Handeling
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vergadernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | nr. 76, pagina 4881-4893 |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Vergaderjaar | Vergadernummer | Datum vergadering |
|---|---|---|---|---|
| Tweede Kamer der Staten-Generaal | 2001-2002 | nr. 76, pagina 4881-4893 |
Aan de orde is het debat over de benoeming van een voorzitter.
De voorzitter:
Bij de behandeling van de ontwerpprofielschets in de vergadering van 23 mei jongstleden zijn twee moties aangenomen (28285, nrs. 3 en 4). Ingevolge de motie op stuk nr. 4 dienen kandidaten voor het voorzitterschap zich uiterlijk twee uur voor de vergadering van heden schriftelijk bekend te hebben gemaakt. Ingekomen zijn tot die tijd brieven van de leden Weisglas (28285, nr. 5), Janssen van Raay (28285, nr. 6) en Jorritsma-Lebbink (28285, nr. 8). Voorts is ingekomen een brief van de heer Zalm (28285, nr. 7), waarin mevrouw Jorritsma-Lebbink kandidaat wordt gesteld namens de fractie van de VVD.
Ingevolge de andere aangenomen motie, op stuk nr. 3, dient de Kamer gelegenheid te krijgen om de kandidaten in het openbaar naar aanleiding van de profielschets vragen te stellen over de wijze waarop zij het Kamervoorzitterschap voornemens zijn in te vullen. Ik verzoek de kandidaten om daartoe achter de regeringstafel plaats te nemen.
Als eerste is het woord aan de heer Zalm die, geloof het of niet, thans zijn maidenspeech zal houden. Zoals te doen gebruikelijk, mag hij daarbij niet worden geïnterrumpeerd.
De heer Zalm (VVD):
Mevrouw de voorzitter. Nu er nog geen nieuw regime geldt, mogen mensen ouder dan 50 jaar – dacht ik – nog een kleine geheugensteun meenemen. Na de heren Herben en Teeven ben ik de derde fractievoorzitter die hier zijn maidenspeech mag houden. Dat doet mij natuurlijk veel genoegen.
Ik dank mevrouw Van Nieuwenhoven voor de wijze waarop zij de afgelopen jaren leiding heeft gegeven aan de Kamer. Zelf heb ik vooral gewaardeerd haar bodylanguage. Als ik in vak K binnenkwam en naar de voorzitter keek, was er altijd een glimlach en twinkeling in haar ogen en voelde ik mij echt hartelijk welkom.
Ik constateer dat er voor het voorzitterschap geen kandidaten zijn gesteld vanuit de CDA-fractie, ook vanuit de gedachte dat er een zeker evenwicht moet zijn in de bekleding van de posten van voorzitter van de Eerste Kamer en voorzitter van de Tweede Kamer. Mijn fractie waardeert deze terughoudendheid die aan CDA-zijde is betracht, zeer.
In mijn fractie is erg veel ervaring verzameld. Wij hebben dus meer gekwalificeerde kandidaten. Eén heeft zichzelf al aangemeld. Dat illustreert dat bij de VVD het liberalisme en zelfs een vleugje anarchisme goed thuis is. Namens de fractie stel ik voor om mevrouw Jorritsma te benoemen tot voorzitter. Zij voldoet uitstekend aan het profiel: zij is twaalf jaar Kamerlid geweest, acht jaar minister en vier jaar vice-minister-president en zij heeft ook aan het hoofd gestaan van grote organisaties. Wij nemen daarbij ook de zinsnede serieus dat bij gelijke geschiktheid een vrouw de voorkeur verdient. Vandaar onze voordracht.
De keuze is nu aan de Kamer. Ieder zal zijn eigen argumenten en motieven hanteren. Er zijn er twee waarvan ik het niet op prijs stel als die een rol spelen. Het eerste waarop ik geen prijs stel en wat ik heel moeilijk kan aanvaarden, is de gedachte dat je voor het leven besmet bent als je in een paars kabinet hebt gezeten en niet meer voor dit soort functies in aanmerking komt. Het is niet erg dat je van mening verschilt over het beleid van een vorig kabinet, maar het gaat ook om het respect dat voor individuele personen moet worden betracht. Je kunt niet alle paarse bewindslieden in één hoop op de mestvaalt van de geschiedenis gooien. Dat is althans mijn opvatting. Als die opvatting elders anders zou zijn, wordt daarmee natuurlijk ook wel de formatie zwaar bemoeilijkt. Ik hoor echter graag van de heer Herben of hij mij op dit punt enige geruststelling kan geven. Ik vind het in elk geval geen sterk argument.
Het tweede argument dat ik niet sterk vind, is het verhaal dat er sprake zou zijn van achterkamertjespolitiek als ik netjes van boven naar beneden alle fracties langs loop om te horen hoe een kandidaat zal vallen. Ik heb dat in het openbaar gedaan. Het was ook geen geheim. De journalisten wisten het ook en ik heb er ook steeds zo op geantwoord. Uiteindelijk is het aan de fracties om mij al dan niet iets te willen zeggen respectievelijk hun stemgedrag hier te bepalen. Ik heb het gedaan om te kijken of er draagvlak is voor onze kandidaat. Dat is toch de normaalste zaak van de wereld. Je kunt wel alles achterkamertjespolitiek gaan noemen omdat het zo lekker klinkt, maar daarvan neem ik dus ook afstand.
Ik vind dat deze twee argumenten geen rol moeten spelen bij het stemgedrag.
Ik wil positief afsluiten. Annemarie Jorritsma is een vrouw uit één stuk. Zij zegt wat ze denkt en soms kun je zelfs zien wat ze denkt. En dat is niet altijd een nadeel!
De voorzitter:
Ik feliciteer u met uw maidenspeech, mijnheer Zalm. Ik stel voor om de vergadering niet te schorsen om u persoonlijk te feliciteren. Dat kunnen wij straks doen.
Mevrouw Giskes (D66):
Voorzitter. Voor de derde keer in korte tijd valt mij de eer te beurt om de eerste spreker te zijn na degene die een maidenspeech heeft gehouden. Wederom kan ik dus in ons midden zeer welkom heten de heer Zalm, nu hij eenmaal gesproken heeft en dus ook echt lid van deze Kamer is. Het deed mij deugd te merken dat er toch een zekere nervositeit in zin stem doorklonk. Ondanks alle ervaring in vak K is het toch iets heel anders om hier te staan. Ik denk dat hij zich dat heel goed bewust is geweest.
Alle complimenten ten spijt moet mij van het hart dat ik, eerlijk gezegd, niet goed begrijp waarom wij op dit verhaal van de VVD-fractievoorzitter zijn getrakteerd. De Kamer heeft namelijk een normale procedure afgesproken waarbij een aantal leden die zich ervoor geschikt voelen, zich kunnen kandideren voor het voorzitterschap van de Kamer. Die procedure hebben wij vier jaar geleden afgesproken en die bevalt ons zeer. Ik zie dus niet goed in en, sterker nog, ik begrijp helemaal niet waarom toch weer één fractie meent bij monde van de fractievoorzitter een kandidaat te moeten presenteren. Helaas mocht ik niet interrumperen en kon dat dus niet vragen. Vandaar dat ik het op deze manier toch even aan de orde stel.
Ook D66 dankt natuurlijk de vorige voorzitter hartelijk voor al haar werkzaamheden. Wij hebben daaraan verschillende soorten herinneringen maar overall was het een hele goede periode. Ik denk dat deze voorzitter veel gedaan heeft aan een uitstekende presentatie van de Kamer naar buiten. Hulde daarvoor!
Ik wil namens mijn fractie een aantal vragen stellen aan onze kandidaten en merk daarbij op dat onze fractieleden vrij zijn in hun stemgedrag. Ik probeer dus te verwoorden wat er zoal leeft in mijn fractie. Wij zijn blij dat er drie kandidaten zijn. Het liefst hadden wij er nog meer gezien want volgens ons zitten er links en rechts nog wel enkele potentiële voorzitters.
Mijn eerste vraag is gericht aan alle kandidaten. Stel dat u voorzitter wordt, hoe stelt u zich dan voor om een aantal van de vernieuwingen die de afgelopen tijd bijvoorbeeld door D66 zijn voorgesteld, daadwerkelijk door te voeren? Heeft u misschien zelf nog ideeën over vernieuwing van het Kamerwerk, niet omdat vernieuwing per definitief altijd iets goeds is maar omdat vrijwel iedereen ervan overtuigd is dat enige vernieuwing geboden is? Wij denken bijvoorbeeld meer aan debatten op hoofdlijnen – waarbij de tijd wel goed bewaakt wordt zoals deze voorzitter vandaag doet – aan het niet meer zo verkokerd instellen van commissies maar aan meer thematische commissies. Wij denken vooral ook aan het versterken van de onderzoeksfunctie van de Kamer en van de daarbij behorende ondersteuning, zodat de Kamer echt een tegenwicht kan bieden aan alles wat het kabinet zelf aan ondersteuning weet in te brengen. Wij horen heel graag van alle kandidaten hoe zij daarover denken.
Aan de heer Weisglas in het bijzonder willen wij in datzelfde kader vragen wat zijn jarenlange ervaring als lid van de Kamer én van het Presidium hem aan bijzondere ideeën heeft gegeven en voor welke vernieuwingen van het Kamerwerk hem dat heeft doen pleiten? Hoe denkt hij daaraan in de toekomst vorm te geven?
Tot slot wil ik mevrouw Jorritsma een vraag stellen. Hoe moet het gemene Kamerlid hier aanwezig het interpreteren dat u zich pas kandidaat heeft willen stellen op het moment dat één fractie zich bijna unaniem achter u geschaard heeft? Wat belooft dit qua politieke onafhankelijkheid die u ten toon wilt spreiden zoals u in uw brief aangeeft? Eerlijk gezegd vind ik dat het niet veel goeds belooft. U suggereert in uw brief boven te partijen te willen staan, maar wij worden door uw fractievoorzitter nu al getrakteerd op een nogal partijgebonden verhaal. Als de heer Zalm meent ons hier te moeten uitleggen waar hij geen prijs op stelt en wat hij niet wil horen, vind ik dat nogal een druk die bij voorbaat op de Kamer en dus ook op haar voorzitter wordt gelegd. Ik hoor graag hoe u dat ziet en waarom wij eventueel toch op u zouden moeten stemmen.
Mevrouw Dijksma (PvdA):
Mevrouw de voorzitter. Wij hebben vandaag te maken met een unieke procedure en dat is een compliment waard aan onszelf. De kandidaten zitten allemaal in vak K en er is vandaag echt iets te kiezen.
