Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2013-2014nr. 19, item 5

5 Jeugdwet

Aan de orde is de voortzetting van de gezamenlijke behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Regels over de gemeentelijke verantwoordelijkheid voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en ouders bij opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen (Jeugdwet) (33684);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de jeugdzorg en andere wetten in verband met de verplichting tot het gebruik van het burgerservicenummer in de jeugdzorg (gebruik burgerservicenummer in de jeugdzorg) (33674).

De beraadslaging wordt hervat.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Voorzitter. Vandaag behandelen wij in deze Kamer het voorstel voor een nieuwe Jeugdwet. De PvdA-fractie dankt de staatssecretarissen voor de uitvoerige en vaak heldere beantwoording van de vele vragen die wij in de afgelopen twee maanden op hen hebben afgevuurd. Ik ben me ervan bewust dat in het land met zeer verschillende waardering naar de behandeling in deze Kamer is en wordt gekeken. Enerzijds zijn er fervente voorstanders van dit wetsvoorstel, die niet kunnen wachten tot het wetsvoorstel is aangenomen en die het maar hinderlijk lijken te vinden dat de Eerste Kamer de behandeling zo grondig ter hand heeft genomen. De boodschap is nog net niet "teken maar bij het kruisje", maar veel scheelt het niet. Anderzijds zijn er hartgrondige tegenstanders van dit wetsvoorstel, met name van de daarin voorgestelde volledige overheveling van de jeugd-ggz, die hun laatste hoop, soms grenzend aan wanhoop, op de behandeling in deze Kamer hebben gevestigd.

Dit tekent de enorme tegenstelling en wellicht zelfs polarisatie die het debat rond de voorgestelde overheveling van de jeugd-ggz kenmerkt. Vanzelfsprekend zal ik verderop in mijn inbreng uitvoerig stilstaan bij de kwestie rond de jeugd-ggz, maar dit wetsvoorstel betreft veel meer dan alleen de overheveling van de jeugd-ggz en de discussie daaromtrent moet niet het zicht op de rest van het wetsvoorstel belemmeren. Daarom wil ik beginnen met het maken van een aantal opmerkingen over de meer algemene inhoud en strekking van dit wetsvoorstel.

Met dit wetsvoorstel wordt beoogd, alle jeugdhulp naar de gemeenten te decentraliseren. De gemeenten zijn al verantwoordelijk voor het preventieve jeugdbeleid, opvoed- en gezinsondersteuning en de jeugdgezondheidszorg. Daar komen volgens dit wetsvoorstel bij: de (thans provinciale) jeugdzorg; de gesloten jeugdzorg; de jeugd-ggz; de zorg voor licht verstandelijk gehandicapte jongeren en de jeugdbescherming en jeugdreclassering. In de huidige situatie zijn de ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen in verschillende wettelijke kaders geregeld, zijn er verschillende toegangen en meerdere bestuurslagen en financierings- en verantwoordingssystemen. De taken en verantwoordelijkheden voor de verschillende vormen van jeugdhulp zijn in de huidige situatie verspreid over gemeenten, provincies, zorgverzekeraars, zorgkantoren en Rijk. In het wetsvoorstel krijgen de gemeenten de regie over het gehele jeugdstelsel.

Het nieuwe stelsel kent één wettelijk kader en één integraal financieringssysteem. De hoofdgedachte achter deze decentralisatie is dat gemeenten, als de overheid die het dichtst bij de burgers staat, een regierol kunnen vervullen waar het jeugdhulp betreft en dat dit de kwaliteit van de jeugdhulp door een integrale aanpak en maatwerk zal verbeteren. De verwachting is daarbij dat gemeenten door intensivering van de preventie en het vroegtijdig en integraal aanbieden van jeugdhulp het beroep op specialistische en gedwongen hulp kunnen doen verminderen.

Daar zit voor de PvdA-fractie de kern van dit wetsvoorstel, namelijk het streven dat gemeenten door intensivering van de preventie en het vroegtijdig en integraal aanbieden van jeugdhulp het beroep op specialistische en gedwongen hulp kunnen doen verminderen. Deze doelstelling van het wetsvoorstel kan op grote waardering en steun van de PvdA-fractie rekenen. Het verminderen van de noodzaak van het inzetten van gedwongen hulp is een heel belangrijk punt, dat ons inziens tot dusverre te weinig aandacht heeft gekregen in de vele commentaren op dit wetsvoorstel. De Nederlandse jeugd behoort volgens onderzoek van de Wereldgezondheidsorganisatie tot de gelukkigste ter wereld en toch heeft Nederland vergeleken met de ons omringende landen de meeste jeugdigen in instellingen wonen. Dat is iets wat we niet mogen accepteren en waar dit wetsvoorstel verandering in wil brengen door gemeenten in staat te stellen vroegtijdige en integrale hulp te bieden, zodat problemen in gezinnen niet nodeloos uit de hand lopen en jeugdigen minder vaak uit huis geplaatst hoeven te worden.

Hier zit een opmerkelijke tegenstelling tussen de met het wetsvoorstel nagestreefde doelstelling en de beeldvorming over dit wetsvoorstel bij veel mensen in het land. Het beoogde nieuwe stelsel is nu al belast met het beeld van dwang en bevoogding. Dit mag niet worden afgedaan met het gemakkelijke argument dat dit beeld veroorzaakt is door angst- en paniekzaaiende tegenstanders van de wet.

Er is namelijk meer aan de hand. In de toelichting op het wetsvoorstel zelf zit een zekere tweeslachtigheid: beoogt dit wetsvoorstel nu een dienstbare lokale overheid, die inzet op passende hulp en zorg aan jeugdigen om onnodige zware en/of gedwongen behandelingen te voorkomen en die zo veel mogelijk de regie bij de ouders laat of creëert het een betweterige en zwaar bezuinigende overheid, die wil "demedicaliseren" en "ontzorgen"? Het lijken zulke onschuldige termen, maar je zult maar ouder zijn van een zwaar autistisch kind en dan lezen in de toelichting op dit wetsvoorstel en in antwoorden op vragen van deze Kamer dat dit wetsvoorstel demedicaliseren en ontzorgen nastreeft. Realiseren de staatssecretarissen zich hoe bevoogdend dit klinkt en hoeveel zorgen, angst en weerstand dit bij ouders kan veroorzaken? Kunnen demedicaliseren en ontzorgen ooit een doel zijn? Ik stel deze vraag aan de staatssecretaris van VWS. Is demedicalisering niet vooral een gevolg dat kan optreden door het aanbieden van passende jeugdhulp?

Passende hulp en zorg, dat is toch waar het in de kern om gaat? Soms zal dat betekenen dat een jeugdige die ten onrechte niet wordt behandeld door bijvoorbeeld de jeugd-ggz, alsnog die behandeling krijgt. In andere gevallen zal het betekenen dat de zorg die een jeugdige al krijgt, passende zorg blijkt te zijn. Ongetwijfeld zullen er ook gevallen zijn waarin blijkt dat een jeugdige een onnodig zware behandeling heeft gekregen, die dus geen passende zorg is. Echter, door demedicaliseren als een van de nagestreefde doelen te formuleren, ontstaat bij ouders de begrijpelijke vrees dat de gemeente erop uit is om, als het maar enigszins kan, hun kind de noodzakelijk zorg af te nemen. Die vrees is alleen maar toegenomen door de opmerking onlangs in een interview van de voorzitter van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten dat "bij de jeugdzorg jongeren niet meer naar de psychiater worden gestuurd, maar naar de voetbalclub". Begrijpt de staatssecretaris van VWS hoeveel onrust deze uitspraak bij ouders teweegbrengt? Graag vernemen wij zijn reactie op de door mij geciteerde uitspraak.

Dan heb ik het nog niet eens over de vrees voor een almachtige, alwetende lokale overheid, die met drang en dwang ouders en jeugdigen haar wil oplegt en daarbij mogelijk zelfs openbare-ordedoelen of andere doelen vermengt met de doelen van dit wetsvoorstel. In NRC Handelsblad van 8 oktober jl. schetste een advocaat dit laatste scenario als een door hem gevreesde mogelijkheid. Daarin vertelde hij onlangs al te hebben meegemaakt dat een moeder die een nieuwe woning afwees vanwege de slechte buurt, door de gezinsvoogd gedreigd werd met korting op haar uitkering. Ik nodig de staatssecretarissen van harte uit om in hun antwoorden dat beeld van een dwingende, almachtige en alwetende overheid naar het rijk der angstzaaiende fabelen te verwijzen en voluit te kiezen voor de dienstbare overheid die ik eerder schetste.

Over de voorgestelde volledige overheveling van de jeugd-ggz zijn bij de schriftelijke behandeling van dit wetsvoorstel al talloze vragen gesteld, ook door de PvdA-fractie. Met name in de nadere memorie van antwoord heeft de regering helder de problematiek geschetst die zij met dit wetsvoorstel en de daarin voorgestelde volledige overheveling van de jeugd-ggz wil oplossen. De regering erkent dat met die overheveling nieuwe schotten ontstaan, zoals die tussen jeugd-ggz en volwassenen-ggz, waarvoor vervolgens weer oplossingen moeten worden gevonden. Ook wordt erkend dat het overgrote deel van de cliënten in de jeugd-ggz niet tevens een andere vorm van jeugdhulp ontvangt. In de thans voorgestelde overheveling van de jeugd-ggz worden de gemeenten echter ook verantwoordelijk voor de zorg aan jeugdigen met alleen een ggz-problematiek. Wij hebben de staatssecretarissen in het verslag van de commissie voor VWS gevraagd of het probleem dat de regering met de voorgestelde volledige overheveling van de jeugd-ggz wil oplossen ook op een andere wijze zou kunnen worden aangepakt. Wij hebben daarbij met name gevraagd naar het oordeel van de regering over de alternatieve overhevelingsvariant uit het rapport van Van Gastel getiteld Gemeenten aan zet. Twee wegen naar ggz voor zorggezinnen. In die variant krijgen de gemeenten zeggenschap over de inzet van ggz. Dat wil zeggen dat zij via de zorgverzekeraars kunnen meesturen. Uit de nota naar aanleiding van het verslag kunnen wij niet opmaken waarom de regering niet de beide overhevelingsvarianten uit het rapport proactief onderdeel heeft laten uitmaken van de parlementaire behandeling. Graag vernemen wij dat thans alsnog van de staatssecretaris van VWS. In de nota naar aanleiding van het verslag trekt de regering de conclusie dat de volledige overheveling van de jeugd-ggz het beste aansluit bij de doelen van de Jeugdwet en derhalve de voorkeur geniet boven de alternatieve overhevelingsvariant.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dit is een interessante passage. Mevrouw Beuving zegt dat op verschillende manieren over de overheveling van de jeugd-ggz gedacht kan worden en dat er verschillende varianten zijn. Een van die varianten is toch dat kinderen en jeugdpsychiatrie aan de ene kant worden gehouden en andere vormen van jeugdzorg – waar een klinische of een gedragstherapeutische aanpak nodig is – aan de andere kant? Heb ik dat goed begrepen?

