegd: doe dat geld naar de scholen en voorkom die bureaucratie. Maar het geld gaat nu naar de samenwerkingsverbanden en niet naar de scholen. Het blijft dus de vraag of het geld daadwerkelijk in de klas komt. Het gaat om 2 mld. De insteek van de staatssecretaris is dat dit budget niet mag groeien. Onze insteek is dat je eerst moet kijken naar het kind en dan naar het geld. Indien nodig moet een kind altijd naar het speciaal onderwijs kunnen gaan.

Er gebeurt veel op het gebied van schooluitval. Het rapport van de heer Winsemius is opgepakt, waardoor meer werk wordt gemaakt van zogenaamde plusscholen of ambachtsscholen voor overbelaste jongeren. Structuur en verbondenheid zijn de toverwoorden. De aanpak van schooluitval verdient alle aandacht. Ik heb in dit kader een vraag over een grensprobleem. Er zijn Nederlandse jongeren die in Nederland naar school gaan, maar in Duitsland wonen. Zij worden niet meegenomen in de verzuimregistratie en vallen ook buiten de boot qua zorg. Dit is bijzonder onbevredigend, ook voor docenten. Graag een reactie.

In het mbo is er een gebrek aan zeggenschap bij mbo-leraren. De minister heeft dat zelf in een onderzoek vastgesteld: "In het mbo geven relatief weinig leraren aan een beslissende stem te hebben over onderwijskundige vernieuwingen, in het bijzonder de invoering van competentiegericht onderwijs." Dat kun je wel zeggen. Het wordt namelijk gewoon opgelegd. De SP en de regering zijn het daarover niet eens. Het kabinet gaat door met deze enorme operatie, terwijl het evident in strijd is met de conclusies van de commissie-Dijsselbloem. Het verlies aan vakkennis is groot, de vaagheid rond competenties leidt tot ergernis. Vandaar dat ik iedereen wijs op onze petitie tegen de verplichte invoering van competentiegericht onderwijs.

Bij het mbo speelt ook schaalvergroting. Er staat voor 1 januari een fusie gepland van het Horizon College en het Regio College tot een roc met maar liefst 21.000 leerlingen. Kan de staatssecretaris dit onzalige plan nog stoppen? Hoe verloopt het contact hierover? Als deze roc's toch doorgaan met deze fusie, dan stel ik voor dat de vaste commissie voor Onderwijs erheen gaat en aandringt op stopzetting van deze fusie, ten minste totdat de fusietoets er is. Ik vind namelijk dat dit niet kan. De fusietoets is goed, want daarmee moet dit soort grootheidswaanzin worden afgeremd. Er kleeft echter een bezwaar aan deze toets. Veel scholen zijn al gefuseerd. Het is de vraag wat wij daaraan kunnen doen. Schaalverkleining moet uiteraard net zo goed worden bevorderd. Scholen moeten uit een groter bestuur kunnen stappen.

Eerder is gesproken over het stapelen van opleidingen. Het is heel belangrijk dat vmbo-leerlingen soepel omhoog kunnen stromen naar havo en vwo indien dat voor hun mogelijk is. Nu mogen echter op bepaalde scholen vmbo-leerlingen niet op het havo doubleren. Dat is in strijd met onze wens om deze leerlingen meer kansen te bieden. De regering zou dit verbod ongedaan moeten maken. Ik hoor graag een reactie.

Ik kom op de groeiende segregatie in het onderwijs. Voor de SP is het onaanvaardbaar dat leerlingen apart naar school gaan op zwarte en witte scholen. Scholen dienen zo veel mogelijk een afspiegeling van hun omgeving te zijn. Helaas is er nogal wat onwil bij scholen om daaraan mee te werken. Het komt voor dat bijzondere scholen allochtone ouders doorverwijzen naar een openbare school. Wil je dit probleem serieus nemen, dan moet je ook kijken hoe artikel 23 van de Grondwet hieraan bijdraagt. We zien dat de zogenaamde vrijheid van onderwijs afspraken over integratie belemmert. Bijzonder scholen hebben immers de mogelijkheid om zich hieraan te onttrekken. Uit de cijfers blijkt ook dat bijzondere scholen relatief minder achterstandsleerlingen opnemen dan openbare scholen. Hier en daar is sprake van selectie aan de poort. Tot slot zien we dat orthodoxe scholen zich isoleren van de samenleving. Dat geldt voor orthodox-christelijke scholen, maar ook voor islamitische scholen.

Om deze problemen het hoofd te bieden, doen wij een aantal voorstellen. Wij stellen voor een acceptatieplicht in te voeren. Dat doen wij samen met de fracties van GroenLinks en D66, mogelijk ook met die van de VVD, en wie weet ook met die van de PvdA. Ik weet in ieder geval dat deze partijen voorstander zijn van het idee. De SP vindt ook dat scholen moeten meewerken aan integratie door afspraken te maken over een eerlijke verdeling van achterstandsleerlingen. Dat zal inderdaad op den duur leiden tot een moratorium op orthodoxe scholen.

Er is in dit verband nog een onwenselijke ontwikkeling, namelijk het feit dat bepaalde scholen vollopen terwijl andere scholen leeg staan. Wat bijvoorbeeld te denken van de situatie in Utrecht? Door de witte vlucht komen scholen in omliggende gemeentes vol te zitten, terwijl het Globe College, een vmbo-school midden in de stad, nog plek genoeg heeft. De omliggende scholen bouwen lokalen bij. Wat vinden de bewindslieden van deze kapitaalvernietiging? Moeten wij niet pleiten voor een bouwstop in zo'n regio? Moeten wij niet zeggen dat scholen die uitbreiden, dat alleen mogen doen als zij gebruikmaken van de leegstaande scholen? Ik hoor graag een reactie van de regering.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Zo kennen we de heer Jasper van Dijk weer. Hij zei laatst ook al dat hij eigenlijk maar één schoolbestuur wil, namelijk het ministerie.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Zo is het.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dit is in die lijn weer helder. Welk probleem wil hij eigenlijk oplossen? Is wat hij nu voorstelt werkelijk de oplossing? Hoeveel leerlingen worden op dit moment geweigerd op een doorsnee protestants-christelijke en op een doorsnee katholieke school? Hoeveel leerlingen worden daar geweigerd? Kan hij cijfers noemen? Kan hij bewijzen dat er veel leerlingen worden geweigerd? Is wat hij nu voorstelt de oplossing voor het probleem dat hij nu schetst?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb gehoopt dat de heer Jan Jacob van Dijk naar mijn betoog had geluisterd, want dat heb ik zojuist uitgelegd. Maar goed, ik wil twee dingen. In de eerste plaats wil ik een acceptatieplicht, zodat bijzondere scholen iedere leerling toelaten die de grondslag respecteert. Daarmee lijkt mij helemaal niets mis. In de tweede plaats wil ik graag een betere verdeling van achterstandsleerlingen over de scholen. De segregatie op zwarte en witte scholen is een zeer pregnant probleem. De heer Jan Jacob van Dijk vroeg hoe het precies zit met de bijzondere scholen en of zij veel leerlingen weigeren. Mijnheer Van Dijk, ik zal het u zeggen: dat valt reuze mee. Maar, er is wel degelijk nog veel onduidelijkheid bij ouders en leerlingen over de vraag hoe het nu precies zit met het toelatingsbeleid. Er zijn voorbeelden, in Deventer, in Ede, in Amersfoort, van scholen die op een bepaald moment zeggen: beste ouders, gaat u maar eens kijken bij de openbare school, want die school is veel geschikter voor uw kind. Het gaat hierbij meestal om ouders van allochtone afkomst. Dat is een sluipend proces, waarover ook de heer Winsemius heeft gesproken. Wat GroenLinks, D66 en de SP willen, en hopelijk meer partijen, is dat er helderheid over komt dat een school in Nederland, die met overheidssubsidie wordt betaald, algemeen toegankelijk is voor alle leerlingen. De heer Jan Jacob van Dijk merkte op: maar dat doen toch al heel veel bijzondere scholen? Dan vraag ik hem: wat let u dan om ons te steunen? Dan maken wij een heldere regel en die noemen wij: de acceptatieplicht voor alle scholen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Nee, want volgens mij gaat u net langs het punt waar het in belangrijke mate om gaat. U zegt namelijk dat dit geen oplossing is voor het probleem dat in feite bestaat.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Zeker wel!

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

U gaf namelijk zelf aan dat er eigenlijk geen probleem is als het gaat om acceptatie. U zei alleen dat wel eens het advies wordt gegeven om naar een andere school te gaan. Worden de leerlingen dan echt geweigerd? Daarnaast merk ik het volgende op. Als u zegt: laten wij de acceptatieplicht maar direct instellen, betekent dit omgekeerd dat je eigenlijk artikel 23 gewoon uit de Grondwet sloopt. Als ik goed naar u luister, is dat ook hetgeen u wilt. In feite wilt u er alleen voor zorgen dat vanuit het schoolbestuur, zijnde het departement, wordt bepaald waar de kinderen uiteindelijk op school terechtkomen. Dat is hetgeen u wilt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat laatste is echt nonsens. U moet goed luisteren. Het gaat namelijk om twee stappen. De eerste is de acceptatieplicht, een helder beleid waardoor wij weten dat scholen hun deuren openzetten voor alle leerlingen. De tweede – en op die stap dringt in ieder geval de SP erg aan – is beleid om scholen een eerlijkere verdeling te geven van achterstandsleerlingen. Wat ik in verband met de acceptatieplicht werkelijk niet begrijp van het CDA en de ChristenUnie, is dat woordvoerders van deze partijen altijd tegen mij zeggen dat bijzondere scholen al heel veel allochtone leerlingen opnemen, maar vervolgens weigeren om mee te gaan met dit voorstel. Als deze partijen daar zo trots op zijn en als zij zeggen dat bijzondere scholen hun deuren al open hebben voor allochtone leerlingen, zouden zij ook ruiterlijk moeten zijn en moeten zeggen: natuurlijk steunen wij die acceptatieplicht.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Nee, dat doen wij niet.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Waarom niet?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Heel simpel hierom. Als iemand zegt: ik wil naar die school toe en ik ben het absoluut oneens met hetgeen er op die school gebeurt ...

De heer Jasper van Dijk (SP):

Respecteren!

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Als zo iemand wil dat hij toch naar die school toe kan gaan, zeg ik: nee, dat staat haaks op de keuzevrijheid die wij in artikel 23 verwoord hebben. U lost ook niets op aan het probleem dat u min of meer wilt oplossen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit bestrijd ik ten zeerste!

De voorzitter:

U ontglipt mij beiden, en dat gaat niet gebeuren vandaag. Dit was de vierde stap van de heer Jan Jacob van Dijk. Dat gaan wij zo niet doen. U mag een korte reactie geven en dan gaan wij naar de volgende interruptie, want ik wil dit debat wel op deze dag afronden en niet op morgen uitkomen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dank u wel, voorzitter. Ik bestrijd ten zeerste dat, zoals de heer Jan Jacob van Dijk zegt, een ouder met een kind toegang tot een school zou moeten krijgen terwijl hij het absoluut niet eens is met de grondslag van die school. Dan heeft de heer Van Dijk echt niet goed opgelet, want de kern van het wetsvoorstel is dat de ouder en het kind de grondslag van de school respecteren. De bijzondere scholen, katholiek, protestants-christelijk of wat dan ook, blijven dan ook bestaan met deze wet. De toegang wordt alleen helder en eerlijk. De deur gaat open.

De heer Bosma (PVV):

Het is natuurlijk geen vrolijke week voor mijnheer Jasper van Dijk. Twintig jaar geleden viel de Muur. Hij is er nog steeds niet helemaal overheen, aan zijn toon te horen. Altijd als het over dit onderwerp gaat en als wij aan de SP vragen wat zij nu eigenlijk wil, krijg je te horen: samenwerken, convenanten en blablabla. Volgens mij bedoelt de SP echter keiharde dwang, want de SP wil gewoon één nationaal DDR-schoolbestuur, al dan niet gevestigd in Zoetermeer, dat zegt: Jantje naar die school en Pietje naar die school. De heer Jasper van Dijk wil gewoon dwang. Zeg dat nou eens eerlijk!

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het cabaret met de PVV is altijd wel weer leuk. Dit is volstrekte onzin. Er is geen sprake van dwang, er is sprake van een verruiming van de vrije schoolkeuze, verruiming van de vrijheid. Ik vind het dus ook onbegrijpelijk als de PVV dit niet zou steunen. Maar de PVV gaat dit wel steunen. Ik heb het nog even opgezocht: ik heb vorig jaar bij de begrotingsbehandeling een motie ingediend met de strekking dat een school elke leerling moet toelaten die de grondslag respecteert – de minister herinnert zich dit misschien ook nog – en de PVV heeft die motie gesteund. Dus wat kletst u nou! U bent het gewoon eens met mij.

De voorzitter:

We gaan via de voorzitter spreken. De voorzitter kletst niet, dus dat soort dingen kunt u beter niet zeggen.

De heer Bosma (PVV):

Ik hoorde de heer Jasper van Dijk ook spreken over een moratorium op orthodoxe scholen. Hij pleit voor meer keus, maar zegt eigenlijk iets anders: hij wil een moratorium op orthodoxe scholen. Hoe kan het ene in lijn zijn met het andere?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Laat ik beginnen te zeggen dat de PVV kiest voor eenzijdige sluiting van alle islamitische scholen. Dat is pure discriminatie. In mijn voorstel komt het er inderdaad op neer dat 3% van de orthodoxe scholen zijn bestaansrecht verliest als elke school een afspiegeling moet zijn van zijn omgeving. Een orthodox-christelijke of islamitische school zal daar per definitie niet aan meewerken. Deze zal altijd exclusief gereformeerde of reformatorische kinderen op de school willen hebben. Dat past niet bij het systeem dat wij voorstaan. Wij willen alle kinderen samen naar school laten gaan. De PVV richt zich maar op één schoolsoort. Dat vind ik buitengewoon beperkt.

De heer Bosma (PVV):

U bent dus gewoon iets consequenter?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat ben ik absoluut. Ik ben blij dat u uw eigen inconsequentie toegeeft.

Bij deze discussie hoort ook de discussie over de enkelefeitconstructie. Hierdoor kunnen homoseksuele leraren anno 2009 geweerd worden van scholen. Dit blijft een slepende kwestie, ook met het nieuwe voorstel van het kabinet. Er wordt beweerd dat het kabinet de enkelefeitconstructie wil schrappen, maar het blijft mogelijk dat scholen homoleraren weigeren op basis van diezelfde grondslag. Daarmee schieten we dus niets op. Hoe gaat de minister dit uitleggen aan homoseksuele leerkrachten die graag op zo'n school willen werken?

Door een nieuwe berekeningswijze is Nederland ineens bijna op het OESO-gemiddelde gekomen. Onze onderwijsuitgaven bedragen nu bijna 5,7% van het bruto binnenlands product. Er zijn private uitgaven meegeteld. Zou je die niet meetellen, dan zou Nederland op 4,9% van het nationale inkomen uitkomen. Tegelijk heeft de regering zichzelf een nieuw doel gesteld, namelijk in de top vijf van de wereld te komen. Het Innovatieplatform heeft bekeken wat daarvoor nodig is. Ik citeer: "Gemiddeld geeft de top vijf van overheidswege een vol procentpunt van het bbp meer uit aan kennis en innovatie. Voor Nederland is dat een bedrag van ruim 5 mld. per jaar." Dit lijkt mij de enige echte vertaling van de motie-Hamer. Stop dus met de werkgroepen en maak een investeringsplan voor het onderwijs.

Goed onderwijs is van groot belang voor de samenleving. Het is ook het middel om uit de crisis te komen. Iedere investering in onderwijs betaalt zichzelf dubbel en dwars terug. Onderwijs leidt tot meer welvaart en welzijn en tot minder ziekte en criminaliteit. Laat het kabinet zich dus niet gek maken door het idee dat onderwijs moet opdraaien voor de crisis. Daar is het veel te belangrijk voor.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Vindt de heer Jasper van Dijk dat het gaat om geld, of gaat het volgens hem om kwalitatieve doelstellingen van het onderwijs?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat is een goedkoop dilemma. Kwaliteit van onderwijs is onmogelijk zonder degelijke financiering. Als de Partij van de Arbeid een motie indient die Nederland oproept om de top vijf van de wereld na te streven, verwacht ik van deze partij een concreet investeringsplan. U weet net zo goed als ik dat dit niet mogelijk is zonder de nodige investeringen. Waar wilt u anders de docenten van betalen?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik heb de heer Jasper van Dijk in zijn betoog een aantal keren over inefficiëntie horen spreken. Hij heeft genoemd waar het geld niet goed besteed wordt. Hij heeft ook gesproken over de commissie-Don. Acht de heer Jasper van Dijk het mogelijk dat daar geld te halen is en dat wij daar geld kunnen vrijspelen om te investeren?

De heer Jasper van Dijk (SP):

De meningen zijn verdeeld. Het CDA heeft nog geen bedragen gezien. De Algemene Onderwijsbond spreekt over mogelijk 2 mld., en 500 mln. structureel. Daarmee zijn we nog niet bij de 5 mld. die het Innovatieplatform noodzakelijk vindt om bij de top vijf te horen. Ik reik mijn hand uit naar u. Wij gaan voor de commissie-Don en voor de vermogens van scholen. Maar dan verwacht ik van u ook het signaal dat we van Nederland echt een onderwijsland gaan maken. Daar horen investeringen bij.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Mevrouw de voorzitter. Op Prinsjesdag heeft het kabinet twintig werkgroepen geïntroduceerd, waarvan een zich gaat bezighouden met de heroverweging van het onderwijs. Gelukkig hoort het onderwijs ook bij die heroverwegingsoperatie, want wij zien haar in belangrijke mate als een mogelijkheid om alles wat er momenteel gebeurt in het onderwijs tegen het licht te houden. Het is goed om af en toe dingen tegen het licht te houden en bezien of er dingen kunnen worden verbeterd waarmee de kwaliteit van het onderwijs uiteindelijk kan worden verhoogd.

Laat ik eens één voorbeeld geven.

De heer Pechtold (D66):

Ik had het idee dat die werkgroepen vooral waren bedoeld om 20% te gaan korten.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De opdracht van de werkgroepen is om te bezien of er mogelijkheden bestaan om te bezuinigen. De plannen worden uiteindelijk op tafel neergelegd. Er is een politieke besluitvorming om daar dingen mee te gaan doen.

De heer Pechtold (D66):

Dat is volstrekt wat anders dan wat u zojuist zei. Als ik naar efficiency wil kijken of wil kijken hoe het met het onderwijs staat, dan moet dat een open vraag kunnen zijn waar ook uit zou kunnen komen dat je er 10% bij zal moeten doen. U weet echter dat de opdracht is om 20% generiek te korten. Ik vind het heel belangrijk dat de grootste fractie nu aangeeft: nee, dat is niet de bedoeling, want het onderwijs is ons heilig de komende jaren en het kan niet zo zijn dat daar dadelijk 20% van afgaat.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Zover als u gaat, ga ik niet. Ik zeg alleen dat er op dit moment door de brede heroverwegingsoperatie, ook op het terrein van onderwijs, wordt gekeken op welke manier dingen beter zouden kunnen. Ik kan mij voorstellen dat dingen misschien efficiënter kunnen en dat daar politieke besluitvorming over gaat plaatsvinden. De opdracht aan de werkgroepen is inderdaad: kijk of het effectiever kan, of wij 20% kunnen bezuinigen. Wij zien wel welke plannen er komen en welke besluitvorming daarover plaatsvindt.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Pechtold.

De heer Pechtold (D66):

Je kunt 100% bezuinigen als je wilt. U vertelt in uw eerste alinea een soort verhaal dat je een en ander tegen het licht kunt houden. Laat ik heel duidelijk zijn: voor mij geen bezuinigingen op onderwijs. Geen bezuinigingen op onderwijs. U houdt in uw eerste alinea open dat er 20% kan worden bezuinigd op onderwijs. 't Is maar duidelijk.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Welnu, ik ben benieuwd wat de inhoud zal zijn van de onderwijsplannen die u graag wilt voorstellen. Ik ben net begonnen met mijn eerste alinea. Wanneer ik verderga, zal ik duidelijk maken waar het onderwijs in de komende periode aan moet gaan voldoen.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik begrijp dat u nog een langer verhaal hebt, maar uw inleidende woorden klonken alsof u dacht: yes, eindelijk kunnen wij bezuinigen op het onderwijs, want dat heeft de CDA-fractie al zo lang gewild. Als u denkt dat wij het onderwijs echt tegen het licht kunnen gaan houden, wat zijn dan de keuzes die de CDA-fractie maakt? Waar is geld te halen?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Het is mooi dat u nu aan mij vraagt of ik de rest van mijn inbreng eventjes in deze interruptie wil brengen. Dan heeft mijn collega na mij twintig minuten extra spreektijd. Ik was echter net bezig om duidelijk te maken welke piketpalen wij zouden willen slaan in de heroverwegingsoperatie. Ik heb niet gezegd: hé lekker, wij kunnen gaan bezuinigen op onderwijs. Als u dat zo hebt verstaan, dan doet mij dat verdriet. Ik heb het woord "bezuiniging" niet genoemd in de eerste zin. Ik heb alleen gezegd dat het goed is dat van tijd tot tijd alles tegen het licht wordt gehouden om te bezien of dingen beter en effectiever kunnen plaatsvinden.

De heer Dibi (GroenLinks):

Tegen het licht houden is gewoon een eufemisme voor bezuinigen. Ik probeer het volgende duidelijk te maken. De CDA-fractie neemt Kameruitspraken, aangenomen moties, serieus. Er is een motie aangenomen van mevrouw Hamer waarin wordt gesteld: wij willen naar de top vijf. Nu las ik een interessante oproep van uw partijgenoot, tevens voorzitter van de HBO-raad, waarin hij zich afvroeg: hoe kun je aan de ene kant de regering oproepen om naar de top vijf van kenniseconomieën te gaan en aan de andere kant tegelijkertijd een ambtelijke werkgroep een heel kil bezuinigingslijstje laten produceren? Dat schuurt. Welke van de twee is het dus? Als u denkt dat wij zowel bij de top vijf kunnen horen als bezuinigen, dan moet u ook zeggen waarop u wilt bezuinigen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik heb tot op dit moment gezegd dat er in de heroverwegingsoperatie moet worden gekeken of dingen efficiënter en effectiever kunnen. De analyse die de heer Terpstra heeft gemaakt in zijn verantwoordelijkheid als voorzitter van de HBO-raad, is voor zijn rekening. Hij zegt dat het 5 mld. zou moeten zijn. Dat is een berekening die hij heeft gemaakt. Volgens mij zijn er nog vele andere mogelijkheden.

Voorzitter. Een van de elementen waarover op dit moment veel gesproken wordt, is innovatie. Elke keer wordt benadrukt dat onderwijs belangrijk is voor innovatie, maar in hoeverre is innovatie in het onderwijs van belang? In hoeverre zijn lesmethoden die wij in 1909 hebben gebruikt, nog steeds in 2009 te gebruiken? In hoeverre is de manier waarop het onderwijs is georganiseerd een methode die wij nu zouden moeten hanteren? Wat begon als een inkomenspolitieke maatregel op het terrein van de schoolboeken, blijkt op dit moment een buitengewoon innovatief effect te hebben. Je ziet dat er op heel veel scholen wordt nagedacht over de vraag hoe het onderwijsproces, zeker de lesmethoden, aanzienlijk kan worden verbeterd. Daarom denk ik dat het heel goed is om het begrip "innovatie" in het onderwijs een centrale plek te geven, zeker in die brede heroverweging.

In de afgelopen jaren hebben wij terecht veel aandacht besteed aan de emancipatie van vrouwen. Wij zien echter dat jongens in het onderwijs beginnen achter te lopen en slechter presteren op heel veel niveaus. Wij willen, ook in het kader van productiviteitsverhoging en rendementsverhoging in het onderwijs, aandacht vragen voor de positie van jongens. Wij willen bijvoorbeeld aan het SLO vragen of het docenten kan ondersteunen in het vinden van lesmethoden om de jongens beter te laten scoren.

In de heroverwegingen zou ook de rol van de gemeenten aan bod mogen komen. Wij zien dat veel gemeenten van mening zijn dat zij een oordeel moeten kunnen vellen over de kwaliteit van scholen en het onderwijs. Volgens ons is dat niet de rol van gemeenten. Volgens ons ligt die in belangrijke mate tot op dit moment op het terrein van de onderwijshuisvesting. Laat ze alsjeblieft niet de rol van de inspectie op zich nemen. Dat lijkt ons eerlijk gezegd niet de rol van gemeenten. Ze kunnen dat niet en ze zijn er ook niet toe in staat.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Het was nota bene een heel goede wethouder van het CDA, de heer Geluk, die zich er in Rotterdam wel mee bemoeide. Wij vinden dat juist heel goed. Dat betekent dat het gemeentebestuur, dat natuurlijk iets wil met onderwijsachterstanden en segregatie in de gemeente, goed onderwijs wil voor kinderen uit de gemeente. Het wil ouders goed kunnen informeren als een school dreigt af te glijden. Wij vinden het goed als gemeenten in die zin een standpunt innemen. Wat is daar mis mee?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Als de gemeente dat doet op basis van rapporten van de onderwijsinspectie en alle ouders informeert over alle scholen die zeer zwak zijn, is er niet zo'n groot probleem. Als er echter wethouders zijn die de indruk hebben dat een school zwak is en daarom die school willen straffen of daar bekostigingssancties willen treffen, vind ik dat er een serieus probleem is. Dat zat wel nadrukkelijk in de plannen die de wethouders van de G4 vorig jaar hebben gepresenteerd. Dan hebben ze een probleem.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Stel dat er in een gemeente een school is die de staatssecretarissen met de middelen die zij tot nu toe hebben, eigenlijk niet met een bekostigingssanctie kunnen treffen of kunnen sluiten en die school – of het bestuur ervan – doet niets om de onderwijskwaliteit te verbeteren. Dan is het toch fantastisch dat een wethouder een extra instrument, bijvoorbeeld gemeentelijke subsidies, kan inzetten? Als de school het onderwijs niet verbetert, kan de gemeente enkele gemeentesubsidies intrekken. Dat is toch een fantastisch extra instrument om die scholen ertoe aan te zetten wel wat te doen?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dat is een heel ander verhaal. In de situatie waarop ik doel, willen gemeenten scholen kunnen sluiten in relatie tot de bekostigingssanctie vanuit de rijksoverheid. Ik heb het niet over de gemeentelijke subsidies. Ik heb het over de bekostiging vanuit het departement. Gemeenten zouden zich daarover een oordeel willen aanmatigen om min of meer die besluitvorming te kunnen overnemen. Dan is mij een brug te ver.

Voorzitter. Voor ons is van belang dat de betrokkenheid van ouders bij het onderwijs heel erg groot blijft. Wij hebben gezien dat dankzij artikel 23 van de Grondwet de betrokkenheid van ouders in het Nederlandse onderwijsstelsel vele malen groter is als in welke andere EU-lidstaat ook of in de Verenigde Staten. Wat dat betreft heeft het zeer nadrukkelijk zijn waarde. Ouders kiezen voor scholen. Ook allochtonen kiezen voor bijzonder onderwijs en worden daar bijna altijd volledig toegelaten. Bij een enkele orthodoxe school is dat misschien een probleem, maar dat gebeurt dan niet alleen omdat de leerling allochtoon is. Als ik daar toegelaten wil worden, zou ik misschien ook niet worden binnengelaten, omdat ik onvoldoende respect betoon voor de principes en de identiteit van de school. Dat is dan terecht. Scholen hebben de ruimte om daar zo mee om te gaan.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Stel wij laten de orthodoxe scholen, de 3% of 4% van de scholen die echt een onderschrijving van de grondslag eisen, er even buiten. Als wij dan van 96% van de bijzondere scholen die al wel een gemengde leerlingenpopulatie hebben toegankelijkheid vragen, mits de leerling de grondslag respecteert, wat is daar dan op tegen?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij lost dat nog steeds niet het probleem op dat heer Jasper van Dijk min of meer wil oplossen. Het voegt voorts niets toe aan hetgeen op dit moment al gebeurt. Om die reden voel ik helemaal niets voor dat voorstel.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De heer Van Dijk gaat volstrekt niet in op het punt. Hij zegt trots dat bijna alle bijzondere scholen nu al toegankelijk zijn voor verschillende soorten leerlingen, misschien op een enkel misverstandje na. Waarom wil hij dat niet met ons afmaken en het gewoon netjes regelen?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Waarom zou ik iets gaan regelen wat in de praktijk al buitengewoon goed loopt? Waarom zou ik daarvoor wetgeving gaan maken, terwijl ik daar helemaal niks mee oplos? Laten wij nou eens stoppen met dit soort wetgeving. Laten wij het wat dat betreft gewoon houden zoals het nu is. In de praktijk levert het geen enkel probleem op. Ik zie echt niet waar de heer Jasper van Dijk mee bezig is. Ik denk dat het alleen maar een camouflage is voor het feit dat hij eigenlijk niet weet op welke manier je dit soort problemen wel moet aanpakken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nou, ik weet heel goed hoe je dit soort problemen moet aanpakken. Ik vind het antwoord op deze vraag echt buitengewoon zwak. Hier ligt een heel helder voorstel. Dat kan onduidelijkheid voor ouders wegnemen. Het CDA is een volwassen partij, maar toch weigert het om de een of andere principiële reden om mee te gaan met de tijd. Daar komt het op neer. De heer Van Dijk zei net dat wij toch nog eens goed moeten kijken naar de regels en wetten van 100 jaar geleden. Doe dat ook eens met dit artikel.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Misschien kan de heer Jasper van Dijk dat eens doen bij de methode waarbij frontaal les wordt gegeven, die hij zo verheerlijkt vergeleken met andere methodes. Wat de heer Jasper van Dijk net naar voren heeft gebracht, zie ik echt niet in. Hij heeft nog niet duidelijk kunnen maken welk probleem nu precies wordt opgelost met de maatregel die hij op tafel legt. Dat staat nog los van het feit dat de wetgeving die hij suggereert in de praktijk absoluut niet zou kunnen.

De heer Pechtold (D66):

Volgens mij nam de spreker van het CDA zojuist zelf het woord "probleem" in de mond. Hij zei: het is misschien geen groot probleem, maar het is wel degelijk bij een aantal scholen een probleem. Dat heeft hij zojuist gezegd.

Ik draai de vraag om. Als de heer Van Dijk het zelf als een probleem ziet dat enkele scholen zich achter artikel 23 verschuilen en op grond daarvan leerlingen weigeren, hoe moeten wij dat dan volgens het CDA aanpakken?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij heb ik niet gezegd dat dit een probleem was. Ik heb alleen maar gezegd dat het voorkwam. Dat is iets anders.

De heer Pechtold (D66):

Wij zullen het nalezen, maar volgens mij heeft de heer Van Dijk daarbij wel degelijk het woord "probleem" gebruikt, maar oké, het komt voor. Vindt hij het wenselijk dat er druk op artikel 23 komt? Ik zou liever wat minder prioriteit aan zo'n discussie geven; ik zou er ooit graag over beginnen. Het CDA zou toch mee moeten denken. Als het voorkomt zouden wij dat moeten reduceren tot nul. Wij zouden scholen moeten aanspreken op hun gedrag en hun duidelijk moeten maken dat zij de ruimte die artikel 23 nu geeft, in zekere zin misbruiken. Wat is dan de oplossing van het CDA? Ik vraag het CDA om eens met ons mee te denken om ervoor te zorgen dat het niet meer voorkomt.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De heer Pechtold gaat uit van het begrip "misbruiken", maar daar ga ik helemaal niet van uit. Ik vind het terecht dat men op een school kan zeggen: als iemand op deze school wil komen, maar niet de grondslag en de doelstellingen respecteert, dan moeten wij die leerlingen kunnen weigeren. Dat is hetgeen wat in artikel 23 staat. Ik moedig geen enkele school aan om daar veelvuldig gebruik van te maken, maar een school heeft het recht om dat te doen.