Voor de Partij van de Arbeid is en blijft uitgangspunt de profielschets zoals wij die hebben aangenomen. Wij vinden het van belang dat een Kamervoorzitter een gedegen ervaring heeft in het parlement en over de nodige managementcapaciteiten beschikt. Het werk dat achter de schermen moet gebeuren, is immers vaak veel omvattender dan hetgeen wij in de openbaarheid zien. Iemand moet dus volledig beschikbaar zijn. Daarnaast moet een Kamervoorzitter gezaghebbend zijn, op een breed draagvlak kunnen rekenen en boven de partijen staan.
Wij willen de kandidaten graag een aantal vragen stellen. Wij hebben afgesproken dat wij hiervan een vrije kwestie maken. Ieder lid van de fractie zal de kandidaten beoordelen en wegen. Wat het zwaarst weegt, komt terecht op het stembriefje. Ik moet wel zeggen dat ik het jammer vind dat niet alle kandidaten een uitgebreide brief met motivatie hebben rondgestuurd. Daar hadden wij wel nadrukkelijk om gevraagd.
Ik ga over tot het stellen van de vragen. Welke verbeteringen in de werkwijze van de Kamer zouden bij voorkeur moeten worden voorbereid? In het parlement besluiten wij met meerderheid, maar ook in onze parlementaire democratie hebben wij respect voor degenen die het minderheidsstandpunt vertegenwoordigen. In dat licht zijn opmerkingen over kleine fracties met een te grote mond eerlijk gezegd ongepast. Wat is het oordeel van de kandidaten hierover?
De levendigheid in het politieke debat is buiten deze Kamer alom aanwezig. Ik heb het eerder gezegd: het is voor een Kamervoorzitter een erezaak om samen met alle leden te trachten dit debat terug te brengen in de politieke arena, in het parlement dat hier bij elkaar is. Ik vraag de kandidaten op welke wijze zij die erezaak willen oppakken.
Mevrouw Kant (SP):
Voorzitter. Namens mijn fractie heb ik vorige week helder gemaakt welke procedure wij het liefst zien: een open procedure met als uitkomst de beste man of vrouw uit ons midden die onze Kamer voorzit. Vorige week was ik zeer teleurgesteld dat er twee fracties in deze Kamer zijn, die van de VVD en die van het CDA, die vasthouden aan een traditie waar wij nu juist zo graag van afwillen. Ik doel op de traditie van het onder elkaar verdelen van bepaalde posten. Ik wil mijn tijd vandaag vooral gebruiken om een aantal vragen te stellen aan de kandidaten.
Hoe denken zij in het algemeen over het functioneren van de Tweede Kamer in de afgelopen periode? Ik koppel daaraan de vraag of zij vinden dat het anders moet. Hoe zouden zij de controlerende rol van de Tweede Kamer in de toekomst willen versterken? Hebben zij daar ideeën of voorstellen voor?
Van enkele kandidaten heb ik gehoord dat zij onnodig lange debatten willen voorkomen. Ik hoor graag suggesties hoe zij dat in de praktijk willen doen. Ik geef een heel specifiek voorbeeld. De spreektijden in wetgevingsoverleg en algemeen overleg zijn niet altijd evenredig verdeeld, hetgeen soms tot lange debatten leidt. Hebben de kandidaten daarvoor suggesties? Onnodig lange debatten moeten worden voorkomen, maar noodzakelijke debatten, die hier in de afgelopen periode niet hebben plaatsgevonden, moeten juist wél alhier plaatsvinden. Wat zijn de suggesties om hierin verbetering aan te brengen? Thans is het de meerderheid van de Kamer die beslist over het recht op het houden van een interpellatie. Zou dat ook een minderheid of zelfs een individueel Kamerlid kunnen zijn? Wat vinden de kandidaten van de suggestie om vaker debatten te voeren zonder dat er een regeringsstuk aan ten grondslag ligt? Wat vinden de kandidaten van de onderzoeksfunctie van de Kamer en zien zij mogelijkheden om daarin verbetering aan te brengen? Hoe denken zij over het functioneren van het mondelinge vragenuur?
Ik heb met veel interesse de brief van mevrouw Jorritsma gelezen. In de brief werpt zij zeer interessante vragen op inzake verbeteringen in de toekomst. Ik ben benieuwd naar haar eigen eerste antwoord op die vragen. Ik ben het meest geïnteresseerd in haar reactie op de eerste twee vragen.
Aan de heer Van Raay vraag ik recht op de man af hoe hij zelf het ontbreken van ervaring in het Nederlandse parlement als handicap ziet.
Voorzitter. Ik ga afronden. Wij wachten uiteraard de antwoorden af. Ook mijn fractie is geheel vrij in het uitbrengen van een stem. Wel wil ik nog kwijt dat wij de manier waarderen waarop de heer Weisglas zichzelf kandidaat gesteld heeft. Dat is een procedure waar mijn fractie achter staat. Zoals ik al eerder zei, hebben wij bij voorbaat moeite met een kandidaat die geen Nederlandse parlementaire ervaring heeft.
De heer Teeven (LN):
Voorzitter. Allereerst dank aan de vorige voorzitter van de Tweede Kamer voor de buitengewoon hartelijke wijze waarop zij de nieuwe fractie van Leefbaar Nederland heeft ontvangen, zelfs voordat wij in het parlement waren geïnstalleerd op die vreselijke maandag een aantal weken geleden. Het moet mij van het hart dat de stijl van de waarnemend voorzitter vandaag de fractie van Leefbaar Nederland bijzonder aanspreekt, zeker als het gaat om de buitengewoon consequente wijze waarop zij de spreektijden handhaaft en om de buitengewoon krachtdadige wijze waarmee zij op de procedures toeziet. Dat kan de duur van de vergaderingen beperken.
Mijn eerste vraag aan alle drie de kandidaten is hoe zij de vergadertijden willen handhaven, onnodige debatten willen voorkomen en de nodige debatten willen toelaten. Hoe zien zij een stringente toepassing van de procedures die voor iedereen gelden in dit huis? Ik maak mij namelijk een beetje zorgen en ik hoop, aangezien ik wat verder weg woon, dat het gebruikelijk zal zijn dat de vergaderingen voor elven 's avonds eindigen.
Dan heb ik nog een specifieke vraag aan de heer Janssen van Raay. De fractie van Leefbaar Nederland heeft zich verbaasd over opmerkingen in de pers over de vraag hoe hij zijn rol ziet als Kamervoorzitter in de richting van vertegenwoordigers van de parlementaire pers wanneer aan zijn adres door die vertegenwoordigers hem onwelgevallige uitlatingen worden gedaan. Dat vind ik een belangrijk punt omdat het optreden van de Kamervoorzitter bijzonder bepalend is voor de wijze waarop in de Nederlandse maatschappij naar de Kamer gekeken wordt. Daar speelt de parlementaire pers een belangrijke rol in. Misschien kan hij zich daarover uitlaten.
De heer Verhagen (CDA):
Mevrouw de voorzitter. Wij vinden het als CDA-fractie buitengewoon plezierig dat wij in een open debat de kandidaten nader kunnen bevragen over hun opvattingen over de toekomst en de werkwijze van deze Kamer, aangezien de mening breed gedeeld wordt dat er het een en ander zou kunnen en moeten veranderen. Nu is de mogelijkheid van het stellen van vragen geen absolute garantie dat de Kamer een goede voorzitter krijgt, noch is het een garantie dat de Kamer zonder het stellen van deze vragen geen goede voorzitter krijgt. Ook de CDA-fractie was bijzonder ingenomen met de manier waarop mevrouw Van Nieuwenhoven de afgelopen vier jaar invulling gegeven heeft aan het voorzitterschap, ondanks het feit dat zij haar destijds geen vragen in een openbaar debat heeft kunnen stellen. Dat laat echter onverlet dat mijn fractie juist deze nieuwe werkwijze waardeert, waardoor het mogelijk wordt de verschillende opvattingen te wegen. Van mevrouw Jorritsma hebben wij hedenochtend een brief ontvangen waarin zij een toelichting geeft op de wijze waarop zij de werkwijze van de Kamer zou willen reorganiseren. Van de twee andere kandidaten hebben wij alleen maar de brief gekregen conform artikel 4, eerste lid, van het Reglement van orde. Ik zal dan ook graag namens de fractie van het CDA enige nadere vragen stellen.
Allereerst aan de heer Janssen van Raay. Uit de profielschets die de Kamer heeft opgesteld en uit het debat dat daarover vorige week is gevoerd, blijkt duidelijk dat parlementaire ervaring, met name Kamerervaring, kennis en respect voor het Reglement van orde en van de gebruiken in de Tweede Kamer, hoog aangeschreven staan. Nu heeft de heer Janssen van Raay wel ruime parlementaire ervaring, zij het in het Europees Parlement. Ik weet uit eigen ervaring, onder andere uit de tijd dat wij samen in het Europees Parlement zaten, dat de werkwijze in het Europees Parlement een geheel andere is dan die in de Tweede Kamer. Om maar een voorbeeld te noemen: men kent daar het gebruik van interrupties niet. De heer Janssen van Raay heeft dus absoluut geen ervaring in het omgaan met interrupties. Ook het Reglement van orde is in het Europees Parlement geheel anders dan hier. Op grond van welke overwegingen denkt hij te voldoen aan de expliciet in de profielschets opgenomen voorwaarden?
Mevrouw Jorritsma heeft aangegeven dat zij op een vijftal punten het debat met de Kamer aan wil gaan, onder andere over verbetering van de controlerende taak van het parlement en het meer zichtbaar en voelbaar maken van de rol van volksvertegenwoordiger voor het bredere publiek. De vijf punten zijn een goede aanzet en geven ruimte voor debat. Dit kan ertoe leiden dat het debat toegankelijker wordt voor een breed publiek. Hoe kijkt mevrouw Jorritsma aan tegen de huidige gang van zaken rond het vragenuurtje, dat juist is bedoeld om het debat voor het brede publiek toegankelijk te maken? De voormalige fractievoorzitter van de VVD, de heer Dijkstal, was van mening dat het vragenuurtje maar moet worden afgeschaft, omdat het niet zoveel voorstelt.
Daarnaast willen wij van mevrouw Jorritsma vernemen hoe zij aankijkt tegen een mogelijk voorzitterschap in relatie tot het onderzoek van de Rekenkamer waarin zij zelf onderwerp is. Wij hebben er vorige week goede nota van genomen dat de VVD-fractie een voorzitter met kabinetservaring een pre vindt. Ik zeg met nadruk niet dat paarse bewindslieden melaatsen zouden zijn, alhoewel wij met alle plezier oppositie hebben gevoerd tegen het paarse kabinet en wij blij zijn dat dit tot het verleden behoort. Heeft mevrouw Jorritsma door acht jaar deelname aan deze regering niet te veel afstand gekregen tot de Kamer?