Mevrouw Beuving (PvdA):

Dat zijn niet de twee varianten die ik zojuist schetste en waar mijn vragen op zagen. Dat zijn andere varianten dan de variant die de heer Kuiper bedoelt. Tot dusverre heb ik gesproken over de variant uit dit wetsvoorstel, dat wil zeggen de volledige overheveling. De alternatieve variant die in het rapport van Van Gastel wordt genoemd, is het overdoen van een gedeelte van de zeggenschap. De variant die ik eerder en ook zojuist in een interruptie van de woordvoerder van de ChristenUnie meende te beluisteren, is dat een knip wordt gemaakt binnen de jeugd-ggz en een deel van de jeugd-ggz wel wordt overgeheveld naar de gemeente en een deel niet. Dat is trouwens de derde variant die in het rapport van Van Gastel is genoemd en daar in zekere zin is uitgewerkt. Van Gastel heeft echter meteen de conclusie in het rapport getrokken dat die variant echt te gecompliceerd is en in de praktijk ongelooflijk veel complicaties zal geven, omdat je zo'n mooie naadloze knip niet schijnt te kunnen maken. Ik stel voor dat de heer Kuiper deze vraag echter aan de staatssecretaris stelt. Ik heb inderdaad tot nu toe geen aandacht voor deze variant gevraagd.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik zal deze vraag ook stellen aan de staatssecretaris. Ik hoor echter ook graag of die meeloopt in de gedachten van mevrouw Beuving.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Die loopt op dit moment niet mee in de gedachten van mijn fractie. Daarom heb ik die ook niet voorgehouden in de vragen in het verslag aan de staatssecretaris. In lijn met de conclusie in het rapport van de heer Van Gastel is mijn fractie ervan overtuigd dat dat een te gecompliceerde kwestie gaat worden. Wij zagen daartoe geen mogelijkheden en wij zagen geen reden om dat voor te leggen aan de staatssecretaris.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik ben het eens met de woordvoerder van de PvdA dat het jammer is dat het hele rapport van Van Gastel zo weinig aandacht heeft gekregen tijdens de parlementaire behandeling, kijkend naar de beantwoording in de beide memories van antwoord. Het verbaast mij bovendien om in de beantwoording op de vraag van mevrouw Beuving of de tweede variant – het blijft wel zorgverzekerde zorg maar gemeenten gaan daarop sturen – is in te passen in het wetsvoorstel te lezen dat dat te ingewikkeld is. Eigenlijk lees ik in het antwoord: omdat het zo ingewikkeld is, moet het ook maar niet worden gedaan. Ik ben eigenlijk benieuwd naar de wijze waarop mevrouw Beuving het antwoord op die vraag weegt.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik kan daar prima op ingaan. In mijn voorbereiding heb ik mij gericht op de inhoudelijke argumentatie van de regering om niet te kiezen voor de alternatieve variant maar voor volledige overheveling. Mevrouw Slagter wijst nu op een andere kwestie waar ik ook naar gevraagd heb. Ik heb gevraagd of die alternatieve variant sowieso in te passen zou zijn in dit wetsvoorstel. Ik beantwoord die vraag graag. De regering zegt voor mijn gevoel meer dan dat het ingewikkeld is. De regering zegt dat het niet mogelijk is. Alleen al vanwege de definitie van jeugdhulp en de hele opzet van het wetsvoorstel, met zijn definities en uitwerkingen, maar ook vanwege de relatie met de Zorgverzekeringswet zou daartoe het wetsvoorstel gewijzigd moeten worden. Ik begrijp uit het antwoord dat dan zelfs de Zorgverzekeringswet gewijzigd zou moeten worden. Ik wilde zelf niet doorgaan op dat punt, omdat ik dat antwoord heel duidelijk vond. Ik vervolg daarom mijn betoog en sta met name stil bij de inhoudelijke argumentatie van de regering. De regering zegt dat die alternatieve variant niet de voorkeur verdient.

In de nota naar aanleiding van het verslag trekt de regering de conclusie dat de volledige overheveling van de jeugd-ggz het beste aansluit bij de doelen van de Jeugdwet en derhalve de voorkeur geniet boven de alternatieve overhevelingsvariant. Als argumenten voor dit oordeel wordt gesteld dat in de alternatieve variant een negatieve prikkel zit voor gemeenten omdat zij kunnen verwijzen naar jeugd-ggz en kunnen meesturen zonder hiervoor zelf de kosten te hoeven dragen, waardoor het voor gemeenten niet loont om in te zetten op preventie of integrale zorg. De regering zegt bovendien dat de prikkel voor zorgverzekeraars om mee te gaan in het programma van wensen van de gemeenten zeer beperkt is in die variant en dat de gemeenten daarmee altijd op achterstand staan. Dat is even heel kort samengevat de argumentatie van de regering.

De PvdA-fractie vraagt de staatssecretaris van VWS of deze argumentatie niet voorbij gaat aan de mogelijkheden van professionals en zorgverzekeraars om in samenwerking met de gemeenten te voorkomen dat sprake zal zijn van onwenselijke doorverwijzing en om te bewerkstelligen dat er in preventie wordt geïnvesteerd. Het rapport van Van Gastel spreekt in dit kader van een wettelijke verplichting voor verzekeraars en gemeenten om hierover afspraken te maken. Wij vragen de staatssecretaris van VWS om hier nader op in te gaan.

Om geen enkel misverstand te laten ontstaan: onze vragen over de alternatieve overhevelingsvariant betekenen niet dat wij bezwaar hebben tegen de voorgestelde volledige overheveling als zodanig. Wel zou een minder vergaand alternatief dat in gelijke mate geschikt is om de door de regering gesignaleerde problematiek op te lossen, te verkiezen kunnen zijn boven een verdergaand alternatief. Wij wachten op dit punt de beantwoording door de staatssecretaris van VWS van de zojuist gestelde vragen dus met belangstelling af.

Zonder ook maar iets af te willen doen aan die vragen, maak ik nog een aantal andere opmerkingen over de voorgestelde overheveling van de jeugd-ggz. In de discussie hieromtrent heeft het de PvdA-fractie getroffen dat het voor velen onbegrijpelijk en onacceptabel lijkt te zijn dat de lokale overheid verantwoordelijk wordt de jeugd-ggz. Het is opmerkelijk dat deze verantwoordelijkheid wel wordt toevertrouwd aan de private zorgverzekeraars, maar niet aan de lokale overheid. Ten onrechte wordt kennelijk gedacht dat de plicht voor gemeenten om passende jeugdhulp aan te bieden een teruggang is ten opzichte van het recht op verzekerde zorg onder de Zorgverzekeringswet. Daarbij wordt onvoldoende onder ogen gezien dat het recht op gezondheidszorg langs verschillende wegen kan worden gerealiseerd. Het recht van een zorgverzekerde op de volgens de polis verzekerde zorg is één manier, maar de verplichting voor de lokale overheid om passende zorg aan te bieden is evenzeer een wijze waarop het recht op geestelijke gezondheidszorg kan worden geborgd. De – afdwingbare – verplichting van gemeenten om jeugdhulp te verlenen, is een resultaatsgerichte verplichting. Artikel 2.3, eerste lid van het wetsvoorstel verplicht gemeenten om voorzieningen te treffen die de jeugdigen in staat stellen om gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren. In dat opzicht gaat de verplichting voor gemeenten om jeugdhulp te verlenen zelfs verder dan het huidige stelsel, waarin een jeugdige een bepaalde diagnose moet hebben – dbc's – om zorg te kunnen krijgen, maar die slechts krijgt als die zorg in het verzekerde pakket zit.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik kan de gedachtegang van de woordvoerder van de PvdA heel goed volgen. Volgens haar gaat het uiteindelijk om garantie op de toegang, niet per se om de vormgeving daarvan, via een verzekeringsrecht of anderszins. De vraag is hoe de woordvoerder aankijkt tegen het gegeven dat een gemeente met budgetten te maken heeft die op een gegeven moment op kunnen zijn en waarbij bezuinigingen een rol kunnen spelen. Aan het begin van haar betoog zei ze iets over de bezuinigingen en de effecten die die kunnen hebben. Hoe kijkt zij aan tegen de mogelijkheid van deze transitie, tegen de garantie van die toegang en tegen het verlenen van de zorg vanuit de gemeenten in het licht van de opgelegde bezuinigingen?

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik vraag de heer Ganzevoort om mij in de gelegenheid te stellen om dat punt, waarop ik echt indringend zal ingaan en waarover ik vragen zal stellen aan de regering, te maken in de volgorde die ik graag wil aanhouden. Ik wil nu graag mijn betoog vervolgen.

Ik sprak over enerzijds het recht uit hoofde van een verzekeringsovereenkomst en anderzijds de verplichting van een lokale overheid om passende jeugdhulp te bieden, die dan ook nog eens resultaatsgericht is geformuleerd. Ik zei al dat de verplichting van de gemeenten zelfs verder gaat dan die van zorgverzekeraars in het huidige stelsel. Waar het – ook in het licht van het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind – om gaat is dat iedere jeugdige die zorg nodig heeft, deze zorg ook daadwerkelijk krijgt en dat deze zorg van goede kwaliteit is en tijdig wordt ingezet. Dat is de plicht die als dit wetsvoorstel wordt aangenomen, komt te rusten op de gemeenten. Dat is een forse plicht; dat zeg ik niet alleen als senator maar ook als jurist. Die gaat ver.

Veel ouders en professionals in de jeugd-ggz hebben echter niet het vertrouwen dat gemeenten deze verplichting naar behoren zullen nakomen. Dat hangt mogelijk samen met de angst voor een betweterige en zwaar bezuinigende overheid die wil demedicaliseren en ontzorgen. Daar komt bij dat ouders beseffen dat als ze niet tevreden zijn over het jeugdhulpbeleid van hun gemeente, ze niet zo gemakkelijk van gemeente kunnen veranderen als ze in de huidige situatie kunnen veranderen van verzekeraar. Het angstbeeld doemt op van moeten verhuizen om de juiste zorg voor je kind te krijgen. Graag horen wij van de staatssecretaris van VWS hoe hij daartegen aankijkt. Kan hij daarbij nog eens bevestigen dat jeugdigen met enkelvoudige ggz-problematiek, dat wil zeggen in situaties zonder overlap met andere vormen van jeugdhulp, via de verwijsmogelijkheid van huisartsen een prima rechtstreekse route naar de jeugd-ggz hebben, zodat er voor hen in de praktijk niet veel hoeft te veranderen?

Ten aanzien van de gemeentelijke toegangspoort tot de jeugdhulp wil de PvdA-fractie graag nog eens helder uiteengezet hebben door welke functionarissen met welk niveau van medische expertise in dat geval wordt beoordeeld welke zorg wel of niet nodig is. Is het niet zo dat in het bijzonder de beoogde overheveling van de jeugd-ggz de aanwezigheid van medische expertise in de gemeentelijke toegangspoort nodig maakt? Wij vragen ons ook af hoe het zit met de huidige cliënten van de jeugd-ggz. Vinden er herbeoordelingen plaats van de noodzaak en passendheid van hun behandeling nadat het jaar is verstreken waarin zij volgens de wet hun huidige recht op jeugdhulp behouden? Zo ja, op welke wijze en door wie vinden dergelijke herbeoordelingen plaats? En wat gebeurt er met een lopende behandeling zowel tijdens als na afloop van het overgangsjaar, als de gemeente waarin de jeugdige woont de betreffende behandelaar niet heeft gecontracteerd?

