Noot 1 (zie blz. 361)

BIJVOEGSEL

Schriftelijke antwoorden van de bewindslieden van Financiën op een deel van de vragen die tijdens de eerste termijn van de algemene financiële beschouwingen zijn gesteld

PvdA

Vraag

Heeft de groeidoelstelling voor het einde van de kabinetsperiode geen pro-cyclisch karakter?

Antwoord

Het kabinet heeft als doel om aan het einde van deze kabinetsperiode weer boven de gemiddelde groei in de EU-15 uit te komen. De synchronisatie van conjunctuurcycli in de EU filtert een belangrijk deel van de conjuncturele component juist uit de doelstelling van het kabinet. De doelstelling weerspiegelt bovendien de ambitie van het kabinet om aan het einde van de regeerperiode om bij de economische koplopers in Europa te horen. Daarbij richt het kabinet zich natuurlijk niet zo zeer op de conjuncturele ontwikkeling maar juist op de structurele groei.

Vraag

Verzoek om verkennende studies over omgekeerde solidariteit in pensioenstelsel.

Antwoord

In de motie wordt verwezen naar oneerlijke verdeling van lusten en lasten tussen arm en rijk, en tussen jong en oud. Hierbij wordt verwezen naar Lans Bovenberg. Zijn bijdragen richten zich echter voornamelijk op de solidariteit en risicodeling tussen generaties. Het kabinet is eveneens van mening dat hier de aandacht naar zou moeten uitgaan. Zoals ook uit de kabinetsplannen blijkt, onderkent het kabinet deze problematiek reeds ten volle.

Vraag

Opnieuw is er een efficiencytaakstelling bij de departementen en ZBO's. Is het wel solide en realistisch om efficiencymaatregel op efficiencymaatregel te stapelen? Gaan er hierdoor meer ambtenaren met de VUT?

Antwoord

Het kabinet is van mening dat er meer efficiency is te behalen op het totaal van de personele en materiële uitgaven van de departementen en ZBO's. Het staat individuele organisaties vrij om binnen deze budgetten tot een specifieke invulling van de efficiencytaakstelling te komen. De efficiencytaakstelling kan – over het algemeen bezien – worden opgevangen binnen het natuurlijke verloop (geraamd op gemiddeld ca. 5% per jaar). Hierbij kunnen zich wel verschillen per organisatie voordoen. Het natuurlijke verloop omvat ook de uitstroom van ambtenaren die vervroegd uittreden via bijvoorbeeld de FPU-regeling. De instroom in de FPU hangt van verschillende factoren af. Uiteraard spelen demografische ontwikkelingen (vergrijzing binnen de overheid) daarbij een rol. Hierdoor neemt de instroom in de FPU min of meer automatisch toe. Daarnaast kunnen ook (voorgenomen) beleidsmaatregelen invloed hebben op de FPU-instroom, bijvoorbeeld de voorstellen voor afschaffing van de fiscale faciliëring van VUT en prepensioen.

Vraag

Gaat er in 2005 weer minder geld naar onderwijs en kenniseconomie?

Antwoord

– Er circuleren verschillende saldi van ombuigingen en intensiveringen op het onderwijsterrein. Er zijn ook verschillende benaderingen om het saldo van ombuigingen en intensiveringen te berekenen.

– Onderstaand de twee benaderingen die het meest gebruikt worden, namelijk het saldo voor de hele OCW-begroting (incl. media en cultuur) en het saldo voor alleen de sector onderwijs (conform aanpak in het antwoord op vraag 73 bij de MN).

Benadering 1: OCW-begroting (incl. media en cultuur)

Deze methode geeft het totaal van ombuigingen en intensiveringen op de OCW-begroting (exclusief ILO) vanaf SA t/m de begroting 2005. Dit is dus exclusief generieke loonmatiging, maar inclusief generieke maatregelen zoals efficiencytaakstellingen.