Van de heer Weisglas weten wij, gelet op zijn vice-voorzitterschap in de afgelopen periode, op welke wijze hij de Kamer zal leiden. Hoe denkt hij de controlerende taak van het parlement te versterken? Op welke wijze wil hij de rol van de Kamer meer zichtbaar en voelbaar maken voor het bredere publiek? Hoe ziet hij daarnaast de onderzoeksfunctie van de Kamer? Gelet op de ervaringen die ik zelf in de afgelopen jaren heb opgedaan en op de late uurtjes waarin ik onder het voorzitterschap van de heer Weisglas het debat mocht voeren, wil ik graag van hem vernemen op welke wijze hij wil realiseren dat de normale vergadertijden in ere hersteld worden en dat de vergaderwijze efficiënter en effectiever wordt. De CDA-fractie heeft duidelijk behoefte aan een nieuwe politieke cultuur. Ik hoop dat dit debat daaraan een bijdrage kan leveren. Ten slotte vraag ik de heer Weisglas op welke wijze hij, juist gelet op de nieuwe rol van de Tweede Kamer, aankijkt tegen vernieuwing ten aanzien van het functioneren van de Tweede Kamer.
Mevrouw Dijksma (PvdA):
Deze laatste woorden intrigeren mij. U heeft behoefte aan een nieuwe politieke cultuur. Wellicht kunt u mij vertellen op welke wijze uw fractie een oordeel zal vormen over de drie kandidaten. Zijn daar onderlinge afspraken over gemaakt of is dat een vrije kwestie?
De heer Verhagen (CDA):
Deze vraag verbaast mij in hoge mate.
Mevrouw Dijksma (PvdA):
Zij bevalt u niet, denk ik.
De heer Verhagen (CDA):
Nee, zij verbaast mij. Vorige week hebben wij afgesproken dat er een open procedure gevolgd zal worden, die zich uiteraard beperkt tot de leden van de Tweede Kamer. Wij zouden daarbij de mogelijkheid hebben om vragen te stellen. De afweging die de individuele leden van de CDA-fractie zullen maken, is uiteraard mede gebaseerd op de antwoorden van de kandidaten. Ik heb die vragen niet voor niets gesteld! De antwoorden daarop zijn essentieel voor de bepaling van ons stemgedrag.
Mevrouw Dijksma (PvdA):
Wilt u gewoon niet toegeven dat het een vrije kwestie is of vraagt u na afloop van de beantwoording om een schorsing voor fractieberaad om na te gaan welke kandidatuur gesteund zal worden?
De heer Verhagen (CDA):
Er worden stemmingen gehouden, waarbij ieder individueel Kamerlid een stem kan uitbrengen op de kandidaat van zijn of haar voorkeur.
Mevrouw Dijksma (PvdA):
Dat was wat ik wilde weten.
De heer Herben (LPF):
Mevrouw de voorzitter. Vorige week zei ik al dat wij eigenlijk een luxeprobleem hebben. Als ik zo om mij heen kijk, zie ik zeer veel parlementariërs die over de vereiste kwalificaties beschikken. Aan mijn linkerzijde zie ik er drie en rechts van mij zie ik er nog een. Wij zijn destijds hartelijk ontvangen door mevrouw Van Nieuwenhoven en daarna door de heer Weisglas. Het is voor ons bijna een Salomonsdilemma, ware het niet dat in het midden de heer Jim Janssen van Raay troont, die over de vereiste politieke ervaring beschikt. Men kan ervan zijn verzekerd dat hij ook de procedurele kennis heeft, want men is de laatste dagen regelmatig om de oren geslagen met het Reglement van orde.
Ik zie van links naar rechts: een ervaren ondervoorzitter, een ervaren politicus die het Reglement van orde zeer goed beheerst, en een zeer ervaren politica, die ongetwijfeld in staat zal zijn deze Kamer naar behoren te leiden, dit voor de heer Zalm. Wat mij betreft kan ik mevrouw Dijksma nazeggen dat het voor ons een vrije keuze kan zijn, ware het niet dat de heer Janssen van Raay erbij zit. Ik zou zeggen: laat ons gauw gaan stemmen.
Mevrouw Halsema (GroenLinks):
Voorzitter. Vorige week deed ik dit al even kort, maar ik wil graag van de gelegenheid gebruikmaken om vanaf deze plaats mevrouw Van Nieuwenhoven nogmaals te bedanken voor de wijze waarop zij de afgelopen jaren leiding heeft gegeven aan de Kamer. Het was dikwijls kalmerend, soms het debat verhevigend, maar altijd gepassioneerd. Ik denk dat het grootste compliment wellicht is gegeven doordat alle kandidaten die hier zitten, op enig moment het voorzitterschap van mevrouw Van Nieuwenhoven als voorbeeld hebben genomen.
Wij hebben drie kandidaten die wat ons betreft over grote kwaliteiten en elan beschikken. Dat neemt niet weg dat naar ons oordeel twee kandidaten aan de profielschets voldoen en een andere kandidaat er niet aan voldoet. Als ik het heb over de kandidaat die niet aan de profielschets voldoet, heb ik het over de heer Janssen van Raay, en ik merk dat hij daardoor niet verbaasd is.
Ik heb zijn cv met veel interesse gelezen en was er ook van onder de indruk. Ik wist niet van het bestaan van het jeneverkruis. Ik ben heel benieuwd hoe je daaraan kunt komen. Het is mij nog nooit aangeboden. De vraag is evenwel hoe hij denkt te compenseren dat hij niet voldoet aan de profielschets. Hij knikt dus hij begrijpt de vraag. Het is moeilijk om dat uit het cv te destilleren. Die woordspeling had ik mij nog niet gerealiseerd.
Daarnaast hebben wij twee VVD-kandidaten: een persoonlijke kandidaat en een partijkandidaat. Voor ons geldt dat de VVD als geheel in de afgelopen jaren niet het symbool was van politieke en democratische vernieuwing. Wij hebben een man en een vrouw. De laatste zin van de profielschets is dat bij gelijke geschiktheid de voorkeur wordt gegeven aan een vrouw. Mijn vraag aan de heer Weisglas is waarin hij denkt meer geschikt te zijn dan mevrouw Jorritsma. Verder vraag ik beide kandidaten om in te gaan op de onderlinge verschillen, want wij vinden het een lastige keuze.
Dan heb ik nog een specifieke vraag aan mevrouw Jorritsma. Ik moet zeggen dat ik deze vraag met enige terughoudendheid stel, maar ik vind wel dat deze hier gesteld hoort te worden. Er is een Rekenkameronderzoek ingesteld naar aanleiding van negatieve krantenberichten. Laat ik vooropstellen dat wij het zeer verstandig vonden dat dit Rekenkameronderzoek zo snel is ingesteld. Wij hebben daar bij monde van de heer Vendrik ook om verzocht. Als de uitkomsten van het Rekenkameronderzoek onverhoopt negatief zijn, terwijl mevrouw Jorritsma Kamervoorzitter is, welke consequenties zal zij daar dan aan verbinden?
De heer Weisglas moet het ons maar vergeven dat wij hem de volgende vraag stellen. Wij hebben namelijk levendige herinneringen aan de discussie die wij hier ooit gevoerd hebben over de betrokkenheid van europarlementariërs bij het Kamerdebat. Wij verschilden daarover hevig van mening. Hoe denkt hij de komende jaren de band met het europarlement te versterken?
De heer Rouvoet (ChristenUnie):
Voorzitter. Vorige week heb ik in het debat over de benoeming van een voorzitter namens mijn fractie aangegeven dat wij het een goede suggestie vinden dat mensen zichzelf kandidaat kunnen stellen. Het betekent dat wij breken met de gewoonte dat leden van deze Kamer via de media moeten vernemen welke collega's denken in aanmerking te komen en geschikt zijn voor het voorzitterschap en dat willen vervullen. Wij vonden dat een belangrijke stap in de vernieuwing van onze procedures. De geslotenheid wordt doorbroken. Om die reden staat mijn naam onder de motie van collega Dijksma.
Toen gesuggereerd werd, de kandidaten vervolgens vragen te stellen, heb ik aangegeven dat dit ons wat minder aansprak. Voor ons geldt dat wij ofwel de kandidaten behoorlijk kennen en een redelijk inschatting kunnen maken van hun kwaliteiten en de mate waarin zij voldoen aan de profielschets, ofwel iemand is een onbeschreven blad in deze Kamer. Daarmee komt het criterium van een ruime parlementaire ervaring algauw in een ander daglicht te staan.
Bovendien hebben wij ons de vraag gesteld wat wij nu precies moeten met de antwoorden die op de gestelde vragen gegeven zullen worden. Het zal veelal gaan om persoonlijke opvattingen. Die zijn interessant, ook relevant, maar ik heb vorige week mevrouw Giskes erop gewezen dat het een misverstand kan zijn te denken dat een persoonlijke opvatting van de Kamervoorzitter over de wijze waarop de Kamer dient te functioneren, doorslaggevend is. Dat is niet het geval zoals ik vorige week heb gezegd. Ik hecht eraan, zeker gelet op de bijeenkomst van vanmiddag, te herhalen dat uiteindelijk de Kamer zelf haar werkwijze bepaalt, waarbij de opvatting van de voorzitter belangrijk is, maar niet doorslaggevend en zeker niet de enige. In eerste instantie zit het Presidium er zelf bij en vervolgens de hele Kamer, waarbij iedere stem even zwaar weegt. Ik hecht eraan dat nog even te benadrukken.
Een andere mogelijkheid is dat wij te maken krijgen met politiek correcte opvattingen. Dat klinkt een beetje raar, maar is niet helemaal vreemd aan het verschijnsel van sollicitatiegesprekken en een sollicitatiegesprek is het toch een beetje. Het is u ongetwijfeld bekend dat gekeken wordt wie de vraag stelt en wat het gewenste antwoord zou zijn. Bovendien zijn sollicitatiegesprekken door de bank genomen besloten. Dit geldt niet voor deze gesprekken.