De heer Pechtold (D66):

Daarnet maakte de heer Van Dijk zelf het verschil tussen respecteren en onderschrijven. Ik denk dat daarin de crux zit. Ik denk dat er ook nu scholen zijn die op de verkeerde grondslag leerlingen weigeren. Laten wij gewoon man en paard noemen: dat zijn de leerlingen van allochtone herkomst. De heer Van Dijk zegt zelf dat het voorkomt. Als het een maatschappelijk probleem is, dan is naar mijn mening ook het CDA verplicht om mee te denken over een oplossing daarvoor. Ik zou het zeer op prijs stellen als het CDA het signaal geeft dat ook geen goede zaak te vinden.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Wellicht kunt u een aantal concrete gevallen aandragen waarin dit gebeurt.

De voorzitter:

Maar niet nu.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Uit de cijfers blijkt zeer nadrukkelijk dat het bijzonder onderwijs op dit moment een evenredig deel neemt. Kijk wat dat betreft ook naar de rapporten in de grote steden. Allochtone leerlingen zijn daar minimaal met hetzelfde percentage vertegenwoordigd als op andere scholen.

De heer Dibi (GroenLinks):

Volgens mij neemt twee derde van de bijzondere scholen de helft van de achterstandsleerlingen op. Een derde van de openbare scholen neemt de andere helft op. Verhoudingsgewijs nemen zij dus wel minder op. Het is oneerlijker verdeeld, maar ik heb een andere vraag. U hebt zelf een initiatiefnota over kleine scholen. U wilt een aantal eisen stellen voor het stichten van scholen. Dat schuurt aan artikel 23. Er kwam ook kritiek vanuit christelijke hoek. Toch was u bereid om daarover na te denken. Daarin bent u ook te prijzen. Voor de acceptatieplicht hoef je artikel 23 eigenlijk niet te wijzigen. Dan snap ik deze dogmatische houding over de acceptatieplicht niet. Al die scholen worden met belastinggeld, dus met gemeenschapsgeld, bekostigd. Waarom hebt u aan de ene kant wel een open vizier in de discussie, maar aan de andere kant zo'n dogmatische houding?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Uw eerste punt, dat u werd ingefluisterd door de heer Jasper van Dijk, was dat twee derde van de scholen behoort tot het bijzonder onderwijs en dat die scholen slechts de helft van het aantal allochtone leerlingen opnemen. Als we een dergelijk onderzoek gaan doen, is het verstandig om de exacte cijfers met elkaar te vergelijken. Ik wijs met name op de situatie in de grote steden, waar het bijzonder onderwijs op dit moment wat allochtone leerlingen betreft meer dan zijn evenredige deel voor zijn rekening neemt. U vroeg ook waarom ik geen open vizier heb. Ik heb een open vizier voor alles, maar ik moet helder hebben welk probleem ik precies aan het oplossen ben. Noch door u, noch door de andere personen die net het woord hebben gevoerd, is mij duidelijk gemaakt dat wij via een acceptatieplicht het probleem oplossen. Ook u hebt tot op dit moment nog geen helder signaal afgegeven waaruit blijkt dat wij het probleem hiermee oplossen.

De heer Dibi (GroenLinks):

Deze scholen worden bekostigd door belastinggeld. Ze hebben wel het recht – dat krijgen zij van u – om een deel van de mensen die belastinggeld betalen, te weigeren. Dat is toch niet te verkopen? U zegt: laten we dan wel naar de goede cijfers en de feiten kijken. Bent u dan bereid om deze bewindspersonen ertoe op te roepen om even te kijken naar het aandeel van achterstandsleerlingen op bijzondere scholen en openbare scholen? Dan kunnen we daar op een later moment een feitelijk en inhoudelijk debat over voeren.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik ben altijd bereid om over welke cijfers dan ook met u van mening te gaan verschillen. Eh, van mening te gaan wisselen. "Verschillen" zal ongetwijfeld de conclusie zijn. Ik was één stap te snel.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

De heer Van Dijk heeft een mooi initiatiefvoorstel gemaakt om kleinere scholen langer open te houden, maar vindt hij niet dat een acceptatieplicht zou behoren bij die situatie?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dit is volgens mij een herhaling van zetten, want dit hebt u ook gevraagd toen de initiatiefnota werd besproken in de Kamer.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik hoopte dat u van gedachten zou zijn veranderd.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Nee. Voortschrijdend inzicht vindt bij mij ook wel plaats, maar op een bepaald moment heb ik dan een standpunt ingenomen. Dan moeten er heel sterke argumenten zijn om daarvan af te wijken. Die argumenten heb ik nog niet gehoord.

De voorzitter:

U vervolgt nu uw betoog. Het lijkt mij dat wij de heer Van Dijk nu zijn betoog laten afmaken. Als het nog nodig is, kunt u hem dan eventueel nog interrumperen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik heb nog een hele hoop. Ten aanzien van het profijtbeginsel in het hoger onderwijs hebben wij vorige week al helder aangegeven dat wij het jammer vinden dat het wetenschappelijk onderzoek niet is meegenomen bij de brede heroverweging van het hoger onderwijs. Wij denken dat dit hoort bij de visie op de universiteit. Dat is een plek waar zowel onderwijs als onderzoek plaatsvindt. Als je wel over het ene wilt gaan praten en wilt nadenken over hoe je het op dat terrein beter zou kunnen doen, is het verstandig om ook het andere deel erbij te nemen. Over de studiefinanciering, waarover de afgelopen dagen nogal wat discussie is geweest, hebben wij helder aangegeven dat bij het nieuwe stelsel dat er eventueel zou kunnen komen, toegankelijkheid op basis van de sociaaleconomische achtergrond voor ons het ijkpunt is. Daar willen wij datgene wat uiteindelijk naar voren komt, op toetsen.

Een belangrijke taak en opdracht van het onderwijs is het ontdekken en ontplooien van talenten. De docenten hebben de zware taak om ervoor te zorgen dat zij de talenten die ieder persoon in zich heeft, weten te vinden en te ontplooien. Daartoe is het van belang dat rekenen, taal en andere onderwerpen hun plek in het onderwijs zullen krijgen. Er moet niet alleen naar rekenen en taal worden gekeken, maar ook naar andere onderwerpen, zoals het leren samenwerken, het leren leren en het zelfstandig leren werken. Dat zijn ook belangrijke onderwerpen die in het onderwijs moeten terugkomen.

Bij rekenen en taal valt het ons op dat deze onderwerpen op dit moment gereduceerd lijken te worden tot alleen maar meer aandacht voor wiskunde en Nederlands. Dat betreuren wij. Wij denken dat het juist goed is wanneer wij de taak van rekenen en taal breder maken, zeker in het voortgezet onderwijs. Wij moeten dat een bredere verantwoordelijkheid maken, ook bij andere vakken dan wiskunde en Nederlands.

Docenten zouden in onze ogen alles uit de kast moeten halen om de nieuwsgierigheid van de leerlingen te prikkelen. Goede docenten kunnen dat, andere docenten zijn daar wat minder goed in. In hoeverre kunnen de opleidingen dat op een goede manier stimuleren? Het rapport van de KNAW van de afgelopen week heeft aangetoond dat het bereiken van een goed rekenniveau niet zozeer afhankelijk is van de methode die een leerling volgt, als wel van de kwaliteit van zijn docenten. Die is allesbepalend voor het behalen van een goed niveau. Daar hebben wij goede lerarenopleidingen, pabo's, voor nodig. Vorige week hebben wij al een discussie gehad over de pabo's. Wij zijn voorstander van een vroege specialisatie zonder dat dit automatisch een differentiatie in de bevoegdheid inhoudt.

Als je de opleiding hebt afgerond, word je voor de klas gezet. Het lijkt ons verstandig dat er op dat moment een goede begeleiding is. De docenten weten wel min of meer de gereedschapskist met de lesmethoden te vinden, maar zij weten nog lang niet altijd hoe zij op een goede manier met al die lesmethoden moeten omgaan. Het lijkt ons van groot belang dat er meer tijd en ruimte komt voor ofwel de school ofwel de pabo's om voor een goede begeleiding te zorgen.

Docenten die er al zijn, zouden wat ons betreft gestimuleerd kunnen worden om de intercollegiale intervisie meer handen en voeten te geven. In die intervisie krijgt de één een spiegel voorgehouden met zijn goede of minder goede elementen, en de ander ziet op welke manier hij de dingen kan doen. Er zou een register moeten komen voor docenten of leerkrachten. Daarin kunnen zij zich laten registreren wanneer zij een opleiding hebben gedaan. Dat lijkt ons een beter instrument dan een website bevoegd.nl of onbevoegd.nl in het leven te roepen.

Een element waar wij in het onderwijs veelvuldig tegen aanlopen, is het gebrek aan mobiliteit. Dat heeft voor een belangrijk deel te maken met de cao die in het primair en voortgezet onderwijs nog steeds geldt. Dat is geen thema dat wij hier eventjes kunnen aftikken. Wij roepen de sociale partners wel op om een einde te maken aan het nog steeds geldende lifo-principe in de cao's. Dan kan er toch wat meer mobiliteit komen en is er een betere afspiegeling.

Naast goede docenten is goed leiderschap op scholen van belang. Ook daar geldt de discussie die mevrouw Kraneveldt vorig jaar aan de orde heeft gesteld. Zorg voor goede schoolleiders op scholen. In dat kader is niet alleen de NSA van belang, maar ook dat register. Wij hebben de begroting goed doorgenomen en gezien dat er op het terrein van de schoolleiders op dit moment een pijnpuntje zit. Wij vragen de staatssecretaris waarom zij heeft gekozen voor een bezuiniging van 90 mln. op de lumpsumfinanciering. Met het oog op het rapport van de commissie-Don vragen wij ons af of dit het goede signaal is. Heeft de staatssecretaris gezocht naar alternatieven om deze bezuiniging niet te laten plaatsvinden? Wij wachten met belangstelling het antwoord af en kijken dan hoe wij daar verder mee zullen omgaan. De CDA-fractie voelde enige spanning bij het rapport van de commissie-Don, waarin bepleit wordt dat er meer expertise moet komen en aan de andere kant op dit terrein 90 mln. bezuinigd moet worden.

Dan het thema van de subsidies. De CDA-fractie heeft bij deze begrotingsbehandeling het departement gevraagd om een overzicht van alle subsidies en fondsen die er zijn ter ondersteuning van het onderwijsproces. Ik dank de staatssecretarissen en de minister hartelijk voor het overzicht dat wij hebben gekregen, want het is volgens mij voor het eerst dat we dit overzicht nu een keer hebben. Ik heb geprobeerd om in de begroting al deze postjes terug te vinden, maar ik heb ze niet gevonden. Ik ben dus blij dat we dat overzicht nu hebben. Ik wil graag de toezegging dat we al deze posten in de komende jaren elke keer opnieuw in de begroting kunnen terugvinden. Mijn indruk is dat er nog meer subsidies zijn, die misschien niet zozeer ter ondersteuning dienen van het onderwijsproces. De CDA-fractie heeft die subsidies doorgenomen en wij weten natuurlijk niet exact wat elke subsidie en detail precies voorstelt. Ook door navraag bij scholen hebben we op dit moment toch een wat ongemakkelijk gevoel bij alle fondsen en subsidies die er bestaan. De CDA-fractie stelt voor dat er in het kader van de brede heroverwegingswerkgroepen expliciet gevraagd wordt om ook deze subsidies en fondsen tegen het licht te houden en te kijken hoe we daarmee zouden moeten omgaan. De uitkomsten daarvan worden ongeveer in maart bekend. De CDA-fractie ontvangt dan graag voor 1 mei een plan waarin wordt aangegeven wat er precies met deze fondsen en subsidies gedaan zal worden. Wij kunnen ons drie opties voorstellen.

Ten eerste zou kunnen blijken dat we met sommige subsidies kunnen stoppen. Omdat ze niet meer effectief zijn en hun tijd hebben gehad, lijkt het ons verstandig om ze af te schaffen. Ten tweede zouden we van sommige subsidies kunnen zeggen dat we nog wel achter hun doelstelling staan, maar dat we het verstandiger vinden dat we daar geen aparte regeling meer voor hebben. Die kunnen we dan bijvoorbeeld gewoonweg in de lumpsum doen en aan scholen vragen om daarover apart te rapporteren. Ten derde zouden sommige instellingen, die zich met hetzelfde onderwerp bezighouden, samengevoegd kunnen worden zodat we ook op dat terrein enige stroomlijning zouden kunnen hebben. De CDA-fractie wil graag voor 1 mei weten wat de visie van het kabinet daarop is en hoe daarmee om te gaan.

Dan is er het onderwerp van de huisvesting. De CDA-fractie vindt het goed dat daarover nog eens wordt nagedacht. Staatssecretaris Dijksma heeft afgelopen weekend bij de uitreiking van een prijs een nadrukkelijk pleidooi gehouden en een visie neergezet, omdat zij denkt dat het verstandig is dat jeugdzorg, kinderopvang en uiteindelijk de scholen over een aantal jaren bij elkaar komen. Ik vraag me af of het een verstandige keuze is om de jeugdzorg daarbij te voegen, maar ik vind het heel verstandig om eens goed na te denken over het samenvoegen van de kinderopvang en de scholen. Dat zorgt er echter voor dat er dan ook actie moet kunnen plaatsvinden. Het is verstandig als dat gebeurt met twee partners die ook werkelijk iets kunnen zeggen over de huisvesting. Daarom acht ik het van groot belang dat er goed onderzoek wordt gedaan in hoeverre we dan ook de huisvestingsgelden in het primair en het voortgezet onderwijs uiteindelijk ook bij de scholen terecht kunnen laten komen. Dan kunnen wij op een goede manier discussiëren over de inrichting van gebouwen, ook met de kinderopvang. In opdracht van de PO-Raad wordt er in januari een rapport uitgebracht waarin dit soort dingen nadrukkelijk worden beschreven en onderzocht. Ik kan mij voorstellen dat wij kort daarna een reactie krijgen van het kabinet. Het is bekend in welke richting mijn fractie denkt. Zij is van mening dat er nu spijkers met koppen moeten worden geslagen om dit soort dingen te kunnen doen. In dit kader heeft het mij enigszins verbaasd dat het kabinet in mei/juni een brief aan alle scholen heeft geschreven waarin het schrijft dat de lumpsumfinanciering niet gebruikt zou mogen worden voor onderhoudsmiddelen of voor aanpassingen in de huisvesting. Daar ben ik eerlijk gezegd wel een beetje verbaasd over. Ook over de crisismaatregelen heb ik nogal wat kritische geluiden gehoord van scholen. Men vindt het toch wel lastig, soms omdat de gemeenten niet willen of omdat SenterNovem niet direct een constructieve bijdrage heeft geleverd aan de discussie of omdat de regeling niet helemaal duidelijk is. Ik heb de indruk dat hier ook nog wel het een en ander kan worden verbeterd.

De heer Van der Vlies (SGP):

Ik vind eerlijk gezegd dat collega Jan Jacob van Dijk nu heel snel gaat. Ik heb de toespraak van de staatssecretaris natuurlijk ook tot mij genomen en ik zie daaraan de positieve kanten, maar vooralsnog ook wel wat consequenties voor "onderwijsland". Daarover wil ik wel een begin van een doordenking hebben, voordat ik daarop positief inhaak. De heer Van Dijk doet dat nu al. Dat verbaast mij een beetje.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Dat het u verbaast, is misschien terecht, maar wij hebben al eerder aangegeven dat het in het kader van de brede schoolgedachte heel positief zou kunnen zijn als peuterspeelzalen en de kinderopvang er dichtbij zouden komen. Wat dat betreft verbaast het mij dat u verbaasd bent dat wij positief tegenover dit punt staan. Dit is een suggestie die wij al eerder naar buiten hebben gebracht. Wij hebben nadrukkelijk aangegeven dat het goed is als die zaken dichtbij elkaar komen.

De heer Van der Vlies (SGP):

Het thema van de brede school is volgens mij net iets meer en iets anders dan hetgeen zojuist werd bepleit. Het kan erin passen. Dat horen wij morgen wel. Het kan echter niet zomaar overal worden geprojecteerd. Dat is mijn stelling. In een stedelijke agglomeratie gaat dat gemakkelijker dan in een plattelandskern, om het zo maar uit te drukken.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik ben dat volledig met u eens, maar het enige wat ik op dit moment aan de staatssecretaris heb gevraagd, is om een serieuze discussie te voeren over de vraag waar die huisvestingsgelden precies terechtkomen. Deze komen nu bij de gemeenten terecht. Als wij dan een dergelijke suggestie willen doen, zitten wij met drie partijen om de tafel: de gemeente, de school en de kinderopvang. Zou het in dat licht niet verstandig zijn om ervoor te zorgen dat de huisvestingsgelden ook bij de scholen terechtkomen, zodat scholen in een evenwichtige situatie en een gelijkwaardige positie ten opzichte van de kinderopvang komen te staan voor wat betreft de huisvesting? Daarbij komt dat er ook nog wel eens discussies worden gevoerd over het onderhoud en wie nu precies waarvoor verantwoordelijk is. Ons lijkt het van belang dat ook op dat punt die gelden zo snel mogelijk naar de scholen gaan. Als het de schoolbesturen verstandig lijkt om dat toch bij de gemeenten te houden, dan is dat het goed recht van de scholen, maar wij zouden wat dat betreft, om het in Bijbelse termen te gieten, het eerstgeboorterecht bij de scholen willen leggen en niet bij de gemeentebesturen.

Dan heb ik nog een vraag over het Vervangingsfonds. In het primair onderwijs bestaat op dit moment nog steeds een verplichte aansluiting bij het Vervangingsfonds. Als wij dit goed op ons laten inwerken, zien wij dat besturen van grote scholen daarvan meer profijt hebben dan besturen van kleine scholen. Is het dan nog terecht dat wij die verplichting in het Vervangingsfonds overeind houden? Ook daarover willen wij graag een discussie.

Wat mij betreft zijn er dan nog twee onderwerpen. Het eerste is dat van de demografische krimp. Dit is het derde jaar dat ik de begroting mag bespreken en ook het derde jaar dat ik dit onderwerp naar voren breng. Volgens ons is dit een buitengewoon belangrijk onderwerp. In de rapportage van de Raad voor de financiële verhoudingen staat dat er op bijna alle andere terreinen geen financiële problemen hoeven te zijn, behalve op het terrein van de bekostiging van het onderwijs. In de reactie van de staatssecretaris zie ik daarvan onvoldoende weerslag. Ik zou dus graag zien dat zij daarop ingaat. Ten tweede is er het onderwerp van de nieuwe opleidingen in het hoger onderwijs. Er zijn diverse plekken waar men graag nieuwe opleidingen wil hebben. Ik ben blij dat de toezegging is gedaan dat in Almere opleidingen gestart kunnen worden, maar wij horen dat er nog steeds problemen zijn ten aanzien van Den Haag en Apeldoorn. Wij krijgen, zeker in het licht van de discussie over macrodoelmatigheid, op dat punt graag op korte termijn uitsluitsel.

Ik rond af. Ik ben begonnen met het onderwerp van de brede heroverwegingen. Sommigen hebben gezegd dat dit een kille bezuiniging is, maar wij zien die brede heroverweging in belangrijke mate als een kans, om ervoor te zorgen dat wij goed onderwijs krijgen. De motie-Hamer, die door de Kamer is aangenomen, is voor ons een leidend perspectief. Wij willen tot de top vijf gaan behoren, maar dat betekent niet automatisch dat er per se meer geld bij moet dan nu het geval is. De doelstelling is belangrijker dan het geld.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vind het nog altijd onbegrijpelijk dat het CDA denkt dat de werkgroepen niet zijn ingesteld om 20% aan bezuinigingen te zoeken. Het is glashelder voor heel Nederland dat dit wel het geval is, behalve voor u.

Ik wil het even hebben over de werkgroep hoger onderwijs. Er is geopperd dat de studiefinanciering in één keer kan worden omgezet in een leenstelsel. Is het CDA daar nu voor of tegen?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij heb ik in mijn verhaal nadrukkelijk aangegeven dat wij het uiteindelijke resultaat zullen beoordelen op één element, namelijk de vraag in hoeverre de toegankelijkheid op sociaaleconomische achtergrond nog steeds op een goede wijze is gegarandeerd. Dat is het element waar wij naar kijken. Ik wacht rustig af welk stelsel of welk plan er op tafel komt. Dat zullen wij vervolgens afmeten aan dat element.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vind het een beetje een wazig antwoord. Ik heb hier voor mij juist een heel duidelijke afspraak van de heer Jan Jacob van Dijk van 17 oktober 2007: wat ons betreft wordt de basisbeurs niet afgeschaft. Is dat het staande standpunt van de CDA-fractie of bent u gedraaid, mijnheer Van Dijk?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik ben nog helemaal niet gedraaid. Bovendien was de situatie van 2007 totaal anders dan de situatie waar wij op dit moment voor staan. Ik heb heel nadrukkelijk aangegeven welk criterium wij hanteren bij de beoordeling van een nieuwe vorm van studiefinanciering. Wij vinden dat er geen verslechtering mag plaatsvinden van de toegankelijkheid tot het hoger onderwijs op basis van sociaaleconomische achtergrond. Welk stelsel er precies uitkomt, weet ik nog niet. Wat mij betreft is geen enkel stelsel heilig.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik vind het heel jammer. Op dit punt dacht ik dat de fracties van het CDA en de SP samen optrekken. Studiefinanciering is een belangrijk middel om de toegankelijkheid van het onderwijs te regelen. Andere meer liberale partijen roepen nu dat het een leenstelsel moet worden. U was in 2007 ook heel helder, mijnheer Van Dijk: de basisbeurs wordt niet afgeschaft. Het is nu 2009. Ik zou het heel jammer vinden als u dat prachtige standpunt uit 2007 zou verlaten.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Volgens mij bent u in 2007 ingeslapen en bent u in 2009, volgens mij op 9 november, wakker geworden en is het volstrekt aan u voorbij gegaan dat de wereld iets anders is geworden dan hij in 2007 was.

De heer Biskop (CDA):

Voorzitter. Het omzetten van talent van vakmanschap, dat is de opdracht voor het beroepsonderwijs. Op WorldSkills in Canada scoorde Nederland afgelopen zomer twee medailles. Er was twee keer zilver, namelijk voor de hoveniers uit Zeeland en voor een CAD-tekenaar, ook al uit Zeeland. Het beroepsonderwijs meet zich op het hoogste niveau. Talenten in ontwikkeling. Daarvoor is ook nodig dat er aansluiting is met het bedrijfsleven. Hoe staat het met de betrokkenheid van de ondernemers? Zijn zij alleen in beeld als mogelijke stageplek of wordt er daadwerkelijk rekening gehouden met hun wensen en mogelijkheden?

Bestaand talent kan nieuw talent ondersteunen. Ervaren beroepskrachten staan vaak aan de kant terwijl jong talent het met weinig begeleiding moet stellen. Eerder heeft de CDA-fractie al gesproken over een meester-gezelmodel. Wat is de visie van de staatssecretaris daarop? Welke mogelijkheden ziet het kabinet om oud talent in te zetten om nieuw talent te begeleiden? Mijn collega Eddy van Hijum had het vorige week over het werkmaatje. Misschien is dat ook een idee voor het onderwijs. Vakmanschap en ambachten, gisterenavond konden wij op het NOS-journaal nog zien dat ambachtelijk bezig zijn loont. Het verdient later ook nog goed, beter nog, zo zei een van de leerkrachten, dan menige hbo-opleiding.

Het vmbo is tien jaar oud en de laatste tijd wat positiever onder de aandacht. Niet alle vmbo-jongeren krijgen even makkelijk het theoretische leren onder knie. Daarom is het goed dat er bijvoorbeeld een versoepelde overgang is naar het mbo via de VM2-trajecten.

Wat de CDA-fractie betreft zijn er rond het vmbo vier aandachtspunten. Het eerste is dat er meer perspectief moet komen voor de theoretische leerweg door eens te kijken naar een mogelijke samenvoeging met de gemengde leerweg, zodat alle jongeren enige beroepservaring meekrijgen. Dit maakt het systeem bovendien een stuk eenvoudiger. Het tweede punt is het versterken van de relatie tussen het onderwijs en het bedrijfsleven. De vraag is wat de staatssecretaris kan doen om die samenwerking op regionaal te faciliteren. Het derde punt is het verbeteren van loopbaanoriëntatie en begeleiding. Het lijkt er in de praktijk nog niet altijd van te komen. Waar schort het nu precies aan? Een betere studiekeuze leidt immers tot minder schooluitval. Het vierde punt is het bewaken van de overstap van het vmbo naar het mbo. Ik had het net over het VM2-traject, maar wellicht zijn er mogelijkheden om AKA-trajecten op het vmbo te doen. Hoe staat het met zomercursussen waarmee die overgangen kunnen worden gefaciliteerd?

Over het mbo kan ik relatief kort zijn. Verleden week hebben wij daarover met de staatssecretaris uitgebreid gesproken. Ik wil haar het volgende meegeven over het idee van de MBO Raad om het mbo te splitsen in niveau 1,2 en niveau 3,4. Welke naam u eraan hangt, gaat u nog met de MBO Raad en de werkgevers en de werknemers bespreken. "What's in a name?", zou Shakespeare zeggen. Wat de CDA-fractie betreft, gaat het om een goed idee. Wij wachten het dus graag af.

Ik maak nog een klein punt in de richting van de minister. Verleden jaar heb ik een motie ingediend over het restauratie-opleidingproject. Pas anderhalve maand geleden heeft de minister aan het project laten weten dat hij de subsidie voor twee doorzet. Dat is mooi, maar dat is niet wat de motie vroeg. Destijds heb ik de motie aangehouden, omdat de minister zei dat hij met een oplossing zou komen. Wij hebben evenwel gevraagd om het budget meer uit de onderwijspoot te halen en niet uit de cultuurpoot. Ik heb begrepen dat u in de notitie over modernisering van het monumentenbeleid wel voor een structurele oplossing gaat wat dat betreft. Goed, ik wacht het af. Dezelfde motie van verleden jaar heb ik voor de zekerheid in ieder geval weer bij mij.

Voor de zoveelste keer spreek ik over de WVA. De doorleenconstructie kan worden toegepast, zo heb ik laatst uit een brief begrepen. De staatssecretaris zegt echter: voor de kleine ondernemer kan ik niets doen. Ziet de staatssecretaris dan andere mogelijkheden om stageplaatsen bij kleine bedrijven te stimuleren?

Ik kom te spreken over het voortijdig schoolverlaten. Jongeren die uit het onderwijs uitvallen, missen een belangrijke gelegenheid om hun talent om te zetten in vakmanschap. Preventie is beter dan oplossingen zoeken aan de achterkant van dit probleem. Elk verzuim is te veel; een spijbelaar zet zich buitenspel, ook al zitten de spijbelaars in Vlaanderen op school. Met dank aan de staatssecretaris voor de sublieme uitvoering van mijn motie ter zake!

Spijbelen is niet cool, niet chique, niet vet. Ik heb dat ook betoogd. Ik heb daarvoor een vijfpuntenaanvalsplan overhandigd. Ik moet zeggen: dat is ook in den lande aangeslagen, want ik mocht het vrij breed verspreiden. In verband met voorkomen van voortijdig schoolverlaten heeft collega Knops een motie ingediend die een plan bevat voor een opleiding met een 24-uursopvang, een internaat voor vrede en veiligheid. Dit is niet alleen een kans voor Defensie, maar zeker ook voor een groep jongeren die het risico lopen uit te vallen en die een baan bij Defensie wel zien zitten. Komt dit plan er nu en welke bijdrage zal er door OCW geleverd kunnen worden om zo'n internaat te realiseren?

Nu iets over leerlingen voor wie taal en rekenen niet echt hun ding zijn; vaag taalgebruik, zo heb ik verleden week begrepen. Niet alle leerlingen fietsen op hun gemak door het Nederlandse onderwijssysteem heen. Met extra aandacht voor rekenen en taal, zoals mijn collega zojuist volledig terecht heeft opgemerkt, ontstaat er wel een problematische groep leerlingen met dyslexie en dyscalculie. Zij dreigen uit te vallen. Als wij voor alle diploma's zonder meer ook goede prestaties eisen bij allerlei toetsen voor rekenen en taal, komen deze leerlingen slecht weg. Daarbij blijkt dat dyslecten het goed doen in technische studies en dat leerlingen met dyscalculie zich vaak prima weten te redden in zorg en welzijn.

Verleden jaar heb ik een motie ingediend over dyslexie. Die heeft een opgave opgeleverd van wat er allemaal aan hulpmiddelen is. Een integrale aanpak miste ik echter. Graag een reactie van de staatssecretaris.

Het didactisch expertisecentrum blinden en slechtzienden is aan de orde geweest. Onze indruk is dat dit zichzelf terugverdient. 25% van de blinden werkt vaak onder hun capaciteiten. Komt dat expertisecentrum er nu? Wat is het effect van het faillissement van Vizirus?

Er zijn leerlingen die iets extra's nodig hebben. Ten aanzien van passend onderwijs komen wij later hierop terug. Ik heb begrepen dat dit na het kerstreces zal zijn. De CDA meent dat ieder kind de kans moet krijgen om zijn talenten te ontwikkelen. Voor de CDA-fractie behoort daartoe ook een integrale indicatiestelling. Wij moeten niet voor elk beleidsterrein – AWBZ, UWV, Wmo, WSW, OCW – iedere keer opnieuw indiceren, vaak voor dezelfde beperkingen. Dat is ondoenlijk voor de betrokkene en het is weggegooid geld. Naar mijn mening geldt hier: Leef met vlag en wimpel, maar houd het simpel.

Dat is van Koot en Bie. Dat is mijn generatie. Het is cultuur optima forma.

Het wel en wee van de REA-colleges is in de Kamer regelmatig aan de orde geweest. Een jaar geleden is een motie aangenomen om te komen tot een andere wijze van financieren. Hoe staat het daarmee? Hoe loopt een en ander mee in het traject passend onderwijs?

Het praktijkonderwijs bereidt leerlingen voor op een zelfstandig functioneren in de maatschappij, op goed burgerschap en op werk. Wie vindt het niet belangrijk om een eigen baan te hebben en zelf geld te verdienen? Voor veel leerlingen is het praktijkonderwijs het eindonderwijs. Na afloop gaan zij aan de slag bij de baas. Ook in het praktijkonderwijs wordt gewerkt met duale trajecten: werken en school. Ik zie daarin een zekere overlap met de mbo-trajecten. Ziet de staatssecretaris er iets in om ook VM2-trajecten voor de praktijkscholen mogelijk te maken, zo mogelijk in combinatie met werken in de praktijk?

Eerder heb ik gesproken over vakcertificaten voor praktijkschoolleerlingen met een bekostiging via het onderwijs. Hoe staat het daar mee?

Een bijzondere categorie kinderen volgt het vso in de justitiële jeugdinrichtingen. Daar knelt de onderwijswetgeving soms. Ik denk bijvoorbeeld aan de vakanties. Er wordt in de schoolvakanties geen les gegeven, maar in tegenstelling tot andere jongeren kunnen deze kinderen niet buiten gaan spelen. Waar een JJI-kind automatisch een vso-indicatie krijgt omdat het lesgeven in een justitiële jeugdinrichting nu eenmaal onder het vso valt, kan bij het verlaten van de instelling een vso-indicatie belemmerend werken.