(x 1 mln euro)2004200520062007
SA75108189189
Ombuigingen– 157– 244– 284– 284
w.v. gene- riek1– 122– 163– 202– 202
Enveloppe I142244354354
Leerlingen 200390108119119
     
HA129151228434
Ombuigingen– 95– 209– 230– 264
w.v. gene- riek1– 24– 58– 79– 108
Enveloppe II (OCW-deel)193283368625
Leerlingen 200431779073
     
Begroting 2005– 14– 87– 104– 126
Ombuigingen– 14– 87– 104– 126
Totaal190172313497

1 Bij generieke maatregelen gaat het o.a. om efficiencytaakstellingen (bv hoger onderwijs, media en apparaat) en doorwerking WW-maatregelen. De subsidietaakstelling is hierinniet meegenomen omdat deze direct invloed heeft op onderwijs en cultuur. De subsidietaakstelling zit wel in het totaal.

Benadering 2: sector onderwijs (cf aanpak MN-vraag 73). In tegenstelling tot vraag 73 is de verlaging van ILO niet meegenomen, maar de leerlingenontwikkeling wel meegenomen. Dit verklaart waarom het saldo in 2004 ruim 300 mln euro positiever uitkomt en in ruim 2007 euro 600 positiever uitkomt dan in de beantwoording van vraag 73.

Het betreft hier het saldo van ombuigingen en intensiveringen in de sector onderwijs; de ombuigingen en intensiveringen op cultuur, media, apparaat/departement zijn dus niet meegenomen. In tegenstelling tot het antwoord op vraag 73 MN is ILO niet meegenomen.

(x 1 mln euro)2004200520062007
SA121155234225
Ombuigingen– 107– 187– 226– 226
w.v. gene- riek2– 72– 107– 143– 143
Enveloppe I138234341332
Leerlingen 200390108119119
     
HA143201284483
Ombuigingen– 74– 148– 158– 178
w.v. gene- riek2– 24– 48– 58– 78
Enveloppe II186272352588
Leerlingen 200431779073
     
Begroting 2005– 13– 38– 102– 126
Ombuigingen– 13– 38– 102– 126
w.v. generiek– 13– 13– 13– 13
Totaal250319417582

2 Bij generieke maatregelen gaat het o.a. om efficiencytaakstellingen (bv hoger onderwijs, media en apparaat) en doorwerking WW-maatregelen. De subsidietaakstelling is hierinniet meegenomen omdat deze direct invloed heeft op onderwijs. De subsidietaakstelling zit wel in de totaaltelling.

– Voor een analyse van de (horizontale) ontwikkeling van de uitgaven voor onderwijs kan ook gekeken worden naar de reële uitgavenontwikkeling.

– Uit de MEV 2005 blijkt dat de reële uitgaven voor onderwijs in periode 2003–2005 met bijna 10% toenemen. In 2005 nemen de reële uitgaven voor onderwijs met 2,25% toe ten opzichte van 2004, zoals ook uit de Miljoenennota blijkt.

Vraag

Kan voor behandeling van het Belastingplan een plan van aanpak voor fraudebestrijding worden gegeven?

Antwoord

Zie antwoord bij vraag van LPF.

ChristenUnie

Vraag

Graag een reactie op artikel in Trouw (maandag 4 oktober 2004) waarin wordt gemeld dat de Belastingdienst door eigen fouten en fouten in het aangifteprogramma te weinig geld binnenhaalde.

Antwoord

Het Trouw-artikel verwijst naar een probleem in de automatiseringssystemen van de Belastingdienst dat reeds in mei 2004 de media heeft gehaald en waarover door het lid De Pater-van der Meer (CDA) in juli 2004 Kamervragen zijn gesteld aan de staatssecretaris van Financiën. Het betrof een administratieve fout bij het gebruik van het automatiseringssysteem waardoor eind 2003 bleek dat in ca. 170 gevallen geen aanslagen successierechten zijn opgelegd. In totaal ging het om een bedrag van ca. 6 mln euro. Inmiddels heeft de Belastingdienst maatregelen getroffen waardoor de geconstateerde fouten zich niet meer kunnen voordoen. Voorts probeert de Belastingdienst waar mogelijk via navordering de verschuldigde belasting alsnog te innen, waardoor dit bedrag aanzienlijk lager zal komen te liggen.