Dat alles leidt ertoe dat mijn fractie geen behoefte heeft aan het stellen van een enkele vraag aan een of meer van de kandidaten. Wij hebben niet de indruk dat daarmee ineens een toereikende basis zou ontstaan voor onze keuze. Ik heb een beetje het gevoel dat het een lichtelijk genante vertoning is mensen vooral te vragen, aan te geven welke kwaliteiten zij meer hebben dan andere kandidaten en dat hier breed uit te meten. Wij hebben daar zelf geen behoefte aan. Misschien zou in dat opzicht een proefdebat naar analogie van een proefles meer helderheid bieden. Alle collega's zouden dan wel moeten worden opgeroepen, alle procedurele trucs en streken uit de kast te halen om te kijken hoe de kandidaat-voorzitters daarop reageren. Dat zou misschien een betere indruk geven van het functioneren als mogelijk voorzitter van deze Kamer.
De fractie van de ChristenUnie heeft de drie kandidaten die zich gemeld hebben, beoordeeld aan de hand van de profielschets. De twee cv's die ons daarbij zijn aangereikt, evenals de ervaring van een van de drie kandidaten als langdurig ondervoorzitter van deze Kamer hebben ons daarbij wel degelijk geholpen. Wij zullen onze keuze straks graag tot uitdrukking brengen.
Ik sluit mij volgaarne aan bij de woorden van waardering voor onze vorige voorzitter, mevrouw Van Nieuwenhoven, voor de manier waarop zij op geheel eigen wijze deze Kamer heeft voorgezeten. Wij hebben twee weken geleden node, maar gezien de omstandigheden met begrip kennis genomen van haar abrupte terugtreden.
De voorzitter:
Dan is het nu aan de kandidaten voor het voorzitterschap om te antwoorden op de aan hen gestelde vragen.
Ik stel voor, door het lot te laten beslissen in welke volgorde zij het woord krijgen.
Daartoe wordt besloten.
De voorzitter:
Ik verzoek de kandidaten om zich te concentreren op hun eigen beantwoording en niet te reageren op elkaars betoog. Ik zal de kandidaten niet toestaan, elkaar te interrumperen. De overige leden van de Kamer mogen de kandidaten wel interrumperen, mits zij een bescheiden gebruik maken van die mogelijkheid.
Ik verzoek de bode, mij de beker voor te houden met de drie briefjes waarop de naam van een kandidaat staat. Ik zal die briefjes er één voor één uit halen.
Ik constateer dat de heer Weisglas als eerste het woord krijgt, de heer Janssen van Raay als tweede en mevrouw Jorritsma als derde.
Het woord is aan de heer Weisglas.
De heer Weisglas (VVD):
Mevrouw de voorzitter. Ik dank de collega's voor de gestelde vragen. Om te beginnen reageer ik op wat de heer Rouvoet heeft gezegd, omdat niet de indruk mag ontstaan dat een Kamervoorzitter machtiger is dan hij of zij in werkelijkheid is. Veel opvattingen die ik vandaag naar voren zal brengen naar aanleiding van de vragen die zijn gesteld, kunnen natuurlijk niet meer zijn dan persoonlijke opvattingen, zoals de heer Rouvoet al zei. Je hebt dan de verplichting je ervoor in te zetten, maar uiteindelijk is het uiteraard het Presidium, al dan niet na voorbereiding in de commissie voor de Werkwijze, of nog beter de Tweede Kamer die beslist. Dat neemt niet weg dat de Kamer er recht op heeft te weten welke antwoorden er worden gegeven op vragen die zijn gesteld.
Voordat ik de meer specifieke vragen beantwoord, geef ik een reactie op een vraag van mevrouw Halsema, omdat die reactie is dat ik die vraag niet wil beantwoorden, tenzij ik daartoe met parlementaire middelen wordt gedwongen. Het gaat om haar vraag hoe ik mijzelf vergelijk met mevrouw Jorritsma. Ik geloof niet dat zij mij vroeg mijzelf te vergelijken met de heer Janssen van Raay. Ik geef er de voorkeur aan die vergelijking na dit debat door mevrouw Halsema en haar collega's te laten maken.
Ik kom nu tot de meer specifieke vragen. Ik geef mijn antwoord dus tegen de achtergrond van de opvatting, door de heer Rouvoet verwoord, dat wij de macht die de voorzitter heeft niet moeten overdrijven. Dat geldt vooral voor de eerste vraag die mevrouw Giskes ons alle drie stelde, namelijk hoe wij aankijken tegen specifieke vernieuwingen zoals D66 die in het hoofd heeft. Zij noemde vorige week in het debat een van die vernieuwingen, namelijk het op de agenda van de Kamer zetten van zaken via een referendum. Het lijkt misschien een open deur, maar ik kan niet anders dan zeggen dat ik het een interessante gedachte vind doch van mening ben dat dit specifiek iets is waarover de Kamer moet beslissen. Ik ben van mening dat een voorzitter of kandidaat-voorzitter niet moet zeggen dat hij of zij daarmee aan de slag wil gaan.
Dat geldt niet voor een aantal andere vragen over specifieke punten van het werk van de Kamer. Van vele kanten is gevraagd wat wij willen met debatten. Eigenlijk is die vraag al door velen beantwoord. Immers, velen hebben gezegd dat de debatten korter zouden moeten. Alleen al het feit dat de Kamer in haar nieuwe samenstelling tien fracties kent in plaats van acht dwingt ons er mijns inziens toe met kortere spreektijden, kortere debatten en vooral debatten op hoofdlijnen te werken. Ik denk dat uit datgene wat zich de afgelopen maanden in de politieke discussie in Nederland heeft afgespeeld de les moet worden getrokken dat de Kamer een betere reflectie moet zijn van politieke opvattingen zoals die in het publieke en politieke debat buiten de Kamer naar voren komen. Onze grote opgave is mijns inziens om, zoals mevrouw Dijksma vorige week heeft gezegd in het debat over de profielschets, de levendige politieke discussie die de afgelopen maanden buiten de Kamer heeft plaatsgevonden weer binnen deze arena te brengen met argumenten, met opvattingen, met overtuigingen en ook met respect. Ik citeer mevrouw Dijksma nu vrij, maar ik geloof dat haar woorden hierop neerkwamen. Dat vind ik ongelooflijk belangrijk. Dat moet de invalshoek zijn van waaruit wij een aantal veranderingen in de Kamer doorvoeren. Die veranderingen, soms meer technisch-organisatorische veranderingen, zullen inhouden dat er kortere debatten worden gevoerd waarbij uiteraard rekening moet worden gehouden met de grootte van de fracties. Daar zijn altijd verschillen tussen, maar je moet hierbij een zekere redelijkheid betrachten. Mevrouw Dijksma vroeg nog wat ik vind van de opmerking dat kleine fracties een te grote mond hebben. Als ik vandaag niet mijn beste beentje zou moeten voorzetten, zou ik mij de opmerking kunnen veroorloven dat het erg interessant is dat zij die opmerking nu maakt. Het is in ieder geval niet mijn uitgangspunt, maar wij moeten niet denken dat er geen verschillen zijn tussen de fracties.
Mevrouw Dijksma (PvdA):
U begrijpt natuurlijk wel dat ik het niet over mijn fractie had!
De heer Weisglas (VVD):
Ik begrijp het. U begrijpt natuurlijk dat ik ook getracht heb een serieus antwoord te geven.
Ook de verkokering in commissies is naar voren gebracht. De commissies zijn opgedeeld naar analogie van de opdeling in departementen. Uit de kranten blijkt dat dat laatste wellicht ook kan veranderen, maar dat is uiteraard nu niet aan de orde. Naast het feit dat elk departement een eigen aanspreekpunt in de Kamer moet hebben, is het wellicht van belang om minder verkokerde en veeleer thematische commissies te hebben. In de commissie voor de Werkwijze der Kamer en het Presidium zal hierover gesproken moet worden. Ik zie mevrouw Terpstra zitten en denk dan natuurlijk aan de commissie Biotechnologie die een goed voorbeeld is van een commissie waarin een aantal disciplines samenkwamen.
Op het gebied van onderzoek door de Kamer is onder leiding van de vorige voorzitter veel gedaan. Ik ben van mening dat de Kamer niet alle onderzoek zelf moet willen doen. Daarvoor heeft de Kamer onvoldoende capaciteit. Zij kan er echter wel voor zorgen dat onderzoek vanuit de Kamer wordt gefaciliteerd en gestimuleerd. Het feit dat er thans twee enquêtes samenvallen, is daarvan een goed voorbeeld.
De heer Teeven vond dat er niet te lang moet worden vergaderd. Ik moet toegeven dat ik een zekere reputatie op dit gebied heb ontwikkeld, maar ik heb niet de indruk dat het als erg onplezierig werd ervaren dat er na 23.00 uur werd doorvergaderd. Ik beloof niets, maar ik weet dat deze kritiek ook leeft bij de ambtelijke diensten. Dat is zeer terecht en begrijpelijk en ik trek mij de kritiek op hetgeen ik als voorzitter op dit punt heb gedaan aan. Ik trek mij overigens ook de kritiek aan die door een van de sprekers in het Algemeen Dagblad naar voren is gebracht. Ik zal in de voorzittersstoel niet meer de krant lezen – en dit is mijn enige harde belofte – als de andere leden dat ook niet doen. Ik zag de heer Benschop net nog de krant lezen.
De kern van de controlerende rol van de Kamer zou anders en beter moeten worden. Daar heeft zij zelf in de hand in. Dat kan alleen als met name de regeringsfracties bereid zijn zich dualistischer op te stellen. Wat dit betreft komt hetgeen nu in de informatiebesprekingen gebeurt zeer positief bij mij over: korte regeerakkoorden, meer dualisme en een debat over een regeerakkoord tijdens de formatieprocedure en niet aan het einde.
Mevrouw Kant (SP):
Ik neem aan dat u de mening deelt dat een Kamervoorzitter voorzitter moet zijn van alle fracties en moet opkomen voor de rechten van individuele Kamerleden. U weet ook wat er soms gebeurt als bepaalde fracties een debat aanvragen. Wat vindt u van de suggestie met betrekking tot een recht van interpellatie? Soms hebben coalitiefracties er niet zoveel behoefte aan om de controlerende taak van de Kamer goed in te vullen. Daar hebben wij de afgelopen jaren de nodige voorbeelden van gezien. Hoe wilt u voorkomen dat dat weer gebeurt?
De heer Weisglas (VVD):
Ik ben geen voorstander van een interpellatierecht. Ik ben wel voorstander van datgene wat ook bij de vorige voorzitter de gewoonte is geweest: als een lid om een interpellatie vraagt, moet het uitgangspunt altijd zijn dat dit wordt toegestaan. Ik heb dat in de rol van waarnemend voorzitter ook een aantal keer geprobeerd te stimuleren, ook waar het ging om de fractie van mevrouw Kant of om haar persoon. Interpellatierecht gaat mij te ver. Het is niet zo dat een druk op de knop en de vraag om een interpellatie betekent dat de interpellatie er ook komt. Zoals bij iedere regeling van werkzaamheden dient de Kamer daarover uiteindelijk zelf te beslissen.