Graag zou ik zien dat een inventarisatie van de knelpunten wordt verricht en een plan van aanpak wordt opgesteld om deze aan te pakken. Hebben deze knelpunten er mee te maken dat vso onder het primair onderwijs en niet onder het voortgezet onderwijs valt? In België zien wij een schoolsoort waarin vso en praktijkonderwijs is samengevoegd. Die is daar erg succesvol. Zou dat ook iets zijn voor Nederland?

De CDA-fractie heeft speciale aandacht voor het ondernemerschap. Heeft de minister voldoende zicht op de manier waarop het ondernemerschap in de verschillende onderwijstypen aan bod komt? Kan hij zeggen hoe succesvol het beleid van het ministerie van OCW en het ministerie van EZ tot nu toe is? Leidt dit ook echt tot meer ondernemerschap in het onderwijs? Ik wil niet alleen dat het onderwerp als zodanig aan de orde komt, maar ik wil ook aandacht voor de vraag of er voldoende ruimte is om het ondernemerschap in het onderwijs te beleven. Die ruimte is er mijns inziens op kleine schaal in Nederland. Ik denk aan initiatieven op de Universiteit Twente. Ik was echter in Aken erg onder de indruk van de bedrijfjes die professoren met studenten daar hebben rondom de universiteit. Wordt dit in Nederland voldoende gestimuleerd? Zeker in een crisistijd lijkt het mij een heel goede zaak om dat te doen. Komen ook de ethische kanten van het ondernemerschap op school voldoende aan bod?

De hogeschool voor de journalistiek liet onlangs zien dat het pover is gesteld met de bescherming van leerlinggegevens op het intranet. De CDA-fractie heeft enkele mbo-studenten uitgenodigd om onderzoek te doen naar deze kwestie. De vraag was, om eens rond te kijken op het internet en om eens te kijken of het inderdaad zo eenvoudig is om aan leerlinggegevens te komen. Zij merken op dat de websites er vaak professioneel en veilig uitzien, maar dat het grootste gedeelte van de site minstens één fout telt die door kwaadwillenden gebruikt kan worden om toegang tot het systeem te verkrijgen. Beveiligingsfouten variëren van simpele puntjes die geen schade kunnen toebrengen, tot softwarepakketten die al jaren geleden geüpdatet hadden moeten worden. Omdat de jongens van mij niet echt mochten hacken, wat zij graag hadden gewild, konden zij de leerlinggegevens niet bereiken. Zij wisten mij echter wel te vertellen dat de veiligheidslekken zodanig zijn, dat kwaadwillenden die gegevens best zouden kunnen bereiken. Ik heb dit allemaal in een rapport laten opschrijven door de studenten. Als de minister daarin geïnteresseerd is, zal ik hem na het debat een exemplaar overhandigen. Ik vraag hem welke maatregelen hij denkt te kunnen nemen om dit type zaken te voorkomen. Ik vraag hem ook om scholen erop te wijzen dat zij hun updates beter in de gaten moeten houden.

Ik kom ten slotte op Wikiwijs. Nieuw, eigentijds talent op onderwijsgebied kan zich gaan uitleven binnen Wikiwijs. Het is bekend dat de CDA-fractie een warm voorstander is van dit type mogelijkheden voor leerkrachten om hun eigen onderwijs vorm te geven. Kan de minister de Kamer informeren over de stand van zaken, met name over de ontvangst van Wikiwijs in de praktijk? Wat zijn de reacties? Is het een idee om binnen Wikiwijs een afdeling te maken waarin voor docenten relevante onderzoeksresultaten vertaald naar de praktijk zijn terug te vinden? Er wordt immers veel onderzoek gedaan naar de verbetering van de onderwijspraktijk. De resultaten van dat onderzoek vinden niet altijd even gemakkelijk hun weg naar de praktijk van alledag. Ik hoor graag een reactie van de minister.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Voorzitter. Onderwijs stelt mensen in staat om zelf keuzes te maken in het leven. Het levert ze een diploma op en een startpositie op de arbeidsmarkt. Op die manier kunnen zij het eigen brood verdienen en dat blijven verdienen. Bij het laatste denk ik aan volwassenenonderwijs. Een leven lang leren geeft meer zekerheid dan rigide ontslagbescherming. Onderwijs betekent vrijheid en onafhankelijkheid.

Niet alleen voor een individu is onderwijs van belang, maar ook voor Nederland als geheel. Onderwijs is immers de basis van onze kenniseconomie, het zorgt voor een goed opgeleide beroepsbevolking en het levert de dragers van de toekomstige samenleving.

Investeringen in beter onderwijs in Nederland zijn dus hard nodig. Onlangs daalde Nederland van de achtste naar de tiende plaats op de ranglijst van kenniseconomieën. Taal- en rekenprestaties lopen terug en er zijn 53.000 voortijdig schoolverlaters per jaar. Dat zijn er veel te veel. Maar gelukkig concludeerde een onderzoeksbureau vandaag dat scholieren helemaal niet zo slecht rekenen, want "mensen die geen opleiding volgen, rekenen slechter". Dank je de koekoek. Kennelijk is het feit dat 60% van de kinderen wél kan rekenen een enorme geruststelling. Dat bleek namelijk uit het rapport. Voor deze zesjescultuur gaan wij uiteraard niet. Ik roep het kabinet op om dat ook niet te doen. Wij moeten dus snel investeren in beter onderwijs. Om ons heen is dat besef al doorgedrongen. Kijk naar Frau Dr. Angela Merkel met haar stevige visie op de kennisrepubliek Duitsland. Wat hebben wij? Een glitter-en-glamourminister van Onderwijs die eigenlijk meer heeft met het onderdeel Cultuur in zijn portefeuille. Hij is druk bezig met reisjes en recepties, en vorige week zag ik hem zelfs tevoorschijn worden getoverd door Hans Klok. Gelukkig maar, want voor mij had hij de grote verdwijntruc al tweeënhalf jaar geleden gedaan. Hij was namelijk onzichtbaar op onderwijs. Nu hopen wij maar dat het geen illusie is dat hij in vak-K zit.

Nederland verdient een stevige visie van dit kabinet op de zorgen in het onderwijs. Neem bijvoorbeeld de toenemende maatschappelijke problemen. Docenten in het basisonderwijs hebben te maken met leerlingen die zonder ontbijt naar school komen, die thuis niemand hebben die hen helpt met huiswerk of er überhaupt is voor een goed gesprek. Deze docenten zijn niet alleen leraar maar dikwijls ook gezinscoach en opvoeder. Ook in het mbo hebben docenten in toenemende mate probleemjongeren in de klas. Door de crisis en de Wet investeren in jongeren – tot 27 jaar leren en werken – blijft men langer in de schoolbanken. Dat is natuurlijk heel goed, maar de problematiek blijft dus ook langer. Het schijnt op roc's veel voor te komen dat tienermoeders – bijvoorbeeld: 22 jaar, twee kinderen, uit de ouderlijke macht gezet, drugsverslaving en schulden; het is niet niks – zij aan zij zitten met leerlingen die op hun zestiende vers van het vmbo afkomen. Wat voor effect heeft dit op het leerproces? Hoe functioneren twee totaal verschillende groepen in één klas en wat voor visie heeft het kabinet op deze ontwikkeling? Is er gedacht over een reservering binnen de extra middelen in het mbo voor deze problematiek? Is er gedacht aan een speciaal onderwijs? Ik hoor het graag.

Een ander punt met betrekking tot maatschappelijke zorg in het onderwijs is het voorstel van staatssecretaris Dijksma om jeugdzorg op brede scholen te gaan aanbieden. Mijn vraag is: gaat een lastig kind straks gelijk naar de schoolpsychiater? Wat vindt minister Rouvoet hier eigenlijk van? Was dit immers niet de taak van de Centra voor Jeugd en Gezin en de ZAT's enzovoorts? Graag een reactie.

Ik zei het al, een visie op onderwijs is nodig. Dat betekent ook: keuzes maken, zeker in tijden van financiële krapte. Helaas ziet de VVD in de begroting geen keuzes maar kaassschaafgedrag: overal een plakje vanaf. De bezuiniging in het basisonderwijs is daarvan een voorbeeld. Het is totaal ondoordacht. Met de populistische kreet dat er maar minder managers moeten zijn, wordt eigenlijk een platte bezuiniging gerechtvaardigd en dat is ongehoord. Goede schoolleiders zijn essentieel voor beter onderwijs in Nederland. Zij motiveren een team en zorgen er bovenal voor dat een docent zijn vak kan uitoefenen: lesgeven. Kan de staatssecretaris garanderen dat klassen nu niet groter worden? Kan zij ook garanderen dat de leraar er niet meer taken bij krijgt, bijvoorbeeld het voeren van gesprekken met ZAT-instellingen over rugzakleerlingen? Wat doen deze bezuinigingen eigenlijk met de 1100 zwakke scholen die wij hebben? Is dit de nekslag?

Wat de VVD betreft, wordt er niet bezuinigd op het primair onderwijs en zeker niet op het primair onderwijsproces. Er zijn nog genoeg posten om het onderwijs heen waar geld niet nuttig wordt besteed. Neem de inkomenspolitiek via de gratis schoolboeken, of het theeschenken in bejaardentehuizen onder de noemer "maatschappelijke stage". Op dit laatste wordt dit jaar weliswaar iets bezuinigd – dat is een stap in de goede richting, dat geef ik de staatssecretaris na – maar de taak blijft overeind, en het is nog steeds extra werk voor scholen en stagebedrijven. Ook gaat er geld van OCW naar godsdienstles in het openbaar onderwijs en naar bonussen voor scholen die leerlingen voor uitval behoeden; kortom, er zijn nog steeds tal van subsidiepotjes, ondanks de lumpsum. Wij hebben van de minister de hele waslijst ontvangen; de heer Van Dijk refereerde er al aan. Het gaat daarbij om 923 mln. Dit zal echt niet allemaal verspilde moeite zijn, maar waar dient het toe? Wat is de effectiviteit?

De VVD bepleit een herschikking op de begroting van randzaken naar zaken die direct het onderwijs raken. De VVD roept de minister daarom op tot "back to basics"-beleid. Het onderwijsgeld zou in dienst moeten staan van de klas. Dat betekent ten eerste: meer goede docenten. Leraren maken het verschil. Het is nog steeds slecht gesteld met de kwaliteit van leraren. Reken- en taalprestaties van studenten van de pabo's zijn echt onder de maat. Onlangs ontvingen wij een rapport van de KNAW waaruit bleek dat de pabo-studenten maar één uur in de week rekenles krijgen. Dat is natuurlijk veel te weinig. Bovendien is er geen eindtoets die garandeert dat iemand die van de pabo komt, ook echt voldoet aan alle eisen.

De VVD stelt vandaag voor om de pabo te hervormen. Wij willen een pabo met twee afdelingen: een afdeling waar je een bevoegdheid kunt halen voor de onderbouw van de basisschool en een afdeling om les te mogen geven in de bovenbouw. Aan die bovenbouwafdeling worden wat ons betreft strengere eisen gesteld. Ze moet meer verdieping bieden en aan het eind een taal- en rekentoets hebben. De VVD heeft begrepen dat ook staatssecretaris Van Bijsterveldt van plan is om de pabo op de schop te nemen. Dat plan krijgt onze volledige steun. De staatssecretaris doet er echter een halfjaar over om daarover na te denken. Ook dat wordt heroverwogen. Wat de VVD betreft, mag dit wat sneller en kunnen we vandaag beginnen. De pabo staat namelijk al zo lang ter discussie, dat knopen snel moeten en kunnen worden doorgehakt.

Een ander aspect van het no-nonsenseonderwijsbeleid van de VVD betreft taal en rekenen, zodat leerlingen de d's en de t's weer weten te zetten, zodat universiteiten niet de meest simpele wiskunde hoeven over te doen voor hun eerstejaarsstudenten – dat is te gek voor woorden – en zodat bedrijven geen leraren Nederlands in dienst hoeven te nemen om hun nieuwe werknemers, afkomstig van het mbo, bij te spijkeren. Taal is zo belangrijk in iemands leven, daar kun je niet vroeg genoeg mee beginnen. Niet voor niets is de VVD nog steeds groot voorstander van vroegsignalering van taalproblemen via toetsing.

Ook wil de VVD dat slechte scholen sneller gesloten worden. Dat heb ik al eerder bepleit. De islamitische As Siddieqschool bijvoorbeeld blijft het nieuws domineren met slechte resultaten en wanbeheer. Maar het enige waar de regering mee komt, is een kleine financiële korting. Wat de VVD betreft, gaat zo'n school gewoon dicht. Geen zeer zwakke scholen meer.

Ik denk dat de heer Pechtold een vraag stelt in dit blokje over de zwakke scholen.

De voorzitter:

De heer Pechtold is dol op blokjes, dat kan ik niet ontkennen.

De heer Pechtold (D66):

Dol op dropjes?

De voorzitter:

Blokjes. Misschien ook op dropjes, maar daar ga ik niet over.

De heer Pechtold (D66):

Ik trek met de VVD altijd graag op in onze gezamenlijke strijd tegen de zeer zwakke scholen. Maar ik vind het zo jammer dat mevrouw Dezentjé altijd een islamitisch voorbeeld weet te noemen. Ik kan deze voorbeelden ook noemen. Uit de cijfers blijkt echter dat een derde van deze scholen zich in de drie noordelijke provincies, dat is: op het platteland bevindt. Dat deelt mevrouw Dezentjé toch? Zullen we gewoon proberen om de discussie te ontdoen van vragen over de geloofsaard of wat dan ook en zullen we gewoon zeggen dat de zeer zwakke scholen het probleem zijn?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

De heer Pechtold heeft niet alle debatten bijgewoond. Altijd is mijn lijn geweest dat het gaat om de kwaliteit van onderwijs. Punt uit.

Back to basics in het onderwijs betekent ook stoppen met verspilling van geld aan bureaucratische procedures, aan pilots en aan proeftuinen. Ik zeg tegen minister Plasterk dat Nederland geen laboratorium is. Het onderwijs is veel te waardevol om maar raak mee te experimenteren. Dat geldt ook voor staatssecretaris Dijksma, die op een aantal terreinen chaos creëerde door onduidelijkheid. Neem het passend onderwijs, voortgekomen uit de gedachte dat door Den Haag niets mag worden opgelegd. Ik noemde dit eerder al het Dijsselbloemspook. Als je iets in het veld neerlegt en men komt er niet uit, gaat het mis. Dat is ook hierbij gebleken. Het is een enorm probleem dat hierop niet al veel eerder regie is genomen.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

De commissie-Dijsselbloem zei ook: als je nou een verandering in het systeem wilt bewerkstelligen, bijvoorbeeld in vormen van speciaal onderwijs, moet je dat niet doen zonder draagvlak van het veld en zonder dat je het veld daarbij zeer langdurig en goed raadpleegt. We zullen het in de komende maanden nog heel veel hebben over het passend onderwijs. Dit is precies een dossier waarvan we hebben gezegd: we trekken ons het advies van de commissie-Dijsselbloem aan en gaan het veld zelf de kans geven om met experimenten te laten zien wat wel en niet werkt. Waarom is dat nu zo'n probleem? De VVD zegt altijd dat we geen staatspedagogiek moeten hebben. Nou laten we het een keer aan het veld over om met goede ideeën te komen; is het weer niet goed voor de VVD! Hadden we dan meteen een blauwdruk vanuit Den Haag moeten opleggen?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik sta hier werkelijk van te kijken. Kennelijk is het passend onderwijs voor mevrouw Kraneveldt wel een groot succes. We zijn 160 mln. verder en de staatssecretaris trekt de stekker eruit. Experimenteren, geld over de schutting gooien vanuit Den Haag, een zak geld geven met de opdracht een beetje te experimenteren en te bekijken wat men van het passend onderwijs kan maken en de resultaten afwachten, dat werkt dus niet. De regie vanuit het ministerie heeft hierbij volledig ontbroken. Die had op enig moment, toen het dreigde mis te gaan, er echt moeten zijn. Daar hebben we de nodige debatten over gevoerd. Laten we vooral vooruitkijken. Wij hebben jaren geleden al gezegd dat dit mis zou gaan. De stekker is uit het plan. We gaan het heroverwegen. We hebben binnenkort hoorzittingen. We staan voor een nieuwe start. Maar tot nu toe is 160 mln. verspild. Ik wil wel eens van de staatssecretaris weten hoeveel er in totaal is uitgegeven.

Ik kom op de tweede chaos van staatssecretaris Dijksma: het hapsnapbeleid in de kinderopvang. Er moest worden bezuinigd. Dan verwacht je een brede visie op de betaalbaarheid van de kinderopvang in de toekomst, maar nee, in plaats daarvan heeft de staatssecretaris eigenhandig de gehele gastouderopvang de nek omgedraaid. Voor gastouders geldt immers een lager tarief en zij moeten verplicht examen gaan doen. Als hen dat niet op tijd lukt, dan moeten vraagouders hun kinderopvangtoeslag terugbetalen. Mijn mailbox zit al vol met mails van bezorgde ouders en een bezorgde sector, want de chaos is compleet. Tot en met vandaag blijken er geen ontheffingscriteria te zijn voor de diploma's. Niemand weet waar hij aan toe is. Het is zeer onduidelijk. Dat is niet acceptabel voor een sector die zo ontzettend belangrijk is voor Nederland, als je er tenminste van uitgaat dat je de participatie wilt bevorderen.

Ik ben overigens blij met het onderzoek van de staatssecretaris waaruit bleek dat gewerkte uren wel degelijk kunnen worden gekoppeld aan kinderopvang. Dat is een stap vooruit. Ik heb daar een aantal keren om gevraagd. Het blijkt nu echt mogelijk te zijn. Daar is mijn fractie blij mee. De VVD-fractie vraagt echter om een brede visie op de toekomst van de kinderopvang zonder één sector de dupe te laten zijn.

De VVD-fractie wil back to basics, terug naar de basis, voor wie geen Engels op school heeft gehad. Dat zou zomaar het geval kunnen zijn met de kwaliteit van de huidige pabo's. Onze fractie wil dus geen eindeloze subsidiestromen, experimenten en mooiweershows van het kabinet. Dit geld kan beter worden besteed aan de klas, de docent en zijn vak. Er wordt wat onze fractie betreft dus niet bezuinigd op het primaironderwijsproces. De kaasschaaf uit de begroting van 2010 mag in de la blijven liggen. Het is tijd voor fundamentele keuzes.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik had gehoopt dat mevrouw Dezentjé er zelf over was begonnen, maar ik heb haar er niet over gehoord, vandaar de volgende vraag. Is de VVD-fractie voor een acceptatieplicht?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Wij kunnen ons een acceptatieplicht heel goed voorstellen, vooral in een situatie waar ik een interruptiedebatje met de heer Jan Jacob van Dijk over voerde, namelijk in het geval van een heel kleine school, een bijzondere school in een kleine gemeente, die je wat langer wilt openlaten ondanks dat hij klein is. Als je dan geen acceptatieplicht zou hebben, zouden leerlingen uit zo'n kleine gemeente een dorp verderop naar school moeten. Dat is voor ons onacceptabel. Wij vinden het ook een goede gedachte dat je bepaalde weigeringsgronden wegneemt. Het gaat bijvoorbeeld over de enkelefeitconstructie: je zou homoseksuele leraren niet op basis daarvan mogen weigeren.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik hoor allemaal heel positieve dingen maar nog geen volledig ja op mijn vraag. Vorig jaar hebt u wel ja gezegd. De VVD-fractie heeft uitdrukkelijk voor mijn motie gestemd waarin wordt voorgesteld om een leerling toe te laten indien de grondslag wordt gerespecteerd. Ik neem aan dat u dat nu ook nog vindt.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Van harte.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U steunt dus ook het wetsvoorstel dat ik met mijn collega's van D66 en GroenLinks heb ingediend?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Nee, dan praten wij over een andere zaak. U hebt het over een acceptatierecht voor leerlingen. Ik wil niet ontaarden in een semantische discussie over het verschil tussen acceptatieplicht voor een school en een acceptatierecht voor een leerling. Ik wil echter niet meewerken aan een socialistisch tekentafelmodel waarin wij precies bepalen welke leerling op welke school moet zitten. Dat gaat mij te ver. Ik vraag mij af of er in uw model genoeg ruimte blijft om de eigen identiteit van de school te bewaren.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Jasper van Dijk.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U zult toch wel begrijpen dat de heer Pechtold nooit zou meedoen met een socialistisch tekentafelmodel?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Nou, ik weet dat niet.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Je weet het niet, dat is waar. Neemt u echter van mij aan dat wat u er nu bijhaalt, totaal niets heeft te maken met het zeer bescheiden idee dat een leerling dient te worden toegelaten indien de grondslag wordt gerespecteerd. Dat heeft niets te maken met spreiding, mengen of wat dan ook.

De voorzitter:

Dank u wel.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het gaat alleen om toelating. Dat is net wat in die motie staat die u hebt gesteund.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Dat was de strekking van de motie en die hebben wij gesteund.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

U zei net dat u geen enkele bezuiniging steunt die raakt aan het primaire proces. Hoe komt het dan dat u in uw tegenbegroting, die door uw politiek leider naar voren is gebracht, wel het voorstel hebt gedaan om de fusieprikkel af te schaffen?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Binnenkort zit er nog een fusietoets aan te komen. Over de fusieprikkel hebben wij goed nagedacht. Dat levert ook weer geld op. Wij steken dat in andere dingen en hebben dat in onze tegenbegroting ingevoerd om heel andere dingen mee te doen. Ik had het nu over de bezuinigingen van 90 mln. op het primair onderwijs. Wij staan nu voor een keuze. Wat betekent dat? Gaan wij grotere klassen krijgen? Gaan er leraren uit? Gaan leraren ingezet worden voor managementtaken? Dat punt maakte ik zo-even. Daar verzet ik me tegen. Die 90 mln. mag niet doorgaan.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ja, maar u hebt wel 85 mln. ingeboekt bij de fusieprikkel die geen fusie bevordert, maar ervoor zorgt dat brede scholengemeenschappen kunnen blijven bestaan en dat wij het vmbo in de touwen kunnen houden. En u durft met droge ogen te beweren dat u het primaire proces niet raakt? Dit is nu juist een van de maatregelen die het primaire proces ten diepste raakt. Hoe kunt u uw bewering overeind houden?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik heb gezegd wat ik daarover te zeggen had. Ik heb daar weinig aan toe te voegen.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Mijn vraag sluit hierop aan. Mevrouw Dezentjé verwacht van het kabinet dat het niet de kaasschaaf gebruikt, maar principiële keuzes maakt. Ik had verwacht dat de tegenbegroting van de VVD dat zou laten zien. Ook daar zie ik echter een kaasschaaf. Waarom verwacht ze iets van het kabinet wat zij zelf niet doet?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik zou even willen verwijzen naar de inbreng van mijn collega Zijlstra over het hoger onderwijs. Hij heeft bepaald niet de kaasschaaf ter hand genomen namens de VVD-fractie. Daar zult u straks dus meer over horen. Ik wil gewoon af van alle onzin in de begroting waar de kaasschaaf wel is gehanteerd. Als de motie-Hamer wordt uitgevoerd om Nederland in de top vijf van kenniseconomieën te krijgen, vraagt dat bepaalde keuzes voor de kwaliteit van onderwijs en niet voor allerlei randdingen. Ik zal me niet herhalen, maar deze keuzes worden helaas niet gemaakt.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik constateer dat de keuzes van de VVD het primaire proces wel degelijk aanpakken.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Dat ben ik niet met mevrouw Besselink eens. Ik zou haar willen aanraden de onderwijsnota van de VVD "Kiezen voor beter onderwijs" nog eens goed te lezen. Dan zal zij zeker op andere gedachten komen.

De heer Zijlstra (VVD):

Voorzitter. Ik ben erg blij dat mevrouw Besselink net vroeg om structurele maatregelen en echte keuzes in de begroting, want er komt er nu een voorbij. Ik ben erg benieuwd wat haar mening daarover is. Wij hadden twee weken geleden een AO waar dit terloops naar voren kwam. Ik ga zo meteen nieuwsgierig naar haar luisteren om te zien of er wat voortgang is in haar denken op dit punt. Het gaat natuurlijk over het sociaal leenstelsel. Eerst een ander punt. De heer Biskop hield net een warm pleidooi voor stages. Mij is ter ore gekomen dat een aantal hbo-instellingen aan bedrijven vergoedingen vraagt van € 1250 tot € 2000 om een stagiair neer te zetten. Het bedrijf moet dus aan een hbo-instelling betalen voor een stagiair. Dat lijkt me echt de omgekeerde wereld. Als wij de stageplekken helemaal willen laten verdwijnen, moeten wij zo door gaan. Graag krijg ik een reactie van het kabinet hoe het met deze praktijken omgaat. Het concrete voorbeeld zal ik daartoe aandragen.

Dan kom ik op het sociaal leenstelsel. Zoals de heer Rutte tijdens de politieke beschouwingen heeft aangegeven, vinden wij dat investeren in de kenniseconomie en onderwijs dringend noodzakelijk is gezien de toekomst. De strijd die Europa, en dus Nederland, voert met Azië op het gebied van economie en kennis is duidelijk. Als je daar hebt rondgelopen, weet je hoe ontzettend druk men in die landen is met kennis en kennisontwikkeling. De minister is onlangs nog in Japan, Maleisië en Singapore geweest dus hij kan daarvan getuigen.

Die investeringen kosten geld. Laten wij reëel zijn. In deze tijd waarin kabinet en oppositie moeten nadenken over de vraag hoe wij 35 mld. kunnen vinden om de rijksbegroting rond te krijgen, is het wat optimistisch gedacht om de belasting te verhogen of de staatsschuld te laten oplopen om die investering mogelijk te maken. Dan moet je naar creatieve manieren zoeken om dat geld te vinden. Een sociaal leenstelsel is dan een heel goede manier. Daarmee neem je een kwart van de huidige begroting voor het hoger onderwijs dat nu aan inkomenspolitiek wordt besteed, eruit en dat ga je besteden aan feitelijk primair onderwijs, aan betere leraren, aan meer docenten, aan meer maatwerk en aan meer begeleiding. Dat is waar het om gaat.

Nou wordt altijd meteen gezegd dat de toegankelijkheid in gevaar komt. Laat ik daar helder over zijn. Een studie is vooral een investering in jezelf. Een studie levert een rendement op in de toekomst. Het is dan ook niet meer dan terecht dat je een hogere bijdrage van de gebruiker, de student, vraagt. Met het oog op de toegankelijkheid handhaaft de VVD in haar voorstel, anders dan de PvdA in haar voorstel ooit heeft gedaan, het wettelijk collegegeld. Dat houdt in dat de overheid nog steeds drie kwart van de kosten van een studie voor haar rekening neemt. Er is immers ook een maatschappelijk belang. In Australië is een dergelijk stelsel ingevoerd, dat overigens nog veel verder gaat. Daar is de toegankelijkheid van het onderwijs niet in gevaar gekomen. De instroom van studenten is gewoon doorgegaan. Het CBS heeft becijferd dat elk jaar dat iemand studeert, ervoor zorgt dat zijn toekomstige inkomen gemiddeld met 7,5% toeneemt. Dan mag je toch van een student een hogere bijdrage vragen? Dat geldt zeker nu het aantal studenten enorm groeit. Het recht op studiefinanciering zoals wij dat nu kennen, heeft tot gevolg dat het kabinet in het voorjaar een paar honderd miljoen euro moet vinden om het gat dat is ontstaan te dekken.

Zet daarom de gift om in een lening. Ga over op een sociaal leenstelsel. Creëer een terugbetaaltermijn van 25 jaar. Maak de terugbetaling inkomensafhankelijk. Als je geen baan hebt, hoef je niet terug te betalen. Heb je wel een baan? Gewoon betalen. Het grote voordeel van deze situatie is dat de student ouderonafhankelijk is. Zijn de ouders gescheiden, dan hoeft de student niet bij een van de ouders, die hij misschien niet meer ziet, te gaan bedelen om de ouderlijke bijdrage. Je bent 18 jaar, je maakt je eigen keuzen en je bent ouderonafhankelijk: heel erg goed. Dit moet je invoeren per 1 september 2010. Dan krijg je een geleidelijke invoer. Alle studenten die dan beginnen aan hun studie krijgen ermee te maken. Zo ontstaat feitelijk een ingroeiperiode van vijf jaar. Huidige studenten kun je hier niet aan blootstellen. Zij zijn onder een ander rechtsstelsel begonnen.

Zo zou je een budgetvergroting van het hoger onderwijs realiseren van bijna 1 mld. Ik geef overigens eerlijk toe, dat dit inhoudt dat je dan het komend jaar met iets minder budget te maken krijgt. Wij schrappen namelijk ook een aantal posten. Maar over vijf jaar is er dan 1 mld. extra voor het primaire proces.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik heb het gevoel dat ik naar een leenreclame van de DSB zit te kijken.

Volgens mij was het een CDA/VVD-kabinet dat in 1986 het huidige stelsel heeft ingevoerd. Het was een idee van oud-minister Kemenade, van wie ik een fan ben. Enerzijds ging het om het bevorderen van de ouderonafhankelijkheid. Anderzijds ging het erom het hoger onderwijs niet alleen toegankelijk te maken voor rijke jongeren, maar ook voor de arme jongeren, die een grotere leenangst hebben. In het stelsel dat de heer Zijlstra voorstelt, dwingt hij die jongeren te lenen, terwijl de rijke jongeren rustig kunnen gaan studeren. Het probleem dat wij toen wilden oplossen en dat een VVD-kabinet toen ook heeft opgelost, legt de heer Zijlstra nu weer op tafel.

De heer Zijlstra (VVD):

Nee. Wij handhaven namelijk het wettelijk collegegeld. Een gemiddelde studie kost € 7300. Met een wettelijk collegegeld van ongeveer € 1600 betaalt de overheid nog steeds drie kwart van de studiekosten.

Dan de fictieve leenangst waar de heer Dibi over spreekt. De minister heeft onlangs nog een brief gestuurd om de studenten erop te attenderen dat als zij lenen, zij dat wel voor de goede dingen moeten doen. Studenten lenen zich namelijk helemaal de nootjes. Waar lenen zij dan voor? Niet voor een studie. Ze lenen voor wereldreizen, tv's of stereoapparatuur. Dat is dus niet de bedoeling. De leenangst die de heer Dibi aanhaalt, is vooral fictief.

De heer Dibi (GroenLinks):

Dat soort kleine bedragen lenen is te overzien. Dan is er ook niet echt sprake van leenangst. Het gaat om de leenangst die je voelt als je denkt dat je met een torenhoge studieschuld blijft zitten en je niet weet of je die later kunt terugbetalen. Dat gevoel hebben vooral de sociaaleconomisch zwakkere jongeren. De heer Zijlstra dwingt nu die jongeren te lenen, terwijl hij de jongeren die het goed hebben en die het juist kunnen betalen, helemaal niet aanspreekt. Hij toont nu het oude en vertrouwde VVD-gezicht, waarbij voornamelijk wordt opgekomen voor de mensen die het in deze samenleving iets beter hebben. Juist de mensen die wij via het hoger onderwijs willen emanciperen, worden in zijn voorstel in de steek gelaten.

De heer Zijlstra (VVD):

Nee, het is precies omgekeerd, want u haalt de inkomenspolitiek erbij. Wij willen juist dat de student, die zelf gaat profiteren van het feit dat hij een studie gaat doen – dat is de beste investering die je kunt doen, namelijk de investering in je eigen toekomst – daar ook zelf een bijdrage aan levert. Wij willen voorkomen dat de loodgieter, de elektricien en anderen die geen hoger onderwijs volgen, moeten betalen voor degene die daar later profijt van heeft. Als je profijt hebt van die opleiding in het hoger onderwijs, is het toch hartstikke rechtvaardig dat je daar ook zelf een bijdrage aan levert?