Ik sprak zo-even al over de nieuwe schotten die met de voorgestelde volledige overheveling van de jeugd-ggz ontstaan, zoals tussen jeugd-ggz en volwassenen-ggz. Heeft de staatssecretaris van VWS daar oplossingen voor en zo ja, welke zijn dat? Voorts vragen wij de staatsecretaris of de gemeenten zich na de beoogde volledige overheveling van de jeugd-ggz ook mede verantwoordelijk zullen voelen voor het in stand houden van wetenschappelijk onderzoek van hoge kwaliteit in de ggz in Nederland, de opleidingen en de innovatie in instellingen. Heeft hij daarover al met veldpartijen gesproken?

De beoogde overheveling van de jeugd-ggz naar de gemeenten wordt door jeugdigen, ouders en professionals in die sector ervaren als stigmatiserend, omdat de rest van de medisch-specialistische zorg in de Zorgverzekeringswet blijft. Men voelt de overheveling als een duiding dat het in de jeugd-ggz om nepziektes zou gaan. De PvdA-fractie hecht er veel waarde aan dat dit gevoel van stigmatisering wordt weggenomen. Is de regering bereid om meer in te zetten op het bestrijden van vooroordelen over de jeugd-ggz en het begrip in de samenleving voor psychische ziektes te vergroten?

Tijdens de algemene politieke beschouwingen heeft onze fractievoorzitter de premier gevraagd om, in navolging van president Obama en premier Cameron, persoonlijk een conferentie te organiseren gewijd aan het bestrijden van stigmatisering van mensen met een psychische stoornis. De premier vond deze suggestie sympathiek, maar er is nog geen invulling aan gegeven. Ik vind het ook in de context van dit debat een heel waardevol idee. Ik hoor graag van de staatssecretaris van VWS of hij bereid is zich in te spannen voor een dergelijke bijeenkomst van de premier en van de staatssecretaris zelf natuurlijk.

Wij zijn ingenomen met het feit dat tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en Zorgverzekeraars Nederland (ZN) afspraken zijn gemaakt over de inkoop van jeugd-ggz. Voor ons is daarbij in het bijzonder van belang dat door die afspraken de kwaliteitstandaarden van de zorg een plek hebben gekregen in de inkoop van jeugd-ggz door gemeenten. Hiermee worden ook de aansluiting op de somatische specialistische zorg voor jeugdigen en de aansluiting op de volwassenen-ggz bevorderd.

In de memorie van antwoord is op verschillende plaatsen en in verschillende bewoordingen, maar steeds onomwonden, duidelijk gemaakt dat budgettaire belangen van de gemeente nooit boven de noodzaak van jeugdhulp kunnen komen te staan en dat beschikbaarheid van budget dus geen reden kan zijn om de benodigde jeugdhulp niet te verlenen. Ik wil namens mijn fractie vooropstellen dat wij blij zijn met deze duidelijke en ferme uitspraken, want zowel bij ouders als professionals leven op dit punt veel zorgen. Wel wil ik even stilstaan bij wat het voorgaande inhoudt voor de financiële positie van gemeenten. Zien wij het goed dat dit betekent dat, als de middelen die door het Rijk ten behoeve van de jeugdhulp worden overgeheveld onvoldoende zijn voor de noodzakelijke jeugdhulp in een gemeente, die gemeente het verschil uit de rest van de begroting moet bijpassen?

In de schriftelijke vragen die de PvdA-fractie aan de regering heeft gesteld over dit wetsvoorstel, is twee keer gevraagd of er aan de mate van decentralisatie naar gemeentelijk niveau grenzen zijn die worden bepaald door de vereiste kwaliteit van de jeugdzorg. Tot twee keer toe is deze vraag onbeantwoord gebleven; misschien vanwege de vrij algemene formulering maar wellicht ook omdat het eigenlijk een retorische vraag is. Ik zal daarom ingaan op de aanleiding voor en de achtergronden van deze vraag en concretere vervolgvragen formuleren. De decentralisatie van de jeugdhulp naar de gemeenten is een complex, maar verantwoord en noodzakelijk proces, aldus de VNG in een recente brief aan deze Kamer. Niet alleen van de zijde van de VNG, maar ook van diverse wethouders van vaak grotere gemeenten heb ik vernomen dat gemeenten de voorgenomen decentralisatie van de jeugdhulp toejuichen. Ik krijg echter ook signalen dat dit voor kleinere gemeenten een heel spannende decentralisatie is, die zich op de grens bevindt van wat zij aankunnen.

Decentralisatie van dit soort grote nieuwe taken vraagt om een decentrale overheid die kwalitatief en kwantitatief is toegerust om de nieuwe verantwoordelijkheden en taken te kunnen waarmaken. Dat vereist een decentrale overheid met voldoende grootte. De regering verwijst in de memorie van antwoord naar Denemarken. Daar heeft niet alleen een hervorming en decentralisatie van de jeugdhulp plaatsgevonden, maar ook een bestuurlijke hervorming met schaalvergroting van gemeenten.

De thans door de regering voorgestelde decentralisatie van de jeugdzorg en van andere taken en verantwoordelijkheden in het sociale domein onderstreept het belang van het serieus voeren van de discussie over passende omvang van gemeenten. Graag vernemen wij de reactie van de staatssecretarissen op dit punt. Daarop voortbordurend wil ik de staatssecretarissen vragen, wat het gevolg is als die gewenste omvang niet wordt bereikt. Moet dan worden geconstateerd dat sommige beleidsterreinen, zoals delen van de jeugdzorg, zich kennelijk minder goed lenen voor decentralisatie? En als die omvang wel zou worden bereikt, maar verschillende gemeenten verschillend beleid voeren waardoor een burger in de ene gemeente van meer voorzieningen op het terrein van de jeugdzorg gebruik kan maken dan een burger in de andere gemeente, juicht de staatssecretaris dat dan toe? Of zijn er grenzen aan de mate van variatie tussen gemeenten om de rechtsgelijkheid in Nederland bij basisvoorzieningen niet te veel onder druk te zetten? Als er om die of een andere reden een grens wordt getrokken bij de mate van variatie tussen gemeenten, wat betekent dat dan voor de gemeentelijke autonomie?

Bij de huidige omvang van gemeenten maakt de voorgestelde decentralisatie van de jeugdhulp het noodzakelijk dat in ieder geval kleinere gemeenten intensief samenwerken met andere gemeenten. Dat is ook wat de praktijk op dit moment in het kader van de voorbereiding van gemeenten op de mogelijke decentralisatie al laat zien. De regering gaat er blijkens de memorie van antwoord van uit dat de samenwerkingsverbanden zo veel mogelijk worden belegd op basis van de Wet gemeenschappelijke regelingen, de Wgr. Ook bij deze samenwerkingsverbanden speelt de vraag naar de gewenste omvang van de samenwerking. Wij vragen de staatssecretarissen wat het gevolg is als de gewenste schaal van samenwerking niet wordt bereikt. Met de voorgestelde decentralisatie gaan zeer beleidsrijke en ook in de uitvoering gevoelige taakgebieden naar de gemeenten. Dat vergt adequate en effectieve controlemogelijkheden voor gemeenteraden. Wij vragen de staatssecretarissen uiteen te zetten, of de Wgr met zijn getrapte systeem feitelijk, dus niet alleen formeel, adequate en effectieve controlemogelijkheden voor de gemeenteraden van de deelnemende gemeenten biedt. Welke concrete bevoegdheden, anders dan het indienen van een zienswijze op de ontwerpbegroting, heeft een individuele gemeenteraad wanneer er binnen de gemeenschappelijke regeling iets mis gaat met de lokale inzet van de nodige jeugdhulp? Meer in het algemeen vragen wij de staatssecretarissen, hoe de lokale democratie effectief kan functioneren wanneer de ruimte van gemeenten om eigen beleid te voeren beperkt is door gemeentelijke samenwerkingsverbanden.

Tot slot wil ik nog enkele opmerkingen maken en vragen stellen over de bescherming van persoonsgegevens. Het wetsvoorstel en de toelichting bieden opvallend weinig houvast om te beoordelen tot welke concrete gegevensverwerkingen door gemeenten het wetsvoorstel zal leiden. Het wetsvoorstel is ter advisering voorgelegd aan het College bescherming persoonsgegevens. Het CBP heeft laten weten niet concreet te kunnen duiden welke gevolgen dit wetsvoorstel heeft voor de gegevensverwerking, maar wel te kunnen voorzien dat veel persoonsgegevens zullen worden verwerkt en uitgewisseld. In deze Kamer zijn talrijke schriftelijke vragen gesteld over de gegevensverwerkingen die op basis van dit wetsvoorstel zullen plaatsvinden en de waarborgen die daarbij in acht genomen moeten worden. Dat heeft geleid tot uitvoerige antwoorden, zowel in de memorie van antwoord als in de nadere memorie van antwoord, met diverse schematische overzichten van gegevensverwerkingen die op basis van dit wetsvoorstel zullen plaatsvinden. In die schematische overzichten is aangegeven welke gegevens door wie, voor welk doel en op basis van welke wettelijke grondslag mogen worden verwerkt en met wie ze mogen worden uitgewisseld.

Wij danken de staatssecretarissen voor de uitvoerige antwoorden op dit punt en voor de schematische overzichten die werkelijk een schat aan informatie bevatten. Onze complimenten voor al het werk dat hierin zit. De vraag is echter wel hoe de staatssecretarissen gaan bevorderen dat deze omvangrijke en zeer complexe materie overzichtelijk en hanteerbaar bij de gemeenten terechtkomt en op welke wijze gemeenten hun ambtenaren en andere personen betrokken bij de gegevensverwerkingen, gaan voorbereiden op het toepassen van deze zeer ingewikkelde materie.

Hoe gecompliceerd een en ander is en hoe gemakkelijk op dit terrein fouten kunnen worden gemaakt, blijkt ook uit de brief die de Kamer vorige week heeft ontvangen van de KNMG. In die brief wijst de KNMG erop dat in bepaalde onderdelen van de schematische overzichten in de nadere memorie van antwoord onjuistheden zitten waaruit een op die onderdelen niet geheel juiste interpretatie van WGBO en Wbp blijkt. Ik heb al gezegd dat die overzichten een schat aan informatie bevatten. Daarin is een ongelooflijke veelheid aan situaties uitgewerkt. De KNMG heeft er, geloof ik, drie puntjes uitgelicht waarvan zij zegt dat je er anders tegenaan kunt kijken. Zij kijkt daar ook onderbouwd anders tegenaan. Dat laat onverlet hoeveel waardering er van onze kant is voor al het werk dat in die schematische overzichten is gaan zitten.