LPF

Vraag

Wat gebeurt er met motie Van As, waarin herijking van alle rijkstaken wordt bepleit en drastische vermindering van het totaal bedrag aan subsidies van jaarlijks 22 mld? Wat is de stand van zaken van een inventarisatie van de premiegefinancierde subsidies in de zorg? Wat wordt gedaan met motie waarin verzocht wordt aan alle subsidies een eindtijd te verbinden? De LPF-fractie vraagt het kabinet om een reactie op het voorstel voor een additionele subsidietaakstelling van 1,5 mld in 2006.

Antwoord

Het kabinet heeft n.a.v. de motie Van As het rapport «Zicht op subsidies» uitgebracht waarin bestaande subsidieregelingen zijn geïnventariseerd. In het debat dat over dit rapport met de Tweede Kamer is gevoerd heb ik toegezegd éénmaal per 4 jaar, voor het eerst eind 2005, een subsidieoverzicht te presenteren. Tevens heb ik in dit debat aangegeven dat de stroomlijning van subsidies onderdeel is van het reguliere begrotingsproces en dat de beoordeling van nut en noodzaak van subsidies ondervangen wordt door de evaluatieprogrammering en de interdepartementale beleidsonderzoeken.

In het Hoofdlijnenakkoord en navolgende besluitvormingsmomenten heeft het kabinet besloten tot tal van ombuigingen op subsidies, zoals bijvoorbeeld de ondernemingssubsidies, RWI subsidies, huursubsidie en de diverse subsidies van VWS. Met deze bezuinigingen heeft het kabinet het totale subsidiebedrag van 22 mld in 2003 verminderd naar ca. 18,5 mld in 2006. In dit totaalbedrag zijn een aantal grote regelingen opgenomen zoals bijvoorbeeld de studiefinanciering, huursubsidie, bijdragen aan openbaar vervoer, subsidies aan onderzoeksinstellingen en arbeidsmarktsubsidies. De toegezegde inventarisatie van de premiegefinancierde subsidies in de Zorg is opgenomen in de brief van de minister van VWS over het subsidiebeleid die enkele weken geleden naar de TK is gezonden.

Vraag

Wanneer gaan we beginnen met verlaging van de EU-afdrachten met 1 mld?

Antwoord

Afgelopen zomer heeft de Europese Commissie voorstellen gedaan voor de uitgaven in de periode 2007–2013. Daarmee is het startsein gegeven voor de onderhandelingen over de EU meerjarenbegroting. De besprekingen zijn weliswaar onder Nederlands voorzitterschap gestart, maar zullen zeker niet worden afgerond; ze zullen ook in 2005 worden voortgezet. De inzet van het kabinet is om de EU-uitgaven reëel constant te houden. Nauw verweven met de discussie over de uitgaven van de EU, is die over de afdrachten van lidstaten. Er is een groeiend besef bij de andere partijen dat Nederland een onevenredig hoge netto bijdrage levert. Het voorstel van de Commissie voor een correctiemechanisme zal in de onderhandelingen dan ook zeker worden betrokken.

Vraag

Hoe kijkt de minister tegen een verlaging – in vergelijking met andere landen – aan van het budget voor ontwikkelingssamenwerking met 1 mld?

Antwoord

Het kabinet heeft in het Hoofdlijnenakkoord afgesproken dat de hulp aan ontwikkelingslanden conform de ODA-definitie van de OESO gehandhaafd blijft op 0,8% BNP.

Vraag

Welke maatregelen staan het kabinet ter beschikking om lastenverhogingen door gemeenten te beperken?

Antwoord

Zie antwoord bij vraag D66.

Vraag

Is het waar dat de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelatie gesloopt gaan worden? Is sloop en bouw van nieuwe ministeries voor Justitie en BZK geen kapitaalvernietiging? Zijn de kosten 600 mln euro?

Antwoord

Voor de hoofdzetels van de ministeries van Justitie en Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is een afweging gemaakt tussen (ingrijpende) renovatie en nieuwbouw. Bij die afweging zijn alle kosten voor renovatie en nieuwbouw meegenomen. Besloten is tot nieuwbouw. Ten behoeve van nieuwbouw heeft een grondruil plaatsgevonden met de gemeente Den Haag. Het is aan de gemeente Den Haag om te bepalen of de gebouwen ook daadwerkelijk worden gesloopt of dat bv. hergebruik van het casco mogelijk is. Gelet op het feit dat de aanbesteding nog moet plaatsvinden en de kosten onderwerp zijn van marktgevoelige informatie, kan ik in het openbaar geen mededelingen doen over de kosten.

