Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2019-2020nr. 13, item 6

6 Begroting Onderwijs, Cultuur en Wetenschap

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (VIII) voor het jaar 2020 ( 35300-VIII ).

De voorzitter:

Aan de orde is de behandeling van de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (35300-VIII), Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Ik heet de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap en de minister voor Basis- en Voortgezet Onderwijs en Media van harte welkom in de Eerste Kamer.

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik geef het woord voor haar maidenspeech aan mevrouw Nanninga.

Mevrouw Nanninga (FvD):

Geachte excellenties, dames en heren op de tribunes, ambtsgenoten. Welk een voorrecht om hier nu te mogen zijn en in de senaat het woord te mogen voeren op de portefeuille Onderwijs, Cultuur en Wetenschap namens mijn partij, Forum voor Democratie. Hoewel ik zeker uitzie naar een scherp debat met u allen, is het voor nu ook wel fijn om de excellenties en u allen ononderbroken toe te mogen spreken. Hopelijk is dat genoegen wederzijds. Zo niet, dan zal ik evengoed deze gelegenheid te baat nemen om met name over onderwijs, de zorg en aandachtspunten die leven bij FvD en onze achterban aan u voor te leggen.

Voorzitter. Ik heb niet alle cv's van alle senatoren ooit doorgenomen, maar ik durf voorzichtig te stellen dat ik misschien de laagst opgeleide bewoner van dit huis tot nu toe ben. Daar voel ik trots noch gêne over. Het is zoals het is. Aan mijn ouders zal het niet gelegen hebben. Zij stuurden mij naar het ultra-elitaire Barlaeus Gymnasium in Amsterdam. Daar aangekomen startte ik mijn eigen eenmansvorm van experimenteel onderwijs. Ik leerde wat ik leuk vond en liet de rest links liggen. Mijn arme ouders, hier aanwezig op de publieke tribune, kostte het slapeloze nachten. Zij zagen mijn weigering om netjes mijn huiswerk te maken handenwringend aan. Papa, mama, het is goed gekomen, denk ik. Zoals jullie zien ben ik allerminst in de goot beland. Maar een gymnasiumdiploma of een ander papiertje heb ik nog altijd niet.

Ik permitteer mij nog een persoonlijke anekdote — dat mag in een maidenspeech — inzake ons Nederlandse onderwijs. Mijn dochters studeren inmiddels, maar ook zij bezochten diverse Amsterdamse scholen. Al vanaf hun basisschooltijd zag ik wat nu, onder meer dankzij activisme van FvD en de vele, vele meldingen van ouders en leerlingen op social media, algemeen bekend mag worden verondersteld: de ideologische en culturele verwaarlozing enerzijds en indoctrinatie anderzijds die wij via ons onderwijs onze kinderen aandoen. Mijn ex-man en ik kozen bewust voor een etnisch gemengde basisschool. Wij wonen in Amsterdam en dat is nou eenmaal een stad waar inmiddels de meerderheid van de inwoners allochtoon is. Wat men daar verder ook van vindt, je wil je kroost toch optimaal voorbereiden op de wereld waarin het leeft, nietwaar?

Het werd een ietwat artistiekerige buurtschool, waar mijn kinderen meer dan eens aanvaringen hadden met islamitisch opgevoede kindertjes die misprijzend of zelfs met walging reageerden op ham of worst op het brood van mijn bloedjes. Ook traktaties die zij op hun verjaardag uitdeelden werden daar demonstratief weggegooid, omdat er varken in zou zitten, ook al was dat beslist niet het geval. Je stopt immers geen karbonade in een appelflap. De lieve, maar op deze cultuurstrijd op het schoolplein volstrekt onvoorbereide juffen, losten dit op door het onderwerp geloof dan maar meteen taboe te verklaren en meer tolerantie te eisen, van mijn kinderen welteverstaan, niet van de geïndoctrineerde halalpolitieagentjes, die wij verder weinig kwalijk kunnen nemen, want in groep 5 zingen vogeltjes immers vooral zoals hun ouders gebekt zijn. Wel organiseerde de openbare basisschool een iftar. Dit was nog in de tijden dat social media en internet in opkomst waren en wij afhankelijk waren van de erbarmelijke desinformatie van onze publieke omroep en mainstream media. De NPO is een ander onderdeel van de portefeuille OCW waar wij met elkaar echt nog de nodige appeltjes over gaan schillen. Dat merk ik nu even terzijde op.

We leefden toen meer op een eilandje. We wisten niet dat deze cultuurclash zich ook op andere scholen in heel Nederland voltrok. De eerder genoemde kranten en NPO negeren dergelijke signalen uit de samenleving immers structureel. Toen ouders en leerlingen aanvankelijk via onafhankelijke en de sociale media met dergelijke verhalen uit 's lands schoolklassen naar buiten traden, werden ze weggezet als xenofoob of zelfs ronduit beschuldigd van liegen. Pas toen de in de politiek correcte kringen volstrekt onverdachte Femke Halsema ook melding maakte van boterhamworstincidenten op de allochtone buurtschool waar ze haar kinderen aanvankelijk op had geplaatst, werd het verhaal ook in het D66-onderwijsbastion tandenknarsend voor kennisgeving aangenomen. Daarna werd het weer genegeerd. Dat wel, want ondertussen moest het onderwijs na jaren rampzalige bezuinigingen en onnodige vermanagerisering vooral weer ingezet worden als brainwashtraject van D66-oïde snit, waarover later meer.

Natuurlijk is de wat onbeholpen schoolpleinstrijd tegen de boterhamworst op zichzelf niet het grote probleem op de Nederlandse scholen en universiteiten. Maar ik noem deze trend, de aanvankelijke ontkenning van een cultuurstrijd op scholen, gevoerd door zowel leerlingen als overheid, en de opkomst van het internet en de onafhankelijke media, als een voorbeeld van een tegenbeweging, om hier toch even licht te schijnen op een tendens die mij hoopvol stemt. De kaping van ons onderwijs om onze jeugd te indoctrineren tot gehoorzame wortelloze kosmopolietjes die op basis van selectieve feitenkennis gebukt moeten gaan onder een diep klimaat- en historisch schuldbesef, wordt nu gezien en bestreden. Onze partij, Forum voor Democratie, krijgt via het e-mailadres schoolstrijd@fvd.nl talloze meldingen binnen van sturende, hersenspoelende, selectieve en zelfs ronduit onjuiste lesstof en examenvragen. De Facebookpagina Linkse indoctrinatie op mijn universiteit en vele, vele andere vergelijkbare sites en pagina's vormen niet alleen een catalogus van diep doorgesijpeld D66-nihilisme die onze jeugd wordt gedwangvoederd, maar zijn vooral een teken dat mensen in heel Nederland op alle onderwijsniveaus deze machinaties doorzien en weigeren dit nog langer te accepteren. Dat gaat de goede kant op, voorzitter.

Ons onderwijs is niet bedoeld om generaties mensen te leren wat zij moeten denken. Ons onderwijs is er om mensen te informeren en daarna zelfstandige, mondige, autonome burgers af te leveren, die weten hoe zij goed geïnformeerd hun eigen meningen kunnen vormen. Als D66, VVD, PvdA en de rest van de kartelisten ergens bang voor zijn, is dat het wel. Burgers die ongevoelig voor morele chantage of oikofobe zelfhaat voor hun eigen belang opkomen, ook als die tegen de politiek correct toegestane belangen van klikmaatgekte, multicultuur en de EU ingaan.

Dat betekent niet dat onderwijzers en professoren geen eigen standpunten of meningen zouden mogen hebben. Allerminst. Voor de mensen in ons onderwijs hebben wij niets dan lof, vooral in deze tijden van schaalvergroting, grote financiële tekorten en een afkalvend aanzien van hun beroep. Wij dienen beter voor onze onderwijzers te zorgen. Mijn opa was leraar Frans aan de hbs en mijn oma was huisvrouw. Van enkel zijn salaris kon destijds een gezin met vier kinderen in de inmiddels onbetaalbare Amsterdamse wijk Watergraafsmeer wonen. In het Amsterdam van nu moeten scholen een week dicht wegens het lerarentekort en moeten onderbetaalde, overbelaste docenten in de uren dat hun school nog wel open kan zijn, kinderen wijsmaken dat het een absolute noodzaak is om duizenden miljarden aan gekke klimaattoestanden uit te geven.

Pervers, als men bedenkt dat alleen al door simpelweg eens naar de feiten te kijken die miljardenuitgaven niet nodig zijn en dat we al dat geld dus zouden kunnen besteden aan, noem eens een dwarsstraat, onderwijs en huisvesting van diezelfde onderbetaalde docenten die geen woning in de Randstad meer kunnen betalen. Docenten zijn niet het probleem. In het basis- en middelbaar onderwijs kunnen zij, mits voorzien van het juiste curriculum, zich prima neutraal opstellen. En aan onze universiteiten, de kraamkamers van ons denken, schort het vooral aan diversiteit. En niet diversiteit zoals onze minister bedoelt, de huilerige slachtoffercultus, waarin niet gelijke kansen maar gelijke uitkomsten het uitgangspunt zijn. De diversiteitsdwang op basis van huidskleur, sekse, afkomst of geaardheid heeft onlangs zelfs geleid tot zoiets potsierlijks als een vrouwenquotum voor topbanen. Kennelijk is er alle tijd voor symboolpolitiek en bijzaken, terwijl het Malieveld vol getergde docenten staat.

Nee, voorzitter, ideologische en inhoudelijke diversiteit, daar schort het aan in ons wo. In een land waar serieus wordt onderzocht of ook honden seksistisch gedrag vertonen — ik verzin dit niet — waar met name de sociale wetenschappen overgefixeerd zijn op vermeende misstanden, ongelijkheden en bizarre non-issues zoals het bestaan van 73 genders, micro-agressies in kindertelevisieprogramma's, de disproportionele aandacht voor de zwarte bladzijden in de roemruchte geschiedenis van ons mooie land en natuurlijk de eindeloze stroom van publicaties die de heilzaamheid van immigratie, multicultuur, diversiteit en safe spaces moeten aantonen, hebben we als het gaat om diversiteit in ons denken nog wel wat slagen te maken.