Deze opmerkingen van de KNMG vormen echter wel een mooie illustratie van het belang van mijn vraag van zojuist over de voorbereiding van ambtenaren en anderen op het toepassen van deze gecompliceerde materie. Daarbij ga ik er vanzelfsprekend van uit dat de staatssecretarissen ervoor zorg zullen dragen dat onjuistheden – dat kunnen de onjuistheden zijn die door de KNMG zijn aangedragen of andere onjuistheden die mogelijk nog in die rijke overzichten verstopt zitten – worden opgespoord en adequaat worden gecorrigeerd. Voorts vragen wij hoe de regering, als systeemverantwoordelijke, er de komende jaren op gaat toezien dat gemeenten in overeenstemming met de geldende wettelijke normen omgaan met de persoonsgegevens die zij verkrijgen in het kader van hun verantwoordelijkheid voor de jeugdhulp.

Een ander punt rond gegevensverwerking dat tijdens de schriftelijke behandeling in deze Kamer aan de orde is gekomen, is de domeinoverstijgende uitwisseling van persoonsgegevens. De regering heeft in dat kader geantwoord dat de meeste gegevensverwerkingen unilateraal zijn en dat in die gevallen waarin wel domeinoverstijgende uitwisseling van gegevens aan de orde is – dat wil zeggen dat gegevens die verkregen zijn in het kader van de Jeugdwet worden uitgewisseld ten behoeve van andere taken binnen het gemeentelijk domein – de gemeente verplicht is de privacyregels na te leven zoals deze thans gelden. Dit betekent dat voor domeinoverstijgende uitwisseling van gegevens die ter uitvoering van de Jeugdwet zijn verkregen, toestemming van de jeugdige of diens ouders is vereist. Die toestemming wil zeggen een vrije, specifieke en op informatie berustende aanvaarding. Dat is letterlijke de definitie van toestemming die in de Wet bescherming persoonsgegevens te vinden is.

De regering heeft voorts aangeven dat het ministerie van BZK thans in een werkgroep onderzoekt of de huidige wettelijke kaders volstaan, of dat er een overkoepelende wettelijke regeling nodig is die gegevensuitwisseling tussen de domeinen mogelijk maakt. De PvdA-fractie heeft op dit punt enkele vragen. Allereerst, wat is de stand van zaken van het onderzoek in de werkgroep op dit moment? Voorts vraag ik aan de staatssecretarissen of zij het gezien de schadelijkheid van het beeld van dwang en bevoogding rond het nieuwe stelsel, waarop ik eerder in mijn inbreng heb gewezen, niet onwenselijk vinden om domeinoverstijgende uitwisseling van jeugdhulpgegevens mogelijk te maken indien de jeugdige of diens ouders daar niet de thans vereiste toestemming voor geven. Vergroot het verruimen van de mogelijkheid van domeinoverstijgende uitwisseling niet juist het wantrouwen dat al te veel heerst jegens gemeenten in de met dit wetsvoorstel beoogde rol?

Ter afronding en in aansluiting op mijn bij diverse onderdelen van deze inbreng gemaakte opmerkingen over de beeldvorming en het wantrouwen rond het met dit wetsvoorstel beoogde nieuwe jeugdstelsel, vraag ik de staatssecretarissen of zij zich hard willen maken voor een dienstbare, respectvolle overheid in het jeugddomein en of zij bereid zijn om dit als evaluatiepunt mee te nemen bij de na drie jaar voorziene evaluatie van de wet. Tot slot wijs ik de staatssecretarissen erop dat zij pas tevreden mogen zijn als zij niet alleen onze vragen hier vandaag bevredigend hebben beantwoord, maar ook de zorgen en het wantrouwen van ouders en professionals zo veel als mogelijk hebben weggenomen door goed met de samenleving te communiceren over de gevolgen van dit wetsvoorstel.

Wij zien het antwoord van de staatssecretarissen met belangstelling tegemoet.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Het kan zijn dat mijn oren te langzaam waren vandaag. Ik heb een vraag gesteld over de bezuinigingen, over wat wij allemaal willen, over de intentie van de wet, over de zorg dichtbij, over de preventie die nodig is om die omslag te kunnen maken, over de budgetten et cetera. Is het mij ontgaan, of had mevrouw Beuving die nog niet beantwoord?

Mevrouw Beuving (PvdA):

Heb ik goed begrepen dat de zorg van de heer Ganzevoort erin zit of het budget wel toereikend zal zijn en of dat toch niet maakt dat de toegang in de knel komt?

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ja.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Aan het eind van het deel van mijn bijdrage over de jeugd-ggz heb ik een aantal duidelijke en ferme uitspraken uit de memorie van antwoord en de nadere memorie herhaald, uitspraken waar ik heel blij mee ben. Het gaat om uitspraken zoals dat het beschikbare budget nooit een reden kan zijn om de benodigde jeugdhulp niet verlenen, en verschillende andere formuleringen die op hetzelfde neerkomen. Dat is de verregaande jeugdhulpverplichting zoals ik die heb verwoord. Op dat moment ging de heer Ganzevoort interrumperen. Waarschijnlijk dacht hij: de wet kan wel die verstrekkende resultaatsgerichte verplichting neerleggen, maar wat als de gemeenten het geld niet hebben? Ik heb net in dat kader aan de staatssecretaris gevraagd of dit betekent dat als het budget op is en er nog zorg verleend moet worden, conform die verregaande verplichting aan jeugdigen, de gemeenten dat uit andere delen van hun begroting moeten bijpassen. Die vraag heb ik voorgelegd aan de staatssecretaris, zonder ook maar iets af te willen doen aan dat mooie, ferme uitgangspunt dat jeugdhulp altijd moet worden verleend.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Dat lijkt mij een heel terechte en ook ferme vraag. Zou mevrouw Beuving nog één stapje verder kunnen gaan? Zou haar vraag ook kunnen impliceren dat wanneer blijkt dat gemeenten ondanks zorgvuldig beleid en ondanks alle pogingen om in te zetten op preventie et cetera toch aanlopen tegen budgetoverschrijdingen, er ook een stelselverantwoordelijkheid bij het Rijk ligt om via een vangnet of wat dan ook hen niet daarin te laten wegzakken? Of laten wij de gemeenten aan hun lot over?

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik wil wel verklappen dat ik een motie overweeg op dit punt, om een boodschap aan de regering te geven als stelselverantwoordelijke. Dan loop ik echter al te veel op mijn tweede termijn vooruit. Ik wil natuurlijk eerst de antwoorden van de staatssecretaris horen. Ik zou mijn een motie kunnen voorstellen – die houd ik ook in mijn achterzak, zoals mevrouw De Vries steeds heel mooi zei – waarin de regering wordt verzocht om er als stelselverantwoordelijke wel voor te zorgen dat de gemeenten voldoende financiële ruimte krijgen om deze verplichting, deze verantwoordelijkheid te kunnen dragen. Ik bedoel dus niet om te kunnen uitvoeren, want zij moeten uitvoeren ongeacht wat de financiële situatie is. Het zou echter wel fijn zijn als zij hem kunnen dragen. Een motie daaromtrent houd ik nog even in de pocket, omdat ik eerst wil horen wat de staatssecretaris op dit punt antwoordt.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Twee zielen, één gedachte.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Voorzitter. Het goede nieuws is dat het met het merendeel van onze jongeren heel goed gaat. Ze maken het wel en ze kunnen de wereld aan. Daar mogen vooral zij, maar ook wij als samenleving, trots op zijn. Het slechte nieuws is dat het te veel jongeren niet goed gaat. Zonder hulp is de kans groot dat zij het niet redden. Optimale jeugdzorg is voor hen letterlijk van levensbelang. Niet voor niets is er daarom zo veel belangstelling voor dit debat over de wijze waarop we de jeugdzorg vanaf nu het beste inhoud en vorm kunnen geven. Ik bedank alle mensen die ons als volksvertegenwoordiging de afgelopen maanden geholpen hebben om dit debat voor te bereiden en ik ben blij dat ook vandaag de belangstelling en de betrokkenheid groot is.

Net als zovelen heb ik een dubbel gevoel bij dit wetsvoorstel, dat beoogt het huidige jeugdstelsel te verbeteren en te vereenvoudigen. Het idee om de jeugdzorg zo dichtbij mogelijk te brengen, is prima. We hebben er als SP sinds jaar en dag voor gepleit. We kijken in deze Kamer echter niet alleen naar het achterliggende idee. We kijken ook naar de vormgeving en de voor ons liggende uitvoering ervan. En dan verbaast het me hoe een zo goed idee zo slecht dreigt te worden vormgegeven en uitgevoerd. Kortweg zegt mijn fractie: het moet, maar niet zo. Niet zo abrupt, niet zo veel ineens en niet zo nodeloos belast door bezuinigingen die averechts zullen uitpakken.

Een stelselwijziging van deze omvang vereist voldoende ruimte, voldoende tijd en voldoende geld. Betere zorg dichtbij, meer preventie, meer integratie, meer samenwerken, ontzorgen en demedicaliseren, hoe fout die term ook vaak is, zijn werkelijk de moeite van het nastreven waard. Laat de regering het echter doordacht doen. Laat zij niet eerst aan de centen denken die een stelselherziening de schatkist kan opleveren. Laat zij eerst en vooral denken aan wat de stelselherziening zou moeten opleveren voor de mensen om wie het gaat: de jongeren die we zonder optimale zorg de kans ontzeggen om het ook te kunnen maken in het leven, net zoals het merendeel van onze – onbezorgde – jeugd.

In afgelopen tien jaren heb ik hier meerdere malen het woord mogen voeren over jeugdzorg en jeugdbeleid. Mijn maidenspeech in 2004 ging over de vorige Wet op de jeugdzorg. Ik herinner me dat ik grote vraagtekens zette bij de levensvatbaarheid van die wet. Ik maakte me grote zorgen over de verschillende financieringsstromen, de bureaucratie, de kwaliteit van de indicatie, het op gespannen voet staan van enerzijds het recht op zorg en anderzijds het tekort aan zorgaanbod, de samenwerking tussen provincie en gemeenten, de kwaliteit van de voorliggende voorzieningen, het gebrek aan samenhang, de positie van de gezinscoach en het verschil in recht op zorg, dat in ons land wordt gemaakt tussen kinderen die hier legaal en kinderen die hier illegaal verblijven. Ik meen te mogen constateren dat ik het toen goed gezien heb, samen met overigens een heleboel mensen uit het veld. Dat bleek ook wel toen ik hier vier jaar later debatteerde met de minister voor Jeugd en Gezin, de heer Rouvoet, over de begrotingsstaat Jeugd en Gezin 2008. De minister bevestigde de zorgen die vier jaar daarvoor breed waren geuit. De zorg was inderdaad bureaucratischer geworden en verder van de mensen af komen te staan. Om dat te keren, zouden Centra voor Jeugd en Gezin meer ruimte moeten gaan bieden voor zorg dichtbij, laagdrempelig. Met gezinscoaches zou de mogelijkheid ontstaan om bij multiprobleemgezinnen een centrale figuur te hebben die de touwtjes in handen houdt en de vinger aan de pols.