Mevrouw Kant (SP):
Hoe wil de heer Weisglas dan het probleem oplossen dat de Kamer haar controlerende functie niet goed kan uitoefenen? Het is nogal eens gebeurd dat bepaalde debatten die wel nodig waren, daardoor niet hebben plaatsgevonden. De controlerende taak van de Kamer is daardoor uitgehold.
De heer Weisglas (VVD):
Ik heb zelden meegemaakt dat een onderwerp niet meer in een andere vorm aan de orde kwam wanneer werd besloten dat een interpellatie niet kon worden gehouden. Ik weet precies waarop mevrouw Kant doelt. Zij of leden van haar fractie vragen om een interpellatie, waarna er vanuit de Kamer wordt gesuggereerd om het in een andere vorm te doen of om in een andere vorm te beginnen, bijvoorbeeld in een commissievergadering. Uiteindelijk komt het onderwerp hier dan weer terug.
Mevrouw Kant (SP):
Ik heb de vorige voorzitter, mevrouw Van Nieuwenhoven, onlangs op de radio horen zeggen dat zij het achteraf vaak jammer vond dat door de procedures een debat niet gelijktijdig met de actualiteit en de maatschappelijke discussie plaatsvond. De heer Weisglas zegt dat het altijd mogelijk is om een onderwerp aan de orde te stellen, maar dat is geen oplossing voor het probleem dat ik schets. Het debat in de Kamer moet gelijktijdig met het maatschappelijke debat kunnen worden gevoerd.
De heer Weisglas (VVD):
Dat ben ik met mevrouw Kant en mevrouw Van Nieuwenhoven eens. Ik denk dat wij vandaag, zonder dat wij ons dat wellicht hebben kunnen beseffen, toch een voorbeeld hebben gezien van hoe het in mijn ogen zou moeten. De mondelinge vragen van de heer Dittrich waren niet direct gekoppeld aan het regeringsbeleid. Hij stelde zijn vragen naar aanleiding van een maatschappelijke discussie die tot stand is gekomen door opmerkingen van verschillende politici in de media. Formeel had je kunnen zeggen dat dit geen regeringsstandpunt betreft en dat de vragen daarom niet in het vragenuurtje mogen worden gesteld. Ik heb het toegejuicht dat het wel is gebeurd. Zo zou het in de toekomst vaker moeten gebeuren.
Mevrouw Halsema (GroenLinks):
Het grootste deel van het betoog van de heer Weisglas klinkt mij als muziek in de oren. Het is alleen jammer dat er maar één harde belofte is gedaan en die gaat over het lezen van de krant. De heer Weisglas zegt, geëmotioneerd bijna, dat hij het debat van buiten naar binnen wil brengen. Dat klinkt prachtig. Dat is evenwel erg moeilijk als de Kamer alleen in debat mag zijn met de regering. De heer Weisglas maakte net een opmerking over het niet hoeven te volgen van de plannen en de brieven van de regering. Mijn fractie is er voorstan der van dat de Kamer debatten kan aanvragen en voeren zonder dat daarover regeringsstukken of -brieven beschikbaar zijn. Hoe denkt de heer Weisglas daarover? Het lijkt mij een aardige suggestie om het debat wat te verlevendigen.
De heer Weisglas (VVD):
Ik kom even terug op de opmerking dat ik maar één belofte heb gedaan die dan ook nog van vrij geringe omvang is. De reden daarvoor is dat ik het eens ben met de heer Rouvoet: een kandidaat-voorzitter moet niet beloven dat zaken zullen veranderen als hij in die stoel zit. Ik kan intenties aangeven, maar het is aan de Kamer om te beslissen. Je moet geen gratuite beloftes doen. Ook mevrouw Kant vroeg om debatten die niet zijn gebaseerd op regeringsstukken. Daarbij kan ik mij nog wel iets voorstellen. Ik ben evenwel geen voorstander van debatten zonder de regering en debatten zonder regeringsopvattingen. Ik vind dat wij in een dualistisch stelsel moeten praten met de regering, onze medewetgever. Als Kamer hebben wij bovendien een meer controlerende taak. Ik vind niet dat je dan zonder een regering of een regeringsstandpunt debatten moet houden.
Mevrouw Halsema (GroenLinks):
De heer Weisglas begrijpt dat een tikje verkeerd, want ik wil hier niet eindeloos zonder de regering debatteren. Ik zie ook wel in dat dit niet altijd even nuttig is. Ik kan mij wel voorstellen dat een regering wordt gedwongen, vers van de lever te reageren op opvattingen en ideeën die hier in de Kamer leven. Zo brengen wij natuurlijk wel degelijk het maatschappelijk debat rechtstreeks de Kamer in, zonder dat er eerst een nota over geschreven moet worden.
De heer Weisglas (VVD):
Hetgeen zojuist een uur geleden bij het vragenuur is gebeurd – ik weet dat het vragenuur een klein deel vormt van het parlementaire werk – is daar wel een voorbeeld van; zo zou ik het meer willen.
De heer Verhagen (CDA):
Voorzitter. De heer Weisglas stelt dat hij geen voorstander is van een debat indien er geen regeringsstandpunt of -opvatting is. In het kader van die vernieuwing hopen wij hier binnenkort een debat te voeren over het strategisch beleidsdocument. Ik hoop juist dat daarover geen opvatting zal zijn van de demissionaire regering.
De heer Weisglas (VVD):
Heel slim, de heer Verhagen heeft gelijk. Op dat moment zal het op die manier gebeuren. Ik heb al gezegd dat ik daar positief over ben.
Ik ben bijna klaar met mijn beantwoording. De heer Verhagen sprak over het naar voren brengen van ons werk naar een breed publiek. Mevrouw Van Nieuwenhoven – zij wordt terecht vaak genoemd – is, als ik het mij goed herinner, daarmee begonnen in haar aanvaardingsspeech door te zeggen dat zij hetgeen hier gebeurt naar buiten wilde brengen. Je moet aan de ene kant het politieke debat naar binnen brengen en aan de andere kant wat hier gebeurt naar buiten brengen. Daartoe hebben wij klassieke middelen als voorlichting en communicatie, maar ook meer moderne communicatiemiddelen. De voorzitter heeft daarbij zelf echter ook een rol. Ik zou graag in het geval dat ik voorzitter word, zoals mevrouw Van Nieuwenhoven dat ook heeft gedaan, als voorzitter namens de Kamer als geheel het land in gaan.
Ik dank de heer Herben voor zijn korte, zeer gewaardeerde opmerkingen over ons alledrie, als ik dat voor één keer zo mag zeggen. De vragen van mevrouw Halsema over de vergelijking met de andere kandidaten heb ik beantwoord. Er rest mijn nog één vraag, namelijk die over de europarlementariërs. Ik blijf bij mijn opvatting dat blauwe stoelen met het wapen van de Kamer tijdens officiële zittingen van de Kamer alleen maar bezet mogen worden door gekozen leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal. De Kamer heeft daarover in vorige samenstellingen anders beslist. Ik zie geen aanleiding, te proberen in deze samenstelling van de Kamer die beslissing te herzien. Ik vind het belangrijker om op andere manieren, ook binnen de fracties, contacten met europarlementariërs te onderhouden. Uiteraard is dat niet aan de voorzitter maar aan de fracties zelf. Deze contacten worden steeds belangrijker. Wat dat betreft, juich ik het zeer toe dat ik hier vanmiddag samen met collega Janssen van Raay achter deze tafel mag zitten.
Mevrouw Giskes (D66):
Dat laatste is een standpunt dat ons bekend is van de VVD-fractie als geheel. Iets soortgelijks speelt bij enquêtes in de Kamer. Het is wellicht bekend dat de D66-fractie van mening is dat er ook bij een betekenisvolle minderheid in de Kamer tot een enquête moet worden gekomen. Ik weet dat de VVD-fractie in het algemeen sowieso niet zo staat te popelen om enquêtes te houden. Hoe kijkt de heer Weisglas tegen dat hele onderwerp aan?
De heer Weisglas (VVD):
Ik wil één punt van teleurstelling uitspreken aan het adres van mevrouw Giskes. Ik heb zó mijn best gedaan om de Kamer te volgen in een nieuwe procedure. Ik heb mijzelf als individueel Kamerlid kandidaat gesteld om gekozen te worden door 150 leden, voor 150 leden. Nu stelt mevrouw Giskes uitgerekend mij vragen die verbonden zijn aan opvattingen van de VVD-fractie. Als zij het aan mij vraagt, kom ik terug bij de heer Rouvoet; ik ben met hem begonnen en zal met hem eindigen. Dit is een zaak die uiteraard gewoon besproken moet worden in het Presidium en in de Kamer zelf. Ik ga daar nu dus geen uitspraken over doen.
Mevrouw Giskes (D66):
Elk voordeel heb z'n nadeel. De heer Weisglas is de eerste van de kandidaten die het woord voert; de vraag kan nog vele malen gesteld worden. Ik ben blij dat hij de kans heeft gehad om dit nu te zeggen.
De voorzitter:
Ik dank de heer Weisglas voor zijn antwoord en geef het woord aan de heer Janssen van Raay.
De heer Janssen van Raay (LPF):
Mevrouw de voorzitter. Mevrouw Halsema, die over het jeneverkruis heeft gesproken, vraag ik of zij mijn das ziet. Het is een van de cavaleriedassen die ik heb. Dat slaat ook een beetje op de vraag van mevrouw Dijksma over het draagvlak van mijn ondersteuning. Los van het jeneverkruis heb ik drie van mijn vijf onderscheidingen te danken aan socialisten. Vanochtend nog heb ik de heer Melkert bedankt. Zoals de heer Verhagen weet, had ik in het Europees Parlement onze ouderdomsdeken Van der Waal verzocht – ik liep vooruit op de nieuwe regeling, mevrouw de voorzitter – om mijn benoeming tot ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw voor twaalf jaar goedbetaalde arbeid stop te zetten. Ik vind het onbeleefd om een door Hare Majesteit verleende onderscheiding te weigeren. Dat is dus stopgezet, maar wie schetste mijn blijde verrassing toen de toenmalige minister van Sociale Zaken, de heer Melkert, Hare Majesteit had bewogen om mij voor mijn vakbondswerk te onderscheiden als officier in de orde van Oranje Nassau. Het is de onderscheiding waar ik het meest trots op ben. Ik maak misbruik van deze gelegenheid, voorzitter, om even te zeggen dat de familie Janssen van Raay ontzettend met de heer Melkert meeleeft. Dat wil ik gezegd hebben.