Afgezien van de bèta- en technische studies wijst men dan vaak naar het kleine Leidse bastion waar onze fractievoorzitter Paul Cliteur en de zijnen een Gallisch dorpje van vrijdenken vormen in een verder gelijkgeschakeld speelveld. Een dorp dat bovendien beveiliging nodig heeft, omdat zij de zelfgenoegzame status quo over jihadisme, islamisme, rechtsfilosofie en gecultiveerde onderdrukking niet delen. Bovendien een schromelijke ondervertegenwoordiging van dat wat toch een aanzienlijk deel van de Nederlanders dagelijks bezighoudt. Representatie, ook zo'n neomarxistisch modewoord, is hier volkomen zoek. Dat zou de minister toch met mij eens zijn? Deze kleine Leidse faculteit als token, om het uit het Amerika overgewaaide permakwetsjargon te gebruiken, als enige symbolisch aangestelde vrouw in de board roam en de arme heer Cliteur als wetenschappelijke excuustruus.

Voorzitter. Zoals u hoort, heb ik mijn maidenspeech over de begroting van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap aangegrepen om globaal de visie van FvD op ons onderwijs en de aldaar spelende cultuurstrijd in de grondverf te zetten. Het steggelen over miljoenen hier of daar — dat zeg ik zonder enig dedain voor de hardwerkende ambtenaren en medewerkers die aan deze begroting hebben gewerkt, waarvoor dank — is zinloos. Er gaat zo schandalig veel geld naar Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, maar het geld dat we eraan besteden, wordt misbruikt voor de subsidiëring van oikofobie, feministische en marxistische propaganda en onnodig veel bestuurders en managers. Onze aandacht hier in deze chambre de réflexion versnipperen aan discussies over de allocatie van budgetten op een begroting die maar een fractie is van het geld dat we weggooien om onszelf te ondermijnen, middels klimaatwensdenken en massa-immigratie, is als ruziemaken over de kleur van zwemvesten op de Titanic, geel of wit. Het moederschip, onze kennis en cultuur, en de overdracht daarvan op onze kinderen, gaat ten onder.

Laat ons inzake onderwijs, en zoals gezegd later zeker ook inzake de NPO en onze kunst en cultuur, durven kiezen voor visie. Voor ideeënstrijd. Voor taboeloze debatten en grote gedurfde oplossingen, die waar nodig de status quo openbreken.

Voorzitter, tot zover, dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Nanninga. Mijn hartelijke gelukwensen met uw maidenspeech. Staat u mij toe om iets van uw achtergrond te schetsen.

Een echt carrièreplan heeft u nooit gehad, vertelde u aan RTL Z. U werkte onder meer in een ijswinkel, een damesmodezaak, een dierenartspraktijk en de Openbare Bibliotheek van Amsterdam. In uw vrije tijd modereerde u het forum van de Amsterdamse omroep AT5. Het waren de eerste stappen in een onlinewereld die al snel de uwe werd.

U schreef voor een website over ouders en kinderen en voor De Jaap, dat nu TPO — The Post Online — heet. In 2012 ging u aan de slag bij GeenStijl. U werd later ook publicist en columnist bij WNL, PowNed, Nieuwe Revu en Veronica Magazine. Diversiteit avant la lettre, zou ik zeggen.

Twee jaar nadat u bij GeenStijl was begonnen, werd u mede-eigenaar en adjunct-hoofdredacteur van Jalta.nl, een onlinemagazine dat zichzelf omschrijft als een site met scherpe commentaren en originele verslaggeving. "Ik wilde me niet alleen op internet roeren, maar ook deelnemen aan debatten", zei u over die stap. Nu terugkijkend sloeg u toen de weg in die uiteindelijk naar de politiek, en naar deze Kamer, zou leiden.

Thierry Baudet vroeg u in 2017 om namens Forum voor Democratie deel te nemen aan de gemeenteraadsverkiezingen in Amsterdam. U besloot het te doen — en niet uit Amsterdam te vertrekken, hetgeen u op dat moment overwoog — en lijsttrekker te worden. Forum voor Democratie kwam in maart 2018 als nieuwe fractie met drie zetels in de gemeenteraad. U bent fractievoorzitter in Amsterdam en voert het woord over onder andere financiën, integratie, radicalisering, kunst en cultuur en bestuurlijke vernieuwing.

Een jaar later werd u als lijstduwer met voorkeurstemmen gekozen als lid van Provinciale Staten in Noord-Holland. Op 11 juni 2019 bent u beëdigd als lid van de Eerste Kamer van de Staten Generaal. Toen iemand u vroeg of drie politieke functies niet wat veel is, antwoordde u: "Als al die senatoren nog tien bijbanen ernaast hebben, dan moet dit ook wel lukken." Touché!

We kijken uit naar uw verdere inbrengen. Nogmaals van harte welkom.

Ik schors de vergadering voor enkele ogenblikken, zodat alle overige collega's u kunnen feliciteren, waarbij ik als Voorzitter u graag als eerste feliciteer.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Ik geef het woord aan de heer Ton van Kesteren.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Dank u wel, voorzitter. Allereerst hartelijk welkom aan de ministers van Onderwijs; eigenlijk collega's.

Voorzitter. Na 40 jaar werkzaam te zijn geweest in het onderwijs ben ik tot de volgende conclusie gekomen: onderwijs is lesgeven. De praktijk laat echter zien dat leerkrachten naast het lesgeven en het zorgen voor kennisoverdracht, ook nog therapeut, maatschappelijk werker en administrateur zijn. De balans tussen het lesgeven en de verantwoordelijkheid voor een toenemend aantal zorgleerlingen in de klas, met daarbij een aanzienlijke administratieve rompslomp, is niet in evenwicht. De leerkracht van tegenwoordig moet een duizendpoot zijn, en daarom houden maar weinig leerkrachten het vol voor de klas.

Voorzitter. De PVV heeft al eerder aangegeven dat de verhouding tussen het primaire proces van het onderwijs — het lesgeven en het zorgen voor kennisoverdracht — en de overhead niet in balans is. Van elke euro die het Rijk in het onderwijs steekt, gaat slechts 25 eurocent naar het primaire proces. Miljarden guldens en euro's zijn de afgelopen decennia voornamelijk gegaan naar overhead, naar ondersteuning uit de zogenaamde kantoortjescultuur, naar administratie en naar reserves, vermogensbeheer en onroerend goed. Het geld gaat vooral naar de organisatie, terwijl het regeringsbeleid gericht is op beter onderwijs. Prioriteit in het onderwijsbeleid is op papier het primaire onderwijsleerproces, maar in werkelijkheid blijkt die prioriteit haast veel meer gericht te zijn op de bijzaken.

Een carrière in het onderwijs houdt in dat je op termijn niet meer lesgeeft en voor de klas staat, maar een functie krijgt die van alles kan zijn behalve lesgeven. Een functie buiten de klas is minder afmattend en beter gefaciliteerd, ze heeft een hogere status en een hoger salaris, én ze staat ook nog eens beter op je cv. Die situatie motiveert veel leerkrachten om juist niet meer voor de klas te gaan staan maar een andere functie binnen het onderwijs te ambiëren. De demonstratie van de leerkrachten voor beter onderwijs moet dan ook vooral worden gezien als een protest tegen het feit dat steeds minder geld besteed wordt aan lesgeven en kennisoverdracht, en dat er te veel geld wordt uitgegeven aan overhead.

De minister moet zich terdege realiseren dat het streven naar onderwijsverbetering niet alleen een kwestie is van nog meer geld naar het onderwijs, maar veel meer van streven naar meer balans in de besteding van de gelden in respectievelijk het primaire proces en de overhead. Een OESO-rapport bevestigt ook nog eens dat naast deze taakverzwaring Nederlandse leerkrachten voor grotere klassen staan en meer uren maken dan hun Europese collega's. Dat alles verklaart de enorme werkdruk voor leerkrachten in het Nederlandse onderwijs. Dat de Nederlandse leerkracht meer lesuren draait en voor grotere klassen staat dan de Europese collega's, vindt dan ook een belangrijke oorzaak in het feit dat er te veel functies zijn gecreëerd buiten de klas. Vanuit de overheid lukt het maar niet om te sturen op een adequate groepsgrootte, op kleinere klassen en op het drastisch en effectief terugdringen van de bureaucratie en de overhead in het onderwijs, omdat de schoolbesturen, de scholen, de instellingen, daarvoor immers verantwoordelijk zijn.

Voorzitter. Ooit begon ik in het speciaal onderwijs in een groep van maximaal acht leerlingen. Toen ik na ongeveer tien jaar het speciaal onderwijs verliet, had ik inmiddels vijftien leerlingen in de klas, terwijl het aantal uitgeroosterde collega's met onderwijsondersteunende taken nog nooit zo hoog was geweest. De toegenomen werkdruk voor de klas ging veelal hand in hand met een toename van vrijgeroosterde collega's met taken buiten de klas. Naast een intensieve dag voor de klas nam je ook regelmatig deel aan verplichte begeleidingsprogramma's en cursussen ter verbetering van de vakbekwaamheid. Dat alles leidde tot een aanzienlijke toename van het ziekteverzuim en zelfs definitieve uitval van ervaren leerkrachten en zelfs van startende leraren, die al na een jaar of een paar jaar na hun start teleurgesteld het onderwijs verlieten. Bij mijn vertrek uit het onderwijs na ruim 40 jaar constateerde ik dan ook geen verbetering, maar juist een uitholling van de kwaliteit van het onderwijs. De PVV-fractie vindt dan ook dat de arbeidsomstandigheden van de leerkracht die voor de klas staat moeten worden verbeterd. Minder werkdruk en minder stress zouden het ziekteverzuim sterk kunnen doen afnemen.

Inspecties baseren hun oordeel over de kwaliteit van een onderwijsinstelling te veel op wat men in de dossierkast aantreft, op hoe een instelling zich profileert. Maar hoe een en ander daadwerkelijk in de praktijk functioneert, daar heeft de inspectie helaas niet altijd voldoende zicht op. Een leerkracht voor de klas die daarnaast al dan niet verplicht allerlei cursussen en begeleidingsprogramma's heeft gevolgd, wordt niet direct een betere leraar. Nee, het kan zomaar zijn dat een leerkracht zonder indrukwekkend portfolio en minder boekhoudkundige kwaliteiten kan uitgroeien tot een excellente leerkracht, zeker als die leerkracht voor een kleinere groep leerlingen staat en hierdoor meer tijd en energie in de leerlingen kan steken. Dat geeft die leerkracht veel meer voldoening van en plezier in zijn werk. Leerkrachten moeten dan ook niet worden afgerekend op hun administratieve portfolio of op het op orde hebben van de administratie, maar veel meer op hun concrete daden en prestaties voor de klas en op de interactie met hun leerlingen.