Vandaag hebben we het weer over de jeugdzorg, terecht, want te veel loopt niet zoals het moet. Het nu voorliggende wetsvoorstel vindt, zoals eerder is gememoreerd, zijn grondslag in het advies van de werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg uit mei 2010. Deze werkgroep adviseerde om alle vormen van jeugdzorg, inclusief de jeugd-ggz en de justitiële jeugdzorg, met bijbehorende financiering onder de verantwoordelijkheid van gemeenten te brengen. In september 2010 onderschreven de ministers voor Jeugd en Gezin en die van Justitie de analyse en conclusies van de werkgroep, zij het dat het kabinet ten aanzien van de jeugd-ggz een andere keuze dan de werkgroep maakte. Daarbij werd verwezen naar de kabinetsvisie van het voorjaar, getiteld Perspectief voor Jeugd en Gezin. Hierin werd gesteld dat daardoor voor het overgrote deel van de jeugdigen die ggz-zorg ontvangt, nieuwe schotten zouden ontstaan, bijvoorbeeld met de volwassen ggz en de somatische gezondheidszorg, en tevens overigens ook dat circa 90% van de jeugdigen die gebruikmaakte van jeugd-ggz, geen gebruikmaakt van zorg uit andere disciplines.

De stelling dat jeugd-ggz gezondheidszorg is en daarom zorgverzekerde zorg dient te blijven, wordt bevestigd in het onderzoek, getiteld Gemeenten aan zet, dat de heer Van Gastel in 2012 verrichtte voor de toen verantwoordelijke bewindspersoon voor Jeugdzorg, staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten. Ook over dit rapport hebben we het net al gehad. De regering kiest echter een andere route. Het hele veld van de geestelijke gezondheidszorg staat hierdoor op zijn achterste benen, evenals tienduizenden ouders. De tegenstanders ervan, verenigd in de groep petitie-jeugdzorg, wisten zich de afgelopen weken door bijna 100.000 ondertekenaars gesteund. De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen noemt het schadelijk voor de zorg en de wetenschap van de hele psychiatrie. Ik vraag de regering, alsnog af te zien van deze historische vergissing. Beter ten halve keren dan ten hele dwalen, zeggen ze dan. Is de regering daartoe bereid?

Mij moet van het hart dat uit veel antwoorden in de memories van antwoord blijkt dat er op het ministerie een onjuist en achterhaald beeld van aard en oorzaak van psychische aandoeningen bij kinderen bestaat. Er is een veel te sterk idee dat psychische stoornissen worden veroorzaakt door omgevingsfactoren, die met opvoedingsondersteuning en eigen kracht wel op te lossen zijn. Dat zou mooi zijn, maar hiermee wordt miskend dat veel psychiatrische ziektebeelden zoals autisme, psychose, depressie en angststoornissen veel meer bepaald worden door erfelijkheid dan door omgevingsfactoren.

Jeugd-ggz is een vorm van gezondheidszorg, ook internationaal. De regering concludeert echter anders en komt met de voorliggende stelselwijziging omdat dat de effectiefste manier is om gemeenten te laten sturen op integrale zorg aan gezinnen. Door ontschotting van budgetten ontstaan immers meer mogelijkheden tot betere samenwerking en innovaties in ondersteuning, hulp en zorg aan jeugdigen en gezinnen. Daarnaast ontstaat er een financiële prikkel om te investeren in zelfmanagement en eigen kracht, preventieve ggz en lichtere vormen van zorg, waar mogelijk. Deze mantra keert in elke beantwoording terug. Ik zou toch willen dat de bewindslieden vandaag niet weer hetzelfde liedje zingen, maar willen luisteren naar de gerede zorgen van de Kamer en vooral van het veld. Mevrouw Beuving heeft daarop ook heel nadrukkelijk gewezen.

De heer Van Gastel laat in bijlage 3 van "Gemeenten aan zet" zien dat ruim 220.000 jeugdigen in 2009 jeugd-ggz ontvingen en dat daarbij een overlap van 22% met jeugdzorg bestond en van ruim 50% met de somatische gezondheidszorg. Tevens laat hij zien dat 44% door de huisarts werd doorverwezen. Als ik de redenering van de staatssecretaris nu goed begrijp, dus die mantra, is de wijziging met name nodig om te zorgen dat de groep die in 2009 jeugdzorg ontving, te weten bijna 80.000 jeugdigen, meer profiteert van ggz-kennis dan nu gebeurt. Overigens is van die groep al ruim 50% bekend bij de jeugd-ggz. Kan de staatssecretaris, met de cijfers van de heer Van Gastel in de hand, nog eens duidelijk toelichten welke groepen nu een ander traject moeten gaan lopen en waarom? Waarom denkt hij dat het daarvan goedkoper wordt? Mij lijkt het juist omslachtig en daardoor kostenintensief.

Door de Tweede Kamer, het amendement van mevrouw Keijzer, is de verwijsmogelijkheid via de huisarts, medisch specialist en jeugdarts gewaarborgd gebleven. In 2009 ging het in totaal om bijna 60% van de verwijzingen naar de jeugd-ggz. Dat is mooi, maar wij denken ook dat hierdoor de gemeenten uiteindelijk niet zullen kunnen sturen op de kosten. Veel ouders zullen liever kiezen voor een route via de huisarts dan voor een intake via het gemeentelijk loket. Zij zullen zich daardoor minder kwetsbaar voelen, want de huisarts heeft een beroepsgeheim en kan de privacy beter garanderen. Bovendien mag de huisarts, zoals overal vermeld staat, doorverwijzen naar alle vormen van jeugdhulpverlening. De huisarts moet weliswaar rekening houden met het gemeentelijk inkoopbeleid, maar zal zich daarbij toch veelal laten leiden door de wens van de ouders.

In het oude stelsel, het vorige jeugdstelsel, dat nu dus nog geldt, verwezen huisartsen zelden naar Bureaus Jeugdzorg. Ze verwezen rechtstreeks naar de jeugd-ggz. Dat zullen ze in het nieuwe stelsel ook doen. Mogelijk zal de route in gevallen waarin somatiek en psyche samen vallen, ook vaker via kinderartsen en kinderneurologen gaan lopen. Over demedicalisering gesproken! Hoe staat het met de afspraken met huisartsen op gemeentelijk, regionaal en landelijk niveau?

In de memorie van antwoord wordt wel gewezen op de poh-ggz, de praktijkondersteuning huisarts geestelijke gezondheidszorg, die in een aantal huisartsenpraktijken zijn intrede heeft gedaan. Deze functie is echter nog volstrekt onvoldoende ontwikkeld om nu al profijt van te kunnen hebben. En hebben huisartsen hun handen niet al vol aan de verschuiving van tweede naar de eerste lijn van de volwassen ggz?

De regering geeft aan dat de overheveling van de jeugd-ggz zeer zorgvuldig moet gebeuren en noemt een aantal waarborgen daarvoor. Ik noem ze en stel er een aantal vragen bij. De eerste is het door ontwikkelen van de kwaliteit. De jeugd-ggz als sector geeft aan zich grote zorgen te maken als alle jeugdgezondheidszorg jeugdhulp wordt genoemd. Gemeenten worden verantwoordelijk voor een academisch gevormd beroep en overigens ook voor de doorontwikkeling van de kwaliteit van alle andere jeugdhulpverleners. Hoe vordert het gesprek met de VNG over investeringen in richtlijnontwikkeling, onderzoek en innovatie? Is er al een relatie gelegd met het kwaliteitsinstituut?

Dan hebben we de landelijke inkoop van specialistische jeugd-ggz. Dit is een heel moeizaam onderwerp. De VNG heeft een landelijk transitiearrangement opgesteld, waarin is aangegeven met welke jeugdhulpaanbieders met een landelijke dekking een raamcontract gesloten wordt. Dit is de theorie. Gemeenten kunnen hierop aansluiten als een jeugdige deze specialistische vorm van jeugdhulp nodig heeft. In de laatste rapportage die de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd, de TSJ, in november heeft uitgebracht, is als knelpunt benoemd dat niet alle specialistische functies met bovenregionale schaal in de landelijke afspraken voorkomen. Dat lijkt wel een eufemisme. Ik wijs in dit kader ook op de specifieke problemen waar een gemeente tegenop loopt die een landelijk specialistisch behandelcentrum binnen haar grenzen heeft, zoals de gemeente Ermelo met Groot Emmaüs – of is het Groot Emmaüs – heeft. Zonder een garantieregeling is deze instelling gedoemd te verdwijnen waardoor de continuïteit van ondersteuning en zorg aan een zeer kwetsbare groep van jongeren in gevaar komt. Wat vindt de regering daarvan? Wil de staatssecretaris daarbij ook ingaan op de brandbrief die de Kinderombudsman de senaat gisteren stuurde met als voornaamste boodschap dat gespecialiseerde zorginfrastructuur beter geborgd moet worden? De continuïteit en toegankelijkheid voor de meest kwetsbare kinderen staan op de tocht! Hoe schat hij de kansen in van het plan dat gisteren nog gepresenteerd werd met betrekking tot continuïteit van zorg voor jeugd 2015–2017, gepresenteerd door de branche Gespecialiseerde Zorg voor Jeugd?

Een andere voorwaarde is het verkrijgen van betere afspraken tussen zorgverzekeraars en gemeenten. Hoe staat het daarmee? We hebben daar vlak voor dit debat bericht over gekregen van de bewindslieden. Is de zorginkoop nu goed geregeld voor de komende jaren? Zijn er voldoende garanties dat de eenmalige gegevensoverdracht goed gaat verlopen? Zijn de afspraken over de gebieden waar Jeugdwet en Zorgverzekeringswet elkaar raken, zoals over de continuïteit van de psychiatrische zorg als de jeugdige 18 jaar wordt, voldoende robuust? Wij maken ons daar nog ernstige zorgen over. De William Schrikker Groep, die zo'n 10.000 onder toezicht geplaatste jongeren onder zijn hoede heeft, wijst erop dat ieder jaar de hulpverlening het zicht verliest op 6.000 licht verstandelijk gehandicapte kinderen. 30% van hen, zo'n 1.500 jongvolwassenen, belandt in criminaliteit of prostitutie. Als deze groep in het nieuwe stelsel op eigen kracht sociale netwerken moet gaan aanspreken zal het helemaal mis gaan, voorspelt de Groep. Ziet de regering dat gevaar?

De wetten voor de gezondheidszorg, de Wgbo, de wet BIG en de kwaliteitswetten, blijven gelden voor de jeugd-ggz en de IGZ blijft toezicht houden op de naleving. Een goed uitgangspunt. Het beroepsgeheim is hiermee goed geborgd, en dat is belangrijk voor het vertrouwen in en de toegankelijkheid van de zorg – dat is een algemeen belang – en een garantie voor de privacy en gezondheidsbelangen van het betrokken individu. De KNMG wijst er echter op dat in de nadere memorie van antwoord inzake de Jeugdwet in tabel 1b en tabel 3 op de pagina's 4, 7 en 8 bij bepaalde aspecten een niet geheel juiste interpretatie van de toepasselijke wetten wordt gegeven. Hoe zit het nu precies, vraag ik de regering. Ik sluit me aan bij de dank die mevrouw Beuving uitte over de duidelijkheid van de verschillende voorbeelden. Maar daar zit nog een wereld van denkwerk achter.