De heer Melkert (PvdA):
Voorzitter. Ik hoop dat de heer Janssen van Raay en zijn fractie aan de vakbeweging blijven denken...
De heer Janssen van Raay (LPF):
Zonder enige twijfel.
Voorzitter. Ik kan mevrouw Dijksma zeggen dat mijn tweede onderscheiding die van het Legioen van Eer is. Die heb ik te danken aan mijn wetgevende werk in het Europees Parlement en aan de Franse president Mittérand die naar mijn bescheiden mening een socialist was.
Daarmee kom ik bij mevrouw Halsema. Hoe kom je aan het jeneverkruis? Voorzitter. Ik ben tankcommandant geweest maar ook in 1966 onder de wapenen geroepen toen prinses Beatrix in Amsterdam een escorte van cavaleristen te paard wilde hebben. Ik ben dus niet alleen een tankcommandant maar ook een ruiter. Ik heb door rookbommen en rotjes in Amsterdam deze das verdiend. Als je 25 jaar officier was, ging dat toen – nu niet meer, zo zeggen mijn schoonzonen mij – gepaard met het gebruik van enige hectoliters jenever. Mijn derde onderscheiding, het jeneverkruis, heb ik dus voor 25 jaar officiersdienst, als huzaar, te danken aan een socialistische minister, namelijk die van Defensie. Ik zie dat u, mevrouw Giskes, een vraag voor mij heeft.
De voorzitter:
Neen, mijnheer Janssen van Raay. Of iemand het woord krijgt, beslist de voorzitter. En dat bent u nog niet ...
De heer Janssen van Raay (LPF):
Ik loop helaas op mijn verkiezing vooruit.
De voorzitter:
Ik stel voor dat u, na uw algemene inleiding, ingaat op de vragen van de leden. Er zijn er u heel wat gesteld, maar ik begrijp dat mevrouw Giskes u nog graag een aanvullende vraag stelt. Ik neem aan dat die vraag niet over het jeneverkruis gaat...
Mevrouw Giskes (D66):
Dat mag ik zelf uitmaken, voorzitter. Ik wilde alleen even weten of mijnheer Janssen van Raay het artikel in het Algemeen Dagblad heeft gelezen waarin staat dat de LPF nu al baalt van het geouwehoer in de Tweede Kamer...
De voorzitter:
De heer Janssen van Raay heeft het woord voor het geven van antwoorden en ik behoef de woorden van mevrouw Giskes niet te herhalen...
De heer Janssen van Raay (LPF):
Voorzitter, het is geen vraag maar een "leading question", een opmerking in de vorm van een vraag.
De heer Verhagen sprak over mijn ervaring in het Europees Parlement, in het bijzonder met interrupties. De heer Verhagen herinnert zich dat destijds een jong, briljant, nieuw lid van het Europees Parlement bij mij kwam als ervaren europarlementariër. Hem bleek dat er daar geen recht van interruptie is. Ik zat naast de heer Verhagen toen de kwestie van de Europolitie aan de orde kwam. Hij was zeer teleurgesteld dat Den Haag niet werd vermeld in het rapport. Dat had hij hier in de vorm van een interruptie kunnen voorleggen aan de Commissie. Wij kenden echter geen interrupties. Ik fluisterde hem dus toe: motie van orde. Mijnheer Verhagen vloog daarop overeind en zei: ik heb een motie van orde. Tijdens een debat kan een voorzitter al dan niet iemand het woord geven voor een motie van orde. De Luxemburgse voorzitter zei: neen. Verhagen teleurgesteld. Ik zei: amice, persoonlijk feit. Dan moet de voorzitter wel het woord geven. De heer Verhagen schoot weer overeind en vroeg het woord wegens een persoonlijk feit. Hij zei: Ik ben van mening dat Den Haag in dit rapport thuishoort. Toen dat in het Frans was vertaald, zei de voorzitter: maar dat is geen persoonlijk feit. Waarop de rapporteur, een Belgische professor, opstond en – natuurlijk in het Vlaams – zei: ik wil op dat persoonlijke feit antwoorden. Daarop zei de voorzitter nogmaals dat het niet ging om een persoonlijk feit. Waarop de rapporteur zei: als u de heer Verhagen het woord heeft gegeven wegens een persoonlijk feit, dan antwoord ik op dat persoonlijk feit. Hij zei toen: mijnheer Verhagen, Den Haag komt in uw rapport voor.
Toen ik hier terugkwam, heb ik de heer Verhagen als eerste gebeld en gezegd: toen kwam een jonge, briljante, onervaren europarlementariër bij mij om het Reglement van orde te leren; ik stap nu naar een ervaren Tweede-Kamerlid als onervaren oudere om het Reglement van orde in de praktijk te brengen. Daarop zei hij direct: interrupties, interrupties, interrupties. Zoals u zich herinnert, heb ik dat reeds twee keer gedaan. Dat was voor mij een nieuwe, positieve ervaring.
De vraag die de heer Teeven mij stelde, is voor mij van groot belang. Ik had gedacht dat hierop in zou worden gegaan, maar u bent de enige die er, zij het zijdelings, aan refereert. Ik ben van mening dat ook een lid van de Tweede Kamer een onbevlekt blazoen moet hebben. Niet alleen de voorzitter, dus. Zodra de mogelijkheid begon te ontstaan dat ik lid zou worden van dit hoge college, heb ik onmiddellijk een advocaat ingeschakeld om in de media alle valse beschuldigingen die smetten zijn op mijn blazoen zouden kunnen werpen, te verwijderen. Dat is inmiddels gebeurd. Vergelijkt u de websites van Den Haag Vandaag, de NOS en NOVA, dan ziet u dat twee aan mij toegeschreven, valse verwijten zijn verwijderd. Die vraag is mij verder niet gesteld en daarom ga ik er niet dieper op in. Ik ben graag bereid op alle valse beschuldigingen aan mijn adres – mochten die voor u van belang zijn – te antwoorden. Vandaar dat ik graag een goede verstandhouding heb met de media, maar ze moeten stoppen met het uiten van valse beschuldigingen aan het adres van wie dan ook. Wij zijn nog steeds in een situatie dat de rechter – mijnheer de officier van justitie – en niet de media uitmaakt of iemand schuldig is of niet.
Dan nog een nader antwoord aan het adres van mevrouw Dijksma. Mocht ik voorzitter worden, dan zou ik ervoor voelen om de gewoonte van het Engelse Lagerhuis over te nemen om geen speeches meer voor te lezen. Er mogen dan wel notities worden gemaakt, maar er moet een levendig debat ontstaan, zoals onze Engelse collega's – mijnheer Verhagen – in het Europees Parlement ook altijd deden. Het is daar verboden om notities te hebben. Je praat spontaan, impulsief. Sommige media zien dat soms als geouwehoer. Dat zij dan maar zo, maar je praat spontaan, impulsief en direct.
De heer Duivesteijn (PvdA):
Weg met die notities!
De heer Janssen van Raay (LPF):
Een puntenlijstje mag wel, maar je mag geen tekst voorlezen die eerst is goedgekeurd door het Torentje! Dáár gaat het om.
De heer Duivesteijn (PvdA):
Die zit!
De heer Janssen van Raay (LPF):
Dan nog iets over het onderwerp parlementaire ervaring, een belangrijk punt. Ik heb de profielschets zeer zorgvuldig bestudeerd. Daarin staat niet: Nederlandse parlementaire ervaring. Ik ken de tekst precies, mijnheer Verhagen. Mijn ervaring is dat ik twee keer een zetel voor de Christelijk Historische Unie in het Rotterdamse stadsparlement heb bekleed. In 1979 heb ik bij de eerste rechtstreekse verkiezingen voor de Christelijk Historische Unie een post bekleed in het Europees Parlement. Daar was mijn hoofdtaak wetgeving, zoals die daarna hier is binnengekomen. Een van mijn verwachtingen was dat het mij zou mogen geschieden, dat van de richtlijnen die wij indertijd onder het parket-Delors hebben gemaakt en die bij deze Kamer als wetgever terechtkomen, ik misschien een verlate hoeveelheid onder ogen zou krijgen.
Mijn parlementaire ervaring is in letterlijke zin buitenparlementair, omdat ik zeven keer bij de opening van het parlementaire jaar op Prinsjesdag te paard de koningin heb begeleid, voordat u hier binnenkwam. Vandaar maar weer die das; het is de escortedas. De echte parlementaire ervaring heb ik natuurlijk opgedaan in het Europees Parlement. De verschillen zijn mij bekend. Als u meent dat het in feite belangrijker is om Nederlandse parlementaire ervaring te hebben in vergelijking met Europese parlementaire ervaring, heeft u daarin groot gelijk. Dat vind ik namelijk ook. Eigenlijk is de Nederlandse parlementaire ervaring die ik nu bezig ben op te doen, van groot belang door de verschillen die er zijn. Maar parlementaire ervaring – ik heb het achttien jaar gedaan – is parlementaire ervaring en dat is dat.
Ik heb hiermee, een beetje door elkaar, alle vragen beantwoord. Als ik een vraag over het hoofd heb gezien, daarvoor mijn excuses. Dan hoor ik dat wel.
Maar nee, ik heb nog een belangrijk punt. Iemand heeft gevraagd naar de stijl. Ik heb dat publiekelijk verteld. Hoe denk ik voorzitter te zijn als ik word verkozen? Dat is uw stijl: dat is zakelijk, warm en objectief.
(Applaus vanaf de publieke tribune.)
De voorzitter:
Wat hier gebeurt, is weliswaar erg interessant, maar ik vraag de mensen op de publieke tribune om niet te klappen. Dat hoort nu eenmaal niet in dit parlement thuis.
Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):
Mevrouw de voorzitter. Eén van de dingen die mij vandaag opvallen, is dat er in elk geval wat humor in de Kamer terug is. Wij waren dat een beetje kwijtgeraakt in de afgelopen weken. Ik hoop echt dat wij dat weten te behouden. Dat is namelijk ook een manier om van binnen met van buiten te laten communiceren en om van buiten met van binnen te laten communiceren. Af en toe een beetje relativeringsvermogen kan geen kwaad.