Voorzitter. Het fenomeen "passend onderwijs" is het resultaat van afslanking van met name het speciaal onderwijs. Passend onderwijs is: terug bij af. Passend onderwijs is: tegen het reguliere onderwijs zeggen "nemen jullie die probleemleerlingen er maar even bij". Passend onderwijs is: het aantal niveaus in een klas meer dan verdubbelen. Passend onderwijs is: extra veel probleemleerlingen in het regulier onderwijs die normaliter naar het speciaal onderwijs zouden worden verwezen. Passend onderwijs is: een enorme taakverzwaring voor leerkrachten in het regulier onderwijs. En passend onderwijs is contraproductief voor een minister die probeert om meer mensen voor de klas te krijgen. Het speciaal onderwijs heeft die expertise en specialisten namelijk wel en het is dan ook onverstandig om leerlingen met een beperking onder het mom van "samen naar school" of via passend onderwijs in veel te grote klassen van het reguliere onderwijs te droppen.

Dus minister, vraag ik via de voorzitter, neem als uitgangspunt in het beleid en de bekostiging van het onderwijs: lesgeven, kennisoverdracht in kleine groepen en het realiseren van kleinere klassen die recht doen aan de leerlingen die extra begeleiding en aandacht nodig hebben. Beperk de administratieve rompslomp en aanverwante stress voor de functionaris voor de klas. Maak het werk voor de klas en het salaris met name voor die leerkracht voor de klas, zeg ik met nadruk, weer aantrekkelijk. Geef het leraarschap weer aanzien. Verleid met dergelijke maatregelen ook de functionaris met een onderwijsbevoegdheid buiten de klas om juist weer voor de klas te gaan staan. Graag een reactie van de minister op dit welgemeende advies en voorstel tot een doeltreffende kwaliteitsinjectie in het onderwijs.

Voorzitter. Ook voor het volgende punt wil ik graag uw aandacht vragen, namelijk de positieve discriminatie, zo u wilt, van een vrouwenquotum in het hoger onderwijs.

De voorzitter:

Mag ik u onderbreken voor een interruptie van mevrouw Vos?

Mevrouw Vos (PvdA):

Ik heb met veel interesse zitten luisteren naar het betoog van de heer Van Kesteren. Begrijp ik nu goed dat ook de PVV-fractie vindt dat er in deze onderwijsbegroting te weinig geld is uitgetrokken voor de beloning van docenten, van leraren?

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Ik vind met name dat salarisverbetering moet gelden voor de man of de vrouw voor de klas. De salarisverhoging geldt nu voor alle leerkrachten. Ook de docenten buiten de klas met allerlei aanverwante taken komen ervoor in aanmerking. Ik vind dat je de status van het beroep, de leraar voor de klas, kunt vergroten door het salaris te verhogen. Er is een wildgroei geweest van mensen buiten de groep die ook in het onderwijs werken en die allerlei ondersteunende taken hebben waar leerkrachten in de regel vaak niet veel aan hebben. Dat moet je ontmoedigen, zodat mensen bereid zijn om toch weer voor de groep te gaan staan. Als de klassen kleiner en de werkomstandigheden beter zijn, krijg je een hele andere situatie. Dan los je het lerarenprobleem ook op. Maar dat zit niet alleen in meer geld. Ik pleit zeker wel voor salarisverbetering voor de man en de vrouw voor de klas.

Mevrouw Vos (PvdA):

Begrijp ik dus goed dat de PVV vindt dat de salarissen voor mensen voor de klas omhoog moeten? Zoals ik het heb begrepen, worden ook de mensen meegenomen die zorgen voor de werkdrukverlichting, mensen die niet per se voor de klas staan maar wel helpen. Vindt u dat dat gescheiden zou moeten worden, dat er een aparte cao moet komen?

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Het is een misvatting dat mensen buiten de klas voor minder werkdruk zorgen. Ik heb in 40 jaar onderwijs ervaren — ik begon met zes leerlingen in een groep — dat hoe meer mensen in kantoortje plaatsnamen, des te hoger de werkdruk werd. Dat begon al met de verhoging van het aantal leerlingen in een klas, want het moest uit de lengte of de breedte komen. Als er een collega vrijgeroosterd werd voor allerlei andere taken, hield dat in dat je zelf een aantal leerlingen in de klas erbij kreeg. Dan kun je niet spreken van een verlaging van de werkdruk.

De voorzitter:

Mevrouw Vos, voor de derde maal.

Mevrouw Vos (PvdA):

Daar komen we later op terug.

De voorzitter:

Meneer Van Kesteren, vervolgt u uw betoog.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Positieve discriminatie is gewoon een ordinaire vorm van voortrekken in plaats van de juiste persoon op de juiste functie, zonder aanzien des persoons, of die nu man of vrouw is, of van welke kleur die dan ook is. En met dat laatste bedoel ik dan ook vooral de politieke kleur. De minister wil in het hoger onderwijs een doorbraak forceren voor meer vrouwen in de top. Doe dat vooral ook voor meer mannen in de basis, met adequate maatregelen, zoals ik al eerder in mijn betoog heb verwoord. Ik krijg hier graag ook een reactie op van de minister.

Mijn laatste aandachtspunt is ook heel belangrijk. Dat gaat over de indoctrinatie in het onderwijs. De vorige spreker, die ik nog feliciteer met haar prachtige maidenspeech, heeft het daar ook over gehad. Ik kan na 40 jaar in het onderwijs zeggen dat daar wel degelijk sprake van is. Denk aan een commissie die de vaderlandse geschiedenis herijkt in een linksgeoriënteerd verhaal en verplichte deelname van leerlingen aan een klimaatdemonstratie op het Malieveld. We zagen kinderen die oprecht bang zijn voor klimaatverandering. Bij navraag bleek dat deze kinderen dit op de televisie hadden gezien. Ook op tv werd het verhaal bevestigd dat zij van hun leerkracht hadden gehoord. "Ik gebruik activisme in mijn lessen", aldus een leraar Nederlands die is aangesloten bij de Teachers For Climate. Ook hoorden we een rector van een scholengemeenschap in een interview zeggen dat hij geen vrijaf zou geven voor een demonstratie tegen massa-immigratie, maar wel voor een demonstratie tegen klimaatverandering. In het onderwijs zijn klimaatinzichten van wetenschappers zoals Freeman Dyson, Piers Corbyn, klimatoloog Tim Ball en wetenschapsjournalist Marcel Crok dan ook taboe.

En wat te denken van het door scholen verplicht gestelde moskeebezoek? De Turkse dictator Erdogan noemt moskeeën zelfs "kazernes". De koepels noemt hij "helmen" en de minaretten "bajonetten". Basisschoolleerlingen leren in die kazernes zelfs bidden tot Allah. Aan de Vrije Universiteit worden zelfs shariaworkshops gegeven. Dat alles staat haaks op onze democratische waarden van gelijkheid, van respect, van vrijheid, die we ook via het onderwijs willen doorgeven aan volgende generaties. Het aantal islamitische scholen, waar de leerlingen worden geïndoctrineerd met lesinhouden die gebaseerd zijn op een totalitaire ideologie en die onze vrijheid en onze Grondwet bedreigen en ondermijnen, neemt zelfs nog steeds toe. Dat is een zorgelijke ontwikkeling die niet in het belang is van onze vrijheid en onze democratische rechtsstaat.

In het onderwijs en in de objectief en pluriform geachte NPO worden politiek correcte deugstandpunten inzake massa-immigratie, islam, EU, klimaat en duurzaamheid, genderneutraliteit, en niet te vergeten Zwarte Piet, omarmd, en de standpunten van de PVV hierover gehekeld. De Clintons en Obama's van deze wereld worden er bewierookt, terwijl de Trumps en sinds kort ook de Johnsons er worden afgebrand. Het overwegend linksgeoriënteerde onderwijs weet wel wat goed is voor de samenleving. Jordan Peterson, een christelijk-conservatief psycholoog en cultuurcriticus aan de Universiteit van Toronto, zou spreken aan de Vrije Universiteit van Amsterdam. De politiek neutraal geachte hoogleraar aldaar stuurde daarop een manifest naar het universiteitsbestuur om deze man het spreken onmogelijk te maken. Intolerante antizwartepietactivisten zonder enige academische achtergrond kregen daarentegen wel spreektijd en werd geen strobreed in de weg gelegd.

Voorzitter. Het lijkt erop dat alleen linkse activisten met een totalitair werk- en denkniveau recht van spreken hebben en in belangrijke mate medebepalend zijn voor het regeringsbeleid. Islampropaganda en linkse indoctrinatie gaan hand in hand tegen de traditioneel christelijke beschaving van het Westen. Alles wat afwijkt van utopisch links, de linksgeoriënteerde pedagogie, het linkse levensgevoel van de jaren zestig, waar ik zelf ook een product van ben, het linkse waardeoordeel, de linke wereldbeschouwing, heeft geen recht van spreken en wordt bij voorkeur weggezet als racistisch, fascistisch, islamofoob. Alles is racisme. Je wordt er af en toe moedeloos van. Schoolboeken hebben een overwegend ongenuanceerde linksgeoriënteerde inhoud. Het enige antwoord dat we van de politiek verantwoordelijken horen is dat de verantwoordelijkheid hiervoor ligt bij de onderwijsbesturen, de scholen, de instellingen. Of er wordt gewoon glashard ontkend of gebagatelliseerd dat er überhaupt sprake is van indoctrinatie in het onderwijs en bij de NPO.

Regelmatig heeft de PVV de minister gewezen op het feit dat de NPO zich niet aan zijn wettelijke taken houdt en indoctrinatie en discriminatie in het onderwijs onder de aandacht gebracht. Omdat men indoctrinatie blijft ontkennen, ervan weg blijft kijken of blijft bagatelliseren, is die indoctrinatie inzichtelijk gemaakt. Is er inzicht hoe vaak zoiets gebeurt en dan met aantoonbare feiten? Het zwartboek van Arnold Karskens over het NOS-Journaal en het onlangs verschenen rapport over indoctrinatie in het onderwijs van Cultuur onder Vuur bevestigen dat er sprake is van indoctrinatie bij de publieke omroep en in het onderwijs. Indoctrinatie in het onderwijs neemt alleen maar toe en wordt steeds hardnekkiger. Men is daarmee inmiddels de schaamte voorbij, want zelfs in lesboeken wordt het zwart-op-wit gewoon heel duidelijk neergezet.