Laat ik het nu hebben over de voorgestelde overdracht van de justitiële jeugdzorg naar de gemeenten. Aanvankelijk was het niet de bedoeling deze zorg – het AMK, de jeugdreclassering en de kinderbeschermingsmaatregelen – tegelijk met de rest van de jeugdhulpverlening te decentraliseren. Eerst zou ervaring opgedaan worden met overheveling van de vrijwillige jeugdzorg. De wens tot een financieringsstroom via gemeenten heeft echter de doorslag gegeven. De gemeenten verwezen te veel naar zwaardere vormen van zorg, een perverse prikkel. Wij hebben te veel kinderbeschermingsmaatregelen. Er worden te veel kinderen uit huis geplaatst, en het is heel goed dat daaraan aandacht wordt besteed. In het nieuwe stelsel dreigen de justitiële maatregelen die uitgevoerd moeten worden, een groot deel van het gemeentelijke budget op te slokken. Want deze maatregelen móéten uitgevoerd worden. Voor preventieve en lichtere maatregelen zou dan best eens onvoldoende geld overblijven. Ziet de staatssecretaris die dreiging ook?

Jeugdbescherming, AMK en reclassering zijn typische overheidstaken. Mensen kunnen er niet voor kiezen. Als iemand in het vrijwillig kader niet tevreden is, kan hij de hulp stopzetten of andere hulp zoeken. Dat is in het justitiële kader juist niet mogelijk. De populatie die thans onder het ministerie van V en J valt, is moeilijker, beweeglijker en onvoorspelbaarder dan de gemiddelde gebruiker van Jeugdzorg. Het Leger des Heils spreekt zelfs over zwervende gezinnen. Bij deze moeilijke groep is continuïteit van zorg, één gezin, één regisseur, één plan nog belangrijker dan bij de gezinnen die bereid zijn op vrijwillige basis hulp te aanvaarden. Indien gemeenten bereid zouden zijn voor deze groep te gaan werken met een subsidierelatie zou er al meer kans zijn op continuïteit van hulp. Het maakt de gemeente dan immers niet uit of de zorg verleend wordt door een instelling in de eigen woonplaats, of in de plaats van het werkelijk verblijf. Als een gezinsvoogd afhankelijk wordt van de zorginkoop van gemeenten zal hij niet altijd de continuïteit van zorg kunnen waarborgen. Mijn fractie maakt daar zich grote zorgen over. Daarom de vraag of de staatssecretaris bereid is om in een landelijk kader te regelen dat gemeenten voor justitiële zorg gaan werken met een subsidierelatie. Juridisch moet dat geen probleem zijn. Zie ook het BMC-rapport uit december 2011: "Marktanalyse in het kader van de transitie Jeugdzorg". Graag een reactie.

In de motie-Çörüz in de Tweede Kamer en in de na toezegging ingetrokken motie-Quik-Schuijt in de Eerste Kamer, wordt gepleit voor harmonisatie van wetgeving met betrekking tot verplichte hulp aan jeugdigen. ZonMw doet daarnaar onderzoek en komt naar verwacht vóór de zomer met aanbevelingen. Kan de staatssecretaris nu al toezeggen dat hij deze aanbevelingen voortvarend ter hand zal nemen? De bepalingen over gesloten jeugdzorg, waarvoor een machtiging van de rechter nodig is, horen ontegenzeggelijk thuis in het Burgerlijk Wetboek bij de andere bepalingen over gedwongen uithuisplaatsing van jeugdigen. Omdat dit op praktische gronden destijds in de oude Wet op de Jeugdzorg is geregeld, wenst de staatssecretaris deze fout nu niet te herstellen. Wij vragen de staatssecretaris wanneer hij wel bereid is dit te doen. Onze suggestie: er komt nog een reparatiewet kinderbeschermingsmaatregelen in verband met een aantal andere zaken. Dat lijkt ons een goede gelegenheid om de gesloten plaatsing uit de Jeugdwet te halen en bij de Kinderbeschermingsmaatregelen in het BW te plaatsen.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Ik heb een vraag over de gesloten jeugdzorg, en het feit dat je in een jji zit. Vindt u dat die twee echt gelijkgeschakeld moeten worden?

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Daar kom ik nog op.

Kinderen die in aanraking komen met het strafrecht genieten een betere juridische bescherming dan kinderen met opvoedings- of opgroeiproblemen. Ik noem slechts één voorbeeld: de voorwaardelijke machtiging gesloten jeugdzorg. Of de voorwaarden zijn overtreden wordt uitsluitend beoordeeld door de medewerker van de jeugdhulpaanbieder van de instelling waarin de jeugdige, bij overtreding van de voorwaarden, opgenomen zal worden. Hier is dus, anders dan in het strafrecht of bij de wet BOPZ, bij vermeende overtreding van de voorwaarden sprake van vrijheidsbeneming zonder rechterlijke toets. Dit miskent dat er beoordelingsruimte dient te zijn om te bepalen of de overtreding de vrijheidsbeneming rechtvaardigt en proportioneel is. Deze beoordeling dient op grond van artikel 6 EVRM te geschieden door een rechterlijke instantie, maar gebeurt hier door iemand die ook nog belang kan hebben bij opname, namelijk een medewerker van de instelling. Wat denkt de staatssecretaris aan deze strijdigheid met het EVRM te gaan doen? Wij achten primair een rechterlijke toets vóór opname noodzakelijk. Is de staatssecretaris daar alsnog toe bereid? Het gaat ons er vooral om dat er een goede toets komt voor vrijheidsberoving door gedwongen opname. Dat is namelijk ingrijpen in het persoonlijk welzijn, wat goed geborgd moet zijn. Dat is nu niet zo.

De fractie van de SP wil de aandacht wederom vestigen op het feit dat ook dit wetsvoorstel aan kinderen die geen verblijfsvergunning hebben en zelfs aan rechtmatig in Nederland verblijvende niet-Nederlandse kinderen gelijke rechten op hulp en zorg wordt ontzegd. Dit is in strijd met de grondwet en met het IVRK. De staatssecretaris beroept zich op het koppelingsbeginsel. Dit is echter naar onze mening ondergeschikt aan de Grondwet en internationale verdragen. Dat dit enigszins gerepareerd lijkt te worden in het uitvoeringsbesluit, maakt het niet minder schrijnend. Kinderen hebben hun lot niet in eigen hand en hebben daarom recht op bescherming. Waarom doet de regering dit? Gaat het om de staatskas of om de angst voor aanzuigende werking? Graag een reactie.

De positie van de Bureaus Jeugdzorg moet zeker onze aandacht hebben in dit debat. In een brief van 20 december 2013 bericht de staatssecretaris dat de bestuurlijke partijen zich maximaal inspannen om voor de huidige Bureaus Jeugdzorg en hun medewerkers een zachte landing te bewerkstelligen in het nieuwe jeugdstelsel. De bureaus zijn verplicht om hun taken te blijven vervullen, terwijl ze ook aan de slag moeten met de transitie naar een gecertificeerde instelling met een veranderd takenpakket. Dat is een onmogelijke opgave. Het is als openblijven tijdens de verbouwing, terwijl je ook nog moet inkrimpen. Dit heeft geleid tot veel onrust. Heet hangijzer is hierbij de budgetgarantie die sommige provincies wel en andere niet aan hun Bureau Jeugdzorg hebben gegeven. In dit kader is de uitspraak van de rechtbank in Zwolle interessant. Deze zegt op 3 februari 2014 dat de opzegging door de provincie Overijssel van het contract met Bureau Jeugdzorg onrechtmatig was. Bureau Jeugdzorg kreeg geen redelijke termijn om zich voor te bereiden op de veranderde taak en het veranderde budget. Hoe denkt de staatssecretaris om te gaan met deze uitspraak en met de mogelijk nog volgende uitspraken? Alle Bureaus Jeugdzorg hebben immers bezwaar gemaakt tegen het opzeggen van de subsidierelatie door hun eigen provincie. Is de staatssecretaris van plan om voor alle Bureaus Jeugdzorg de overgangsregeling, zoals voorgesteld in de brief van 20 december, te laten gelden? Dit houdt in dat gemeenten voor 2015 een Bureau Jeugdzorg en/of hun rechtsopvolgers een budgetgarantie moeten geven van 80%.

Hoe waardeert hij het voorstel van Jeugdzorg Nederland om te komen tot een overgangscommissie "implementatie stelselwijziging jeugd"? Een langere overgangstermijn zal de frictiekosten drukken, maar zal, naar onze inschatting, de ingeboekte bezuiniging teniet doen. De belangrijkste en meest cruciale opmerking die de rechtbank in Zwolle maakt, is echter dat de frictiekosten die voortvloeien uit de transitie behoren tot het domein van de initiatiefnemer en verantwoordelijke van de stelselwijziging, het Rijk. Dat lijkt ons nogal cruciaal. Graag een reactie.

Een onderwerp dat mijn fractie na aan het hart ligt, is de bescherming van de privacy. Ik heb er in het voorbereidend onderzoek meerdere vragen over gesteld en ben overtuigd van de goede bedoelingen. Men heeft zijn best gedaan om de vragen goed te beantwoorden. Dat neemt niet weg dat we vinden dat de privacybescherming nog onvoldoende bij gemeenten op het netvlies staat. In de nadere memorie van antwoord wordt vermeld dat het duidelijk is dat er een zekere spanning zit tussen de noodzaak om gemeenten en professionals zo min mogelijk te belasten met regels en de noodzaak om door middel van een wettelijke regeling een adequate bescherming van de persoonlijke levenssfeer te treffen. De regering als wetgever dient daar echter volstrekt duidelijk in te zijn. Gegevensopslag, verwerking en uitwisseling zijn gebonden aan wettelijke regels. Het zal op grote schaal gaan plaatsvinden als de Jeugdwet door gemeenten wordt uitgevoerd. Het zal gepaard gaan met risico's met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Kwetsbare kinderen en hun ouders hebben recht op privacy, ook als dat beleidsmatig slecht uitkomt. Daarom vraag ik nogmaals of de staatssecretaris bereid is om gemeenten te verplichten een PIA op gemeentelijk niveau te laten verrichten, zodat er een goed beeld komt welke risico's er zijn en welke maatregelen getroffen moeten worden. Alleen daartoe oproepen en het belang benadrukken in een bestuurlijk overleg is ons inziens veel te weinig. Meermalen is benadrukt dat deze decentralisatie nog maar het begin is en dat er bij de volgende decentralisaties alleen maar meer wordt verzameld en mogelijk ontschot wordt uitgewisseld. Als het niet vanaf het begin goed wordt geregeld, is straks het hek van de dam.

Daarom stel ik nogmaals de vraag hoe het staat met de werkgroep die vanuit het ministerie van BZK de privacyaspecten onderzoekt die bij domeinoverstijgende gegevensuitwisseling een rol spelen. Volstaan de huidige wettelijke kaders of is er een overkoepelende wettelijke regeling nodig? De werkgroep zou deze maand met een rapport komen. Is dat er al? Hierbij zijn vooral de begrippen "uitdrukkelijke toestemming", "steeds weer" en "doelbinding" heel belangrijk.