De voorzitter:

U hebt uw punt gemaakt.

De heer Zijlstra (VVD):

Nee, voorzitter. Als de fractie van GroenLinks hier feitelijk neerlegt dat je daar geen bijdrage voor mag vragen en dat zij die liever vraagt aan de gewone straatveger en de elektricien die niet in het hoger onderwijs zitten ...

De voorzitter:

Ja mijnheer Zijlstra, dat hebben we begrepen. Mijnheer Dibi, tot slot.

De heer Dibi (GroenLinks):

Dan moet de heer Zijlstra wachten totdat ik mijn voorstel of in ieder geval de denkrichting van GroenLinks ga presenteren. Ik stel vast dat u eigenlijk ... Ik ben even kwijt wat ik wilde zeggen.

De heer Zijlstra (VVD):

Houden zo, zou ik zeggen.

De voorzitter:

Dat heb ik ook wel eens.

De heer Dibi (GroenLinks):

Dan laat ik het even hierbij. Dan kom ik hier later op terug. Volgens mij was dit de eerste keer dat dit gebeurde.

De voorzitter:

Nou, ik weet het niet.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Mijnheer Zijlstra, ik ben blij dat wij nu een beetje helderheid hebben over wat u precies verstaat onder het leenstelsel; "sociaal" kan ik het niet noemen. U bent immers gewoon bezig met ervoor zorgen dat kinderen uit gezinnen met lage inkomens en met middeninkomens een geweldige achteruitgang zullen krijgen op het punt van toegang tot het hoger onderwijs of het mbo. Dat kunt u niet ontkennen, maar u gaat uit van een andere parameter. U zegt: je investeert in jezelf. Dat is het individualisme; dat past bij u.

De voorzitter:

En nu uw punt, mijnheer Van Dijk.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De heer Zijlstra gebruikt ook als argument dat dit in Australië weinig verzet opwierp. Weet hij waarom dat zo was? Omdat daar niet gewerkt werd met een rente die je moest betalen over wat er kwam. Je zou daar alleen een compensatie moeten betalen voor de inflatie, die veel en veel lager is. Waarom zouden wij als overheid dit stelsel überhaupt nog in stand moeten houden? Waarom laten wij dit soort dingen niet over aan commerciële banken?

De heer Zijlstra (VVD):

Dat laatste is vrij simpel: omdat commerciële banken met rentepercentages werken die wij te hoog vinden. Wij vinden dat de overheid studenten een fatsoenlijke leenfaciliteit moet bieden, dus niet met rentepercentages van 8, 9 of 10. De overheid kan met een lage rente werken. Daarom gaan we dit dus ook bij de overheid laten. In Australië ging het nog veel verder. Daar heeft men ook een plafond gelegd voor het aantal studenten dat hiervoor in aanmerking kwam. Als je – ik noem maar iets fictiefs – 100 psychologische studies had en als je dan nummer 101 was, moest je de hele studie betalen. Zelfs in die situatie is in Australië de toegankelijkheid niet in gevaar gekomen. Ik snap best dat u allerlei spookbeelden wilt neerleggen, maar laten wij nou gewoon eens zakelijk naar deze discussie kijken. Laten wij nou eens, zoals ik ook tegen de heer Dibi heb gezegd, voorkomen dat de straatveger en de elektricien moeten betalen voor mensen die ...

De voorzitter:

Mijnheer Zijlstra, u herhaalt zichzelf. Echt waar.

De heer Zijlstra (VVD):

De vraag is ook hetzelfde, voorzitter.

De voorzitter:

Jawel, maar ik ga u nu dus helpen. Mijnheer Van Dijk, een nieuw punt.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Misschien mag ik dit punt afsluiten met de conclusie dat het helder is dat de heer Zijlstra een individualistische inkomenspolitiek voor de student op tafel legt. Dat past bij de visie die hij wellicht heeft op hoe de samenleving zou moeten zijn, maar dit zorgt ervoor dat de kinderen van de door hem genoemde straatveger uiteindelijk niet de toegang tot het hoger onderwijs krijgen die zij nu wel krijgen.

De heer Zijlstra (VVD):

Nee, want de kinderen van die straatveger, van onze straatveger, zijn individuen die hun eigen keuzes maken op hun achttiende. Die keuze kunnen zij nu maken met een sociaal leenstelsel, onafhankelijk van hun ouders. Dat is hun eigen keuze. Als zij echt de ondernemingszin hebben die nodig is voor het hoger onderwijs, zullen zij die keuze zeker maken. Dat is de beste investering die je ooit kunt doen.

De voorzitter:

Mijnheer Van der Ham, een nieuw punt.

De heer Van der Ham (D66):

Met de VVD vindt ook D66 dat wij moeten bekijken hoe wij het studiefinancieringsstelsel intact kunnen houden. Ik vind dat je daar op voorhand niet alles voor moet uitsluiten. Ik ga even door op de exercitie van de heer Zijlstra. Ook in het Verenigd Koninkrijk is het soort stelsel dat hij voorstelt, ingevoerd. Daar zijn wel degelijk kinderziektes gebleken. Mensen stellen wel degelijk keuzes uit en hebben leenangst. Welke lessen trekt de VVD-fractie uit dat Engelse voorbeeld?

De heer Zijlstra (VVD):

Ik ben een beetje verbaasd over deze vraag, met name over het feit dat die van D66 komt. De heer Pechtold, die toch uw politiek leider schijnt te zijn, heeft begin dit jaar in Twente een prachtige, mooie speech gehouden. Hij zei dat wij het politieke lef moeten hebben om dit besluit te nemen. Ik ben dan ook heel nieuwsgierig waarvandaan uw spookbeelden komen. De Pechtold had er immers helemaal geen last van toen hij begin dit jaar zijn enthousiaste speech hield.

De heer Van der Ham (D66):

Dat was mijn vraag helemaal niet. Ik zei juist dat D66 wil kijken naar verschillende modellen om het studiefinancieringsstelsel te veranderen. Het leenstelsel is niet per definitie uitgesloten. Daarover willen wij goed nadenken. Wij zullen er als partij ook naar kijken. Omdat u het hier als het beste plan neerlegt en alle bezwaren ertegen wegwuift, vraag ik u, gewoon heel constructief, om te kijken naar Engeland. Daar is een soortgelijk stelsel ingevoerd. Welke zaken zitten daar in het stelsel die wij in Nederland anders moeten doen?

De heer Zijlstra (VVD):

Je moet onder andere met fatsoenlijke rentepercentages werken, die niet al te hoog moeten zijn. Nogmaals, wij maken hier een keuze. Die keuze heeft uw partijleider begin dit jaar klip-en-klaar ook gemaakt. Ik ben een beetje verbaasd dat de D66-fractie nu de terugtocht inzet. Ze zegt vandaag dat dit een van de opties is. De politiek leider van D66 heeft die keuze echter heel helder gemaakt. Ik begrijp nu dat u gewoon geen keuze meer maakt.

De heer Van der Ham (D66):

U geeft op één punt antwoord op de vraag. U gaat in op de rentepercentages. Daarin zit inderdaad een bezwaar. Mijnheer Zijlstra, u zit zo lekker in de oppositierol, maar wij moeten constructief met elkaar nadenken over hoe wij een toekomstig model kunnen maken waarover u en ik het eens kunnen worden. Leer uw vrienden nu ook een beetje kennen!

De heer Zijlstra (VVD):

Kennelijk is de heer Van der Ham al bezig met regeren! Dat constateren wij de laatste tijd überhaupt al wat vaker bij D66. Wij waren juist ontzettend blij met de constructieve houding van de politieke leider van D66, die helemaal op de lijn van de VVD-fractie zat. De heer Van der Ham zet in dit debat echter de terugtocht in. Wij vragen hem om constructief te zijn en mee te gaan met dit voorstel. Dit is nodig om het hoger onderwijs in Nederland naar een hoger plan te krijgen.

Alleen door onderwijs van goede kwaliteit te bieden en kinderen juist de basisvaardigheden goed aan te leren, waarvan zij hun hele latere carrière veel plezier hebben, geven wij kinderen een eerlijke kans op een goede opleiding. Natuurlijk zijn taal en rekenen niet de enige belangrijke dingen in het onderwijs. Het gaat ook om andere kennisgebieden en om een gezonde ontwikkeling van kinderen tot actieve burgers. Door taalachterstanden en door schooluitval te bestrijden, geven wij kinderen een eerlijke kans om te slagen in het leven en mee te doen in de samenleving.

Sommige kinderen hebben een voorsprong. Andere kinderen beginnen met een achterstand aan het onderwijs. Verschillen in uitgangsposities vragen echter niet om dezelfde behandeling van alle kinderen, maar om onderwijs op maat, om specifieke stimuleringsmaatregelen en om goed opgeleide docenten die kunnen differentiëren in de klas. Alleen het beste en meest efficiënt georganiseerde onderwijs garandeert een bloeiende economie en een innovatieve samenleving waarin wij ieders talent optimaal benutten.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Voorzitter. Er vindt een onderonsje tussen drie heren plaats, maar ik begin gewoon.

Mijn collega, mevrouw Besselink, en ik voeren vandaag samen het woord over de begroting 2010 van OCW. Ik zal beginnen met het primair onderwijs. Daarbij zal ik een aantal onderwerpen naar voren brengen zoals voor- en vroegschoolse educatie, onderwijsachterstanden, segregatie, doorlopende leerlijnen, de onderwijsinspectie en passend onderwijs. Daarna zal uiteraard een warme overdracht volgen aan mevrouw Besselink, die de andere onderwijssectoren en het lerarenbeleid aan de orde zal stellen. Zij zal aan het begin van haar betoog ook ingaan op de onderwijsambities van de Partij van de Arbeid voor de toekomst en op de invulling van de motie-Hamer.

In voorgaande kabinetsperiodes is veel aandacht besteed aan meer autonomie voor scholen. De focus lag echter niet op het verbeteren van de kwaliteit van het onderwijs. Dit kabinet, met de Partij van de Arbeid erin, heeft die focus wel daarnaartoe verlegd en met resultaat. Daarvoor verdient dit kabinet een compliment.

De afgelopen drie jaar heeft de coalitie ervoor gezorgd dat er meer en beter taal- en rekenonderwijs komt, dat er doorlopende leerlijnen komen, zodat scholen en leraren weten wat kinderen moeten kennen en kunnen aan het einde van groep acht en verder. Ook is ervoor gezorgd dat scholen opbrengstgerichter gaan werken, dat leraren en schoolleiders zich verder kunnen professionaliseren, dat ze beter betaald worden, dat zwakke scholen eerder en beter geholpen kunnen worden om de kwaliteit weer op de rit te krijgen en dat schoolbesturen die er met de pet naar gooien aangepakt kunnen worden. Daarnaast zorgt de coalitie voor meer brede scholen en meer conciërges.

De Partij van de Arbeid is samen met het kabinet van mening dat de beste manier om onderwijsachterstanden te voorkomen, is om zo vroeg mogelijk met taal te beginnen. Dat kan al als een kind naar de kinderopvang of de peuterspeelzaal gaat. Daarom staat de Partij van de Arbeid zeer achter de ambitie van het kabinet om peuterspeelzalen en kinderopvang te harmoniseren en zo veel mogelijk kinderen te bereiken met voor- en vroegschoolse educatieprogramma's.

De heer Pechtold (D66):

In het eerste deel van uw bijdrage somde u allemaal zaken op over deze periode. Het leek eigenlijk wel of u de kabinetsperiode aan het afsluiten was en of u vertelde wat er allemaal bereikt was. Voor een goede luisteraar is het misschien toch duidelijk dat u ook nog wensen heeft. U somde dat allemaal mooi op. Er zaten heel veel zaken bij waar ik dit kabinet om zou kunnen prijzen. Dat doe ik ook geregeld.

Wij staan nu aan de vooravond van de commissies. Hoe kijkt u daar tegenaan? Het CDA liet net de mogelijkheid open dat er 20% van het onderwijsbudget af gaat. Dat was klip-en-klaar. Hoe staat de PvdA daarin?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Ik wil daar graag antwoord op geven, maar ik heb net gezegd dat mijn collega, mevrouw Besselink, aan het begin van haar bijdrage uitgebreid zal ingaan op de motie-Hamer en de ambities van de Partij van de Arbeid voor de toekomst. U zou het dus beter aan haar kunnen vragen.

Natuurlijk moeten wij de 35 mld. van het crisispakket bezuinigen. Als het minder wordt, is het mooi meegenomen, maar wij moeten altijd van het ergste geval uitgaan. Ik vind het prima dat het kabinet wil kijken welke heroverwegingen op een aantal vlakken gedaan kunnen worden. Wij hebben ook de motie-Hamer ingediend. Wij hebben ons daaraan gecommitteerd, u hebt zich daar ook aan gecommitteerd, want die motie is volgens mij Kamerbreed aangenomen. Het is dus een gezamenlijke verantwoordelijkheid. Wij gaan daar nog het nodige over zeggen.

Dat je commissies de opdracht geeft om te kijken naar bezuinigingen wil niet zeggen dat je die ook allemaal door gaat voeren; dat wil niet zeggen dat je voor het onderwijs een bezuiniging van 20% gaat doorvoeren. Als je fundamentele keuzen voor de toekomst wilt maken, moet je die vaak ook laten doorrekenen en de resultaten op tafel leggen. Wij denken dat dit voor het onderwijs gaat gebeuren in het voorjaar. Wij denken dat ons enkele goede doorberekeningen en goede opties zullen worden gegeven. Dan maken wij de politieke afweging wat wij daarmee zullen doen. U weet dat wij niet willen bezuinigen op onderwijs maar erin willen investeren.

De heer Pechtold (D66):

Zeker de laatste zin maakt mij positief over de inzet van de PvdA-fractie. Ik hoop dat u de fractie van het CDA een beetje bij de les kunt houden. U brengt het alleen toch alsof er 35 mld. bezuinigd moet worden. De operatie waar wij voor staan, is niet alleen om de bestaande taart kleiner te maken, maar ook om dit land beter te maken door investeringen in de kenniseconomie. Ziet u niet juist een mogelijkheid om de motie-Hamer – die zoals u al zei Kamerbreed is aangenomen – uit te voeren door te investeren in het onderwijs? Daarmee zorgen wij er alleen maar voor dat Nederland geld verdient. Zo kunnen wij ook het totale huishoudboekje op orde krijgen.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Volgens mij willen wij hetzelfde. Mevrouw Besselink gaat daar straks uitgebreid op in. Ik wil haar geen tekst ontnemen, dus ik geef haar graag de mogelijkheid om daar straks uitgebreid op in te gaan.

De heer Bosma (PVV):

Dit is een cliffhanger: het zal ons straks – when we come back – allemaal verteld worden. Wij moeten overal over praten en alle taboes moeten van tafel. De PvdA wil in de commissies wel praten over onderwijs. Dat bedrag van 35 mld. komt misschien ook op dit departement terecht en wel op onderwijs. Op cultuur en media rust echter een taboe volgens de PvdA-fractie. Daar mogen wij niet over praten. Waarom is dat?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Ik vind helemaal niet dat je over dat soort onderwerpen niet mag praten, maar die afweging is nu eenmaal zo gemaakt. U hebt het al uitgebreid besproken met mijn collega die het woord voert over cultuur en u krijgt nog de gelegenheid om daarover van gedachten te wisselen met mijn collega die gaat over de media. Het gaat nu alleen over onderwijs.

De heer Bosma (PVV):

Vroeger was ik journalist. Ik kijk even naar de klok. Het is jammer dat de ochtendkranten al zijn gezakt. Anders hadden we groot nieuws gehad. Wij mogen toch over cultuur en media praten in die commissies. Dat zegt de PvdA nu tenminste. Volgens mij hebben beide andere woordvoerders iets anders gezegd in de desbetreffende commissies. Maken wij een draai?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Nee hoor, ik heb gezegd dat je altijd over cultuur en media mag praten. Die afweging is echter al gemaakt. U hebt er ook al uitgebreid over gesproken met mijn collega van cultuur en daar heb ik helemaal niets aan toe te voegen.

De Partij van de Arbeid wil goede kinderopvang. Niet alleen omdat ouders dan kunnen gaan werken, maar ook omdat we kinderopvang goed vinden voor de ontwikkeling van kinderen. Het is bekend dat de Partij van de Arbeid de ambitie heeft om ooit te komen tot kinderopvang als een basisvoorziening voor alle kinderen. In het kader van een algemeen toegankelijke, toekomstbestendige en innovatieve kinderopvang geven wij de staatssecretaris graag het idee mee om ook eens te laten onderzoeken of kinderopvang als basisvoorziening vorm zou kunnen krijgen, hoe dat zou kunnen en wat daarvoor nodig is. We zouden ook eens een aantal kinderregelingen tegen het licht kunnen houden in het kader van "geen taboes". Volgens mij is bij heel veel regelingen sprake van een vestzak-broekzakverhaal; we vragen iets van ouders en we geven ze bij een andere regeling ook eens wat terug. Het lijkt de PvdA-fractie heel zinvol om te zeggen: laten we nou eens met een open vizier kijken of we zaken beter en efficiënter kunnen organiseren.

Gastouders moeten aan kwaliteitseisen gaan voldoen. Daarover hebben we twee weken geleden een uitgebreid algemeen overleg gevoerd. Er zijn echter nog twee puntjes die ik graag even onder de aandacht wil brengen, gezien de helderheid die ouders en gastouders graag willen hebben. Kan de staatssecretaris naar aanleiding van signalen uit het veld heel snel helder maken welke erkende organisaties en instellingen nu opleidingen en EVC-trajecten mogen gaan aanbieden, zodat de cowboys echt geen kans maken om onder de regels uit te komen? De staatssecretaris heeft mij dat een aantal weken geleden al gegarandeerd, maar we krijgen toch signalen dat er allerlei gastouderacademies, of hoe ze ook mogen heten, bezig zijn en dat zorgt voor veel verwarring in het veld.

Dan het tweede punt. De Partij van de Arbeid heeft in de Wet kinderopvang een koppeling mogelijk gemaakt tussen de gewerkte uren en het aantal uren opvang dat je mag declareren. Nu moeten de beide staatssecretarissen van Onderwijs en Financiën dat nog gaan regelen. De Kamer heeft onlangs een brief gekregen waarin de staatssecretarissen melden dat er een praktijktest zal plaatsvinden met een koppeling tussen het UWV en de Belastingdienst, zodat frauderende ouders of discrepanties in die uren eigenlijk vanzelf door de mand vallen. Dat is heel mooi en de brief is dus prima, maar de uitkomsten daarvan komen pas in het najaar van 2010. De PvdA-fractie wil die resultaten eigenlijk wel wat eerder hebben en daarom is onze vraag aan de staatssecretaris: kan dat niet eerder, bijvoorbeeld voor de zomer, zodat we met een wettelijke regeling ook snel aan de slag kunnen?

De Partij van de Arbeid is ervan overtuigd dat samen werken, samen leven en samen delen, begint met samen leren en samen spelen. Daarom maken wij ons grote zorgen over de segregatie in het onderwijs. Veel gemeenten blijven achter met het maken van afspraken voor het tegengaan van die segregatie. Er zijn echter ook gemeenten zoals Nijmegen die de handschoen moedig hebben opgepakt. De Kamer is in afwachting van een brede kabinetsbrief van minister Van der Laan over dit onderwerp, waarin ook een paragraaf over het onderwijs zal staan. Dan zullen wij er uitgebreid op ingaan, maar toch vraag ik de staatssecretaris: hoe staat het nu met de diverse pilots die we hebben ingezet voor de aanpak van segregatie? Hebben alle gemeenten daarover nu ook echt afspraken gemaakt binnen hun lokale educatieve agenda?

De Partij van de Arbeid ziet graag dat de staatssecretaris in de resterende kabinetsperiode besluiten neemt daar waar dat al mogelijk is. Een van de zaken die voor ons belangrijk zijn, is bijvoorbeeld iets heel praktisch als een vast inschrijfmoment. Kortom: graag een stand van zaken van de staatssecretaris over dit belangrijke onderwerp.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mevrouw Kraneveldt noemt een aantal goede punten en ik sta daar achter. Bij dit hoofdstuk hoort echter ook de acceptatieplicht. Steunt zij ons voorstel om daarop aan te dringen?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Dit voorstel is een beetje een spookvoorstel. Er wordt steeds gesproken over een wetsvoorstel dat u heeft ingediend – de heer Van Dijk zei dit zojuist nog in een interruptie – maar ik heb helemaal geen wetsvoorstel gezien. Ik heb geen weet van een wetsvoorstel dat hij heeft ingediend. Het is lastig om over een wetsvoorstel te praten dat er niet is. Wij hebben natuurlijk wel vaker over dit onderwerp gesproken. Er is inderdaad een wetsvoorstel van mevrouw Hamer en enkele andere leden. Wij hebben dit even op de plank gelegd, omdat wij daarover afspraken hebben gemaakt in coalitieverband en omdat wij ervoor hebben gekozen om te bezien hoe wij met een aantal praktische maatregelen segregatie kunnen aanpakken. Ik ben een betrouwbare coalitiepartner en dus houd ik mij aan die afspraak.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dat gaat inderdaad over het oude wetsvoorstel van mevrouw Hamer c.s. Mevrouw Kraneveldt hoeft zich echter geen zorgen te maken, want het nieuwe wetsvoorstel komt eraan. Het coalitieakkoord is inmiddels opengebroken. Nieuwe kansen dus, zou ik zeggen. Even serieus: is mevrouw Kraneveldt bereid om met ons mee te kijken naar een mogelijkheid om de scholen algemeen toegankelijk te maken, wat toch heel belangrijk is voor de bestrijding van de segregatie waarover zij zojuist sprak?

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Als de heer Van Dijk en anderen met een wetsvoorstel komen, zal ik daar altijd serieus naar kijken. Ik heb het echter nog niet gezien en ik weet ook niet in hoeverre het afwijkt van het wetsvoorstel dat mevrouw Hamer heeft ingediend. Daar staan namelijk ook nog een paar uitzonderingsbepalingen in. Ik vind het heel lastig om te praten over een wetsvoorstel dat ik nog niet heb gezien. Dat is politiek buitengewoon onverstandig en daaraan waag ik mij dus niet. Ik wacht dat af en ik zal het met gepaste ernst bekijken.

De heer Jasper van Dijk (SP):

U stelt zich een beetje formeel op, mevrouw Kraneveldt, maar goed, ik houd het vandaag positief. U zegt immers eigenlijk dat u open staat voor dit wetsvoorstel en dat u het wellicht dus ook wilt steunen. Dat lijkt mij heel erg belangrijk. Volgens mij mag u serieus zeggen dat de tijd van het coalitieakkoord een beetje achter ons ligt, want dat is opengebroken en herschreven. Denkt u daaraan en denkt u ook met ons mee.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Niet het hele coalitieakkoord is herschreven. Wij hebben in het kader van het crisispakket een aantal afwijkende afspraken gemaakt. Daarbij zat deze afspraak niet. Ik ga uit van het regeerakkoord zoals dat er aan het begin van deze kabinetsperiode lag met de veranderingen die wij in het voorjaar hebben doorgevoerd. Dat betekent niet dat alle afspraken daarmee overboord zijn gegooid.

De heer Dibi (GroenLinks):

Onlangs is op initiatief van de GroenLinks-fractie aangekondigd dat de wet-Hamer opnieuw zal worden ingediend, maar dan in de vorm van een nieuw wetsvoorstel. Dat is er inderdaad nog niet, maar als u zegt daarvoor wel open te staan en u niet bij voorbaat "nee" zegt, zou u ons veel werk besparen als u gewoon de wet-Hamer van de plank haalt en indient. Dan zullen wij daar met alle liefde voor stemmen.

De voorzitter:

Ik wil niet flauw zijn, maar dit is echt een herhaling van zetten.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Dit is inderdaad een herhaling van de vraag. Ik herhaal dus ook niet het antwoord dat ik zojuist aan de heer Jasper Van Dijk heb gegeven. Ik heb gezegd dat ik ieder wetsvoorstel van wie dan ook, over wat dan ook, altijd serieus zal bekijken. Ik heb niet gezegd dat ik er dan ook meteen voor ben, zeker niet als ik het nog niet gezien heb. Ik ben dus heel benieuwd wanneer dat dan komt.

Het kabinet heeft diverse maatregelen genomen om onderwijsachterstanden te bestrijden, onder andere door het leggen van extra focus op rekenen en taal en het vaststellen van die doorlopende leerlijnen door middel van referentieniveaus voor taal en rekenen. Wij zien heel graag een snelle doorontwikkeling van die referentieniveaus. Wij hebben deze bijna vastgesteld voor groep acht, maar wat ons betreft is het zaak om die doorlopende leerlijnen, die referentieniveaus, ook snel in diverse sectoren vast te stellen. Dat geldt dus ook voor andere momenten in de schoolcarrière van een kind of jongere. Er moet niet alleen doorgepakt worden naar het vo en verder, maar misschien ook wel, terugwerkend, naar het primair onderwijs en de voor- en vroegschoolse educatie. Scholen en docenten willen graag focus en richting, zodat zij weten waarnaar zij toe moeten werken in het onderwijs.

Ook de meest kwetsbare kinderen in ons basisonderwijs hebben recht op goed onderwijs. Het CPB bevestigde deze week dat de kosten van zorgleerlingen blijven stijgen, terwijl kennis over de effecten van het beleid ontbreekt. Een onderzoek naar de besteding van de zorgmiddelen, waarom wij vorig jaar hebben gevraagd en dat inmiddels door de staatssecretaris is uitgevoerd, laat zien dat scholen de beste bedoelingen hebben en echt hun best doen, maar niet kunnen verantwoorden waaraan zij het geld uitgeven. Invoering van een goede registratie per zorgleerling kan hierbij van nut zijn, aldus het CPB, zodat zorgleerlingen gevolgd kunnen worden tot het moment waarop zij hopelijk hun plaats vinden in de maatschappij. Je zou dus eigenlijk een langjarig onderzoek moeten uitvoeren naar de effecten van het beleid voor zorgleerlingen. Wij willen ons graag aansluiten bij het pleidooi van het CPB, en de staatssecretaris vragen dat wij, parallel aan de invoering van passend onderwijs, waarover wij nog uitgebreid komen te spreken, starten met die goede registratie en een evidence based langjarig onderzoek.

Daaraan gekoppeld wil de Partij van de Arbeid, net als de staatssecretaris en de commissie-Dijsselbloem, dat wij het geld voor deze leerlingen oormerken, zodat wij vanaf nu goed kunnen monitoren waaraan het geld wordt uitgegeven. Dat geeft ook de zekerheid aan ouders en scholen dat het geld terechtkomt bij de kinderen die het nodig hebben.

Onderwijskundig leiderschap is van cruciaal belang; dat is al eerder gezegd. Het is belangrijk voor het behoud en de verdere ontwikkeling van de kwaliteit van het onderwijs op een school. Via een motie heb ik vorig jaar gepleit voor een extra professionaliseringsimpuls van de schoolleiders. Graag hoor ik van de staatssecretaris wat er op dit punt het afgelopen jaar is gedaan.

Bij onderwijskundig leiderschap past ook dat wij de schoolleider weer een formele rol in het toezicht geven, als gesprekspartner van de inspectie naast het bevoegde gezag. Ik heb vorig een jaar een motie van die strekking aangehouden, maar ik wil nogmaals de minister vragen hoe hij er nu over denkt en of hij bereid is om dit alsnog te regelen.

Ik heb nog één punt over de toekomst. Dan ben ik klaar en geef ik het stokje graag over aan mevrouw Besselink. Er zijn een paar scholen in Nederland die afwijkende schooltijden hebben. Zij zijn het hele jaar open, waarbij ook in de vakantie de school open is. Er worden allerlei activiteiten georganiseerd en de leraren kunnen bijvoorbeeld ook in november op vakantie. De leraren zijn blij, de ouders die het willen zijn blij en de leerlingen zijn blij. Wij denken in Nederland echter nog vrij conservatief, traditioneel, over schooltijden enzovoorts. Ik denk dat het heel waardevol zou zijn om bijvoorbeeld via een experiment te bezien welke knelpunten scholen ondervinden die op een innovatieve manier iets anders willen doen dan wij altijd hebben gedaan. Wij zouden kunnen kijken of dat mogelijkheden biedt voor meer scholen om andere concepten te ontwikkelen op dit terrein en om meer variaties in keuzes voor ouders te ontwikkelen. Je zou het capaciteitsprobleem in de kinderopvang zonder vrije woensdag- en vrijdagmiddagen kunnen wegnemen en je zou een mooier bso-aanbod kunnen aanbieden. De werkdruk en de vakanties zou je kunnen spreiden. De keuze van ouders voor andere schooltijden, als zij dat willen, zou je kunnen vergroten. Bovendien zou je werkgevers kunnen stimuleren om schooltijdbanen in te stellen. Wij roepen het kabinet op om onnodige belemmeringen die scholen ervaren die hiermee aan te slag willen te inventariseren en zo veel mogelijk weg te nemen. Zou een experiment op dit punt nu niet een mooi begin zijn?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Voorzitter. Na deze warme overdracht van mijn collega Kraneveldt, wil ik beginnen met het belangrijkste aspect van ons onderwijs, namelijk de aanhoudende zorg voor de kwaliteit. Wij willen kinderen in deze samenleving gelijke kansen bieden. De PvdA-fractie is daarom erg blij met de motie-Hamer. Op veler verzoek – ik ben blij dat iedereen er zo geïnteresseerd in is – geeft de PvdA-fractie aan wat haar idee daarbij is. De ambitie om tot de top vijf van de wereld te behoren op het gebied van onderwijs en wetenschap is voor de PvdA-fractie een keiharde afspraak. Wij zijn daarom erg blij met de Kamerbrede steun voor deze motie. Nu zullen wij er met elkaar voor moeten zorgen dat wij deze ambities gaan waarmaken. Willen wij ons meten met de top vijf, namelijk Zwitserland, de Verenigde Staten, Singapore, Zweden en Denemarken, zullen wij onze ambities moeten waarmaken.

De PvdA-fractie wil dat wij op zijn minst op de punten die ik straks zal noemen een behoorlijke vooruitgang gaan boeken. Zij zal op basis van de ambities die ik straks zal noemen bij de heroverwegingen beoordelen of met de voorgestelde maatregelen de benodigde kwaliteitsslag kan worden waargemaakt. De PvdA-fractie heeft acht ambities.

Punt één: geen kind tussen de wal en het schip. Er moet een einde komen aan het verschijnsel dat leerplichtige kinderen thuiszitten. Daarom wil de PvdA-fractie dat elk kind in de leerplichtige leeftijd onderwijs krijgt, op een school voor regulier onderwijs of op een school voor speciaal onderwijs.

Punt twee: een goede start. Wij willen verdere reductie van het aantal voortijdige schoolverlaters en wij willen voorkomen dat daar jeugdwerkloosheid door ontstaat. Daarom willen wij de ambitie aanscherpen. Wij willen een reductie tot 20.000 voortijdige schoolverlaters in 2020.

Punt drie: de basis moet op orde zijn. De kwaliteit van taal en rekenen moet omhoog. Mevrouw Kraneveldt heeft daar ook al over gesproken. Daarom wil de PvdA-fractie dat Nederland op het gebied van taal en rekenen in de OESO-rangorde opklimt van de huidige dertiende plaats naar de vijfde plaats.

Punt vier: iedereen doet mee. Iedereen moet goed kunnen lezen en schrijven. Het aantal functioneel analfabeten moet omlaag. De PvdA-fractie wil dit aantal jaarlijks met 10% verminderen.