Leerkrachten zijn er om kennis en kunde over te dragen en de talenten van hun leerlingen te ontwikkelen. Het leerproces in het primaire onderwijs en de rol van de leerkracht dienen politiek en ideologisch neutraal te zijn. Daar is nu allesbehalve sprake van. Er is overduidelijk sprake van politieke en ideologische indoctrinatie. De leerling wordt namelijk zeer eenzijdig geïnformeerd. De PVV-fractie vraagt serieuze aandacht van de regering voor dit probleem, om het probleem in elk geval te onderkennen en er niet van weg te kijken of het te bagatelliseren, in het belang van het behoud van onze vrijheid en onze democratische rechtsstaat. Het onderwijs is van een passief neutraal instituut waarin jong volwassenen worden opgeleid tot vrijdenkende, kiezende individuen, verworden tot een actief pluriform indoctrinerend en dwingend opgelegd groen-religieus onderwijs. Dat is geheel in lijn met de klimaat- en islamdictatuur die op ons afstevent.

De heer Pijlman (D66):

Ik aarzelde even of ik wel of niet zou reageren. U gaat er blijkbaar van uit dat iedereen die voor de klas staat, ultralinks is en niks anders doet dan volgens u verkeerde informatie uitstorten over de kinderen, de leerlingen. Maar u hebt zelf, zei u, 40 jaar voor de klas gestaan en u bent een PVV'er. Wat hebt u daar die kinderen dan allemaal verteld? Dat kan dus gewoon in het Nederlandse onderwijs. Waar gaat dit dus eigenlijk over?

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Het is heel duidelijk. Heel veel leerkrachten durven zich niet te uiten, want als je je nek uitsteekt en je hebt het tijdens de les wel over de andere kant van het verhaal, dan word je ter verantwoording geroepen. Zo heb ik vaak meegemaakt dat ik ook de andere kant van een verhaal uitlegde en vertelde. Ik zette vaak een uitzending van Nieuws uit de natuur of een Jeugdjournaalaflevering stil en dan had ik het met de leerlingen erover. Dan werd ik bij de directie ontboden en werd mij verweten dat ik aan politiek deed. Heel veel leerkrachten houden dus hun mond uit angst voor ontslag, of weggewerkt worden. Die gaan dan mee in die stream van politieke correctheid. Dat is mij dus overkomen. Je wilt niet weten wat er gebeurde op het moment dat ik uit de kast kwam als PVV-fractievoorzitter in Groningen. Dat weet u, want u komt zelf uit Groningen. Zelfs mijn echtgenote werd op school door de directie ter verantwoording geroepen met de mededeling: "Is dat jouw man?" Dat zijn de situaties die in het onderwijs voorkomen: heb niet het lef om een ander geluid te laten horen. De meeste leerkrachten in het onderwijs kiezen dus voor zekerheid, voor hun inkomen en voor hun gezin. Zij houden zich gewoon strikt aan wat politiek correct is en zij kleuren netjes binnen de lijntjes. Ik deed dat niet.

De heer Pijlman (D66):

Ik denk dat de heer Van Kesteren een stelling verdedigt en niet feiten. Hij maakt een persoonlijke ervaring algemeen, zonder te onderbouwen hoe dat eigenlijk precies in elkaar zit. Ik zou daar toch een beetje voorzichtig mee zijn. Volgens mij zijn de meeste docenten heel goed in staat om aan leerlingen beide kanten van de waarheid — zo noem ik het nu maar — te laten zien. Ik herken helemaal niet wat u zegt. Erger nog, de rector die u aanhaalde, is een goede vriend van mij. Hij is overigens lid van de Partij van de Arbeid ...

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Uiteraard.

De heer Pijlman (D66):

... maar hij is een buitengewoon genuanceerde man, ook in dit soort zaken.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Ik wil daar maar één ding op zeggen. Ik heb andere ervaring. Ik heb 40 jaar voor de klas gestaan en ik heb daar veel over gesproken. U kunt mij niet verwijten dat ik niet een genuanceerd verhaal heb. Dit is een neerslag van 40 jaar onderwijs en ik heb hier veel met mensen over gesproken. Ik spreek daar nog met veel leraren over die voor de klas staan. Neemt u maar van mij aan dat dit een heel groot probleem is, dat ook gedeeld wordt. Zij vinden het fantastisch dat ik hier sta om deze ministers deelgenoten te maken van hun ervaringen. Dat is heel belangrijk.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Goed. We stevenen dus af op een klimaat- en islamdictatuur, met het cultuurmarxisme als ideologische grondslag, die aan de argeloze burger wordt verkocht als een nieuwe, volmaakte en duurzame multiculturele samenleving. Een samenleving die zich steeds meer aftekent, is die van steeds meer kritiekloze, berustende, volgzame, afhankelijke en argeloze geïndoctrineerden, een samenleving waarin een kleine groep beroepsactivisten een dagtaak heeft om zich te laten gelden, een samenleving waarin onafhankelijke en kritische vrije denkers worden verketterd en in alles worden tegengewerkt.

Afsluitend, voorzitter, vraag ik de minister welke concrete maatregelen en sancties de regering kan nemen om de politieke neutraliteit in het onderwijs te borgen. Blijft de regering in dezen passief, met het argument dat dit de verantwoordelijkheid is voor de onderwijsinspectie of het Commissariaat voor de Media? Graag zou ik een wat ruimer en royaler antwoord willen hebben dan het antwoord dat ik hier in de Eerste Kamer de afgelopen periode al heb gekregen. Want onderwijs is niet indoctrineren maar lesgeven. Dat is de verantwoordelijkheid van ons allen.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Kesteren. Dan is het woord aan de heer Van Apeldoorn namens de fractie van de SP.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Voorzitter. Ik denk dat bijna iedereen, ook in dit huis, zal beamen dat onderwijs ontzettend belangrijk is. Ook als je jezelf geen onderwijspartij noemt, kan je die overtuiging ten volste delen. Maar belangrijk is natuurlijk dat je dan wel de beleidskeuzes maakt die die politieke prioriteit ook gestalte geven. Vorige week werd hier de uitdrukking "to put your money where your mouth is" gebezigd. Hoewel ik de verengelsing van dit huis niet toejuich, drukt dit toch wel heel adequaat uit wat ik hier bedoel. Geen woorden maar daden, ook een mooie Nederlandse uitdrukking.

We horen vaak van onderwijspartij D66, op de sprekerslijst de grote afwezige bij dit debat, en ook van de beide ministers dat het niet alleen om geld gaat en dat we niet alleen met meer geld de kwaliteit van ons onderwijs kunnen verbeteren. Nee, dat klopt. Als iemand die zelf al 19 jaar werkzaam is in het hoger onderwijs kan ik dat beamen. Sterker nog, docenten, van de basisschool tot de universiteit, slagen er soms zelfs in om met minder middelen dezelfde of zelfs meer kwaliteit te leveren. Maar dat wil niet zeggen dat daar geen prijs voor betaald wordt. Die wordt namelijk wel betaald, voorzitter, bijvoorbeeld en met name in de vorm van een extreem toenemende werkdruk. Een op de vier docenten in het basisonderwijs krijgt te maken met een burn-out. Docenten aan de universiteit werken gemiddeld 25% over; allemaal onbetaald werk. Op een gegeven moment is de rek er dan uit en knapt het elastiek.

En ja, ook de overheid kan ons onderwijs verbeteren zonder dat zich dat altijd moet vertalen in een hoger budget. Je kan bijvoorbeeld op allerlei manieren proberen de bureaucratie of de administratieve lasten in het primair, het voortgezet en het hoger onderwijs te verminderen. We zouden het hoger onderwijs ook kunnen verlossen van het perverse outputfinancieringsmodel, dat maakt dat universiteiten elkaar beconcurreren op studentenaantallen, wat in alle opzichten de kwaliteit niet ten goede komt.

De minister heeft hier ook aandacht voor en dat is te prijzen. Er is erkenning voor het feit dat het hoger onderwijs veel te veel gericht is op concurrentie en niet op samenwerking. Dat zien we ook terug in de net gepubliceerde Strategische agenda. Er is al een kleine stap gezet in het herzien van de bekostiging, met de aanpassing van de verhouding tussen vast en variabel. Maar voor verdere stappen moeten we toch afwachten wat er gaat gebeuren en wat er komt uit onderzoek dat in 2020 afgerond moet zijn. Aan de minister de vraag of zij op dit punt nog stappen voorziet binnen deze kabinetsperiode. Voorlopig hebben we het hier over studies en plannen voor de toekomst, niet over de begroting die nu voor ons ligt.

Voorzitter. De begroting die nu voor ons ligt, schiet tekort, want de grote problemen die er nu zijn in het onderwijs, van basisonderwijs tot universiteit, hebben wel degelijk in de eerste plaats met geld te maken. Beter onderwijs vergt meer dan alleen meer geld, maar dat is op dit moment wel een noodzakelijke voorwaarde.

We hebben jaren op rij te weinig geïnvesteerd in het onderwijs en er is ook gewoon keihard bezuinigd. Bezuinigen in tijden van recessie is economisch buitengewoon onverstandig.

De heer Pijlman (D66):

Ik ben blij te horen dat u zich bekeerd heeft. U weet natuurlijk ook dat er inmiddels 1,7 miljard via het regeerakkoord voor het onderwijs is vrijgemaakt en dat is meer dan jaren en jaren daarvoor. Dat het te weinig is, daar hebt u gelijk in, maar ik wil toch aan u vragen hoe het zit met de SP, want uw verkiezingsprogramma fungeert nog. Hebt u dat wel gelezen als het over onderwijs en investeringen gaat? Die zijn er namelijk niet bij de SP.

De heer Van Apeldoorn (SP):

In de eerste plaats heet ik de heer Pijlman namens de D66-fractie van harte welkom in het debat. Nee, ik denk niet dat wij ons bekeerd hebben. De SP heeft jarenlang, ook al voor het laatste verkiezingsprogramma, bijvoorbeeld gepleit voor kleinere klassen. Wij noemden dat de "kleine klassenstrijd", de strijd voor kleinere klassen. Dat is natuurlijk wel degelijk iets wat een investering had gevraagd. In die zin hebben we ons niet bekeerd. Ik ga nu geen uitgebreid commentaar geven op ons laatste verkiezingsprogramma. Het is inderdaad correct dat de verhoging van de salarissen, waar wij nu voor pleiten, niet in ons laatste verkiezingsprogramma was opgenomen. Dat hadden we misschien beter wel kunnen doen. Gezien de nood die er is en die al een paar jaar, sinds de laatste verkiezingen, aan de gang is, gaat het erom dat we erkennen dat er meer geld bij moet om de structurele problemen, structureel aan te pakken. Daar staat de SP voor.