Er liggen jaren van evaluaties, rapporten, geslaagde en minder geslaagde plannen achter ons. Voor ons liggen een transitie naar gemeenten en een transformatie. Dit laatste is een nieuwe manier van werken en een wijziging van het stelsel. Ik ben de afgelopen maanden onder de indruk gekomen van al het werk dat met het oog daarop al is verzet. De VNG, de gemeenten, de transitieregio's, de provincies, de Bureaus Jeugdzorg, jeugdzorgwerkers, de jeugd-ggz medewerkers, de instellingen, de cliëntraden, alle zijn ze keihard aan het werk. De beide betrokken ministeries hebben zich uit de naad gewerkt en ik bedank ze hierbij hartelijk voor hun inzet.

In Denemarken werden na jaren van transitie uiteindelijk besparingen bereikt, maar eerst moest er meer geld bij. Wat kunnen wij, wat in Denemarken kennelijk niet kon? Weinig, denkt mijn fractie. Precies daarom vinden we de onmiddellijke bezuinigingstaakstelling kortzichtig en onverantwoord.

Maar het is nog niet te laat. Deze Kamer kan het kabinet hopelijk overtuigen, en zo nodig verplichten om de stelselherziening wel efficiënt en effectief te laten verlopen, door een geleidelijke invoering ervan en door het vooralsnog van tafel halen van een onmiddellijke bezuinigingstaakstelling. Deze Kamer zou de regering kunnen verzoeken niet vast te houden aan de voorgestelde Big Bang maar meer aan te sluiten bij de door zovelen gewenste geleidelijke transitie en transformatie. De laatste dagen zijn er nogal wat plannen hiervoor gepresenteerd. Alleen dan maken we kans dat de jeugdzorg van de toekomst een jeugdzorg op maat is, passend op de jongeren om wie het toch allemaal gaat. Alleen zo wordt het ook beter uitvoerbaar en, op termijn, beter betaalbaar.

Omdat mijn fractie gelooft dat deze Kamer vandaag meer zou kunnen doen dan het slechte voorkómen, en dit keer kan helpen het goede te stichten, wil ik, afwijkend van onze gewoonte, al in eerste termijn een motie aan de Kamer voorleggen, zodat ze daadwerkelijk onderdeel kan uitmaken van de verdere beraadslaging. Ik doe dit in de hoop dat we dan aan het einde van de dag althans ruimte hebben gecreëerd voor wat terecht een historische verandering op het terrein van de jeugdzorg wordt genoemd.

Laten we die verandering in ieder geval niet onnodig belasten, maar waar mogelijk bevorderen. Aanname van de motie draagt daaraan zeker bij, vindt de fractie van de SP.

Motie

De voorzitter: Door de leden Slagter-Roukema, Koffeman, De Lange, Quik-Schuijt, Kox en Ganzevoort wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

gezien de aard, omvang en intensiteit van de transitie van de jeugdzorg naar de gemeenten;

gehoord de vele inhoudelijke commentaren van gemeenten, provincies, vakbonden, werkgevers en overige betrokkenen op de voorgenomen transitie;

gehoord de vele zorgen over de uitvoering van de transitie;

overwegende dat deze uiterst complexe transitie extra belast wordt door de eraan gekoppelde onmiddellijke bezuinigingstaakstelling;

overwegende dat deze onmiddellijke bezuinigingen een optimale uitvoering van de transitie bedreigen;

verzoekt de regering, de transitie van de jeugdzorg vooralsnog niet te koppelen aan de taakstellende bezuiniging en een beslissing over de omvang van de bezuiniging uit te stellen tot twee jaar na invoering van de transitie,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter K (33674/33684).

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. Misschien is de grootste politieke opwinding vandaag elders in Den Haag te vinden, maar ik durf wel te zeggen dat de belangrijkste politieke beslissing in het debat hier valt. We hebben het over een complete stelselverandering van de zorg voor onze meest kwetsbare kinderen en jongeren. We hebben het over een ingewikkelde operatie waarbij verantwoordelijkheden verschuiven tussen overheidslagen en zorgverzekeraars, en tussen overheid en burgers. En we doen dat bovendien in een tijd van stevige bezuinigingen. Tijd en ruimte om te oefenen met het nieuwe stelsel is er niet. Het is dus niet vreemd dat ouders, behandelaars, zorginstellingen en gemeenten zich druk maken over deze wet, grote zorgen hebben. Krijgt hun kind straks nog wel de zorg die zij of hij nodig heeft? Kunnen artsen, psychologen, psychiaters en jeugdzorgers straks nog wel hun eigen professionele afwegingen maken en het kind de hulp aanbieden die zij verantwoord vinden? Kunnen instellingen overleven als alle geldstromen en verantwoordelijkheden verschuiven en het voorlopig onduidelijk is wie waar wat zal gaan doen? Kunnen gemeenten hun taken wel waarmaken als ze te weinig budget of te weinig regie krijgen?

Terechte vragen, en ik heb er dan ook volledig begrip voor dat we van alle kanten bedolven zijn onder brieven en rapporten die uitdragen dat we juist voor of juist tegen moeten stemmen. Daar is mijn fractie dus ook nog niet uit, ondanks de vele vragen en antwoorden van de kant van de regering, waarvoor onze dank. Het zal echt van dit debat en van toezeggingen van de regering afhangen hoe onze stem uitvalt. En daarom zal ik in mijn bijdrage proberen de kwesties wat te ontrafelen en de pijnpunten scherp te stellen.

Ik moet eerst kwijt dat wij het zeer betreuren dat er in de afgelopen maanden zo'n scherpe strijd is ontstaan tussen allerlei betrokkenen. Partijen die ten diepste dezelfde intenties hebben, zijn tegenover elkaar komen te staan, en dat rekenen wij de staatssecretaris eigenlijk aan. Waarom heeft hij zich niet verzekerd van een breed draagvlak bij de mensen die er, als de wet straks wordt aangenomen, een succes van moeten maken? Wat heeft hij gedaan om bijvoorbeeld de jeugd-ggz en gemeenten samen achter de plannen te krijgen? Hoe heeft hij erin geïnvesteerd om ervoor te zorgen dat aan de reële zorgen van het veld tegemoet wordt gekomen? Het lijkt er haast op alsof de regering erop rekent dat ze met politieke macht een besluit kan doordrukken, waarna het allemaal wel goed komt. Het komt pas goed in de praktijk, op de werkvloer, als daar wat gaat gebeuren. We horen graag wat de staatssecretaris vindt van alle spanning en strijd die hij, vinden wij, heeft opgeroepen doordat hij te weinig draagvlak heeft verworven voor zo'n ingrijpende stelselwijziging.

Waar gaat het vandaag om? Het gaat om kinderen die bij het opgroeien problemen tegenkomen. Het gaat om ouders die bij het opvoeden tegen hun grenzen aanlopen, maar het zijn steeds heel verschillende situaties. Het gaat om dat jongetje van 8 dat anders reageert dan andere kinderen en uiteindelijk autistisch blijkt te zijn, daarvoor een specifieke behandeling nodig heeft, en moet leren en moet worden begeleid. Het gaat om dat meisje dat thuis verwaarloosd of misbruikt wordt. Het gaat erom dat we deze twee en al die andere kinderen zo snel mogelijk de goede zorg kunnen bieden. Dat is voor het ene kind een gespecialiseerde kinderpsychiatrische behandeling, voor het andere kind een training, voor weer een ander kind begeleiding van de ouders, en voor nog een ander kind uithuisplaatsing.

Sinds de Wet op de Jeugdzorg 2005 laten tal van onderzoeken en ervaringen zien dat dat alles in ons huidige stelsel niet goed genoeg gaat. Te veel wachtlijsten, te laat ingrijpen waardoor problemen verder oplopen, onderbehandeling aan de ene kant en overbehandeling aan de andere kant, scheefgroei waardoor kinderen uit migrantengezinnen minder gespecialiseerde zorg krijgen dan autochtonen, oplopende kosten en tekortschietende preventie, enzovoorts. Laat heel duidelijk zijn: wij vinden niet dat dit de schuld is van de jeugdhulpverleners in brede zin. Hoe hard iedereen ook zijn best doet – daar zijn wij van overtuigd – het gaat als systeem nog niet goed genoeg. Het werkt allemaal te vaak langs elkaar heen. De goede bedoelingen van de Wet op de Jeugdzorg – collega Slagter wees erop dat zij zich daar in haar maidenspeech op heeft gericht – blijken in de praktijk nog niet waargemaakt te worden. Dat ligt niet aan de intenties van al die mensen die dag in dag uit voor deze kinderen in de weer zijn. Dat ligt eerder aan het systeem.

De fractie van GroenLinks steunt de uitgangspunten van de Jeugdwet, die niet heel anders zijn de van de Wet op de Jeugdzorg: zorg dicht bij het kind, snelle toegang, doeltreffende hulp, geen sociale ongelijkheid en veel meer nadruk op preventie en vroege signalering. We delen ook de gedachte dat jeugdhulpverlening daarom zo veel mogelijk op het niveau van de gemeente moet worden geregisseerd, om zo te komen tot samenhang daar waar het kan. Decentraliseren, ontschotten, verbinden. Prima. We zijn dus in principe geneigd om deze wet te steunen. Maar omdat zelfs de weg naar de hel geplaveid is met goede bedoelingen, is een neiging niet voldoende. In deze Kamer moeten wij toetsen hoe het zit met de rechtmatigheid, uitvoerbaarheid, en de verwachte effecten. Er zijn veel vragen gesteld en de antwoorden van de regering getuigen van een sterk wensdenken: alles zal goed komen en iedereen bedoelt het goed. Dat is te zeggen: wanneer het toewerkt naar de uitkomst zoals de regering die voor ogen heeft. Als het gaat om het beschrijven van de huidige situatie, zien we een heel negatief wensdenken. Dan wordt er gesproken over perverse prikkels en wat dies meer zijn. Maar die bestaan in het nieuwe systeem kennelijk niet meer. Zodra deze wet is aangenomen, gaat iedereen precies doen wat wij hier in deze Kamer voor ogen hadden. Dat wensdenken is ons niet goed genoeg. Er is een aantal zaken, dat ons zwaar op de maag ligt.

De eerste steen op onze maag is de vraag hoe het recht op zorg is gegarandeerd. Ik beperk me daarbij tot de verhouding tussen jeugdzorg en jeugd-ggz; het is eerder aan de orde geweest en benadrukt in het maatschappelijk debat. De overgang van verzekerd recht naar gemeentelijke voorziening is niet onmogelijk, niet ondenkbaar – ik sluit aan bij collega Beuving die in dezelfde lijn redeneerde – maar roept wel onzekerheid op. Ik nodig de staatssecretaris uit om nogmaals klip-en-klaar uit te leggen dat de jeugd-ggz voluit deel blijft van de geestelijke gezondheidszorg met alle professionele eisen en professionele autonomie die daarbij horen. Kan hij hier nog eens heel nadrukkelijk zeggen dat de toegang tot de ggz niet beperkt gaat worden door gemeentelijke regels en budgetten? Kan hij nog eens onderstrepen dat de huisarts alle ruimte houdt om een kind door te verwijzen naar de ggz en dat dat dan niet wordt tegengewerkt doordat de gemeente dat niet wil vergoeden? Kan hij misschien ook in dit huis nog eens herhalen dat mevrouw Jorritsma er niets van begrepen heeft als ze zegt dat "jongeren niet meer naar de psychiater worden gestuurd, maar naar de voetbalclub"? En als hij dat allemaal heeft onderstreept, kan hij dan misschien uitleggen hoe de gemeente in vredesnaam kan sturen op zorgvolume in de jeugd-ggz als ze er niets over te zeggen heeft? Volgens ons is dat een vierkante cirkel, maar wij zijn benieuwd naar het antwoord.