Punt vijf: gelijke kansen, men kent dat van ons. Postcodes moeten veel minder gaan bepalen of kinderen doordringen tot havo en mavo. Kinderen van laagopgeleide ouders moeten meer doorstromen naar havo en vwo. Stapelen moet weer kunnen. Laatbloeiers moeten meer kansen krijgen om door te stromen. De PvdA-fractie wil dat bij de wijkaanpak de doorstroming naar havo en vwo net zo groot wordt als het gemiddelde in de betreffende gemeente. Dat is helaas nog niet het geval.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik hoor mevrouw Besselink een tranentrekkend verhaal vertellen over dat postcodes bepalen of je naar de havo gaat of niet. Wordt het dan niet de hoogste tijd dat wij dat afschaffen en dat wij naar de kinderen gaan kijken, dat wij niet de omgeving van het kind toetsen, maar het kind? Dan kunnen wij samen optrekken.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Dat ben ik helemaal met u eens, mevrouw Dezentjé. Wij zeggen nu uiteraard niet: u hebt die postcode, dus u moet die opleiding gaan doen. Als je kijkt welke kinderen doorstromen naar havo of vwo, blijkt echter dat kinderen uit bepaalde postcodegebieden veel minder dan gemiddeld doorstromen naar havo en vwo. Wij willen dus dat de kans om door te stromen naar havo of vwo niet afhankelijk is van het gebied waarin je woont. Volgens mij zijn wij het helemaal eens.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Volgens mij zijn wij het nog niet helemaal eens. De PvdA-fractie doet nog steeds een beetje schichtig over peutervolgsystemen en het goed toetsen van kinderen. Er zijn op dit moment vroegsignaleringssystemen waarbij je dat heel goed kunt bekijken. Daarbij gaat het niet eens zozeer om de achterstanden, als wel om de taalstoornissen. Je kunt met gelijke kansen aan de basisschool beginnen. Volgens mij wilt u dat ook. Waarom gaat u daarover niet eens wat steviger met het kabinet in de slag? Ik wil dat graag. U kunt zeggen: voer dat in en ga het kind toetsen en niet de omgeving, de opleiding van de ouders en de postcode van het adres waar zij wonen.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Volgens mij verdraait mevrouw Dezentjé mijn woorden. Wij hebben heel helder gezegd dat juist iedereen gelijke kansen moet krijgen. Je ziet nu wel dat toch kinderen uit bepaalde postcodegebieden minder kans maken. Wij willen gelijke kansen voor iedereen. Die kansen moeten dus gelijk worden. Dat is een van onze punten. Wij hebben onze keuze gemaakt in de punten die beter moeten. Het is prima als u uw eigen keuzes maakt. Ik zou die in uw bijdrage naar voren brengen. Ik sta hier geloof ik niet om uw punten aan de minister mee te geven.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Nee, maar u stelt vast dat bijna op postcodeniveau de kinderen doorstromen. Dan moet u dus ook afschaffen dat die postcodes meetellen in de overwegingen, iets wat nu wel gebeurt. Ik noem als voorbeeld de gewichtsregeling. Ik help u even.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Volgens mij is dat echt een andere discussie. Ons gaat het erom dat ieder kind een gelijke kans krijgt. Nu zie je dat kinderen in inderdaad sommige postcodegebieden minder kansen krijgen. U moet dan niet zeggen: dan schaft u het extra geld maar af dat erbij hoort. Willen wij gelijke kansen, dan moet je dat dus extra stimuleren. Wij willen graag dat dit kabinet daar nog meer op inzet. Kinderen moeten gelijke kansen krijgen en verdienen die ook. Het moet niet zo zijn dat je, omdat je in een bepaald postcodegebied woont, minder kans hebt.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Voorzitter. Dat was punt vijf. Wij hebben acht punten. Ik ga nu naar punt zes. Wij willen genoeg goede leraren. Het kwantitatieve en het kwalitatieve lerarentekort moet verdwijnen. Ook als de economie weer aantrekt, mag er dus geen sprake zijn van een lerarentekort. Bovendien moet het niveau van de lerarenopleiding omhoog. Wij willen ook uitstekend beroepsonderwijs. Bij elke world scale competitie moet Nederland minimaal twee gouden medailles halen.

Punt acht is dat de kwaliteit van het hoger onderwijs omhoog moet. Onze ambitie is dat er een Nederlandse universiteit duurzaam tot de top 50 behoort.

Dit zijn de ambities van de Partij van de Arbeid. Deze ambities kosten geld. Dat geld moeten wij gaan vinden. Wat er moet gebeuren, is dat de werkgroep heroverwegingen kijkt naar de manieren waarop het onderwijs beter georganiseerd kan worden, zodat wij het geld vrij kunnen maken. Dit geld kan worden gebruikt om de benodigde kwaliteitsslag te maken aan de hand van de kwalitatieve agenda. Het gaat ons erom dat wij de gestelde doelen bereiken. Graag een reactie van de minister op onze ambities.

De heer Dibi (GroenLinks):

Dit zijn heel mooie ambities. Volgens mij is niemand het in de Kamer daarmee oneens. Alleen zijn het geen voorwaarden. Wat ik mooi zou vinden, is als de Partij van de Arbeid de ambtelijke werkgroep die naar onderwijs gaat kijken, een aantal voorwaarden stelt. U noemde bijvoorbeeld minder voor de schoolverlaters. Een voorwaarde daarvoor is dat de leraar wel voldoende begeleidingstijd heeft. U wilt het lerarentekort ook bestrijden. Het onderwijsproces kan je dan niet nog arbeidsproductiever maken dan het nu is. Mijn vraag aan u is dan ook: welke voorwaarden geeft u het kabinet mee, als het gaat om de ambtelijke werkgroepen?

Mevrouw Besselink (PvdA):

De voorwaarde is dat dit kabinet moet zorgen dat in de heroverwegingen een verhaal komt te liggen dat ons brengt naar die top vijf. Wij hebben daarvoor een aantal kwaliteitseisen genoemd, dus langs de inhoudelijke lijn van wat moet gebeuren. Dat zijn de voorwaarden die wij de werkgroep van de heroverwegingen meegeven.

De heer Dibi (GroenLinks):

Nog even voor de duidelijkheid. Ik hoor de voorwaarden niet. Ik hoor wel de ambities, maar niet de voorwaarden. Mevrouw Besselink zegt dat er minder vroegtijdige schoolverlaters moeten komen. Daarvoor zou een voorwaarde kunnen zijn dat er niet minder begeleidingstijd mag komen voor de leraren. Als zij zegt dat het lerarentekort moet worden bestreden, kun je niet de werkdruk nog verder verhogen door het nog arbeidsproductiever te maken. Zijn dat bijvoorbeeld voorwaarden die zij de ambtelijke werkgroep meegeeft?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Wij doen al een aantal dingen. Wij sturen op de Lissabondoelstellingen. Er zal een schepje bovenop moeten. Daarbij kunnen wij denken aan de dingen die de heer Dibi heeft genoemd, maar wij kunnen ook denken aan het beter organiseren van het doorstromen. Kinderen die problemen hebben, zouden niet naar huis moeten worden gestuurd maar ergens op school kunnen blijven. Dergelijke voorwaarden zou de commissie inderdaad moeten meenemen.

De voorzitter:

De heer Dibi, tot slot.

De heer Dibi (GroenLinks):

Mijn complimenten aan mevrouw Besselink dat zij in ieder geval de ambtelijke werkgroepen een kader meegeeft.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ja.

De heer Dibi (GroenLinks):

Het zou mooi zijn als de Kamer misschien in zijn geheel een motie zou kunnen aannemen als opdracht aan de regering.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Persoonlijk zou ik menen dat de Kamer het kabinet de beste motie daarvoor al heeft meegegeven. Dat is de motie-Hamer. Daarin staat de doelstelling heel helder verwoord. Om het wat tastbaarder te maken, noem ik een aantal punten die wij langs de kwalitatieve weg daadwerkelijk in het onderwijs dienen te verbeteren. Die geven wij mee aan het kabinet.

De heer Pechtold (D66):

Het is een prachtige lijst van wensen, maar een beetje gratuit als hij er na drie jaar regeren pas komt. Wanneer de werkgroepen met allerlei dingen komen, zijn wij drie jaar onderweg. Bij ieder punt dat mevrouw Besselink heeft genoemd, kon ik zo ongeveer een euroteken plaatsen. Zojuist heeft haar coalitiepartner gezegd de ruimte om op het onderwijs te bezuinigen nog open te houden. Daarom luidt mijn vraag aan mevrouw Besselink of zij tegen de werkgroepen zegt dat dit niet de bedoeling is. Als deze ambitieuze agenda wordt vertaald in meer geld en op die manier tekorten ook worden tegengegaan, is dat wat mevrouw Besselink betreft dan ook akkoord? Mag ik haar zo verstaan?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Tegen de voorzitter wil ik even opmerken dat mijn tijd doorloopt tijdens de interrupties.

De voorzitter:

Dat gaan wij goedmaken.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Dank u wel. Ik werd een beetje afgeleid door de heer Pechtold.

De heer Pechtold (D66):

Dan ga ik langere vragen stellen.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik kan u dan inderdaad timen.

De heer Pechtold mag het zo vertalen, dat wij deze discussie willen voeren over de kwaliteit van het onderwijs. Wij willen van de Kamer dus een kwalitatieve lijst. Wij willen de top vijf gaan halen en hebben daarvoor een aantal inhoudelijke maatregelen, eisen, ambities geduid. Daarover willen wij de discussie voeren. Vervolgens moeten wij kijken hoeveel geld wij nodig hebben om de zaken te realiseren. Dat is de volgorde der dingen.

De heer Pechtold (D66):

Vanwaar toch die angst? Ik zie mevrouw Besselink bijna met een half oogje kijken naar het CDA-vak of zij het wel mag zeggen.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Neen hoor.

De heer Pechtold (D66):

Vanwaar toch die angst om op dit moment gewoon te zeggen dat er van onderwijs geen euro af gaat? Er is inderdaad een groep die naar het geld van onderwijs gaat kijken, maar dat is bedoeld om via onderwijs onze kenniseconomie te versterken. Waarom zegt mevrouw Besselink dat niet? Zij sprak over de Lissabonagenda. Die loopt over zes weken af. Toch zijn wij nog lang niet waar wij moeten zijn. Dus zelfs de oude afspraken, waarvoor mede mijn partij verantwoordelijk is, hebben wij niet gehaald. Wij willen er nu een schep bovenop doen. Dan moet mevrouw Besselink het lef hebben om tegen het CDA te zeggen: luister eens, het openlaten van een bezuiniging van 20% op het onderwijs; no way!

Mevrouw Besselink (PvdA):

Het is jammer dat de heer Pechtold niet bij het algemeen overleg over onderwijs was dat wij vorige week hebben gehouden. Toen hebben wij hierover uitgebreid met elkaar gesproken. Ik heb toen helder gezegd dat wij langs de lijn van inhoud gaan. Ik keek zojuist niet met een schuin oog naar het CDA. Dat heeft de heer Pechtold echt niet goed gezien, want ik keek naar de heer Zijlstra die naar de interruptiemicrofoon kwam.

De heer Pechtold (D66):

Dat is nog erger!

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ja, ja. De ambities van de fractie van de PvdA zijn heel helder. Wij willen vooruit en wij willen dat Nederland in de top vijf van de wereld voor onderwijs en wetenschap komt. Langs de inhoudelijke lijn gaan wij de discussie daarover met elkaar voeren. Daarna gaan wij met elkaar zorgen dat wij het geld erbij vinden. De heer Pechtold zei in zijn eerste interruptie dat het wel jammer was dat ik er pas na drie jaar achter kom. Ik vind het wel jammer dat hij nu pas, na drie jaar, ziet hoeveel wij al hebben gedaan. Dit kabinet heeft gigantisch veel geïnvesteerd in het onderwijs.

De heer Pechtold (D66):

Doelt u op de gratis schoolboeken?

De voorzitter:

Nee, mijnheer Pechtold, zo doen wij dit niet.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Meer dan andere kabinetten heeft dit kabinet geïnvesteerd in onderwijs en in de doorlopende leerlijnen. Mevrouw Kraneveldt heeft een rij goede verbeteringen opgenoemd. Wij hebben nog steeds ambitie, want wij willen tot de top vijf gaan behoren. Deze ambitie hebben wij hier verwoord.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Het Innovatieplatform heeft berekend dat er 5 mld. structureel extra nodig is als wij in die top vijf willen komen. De werkgroepen moeten op zoek naar mogelijkheden om te bezuinigen op onderwijs ter waarde van 5 mld. Erkent mevrouw Besselink dat dit tegenstrijdige zaken zijn?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Hieruit blijkt een beetje de beperkte manier van denken van de SP.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Nee, dit is de hoofdopdracht van de werkgroepen. Die moeten 20% besparingen zoeken. Dat weten wij allemaal.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Dat wil niet zeggen dat wij die besparing ook feitelijk gaan doorvoeren. De heer Jasper van Dijk denkt dat iedere euro in het onderwijs efficiënt is besteed. Volgens mijn fractie wordt niet iedere euro die in het onderwijs wordt uitgegeven, efficiënt besteed. Wij moeten daarom met elkaar bezien hoe wij het geld in het onderwijs verdelen. Zijn er plekken waar het geld beter en efficiënter kan worden ingezet? Overigens heeft de heer Jasper van Dijk in zijn eigen betoog gesteld dat er sprake is van inefficiënte zaken. Dat geld kunnen wij beter anders besteden, want wij willen dat in het onderwijs iedere euro zinnig wordt besteed. Wij gaan met elkaar bekijken hoe wij onze ambities gaan waarmaken. Ik zeg echter nogmaals, wij moeten daarbij wel de goede volgorde der dingen in acht nemen. Wij moeten eerst bezien welke inhoudelijke kwaliteit nodig is. Pas daarna gaan wij kijken hoeveel geld daarbij hoort.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Wij zijn het erover eens dat wij iets moeten doen aan het feit dat scholen geld oppotten.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Bijvoorbeeld!

De heer Jasper van Dijk (SP):

Daarover zijn wij het volledig eens. Wat mij betreft gaan wij daarover deze week nog zaken doen. Mevrouw Besselink kan echter niet volhouden dat zij de doelstelling van de werkgroep over productiviteit in het onderwijs, namelijk een bezuiniging van 4 mld. in het onderwijs, kan halen via het eigen vermogen van scholen. Zo'n bezuiniging kan zij daarmee lang niet halen. Daar moet zij niet omheen draaien. Toch is dat de enige echte opdracht van die werkgroep. De minister-president heeft deze werkgroep de opdracht gegeven om uit te zoeken hoe het onderwijs 20% productiever kan worden door 4 mld. weg te halen. Gaat mevrouw Besselink akkoord met die opdracht?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Het is maar goed dat de SP niet in de regering zit. Die partij zou dan namelijk blijkbaar rücksichtslos 20% gaan bezuinigen op het onderwijs. Voor de Partij van de Arbeid staat voorop om te bezien wat er in kwalitatieve zin nodig is om de top vijf te bereiken. Wij hebben de motie-Hamer daarbij heilig verklaard. Wij gaan ervoor zorgen dat wij die ambitie waar gaan maken. Wij willen dat langs de kwalitatieve weg doen. Wij richten ons dus op de inhoud. Wat is ervoor nodig om voortijdig schoolverlaten tegen te gaan? Wat is er nodig om meer mensen gelijke kansen te geven? Daarna gaan wij met elkaar kijken hoeveel geld dat kost en waar wij dat vandaan halen. Als die doelen te bereiken zijn door het geld efficiënter te besteden dat nu minder efficiënt in het onderwijs wordt besteed, dan gaan wij dat pad op.

De voorzitter:

Ik hoop dat men aan mij merkt dat ik een beetje probeer om ervoor te zorgen dat wij dit deel van het debat nog deze dag kunnen afronden. De heer Van Dijk wil nog een vraag stellen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik stel tot slot een vraag die met een heel simpel ja of nee kan worden beantwoord. Het CDA heeft de deur al open gehouden. Die fractie zegt: misschien is het nodig om 4 mld. of 5 mld. te bezuinigen. Accepteert de PvdA een bezuiniging van 4 mld. op het basisonderwijs en voortgezet onderwijs?

Mevrouw Besselink (PvdA):

De Partij van de Arbeid accepteert slechts de eerste stappen op weg naar de top vijf van de wereldeconomie.

De heer Zijlstra (VVD):

Deze uitspraak vind ik toch een beetje jammer, want tijdens het AO waarover u sprak, heb ik deze vraag ook aan u aan gesteld. Toen gaf u in eerste instantie gewoon een helder antwoord, namelijk: geen bezuinigingen. Toen begon de heer Van Dijk te sputteren en kwam er nog een debatje achteraan, maar uw antwoord was heel helder: geen bezuinigingen. Begrijp ik het goed dat de PvdA, nu wij anderhalve week verder zijn, bezuinigingen inmiddels niet meer uitsluit? Hoe denkt u dat te kunnen verenigen met de motie-Hamer die door de Kamer unaniem is gesteund?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Het is zo jammer dat ik steeds probeer te praten over de kwaliteit van het onderwijs en dat iedereen hier maar zit te praten over de centen. Wat wij willen, is dat de motie-Hamer wordt uitgevoerd. Weliswaar behandelen wij een begroting, maar het gaat erom dat wij met elkaar de kwaliteit van het onderwijs op niveau krijgen. Daarin maakt dit kabinet al heel goede slagen. Wij zijn op de goede weg, maar wij willen er een schepje bovenop. Wij willen naar de top vijf. Wat daarvoor nodig is, dat gaan wij doen. Als er meer geld voor nodig is, kost dat meer geld, en als wij het bij wijze van spreken voor minder geld kunnen doen, kost het minder geld, maar wij zetten de kwalitatieve norm voorop. Wij willen die top vijf bereiken. Volgens mij is dat zo helder als wat.

De heer Zijlstra (VVD):

De manier waarop zal dan blijken. De VVD is er ook helemaal niet tegen om ook bij het onderwijs te bekijken of het efficiënter, beter en slimmer kan.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Precies!

De heer Zijlstra (VVD):

Maar na het overleg van anderhalve week terug kwam langzamerhand toch de vraag naar voren of dit wel de echte doelstelling is. Toen wij namelijk vroegen of dit niet ook gold voor cultuur en media, bleken deze twee beleidsterreinen uitgesloten te blijven. Kunt u nu eens helder aangeven waarom de Partij van de Arbeid vindt dat het onderwijs wel doorgelicht moet worden om te kijken of het efficiënter, beter et cetera kan, en dit bij media en cultuur niet gebeurt? Laadt u daarmee niet de verdenking op zich dat u wel degelijk aan het zoeken bent naar bezuinigingen op onderwijs?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Volgens mij heb ik klip-en-klaar gezegd dat wij de top vijf van de wereld in onderwijs en wetenschap willen bereiken. Daar is geen woord Frans of Engels bij. Dat is de doelstelling en daar gaan wij voor. Daar mag u ons aan houden. Wij hebben daarvoor een inhoudelijke agenda neergelegd en daarop willen wij een reactie van de minister, omdat die ambitie voor ons helder is. Vervolgens gaan wij met elkaar bespreken hoe wij dat gaan bereiken, welk geld wij daarvoor nodig hebben en hoe wij, zoals u ook zegt, dat geld kunnen vinden.

De heer Bosma (PVV):

Dat geld kunnen wij heel gemakkelijk vinden door gewoon te hakken in de kunstbegroting en in de mediabegroting. Ook daar is geen woord Spaans bij. Waarom is de PvdA daar toch zo tegen? Waarom is dat zo'n heilig huisje? Alleen omdat dit goed ligt in de grachtengordel?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik wil het antwoord gerust geven, maar mijn collega John Leerdam heeft dit debat uitgebreid gevoerd en mijn collega mevrouw Kraneveldt heeft hierop ook geantwoord. Ik stel voor dat ik het antwoord niet nog een keer geef.

Ik ga door met mijn betoog. Het vmbo bestaat tien jaar. De commissie-Dijsselbloem concludeerde het al: het vmbo doet het veel beter dan veel mensen vermoedden. Maar ook hierbij willen wij stapjes verder blijven zetten om ervoor te zorgen dat leerlingen het beste uit zichzelf kunnen halen. Gelijke kansen betekent ook: ruim baan voor laatbloeiers op het vmbo die willen doorstromen naar de havo. Daarom is het goed dat de staatssecretaris heeft toegezegd om werk te gaan maken van de oneigenlijke selectie aan de poort van vmbo'ers die via de havo willen doorstromen naar het hoger onderwijs.

De Partij van de Arbeid wil koste wat het kost voorkomen dat de jeugdwerkloosheid verder oploopt. Door de crisis komen leerlingen moeilijk aan de bak. Daarom is het goed dat in het crisispakket extra geld is vrijgemaakt om jongeren de kans te geven om zich verder te scholen. Maar door de crisis dreigt ook een tekort aan stageplekken. Ook daarvoor is in het crisispakket geld vrijgemaakt. Op korte termijn werpen die inspanningen voor scholen, bedrijven en gemeenten hun vruchten af, maar in de loop van 2010 dreigen er toch tekorten, zo lezen wij in de brief van de staatssecretaris. Met name de positie van kwetsbare jongeren verslechtert. Welke extra inspanningen gaat de staatssecretaris leveren zodat ook in 2010 alle jongeren een stageplek kunnen krijgen?

Gelijke kansen betekent ook dat mbo'ers van vijftien, zestien en zeventien jaar de opleiding moeten kunnen kiezen die bij hen past. De PvdA roept het kabinet daarom op om bij de heroverwegingen een oplossing te vinden voor de ov-kaart voor het mbo.

Wij willen dat ook ons beroepsonderwijs tot de top behoort. We mogen daarom geen talent verloren laten gaan. Er zitten 500.000 studenten op het mbo. Zij verdienen goed onderwijs. De staatssecretaris concludeert in haar begroting dat er nog te veel instellingen zijn die de zaken onvoldoende op orde hebben. Welke stappen gaat de staatssecretaris concreet zetten, zodat volgend jaar meer studenten goed beroepsonderwijs krijgen en docenten beter toegerust zijn?

Wij steunen de opmerkingen van de heer Biskop over de gewenste vereenvoudiging van het overleg tussen scholen en bedrijfsleven en over de naamgeving van het beroepsonderwijs.

De keuze die het kabinet maakt voor de verdeling van de gelden voor het Platform Bèta Techniek verwondert ons. Waarom is ervoor gekozen om de 20 mln. voor bètatechniek aan het wetenschappelijk onderwijs te geven, ten koste van het mbo en het hbo? Wil het kabinet overwegen om 10 mln. hiervan toch beschikbaar te stellen voor het mbo en het hbo?

Goed onderwijs staat of valt met goede en enthousiaste leraren voor de klas. De fractie van de Partij van de Arbeid is daarom blij dat dit kabinet ervoor gekozen heeft om met het actieplan LeerKracht een langetermijnvisie neer te leggen, die het lerarenberoep structureel aantrekkelijker maakt. Ook nu de ontwikkeling van het lerarentekort onder invloed van de economische crisis gunstig lijkt uit te pakken, schiet het kabinet terecht niet in de reflex om maatregelen overbodig te verklaren. Ook nu blijven we pal achter het actieplan LeerKracht staan. Maar er moet meer gebeuren. Wij willen dat ook het niveau van de lerarenopleiding omhooggaat, omdat dat bepalend is voor het niveau van de docent. Speciale aandacht wil ik vragen voor de jonge leraar. Hij of zij moet goed begeleid met het vak beginnen en verleid worden ermee door te gaan. Dat vraagt wat van de zittende leerkrachten, maar ook van de schoolleiding. Zet jonge leraren niet gelijk voor de lastigste klassen, zonder begeleiding.

Wij vragen het kabinet om een pilot te organiseren, waarbij net afgestudeerden van de lerarenopleiding, zowel de pabo als de eerstegraads lerarenopleiding, vier keer per jaar een dag terugkomen bij de opleiding. Tijdens die dag kan extra aandacht besteed worden aan vakinhoudelijke dingen, bijvoorbeeld aan taal of rekenen, maar zou er ook aandacht moeten zijn voor intervisie, waarbij jonge docenten ervaringen kunnen uitwisselen en elkaar handvatten kunnen geven over hoe zij kunnen omgaan met praktische problemen. Het mes snijdt dan aan twee kanten. De jonge leraar krijgt extra begeleiding en zal beter ingroeien in het vak. De lerarenopleiding hoort van oud-studenten uit de praktijk waar de opleiding tekort heeft geschoten. Zij moet deze gratis feedback gebruiken bij de vernieuwing van haar eigen lesprogramma's. Graag horen wij of het kabinet zich wil inspannen voor zo'n pilot.

Ik ga verder met de reserves op de scholen. Elke euro voor het onderwijs moet ten goede komen aan kwalitatief goed onderwijs. Het is dan ook zonde als scholen te veel geld op de bank hebben staan. De commissie-Don bevestigt dit. Natuurlijk hebben scholen reserves nodig, maar de PvdA vindt het geen oplossing als elke school meer financiële deskundigen gaat aanstellen. Dat betekent nog meer overhead en een extra prikkel om te fuseren. De PvdA is voorstander van gemeenschappelijke borgstelling, zodat scholen goedkoper kunnen lenen. In de corporatiesector hebben we kunnen zien hoeveel dat kan opleveren. De PvdA is er alles aan gelegen dat elke euro in het onderwijs ook echt in het onderwijs terechtkomt, en niet in het management.

Ik heb nog drie vragen over het hoger onderwijs. Vorige week hebben we daarover al een uitgebreid debat gevoerd. Wij zijn blij dat met de raambrief over Almere de weg is vrijgemaakt voor een hbo-instelling in Almere. Wel moet deze nieuwe hogeschool sterk verbonden zijn met de regionale bedrijvigheid. De relatie met het mkb in de omgeving moet vanaf het begin op orde zijn.

Daarnaast verzoek ik de minister, de werkgroep voor de heroverwegingen te vragen een oplossing te zoeken voor het gat tussen de kinderbijslag en de studiefinanciering. Een student die op een administratief onhandige datum geboren is, bijvoorbeeld op 5 augustus, krijgt tijdens zijn eerste studiemaand geen studiefinanciering, omdat hij dan nog kinderbijslag ontvangt. Kan de werkgroep voor heroverwegingen daar eens naar kijken, zodat dit probleem opgelost kan worden?

Ik complimenteer de minister met zijn plan om frauderende studenten aan te pakken. Afgelopen zomer hebben wij daar vragen over gesteld. De fraude dient aangepakt te worden.

Samenvattend: er ligt een grote opgave voor allen die betrokken zijn bij het onderwijs om samen te werken aan deze kwaliteitsimpuls. Op de ambities die wij verdedigen, zal een slag moeten worden gemaakt. Wij wensen de minister en de staatssecretarissen daar veel succes bij. Goed onderwijs voor ieder kind, daar gaat het de PvdA-fractie om.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik had nog een vraag over de bevoegdheid van leraren. Dat is een zorgpunt. Het kabinet vindt het ook niet goed dat steeds meer onbevoegde leraren voor de klas staan. Bent u het met mij eens dat wij moeten bezien op welke manier wij scholen daar strenger op kunnen aanspreken, bijvoorbeeld doordat scholen een vrijstelling zouden moeten vragen bij de Onderwijsinspectie wanneer ze een onbevoegde leraar voor de klas zetten, zoals ik heb voorgesteld?

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik ben het met de heer Jasper van Dijk eens dat wij daar serieus mee moeten omgaan. Het kabinet neemt daar nu de goede maatregelen voor. Ik hoorde hem ook vragen of wij de scholen niet wat strakker kunnen houden aan de regel dat scholen er voor moeten zorgen dat leraren binnen twee jaar bevoegd zijn als ze die leraren twee jaar houden. Dat lijkt mij een prima plan. Om van tevoren zo'n vrijstelling te vragen, vind ik iets te ver gaan.

De heer Bosma (PVV):

Voorzitter. De meeste partijen doen het vanavond in duopresentatie, maar ik kon helaas niemand vinden.

Om te beginnen, goed nieuws: voor deze begroting heb ik contact gehad met meerdere vakbonden, namelijk de FNV en de CNV. Het is fijn dat de bonden de weg naar mijn partij nu weten te vinden. Hiermee is ook een mooie bres geslagen in de vakbeweging. Mijn fractie is tevens diep ontroerd en dankbaar over de opmerking die de minister deze zomer heeft gemaakt. Toen verklaarde de heer Plasterk in Vrij Nederland: God verhoede dat de PVV aan de macht komt. De PVV heeft al veel bereikt. In onze stoutste dromen hadden wij echter niet verwacht dat wij de eens atheïstische columnist Ronald Plasterk zijn geloof in het opperwezen zouden teruggeven.

Ondanks het hervonden godsvertrouwen van de minister pakken zich donkere wolken samen boven het Nederlands onderwijs. De kredietcrisis betekent dat de tering naar de nering moet worden gezet. Negentien commissies vergaderen over 35 mld. aan bezuinigingen. Miljarden korting op het onderwijs lijken niet uitgesloten. De productiviteit zou omhoog moeten, alsof docenten productiemedewerkers zijn die wat harder moeten werken aan de lopende band. Als woordvoerder cultuur en media voeg ik daar graag aan toe dat het volledig verkeerd is dat kunst en omroep worden vrijgesteld. Ze zijn zelfs geen gespreksonderwerp van de commissies. Wellicht worden straks de klassen groter, wordt de werkdruk in het onderwijs nog groter, wordt de aandacht per kind kleiner en gaat ook de eigen bijdrage in de kinderopvang omhoog. Zo kennen wij de PvdA weer: ontwikkelingshulp aan de grachtengordel, oftewel de kunstsubsidies, en donaties aan de staatsomroep, aan hun linkse vriendjes in Hilversum, blijven buiten schot. In het onderwijs is echter niets een taboe en kan overal over worden gepraat.

Is er nog hoop? Ja, die is er en die heet CDA. Zijn fractieleider, de heer Van Geel, heeft speciaal nog een belletje gewaagd vanuit Suriname om te zeggen dat er over kunst en media toch moet worden gesproken in de desbetreffende commissies. Ik ben benieuwd of de CDA-fractie voet bij stuk houdt en voor de motie-Ten Broeke/Bosma (32123-VIII, nr. 20) stemt waarin wij dat nog eens onder woorden brengen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik neem aan dat de heer Bosma ook gaat voorstellen om de subsidie voor Kinderen voor Kinderen stop te zetten. De Kamervragen daarover zien wij wel tegemoet. Accepteert de PVV nou eigenlijk evenmin bezuinigingen van de werkgroepen? Vindt de PVV-fractie net als de SP-fractie dat die werkgroepen tijdverspilling en onzin zijn of wil zij wel bezuinigen op onderwijs?

De heer Bosma (PVV):

Het is staatsrechtelijke lariekoek om als oppositiepartij te zeggen dat iets onacceptabel is. Wij zitten niet in de regering. Die tijd komt nog. Wij zijn er fel op tegen. Dat moge duidelijk zijn.