De heer Pijlman (D66):

Dan ben ik toch blij dat ik u een bekeerling heb genoemd, want er was inderdaad niets over te vinden in uw verkiezingsprogramma. Integendeel. U weet natuurlijk ook, net als wij allen, dat het kabinet, naast die enorme investeringen in het onderwijs, ook nog structureel 500 miljoen van het vorige kabinet moest wegwerken. Kortom, er is al ongelooflijk veel gebeurd. En ja, er moet nog veel meer, maar zet alles wel in een eerlijk perspectief. Dank u wel, voorzitter.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Ik zou mezelf, noch mijn partij, in dezen toch een bekeerling willen noemen. Mijn partij heeft altijd gestaan voor grote investeringen in het onderwijs. De heer Pijlman heeft er gelijk in dat het vorige kabinet, waar wij overigens geen deel van uitmaakten, enorm veel bezuinigd heeft op het onderwijs. De heer Pijlman heeft er ook gelijk in dat dit kabinet een aantal stappen heeft gezet. Er is meer geïnvesteerd, er zijn stappen gezet en er zijn zaken verbeterd, maar dat was allemaal ten opzichte van de enorme achterstand waarmee wij te maken hadden op het moment dat dit kabinet aantrad. Dat zie ik ook. Ons gaat het nu om de begroting die voorligt en om de vraag of dat voldoende is. We kunnen het heel erg lang hebben over wat er al gedaan is. Daar zal de minister straks mogelijk ook op ingaan. Dat zou mij niet verbazen. Ons gaat het erom of dit voldoende is om de problemen die er nu zijn op te lossen. Onze conclusie is daarin helder.

Ik wil de heer Pijlman geen bekeerling noemen, maar ik ben blij te constateren dat hij nu ook zegt dat het niet voldoende is en dat er meer moet gebeuren. Ik zou ook graag de D66-fractie uitnodigen om mee te gaan in de conclusie dat er meer nodig is en zich af te vragen wat dat betekent voor deze begroting en voor wat er moet gebeuren gedurende deze kabinetsperiode.

De voorzitter:

Vervolgt u uw betoog.

De heer Van Apeldoorn (SP):

Bezuinigen in tijden van recessie is economisch buitengewoon onverstandig. Bezuinigen op onderwijs is dubbel onverstandig, omdat je bezuinigt op de toekomstige innovatiekracht en productiviteit van onze economie, om nog maar te zwijgen van de consequenties voor de bredere welvaart. Na jaren van bezuinigingen en onderinvestering zitten we nu in een situatie waarin de kwaliteit in alle geledingen van het onderwijs onder druk staat. Het is niet voor niets zo dat het primair en voortgezet onderwijs in actie is gekomen met PO in Actie en Leraren In Actie, maar ook docenten en hoogleraren aan de universiteiten met WOinActie. Meesters en juffen hebben al meermalen gestaakt en gaan door met deze acties. Zeker in het basisonderwijs staat het water de onderwijzers aan de lippen. Klassen worden naar huis gestuurd, scholen geven maar vier dagen onderwijs, of gaan voor een week of langer dicht. Dit is toch gewoon onacceptabel in een rijk land als Nederland? Is de minister dat met mij eens?

Terwijl scholen met pijn in het hart leerlingen naar huis moeten sturen wegens het lerarentekort, neemt de werkdruk alleen nog maar verder toe, en dat voor een salaris dat in het basisonderwijs al jaren achterloopt op het voortgezet onderwijs. Over deze loonkloof is al veel gesproken. Maar woorden zullen deze kloof niet dichten. Hoe ziet de minister dit? Moeten we hiervoor ook wachten op een volgend kabinet?

Het lerarentekort is nog eens bijzonder nijpend in het speciaal onderwijs, zowel primair als voortgezet. Dit treft dus de meest kwetsbare kinderen. Ook hier wreekt het zich dat de waardering en de arbeidsvoorwaarden nog niet gelijkwaardig zijn aan die van docenten in het reguliere voortgezet onderwijs. Waar, zo vraag ik de minister, kan ik in deze begroting terugvinden dat hij deze noden van het lerarentekort in het reguliere en in het speciaal onderwijs serieus neemt? En wat kan hij ons beloven over hoe het ervoor zal staan als we hier over een jaar weer tegenover elkaar staan?

Voorzitter. De oplopende werkdruk — ik noemde het al — is ook een groot probleem aan de universiteiten, al helemaal in combinatie met het enorm hoge percentage aan flexibele contracten. Die werkdruk in combinatie met de voortdurende onzekerheid, niet wetende of je over één of twee jaar nog wel een baan zult hebben en je daarom drie slagen in de rondte werken, maakt dat ook steeds meer mensen in het hoger onderwijs eraan onderdoor gaan. Ook de minister erkent de problematiek dat er aan de universiteiten te veel wordt overgewerkt, dat er te veel flexibele contracten zijn en dat te veel wetenschappers te veel tijd kwijt aan onderzoeksaanvragen. Maar hoe heeft het zover kunnen komen? En hoe gaan we dit nu oplossen? De werkdruk in het wetenschappelijk onderwijs kun je niet oplossen met een afnemend budget per student. Er zal dus meer geld bij moeten. Erkent de minister dat?

Voorzitter. Om deze grote, structurele problemen in het onderwijs op te lossen, moet er simpelweg meer geld bij, structureel meer geld. En dat geld is er. Ook als je wilt blijven vasthouden aan de valse voorstelling van zaken dat bezuinigingen toen onontkoombaar waren, geldt in ieder geval nu dat we in een hele andere situatie zitten. Want er is geld genoeg. We houden dit jaar 10 miljard over op de begroting. Geld lenen voor de overheid is niet alleen gratis, nee, je krijgt er geld bij! Maar afgezien van het feit dat een begrotingsoverschot financieel-economisch dom en kortzichtig beleid is en we beter met een beperkt begrotingsoverschot kunnen investeren in de toekomst van onze samenleving — een investering die zich dubbel en dwars zal laten uitbetalen — kunnen we ook zonder het tekort te laten oplopen veel betere keuzes maken.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Ik zou de spreker van de SP het volgende willen vragen. In de afgelopen decennia zijn er miljarden in het onderwijs gestoken. Er wordt nu weer een vraag neergelegd om nog meer geld. Bent u het met mij eens dat het ook een kwestie kan zijn van meer balans in de uitgaven, dus dat je het geld meer labelt voor het onderwijsleerproces als primair proces? Bent u het met mij eens dat er een slag te slaan is qua bureaucratie en overhead in het onderwijs? Bent u dat met mij eens? Of zegt u: nee hoor, er moet sowieso meer geld bij en de situatie blijft zoals die is?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dank voor deze vraag, meneer Van Kesteren. Je hoeft het ene niet te laten als je het andere doet. Ik ben het er zeer mee eens dat er soms, of misschien wel vaak, en ik denk in alle geledingen van het onderwijs, een disbalans is tussen het primaire proces van het onderwijs en de rest. De heer Van Kesteren zei het eerder ook in zijn eigen betoog. Docenten zijn dus te veel tijd kwijt aan administratieve taken. Er zijn te veel mensen eromheen in kantoortjes, zoals we de heer Van Kesteren net hoorden zeggen, die niet per se altijd het onderwijs ondersteunen. Overigens doen heel veel van die mensen in die kantoortjes dat wél. Die doen heel nuttig en noodzakelijk werk. Maar we moeten daar zeker naar kijken. Ik had het er net over dat je de kwaliteit van het onderwijs ook kan verbeteren door de bureaucratie en de administratieve lasten te verminderen. We zien dat overigens in de hele publieke sector, ook in de zorg. Dit heeft ook al jaren de aandacht van onze partij. Dit geldt zeker voor het onderwijs. Dat moeten we absoluut doen. Maar dat laat onverlet dat er wat ons betreft ook meer geld bij moet. Als je bijvoorbeeld de salarissen wilt verhogen, als je de salarissen in het basisonderwijs gelijk wilt trekken met die in het voortgezet onderwijs, kom je er niet alleen met de verschuiving die de heer Van Kesteren heeft voorgesteld. Als je dat doet, zal dat onvoldoende zijn.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Als laatste vraag: zou u dan niet eerst de uitdaging aan willen gaan om de omstandigheden in het onderwijs te veranderen en om daarna te kijken of er überhaupt meer geld bij moet?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Nee, dat wil ik niet, zeg ik tegen de heer Van Kesteren. We hebben nu te maken met een groot, schreeuwend lerarentekort. We hebben nu te maken met docenten voor de klas die zich ondergewaardeerd voelen en die — terecht — ervaren dat ze voor hun zware werk, en gegeven de enorm toegenomen werkdruk, te weinig betaald krijgen, bijvoorbeeld in vergelijking met hun collega's in het voortgezet onderwijs. Maar ook überhaupt zijn wij voor een algehele salarisverhoging voor alle docenten in het primair en voortgezet onderwijs en daarnaast voor het gelijktrekken van die salarissen. En dat kost nu eenmaal geld.

De voorzitter:

De heer Van Kesteren, uw laatste vraag.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

De allerlaatste vraag. Bent u het dan niet met mij eens dat ook de mensen met een onderwijsbevoegdheid buiten de klas verleid moeten worden om weer voor de klas te gaan staan? Dat bereik je niet door alle leerkrachten, ook degenen buiten de klas met een onderwijsbevoegdheid, dat salaris ook te geven, want dan zal er niks veranderen en dan zal dat grote lerarentekort er nog steeds blijven. Het lerarentekort heeft voornamelijk te maken met mensen in het onderwijs die de ambitie hebben om zo snel mogelijk weer uit de klas te komen, want dat is een mooi carrièreperspectief. Dat moet je tackelen naar mijn idee. Vindt u dat ook?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dat laatste zou je moeten tackelen, maar ik denk niet dat dan het antwoord moet zijn dat we die salarissen dan maar niet gaan verhogen. Je moet het beroep van leraar aantrekkelijker maken door de salarissen te verhogen. Dat is een manier om uiteindelijk het tekort weg te werken. Op korte termijn moeten we daar maatregelen voor treffen, maar op langere termijn moeten we ervoor zorgen dat het beroep aantrekkelijker wordt. Daar hoort ook een goed pakket aan arbeidsvoorwaarden bij. Daar moeten we dus in investeren en daar moeten we niet langer mee wachten.