Er zijn mij een groot aantal vragen gesteld. Bij een aantal vragen sluit ik mij graag aan bij de woorden van Frans Weisglas. Het gaat dan vooral over in te voeren vernieuwingen. Niet de voorzitter bepaalt welke vernieuwing uiteindelijk wordt doorgevoerd, dat doet de Kamer zelf. Dat gebeurt via de Commissie voor de werkwijze en het Presidium c.q. de Kamer in haar geheel. Natuurlijk kan de voorzitter bepaalde ideeën hebben. Ik heb regelmatig vanuit vak K de dingen mogen bekijken en daar heb ik wel ideeën opgedaan, die ik ook op papier heb gezet. Neem bijvoorbeeld de moties. Mevrouw Van Nieuwenhoven en ik hebben daarover weleens gesproken. Ik vind eigenlijk dat een motie die een ondersteuning van het beleid is en die vervolgens door ongeveer de gehele Kamer wordt gesteund, niet mag worden ingediend. Ik vind het echter een beetje pretentieus om dat nu al op papier te zetten en te zeggen hoe het zou moeten. Uiteindelijk bepaalt de Kamer dat. Ik heb vier jaar lang als minister van Verkeer en Waterstaat heel consequent gezegd dat ik aanvaarding van de motie dus ontraad. Daarmee maak je je als minister niet populair. Toen ik minister van Economische Zaken werd, heb ik als eerste goede daad mij voorgenomen om dat niet meer te doen. Mijn relatie met de Kamerleden werd daardoor prettiger. Ik weet echter niet of dat goed voor ons is en dan praat ik als Kamerlid. Eigenlijk moeten wij proberen om dat motie-instrument scherper te maken, zodat de moties die werkelijk belangrijk zijn, meer zichtbaar worden. Daarover moeten wij met elkaar praten. Ik wil daarover niet pretentieus doen. Ik vind echt dat dit ook aan de Kamer is. Uiteindelijk bepalen wij gezamenlijk hoe wij met instrumenten omgaan.
Ook het meer toegankelijk maken van het debat voor het publiek is iets wat de voorzitter maar zeer ten dele in handen heeft. De voorzitter kan proberen via het leiden van de vergadering het debat levendiger te maken. Ik zal daarvoor ook mijn uiterste best doen. Ik heb dat overigens ook in alle functies waarin ik voorzitter mocht zijn, gedaan. Aan de ene kant moet je ruimte geven en aan de andere kant moet je het debat een beetje strak houden. Volgens mij houden mensen niet van zeer grote breedvoerigheid. Wij moeten met elkaar proberen het een beetje bij de kern te houden en de spreektijden een beetje te beperken; eigenlijk zou er vanzelfsprekend op hoofdlijnen gedebatteerd moeten worden. De Kamer heeft het zelf in de hand. Als wij uiteindelijk allemaal over details praten, kunnen wij het wel een debat op hoofdlijnen nóemen maar dat is het dan niet. Nogmaals, ook daarover zouden wij met elkaar verder moeten spreken.
Mevrouw Giskes heeft de intrigerende vraag gesteld, hoe een gemiddeld Kamerlid de totstandkoming van mijn kandidaatstelling moet interpreteren. U moet het vooral interpreteren zoals u dat wilt, maar laat ik aangeven wat mij bewogen heeft. Als er een draagvlak in de Kamer is voor een kandidaat-voorzitter, zou ik het zeer op prijs stellen als dat als eerste blijkt bij de eigen fractie. Als mijn fractie mij niet zou steunen, zou dat voor mij een doorslaggevende reden zijn om überhaupt niet mee te doen. Dat betekent overigens niet, zoals in verschillende kranten stond, dat ik om deel te nemen aan een stemming naast die steun van mijn fractie eerst moest weten of er voor mij een meerderheid in de Kamer was. Als dat zo was, had ik hier niet gestaan. Dat vind ik echt onzin. Ieder Kamerlid is vrij is om te stemmen op de kandidaat van zijn of haar keuze; ik wilde mijzelf echter vergewissen van enige steun bij de eigen fractie. Ik ben uiteindelijk wel op die lijst gekozen en maak deel uit van die fractie. Ik zeg er meteen bij dat één fractie altijd echt de dupe is en dat is de eigen fractie. Als je echt objectief moet zijn, moet je je eigen fractie altijd een beetje benadelen. Dat is mijn ervaring. Dat heb ik vaak gezien en zo hoort het ook te gaan.
Mevrouw Dijksma heeft met nadruk een vraag gesteld over de kleine fracties. De belangrijkste reden waarom ik tegen het districtenstelsel ben, is dat daarmee kleine fracties niet meer in de Kamer zouden zitten. Ik vind ook de stem van kleine groepen in het parlement buitengewoon belangrijk. Ik denk dat wij in Nederland de afgelopen jaren heel veel ellende bespaard hebben omdat bij ons uiteindelijk iedere mening, mits die maar 50.000 à 60.000 stemmen achter zich kon krijgen, in het parlement te horen was en niet alleen daarbuiten. Kleine minderheden moeten serieus genomen worden, overigens wel met respect voor het tijdgebruik. Het kan niet zo zijn dat wij alleen maar vanwege de tijd buitengewoon breedvoerige debatten voeren waarbij een overbedeling plaatsvindt. Er moet voor de kleine stem voldoende tijd zijn maar er moet ook gezorgd worden dat er beslissingen worden genomen, want daarvoor zijn wij immers ingehuurd. Dat is een wankel evenwicht.
Ik heb daarmee ook al iets gezegd over de erezaak om het debat terug te brengen. U weet dat ik van het debat houd, ik heb daarbij geen zwart-witte opmerkingen geschuwd. Ik weet dat dit bij sommigen van u weleens het idee heeft gegeven dat ik daarmee afstand zou hebben geschapen in de richting van de Kamer. Daarover zijn ook vragen gesteld. De heer Verhagen heeft met name gevraagd of in de afgelopen acht jaar de afstand tot de Kamer niet te groot is geworden. Ik hoop dat dit niet het geval is. Voordat ik minister werd, was ik stevig in het debat met ministers en toen ik minister werd, was ik stevig in het debat met u. Ik hoop dat dit altijd zo blijft, sterker nog, ik hoop dat wij daarin steeds beter worden. Stevig debatteren met elkaar is namelijk de beste manier om mensen duidelijk te maken hoe je ergens inzit. Voor mij is het de kern van de democratie dat de Kamerleden stevig zijn tegen een minister, dat een minister ook de volle kans krijgt om stevig te verdedigen en dat er uiteindelijk een besluit komt. Ik hoop dat die afstand niet gecreëerd is, sterker nog, ik hoop dat ik altijd met respect voor de Kamer heb geopereerd. Ik heb een opmerking in de pers gehoord van een van uw leden. Die vond dat dit niet zo was. Toen dacht ik even heel ondeugend: dan had je je eigen instrumenten beter moeten gebruiken. De Kamer heeft immers altijd instrumenten om elke minister tot de orde te roepen en als een minister zich misdraagt, hoort de Kamer die ook te gebruiken. Als ik weer Kamerlid ben, zal ik dat ook van harte doen!
Er is nog een belangrijke vraag gesteld die te maken heeft met het onderzoek van de Algemene Rekenkamer dat ik heb laten instellen naar aanleiding van een heel vervelend AD-artikel. Dat artikel is op 2 of 3 mei geplaatst; ik probeer het elke keer te vergeten. Ik had toen heel snel de Kamer willen informeren over de feitelijkheden. Ik had de brief op 6 mei klaar, maar het is helder dat ik haar op dat moment absoluut niet naar de Kamer kon sturen. Ik heb de brief tot na de verkiezingen laten liggen, omdat ik vond dat zij geen onderdeel mocht worden van onze afspraak dat wij geen campagne meer zouden voeren. Het onderwerp was mijns inziens zozeer met de campagne verbonden, dat ik de brief niet eerder wilde publiceren.
Ik heb overigens de Rekenkamer gevraagd om nog eens te kijken naar de feitelijkheden. Dat had ik natuurlijk niet gedaan als ik ook maar een schimmetje van het gevoel had dat datgene wat ik gedaan had, niet deugde. Als ik dat gevoel zou hebben gehad, had ik hier niet gestaan en had ik waarschijnlijk ook niet langer mijn demissionaire ministerspost bezet. Ik ben mij volstrekt bewust van alles wat er gebeurd is, en alles wat er gebeurd is deugt in mijn ogen. Om elke schijn van verkeerd handelen te vermijden, heb ik de Rekenkamer gevraagd om er nog eens een objectief oog op te werpen en er een stempeltje op te zetten en mogelijk, nog belangrijker, aanbevelingen te doen voor het zogenaamde blauwe boek. Er is een blauw boek voor bewindslieden, waarin regels staan die jaren geleden in dit huis zijn afgesproken over de manier van omgaan met belangen van mensen die minister worden. Mogelijk heeft de Rekenkamer ideeën over een verdere verfijning daarvan voor de toekomst. Ik denk dat er in de toekomst meer bewindslieden zullen zijn die een partner hebben die ook economisch actief is. Dat is redelijk nieuw in dit land. Er komen steeds meer tweeverdieners. Mannelijke en vrouwelijke bewindslieden zullen in de toekomst steeds vaker partners en naaste familieleden hebben die economisch actief zijn. Dat kan iets betekenen voor het nieuwe blauwe boek. Als ik daar een kleine bijdrage aan heb mogen leveren, dan is de ellende die mij de afgelopen weken overkomen is, dat ook wel waard geweest. Ik hoop overigens ook dat het niet meer zo kan zijn dat kranten dingen mogen schrijven die gewoon niet waar zijn. Wat dat betreft behoud ik mij elk recht voor om, als de Rekenkamer klaar is met haar onderzoek, verdere stappen te ondernemen. Ik heb niet de allerleukste weken van mijn leven gehad.
De heer Rouvoet kaartte de mogelijkheid van een proefdebat aan. Het zou fantastisch geweest zijn, maar ik ben toch blij dat het niet georganiseerd is, want ik vrees dat Frans Weisglas dat met alles zou hebben gewonnen, want hij heeft hier natuurlijk al regelmatig gezeten. Ik zou het graag willen proberen, maar dan moet de Kamer mij een paar maanden de tijd geven.
Mevrouw Giskes (D66):
Ik ben het aan de heer Weisglas verplicht om ook aan mevrouw Jorritsma te vragen hoe zij, als afgevaardigde van de VVD, aankijkt tegen het instrument van de parlementaire enquête. Daaraan koppel ik de vraag naar haar visie op de bouwenquête, waarbij zij als bewindspersoon en straks als voormalig bewindspersoon betrokken zal zijn. Hoe gaat dit zich verhouden tot haar Kamervoorzitterschap?
Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):
Ik heb twintig jaar in de politiek gewerkt en ik heb altijd gezegd: bananenschillen liggen overal. Er kan altijd iets gebeuren waardoor je tot de conclusie moet komen dat onder jouw verantwoordelijkheid of door jouw handelen iets gebeurd is dat later onaanvaardbaar blijkt te zijn. Dan heb je je consequenties te trekken. Ik hecht niet aan het pluche. Als er onder mijn verantwoordelijkheid of door mijn handelen, in welke functie dan ook, iets verkeerds gebeurd is, dan zal ik hier verantwoording afleggen en dan ben ik natuurlijk weg. Zo simpel is het gewoon. Dat hoort ook zo te blijven.
Over de vernieuwingen heb ik echt precies dezelfde opvattingen als de heer Weisglas. Niet de voorzitter, maar het parlement zelf bepaalt dat soort zaken. Ik zeg erbij dat ik niet voor niets lid van de VVD ben.
De heer Verhagen (CDA):
De reactie van mevrouw Jorritsma met betrekking tot het onderzoek is zeer helder. Wat de rol en de inrichting van de Kamer betreft is het inderdaad aan de Kamer zelf. Mevrouw Jorritsma zei erbij dat zij lid is van de VVD. De voormalig fractievoorzitter van de VVD, de heer Dijkstal, ...
Mevrouw Jorritsma-Lebbink (VVD):
Ja, het vragenuurtje. Ik vind niet dat het afgeschaft moet worden; althans, nu nog niet. Ik zal ook zeggen waarom niet. Wij zijn af en toe wel een beetje rare parlementariërs. Wij zitten allemaal ademloos toe te kijken hoe ze het in Engeland doen. Dat vinden wij spannend en mooi, maar wij slagen er met elkaar niet in om het hier ook zo te doen. Ik vind wel dat het steeds leuker wordt. Laten wij daar maar ons best voor blijven doen. Dat is in mijn ogen ook een taak van de voorzitter. Dat vragenuur moet almaar leuker worden. Uiteindelijk geldt ook daarvoor: dat doen wij met elkaar hier in de Kamer. En als het echt niets is, moeten wij met elkaar bedenken of er andere mogelijkheden zijn om het debat in dit huis verder te versterken.
De voorzitter:
Ik dank mevrouw Jorritsma, de heer Janssen van Raay en de heer Weisglas voor de gegeven antwoorden. Ik kijk rond of er behoefte bestaat aan een tweede termijn. Dat is niet het geval. Dan kijk ik rond of er behoefte bestaat aan een schorsing. Ook dat is niet het geval. Dat betekent dat wij gaan stemmen. Om tot voorzitter te worden benoemd is de volstrekte meerderheid nodig van de uitgebrachte stemmen. De stemming vindt plaats overeenkomstig de bepalingen van het Reglement van orde over stemmen over personen, de artikelen 74 tot en met 83. De bodes zullen nu een uitleg over de procedure aan de leden uitreiken. Voordat tot stemming wordt overgegaan, zal ik daar nog even op ingaan, zodat iedereen weet wat van hem of haar wordt verwacht.
De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.
De voorzitter:
Aan de orde is thans de verkiezing van de voorzitter.
Ik verzoek de leden hun plaatsen in te nemen. Ik ga ervan uit dat iedereen de presentielijst heeft getekend. Ik maak uit uw lichaamstaal op dat dit het geval is.
Ik benoem tot stemopnemers de leden Van der Knaap, tevens voorzitter, de heer Eerdmans, de heer Rijpstra en mevrouw Dijksma. Ik verzoek de stemopnemers om aan de tafel in het midden van de zaal plaats te nemen.
Ik verzoek de bodes, de stembriefjes uit te delen. U wordt geacht op het stembriefje één naam te schrijven. Briefjes met meerdere namen of met namen van niet-leden van de Kamer zijn ongeldig en tellen ook niet mee voor het berekenen van het aantal stemmen dat nodig is voor het behalen van de absolute meerderheid. Om daarover geen misverstand te laten bestaan, schets ik nog even de praktische gang van zaken. Ieder lid wordt op naam opgeroepen. U dient op die oproep te reageren door op te staan en u naar het stembureau te begeven. Zo wordt voorkomen dat u als afwezig lid wordt afgekondigd. U brengt uw stembriefje dus persoonlijk naar de stemopnemers. Om gedrang te voorkomen, zullen de namen in een langzaam tempo worden afgeroepen. Ik verzoek u om aan te sluiten bij uw voorganger. Ik verzoek u dringend om op uw plaats te blijven zitten tot u bent opgeroepen. Als u uw stem hebt uitgebracht, stel ik het op prijs als u niet door de zaal gaat lopen en de zaal ook niet verlaat, want dat bemoeilijkt de overzichtelijkheid. Mijn eigen stembriefje zal door de Kamerbewaarder bij de stemopnemers worden gebracht en de stemopnemers zelf zullen aan het slot hun stem uitbrengen.
Ik verzoek de griffier om de namen van de leden af te roepen.
(Vervolgens roept de griffier de namen van de leden af voor het uitbrengen van hun stem.)
De voorzitter:
Ik deel aan de Kamer mede dat de heer Jukema zich tijdig heeft afgemeld voor deze vergadering. Zijn naam is ten onrechte afgeroepen. Ik geef nu het stembureau de gelegenheid de stemmen te tellen, waarvoor ik de vergadering enkele minuten schors.
De vergadering wordt enige minuten geschorst.
De voorzitter:
Ik verzoek de leden hun plaatsen weer in te nemen.
Ik geef het woord aan de voorzitter van het stembureau.
De heer Van der Knaap (voorzitter van het stembureau):
Mevrouw de voorzitter. Uitgebracht zijn 146 stemmen. Op mevrouw Van der Hoeven is 1 stem uitgebracht, op de heer Janssen van Raay zijn 24 stemmen uitgebracht, op mevrouw Jorritsma-Lebbink zijn 41 stemmen uitgebracht en op de heer Weisglas zijn 80 stemmen uitgebracht.
(Applaus)
De voorzitter:
Ik constateer dat 146 leden de presentielijst hebben getekend, hetgeen betekent dat de heer Weisglas in één ronde de absolute meerderheid heeft behaald. Ik dank de leden van het stembureau voor hun werkzaamheden. Ik vraag de heer Weisglas naar voren te komen, zodat hij de plaats die hem door de Kamer is toegewezen, kan innemen.
Om dat symbolisch met het juiste gebaar te doen, overhandig ik hierbij de voorzittershamer en wens ik hem namens ons allemaal heel veel succes bij de werkzaamheden die aan zijn handen zijn toevertrouwd. Proficiat.
(Applaus)
Voorzitter: Weisglas
De voorzitter:
Ik dank de tijdelijke eerste ondervoorzitter, mevrouw Van der Hoeven, voor de zeer goede en toegewijde wijze waarop zij de vergadering tot nu toe heeft willen voorzitten.
Geachte medeleden. Heel graag aanvaard ik de benoeming als uw voorzitter. Ik dank u voor het vertrouwen en ik zal mijn best doen om dat niet te beschamen. Ik dank nogmaals mijn voorgangster, mevrouw Jeltje van Nieuwenhoven, voor alles wat zij voor de Kamer heeft gedaan. Hier in deze stoel, als leider van het bedrijf Tweede Kamer en als vertegenwoordiger van de Kamer in binnen- en buitenland heeft zij zich op bijzondere en bijzonder goede wijze ingezet. Heel veel dank.
(Applaus)
De voorzitter:
Als grootste uitdaging van de zojuist aan mij toevertrouwde functie zie ik, zoals mevrouw Dijksma het vorige week noemde, dat het een erezaak is voor de nieuwe Kamervoorzitter om de overweldigende belangstelling van de mensen voor politiek, zoals deze de afgelopen maanden is gebleken, vast te houden. Om het in mijn eigen woorden te zeggen, de politieke debatten zijn in verkiezingstijd natuurlijk vooral buiten de Kamer gevoerd, maar zij dienen weer hier plaats te vinden, met duidelijke argumenten en standpunten en met respect en tolerantie, zoals mevrouw Dijksma zei. Dat kan een voorzitter niet alleen, voeg ik eraan toe, maar ik wil wel graag leiding geven aan dat proces. De politiek moet weer toegankelijk worden voor de kiezers. Dat kan in mijn ogen onder meer door kortere debatten, met slechts korte en flitsende interrupties. De heer Janssen van Raay heeft hiervoor vorige week het goede voorbeeld gegeven.
Ook is het van groot belang dat in de Kamer weer meer dualistisch wordt gewerkt. Daarom is het zeer toe te juichen dat de huidige onderhandelaars over een nieuw kabinet onder leiding van informateur Donner lijken te werken aan een kort regeerakkoord op hoofdpunten. Ook acht ik het positief dat zij hierover op niet te lange termijn al een debat in de Kamer willen doen plaatsvinden, al dient de Kamer hierover uiteraard nog te beslissen.
Ik wil nu niet te veel vooruitlopen op verdere veranderingen in de werkwijze van de Kamer. Onder leiding van mijn voorgangers Van Nieuwenhoven en Deetman is er overigens al veel bereikt. Ik denk onder meer aan de onderzoeksfunctie van de Kamer. Wellicht kunnen het Presidium en de commissie voor de Werkwijze zich beraden op een wat aantrekkelijker vorm voor het vragenuur en op het wat regelmatiger instellen van bredere, thematische commissies, zoals de al genoemde commissie Biotechnologie.
Ik verheug mij overigens zeer op de samenwerking met het Presidium, waar ik zelf met veel plezier acht jaar lid van ben geweest. Ik verheug mij ook op de niet eenvoudige taak om leiding te mogen geven aan de Kamer als organisatie en op de samenwerking met alle medewerkers in de Kamer. Ik neem mij voor om, net als mijn voorgangster, het werk en de positie van de Kamer te blijven toelichten bij een breed publiek, met hulp van de afdeling Voorlichting, maar ook door zelf als Kamervoorzitter veel het land in te gaan.
Al mijn recente voorgangers spraken in hun aanvaardingstoespraak over het belang van de democratische controle op de besluitvorming in de Europese Unie. Ook ik noem dat met veel overtuiging. Ook daar is de afgelopen jaren veel bereikt, maar nog niet voldoende.
Voorzitter Deetman zei in 1996 in de Kamerbode: Kamervoorzitter is de mooiste functie in de politiek. Ik ben dat uit de grond van mijn hart met hem eens. Ik dank u nogmaals voor uw vertrouwen.
(Applaus)
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/h-tk-20012002-4881-4893.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.