Voorzitter. Nog meer goed nieuws: in Amsterdam, de pionier van het spreidingsbeleid, is dit beleid grandioos mislukt. De socialistische volksrepubliek wordt af en toe geconfronteerd met de realiteit. Twee weken geleden meldde Het Parool dat de gemeente dit beleid opschort. Men was nog wel zo enthousiast begonnen: wij gaan lekker kinderen mengen en dan gaat iedereen vriendjes met elkaar worden, rondom een kampvuur zitten en liedjes zingen. Culturele verschillen bestaan nu eenmaal niet in de wondere wereld van de beleidsmakers die in mei 1968 een klap van de Marxistische mallemolen hebben gekregen. Een hele kerstboom van beleid werd opgetuigd met een kenniscentrum, voorlichting en gemeentelijke ambtenaren die kinderen de toegang tot scholen moesten ontzeggen. Het leidde tot bizarre zaken. Twee broertjes meldden zich aan voor één school. Het ene jongetje komt er nog in, het andere niet, want het quotum was bereikt. Ooit sprak minister Van Boxtel voor Grote Steden- en Integratiebeleid de woorden "quota zijn voor vissen". Blijkbaar zijn ze nu echter ook voor autochtone kinderen. Wat doen ouders? Zij vertrekken. Op IJburg, een nieuwe wijk, moest er ook gemengd worden en daar had niet iedereen zin in. De telefoon bij de makelaars stond dus roodgloeiend. Mensen trekken weg op de vlucht voor de goede bedoelingen van de Partij van de Arbeid. Ouders willen keuzevrijheid. Misschien nemen zij artikel 23 van de Grondwet wel serieuzer dan de bestuurders. Vrijheid van onderwijs, beste vrienden van het CDA, betekent in de eerste plaats vrijheid van schoolkeuze. Als de Staat zegt dat je mag kiezen uit elke kleur mits het zwart is, heb je geen keuze. Dwang is slecht voor het onderwijs, want concurrentie is een van de aanjagers van kwaliteit van onderwijs. Bevalt de school van je kinderen niet? Dan ga je weg: stemmen met je voeten. Daarom is keuzedwang slecht voor onderwijskwaliteit. Zeer terecht schrijft Elsevier dat het spreidingsbeleid een onderwijsvernieuwing is en dit kabinet steunt dat spreidingsbeleid. Dat is in wezen een grootscheepse verandering van het onderwijsgebouw en het kan vergaande implicaties hebben voor de kwaliteit van het onderwijs. Daarom moet het kabinet ingrijpen en zich uitspreken tegen het spreidingsbeleid.

Nog een onderwijsvernieuwing. In China, India en Korea doen ze niet aan competentiegericht onderwijs. Daar worden kinderen niet opgeofferd aan de gedachte dat – ik citeer – "zij zelf verantwoordelijk zijn voor hun leerproces". In die landen wordt er gewoon keihard gewerkt en keihard gestampt. Geen Chineesje hoeft een ander Chineesje te beoordelen op zaken als integriteit, participatie en andere welzijnswerkerstermen. Geen Koreaantje hoeft aan te komen met een POP, een persoonlijk ontwikkelingsplan. "Pop" schijnt trouwens een heel vies woord te zijn in het Koreaans, maar dit terzijde. Beter ten halve gekeerd dan ten hele gedwaald, zou ik zeggen. Nu er een bezuiniging in de bv aankomt – een kleintje weliswaar, maar toch – en wellicht nog meer onheil uit negentien commissies, terwijl onderwijsgevend Nederland zegt dat wij het zeker niet moeten doen als er onvoldoende middelen zijn, is het moment aangebroken om op de rem te gaan staan. Is de staatssecretaris daartoe bereid?

De heer Zijlstra (VVD):

Ik probeer het een beetje te volgen vandaag. Hiervoor behandelden wij de begroting van VWS. Daar pleitte mevrouw Agema namens de PVV geheel vrij naar de heer Marx voor arbeiderszelfbestuur bij zorginstellingen. De werkvloer moest gaan bepalen hoe het moest gaan gebeuren. Nu hoor ik de heer Bosma het competentiegericht onderwijs bestrijden naar het voorbeeld van hoe het in Noord-Korea gaat. Wat is er aan de hand met de PVV?

De heer Bosma (PVV):

Noord- noch Zuid-Korea heb ik genoemd. Ik denk dat wij gewoon een beetje van slag zijn door Herman van Veen.

De heer Zijlstra (VVD):

Voorzitter?

De voorzitter:

Ja, sorry. Ik was zelf ook even een beetje van slag.

De heer Zijlstra (VVD):

Dat kan ik begrijpen. Ik ben inmiddels weer een beetje over de schok heen. Laten wij echter helder vaststellen dat de PVV inmiddels al op twee begrotingen het communisme, waarvan wij gisteren de val hebben omarmd, warm omhelsd op sommige punten.

De heer Bosma (PVV):

Nou, niet bij deze begroting. Dat heeft mevrouw Agema vandaag ook niet gedaan, gelooft u mij. Ik doe het nu evenmin. Laten wij ons vandaag even beperken tot OCW. Dat is al ingewikkeld genoeg.

Het afschieten van het competentiegericht onderwijs valt wat mijn partij betreft onder het kopje "herwaardering van kennis". Dat moet weer centraal staan. Dat alles moet beoordeeld worden op grond van heldere en simpel afrekenbare examens, niet alleen op de middelbare school, maar ook in het mbo en het hbo.

Dat is meteen een mooi bruggetje naar de lerarenopleidingen. Sinds jaar en dag is de situatie op de pabo's mijn fractie een doorn in het oog. De mensen die onze kinderen les moeten geven, krijgen zelf vaak te slecht of verkeerd les. Er ligt te veel nadruk op didactiek en te weinig op inhoud en er zijn te weinig lesuren. Het is heel mooi dat de KNAW op de vraag waarom er in Nederland zo slecht wordt gerekend, het antwoord geeft dat dit door de lerarenopleiding komt. Even blij ben ik met het feit dat de staatssecretaris zelfs 1+1 bij elkaar optelt en deze conclusies lijkt te omarmen. De PVV hoopt dat de structuur van het pabo-onderwijs wordt aangepakt. Als pabo-leerlingen zelf finaal stranden voor de meest simpele rekensommen, kun je op je vingers natellen dat zij het onze kinderen ook niet kunnen leren. Deelt de staatssecretaris de mening van de PVV dat nu hard moet worden ingezet op vakinhoud? Als zij dit doet mag de vlag uit.

Een jaar geleden was de vaste commissie voor onderwijs in de Verenigde Staten. Wat is het een genot om daar de Amerikaanse vlag te zien wapperen op elke school. Zou dat ook niet mooi zijn in Nederland? Althans de Nederlandse vlag op Nederlandse scholen als symbool van onze gedeelde normen en waarden, onze geschiedenis en van het feit dat onderwijs zo belangrijk is dat daar elke dag de vlag wel voor uit mag.

De voorzitter:

Er zijn nog een paar mensen die u een vraag willen stellen, mijnheer Bosma. Mevrouw Dezentjé Hamming was met stip de eerste.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ja, ik heb ook een enorme spurt gemaakt.

Ik heb met genoegen naar de heer Bosma geluisterd, zoals altijd. Nou zou het zo maar eens kunnen zijn dat de PVV gaat meeregeren. Dan wordt de heer Bosma natuurlijk minister van Onderwijs. Ik begrijp nu uit zijn woorden dat zijn visie op de toekomst van het onderwijs bestaat uit het wapperen van de vlag op de school. Kan de heer Bosma een tipje van de sluier oplichten en zeggen wat zijn visie is op onderwijs? Als hij minister van Onderwijs is, welke drie punten zou hij dan als eerste veranderen?

De heer Bosma (PVV):

Ik ben benieuwd wat het opperwezen hiervan vindt, maar dat horen wij misschien in de eerste termijn van de heer Plasterk.

Mijn visie op onderwijs. In mijn eerste termijn heb ik slechts zeven minuten spreektijd. Ooit zei een Engelse televisieverslaggever dat hij de Tweede Wereldoorlog kon behandelen in dertig seconden, maar hij voegde daaraan toe: but I might lose some of the details. Dat is vandaag ook bij mij gebeurd. Ik heb vandaag voor drie onderwerpen gekozen, en eigenlijk voor drieënhalf onderwerp, de vlag meegerekend. De vraag van mevrouw Dezentjé Hamming is breed. Voor de Partij voor de Vrijheid staat kwaliteit altijd centraal. Als het gaat om de leerstandaarden, dan zijn wij heel blij met alle vormen om daarop aan het eind van de schoolopleidingen af te rekenen. Wat wil mevrouw Dezentjé Hamming horen? Zij stelt een heel brede vraag.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik heb volgens mij een heldere vraag gesteld. Ik vraag naar de toekomstvisie van de Partij voor de Vrijheid op het onderwijs. Ik heb die nog niet gehoord. De PVV zit nu tweeënhalf jaar in de oppositie en eigenlijk hoor ik alleen maar wat zij niet wil. Het is zo jammer dat de heer Bosma nu geen visie geeft op het onderwijs.

De heer Bosma (PVV):

Nee, de geachte afgevaardigde van de VVD is een beetje selectief aan het luisteren. Ik mag al heel wat jaartjes vergaderen in aanwezigheid van deze mevrouw van de VVD. Het is onzin om te stellen dat ik overal tegen ben. Ik kom met allerlei mooie voorstellen en allerlei mooie moties. Zij doet mij echt onrecht aan. Dat stelt mij echt teleur.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ik doe nog één poging. Ik heb de situatie voorgeschoteld waarin de PVV gaat regeren. De heer Bosma wil dat de heer Wilders president wordt. De heer Bosma is dan minister van Onderwijs. Welke drie dingen gaat hij dan als eerste veranderen? Noem er nou eens drie, mijnheer Bosma.

De heer Bosma (PVV):

Hoor ik mevrouw Dezentjé Hamming zeggen dat de heer Wilders president mag worden?

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Twee mag ook, of een. Dat spelletje kennen we. Noemt u eens wat, mijnheer Bosma.

De heer Bosma (PVV):

Ik denk dat het heel belangrijk is dat er aan het eind van de schoolopleidingen heldere examens zijn. Ik denk dat die landelijk moeten zijn. Ik denk dat studiefinanciering een belangrijke rol moet spelen. Ik denk dat het handhaven van de binariteit een heel belangrijke rol speelt.

Op hoeveel zit ik nu? Nu zit ik op drie.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

Ja. Het is nog niet echt concreet, maar ik begrijp dat u ...

De heer Bosma (PVV):

Ik noem nu drie heel concrete punten.

Mevrouw Dezentjé Hamming-Bluemink (VVD):

... nog niet zover bent, maar misschien komt dat straks terug in het verkiezingsprogramma.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik wil niet in herhaling vallen, maar het is niet de eerste keer dat het betoog van de heer Bosma over onderwijs veel doet denken aan een stand-up comedy act en weinig gaat over de inhoud. Het gaat over Kinderen voor kinderen, het gaat over Koning Koos, het gaat over Sesamstraat. Ik hoorde "marxisme", ik hoorde "Korea", ik hoorde "de Nederlandse vlag op scholen". Volgens mij is onderwijs ontzettend belangrijk voor iedereen in Nederland, of dat nu PVV-stemmers zijn of GroenLinks-stemmers. De PVV is op dit moment de grootste virtuele partij. De reactie op de vraag van mevrouw Dezentjé Hamming vond ik enigszins beschamend. Het wordt tijd dat de PVV met een visie komt op onderwijs. Welke keuzen gaat zij voor het komende jaar maken?

De heer Bosma (PVV):

Stelt u mij een heldere vraag en dan kom ik met een heldere keuze.

De heer Dibi (GroenLinks):

De heer Bosma zei net dat hij al heel veel mooie voorstellen en heel veel mooie moties had ingediend. Hij zei dat hij daar constant mee kwam. Kan hij mij eens een aantal van de voorstellen noemen die hij de afgelopen tijd heeft gedaan?

De heer Bosma (PVV):

Nou ja, ik ben met tal van moties gekomen. Ja, weet ik veel. Ik heb er niet eentje paraat. Morgen kom ik met een stapeltje.

De heer Dibi (GroenLinks):

Een partij die zo vaak afgeeft op anderen, die constant weet te benoemen hoe het niet moet: ik vind het van een ondraaglijke leegte getuigen dat zij niet weet hoe het wel moet. Ik vind het ook zonde voor haar kiezers, die zij zo veel belooft.

De heer Bosma (PVV):

Dat is mooi. Ik heb met de heer Dibi anderhalf jaar in de commissie-Dijsselbloem gezeten. Wij hebben met z'n allen een prachtig rapport geschreven, waar ik met veel plezier mijn handtekening onder heb gezet. Dat heeft de heer Dibi ook gedaan. Volgens mij is dat een dijk van een programma, waar ik nog steeds trots op ben. En daar blijf ik trots op. Dat staat vol met praktische zaken.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Ik denk dat de vragen van mevrouw Dezentjé en de heer Dibi inderdaad pijnlijk duidelijk maken dat prachtige en mooie verbale trucs niet maskeren dat er een schrijnend gebrek aan ideeën is bij de PVV met betrekking tot het onderwijs. U hebt de motie-Hamer gesteund. Bij het nadenken over de vraag of u die motie zou steunen, moet u toch ook hebben nagedacht over de vraag hoe je Nederland in die top vijf zou kunnen krijgen? Ook mijn vraag is dus: kunt u een paar dingen noemen die volgens u een mooie invulling zouden zijn van de motie-Hamer? Of moeten wíj het allemaal met elkaar gaan verzinnen?

De heer Bosma (PVV):

Wij hebben inderdaad voor de motie-Hamer gestemd. Die motie geeft absoluut geen uitwerking aan een doel. Het is een behoorlijk vaag gemotiveerd doel om in die top vijf te komen. Laten we dus niet doen alsof dat een soort afgerond programma is geweest. Ik heb zojuist een aantal zaken genoemd die bijdragen aan de kwaliteit van het onderwijs.

Mevrouw Kraneveldt-van der Veen (PvdA):

Het leuke is dat de door u genoemde dingen – examens, rekenen, taal en dat soort dingen – door dit kabinet al worden gedaan. In die zin zou u dus niet moeten afgeven op dit kabinet, maar zou u het kabinet juist een compliment moeten geven. Wij zijn allemaal op zoek naar de schepjes erbovenop. Welke schepjes wil de PVV er nou bovenop doen?

De heer Bosma (PVV):

U hebt mij in mijn verhaal heel weinig horen afgeven op het kabinet. Wat taal en rekenen betreft – ik ben blij dat u concreet wordt – heeft de PVV altijd gesteld dat zij heel tevreden is over het feit dat dit kabinet taal en rekenen op de lagere school centraal stelt. Wij hebben altijd ondersteund dat alle franje, zeker op de basisschool, verwijderd moet worden. Dat betreft bijvoorbeeld alle zaken over obesitas et cetera. Daar zijn wij heel blij mee. Op dat punt hebben wij het kabinet altijd gesteund. U stelde eindelijk een heel concrete vraag: wat moet er worden verhelderd? De referentieniveaus vinden wij te vaag. Die moeten tot in detail worden ingevuld: wat moet je precies leren, welke kennis moet je hebben en wat moet je kennen en kunnen aan het eind van de basisschool? Die dingen kunnen een stuk pregnanter en helderder geformuleerd worden.

De heer Van der Ham (D66):

U zei dat u de motie-Hamer wel hebt gesteund, maar dat die motie een beetje vaag was. Ik houd u toch aan uw woord: in die motie staat heel hard dat Nederland bij de top vijf moet komen. Dat is ook al doorgerekend door allerlei instituties die ons op dit punt adviseren. Je moet dan eigenlijk 5 mld. extra investeren. Is de PVV bereid om dat te gaan investeren en waar wilt u dat dan vandaan halen? Wilt u meer investeren in het onderwijs, veel meer dan het kabinet wil doen? Wat gaat u aan de studiefinanciering doen? Dat is een ander moeilijk punt, waar elke partij mee worstelt. Dat zijn twee heel concrete vragen.

De heer Bosma (PVV):

De studiefinanciering willen wij niet veranderen. Het prachtige voorstel van collega Zijlstra zullen wij dus niet steunen. Wij vinden het heel belangrijk dat de studiefinanciering breed toegankelijk is, omdat zij ervoor zorgt dat mensen uit allerlei sociale klassen toch hoger onderwijs kunnen genieten. Dat vinden wij een verworvenheid en daar mag niet aan getornd worden. U tovert nu automatisch 5 mld. bij de motie-Hamer. Dat bedrag kan daaraan gekoppeld worden, maar ik ben er niet van overtuigd dat dat prijskaartje daar automatisch aan hangt. Dat onderwijs geld kost, moge echter duidelijk zijn. In onze tegenbegroting, die u wellicht kent, verzetten wij ons tegen bezuinigingen op onderwijs. Wat de PVV betreft, gaat daar dus geen geld af. We hebben ook een plan voor de langere termijn. Als we nog meer kunnen snijden in de linkse hobby's en alle grachtengordelzaken waarvan uw partij zo'n voorstander is, kunnen we juist extra geld uitgeven aan onderwijs. Kijkt u maar in dat plan. Daarin staat precies waar het geld vandaan komt. Dat betekent onder andere dat er meer geld naar onderwijs toe gaat.

De heer Van der Ham (D66):

Ik vind dit eerlijk gezegd toch een beetje vaag, want u zegt dat u in uw tegenbegroting in van alles en nog wat snoeit, in allerlei "linkse hobby's". U kunt altijd goed uitdelen, maar in uw tegenbegroting trekt u eigenlijk niets extra's uit voor onderwijs. Dat heeft blijkbaar geen prioriteit bij u. U vond wel dat de motie-Hamer aangenomen moest worden. U vindt het op zich dus prima dat we in de top vijf van de best concurrerende landen moeten komen, maar u wilt daar niets extra's voor uittrekken. U hebt in ieder geval niets uitgewerkt om daartoe te komen.

De heer Bosma (PVV):

Die tegenbegroting heeft een heel mooi krulletje gekregen van het Centraal Planbureau. Wij hadden een van de allerbeste tegenbegrotingen. Het klopt dat er in onze tegenbegroting niet méér naar onderwijs gaat, maar in tijden van kredietcrisis is het al een wonder dat er niet minder geld naar onderwijs gaat. Dat is allemaal tot achter de komma uitgerekend.

De heer Van der Ham (D66):

Een krulletje van het CPB zegt gewoon dat het rekenkundig klopt. Dat stond er bij ons ook. Volgens mij was dat bovendien een grotere krul. Een van die grote krullen stond bij ons omdat wij meer investeerden in onderwijs, zodat het rendeert. Volgens de heer Bosma gebeurt dat pas op termijn. Dat is juist in tijden van crisis toch weinig visionair?

De heer Bosma (PVV):

Ik weet niet of het visionair is. Dat is overigens een prachtig woord. In onze tegenbegroting gaat niet minder geld naar onderwijs. Dat wil nogal wat zeggen. Dat is een behoorlijke prestatie in tijden van economische crisis.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Niet bezuinigen op onderwijs is iets anders dan meer investeren in onderwijs. De heer Bosma zei zo-even dat de PVV meer wil investeren in onderwijs. Hij trekt echter geen cent uit voor onderwijs in de tegenbegroting. Laten wij dat vaststellen.

De heer Bosma (PVV):

Dus de PVV komt in haar tegenbegroting uit op nul euro?

De heer Jasper van Dijk (SP):

De PVV trekt geen cent extra uit voor onderwijs.

De heer Bosma (PVV):

O, extra.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ja, dat doe je namelijk in een tegenbegroting. Anders hoef je die niet te maken. De PVV heeft allerlei plannen over integratie et cetera, maar over onderwijs geen woord. Het valt mij overigens sowieso op dat de heer Bosma het laatste jaar steeds minder te zien is bij debatten over onderwijs, zoals de belangrijke debatten over mbo, hoger onderwijs et cetera. Maar goed, hij zal wel iets belangrijkers te doen hebben. Misschien heb ik toch een standpunt waar de heer Bosma het mee eens is. Ik heb vorig jaar een door hem gesteunde motie ingediend over acceptatieplicht. Ik neem aan dat de PVV die motie nog steeds steunt.

De heer Bosma (PVV):

U bedoelt de motie op stuk nr. 86 (31700-VIII)?

De heer Jasper van Dijk (SP):

Ik heb u die motie net laten zien. Daarin staat dat leerlingen toegelaten moeten worden op scholen indien de grondslag wordt gerespecteerd. De PVV heeft die motie gesteund. Ik neem aan dat dit nog steeds het standpunt van de PVV is.

De heer Bosma (PVV):

Als wij het over dezelfde motie hebben, namelijk die op stuk nr. 86 (31700-VIII), moet ik even nadenken. In die motie staat dat een persoon die respect heeft voor de grondslag van een school toegelaten dient te worden. Er staat in die motie niet dat "elk persoon" dat respect heeft toegelaten dient te worden. Dan was het een ander verhaal geweest. In de motie staat echter "een persoon".

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit is te zot voor woorden. Ik kan dit niet serieus nemen. Het is volstrekt helder wat er in die motie staat. Als de heer Bosma niet meer achter de motie staat, moet hij dat zeggen. Dan is duidelijk dat hij draait. Of hij staat wel achter de motie, die overigens niets aan duidelijkheid te wensen overlaat.

De heer Bosma (PVV):

Als je tegen die motie zou stemmen, zeg je dat iemand die respect voor een bepaalde school of denkrichting heeft, niet op die school toegelaten moet worden. Dat zou te gek voor woorden zijn.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik heb de notitie van het CBP over de tegenbegroting van de PVV opgeduikeld. Opvallend is dat daarin met geen woord wordt gerept over het onderwijs. Toch wil de heer Bosma in de komende periode een bezuiniging van 35 mld. binnenhalen, want ook hij wil niet dat het financieringstekort oploopt. Ook hij wil de lasten niet verhogen. Hoe wil hij die doelstellingen dan halen?

De heer Bosma (PVV):

Het bedrag van 35 mld. is een bedrag dat ooit is genoemd door het kabinet en dat de heer Van Dijk blijkbaar in marmer uithouwt als de realiteit van de dag. Zover zijn wij nog niet. De heer Van Dijk kijkt dan ook met meer vertrouwen naar de toekomst dan wie dan ook. Wij hebben een economisch plan voor een nieuwe Gouden Eeuw geschreven, voor de langere termijn. Daarin is een en ander tot in detail uitgewerkt. Wij hakken in zaken zoals ontwikkelingshulp, de afdracht aan de Europese Unie, de kunstsubsidies, de staatsomroep en noem maar op. Het is allemaal tot in detail uitgewerkt.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De tegenbegroting van de PVV is gelijk aan de inbreng van de heer Bosma vanavond: als het gaat over het onderwijs, heeft de PVV geen visie over dit belangrijk onderwerp. Dat stelt mij enigszins teleur, gezien wat wij in de afgelopen periode met de heer Bosma hebben bediscussieerd.

De heer Bosma (PVV):

Een tegenbegroting is een economisch verhaal en niet de plaats om visies op onderwijs te ontvouwen. Daar gaat het gewoon om de centjes en niet om een visie op onderwijs. Het spijt mij vreselijk. Wij hebben aangegeven de uitgaven voor onderwijs niet in te laten storten, zoals anderen willen, maar op hetzelfde niveau te willen houden. Dat is in tijden van crisis een behoorlijke prestatie. Daarom krijgt die tegenbegroting ook een mooi stempel van het CPB.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Misschien is de tegenbegroting niet de plek voor een visie op onderwijs. Volgens mij is vandaag echter wel het moment om daar een en ander over te zeggen. Ook dat heeft de heer Bosma nagelaten.

De heer Bosma (PVV):

Het spijt me vreselijk, maar ik heb vandaag geen enkele visie gehoord. Ik heb één grote verzameling open deuren gehoord. Zo ging het over samen leven, samen werken, samen spelen. Is dat een visie? Er is geen open deur die vanavond niet is ingeschopt door de collega's. Dat heb ik niet gedaan. Ik heb drie onderwerpen uitgekozen en daar ben ik specifiek op ingegaan. De luchtkastelen heb ik overgelaten aan mensen zoals de heer Van Dijk van het CDA.

De heer Anker (ChristenUnie):

Voorzitter. Het onderwijs is een geliefd beleidsveld voor de ChristenUnie, maar vooral voor de ouders, de kinderen en de leraren die dagelijks met het onderwijs van doen hebben. De ChristenUnie kiest eigenlijk altijd voor het perspectief van ouders en scholen. De ouders zijn de eersten die verantwoordelijkheid dragen voor het onderwijs dat hun kinderen genieten.

De fractie van de ChristenUnie hecht sterk aan ons duale bestel. In dit bestel kan iedereen van overheidswege onderwijs ontvangen dat levensbeschouwelijk neutraal en algemeen toegankelijk is. Het biedt ouders ook de mogelijkheid om eigen scholen op te richten die bij hun levensbeschouwing of religie passen, waarbij de kwaliteit gewaarborgd is. Die variëteit in het Nederlandse duale stelsel is ongekend en die moeten we koesteren. Ik benadruk dit omdat de onderwijsvrijheid in de afgelopen tijd te pas en te onpas als kop van jut wordt gebruikt, bijvoorbeeld in de discussie over segregatie en integratie. Het kwam vanavond weer langs. Laten wij alsjeblieft de echte problemen oplossen. Cijfers geven aan dat de tweedeling in zwarte en witte scholen vooral is terug te voeren op de bevolkingssamenstelling in wijken en de schoolkeuze van ouders.

De heroverwegingen zijn spannend. Er gaan misschien wel dingen verdwijnen of veranderen. Wij kunnen ze echter ook als een kans zien om het onderwijs weer terug te brengen bij de basis. Mijn fractie is meestal terughoudend met te veel inhoudelijke bemoeienis met het onderwijs. Wij zijn daarom niet al te enthousiast over allerlei door de politiek ingegeven noodverbandjes zoals de historische canon. Dat is op zichzelf een goed en leuk project, maar wij willen niet vanuit Den Haag de lessen invullen. Scholen zijn prima in staat om het onderwijs zelf in te vullen. De vraag wordt: wat moeten wij in ieder geval doen en hoe moeten wij dat doen? Hoe houden wij het onderwijs allereerst toegankelijk en hoe houden wij het op een kwalitatief hoog niveau?

Ik heb het lijstje met subsidies in het schriftelijke antwoord op de vraag van de heer Van Dijk van het CDA gezien. Ik vermoed dat er achter elk project een wereld van goede bedoelingen schuilgaat, maar ik vraag me af wat er precies van die bedoelingen terechtkomt. Wat betekenen al die projecten voor de administratievelastendruk? Hoeveel van die regelingen vertalen zich in weer een envelop met weer een formulier dat een directeur moet gaan invullen?

Ik kom bij het hoger onderwijs. De uitval van studenten in hun eerste studiejaar is een bekend gegeven. Dat kan allerlei redenen hebben: een verkeerde studiekeuze, een gebrek aan motivatie of persoonlijke omstandigheden. Bij uitval in het eerste jaar is het zaak de boel zo snel mogelijk weer op de rit te krijgen en voor een nieuwe studie de goede keuze te maken. Er zijn verschillende instellingen die daartoe een tussenjaar of een heroriëntatietraject aanbieden, die een positieve invloed lijken te hebben op het verdere verloop van de studiecarrière. PerspectieF, de jongerenorganisatie van de ChristenUnie, heeft hier een verkennend onderzoek naar gedaan. Is de minister bereid om verder onderzoek te doen naar de kosten en het effect van een tussenjaar of een heroriëntatietraject?

Dan het hoger onderwijs en de provincie Flevoland. Bij het debat over de Voorjaarsnota in juni heeft mijn fractie het kabinet opgeroepen om met betrokken partijen afspraken te maken over de noodzakelijke rijksbijdrage voor het behoud van het hoger onderwijs in de provincie Flevoland. Afgelopen vrijdag kwam naar buiten dat het kabinet het voornemen van de hogeschool Windesheim om zich in Almere te vestigen steunt en daaraan 37 mln. wil bijdragen. Ik ben blij dat is geluisterd naar de oproep van mijn fractie en dat het kabinet zich sterk heeft gemaakt voor het behoud van hoger onderwijs in Almere.

Mijn volgende punt heeft betrekking op het schrappen van de ov-kaart van de mbo'ers. Hier wordt mijn fractie helemaal niet blij van. Vorig jaar is bij de algemene politieke beschouwingen structureel 30 mln. vrijgespeeld om de kosten van het openbaar vervoer voor minderjarige mbo'ers verder te laten dalen. De staatssecretaris is hiermee voortvarend aan de slag gegaan. Zij kwam met verschillende varianten om het geld bij de mbo-leerlingen terecht te laten komen. Mijn fractie was vooral gecharmeerd van de eenvoud van de restitutievariant die je bijvoorbeeld in Friesland ziet. De staatssecretaris koos echter met velen uit het veld voor een ov-kaart met bijbetaling. Alleen als het tijdpad voor de ov-kaart niet haalbaar bleek, zou de restitutievariant een serieuze optie worden, zo schreef de staatssecretaris in december. Behalve een briefje in maart met de aankondiging van nieuws in de pijplijn, hebben wij echter lange tijd niets gehoord. Tot wij in de voorjaarsnota lazen dat het bedrag van 30 mln. anders zou worden besteed. De redenen waren uitvoeringsproblemen en herprioritering. Eigenlijk zegt de staatssecretaris: het is me te lastig en ik kan het geld ergens anders ook heel goed gebruiken. De staatssecretaris moet toch echt met meer argumenten komen. Ik begrijp dat het zware tijden zijn, maar het is mij echt te gortig om dan maar een Kamermotie aan de kant te schuiven. Dit onderwerp mag niet van de agenda verdwijnen.

Wat mij betreft is nu de belangrijkste vraag wat er naast budget nodig is om in de toekomst minderjarige mbo'ers wel een voorziening te kunnen bieden. Is er voldoende bekend over het reisgedrag van mbo'ers bijvoorbeeld? Wat is er in de systematiek mogelijk om problemen bij de provincies weg te nemen? Er liggen kansen bij de verdere invoering van de OV-chipkaart. Wat mijn fractie betreft ligt dit project bij de volgende begroting gewoon weer op tafel. Ik vraag de staatssecretaris om deze wens van de Kamer ook in te brengen in de heroverwegingen. Laten wij daarnaast dit jaar gebruiken om het nodige studiewerk te doen en laten wij daarbij de restitutievariant nu ook echt een goede kans geven.

Er schijnt ook een meevaller van 65 mln. in het verschiet te liggen. Wellicht dat die enige dekking kan leveren. Ik krijg hier graag een reactie op.

De heer Jasper van Dijk (SP):

De ov-kaart voor mbo'ers is heel belangrijk, dat vindt de heer Anker ook. Nu wilde hij van mij zojuist een amendement hebben. Ik heb gezegd dat ik dat graag samen met hem wil maken. Hij trekt nu ook een grote broek aan. Hij vindt dit vreselijk belangrijk. Ik neem aan dat wij vandaag zaken kunnen doen en niet volgend jaar, zoals hij net zei. Dat zou een beetje teleurstellend zijn voor de studenten.

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik zou natuurlijk het liefst zien dat het gisteren zou zijn geregeld, dat ben ik met de heer Van Dijk eens. Ik kwam echter in eerste instantie met die interruptie, omdat het mij een beetje stoort dat hij telkens wil meeliften op de momenten dat de fractie van de ChristenUnie haar nek uitsteekt en probeert iets voor elkaar te krijgen. Ik ga nu het debat aan met de staatssecretaris over de vraag wat mij moeten doen om dit een kans van slagen te bieden. Ik meen dat alle fracties dit willen; volgens mij heeft alleen de fractie van de PVV nooit een motie gesteund over een ov-kaart voor mbo'ers. Volgens mij willen wij dit met z'n allen, er is veel politieke wil, maar het moet wel kunnen. Ik heb er ook met andere mensen over gesproken, ook mensen in Friesland die hier veel verstand van hebben, maar het is best nog wel een klusje om dit op een goede manier te regelen. Wij kunnen het nu doen. Als het allemaal zou kunnen, zou dat fantastisch zijn, maar ik zie problemen met het budget en de uitvoering. De heer Van Dijk roept dat het een schande is en dat het allemaal vreselijk is, maar hij levert vervolgens geen boter bij de vis. Daar sprak ik hem op aan. Dan moet je een grote broek aantrekken en met een amendement komen. Ik heb geconstateerd dat dit er niet ligt.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit is echt een beetje te gek. De heer Anker kaatst nu de bal naar mij, terwijl hij het zo belangrijk vindt. Ik stel voor, ik reik hem de hand, om samen met de ChristenUnie een ov-kaart te regelen en hij mag van mij overal in het land zeggen dat het door de ChristenUnie komt. Ik heb daar een fatsoenlijke dekking voor. Ik maak dat amendement, maar de heer Anker duikt gewoon. Hij zegt opeens: het is lastig, het is misschien moeilijk uitvoerbaar en het moet maar naar volgend jaar worden doorgeschoven. Gaan wij nu vandaag zaken doen of niet?