Voorzitter, met uw permissie vervolg ik mijn betoog.

De voorzitter:

De heer Gerbrandy heeft eerst een interruptie.

De heer Gerbrandy (OSF):

Het betoog van de heer Van Apeldoorn kan ik heel goed volgen. Die klaagzang is misschien ook terecht. Maar kunnen we ons kabinet en de ministers niet een beetje helpen door wat goede voorbeelden te geven? Mag ik in die zin uw mening vragen over het Finse model: korter naar school, hoger opgeleid, meer salaris, veel betere resultaten en kleinere klassen? Of kent u het systeem niet?

De heer Van Apeldoorn (SP):

Dank aan de heer Gerbrandy. Ik ben niet bekend met alle details van het Finse model. De heer Gerbrandy zelf ook niet, maar zoals hij het nu schetst, klinkt dat aantrekkelijk. Ik zei net al dat we toe moeten naar kleinere klassen. Dat is ook iets waar Leraren In Actie en PO in actie voor strijden. De SP heeft daar, zoals ik net al memoreerde, jaren voor gestreden. Als je klassen hebt van maximaal 24 of 25 leerlingen — wat we nu niet hebben — dan gaat de werkdruk naar beneden, dan gaan de lasten die daarbij horen naar beneden en dan gaat de kwaliteit van het onderwijs omhoog. En ja, daar zul je in moeten investeren.

Voorzitter, ik vervolg mijn betoog. We kunnen betere keuzes maken, zei ik net al. Keuzes voor het onderwijs en voor meer onderwijzers in plaats van voor nieuwe onderzeeërs, bijvoorbeeld. En zelfs als je die dingen wel zo nodig wil hebben, is er geld genoeg. Alleen moet je het dan wel halen waar het te halen is. Want het geld klotst niet alleen tegen de plinten bij de overheid, maar ook bij het bedrijfsleven. Vooral het grootbedrijf en de grootbanken maken weer enorme winsten. De bazen van die bedrijven laten hun salarissen daarbij ook nog eens met vele procenten stijgen. De Quote 500 is alweer rijker geworden, het aantal miljonairs en miljardairs en hun vermogen is alweer toegenomen. We hebben nu 176.000 miljonairs in dit land. Laten we het geld halen waar het te halen is. Waarom bijvoorbeeld niet de bankbelasting verder verhogen, zoals mijn partij in de Tweede Kamer bij amendement heeft voorgesteld? Waarom niet het hoge tarief voor de winstbelasting verhogen in plaats van verlagen, zoals het kabinet nu per 2021 wil doen? En over kansenongelijkheid gesproken, waarom voeren we eindelijk niet eens die miljonairstaks in? Dan heb je twee vliegen in één klap. Al die maatregelen zouden vele miljarden vrijmaken. Die hoeven niet allemaal naar onderwijs — we hebben ook elders meer publieke investeringen nodig — maar je zou daarbij de grote noden in het onderwijs wel degelijk kunnen lenigen.

Voorzitter. Het zijn echt allemaal keuzes en dit kabinet, met een onderwijspartij in de coalitie, maakt andere keuzes. Keuzes ten koste van het onderwijs. Zo simpel is het. Als iedereen in deze samenleving, dus ook de multinationals en de miljardairs, zijn fair share zou betalen, konden we gewoon budgetneutraal het benodigde geld voor het onderwijs vrijmaken.

Voorzitter. We hebben een begrotingsoverschot, maar een lerarentekort. We hebben overvolle kassen bij het grote bedrijfsleven, maar ook overvolle klassen. We hebben een afnemende effectieve belastingdruk voor grote bedrijven, maar een toenemende werkdruk voor docenten. De verkeerde keuzes dus. Ik realiseer me dat ik hier niet het debat voer met de minister van Financiën en dat deze ministers het ook maar moeten doen met de afgesproken financiële kaders, maar ik vraag me wel af hoe deze ministers daar zelf tegen aankijken. Hebben zij zelf niet eens gedacht: goh, is die belastingverlaging voor het grote bedrijfsleven wel echt nodig, als we zulke tekorten in het onderwijs hebben, is het wel echt nodig de staatsschuld nog verder af te lossen nu we zelfs een negatieve rente hebben en de noden binnen onze portefeuilles zo hoog zijn, en moet er niet ook meer geld naar onderwijs als we zo veel meer geld gaan uitgeven aan defensie? Hebben ze weleens geprobeerd de collega's in het kabinet op dit punt bij te sturen en het kabinet nadrukkelijker te laten kiezen voor onderwijs? Graag een reactie van beide ministers.

Voorzitter. Natuurlijk ontkent ook mijn fractie niet dat er stappen zijn gezet, bijvoorbeeld om het lerarentekort terug te dringen. Ik zei dat net al in het korte debatje met de heer Pijlman. Maar de minister weet ook dat desondanks het lerarentekort nog verder zal oplopen de komende jaren. Ook voor het wetenschappelijk onderwijs geldt dat de problemen voorlopig alleen nog maar nijpender worden, bijvoorbeeld met de quick and dirty job, al heeft de minister afstand genomen van die woorden, op basis van het rapport-Van Rijn. Het is dus niet zo zinvol, zeg ik bij voorbaat tegen beide ministers, om allemaal te gaan benoemen wat de regering al wel gedaan heeft. Evenzogoed heeft het weinig zin om te verwijzen naar die plannen die vooralsnog niet ook maar de aankondiging van een budgettaire vertaling krijgen. De minister van OCW heeft bijvoorbeeld gezegd het eens te zijn met WOinactie dat er voor het wetenschappelijk onderwijs structureel 1 miljard bij moet. Dat is mooi, heel mooi. Er is sprake van voortschrijdend inzicht. Maar die ene miljard staat niet in deze begroting. Verbindt de minister daarom zelf enige consequenties aan deze uitspraak? Heeft deze ook maar enige gevolgen voor het beleid van dit kabinet, of was het vooral voorsorteren op een volgende coalitie in het kader van de profilering richting de verkiezingen? Graag een reactie van de minister.

Voorzitter. Overigens hadden wij hier eerder in de senaat wel iets te vieren als het om hoger onderwijs ging. Mijn fractie was er zeer blij mee dat na een massale actie van studenten het voorstel van de minister om werd ingetrokken de rente op studieleningen te verhogen toen het hier geen meerderheid bleek te kunnen behalen. Groot was onze teleurstelling dan ook dat de 226 miljoen die dit kost vervolgens technisch is ingeboekt als bezuiniging op de onderwijsbegroting. Dat is een belediging aan alle studenten die hier zo hard actie tegen gevoerd hebben. Is de minister het met mijn fractie eens dat dit anders had gekund? Zo ja, waarom is hier dan voor gekozen? Deze minister ligt hopelijk toch niet helemaal aan de leiband van collega Hoekstra?

Voorzitter. Het punt van mijn fractie is dat wat gedaan wordt voor het komende jaar en tot het einde van deze kabinetsperiode duidelijk onvoldoende is. De vraag aan beide ministers is derhalve waarom er niet voor gekozen is meer te doen, want het "keuzes in schaarste"-argument, zoals ook de minister-president onlangs weer heeft gebruikt, overtuigt in dezen niet. Als het gaat om het primair onderwijs is de eenmalige 460 miljoen natuurlijk mooi, maar terecht hebben de leraren zich met dit zoethoudertje uiteindelijk niet laten afschepen en gingen de acties door. Dit is niet omdat leraren graag staken of niet snel tevreden zijn. Leraren willen het liefst gewoon voor de klas staan, doen waarvoor ze opgeleid zijn, met hart en passie voor hun vak, met toewijding aan de kinderen die aan hen toevertrouwd zijn. Maar die leraren voelen zich, zoals ik net al zei, vaak in de steek gelaten door de politiek, omdat hun het werk steeds minder goed mogelijk gemaakt wordt. Structurele problemen vragen om structurele oplossingen.

Naar aanleiding van wat deze krant het "broddelakkoord" van begin november noemde, het akkoord waarin die 460 miljoen werd toegezegd, schreef het NRC Handelsblad in een hoofdredactioneel commentaar dat het terecht was dat de leraren alsnog gingen staken, want — en ik citeer — "geslaagd basis- en middelbaar onderwijs vereist structureel bij te stellen financiering, voldoende om het te laten beantwoorden aan de maatschappelijke ontwikkelingen, zodat van niet één enkele leerling de denk- en doekracht onbenut blijft". Het zou zomaar in het verkiezingsprogramma van D66 hebben kunnen staan. De werkelijkheid met het beleid van deze coalitie is helaas een andere. Hopelijk kunnen beide ministers mij nog op andere gedachten brengen, moet ik hier natuurlijk aan toevoegen, maar groot is deze hoop niet. Dat laat onverlet dat ik zoals altijd uitkijk naar de beantwoording.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Van Apeldoorn. Dan is het woord aan de heer Vendrik, die het woord zal voeren namens de fractie van GroenLinks.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Voorzitter, dank u wel. Ik vervang mijn collega Ganzevoort, die vanmiddag verhinderd is. Ik feliciteer mevrouw Nanninga met haar bijdrage, zoals het goede gebruik hier betaamt, wat er ook gezegd wordt.

Voorzitter. Tijdens eerdere debatten heb ik het kabinet namens mijn fractie toegewenst dat ook in de nabije toekomst, bij gelegenheid van miljoenennota's, het kabinet het perspectief van de brede welvaart centraal stelt en alle transities die daarvoor nodig zijn maximaal op het vizier heeft. Brede welvaart gaat ook uiteindelijk, of misschien zelfs wel in de eerste plaats, over het bevorderen van levensgeluk en de mogelijkheden tot het ontplooien van mensen. Dan hebben we het niet alleen, maar ook vooral wel over onderwijs. Goed onderwijs is evident, niet alleen voor de brede welvaart, maar juist ook om mensen in de woeste tijden waarin we vandaag de dag leven, in staat te stellen om de transities die nodig zijn op tal van vlakken, op het gebied van klimaat, op het gebied van een duurzame economie, te snappen, te kunnen meemaken en daaraan te kunnen bijdragen. De verantwoordelijkheid van het onderwijsbestel in dit perspectief is fenomenaal groot. Het gaat ons allen aan en ook mijn partij ter harte.

