Noot 1 (zie blz. 4877)

De commissie voor het Onderzoek van de geloofsbrieven heeft de eer het volgende te rapporteren.

In handen van de commissie zijn gesteld, behalve de geloofsbrieven van mevrouw W.E. de Jong te Piershil en de heer H.H.R. Wijnschenk te Almere de volgende missives van de voorzitter van het Centraal Stembureau voor de verkiezing van de leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal:

een afschrift van zijn besluit van 23 mei 2002, waarbij, gezien de mededeling van L.H.C. Geurts te Kerkrade dat hij zijn benoeming tot lid van de Tweede Kamer der Staten-Generaal niet aanneemt, wordt benoemd verklaard de heer H.H.R. Wijnschenk te Almere.

Uit de bij de geloofsbrieven gevoegde stukken blijkt, dat zij de vereiste leeftijd hebben bereikt. Voorts blijkt uit een verklaring van de benoemden, dat zij geen betrekkingen bekleden welke onverenigbaar zijn met het lidmaatschap der Kamer, terwijl aan de commissie ten aanzien van hen niet is gebleken van enige omstandigheid welke hun Nederlanderschap in twijfel zou moeten doen trekken, noch van enige omstandigheid, ten gevolge waarvan zij op grond van artikel 54 der Grondwet van het kiesrecht ontzet zouden zijn.

De commissie stelt derhalve voor als lid der Kamer toe te laten, nadat zij de bij de wet van 27 februari 1992, Stb. 120, voorgeschreven eden dan wel verklaringen en beloften zullen hebben afgelegd, mevrouw W.E. de Jong te Piershil en de heer H.H.R. Wijnschenk te Almere.

Naar boven