De heer Anker (ChristenUnie):

Ik doe zaken met mensen die iets kunnen leveren. Op dit moment verwacht ik veel meer van het kabinet dan dat ik van de heer Van Dijk verwacht. Over het algemeen heb ik daar bar weinig van te verwachten, meen ik. Hij geeft een gratis cheque af en zegt: och, ik vind wel ergens 110 mln. Dat moet hij ook maar zeggen waar dat vandaan moet komen. Ik ben in gesprek met het kabinet. Dat heeft aangegeven dat het op dit moment niet zal lukken. Ik wil echter dat dit volgend jaar gewoon weer op de agenda staat. Laten wij het komende jaar goed gebruiken.

Ik kom nu bij het passend onderwijs. De ChristenUnie heeft zich altijd ingezet voor passend onderwijs, opdat iedere leerling volwaardig kan meedoen. Inmiddels is de kabinetslijn duidelijk geworden: het rugzakje verdwijnt en schoolbesturen krijgen een zorgplicht en zorgverantwoordelijkheid. In de kern zal dit moeten leiden tot passend onderwijs zonder langdurige en ingewikkelde indicatiestelling en zonder wachtende, thuiszittende leerlingen. Het is goed dat het kabinet naar de bezwaren van ECPO heeft geluisterd. Vooruitlopend op de discussie die in de Kamer zal worden gevoerd, wil ik nog wel enkele opmerkingen maken.

De jongeren waar wij over spreken, hebben vaak niet alleen passend onderwijs nodig. Nu de rugzakjes verdwijnen, mag het niet gebeuren dat de kosten en zorgen elders in de zorg rondom het kind terechtkomen. Nu bestaat er nog vaak veel onduidelijkheid tussen bestuurders en scholen én ouders en leraren over de wensen voor en verwachtingen van passend onderwijs. De ChristenUnie vindt het daarom van belang dat het zorgprofiel van scholen zal aansluiten op de wensen van leraren en ouders. In hetzelfde kader vraag ik, nu er bij passend onderwijs meer specifiek naar de scholen wordt gekeken, of het mogelijk is om hoogbegaafdheid mee te laten lopen. Mijn fractiegenoot Slob vroeg eerder aandacht voor hoogbegaafde leerlingen. Zij hebben er moeite mee, zich sociaal-emotioneel staande te houden in het onderwijs en voelen zich vaak een buitenbeentje. Er zijn veel overeenkomsten met passend onderwijs. Hoewel het om heel verschillende kinderen gaat, is er ook in dit geval sprake van een specifiek aanbod voor kinderen. Er is nu een actieprogramma gestart, waarbij ook via experimenten wordt onderzocht welke instrumenten effectief zijn. Die aanpak komt ons ook erg bekend voor. Zo zijn er voor hoogbegaafde kinderen soms heel veel verschillende arrangementen, zodat heel veel ouders, maar ook scholen, niet goed weten waar zij aan toe zijn. Is de staatssecretaris bereid, te overwegen of hoogbegaafdheid een plek kan krijgen in het stelsel van passend dan wel speciaal onderwijs?

De heer Dibi (GroenLinks):

Voorzitter. Ik ben nog enigszins in shock door het ontluisterende verhaal van de PVV, dus ik hoop niet dat ik weer een black-out krijg, maar ik ga mijn best doen.

Als integratie de sociale kwestie is van de 21ste eeuw, zoals vicepremier Bos stelt, dan is onderwijs daarvoor het vehikel. Onderwijs is emancipatie. Emancipatie van alle kinderen, uit lage klassen, uit de middenklassen en hogere klassen. Dat is de remedie tegen maatschappelijke problemen. Er zoveel winst te behalen als wij die problemen die ons nu zo vaak bezighouden in Kamerdebatten weten te voorkomen door te investeren in onderwijs. Het scheelt ontzettend veel leed en slachtoffers, maar ook heel veel geld. De verwachtingen waren dan ook hoog gespannen bij het aantreden van maar liefst twee klassiek-sociaaldemocraten op de moeder van alle ministeries: Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Wij zijn inmiddels drie jaar verder, en er is zeker daadkracht, maar niet op linkse klassieke idealen. Ik noem de vroege selectie in ons onderwijssysteem, maar bijvoorbeeld ook de bestrijding van de segregatie. De daadkracht is wel te vinden bij staatssecretaris Van Bijsterveld. Of het nu gaat om de gratis schoolboeken, de maatschappelijke stages of de 1040 urennorm, zij jast haar CDA-hobby's er in no time doorheen. Ik moet zeggen dat de GroenLinks-fractie daarvan onder de indruk is.

De daadkracht die onze linkse, progressieve vrienden tonen, is de verkeerde. Staatssecretaris Dijksma bezuinigt op de kinderopvang – hoezo zorg en arbeid combineren? – en walst onverbiddelijk over de gastouderopvang heen. Wat doet minister Plasterk precies? Af en toe dropt hij een meninkje. Maar zo gauw dat naar visie zweemt, parkeert hij het in een commissie die er nog eens naar gaat kijken. Of het blijft alleen bij woorden, zoals: ik ga werk maken van homo-emancipatie. Laaghangend fruit noemt de minister bijvoorbeeld meer broodnodige voorlichtingslessen op scholen. Wanneer dit geplukt wordt, is de vraag. Het is de columnist Plasterk die minister is geworden, maar niet de vrijzinnige wetenschapper.

Wij hebben nog maximaal één jaar. Eerlijk gezegd is dit het moment waarop deze minister en zijn staatssecretaris – ik heb het dus over de linkse, klassiek-sociaaldemocraten – visie moeten gaan tonen. Ik begin met segregatie. Als integratie echt de hedendaagse sociale kwestie is en onderwijs het vehikel daarvoor is, dan zou bestrijding van de segregatie de allerhoogste prioriteit moeten hebben van alle drie de bewindslieden van OCW. Maar dat is het niet. De ene staatssecretaris, mevrouw Dijksma, experimenteert wat, de andere ziet het hele probleem niet en de minister is onzichtbaar. In het coalitieakkoord is de ambitie uitgesproken om segregatie te bestrijden. Wat komt daar nu eigenlijk van terecht? De afspraak was dat er vanaf 2008 zou worden gewerkt met vaste aanmeldmomenten voor het primair onderwijs, eventueel aangevuld met een loting. Het is bij mooie woorden gebleven. Wat kunnen wij precies verwachten van dit trio?

Ik was wel enigszins aangenaam verrast toen de heer Jan Jacob van Dijk van het CDA aangaf dat hij wel geïnteresseerd is in het aandeel achterstandsleerlingen dat opgevangen wordt door bijzondere scholen en het aandeel dat opgevangen wordt door openbare scholen. Ik vraag de minister en zijn staatssecretaris om daarnaar onderzoek te doen, of de cijfers te bundelen. Dan kunnen wij bezien hoe wij de segregatie beter kunnen bestrijden.

Het volgende prachtige citaat van minister Plasterk is de GroenLinks-fractie uit het hart gegrepen: 30 jaar geleden waren de leraren de baas op school. Tegenwoordig worden zij als pionnen heen en weer geschoven door een managementteam, dat ook nog eens twee zoveel verdient. Daar moeten wij vanaf. Wederom is de vraag wat er nu precies van deze ambitie terecht is gekomen en wij wachten nog op het wetsvoorstel waarin het professioneel statuut voor docenten wordt geregeld, wij wachten al tijden op het wetsvoorstel waarin de topinkomens ook in het onderwijs aan banden worden gelegd. Wij wachten nu ook al jaren, ondanks beloften, op een plan om de werkdruk van docenten te verlagen. Worden deze drie beloften in het examenjaar wel ingelost en, zo ja, wanneer kunnen wij deze wetsvoorstellen verwachten?

Waar wij ook sinds het crisisakkoord op wachten, is duidelijkheid over de lerarensalarissen. Ja, het actieplan LeerKracht gaat door, maar de reguliere loonbijstelling staat onder druk. Het kabinet heeft namelijk een bezuiniging ingeboekt van 2,3 mld. op de ambtenarensalarissen. Verhoudingsgewijs betekent dat voor het onderwijs een bezuiniging van 400 mln. in 2011. Hangt die bezuiniging het onderwijs nog steeds boven het hoofd?

Geld moet rollen, juist in het onderwijs. Een langslepende discussie is die over opgepot geld van schoolbesturen. Zij hebben veel te veel geld op de bank staan. Het is niet altijd onwil, maar ook soms onkunde. Sommige besturen zijn niet professioneel genoeg om financieel degelijk beleid te voeren. Zij zijn bang dat zich allerlei onverwachte omstandigheden zullen voordoen en laten het geld daarom maar op de bankrekening staan. Ook op dit terrein wringt de CDA-visie. De vrijheid van schoolbesturen om hun gang te gaan lijkt belangrijker dan het stellen van strikte grenzen zodat gemeenschapsgeld terecht komt waar het hoort, namelijk in de klas. Het rapport van de commissie-Don is een goede aanleiding voor het stellen van een maximum aan de reserves. Komen die er ook en, zo ja, wanneer?

Geld voor onderwijs moet rollen, ook het extra geld dat er is gekomen om schoolgebouwen op te knappen. Rolt dat geld al en, zo ja, waar naartoe precies? Rolt het wel naar verbouwingen die energiezuinig zijn en een verplicht aandeel stageplekken opleveren en naar scholen waar alle leerlingen van 8.00 tot 18.00 uur onderdak krijgen? Staatssecretaris Dijksma heeft eerder deze week volgens mij al aandacht gevraagd voor de vooruitgang wat betreft de brede scholen.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik wil even terug naar de commissie-Don. Heeft de commissie-Don voorgesteld om allemaal grenzen te stellen? Dan hebt u volgens mij een andere versie van rapport dan ik, mijnheer Dibi.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik heb gezegd dat het rapport van de commissie-Don aanleiding is om strengere grenzen te stellen aan reserves. U wilde die commissie liever helemaal niet. Wij zijn ontzettend blij dat zij dit werk heeft geleverd en wij hopen dat wij in het debat over het oppotten van geld een aantal maatregelen kunnen nemen, strengere maatregelen dan er nu zijn. Reserves laten staan op een bankrekening, daar heb ik helemaal geen probleem mee. Dat is onderdeel van een financieel degelijk beleid. Te veel geld op je bankrekening laten staan dat bedoeld is voor in de klas, voor het primaire proces, is zonde als wij tegelijkertijd aan het nadenken zijn over bezuinigingen in het onderwijs.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

De commissie-Don heeft een handreiking gegeven aan schoolbesturen om het financiële beleid op een goede wijze handen en voeten te kunnen geven. Zij heeft daarbij aangegeven dat er geen relatie bestaat tussen de omvang van de reserves en de kwaliteit van de scholen. In tegendeel: als er hoge reserves waren, was de kwaliteit van de school negen van de tien keer ook heel erg goed. Dat is anders dan de suggestie die de heer Dibi op tafel legt.

De heer Dibi (GroenLinks):

In tegenstelling tot de CDA-fractie – laat dat duidelijk zijn – vindt de fractie van GroenLinks dat er niet te veel geld op de bankrekening moet blijven staan, op de plank moet blijven liggen, dat eigenlijk bedoeld is voor het leerproces. Als wij er door een aantal striktere grenzen te stellen voor kunnen zorgen dat meer van ons gemeenschapsgeld dat is bedoeld voor onderwijs daar ook terecht komt, wordt de fractie van GroenLinks heel erg gelukkig.

Ik zou het ook fijn vinden als staatssecretaris Dijksma aangeeft wat zij wil doen rondom het overblijven, de tussenschoolse opvang. De vraag is of wij daar niet veel meer zouden kunnen betekenen dan nu het geval is. Ik ben benieuwd hoe zij daar tegenaan kijkt.

Over geld gesproken. Het is de minister niet gelukt om onderwijs buiten de bezuinigingsoperatie van dit kabinet te houden. Twee ambtelijke werkgroepen zijn, as we speak, bezig met studeren hoe maar liefst 20% kan worden bezuinigd op het hoger onderwijs en op de arbeidsproductiviteit. De minister houdt het op een technische exercitie en klampt zich vast aan de motie-Hamer. Het is ook onze enige strohalm, zeg ik er maar eerlijk bij, maar wel een mistige. Daarom hopen wij vandaag met de bewindslieden en met de coalitie een aantal zaken te doen.

Wat ons betreft kunnen de ambtelijke werkgroepen hun werk doen binnen een aantal kaders: de klassen worden niet groter, de begeleidingstijd en werkdruk van de leraren verslechteren niet en er mogen niet meer onbevoegde docenten voor de klas staan. Wij waren aangenaam verrast dat ook de PvdA-fractie die ambtelijke werkgroepen een aantal randvoorwaarden wilde meegeven. Wij zijn ook wel benieuwd of zij bereid is om dat in een motie te vervatten – ik overweeg om een motie in te dienen – en als opdracht mee te geven aan de regering. Ik hoor daar graag een reactie op.

Ik vraag dit om dat ik wel heel nieuwsgierig ben hoe arbeidsproductiviteit in hemelsnaam als onderwerp voor de bezuinigingsoperatie is genomineerd. Nederlandse leraren hebben relatief grotere klassen en draaien relatief veel uren. Ik mag toch hopen dat juist deze bewindspersonen zullen inzien dat er uiteindelijk maar één doorslaggevende kwaliteitsfactor in het onderwijs is. Dat is voldoende begeleidingstijd door een bevoegde docent. Het gaat om een leerproces. Dat kan niet in een koel en kil economisch model worden gepropt.

Voorzitter. Ik zie dat ik heel snel moet gaan praten want mijn tijd gaat hard door.

Toen de minister net was aangetreden, zei hij ten aanzien van het hoger onderwijs in een interview: "Interessant is bijvoorbeeld de leenangst. Een lening van € 30.000 is voor iemand van 17 jaar onafzienbaar veel geld. Voor iemand die een studie achter de rug heeft, is het net zo veel geld als een Fiat Panda. Een hoop geld, maar een rendabele investering. Wij zitten alleen met het feit dat mensen niet willen lenen. Zij gaan er veel bijwerken of sommige studenten denken: laat maar, ik ga bij pa in de winkel werken. Dat is zonde. Over de studiefinanciering ben ik hard aan het nadenken."

Dat nadenken heeft inmiddels zo lang geduurd dat het is uitbesteed aan een ambtelijke werkgroep. Het interview dateert van twee jaar geleden.

Voorzitter. Ik zet er maar een aantal minuten bij, anders haal ik het niet.

GroenLinks heeft in het verleden samen met de Partij van de Arbeid en de Landelijke Studenten Vakbond een prachtig voorstel gedaan: een studieloon dat wordt gefinancierd uit de studietaks. Dat voorstel lost precies het probleem op dat de minister in zijn interview aankaartte: de grote leenangst die bestaat onder de groep voor wie studeren toch al niet vanzelfsprekend is.

De vraag van de fractie van GroenLinks is eigenlijk, of de minister bereid is om het voorstel van GroenLinks expliciet onder de aandacht van de ambtelijke werkgroep te brengen opdat deze erop kan studeren als alternatief voor het asociale leenstelsel van de VVD.

GroenLinks wil meedenken over een zo sociaal en rechtvaardig mogelijk stelsel. Wij denken dat in eens voorstel een aantal element zit dat de moeite van het bestuderen heel erg waard is.

Voorzitter. Laat ik het hierbij maar houden.

De heer Van der Ham (D66):

De heer Dibi heeft zijn tijd niet helemaal goed ingeschat.

Ik ben benieuwd of hij de gevolgen van zijn voorstel wel goed heeft doorgerekend. Het voorstel bestaat al langer. Het is dus al vaker meegewogen. als je iedereen voor de rest van zijn leven 1% laat betalen, hoe doe je dat dan met mensen die naar het buitenland vertrekken? Heeft de heer Dibi berekend hoeveel het oplevert aan inkomen voor de overheid? Ik meen dat het niet dekkend zal blijken te zijn voor de ambitie die de heer Dibi koestert. Het plan bestaat al heel lang. Het is niet zonder reden dat het niet is ingevoerd.

De heer Dibi (GroenLinks):

GroenLinks is een ideeënpartij. Dat betekent dat je soms ook door middel van een idee een discussie wilt starten. Het voorstel dat ik nu heb gepresenteerd, is iets anders dan het eerder voorgestelde studieloon. In tegenstelling tot de VVD zegt GroenLinks niet dat het in 2010 moet zijn ingevoerd. Wij zeggen dat dit een alternatief voor het huidige stelsel kan zijn. Als wij naar het verleden kijken, zien wij dat onder de kabinetten Paars I en Paars II constant is bezuinigd op het hoger onderwijs. Als er geld moet worden gevonden, zijn de studenten de eersten die worden kaalgeplukt. Wij willen daar vanaf. Wij willen naar een duurzaam stelsel. Dit voorstel is nog niet helemaal uitgewerkt. Ik wil dat andere partijen hierover meedenken. Op die manier kunnen wij bezien wat het meest duurzame stelsel voor de studiefinanciering in de toekomst zou kunnen worden.

De heer Van der Ham (D66):

Over de details kunnen wij inderdaad later altijd nog spreken. Er wordt in dit voorstel echter een aantal principiële keuzes gemaakt. Die keuzes vinden wij erg gevaarlijk. Je laat mensen eindeloos 1% van hun inkomen inleveren terwijl dat de Staat niet eens veel oplevert. Het kan echter wel oneerlijk en onrechtvaardig uitpakken. Wil de heer Dibi bijvoorbeeld dat mensen die na een jaar stoppen met hun studie, gewoon belasting blijven betalen op dit punt? Hoe wil hij dit allemaal organiseren? Wat doet hij bijvoorbeeld met de mensen die in het buitenland gaan wonen?

De voorzitter:

U stelt veel vragen tegelijk, mijnheer Van der Ham.

De heer Dibi (GroenLinks):

Dit zijn detailvragen.

De heer Van der Ham (D66):

Dit zijn principiële vragen, mijnheer Dibi.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik zal erop ingaan. Allereerst kom ik op de studenten die tijdelijk in het buitenland gaan werken. De fiscaliteit kent ontzettend veel vormen van grensoverschrijdend verkeer. Er is een financiële infrastructuur waarin je allerlei regelingen kunt bedenken om ook mensen die het land verlaten, toch nog te laten betalen. Je kunt daarbij denken aan exitheffingen, maar ook bijvoorbeeld aan het minder AOW geven aan mensen die later terugkomen om hun AOW-recht op te eisen. Als je naar dit stelsel met open vizier kijkt, dan zijn er allerlei regelingen te bedenken. Ik heb hierover geen definitief standpunt ingenomen. Ik zou het jammer vinden als juist de partij die vindt dat je met een open vizier naar de toekomst moet kijken, allerlei dogma's op dit terrein in stelling brengt. Het was mijnheer Pechtold die voorstelde om de basisbeurs af te schaffen.

De heer Van der Ham (D66):

De heer Dibi betrekt nu de AOW er al bij en heeft het over exitheffingen. Als wij die invoeren, gaat er niemand meer naar het buitenland. Dat durf je dan immers niet eens meer te doen. Dit voorstel is heel slecht voorbereid. Ik ben ook heel erg voor dit idee en ik vind het fantastisch. Dit is echter al erg vaak aan de orde geweest en niet voldragen gebleken. Dit heeft te veel principiële bezwaren. De heer Dibi heeft dit al heel groot aangekondigd in de kranten. Ik zeg hem: had het wat beter voorbereid.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik heb al in de krant gezegd dat het een voorstel op hoofdlijnen is. De heer Van der Ham zoekt nu naar een detail op basis waarvan hij het voorstel snel kan afschieten. Dit is een idee op hoofdlijnen. Wij willen af van het constant bezuinigen op onderwijs. Dit is ook gebeurd onder kabinetten waarvan D66 lid was. Als je daar vanaf wilt, moet je ook bereid zijn om een standpunt in te nemen en in ieder geval om iets mee te geven aan het kabinet om op te studeren. Dat doet de heer Van der Ham nu niet.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Is iedereen verplicht om deel te nemen aan dit stelsel?

De heer Dibi (GroenLinks):

Ja. Dit is solidariteit tot de macht tien.

De heer Zijlstra (VVD):

Dit is socialisme!

De heer Dibi (GroenLinks):

Nee, dit is helemaal geen socialistisch voorstel. Als de overheid investeert in studenten die daaruit vervolgens een groot persoonlijk rendement halen, dan is het niet meer dan normaal dat aan deze mensen wordt gevraagd om die investering terug te betalen. Van de ontvangers van studiefinanciering kan 80% de studie eigenlijk zelf betalen. Waarom zouden wij niet iedereen gewoon deel laten nemen aan dit systeem?

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Als iemand nu zegt: hieraan heb ik helemaal geen behoefte, moet hij dan toch deelnemen aan dit systeem van de heer Dibi? De heer Dibi dringt deelname in feite op. Hij zegt: u moet het nemen.

De heer Dibi (GroenLinks):

Inderdaad, dat is een principieel element in het voorstel. Over de details waarover de heer Van der Ham het zojuist had, kun je onderhandelen. Wij zeggen echter: alle studenten doen hieraan mee.

De heer Zijlstra (VVD):

De heer Dibi noemde zojuist ons voorstel asociaal. Nu komt hij zelf met een voorstel dat ik bijzonder asociaal vind. Hij maakt zijn voorstel steeds kleiner, want in de pers was het nog een heel belangrijk punt. Inmiddels hebben wij het slechts over "een idee" dat hij meegeeft. Als de heer Dibi het kabinet een voorstel wil meegeven voor de ambtelijke werkgroep, zou ik wensen dat hij het iets verder zou hebben uitgewerkt. Als hij dat had gedaan, wist het kabinet in ieder geval wat het moest meenemen. Kent de heer Dibi de Commissie Uitgangspunten Nieuw Studiefinancieringsstelsel, die in 2002 heeft gepubliceerd?

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik heb van allerlei commissies gehoord die hebben gestudeerd op de academische taks en ook op het sociale leenstelsel. Ik weet niet precies naar welke conclusie de heer Zijlstra nu verwijst. Ik weet wel dat er een aantal doorrekeningen zijn gemaakt. De uitkomst van de ene was minder rooskleurig dan de uitkomst van de andere. Het voorstel dat ik heb gepresenteerd, is anders. Je betaalt terug over een langere tijd en je begint pas met terugbetalen vanaf een hogere schijf. Je krijgt ook een ander bedrag als je begint.

De heer Zijlstra (VVD):

Dat is de crux, want uw voorstel gaat nog verder dan dat wat toen werd voorgesteld. Wij hebben het feitelijk over een academicitaks: je leven lang betalen. Het CPB heeft dat doorgerekend. U gaat ervan uit dat men boven de € 50.000 moet gaan betalen, geloof ik.

De heer Dibi (GroenLinks):

Modaal.

De heer Zijlstra (VVD):

Modaal, € 33.000 dus. Dit was nog iets lager, en daarbij kwam het CPB al uit op een belastingpercentage van 14,6. Mensen die boven dat inkomen zitten, moeten dus 14,6% per jaar extra betalen, want anders hebt u een gat in de begroting geschoten.

De heer Dibi (GroenLinks):

Dat klopt.

De heer Zijlstra (VVD):

Vindt de fractie van GroenLinks, een partij die graag arbeidsparticipatie wil bevorderen en die vindt dat mensen volledige banen moeten nemen, dat dit plan een goed plan is dat ervoor zorgt dat bijvoorbeeld vrouwen volwaardige banen gaan nemen op de arbeidsmarkt en hun studie gaan uitnutten? Vindt zij dat echt?

De heer Dibi (GroenLinks):

Als de heer Zijlstra zo'n oordeel velt over een voorstel van ons, moet hij er ook goed naar gekeken hebben. Volgens het voorstel waarnaar u verwijst, betaal je terug in een periode van vijftien jaar. Daarom is het belastingpercentage zo hoog. Wij hebben dat veranderd, waardoor je uiteindelijk uitkomt op een veel lager belastingpercentage, hooguit 2. U kunt nu wel proberen om dit heel snel af te schieten, maar het hangt mede af van de uitwerking van het studieloon en de studietaks hoeveel je moet terugbetalen en hoe lang je wilt terugbetalen. Dat zijn allemaal keuzes die je kunt maken als je hiernaar gaat kijken. U bent niet eens bereid om ernaar te kijken!

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Zijlstra.

De heer Zijlstra (VVD):

Sterker nog, wij hebben er al naar gekeken, en heel serieus, want wij delen uw mening dat het huidige studiefinancieringsstelsel aan een herziening toe is. Daarvoor complimenten. GroenLinks is samen met de VVD de enige partij die een plan hiervoor neerlegt, wat wij er ook van vinden. Ik wil toch meegeven dat wij dit plan ook principieel onjuist vinden, omdat u een straf op succes stelt. U zegt: word vooral niet te succesvol, want hoe succesvoller u wordt, hoe meer u moet gaan terugbetalen, en als u pech hebt, betaalt u gewoon tien of twintig keer uw eigen studieschuld terug. Dat moet men dan doen voor al die studenten die volgens GroenLinks zo zielig zijn maar die wel een rendement op hun eigen studie kunnen binnenhalen. Dat is inconsistent.

De heer Dibi (GroenLinks):

Ik waardeer ook dat de VVD met een eigen voorstel is gekomen. Er is alleen wel een verschil tussen onze beide voorstellen. Dat van u is ingegeven door een bezuiniging.

De heer Zijlstra (VVD):

Nee!

De heer Dibi (GroenLinks):

U zei net tegen de bewindslieden: weet u hoeveel dit oplevert als u geld nodig hebt? Ons voorstel is ingegeven door het ideaal van een beter en duurzamer stelsel van studiefinanciering, waarin wij ook geen onderscheid maken tussen studenten die uit armere gezinnen komen en studenten die uit rijkere gezinnen komen. U dwingt studenten uit armere gezinnen om te lenen. Dat willen wij niet doen. Wij willen dat iedereen aan dit stelsel deelneemt. Dat is solidariteit tot de macht tien. U mag dat socialistisch noemen of wat dan ook, ik vind het progressief.

De heer Pechtold (D66):

Voorzitter. Dat de heer Dibi zijn voorstel deed tijdens de start van de elfde van de elfde is misschien veelzeggend!

Bij de algemene politieke beschouwingen werd de motie-Hamer Kamerbreed aangenomen. Juist nu meer studenten dan ooit aan de poorten van hogescholen en universiteiten kloppen en nu concurrentiekracht zo belangrijk is voor ons economisch herstel, zet ik kennis op één. Wat D66 betreft, levert onderwijs niet in maar levert onderwijs op. Wat is de ambitie van dit kabinet, het OESO-gemiddelde of de top vijf? Op welke termijn denkt het kabinet dit te bereiken?

Volgens berekeningen in de KIA kost het meer dan 5 mld. per jaar om de top vijf te bereiken. Om het gemiddelde te behalen, is dat zo'n 1,5 mld. Wat betekent dat voor de opdracht die het kabinet aan de brede hervormingscommissies meegeeft? Kan de uitkomst van die commissies zijn dat wij bezuinigen op onderwijs? Het CDA sluit dat niet uit, zo hebben wij gehoord. Twee commissies zoeken samen 5 mld. aan besparingen op basisscholen, middelbare scholen, hogescholen en universiteiten, terwijl de motie-Hamer de regering oproept tot investeringen. Ik begrijp dat niet. Dit kabinet wil heroverwegingen in samenhang bezien. Zijn de bewindslieden al in overleg met hun collega's om het onderwijs uit te sluiten van bezuinigingen? De komende anderhalf jaar mogen geen jaren van stilstand worden. Daarom vraag ik aan de minister een concreet plan. Hoe gaan wij de top vijf bereiken? Welke tussenstappen zet hij daarbij?

Wij praten over onderwijs als mogelijke besparing, terwijl onze scholen er niet in slagen om alle kinderen gelijke kansen te geven. 89.000 kinderen krijgen zwak of zeer zwak basisonderwijs.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik hoor de heer Pechtold net het kabinet vragen om een plan om bij de top vijf te komen. Nu had ik mij vandaag toch zo voorbereid op een gezellig en geweldig inhoudelijk debat met de heer Pechtold. Hij roept altijd: D66 is de partij van het onderwijs. Ik had hier dus van hem een visie verwacht op hoe hij vindt dat wij bij de top vijf komen. Kan hij daarover iets zeggen?

De heer Pechtold (D66):

Ik wijs op onze verkiezingsprogramma en op onze tegenbegroting, waar 1 mld. meer voor het onderwijs in zat dan dit kabinet wilde besteden. We hebben net met 1500 leden, onder wie veel nieuwe leden, het zaterdagonderwijs centraal gesteld. Een prachtige speech van de voorzitter van de KNAW kan ik u ook aanbevelen. Een leven lang leren betekent dat je bij het consultatiebureau al vaststelt of er taalachterstand is en dat je daar al ingrijpt. Ook betekent het dat je herschoolt en omschoolt tot het jaar voor de pensionering, als je 66 bent.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Ik had gehoopt dat de heer Pechtold hier met een wat uitgewerkter plan had gestaan. Hij heeft er altijd de mond van vol dat wij dit allemaal beter moeten regelen. Nu zegt hij: leest u de brief van de KNAW maar of was u maar naar onze onderwijsdag gegaan. Ik had gehoopt hier, in de Kamer, het debat met de heer Pechtold te voeren. Ik vind het jammer dat hij die kans laat gaan.

De heer Pechtold (D66):

Wij zijn er hard mee bezig om ervoor te zorgen dat wij met zijn tweeën niet meer acht minuten spreektijd hebben, maar dat wij na de volgende verkiezingen wat ruimer in ons jasje zitten. Had u de afgelopen drie jaren de vele voorstellen maar gevolgd die wij hebben gedaan. Als u mij had gevraagd wat de laatste motie op onderwijsgebied is waarop ik trots ben – de PVV stond bij deze vraag met de mond vol tanden – dan was dit de motie over de zeer zwakke scholen geweest, waarin ik samen met de VVD heb opgetrokken. We hebben een Kamermeerderheid voor deze motie gekregen. Als oppositie kun je constructief meewerken De staatssecretaris maakt er op dit moment vaart mee. Deze zaken pakken wij in het onderwijs aan. Ik kom dadelijk op de conciërges op scholen. Ik zou graag willen dat we een universiteit in de top tien van de wereld krijgen. Deze wens koestert u volgens mij ook. Als u de spreektijd met de voorzitter nog even regelt – maar ik zie de minister daar niet optimistisch bij kijken – zou ik er nog veel langer over kunnen doorgaan.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

U noemde net als een van de prioriteiten een leven lang leren. Dat zou volgens u echt moeten gebeuren. Waarom ruimt u daarvoor in uw tegenbegroting geen enkel bedrag in?