Voorzitter. De afgelopen tien jaar is er door eerdere kabinetten nadrukkelijk voor gekozen om de oplopende tekorten die het gevolg waren van de financiële en later de eurocrisis in betekenisvolle mate te verhalen op de publieke sector. Het is niet helemaal onlogisch dat het vandaag de dag berichten regent over alle tekorten die zijn ontstaan op allerlei plekken in de publieke sector. Dat geldt niet alleen voor het onderwijs, maar ook voor het onderwijs. Geld maakt niet altijd gelukkig en is ook niet altijd een oplossing, maar het is voor mijn fractie evident dat er indringend gekeken mag worden om de structurele financiële positie van het onderwijs te versterken. Dat is ook de oproep die wij meerdere keren aan dit kabinet hebben gedaan. De tekenen, de signalen, van tekorten in het onderwijs zijn allerwege bekend. Collega's, zoals zojuist de heer Van Apeldoorn, hebben ze net al genoemd: het laatste OESO-onderzoek over de leesvaardigheid in het onderwijs, de personeelstekorten — vandaag kwam er een bericht dat het kabinet iets wil doen richting de grote steden — werkdruk. Er is een aanhoudende stroom van berichten dat er iets aan de hand is met het onderwijs. Dat "iets" heeft naar het oordeel van mijn fractie ook iets te maken met geld.

Voorzitter. Ik ga in het kader van dit begrotingsdebat dus op zoek naar geld. Dan is het echt een stap vooruit dat deze bewindslieden met het onderwijsveld in ieder geval dat convenant hebben gesloten ter waarde van 460 miljoen. Mijn fractie heeft daar bij eerdere gelegenheden ook waardering voor uitgesproken.

Ik vraag beide ministers of een van beiden om mij nog even te duiden of ik het goed snap dat de eerste 300 miljoen een incidentele toevoeging is die geregeld wordt bij de tweede suppletoire begroting 2019, die nu in de Tweede Kamer ligt maar die wij hier ook krijgen — dat geld is al uitgegeven in verband met de gewenste snelheid, zo hebben beide bewindslieden per brief aan de Kamer laten weten — en dat de overige 160 miljoen voor een klein deel in deze voorliggende begroting zit en voor een ander deel bijgeplust wordt en naar voren wordt gehaald bij de Voorjaarsnota begroting 2020. Heb ik het beeld zo goed, zodat we in ieder geval weten waar die 460 miljoen vandaan komt en waar die naartoe gaat? Dat is winst en dat is geen klein bier, maar het is niet genoeg. Bij meerdere gelegenheden heeft mijn fractie het kabinet aangespoord om zijn uiterste best te doen om te kijken waar meer en vooral structurele middelen te vinden zijn, want het merendeel van die 460 miljoen is dat niet.

Voor de zekerheid vraag ik waar het kabinet vandaag hiermee staat. Bij eerdere gelegenheden hebben wij begrepen, ook bij de Algemene Politieke Beschouwingen in deze Kamer, dat er op dit moment geen meerjarige ruimte gezien wordt in de opvolging van die 460 miljoen in komende jaren. Is dat nog steeds het geval? Kennelijk wordt er toch nog een klein extraatje richting de grote steden gestuurd, dus dat kan wel. Met het oog op een korte duiding voor dit debat vraag ik beide ministers dan ook waar dat geld vandaan komt en waarvoor het is bedoeld.

Mijn aandacht werd ook getrokken door de laatste brief van de minister van Economische Zaken en Klimaat. De groeiagenda had natuurlijk een bredewelvaartsagenda moeten zijn, maar dat sorteer ik met de heer Wiebes nog wel een keer uit. Op pagina 10 van deze groeiagenda wordt gesproken over het funderend onderwijs. Ik lees in de brief van de heer Wiebes, die naar ik aanneem namens het kabinet is, dat er een breed actieplan komt voor een ambitieuze verbetering van het onderwijs. Dat smaakt naar meer. Deze groeibrief is gekoppeld aan een initiatief dat het kabinet straks nog naar de Kamer gaat sturen en dat betreft het investeringsfonds waar zowel de minister van Economische Zaken en Klimaat als minister Hoekstra de scepter over zwaaien. Wat betekent dit nu? Kunnen we inderdaad verwachten dat in dat investeringsfonds een betekenisvol deel beschikbaar komt voor het funderend onderwijs? Is dat wat ik hier lees of is dat nog onduidelijk? Ik zou daar graag nadere opheldering over willen hebben. Maar ook bij zo'n investeringsfonds is het wel de vraag of het gaat om incidenteel geld en of het dus een eenmalige bijdrage is voor activiteiten in het onderwijsveld, want anders haal je het uit de begroting. Ik hoor graag wat gelezen moet worden achter deze passage in de brief van vorige week van de minister van Economische Zaken en Klimaat.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

De heer Vendrik is op zoek naar meer geld, structureel meer geld. Heeft hij ook ideeën over structurele veranderingen of verbeteringen in het onderwijs waar niet direct geld mee gemoeid is?

De heer Vendrik (GroenLinks):

Ik erken onmiddellijk dat ik geen onderwijsspecialist ben. Dat laat ik aan collega Ruard Ganzevoort over. Die had deze vraag van de heer Van Kesteren beter kunnen beantwoorden. Ik kan mij veel voorstellen bij verbeteringen in het onderwijs. Ik heb het betoog van de heer Van Kesteren ook gehoord over de overhead en het management. Dat is een oude discussie. Die snap ik. Ik snap ook de ergernis. Er zou ook best het nodige aan kunnen gebeuren, maar eerlijk gezegd geloof ik niet — die kennis ontleen ik ook aan een vorig baantje dat ik gehad heb — dat hiermee werkelijk structureel veel geld vrijkomt voor in de klas. Dat geloof ik niet. Ik denk dat we elkaar op dat punt niet te veel moeten wijsmaken dat daar nu het grote geld zit en dat het allemaal veel beter gaat als dat geld nu in de klas terechtkomt. Zo simpel zit de werkelijkheid volgens mij niet in elkaar.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Ik zou een gewetensvraag willen stellen. Wat is het percentage dat u echt, daadwerkelijk, in het primaire onderwijsleerproces werkzaam bent, en het percentage dat u buiten dat primaire proces werkzaam bent?

De heer Vendrik (GroenLinks):

Wat ik weet van het onderwijs, is dat ongeveer een kwart van het budget besteed wordt aan wat men over het algemeen als overhead beschouwt. Dat is ruwweg. Ongeveer een procent of 15, 20 — dat varieert een beetje per type onderwijs — gaat naar materiële uitgaven. Dan is dus ruim de helft, iets meer dan de helft, beschikbaar voor personele lasten die je maakt om onderwijzers en leerkrachten in dienst te nemen en hen hun werk te laten doen.

De heer Ton van Kesteren (PVV):

Als de heer Vendrik mijn betoog goed beluisterd heeft, weet hij dat ik het erover heb gehad dat een kwart naar het primaire proces gaat en de rest naar overhead en bureaucratie. Dat is iets anders dan hetgeen hij hier voorstelt.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Zeker. Ik put uit mijn geheugen uit onderzoek van de Algemene Rekenkamer. Die heeft dat namelijk al een keer uitgezocht. Daar komen deze cijfers vandaan.

De voorzitter:

U vervolgt uw betoog.

De heer Vendrik (GroenLinks):

Dat neemt niet weg dat ik uit die tijd ook nog een indringend pleidooi aan de vorige bewindslieden van Onderwijs onthouden heb om de transparantie over die uitgaven te verbeteren. Er loopt ook al een paar jaar een groot project daarvoor bij het ministerie. Deze vragen zouden immers veel makkelijker en simpeler beantwoord moeten kunnen worden. Die vragen slepen wij al een aantal jaren met ons mee.

Voorzitter. Ik was gebleven bij dat investeringsfonds en ik vraag hoe dat zit. Zit daar muziek in? Is dat eenmalig of structureel?

Voorzitter. Als dat allemaal niet helpt — ik zal er in tweede termijn nog op terugkomen — en als het kabinet in deze samenstelling geen ruimte ziet om structureel geld naar het onderwijs te brengen — nogmaals: ik hoor graag van de bewindslieden een bevestiging — dan is er nog één optie open, namelijk dat wij als politieke partijen, hier verzameld in de senaat, de wens uitspreken dat we na 2021 de 460 miljoen structureel gaan maken. Dan geeft de politiek een krachtig signaal in meerderheid. Ik overweeg op dat punt straks een uitspraak hier aan de collega's voor te leggen.

Voorzitter, dank.

De voorzitter:

Dank u wel, meneer Vendrik. Dan is ten slotte het woord aan mevrouw Vos namens de fractie van de Partij van de Arbeid.

Mevrouw Vos (PvdA):

Voorzitter, dank u wel. Ook namens mij felicitaties aan mevrouw Nanninga voor haar maidenspeech, ondanks dat ik natuurlijk graag had geïnterrumpeerd. Maar dat komt vast nog wel.

Voorzitter. Opa Vos was in de jaren vijftig en zestig van de vorige eeuw hoofdonderwijzer op de lagere school. Hij had zes kinderen, en zijn vrouw, mijn lieve oma, was huisvrouw. Opa was dus de kostwinner. Opa Vos was een man met aanzien in het dorp. De burgemeester, de dominee, de huisarts en de notaris waren net wat voornamer dan hij, maar het scheelde niet veel. Maar in 1984 gaf de Tweede Kamer groen licht voor de zogeheten HOS-operatie, Herziening Onderwijs Salarissen. Daar heeft de heer Van Kesteren ook mee te maken gehad. De regering van toen vond deze bezuiniging nodig omdat het slecht ging met de economie, en er was een lerarenoverschot. Sinds de HOS-operatie verdienen leraren die na 1985 begonnen, aanzienlijk minder dan de vergelijkbare beroepen in de marktsector en in vergelijking met leraren die eerder begonnen.

Een neveneffect van de HOS-operatie was dat het onderwijs minder aantrekkelijk werd voor mannen. Je kon niet meer, zoals vroeger, een vrouw en kinderen van het salaris onderhouden. Zeker in het basisonderwijs, waar de salarissen lager zijn dan in het voortgezet onderwijs, liep het aantal mannelijke docenten flink terug. Daar zijn ook andere oorzaken voor, maar gezien het feit dat er in het voortgezet onderwijs wel meer mannen werken, moet dat iets met het verschil in salaris te maken hebben. De reputatie van leraren op de basisschool op de statusladder is van plek 42 naar plek 69 gegaan.