Vraag

Kan een reactie worden gegeven op conclusies van Algemene Rekenkamer dat fiscale fraude en fraude met uitkeringen een zeer lage pakkans kent?

Antwoord

De Belastingdienst heeft de bestrijding van de fiscale fraude hoog in zijn vaandel staan. Ze vormt een wezenlijk onderdeel van het toezichtbeleid. De Belastingdienst werkt nl. risicogericht. Dit beleid werpt vruchten af. Het gemiddelde bedrag aan correcties in de vennootschapsbelasting is bijv. gestegen van euro 325 000 in 2000 tot euro 630 000 in 2003 en in dezelfde periode steeg het totale correctiebedrag omzetbelasting van 381 mln naar 462 mln euro. Deze gegevens zijn ontleend aan het Beheersverslag van de Belastingdienst over 2003. Het toezicht wordt vooral daar ingezet waar de kans op belastingontduiking het grootst is. Primair worden, bij gebleken fraude, bestuurlijke sancties ingezet. In ernstige gevallen waarin sprake is van opzet en beduidende fiscale belangen wordt strafvervolging ingezet. Elk jaar maakt de Belastingdienst afspraken met het Openbaar Ministerie over het aantal aan te brengen fiscale strafzaken. Dit aantal wordt altijd gerealiseerd en spoort met de vervolgingscapaciteit die Justitie beschikbaar heeft voor fiscale fraude. Ik ben van oordeel dat van deze 400 tot 450 fiscale strafzaken per jaar wel degelijk preventieve werking uitgaat. Nog steeds leidt vervolging in aansprekende situaties tot veel publiciteit. Zoals hiervoor al opgemerkt is fraudebestrijding meer dan alleen de strafrechtelijke aanpak. Veel belastingplichtigen worden geconfronteerd met fiscale sancties die soms stevig aantikken. De fiscale geheimhoudingsplicht verhindert ons echter om daarover concreet te communiceren, maar ze helpen wel.

Recent heeft de Algemene Rekenkamer inderdaad een rapport gepubliceerd over de fraudebestrijding (TK 2004–2005, 29 810, nrs. 1–2). Dit rapport constateert naast aandachtspunten ook diverse verbeteringen t.o.v. het verleden. Zo wordt o.a. geconstateerd dat de kans dat een grote fiscale fraude onbestraft blijft gedaald is, omdat er nu t.a.v. de vervolging sprake is van landelijke regie. De kans dat grote fraudes niet worden vervolgd is zelfs gedaald tot een verwaarloosbaar aantal.

Naast het feit dat fraudebestrijding voor de Belastingdienst een belangrijk onderdeel vormt van de dagelijkse praktijk zijn er ook diverse concrete projecten die betrekking hebben op intensieve fraudebestrijding. Te denken valt aan het Rekeningenproject/buitenlands vermogen (verzwegen buitenlandse bankrekeningen en vermogen) en de identiteitsfraude. Deze concrete projecten hebben al geleid tot vele naheffingsaanslagen die honderden miljoenen euro's hebben opgeleverd. Hierover wordt jaarlijks gerapporteerd in het Beheersverslag en ook in de rapportages in het kader van de interdepartementale Fraudenota die betrekking heeft op de bestrijding van financieel-economische criminaliteit. Het kabinet is ervan overtuigd dat de Belastingdienst alles in het werk stelt om belastingfraude te detecteren en aan te pakken en zie daarom geen aanleiding om met een nieuw plan van aanpak te komen.

Vraag

Wanneer kunnen wij daarvan de eerste resultaten van het actieprogramma «Andere Overheid» tegemoet zien? Wellicht is het dan ook zinvol om de suggestie voor een overheid met 6 kernministeries daarbij te betrekken.

Antwoord

De uitkomsten van de rijksbrede takenanalyse – een onderdeel van het actieprogramma «Andere Overheid» – zullen naar verwachting in de zomer van 2005 beschikbaar komen. Mede op basis van deze uitkomsten zal de discussie over een eventuele departementale herindeling gevoerd gaan worden. Ook de uitkomsten van deze discussie en mogelijke voorstellen tot departementale herindeling zullen naar de Tweede Kamer worden gestuurd.