De heer Pechtold (D66):

Omdat dit iets is waarbij niet alleen de overheid centraal staat. Voor een leven lang leren zijn drie partners verantwoordelijk, de drie o's. Dit zijn de ondernemers, de overheid en het onderwijs. Je bent dadelijk wat ons betreft ook als individu verantwoordelijk, maar het is ook iets wat tussen maatschappelijke partners, tussen werkgevers en werknemers van groot belang is. Een leven lang leren doe je vooral door om- en bijscholing. D66 zou willen, anders dan bijvoorbeeld uw kabinet voorstelt, dat we met name inzetten op de maatregel om de AOW-leeftijd te verhogen naar 67.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Maar ook dat hebt u in uw tegenbegroting niet helder naar voren gebracht. U hebt namelijk geen enkel bedrag gereserveerd, ook niet voor het deel dat het onderwijs zou moeten opbrengen, voor uw ambitie op een leven lang leren. U vermeldt iets over conciërges, over innovatie, over lerarensalarissen, maar u zegt helemaal niets over een leven lang leren. Hoe is het mogelijk dat u hier roept dat dit een belangrijk thema is, terwijl u geen boter bij de vis levert?

De heer Pechtold (D66):

Gaat degene die op dit moment boven de onderwijsmarkt een bezuiniging van 20% laat hangen, vanuit stoerdoenerij – want daarop komt het gewoon neer als het CDA zegt dat het nog niet zo zeker weet of er niet 20% bezuinigd kan worden op het onderwijs – gaat deze persoon mij vertellen dat, terwijl ik in mijn tegenbegroting 1 mld. meer uittrek, misschien nog 100 mln. in een andere post had moeten zetten? Het geld zit bijvoorbeeld in de kennis.

De heer Jan Jacob van Dijk (CDA):

Ik probeer duidelijk te maken dat u net een heel mooie boodschap hebt verteld. U zou prioriteit geven aan het onderwerp van een leven lang onderwijs. Maar als boter bij de vis geleverd moet worden, doet D66 dat niet. U kunt mij makkelijk verwijten dat ik bepaalde dingen heb gedaan. Het gaat nu even over wat u doet. U trekt een heel grote broek aan over wat u belangrijk vindt. Maar als puntje bij paaltje komt, levert u niet de financiële middelen erbij.

De heer Pechtold (D66):

Wij bieden 1 mld. extra, in tijden dat u nog niet een cent extra weet te verzinnen, in tijden dat u 20% op de onderwijsbegroting als een reële mogelijkheid niet uitsluit. Ik vertelde zojuist dat een leven lang leren niet iets is waarvoor de overheid altijd als eerste moet komen opdraven. Het moet ook iets zijn dat dadelijk in cao's tussen werkgevers en werknemers vanzelfsprekend wordt. Dit betekent niet dat je, zoals in Nederland, na je 30ste niet meer leert. In Oostenrijk word je tot je 64ste omgeschoold en bijgeschoold. Dat is de toekomst waar ik naar toe wil. U lijkt wel een socialist, door eerst te kijken naar de overheid. Een leven lang leren zegt ook iets over de verhouding tussen werkgever en werknemer.

Bijna de helft van de zeer zwakke scholen staat in de drie noordelijke provincies. Leerlingen uit achterstandsgezinnen lopen een veel grotere kans om zwak onderwijs te ontvangen. Zeer zwakke scholen in het voortgezet onderwijs staan vooral in achterstandswijken van de grote steden. Leerlingen daarvan hebben een veel grotere kans om zonder diploma van school te gaan. Allochtone leerlingen hebben 20% minder kans in het hoger onderwijs een diploma te halen. Slecht onderwijs leidt tot segregatie. Onderwijs is geen luxegoed, waarvan wij kunnen zeggen: deze maand ietsje minder. Hoeveel zwakke scholen zijn er in 2010 nog over? Wij mogen nu toch wel met het kabinet over een resultaatsverplichting spreken?

Goed onderwijs begint bij goede leraren. De kracht van Finse scholen schuilt in hoog opgeleide leraren, zo concludeert McKinsey & Company. Kan de Onderwijsinspectie aangeven hoeveel van de onbevoegde leraren op scholen in achterstandswijken staan? Dat is nu niet op te maken uit de website www.bevoegd.nl. Hoe gaat de minister juist die scholen versterken?

De invoering van de functiemix is een belangrijk onderdeel van het actieplan LeerKracht van Rinnooy Kan. Beloon goede leraren. Kan worden onderzocht of leraren ook echt op kwaliteit worden beoordeeld? Leidt de functiemix tot meer leerkrachten in achterstandswijken?

Centraal in het Britse programma Teach First staat dat afgestudeerde studenten van topuniversiteiten les gaan geven aan de zwakste scholen in het land. Ons programma Eerst de Klas mist deze essentiële doelstelling. Waarom gaat de staatssecretaris daar verandering in brengen?

Ik voel wel wat voor een verplicht lerarenregister om de kwaliteit van leraren te garanderen. Hoe denkt de minister daarover? Mijn fractie ziet in de economische crisis een kans om het gat tussen het bedrijfsleven en het onderwijs te verkleinen. Kan de minister zijn visie op de ontwikkeling van lerarensalarissen op de langere termijn geven? Komt er volgend jaar een nullijn? Wat betekent zo'n nullijn voor de kwaliteit van het onderwijs?

De minister investeerde fors in Wikiwijs ondanks de kritiek van het CPB. Welke resultaten zijn er al geboekt? Wat is het effect van Wikiwijs op het terugdringen van het lerarentekort?

Dankzij conciërges kunnen leraren zich concentreren op het overdragen van kennis. Heeft iedere school nu zo'n conciërge? Hoeveel conciërges hebben wij er nu bij voor die 30 mln. van de staatssecretaris?

Gisteravond discussieerde ik over de gevolgen van het verdwijnen van de vakleraar lichamelijke opvoeding. Een gezonde geest in een gezond lichaam leidt tot beter leren. Welke gevolgen van het verdwijnen van de vakleerkracht lichamelijke opvoeding ziet de staatssecretaris? Zou die niet in de pabo-opleiding moeten terugkomen?

De basisscholen. Juist jonge kinderen moeten samen naar school. Wat mij betreft, komt er dus een acceptatieplicht voor het bijzonder onderwijs.

Uit onderzoek blijkt dat gemeenten niet al het geld dat ze krijgen voor huisvesting van scholen, daar ook aan uitgeven. 330 mln. komt niet bij scholen terecht. Kent de minister deze cijfers? Controleert hij de uitgaven? Wat betekent dat voor het eigen vermogen dat scholen moeten aanhouden?

Ik hoor veel problemen voor de inzet van middelen voor verbetering van het luchtklimaat. Worden middelen hiervoor uit het crisispakket ook echt gebruikt?

De commissie-Don concludeerde vorige week dat scholen meer kunnen investeren in de kwaliteit van het onderwijs. Hoe gaat de staatssecretaris het financiële beheer van scholen controleren? Is de Onderwijsinspectie in staat om financieel beheer te beoordelen? Heeft de inspectie daarvoor de kennis in huis? Krijgt de inspectie daarvoor nog extra middelen.

Voorzitter, ik praat nog even door, want de heer Van der Ham komt ook nog even. Wij pakken gewoon wat minuten extra voor het onderwijs. Kijkt u eens wat een prioriteit!

Hoe ziet de minister in dit verband de bezuiniging op de kwaliteit van management en bestuur? Moeten wij hierbij ook niet naar een register voor schoolleiders toe?

Dit is echt praten tegen de tijd in.

D66 wil meer brede scholen. Afgelopen vrijdag hield de staatssecretaris een inspirerend betoog over het stimuleren van de brede school. Zij zegt dat de regelgeving de ontwikkeling van brede scholen in de weg staat. Welke regelgeving bedoelt zij precies? Wat gaat zij doen om die te versoepelen? Acht zij het nog steeds haalbaar om 1500 brede scholen te realiseren voor 2015? Hoeveel hebben wij er eind 2010? In Rotterdam, dat een voortrekkersrol heeft in "bredeschoolland", wordt bezuinigd op brede scholen. Wat is haar reactie hierop?

Het aantal uren voor maatschappelijke stages gaat omlaag. Heeft de staatssecretaris onderzocht wat kinderen hebben geleerd tijdens deze stages? Wat was de opbrengst? Wat hebben de gratis schoolboeken betekend voor de kwaliteit van het onderwijs of ging het toch om inkomenspolitiek?

Om iedereen in staat te stellen een leven lang te leren moeten voldoende opleidingen beschikbaar zijn. Ik heb vragen gesteld over onnodig lange accreditatietrajecten. De Hogeschool Wageningen wacht al langer dan anderhalf jaar. Wat gaat de staatssecretaris eraan doen om die trajecten te verkorten?

Boris, je hebt nog 24 seconden.

De voorzitter:

Nee hoor, u vergist zich. Er is helemaal niets aan de hand. U hebt nu nog niet eens helemaal uw zeven minuten rond. Paniek voor niets.

De heer Pechtold (D66):

Had dat dan even gezegd. Ik sta hier nog met elf seconden op de teller.

De voorzitter:

Het ging zo lekker. Ik durfde niets te zeggen.

De heer Zijlstra (VVD):

Ik wilde eigenlijk interrumperen om de heer Pechtold even te laten ademhalen. Tijdens de algemene beschouwingen had hij terecht veel commentaar op de premier en op de enorme opleesoefening die hij hield. Hoe weegt hij die opmerking na zijn bijdrage van vandaag?

De heer Pechtold (D66):

Ik was stukken slechter. Maar wij werken er hard aan om meer minuten te krijgen voor onze begroting.

De heer Dibi (GroenLinks):

De heer Pechtold weet het altijd slim te omzeilen als het een beetje gevoelig wordt, maar ik kon er niet helemaal een touw aan vastknopen. Misschien kan hij over een ding wel helderheid verschaffen. In zijn tegenbegroting schaft hij de fusieprikkel af. Dat zorgt ervoor dat grote schoolbesturen juist die kleine nevenvestigingen moeten sluiten. Bij de algemene beschouwingen heeft de coalitie dit via een motie tegengehouden omdat het kabinet dat ook wilde doen. Is dit een foutje van de heer Pechtold of wil hij echt de kleine scholen laten sluiten en schaalvergroting laten doorgaan?

De heer Pechtold (D66):

Ik vind dat je die fusies niet over een kam kunt scheren. Ik heb de afgelopen tijd ook wat werkbezoeken gebracht. In sommige gevallen zijn fusies best mogelijk. Ik ben bijvoorbeeld in Friesland geweest. Daar is het zeer wel mogelijk, maar daar is het ook een lokale keuze waaruit je dat zou moeten financieren om kleinere scholen overeind te houden. Ik heb zelfs in sommige delen van Friesland scholen met 125 leerlingen gezien. Ik vind dat wel echt op de rand van het acceptabele. Ook in onze zoektocht naar geld binnen het onderwijs – het is namelijk niet zo dat voor ons voor die 33 mld. geen enkele heroverweging mogelijk is – hebben wij die fusieprikkel als een van de realistische bezuinigingen bestempeld.

De heer Dibi (GroenLinks):

Natuurlijk, je hebt goede en slechte fusies. Als je een grote school hebt waarbinnen allerlei kleine eenheden functioneren, hoeft het niet per se slecht te zijn. De heer Pechtold maakt het die kleine nevenvestigingen eigenlijk onmogelijk door het afschaffen van die fusieprikkel. Ik hoop dat hij zegt dat het een foutje is. Was dit misschien een verkeerde keuze?

De heer Pechtold (D66):

Het gaat geloof ik om iets van 90 mln. op het miljard dat wij extra hebben uitgetrokken. In onze tegenbegroting valt nog wel wat te schuiven. Het is niet helemaal zwart-wit bedoeld. Het gaat mij erom dat wij er realistisch mee omgaan. Als wij dat zouden moeten halveren om een deel van de prikkels die wel nodig zijn overeind te houden, weet ik dat in dat miljard nog wel te vinden hoor.

De voorzitter:

Ik zie de heer Van der Ham er al aankomen. Ik heb echt van tevoren tegen u allemaal gezegd dat het lampje twee minuten voor het eind gaat knipperen.

De heer Van der Ham (D66):

Voorzitter. Het toeval wil dat precies deze week ook de Crisis- en herstelwet wordt behandeld. Het kabinet trekt miljarden uit voor asfalt en beton. Een impuls aan de kwakkelende economie, zo heet het, maar de rekenmeesters van het CPB voorspellen dat de Crisis- en herstelwet op korte noch lange termijn vrijwel niets extra's bijdraagt aan herstel of Nederland wezenlijk sterker maakt.

Waarom hebben de bewindslieden niet bedongen dat juist in het kader van die asfalt- en versnellingswet een gelijktijdig investeringsplan voor kennis en innovatie wordt uitgerold met precies de investeringen van 5 mld. die collega Pechtold noemde? Dit is een gemiste kans. Daardoor voelt het behandelen van deze begroting een beetje verweesd en verdoofd aan. De grootste kans voor het hoger onderwijs voor 2010 is eigenlijk al vervlogen. Dit was voor de bewindslieden van OCW het moment, maar ze hebben het laten zitten.

Mevrouw Besselink (PvdA):

Nu breekt mijn klomp. Het lijkt wel alsof D66 de afgelopen tijd niet aanwezig is geweest. Volgens mij heeft dit kabinet in de crisis juist gezegd dat het gaat investeren in kennis en innovatie. Daartoe zijn allerlei maatregelen genomen: extra geld in het vmbo en extra geld in tijdelijke kenniswerkers. Dat is precies wat D66 wil. In zijn tegenbegroting schrijft de heer Van der Ham dat hij 1 mld. wil investeren omdat dat onderwijs naar de top vijf leidt. Nu zegt u dat het 5 mld. moet zijn. Hoe gaat D66 dat betalen?

De heer Van der Ham (D66):

Dat doen wij voor 2010. Als wij het over de lange termijn hebben, gaat het wel degelijk over de KIA en die 5 mld. die daarvoor moet worden uitgetrokken. Dat is structureel in de toekomst. Daar heb ik het over. Dat moet je nu vastleggen. Ook die Crisis- en herstelwet gaat over de jaren hierna. Ik kom daar zo nog op.

Het enige ei dat 2010 misschien nog het verlangen waard maakt, is het ei van de commissie-Veerman. Wat zou er straks in zitten? Eiwit aan inspanningen? Dooier aan vergezichten? Waarschijnlijk. Hoe het ook zij en hoe mooi het misschien ook zal worden, dat ei wordt pas gebakken door een volgend kabinet. Als wij de balans moeten opmaken van minister Plasterk op dit punt, zien wij dat toch heel weinig werkelijk tot stand is gekomen op het gebied van het hoger onderwijs. Dat is jammer. Toch doe ik nog een poging om wat van 2010 te maken en om de minister wellicht iets te ontlokken.

Extra geld voor onderwijs en onderzoek kan bijvoorbeeld komen uit het FES. De KNAW heeft twee interessante voorstellen gedaan: leg de bijdrage uit het FES aan kennis voor een aantal jaren vast of leg een kennisfonds aan. Wat doet de minister met die voorstellen van de KNAW? In de notitie Naar een robuuste kenniseconomie signaleert de minister een achterstand op het gebied van private investeringen. Het bekende Huibers Instituut weet veel private investeringen aan te trekken. Hoe doet het dat en in hoeverre is dat te transponeren naar andere onderwijsinstellingen?

In Het Financieele Dagblad stond onlangs een artikel waarin werd gezegd dat het een verkeerd idee is dat innovatie wordt gedreven door directe relaties tussen universiteiten en bedrijven. Kan de minister eens op dat artikel reageren?

Het aantal nieuwe studenten aan de universiteit is dit jaar 12% gestegen. Dat is drie keer zoveel als OCW had geraamd. Welke gevolgen heeft dit grote verschil voor de begroting? In het crisispakket trekt het kabinet 250 mln. uit om een groeiend aantal mbo-studenten op te vangen. Universiteiten krijgen pas over twee jaar extra geld voor het aantal studenten dat zich nu aanmeldt. Wat gaat de minister doen om ervoor te zorgen dat universiteiten nu extra geld krijgen om de grote toename van studenten op te vangen?

Wij begrijpen de bevriezing van de studiefinanciering. Wij denken ook hardop mee over de toekomst daarvan. Het weinig uitgewerkte voorstel van de heer Dibi zullen wij niet steunen. Een leenstelsel heeft echter wel degelijk onze interesse, ook al heeft dit heel veel bezwaren. Wij vinden wel dat wij nog heel wat van dat soort bezwaren zullen moeten tackelen, willen wij dat stelsel daadwerkelijk goed kunnen invoeren. De commissies die nu aan het werk zijn gezet, lijken gesloten bastions. Hoe gaat de minister ervoor zorgen dat ook studentenorganisaties worden betrokken bij het uitwerken van het toekomstig stelsel? De minister heeft toegezegd, te reageren op de uitkomsten van het nieuwste rapport over de hogere kosten voor Nederlandse studenten in het buitenland. Betrekt hij daarbij ook dat sommige buitenlandse masteropleidingen geen Nederlandse equivalent hebben en dat studenten daarom hun studiefinanciering niet kunnen meenemen? Is het niet beter om de buitenlandse masteropleidingen te beoordelingen op kwaliteit, opdat studenten in het buitenland een studie kunnen volgen die in Nederland niet beschikbaar is?

De onderzoekscholen spelen een belangrijke rol bij het opleiden van een nieuwe generatie onderzoekers. In de lumpsum van de universiteiten zit een deel voor onderzoekscholen. Het gaat om een bedrag van 80 mln. Momenteel is onduidelijk of dat geld ook echt daar terechtkomt. Kan de minister aangeven of onderzoekscholen deze middelen ook echt ontvangen? Zou het niet veel beter zijn om dit geld te oormerken?

Het aantal Nederlandse onderzoekers ligt ver onder het OESO-gemiddelde. Bovendien leiden wij te weinig nieuwe onderzoekers op. Nederlandse promovendi hebben een uitzonderingspositie in de sfeer van het arbeidsrecht. Het vergroten van het aantal promovendi kan door de desbetreffende persoon zich te laten aanmelden als student in plaats van te laten solliciteren als werknemer. Dat kost universiteiten veel minder. Wij kunnen de gevolgen voor promovendi ondervangen door meer beurzen toe te staan. Daardoor zouden wij tot 30% meer promovendi kunnen aanstellen. Ik hoor ook hierop graag een reactie.

De minister van Onderwijs gaat ook over emancipatie. Is de minister bereid om het project De Roze Olifant te continueren en de GSA-projecten te ondersteunen? Waarom zijn de investeringen hierin tot stilstand gekomen? Is de minister bereid om alsnog de wens van de Kamer te volgen om de kerndoelen te expliciteren, met aandacht voor seksuele diversiteit? Op deze punten overweeg ik een motie of amendement in te dienen.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Mijnheer Van der Ham is denk ik nog sneller dan de heer Pechtold. Maar, wie weet.

Nog even over de studiefinanciering. De heer Van der Ham gaf al aan waarde te hechten aan hoger onderwijs en toegankelijkheid. Hij staat nu open voor een leenstelsel. Het grootste punt dat bij dit systeem een rol speelt, is natuurlijk de toegankelijkheid: wat ga je doen als studenten voor grote leningen komen te staan? Ik begrijp dat dit een nieuw standpunt is van D66. Vindt de heer Van der Ham dat niet ook een groot bezwaar?

De heer Van der Ham (D66):

Afgelopen weekend heeft D66 op het congres een openbaar debat gevoerd over de toekomst van de studiefinanciering. Wij denken hardop na over de voordelen van dit leenstelsel, maar ook over de nadelen. De heer Zijlstra zei al: zo moeten wij het gewoon doen, en er zijn helemaal geen discussies meer over te voeren. Mijn vraag aan de heer Zijlstra was oprecht. Ook dat soort vragen moeten wij beantwoorden om de nadelen van dit stelsel – aan elk stelsel zitten natuurlijk nadelen – beter te kunnen onderzoeken voordat wij daadwerkelijk tot invoering overgaan.

Mevrouw Besselink (PvdA):

We hadden vorige week het algemeen overleg over het hoger onderwijs. Daarin zijn heel veel punten aan de orde gekomen waar u nu naar vraagt. Ik snap natuurlijk dat u als kleine partij uw prioriteiten moet stellen en dat het hoger onderwijs daar op dat moment waarschijnlijk niet toe behoorde. Mijn collega Jasper van Dijk en ik hebben de minister in dat algemeen overleg gevraagd om te onderzoeken hoe het zit met de promovendi in Nederland. Vindt u dat een goed voorstel en zou u, als u daarbij geweest was, dat voorstel van harte hebben gesteund?

De heer Van der Ham (D66):

Ik weet toevallig waarom wij daar niet waren; dat had niets met prioriteitstelling te maken. Volgens mij zou de heer Jasper van Dijk, als ik hem althans goed heb begrepen, die arbeidsrechtsfeer eigenlijk graag zo willen houden. Ik zet daar iets tegenover: ik wil die sfeer juist loslaten. Wat dat betreft, sta ik daartegenover. Als de minister een onderzoek naar die structuur doet, vind ik dat hij dit daadwerkelijk moet meenemen. Ik denk daar dus misschien iets anders over dan de heer Jasper van Dijk.

De heer Dibi (GroenLinks):

Toch nog even over de studiefinanciering. U zei enerzijds dat de heer Zijlstra een helemaal uitgewerkt voorstel heeft en dat u daar niet voor bent. Anderzijds was u ook meteen niet voor een ander voorstel, dat niet helemaal uitgewerkt was. Daar had u al heel gedetailleerde vragen over. Volgens mij hebt u hier zelf ook over nagedacht, want al aan het begin van dit jaar heeft de heer Pechtold voorgesteld om de basisbeurs af te schaffen. Kunt u aangeven hoe het systeem er volgens D66 in hoofdlijnen uit zou moeten zien?

De heer Van der Ham (D66):

De heer Pechtold, mijn fractievoorzitter, die achter u zit, heeft gezegd dat wij het van groot belang vinden dat de studiefinanciering gehandhaafd kan worden, zodat mensen toegankelijk kunnen studeren. Daarbij moeten wij als politici onze nek durven uit te steken om te bekijken hoe wij dit financierbaar kunnen houden. De heer Pechtold heeft daarover gezegd – dat heb ik overigens ook in diverse debatten gezegd – dat je buiten de box moet denken. Je moet buiten de huidige systematiek durven denken, want het huidige systeem is waarschijnlijk niet betaalbaar. Over uw systeem hoef ik niet meer zo lang na te denken, want daar heb ik al heel lang over nagedacht. Dat is echt helemaal niks. Sorry, daar gaan we niet in mee. Wij denken na in de richting van een vorm van een leenstelsel, waarbij ik heel veel wil leren van de buitenlandse voorbeelden, bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk maar ook in Australië, waar ook dingen mis zijn gegaan die ik wil voorkomen.

De heer Dibi (GroenLinks):

U mag het zo leuk maken als u wilt, maar dat is precies de vraag die ik stelde. U zei dat er een aantal grote bezwaren kleeft aan het voorstel van de VVD, maar dat D66 eigenlijk ook wel een soort leenstelsel wil. Welke bezwaren kleven er dan voor u nu aan het sociaal leenstelsel? Wat zou u daaraan veranderd willen zien?

De heer Van der Ham (D66):

Ik heb het, ook in een interruptie, gehad over leenangst. Dat is psychologisch en dat kan wel degelijk een effect hebben op mensen die gaan studeren. Die angst moet je wegnemen. Dan zijn er volgens mij niet heel veel bezwaren tegen zo'n stelsel, maar ik vind dat dit wel degelijk getackeld zou moeten worden. Wij staan daar open in en hebben hier afgelopen weekend over gediscussieerd met onze eigen leden. Daarbij zijn er heel interessante suggesties gekomen, ook van mensen die in dat soort systemen hebben gestudeerd, bijvoorbeeld in het Verenigd Koninkrijk. Dat neem ik allemaal tot mij en dat doen we in een openbaar debat. Daar hebben wij geen geheime commissies voor nodig. Dat doen wij in mijn partij open.

De voorzitter:

Heel kort, mijnheer Dibi.

De heer Dibi (GroenLinks):

Het grootste bezwaar van het voorstel van de VVD is dus de leenangst. Als dat getackeld zou worden, zou u daar dus mee kunnen leven.

De heer Van der Ham (D66):

Ik ga niet kijken naar de VVD. Ik kijk naar de voorbeelden in het buitenland, in Australië en in het Verenigd Koninkrijk, waar men soortgelijke systemen heeft. De VVD heeft geen eigendomsrecht op dat voorstel. Wij doen altijd meer aan onderwijs dan de VVD.

De heer Van der Vlies (SGP):

Mevrouw de voorzitter. Er is een hoop bedrijvigheid binnen de begroting van OCW, zeker op het punt van langdurige processen. Ook deze begroting is opgenomen in de brede heroverweging die door dit kabinet is ingezet. Het verbaast de SGP-fractie dat de onderdelen cultuur en media daarin niet zijn vermeld. Juist het hart van de OCW-begroting wordt onder de loep genomen, maar de ledematen – om die beeldspraak te gebruiken – niet. Vinden de bewindslieden dat eigenlijk ook niet een beetje raar? Om de druk op de echte onderwijsuitgaven te minimaliseren – dat zal nodig zijn – moeten juist heroverwegingen op gebieden zoals media, cultuur, kinderopvang en eventueel ook de studiefinanciering een plaats hebben. Daarop krijg ik graag een reactie.

Recent is het 10-jarig bestaan van het vmbo gevierd, een goed moment om over de koers ervan na te denken. Door de ontwerpers van deze onderwijsstructuur, de commissie-Van Veen c.s., werd gemeld dat zij duidelijk een beweging in de goede richting zien. Wel pleiten zij voor een verdere ontwikkeling van wat de oude mavo was en voor meer vakgericht onderwijs. Het aantal praktijkuren is in het vmbo voor veel leerlingen te beperkt. Inmiddels schieten daarom vakscholen uit de grond. Hoe bewaakt de staatssecretaris de eenheid en helderheid van het vmbo? Welke mogelijkheid ziet zij om met geringe aanpassing de gewenste profilering op beide flanken te versterken?

De overheid verwacht terecht veel van het bestuur van onderwijsinstellingen. Een bezuiniging op het bestuur is daarom nauwelijks uit te leggen. De SGP-fractie vindt het onjuist om te bezuinigen voordat de evaluatie van de lumpsum is besproken. Bovendien heeft de commissie-Don het een en ander over het vermogensbeheer van scholen gezegd. Wat is daarop de reactie?

De SGP-fractie plaatst vraagtekens bij de wijze waarop bezuinigd wordt. Neemt het kabinet de lumpsumgedachte serieus wanneer een bestemming van een bezuiniging wordt aangegeven? Welke garanties zijn er dat het primaire proces er niet door wordt geraakt?

In de kwaliteitsbewaking van scholen is een nieuw speeltje in opkomst, het oprichten van een schandpaal voor scholen die niet aan bepaalde normen zouden voldoen. Onder de begrijpelijke vlag van openheid en kwaliteit wordt snel een cultuur van oppervlakkigheid gevoed. Mijn fractie vindt dit een ontwikkeling waarop het kabinet zich moet bezinnen. Denk bijvoorbeeld aan de site www.bevoegd.nl. Uit onderzoek van SBO blijkt bovendien dat de verzuimregeling door de inspectie onvoldoende wordt gecontroleerd. Is het kabinet ook van mening dat wij eerst de reguliere instrumenten moeten optimaliseren voordat wij aan alternatieve geneeswijzen beginnen? Welke stappen worden hiertoe gezet?

Mijn fractie steunt het actieplan voor verbetering van de positie van de leerkracht. Daarbij zal het gezamenlijke belang van school en leerkracht wel meer benadrukt moeten worden. Het toekennen van nieuwe rechten kan ook nadelig werken. Het toekennen van meer LB-schalen voor lestaken levert in het basisonderwijs vaak moeilijke vragen op. Er blijken vaak onvoldoende criteria te zijn om onderscheid te maken tussen leerkrachten. Tussen gelijkwaardige leerkrachten is het onmogelijk om onderscheid te maken. Hoe wil de minister dit probleem ondervangen?

In het kader van de werkdrukverlaging kunnen leerkrachten in het voortgezet onderwijs 24 uur opnemen, het zogenaamde trekkingsrecht. In de praktijk lijken docenten er weinig in te zien. Heeft de minister inmiddels inzicht in de omvang van het gebruik? Erkent de minister dat dit recht in de planning van scholen problemen kan opleveren? Is handhaving van dit recht dan gewenst?

Onderwijs mag niet opgezadeld worden met allerlei maatschappelijke behoeften. Dat is in het recente verleden al te vaak gebeurd. In dat licht is het nieuwe ideaal van staatssecretaris Dijksma nogal verbazingwekkend. Zij stelde vorige week in Den Bosch dat de school waar alleen onderwijs wordt gegeven eigenlijk een beetje uit de tijd is. Zij schetst het beeld van een algemene maatschappelijke voorziening waarin een kind van A tot Z verzorgd wordt, van zeven uur 's morgens tot zeven uur 's avonds. Je vraagt je af wat de implicaties daarvan zijn. Is dat zonder wetswijziging of Grondwetswijziging mogelijk? Blijft er genoeg ruimte voor scholen die zich volledig op onderwijs willen richten? Hoe wordt het gebouwelijk gerealiseerd? Bovendien, waarom zijn nieuwe experimenten nodig, aangezien dit idee momenteel ook in de brede school ontwikkeld wordt?

Er valt natuurlijk nog veel meer op te merken als het woord "onderwijsvernieuwing" valt. De inzet van het kabinet op opbrengstgericht werken, met name bij rekenen en taal, is duidelijk een onderwijsvernieuwing te noemen. Het sinds Dijsselbloem gevreesde woord "cultuuromslag" wordt zelfs gebruikt door de bewindslieden. Mijn fractie heeft flinke reserves bij de voorgestane economisch-technische benadering van het onderwijs. De school moet getoetst worden op de vorming van leerlingen in zijn totaliteit. Aandacht voor resultaten is vooral een stimuleringsmiddel binnen de school en geen absolute meetlat.

Artikel 23 van de Grondwet heeft twee steunpunten: een autonoom benoemingsbeleid en een dito toelatingsbeleid. Dat moet wat mijn fractie betreft vooral zo blijven, alle steeds herhaalde stormlopen van de heer Jasper van Dijk ten spijt. Kabinet en coalitie, houd de rug recht!

De heer Jasper van Dijk (SP):

Dit kan ik niet op mij laten zitten. Deelt u mijn mening dat een school met een inconsequent toelatingsbeleid, een school die niet iedere leerling vraagt om de grondslag te onderschrijven, elke leerling moet toelaten?

De heer Van der Vlies (SGP):

Een school die zichzelf respecteert, heeft een consequent beleid. Zo simpel is dat. Waar dat niet zo is, is dat te verbeteren. Dan moet je niet aan de verkeerde kant beginnen, maar dan moet je die scholen aanspreken op hun beleid. Zij moeten zich op een transparante manier verantwoorden voor het beleid. U weet dat ik daar waarde aan hecht. Dan moet je niet aan het grondwettelijke gebouw peuteren en dat doet u. Ik heb daar al zo vaak met u over gediscussieerd.

De heer Jasper van Dijk (SP):

Daar wil ik het nu ook niet over hebben, want wij weten dat wij van mening verschillen. Ik vraag u of u ten principale met mij de mening deelt dat een school zonder consequent toelatingsbeleid, die allerlei leerlingen toelaat, elke leerling moet toelaten. Dan moet die school niet ineens selectief de grondslag inzetten. Bent u dat met mij eens?

De heer Van der Vlies (SGP):

Een school moet een transparant beleid hebben en dat handhaven. Over de wijze waarop dat gebeurt, gaan wij niet.

De algemene beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Dan zijn wij hiermee gekomen aan het eind van de eerste termijn van de kant van de Kamer. Morgen aan het eind van de middag hervatten we het debat, te beginnen met het antwoord van de regering.

Sluiting 0.35 uur