In 2007 bracht oud-senator Alexander Rinnooy Kan het advies LeerKracht uit. In dat rapport waarschuwde hij dat er een lerarentekort aan kwam. Er moest worden geïnvesteerd in lerarensalarissen en werkdrukverlichting om het beroep leraar aantrekkelijker te maken. Door de crisissen die in 2008 volgden, is er te weinig gedaan met die oproep. De nullijn van het kabinet-Rutte I voor alle ambtenaren werd in 2013 door het nieuwe kabinet enigszins gerepareerd voor het onderwijs, maar we kunnen vaststellen — dat stelt de heer Rinnooy Kan ook — dat het beleid niet succesvol is geweest. Want waar staan we nu? We hebben een zorgwekkend groot lerarentekort, waardoor 55.000 leerlingen in het primair onderwijs in 2020 — dat is dus over een paar weken — geen leraar voor de klas hebben. Als we niets doen, zijn dat 240.000 kinderen in 2028.

Het pijnlijke is dat leerlingen in kwetsbare wijken in arme buurten extra hard getroffen worden. De ongelijkheid in kansen wordt nog eens extra vergroot door het lerarentekort. Want we zien wachtlijsten voor het speciaal onderwijs en we zien dat de meest ervaren leraren kiezen voor scholen met kinderen waarvan de ouders relatief hoogopgeleid zijn. We weten dat de problematiek in het bijzonder wringt op plekken waar het voor leraren praktisch onmogelijk is om te wonen: de grote steden. In Amsterdam bijvoorbeeld worden het komend jaar ruim 350 leraren gezocht: 100 meer dan we het afgelopen jaar nog verwachtten. Gemiddeld twee leraren per school tekort en het is ook nog een ongelijk verdeeld over de scholen. De minister heeft geen zicht op welke scholen en welke kinderen het hardst worden geraakt door het tekort. Hoe kon het immers dat de inspectie verrast was door de vijfdaagse sluiting van zestien scholen in Amsterdam? Het is zeer zorgelijk.

Dit jaar zagen we voor het eerst weer stakingen in het onderwijs. Het Malieveld stond afgelopen maart vol en op 6 november werd er door tienduizenden leraren gestaakt. Eind januari leggen de leraren opnieuw het werk neer, dit keer voor twee dagen. Het cao-akkoord van vorige week repareert de inflatie, maar dicht de loonkloof niet en geeft geen perspectief op verbetering. De incidentele bedragen en de maatregelen die de regering net heeft aangekondigd in verband met het tekort in de grote steden zijn wel degelijk belangrijk en ook welkom, maar het is onvoldoende. Want leraren geven niet incidenteel les. Het lerarentekort is niet alleen een ramp voor die duizenden kinderen die vandaag, morgen en na de kerstvakantie houtje-touwtje les krijgen van onbevoegden of invalkrachten, uitzendkrachten, artiesten, of naar huis worden gestuurd of verdeeld. Het is ook een ramp voor onze samenleving. Het is voor ons allemaal een ramp.

De dramatische daling in leesscores in het PISA-rapport betekent dat een kwart van de leerlingen nu niet kan meedoen in onze samenleving. Stichting Lezen en Schrijven verzamelt al jaren de verhalen van mensen die niet volwaardig kunnen participeren omdat ze niet kunnen lezen, of wel kunnen lezen maar niet schrijven. 2,5 miljoen mensen in deze samenleving die niet kunnen meedoen. Kan je het je voorstellen: 2,5 miljoen mensen, een op de acht mensen in Nederland? Je kunt het internet niet gebruiken, een aanmaning of een brief over je kinderen niet lezen. Als laaggeletterde kan je dit werk ook niet doen. Als volksvertegenwoordiger moet je immers gigantische hoeveelheden tekst verwerken en schrijven. 2,5 miljoen mensen die vanwege een beperkte lees- en schrijfvaardigheid geen volksvertegenwoordiger kunnen zijn. Ik vind het ook een ramp voor de democratie. Toen Duitsland in 2000 een vergelijkbare daling in leesscores meemaakte, heeft de regering extra middelen uitgetrokken voor beter onderwijs en nu staat Duitsland weer in het goede rijtje.

Ook wij zijn gewaarschuwd, onder meer door de Staat van het Onderwijs, dat het lerarentekort directe gevolgen heeft voor de kansengelijkheid en de kwaliteit. Waarom hebben wij die risico's op kansenongelijkheid niet in kaart gebracht, bijvoorbeeld via de onderwijsinspectie? Ondertussen hangen in de rijke wijken posters van particulier onderwijs voor de kinderen van wie de ouders veel geld kunnen betalen voor kleine klassen en goedbetaalde leraren. Rijke ouders snappen wél dat het geld kost om je kind goed onderwijs te geven. Maar dit is een bittere en cynische opmerking, zeker als je bedenkt dat in de Grondwet, artikel 23, lid 1, staat dat onderwijs een aanhoudende zorg voor de regering is, zodat iedereen in Nederland dezelfde kansen krijgt en gelijk behandeld wordt, zeg ik vrij naar artikel 1.

De PvdA-fractie zegt niet dat dit kabinet alleen verantwoordelijk is voor de crisissituatie waarin we nu zitten, maar we zeggen wel dat dit kabinet het tij kan keren met deze begroting; nu, dit jaar. Het kan ook. Minister Wiebes presenteerde de afgelopen week de contouren van het investeringsfonds voor ons toekomstig verdienvermogen, collega Vendrik refereerde er al aan. En wat schrijft de regering? Dat goed onderwijs loont. "Uit onderzoek blijkt dat leerwinst vroeg in het leven ook doorwerkt op het loon dat de leerling later in zijn of haar leven verdient." Dat heeft de regering vast van econoom Heckman, die al jaren geleden aantoonde dat hoe meer geld je steekt in jonge kinderen, hoe beter dat is voor de samenleving als geheel, naast dat het natuurlijk ook heel goed is voor jonge kinderen. Wat dan heel vreemd is, is dat de regering niks schrijft over het menselijk kapitaal dat je daarvoor nodig hebt, maar wel over digitale hulpmiddelen. Als we niet eens de mensen hebben die die digitale hulpmiddelen kunnen ontwikkelen, "hoe dan?", zouden kinderen dan zeggen in straattaal, want dat is het enige dat ze dan nog leren: hoe dan? Ze kregen immers geen beschaafd Nederlands van een leraar. Laten we wel wezen, echt lezen en schrijven leer je vooralsnog van mensen, van leraren van vlees en bloed die met tijd en toewijding individuele leerlingen kunnen lesgeven.

Voorzitter. De regering rept over de gevolgen van het lerarentekort voor ons verdienvermogen, maar de meest eenvoudige economenoplossing wordt niet genoemd. Maarten Schinkel, economiecolumnist van het NRC Handelsblad, schreef dat de krapte in het onderwijs niet makkelijk op te lossen is in een economie die op de toppen van haar kunnen zit. Huizenprijzen en woonlasten blijven stijgen, er is minder arbeidspotentieel over, en de concurrentie met andere banen op de arbeidsmarkt groeit. Dat klopt allemaal, maar hij zegt als econoom: alles heeft zijn prijs. Hogere lonen met name in de steden zijn het antwoord, en geen procentjes. Er is geld, er is een bittere noodzaak, en er is geen reden om te wachten, zegt Schinkel. Schinkel, Heckman, Marieke Blom, hoofdeconoom van de ING-bank, het zijn niet de minste economen die zeggen dat geld in het onderwijs de beste investering is, maar zolang we onderwijs zien als consumptieve uitgave blijft het conjunctureel sappelen met onze kinderen. Onderwijs moeten we gewoon zien als een investering, omdat we geen enkel kind gelijke kansen willen misgunnen vanwege een boekhoudkundige regel.

Voorzitter. Ik heb hier vooral een economische redenering neergezet. De hartenkreten van leraren en schooldirecteuren die we de afgelopen jaren hebben gehoord, hebben blijkbaar de regering nog niet overtuigd. Maar luister toch vooral naar hen die met liefde voor het vak en soms met de moed in de schoenen voor de klas staan. Zorg voor een werkdrukverlichting en betere salarissen zodat het beroep weer aantrekkelijk wordt. Dat is wat ze vragen en niet alleen voor henzelf, maar voor de kinderen en hun toekomst, en ook onze toekomst.

Ik heb een aantal vragen aan de regering. Is de regering het eens met de analyse van diezelfde regering dat goed onderwijs cruciaal is voor onze welvaartsontwikkeling? En zo nee, waarom niet? Is de regering met het de PvdA-fractie eens dat de loonkloof tussen het primair onderwijs en het voortgezet onderwijs een van de oorzaken is van de verminderde populariteit van het leraarschap in het primair onderwijs? En zo nee, waarom niet? Is de regering het met de PvdA-fractie eens dat er meer mannelijke leerkrachten nodig zijn in het primair onderwijs? En zo ja, wat gaat ze doen om meer mannen te interesseren voor het vak? Wat gaat de regering doen om nieuw en oud talent weer te verleiden voor het vak leraar, nu, dit jaar, en op de lange termijn? Is de regering bereid om het tij nu te keren en een structureel bedrag uit te trekken voor het verhogen van de lerarensalarissen in het primair onderwijs? Bijvoorbeeld de helft van het bedrag dat de AOb noemt als disclaimer bij het vorige week gesloten onderhandelingsakkoord van de cao. En zo nee, waarom wil de regering dat bedrag dan niet uittrekken?

Terug naar mijn opa. Die tijd komt niet meer terug, maar ik zou wel willen dat het beroep leraar op de basisschool weer net zo belangrijk wordt gevonden als in die tijd. De leraren in het primair onderwijs dragen de zware en mooie verantwoordelijkheid om kinderen de basis mee te geven voor hun toekomst, maar ook voor onze toekomst. De PvdA-fractie hoopt van harte dat dit kabinet onze analyse deelt en dat dit kabinet het kabinet gaat zijn dat het lerarentekort structureel gaat oplossen. Ik gun het deze mijlpaal ook van harte.

Dank u wel.

De voorzitter:

Dank u wel, mevrouw Vos. Wenst een van de leden in eerste termijn nog het woord? Dat is niet het geval.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Ik verzoek de onderwijswoordvoerders om vanavond de bel goed in de gaten te houden, voor het geval de eerste termijn van de regering eventueel iets eerder begint, bijvoorbeeld rond een uur of negen. Ik verzoek u dus gaarne om de bel daartoe scherp in de gaten te houden.

Ik schors de vergadering voor de dinerpauze tot 19.00 uur.

De vergadering wordt van 17.42 uur tot 18.59 uur geschorst.