VVD

Vraag

Nederland scoort slecht op aandeel overheidsinvesteringen in collectieve uitgaven. Bestaat er geen behoefte aan een Europese doelstelling op dit gebied?

Antwoord

Volgens cijfers van de Europese Commissie liggen de overheidsinvesteringen als percentage van de collectieve uitgaven in Nederland boven het Europese gemiddelde. Volgens de Commissie (Spring Forecast 2004) zijn de overheidsinvesteringen in Nederland (als % BBP) vanaf medio jaren negentig aanzienlijk hoger dan het gemiddelde van EU-15. Zo liggen de overheidsinvesteringen in Nederland in 2003 ruim 1% BBP hoger (3,4% versus 2,4%), terwijl de gemiddelde collectieve uitgaven in Nederland en de EU overeenkomen.

In het Stabiliteits- en Groeipact zijn afspraken gemaakt over het saldo van de totale uitgaven en ontvangsten en met de Lissabon Agenda zijn doelstellingen vastgelegd voor overheidsinvesteringen in R&D. De verdere beslissing over de samenstelling van de overheidsuitgaven is echter in eerste instantie een nationale verantwoordelijkheid. Dat past binnen het subsidiariteitsbeginsel.

Vraag

Het uitgangspunt dat de overheid het leent goedkoopst vertroebelt de kostenvergelijking tussen publieke en PPS-uitvoering van infrastructuurprojecten. Wat gaat het kabinet doen om deze vergelijking eerlijker te maken. Kunnen er het komende jaar niet enkele concrete PPS-projecten in de sfeer van de infrastructuur komen? Zou onder meer in lagere lasten resulteren.

Antwoord

De complicaties die verbonden zijn aan het maken van een goede vergelijking van de kosten bij publieke en bij publiek-private uitvoering van projecten zijn uiteraard ook bij de betrokken ministeries (met name Financiën en V&W) bekend. De afgelopen jaren is stevig geïnvesteerd in het ontwikkelen van goede vergelijkingsmethodes, zodat voorkomen wordt dat door foute vergelijkingen, zoals met betrekking tot de financieringskosten en risico's waarnaar de heer Blok verwijst, PPS-uitvoering van projecten er ten onrechte ongunstig uit zou komen ten opzichte publieke uitvoering. Er wordt een zo objectief mogelijke kostenvergelijking gemaakt.

Voor wat betreft de vraag van dhr Blok naar concrete PPS-projecten wordt verwezen naar de brief die de minister van V&W mede namens Financiën, EZ en VROM op 7 juli jl. naar de Kamer heeft gestuurd en waarin naast een PPS-visie ook een aantal concrete projecten (bijvoorbeeld 2de Coentunnel en A4 Midden Delfland) wordt genoemd, die ook in de Nota Mobiliteit een plaats vinden.

SP

Vraag

Waarom laat het kabinet chronisch zieken zoveel inleveren?

Antwoord

Zie antwoord bij vraag van GroenLinks.

Vraag

De 30%-regeling, waarbij bepaalde buitenlandse werknemers een belastingvrije vergoeding mogen ontvangen ter grootte van maximaal 30% van hun salaris is geen eerlijke regeling en daarmee onbegrijpelijk.

Antwoord

De 30%-regeling beoogt Nederland als werkland en investeringsland aantrekkelijk te houden. De regeling versterkt de concurrentiepositie van Nederland bij het aantrekken van werknemers met een specifieke deskundigheid die op de Nederlandse arbeidsmarkt niet voldoende aanwezig is. De 30%-regeling beperkt bovendien de administratieve lasten voor het bedrijfsleven. Zonder toepassing van de forfaitaire regeling mogen namelijk de werkelijke, extra kosten van tijdelijk verblijf buiten het land van herkomst worden vergoed. Die kosten moeten dan in de administratie worden aangetoond.

D66

Vraag

Het kabinet heeft de afschaffing van het gebruikersdeel in de onroerendezaakbelastingen (OZB) uitgesteld. In 2005 is er dus nog geen maximering van tariefstijging. Graag goed overzicht reële ontwikkeling algemene uitkering en reële ontwikkeling lokale lasten. Waarom uitstel afschaffing OZB, juist nu de lasten zo sterk stijgen? Bestaat niet ook behoefte aan beheersing van tarieven voor waterleiding e.d?

Antwoord

De beslissing om de inwerkingtreding van het wetsvoorstel uit te stellen, is om een aantal redenen genomen. Het advies van de Raad van State, het standpunt van de VNG, de problemen die afzonderlijke gemeenten voorzagen om tijdig hun begroting rond te krijgen, mede gelet op de nog krappe tijd die resteerde voor de behandeling van het wetsvoorstel in het Parlement, hebben bij elkaar genomen het kabinet tot de overtuiging gebracht dat het beter ware de stelselwijziging per 2006 in te voeren. Het wetsvoorstel zal u binnen afzienbare tijd worden toegezonden.

Het kabinet houdt overigens al geruime tijd de vinger aan de pols wat betreft de stijging van de lokale lasten. Zo brengt het kabinet sinds 1997 een Monitor uit met de ontwikkelingen van de (belangrijkste) lokale lasten. In de Monitor van dit jaar, die u bij brief van 1 juli is aangeboden, wordt een aantal mogelijke oorzaken aangegeven voor de geconstateerde stijging. Ook is dit onderwerp aan bod geweest in een Algemeen Overleg op 27 mei dit jaar met de betrokken bewindslieden.

Het kabinet besteedt op diverse fronten aandacht aan de lokale lasten en het eigen belastinggebied van de decentrale overheden. Het probeert daarbij niet alleen de stijging aan meer regels te binden, maar ook inzicht te krijgen in de achtergrond daarvan. In de eerste plaats door de voorgestane lijn van meer transparantie voor de totstandkoming van tarieven. In de tweede plaats door breed overleg te voeren met de meest betrokken organisaties over feiten en cijfers, nu lijkt dat niet door alle betrokkenen eenzelfde noemer wordt gehanteerd. Dit overleg zal worden gehouden begin november.

De algemene uitkering aan gemeenten en provincies is gekoppeld aan de relevante rijksuitgaven. Voor 2005 wordt een reële stijging voorzien van 1,1%. In 2004 zal naar huidige inzichten sprake zijn van een reële daling van 1%. De algemene uitkering is in de periode 1997–2003 reëel gestegen met 23%. De reële opbrengststijging van lokale belastingen over diezelfde periode bedraagt 30%.

Mij zijn geen gevallen bekend van gemeenten die OZB heffen op waterleidingen. Op basis van de WOZ wordt de belastinggrondslag voor de OZB bepaald. In het kader van de WOZ wordt aangesloten op het begrip onroerende zaak in het Burgerlijk Wetboek. Voorzover sprake mocht zijn civielrechtelijke ontwikkelingen op dit terrein, dan wordt daar voor wat betreft de WOZ bij aangesloten.

GroenLinks

Vraag

Graag aandacht voor de specifieke gevolgen voor de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten.

Antwoord

In diverse brieven aan de Tweede Kamer is er ruim aandacht besteed aan de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten. Vorig jaar heeft de Tweede Kamer een brief van de Minister van SZW (ASEA/LIV/2003/88 030) ontvangen waarin informatie wordt verschaft over de koopkracht van chronisch zieken en gehandicapten in 2004. Sinds die tijd zijn er geen maatregelen genomen die de inkomenspositie van chronisch zieken en gehandicapten in 2004 verslechteren. Zoals in de brief van 17 september jl. is aangegeven zijn er zelfs maatregelen genomen om bepaalde knelpunten op te lossen. Daarmee is de koopkrachtsituatie van chronisch zieken en gehandicapten in sommige gevallen zelfs verbeterd ten opzichte van de stand van de brief van vorig jaar.

In 2005 zal, los van de maatregelen die alle huishoudens treffen, alleen de invoering van de no claim teruggaafregeling in de ZFW de inkomenssituatie van chronisch zieken en gehandicapten in het bijzonder beïnvloeden. De koopkrachteffecten van deze maatregel staan beschreven in de begroting van SZW (Bijlage inkomensbeleid). Overigens komen de kosten van de no claim teruggaafregeling voor chronisch zieken en gehandicapten in aanmerking voor aftrek via de buitengewone uitgavenregeling en de tegemoetkomingsregeling voor buitengewone uitgaven.

Voor overige vragen over de koopkracht wordt doorverwezen naar de begrotingsbehandeling van SZW.

Vraag

Graag reactie op de unaniem aangenomen motie-Rabbae, volgens welke de gelden van de hbo-fraude terugmoeten naar het onderwijs.

Antwoord

Het kabinet heeft ervoor gekozen om de terug te vorderen middelen niet opnieuw onder de onderwijsinstellingen te verdelen. Er bestaat juridisch gezien geen verplichting daartoe. Gelet op de huidige economische omstandigheden en budgettaire problematiek heeft het kabinet er voor gekozen deze motie niet uit te voeren en de teruggevorderde gelden te laten terugvloeien naar de algemene middelen. Dit besluit maakte onderdeel uit van de Voorjaarsnota die eerder dit jaar met de Kamer is besproken. Het gaat niet ten koste van de ambities die het kabinet heeft op terrein van de kenniseconomie, want de middelen zouden bovenop reguliere bekostiging komen.

Vraag

Hoge olieprijzen zijn goed voor ontwikkelingslanden, want men gaat daar dan energiezuinig produceren. Graag reactie op deze uitspraak van minister Van Ardenne.

Antwoord

Hoge olieprijzen vormen inderdaad een prikkel om energiezuinig te produceren. Dit geldt zowel voor ontwikkelings- als ontwikkelde landen. Tegelijkertijd zijn hoge energieprijzen nadelig voor de groei van de wereldeconomie. Een stijging van de olieprijzen met $ 5 vermindert – volgens het IMF – de mondiale groei met 0,3%. In de verklaring van het IMFC tijdens de jaarvergadering van het staat aangegeven dat: «The Committee reiterates the desirability of stability in oil markets and prices which are consistent with lasting global prosperity». Het kabinet ondersteunt dit standpunt.

De Wereldbank heeft tot slot aangegeven dat zij voor een periode van vijf jaar, onafhankelijk van de ontwikkeling van de olieprijs, streeft naar een jaarlijkse groei van 20% van haar leningen gericht op duurzame energie en efficiëntie van energiegebruik.

SGP

Vraag

SGP wil dat de bewindslieden met de collega's van VWS om de tafel gaan zitten om mantelzorg langs fiscale weg aantrekkelijker te maken. Dat zou in samenhang met de Wet Maatschappelijke Ondersteuning moeten. Graag reactie.

Antwoord

Het kabinet kiest er voor mensen zo lang mogelijk zelfstandig te laten functioneren. Met de WMO krijgen gemeenten een belangrijke rol om meer maatwerk in voorzieningen voor ouderen en gehandicapten mogelijk te maken. Daarnaast kan met persoonsgebonden budgetten (PGB's) nog meer op de individu toegesneden zorg geleverd worden. Fiscaal is het mogelijk bij voorbeeld via de nieuwe levensloopregeling om gefacilieerd te sparen voor alle vormen van verlof. Voorts is er ook een fiscale regeling voor vrijwilligers. Met deze regelingen wordt naar de mening van het kabinet gezorgd voor een adequaat voorzieningenniveau.

Vraag

Kunnen de normen voor fiscaal onbelast vrijwilligerswerk worden heroverwogen?

Antwoord

De huidige regeling biedt ruime mogelijkheden voor onbelaste vergoedingen voor vrijwilligerswerk. Een heroverweging van de fiscale regels met betrekking tot vrijwilligers is niet nodig, omdat vrijwilligers immers altijd de werkelijke kosten onbelast vergoed kunnen krijgen. Zij moeten dan aantonen dat hen verstrekte vergoeding in overeenstemming is met de werkelijke kosten. Vergoedingen tot euro 21 per week en euro 735 per jaar worden aangemerkt als «vrije vergoedingen». Deze hoeven niet aan de werkelijke kosten te worden getoetst. De huidige grens van euro 735 per jaar is opgeworpen om doelmatigheidsredenen. Bij het verhogen van die grens zou de vergoeding nl. meer in de buurt komen van beloningen van mensen die de werkzaamheden beroepsmatig verrichten.

Naar boven