Het garanderen van de zorg is en blijft een verantwoordelijkheid van de rijksoverheid, onder andere gezien het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind en andere verdragen. Dat betekent dat de uitvoering wel kan worden gecoördineerd door de gemeente, maar dat de rijksoverheid garant blijft staan voor toegankelijkheid en kwaliteit. Hoe gaat de regering deze verantwoordelijkheid invullen? Ik vraag daarbij in het bijzonder aandacht voor kinderen van gezinnen zonder papieren, gezinnen zonder vaste verblijfplaats, gezinnen met complexe woonsituaties, gezinnen die over de grens wonen maar hier verzekerd zijn. Is de staatssecretaris het met mijn fractie eens dat alle kinderen in Nederland en alle kinderen van Nederlanders hetzelfde recht hebben op goede zorg en dat hij linksom of rechtsom moet garanderen dat dat geregeld wordt? Erkent de staatssecretaris dat uit het IVRK volgt dat voor kinderen zonder rechtmatig verblijf dezelfde zorg beschikbaar moet zijn en dat daarmee ook de ouders niet mogen worden uitgesloten van jeugdhulp? Ik stelde die vraag ook in het kader van mijn interruptie tijdens het betoog van collega De Vries. Het antwoord op die vraag vinden wij zeer belangrijk. En is de staatssecretaris het met mijn fractie eens dat het onrechtmatig is als motieven uit het migratiebeleid een rol spelen bij het bepalen wat de beste oplossing is voor een kind dat hulp nodig heeft? Heel concreet vraag ik de staatssecretaris de toezegging dat bij het – op zich legitieme woonplaatsprincipe – een hardheidsclausule zal gelden die garandeert dat geen enkel kind tussen wal en schip valt. Graag een duidelijk antwoord op dit punt.

Bij de garantie van goede zorg hoort ook het goed organiseren van de toegang. Ook hier wordt wat geschoven met termen en verantwoordelijkheden, zodat bijvoorbeeld onduidelijk is geworden dat bij het Advies en Meldpunt huiselijk geweld en kindermishandeling (AMHK) vertrouwensartsen betrokken zijn bij de intake en hoe daarbij het medisch beroepsgeheim is geborgd. Er worden losse termen gebruikt als "beschikbaar" en "deskundig", maar die zijn ongespecificeerd. Is de staatssecretaris het met ons eens dat deze specifieke deskundigheid geborgd is bij de vertrouwensartsen en dat die daarom een vaste plaats bij het AMHK moeten hebben? Is de staatssecretaris bereid dat bijvoorbeeld in een AMvB te regelen? Dat was de eerste steen op onze maag: de toegang tot en het recht op zorg.

De tweede steen op onze maag is de privacy. Een van de belangrijkste kenmerken van een rechtsstaat is dat burgers worden beschermd tegen de eigen overheid. Daar hoort bij dat de overheid niet alles van je moet weten. Met allerlei deskundigen en ook het CBP maken wij ons zorgen over de privacy bij deze nieuwe Jeugdwet. Op papier ziet het er allemaal redelijk uit, maar we weten allemaal dat de werkelijkheid zich niet aan ons papier houdt en we vinden de nadere memorie van antwoord daarin wel erg naïef. Nee, zeker niet elke ambtenaar mag alle gegevens inzien, maar dat wil toch niet zeggen dat het niet zal gebeuren? Het koppelen van bijzondere persoonsgegevens, wat essentieel is voor een geïntegreerde regie vanuit de gemeente, en het verruimen van de verwijsindex zijn bovenmatig en leiden tot function creep en beveiligingsproblemen. Er ontstaan zo op lokaal niveau en misschien zelfs op regionaal niveau, want wij weten dat op allerlei plaatsen aan LSP's wordt doorgewerkt, epd-achtige structuren van het soort waartegen deze Kamer zich eerder juist zo massaal heeft verzet. De kern van het privacybeleid zal toch moeten zijn dat mensen zelf eigenaar zijn van hun gegevens en dat dus ook expliciete toestemming nodig is voor er iets kan worden gedeeld en dat er dus stevige schotten moeten staan tussen de soorten gegevens? Is de staatssecretaris het daarmee eens en hoe heeft hij dat dan geborgd? Het kan toch niet de bedoeling zijn dat alle gegevens over een psychische noodsituatie bij een kind, de uitkering van een van de ouders, een huurschuld, een veroordeling van vader wegens een caféruzie, en de Citoscore van de jongste allemaal met een druk op de knop op het scherm komen?

Als de staatssecretaris "nee" zegt, wat hij zal zeggen, dan moet hij dit ook onmogelijk maken. Een verbod alleen is niet genoeg. Hoe is geregeld dat mensen zelf over hun gegevens beschikken en zelf bepalen wie ze mag inzien? Hoe is geregeld dat ze überhaupt zelf inzage hebben in hun gegevens en dat ze een notificatie krijgen als iemand hun gegevens inziet of aanpast?

In dat kader vraag ik de staatssecretaris nogmaals om vast te leggen dat er ook op lokaal niveau privacy impact assessments worden gerealiseerd. Ik sluit daarmee aan bij collega Slagter. Ja, natuurlijk wordt dit allemaal een lokale verantwoordelijkheid, maar als het gaat om het beschermen van de privacy is er ook een kaderverantwoordelijkheid voor de rijksoverheid. Dat kader zijn wij met dit wetsvoorstel aan het regelen. Hoe geeft de regering vorm aan die kaderverantwoordelijkheid?

Na het recht op de toegang en de privacy hebben wij nog een derde steen op onze maag. Die betreft de bezuinigingen die met deze transitie gepaard gaan. De redenering snappen we goed: als je de hele jeugdhulpverlening anders, beter, inricht, dan voorkom je een heleboel ellende en kun je dus betere zorg leveren voor minder geld. Maar niet voor het eerst draait de regering de zaak om en denkt ze: als we minder geld geven, ontstaat er vanzelf betere zorg. Dat is gewoon niet waar. De transformatie die we met elkaar willen, zal op termijn geld opleveren. Dat geloof ik wel, maar in eerste instantie kost ze geld. De kost gaat voor de baat uit. Dat zijn niet alleen de frictiekosten in engere zin. Daarover zijn schriftelijke vragen gesteld, maar de staatssecretaris ging daarop een beetje flauw in. De frictiekosten, versmald tot de sociale plannen, afvloeiing en nieuwe aanstellingen, zijn wel geregeld, antwoordde hij. Maar dat is te smal. Het opbouwen van een heel nieuwe manier van werken is een dure grap. En wil je dat goed doen, dan moet je daarin investeren. Nu gaan heel veel investeringen van extra geld naar de gemeentelijke organisatie, naar toerusting en trainingsprogramma's, zodat de ambtenaren, die straks een belangrijke rol krijgen, dat werk kunnen doen. Maar daarmee is aan de jeugdzorg zelf nog helemaal niets gebeurd.

Op termijn kan de nieuwe jeugdhulpverlening misschien goedkoper. Ik zeg "misschien", want ik ben er nog niet zeker van. Het zou ook kunnen dat we met een betere manier van werken ervoor zorgen dat meer jongeren noodzakelijke hulp krijgen. We weten het gewoon niet en opnieuw rekent de staatssecretaris nogal naïef optimistisch naar zichzelf toe. Mijn fractie houdt er rekening mee dat in de komende jaren zal blijken dat het nieuwe stelsel niet goedkoper maar duurder is. Als dan de zorg echt beter is, willen we daar best over praten, maar de gladde verkooppraatjes over efficiency en preventie-effecten werken bij ons niet. Voorlopig zien we dat de ontwikkeling van de transitieregio's een stevige hap uit het budget neemt en dat er voor preventie simpelweg geen geld over is, terwijl uitgebreid investeren in preventie en in vroegtijdige signalering essentieel is voor verbetering van de jeugdzorg. Wij zien dat instellingen dreigen om te vallen omdat er op dit moment niet wordt ingekocht en dat ze grote continuïteitsproblemen voor zich zien. Wij denken dat we al heel blij mogen zijn als straks hetzelfde werk gedaan kan worden als nu. Maar dan zullen we de komende jaren opnieuw ontdekken dat de Jeugdwet niet gebracht heeft wat nodig is. Misschien is het daarom goed het rapport Evaluatie Jeugdwet 2014 maar vast te bestellen.

Daar komt nog iets bij. Het is volstrekt onduidelijk hoe het met de financiering van de jeugd-ggz gaat, omdat die net volledig op de schop is gegaan. Het nieuwe onderscheid tussen basis-ggz en gespecialiseerde ggz, de overgang op dbc, DOT, en andere vergoedingssystemen: niemand weet echt hoe het gaat uitpakken. Dat onzekere pakket wordt met deze Jeugdwet bij de gemeenten op tafel gelegd, die daarin geen inzicht hebben en daarop maar nauwelijks regie kunnen voeren. Dus bestaat het risico dat straks, met alle goede bedoelingen, de juiste zorg niet kan worden geboden, er geen geld is voor preventie en vroegsignalering, de wachtlijsten toenemen, instellingen failliet gaan, en/of gemeenten in financiële problemen komen, zonder dat ze een instrument hebben om dat op te lossen.

Kortom, we begrijpen de doelstelling wel en delen die ook wel, maar we hebben er geen vertrouwen in dat het doel op deze manier bereikt kan worden. Deze transitie vraagt om investeringen en garanties en niet om bezuinigingen. Daarom vraag ik de staatssecretaris of de regering bereid is de garantie te geven dat het Rijk bijspringt wanneer gemeentelijke budgetten tekortschieten. Niet zomaar, niet als openeinderegeling, maar als gemeenten een zorgvuldig beleid voeren en toch tegen grote problemen aan lopen, neemt dan het Rijk zijn verantwoordelijkheid, zoals ook bij de WWB, in ieder geval op papier? Neemt de regering verantwoordelijkheid voor een goede opbouw van het nieuwe stelsel, of kiepert zij alles over de schutting van de gemeenten? We vragen meer dan mooie woorden. We vragen dat de regering haar verantwoordelijkheid voor het stelsel neemt.

Het minste wat nodig is om deze risico's te hanteren, is een goede overgangsregeling, bijvoorbeeld waar het gaat om de inkoop van gespecialiseerde jeugdzorg en jeugd-ggz. We hebben begrepen dat er voor dit lopende jaar een afspraak is over ondersteuning van de inkoop door zorgverzekeraars. Het gaat om de zorg voor 2015. De staatssecretaris spreekt van een zachte landing, maar dat is alleen voor dat jaar geregeld. Daarna ligt alles open. Heeft de staatssecretaris gemerkt dat de Vereniging van Nederlandse Gemeenten heel optimistisch en zelfs wat misleidend op haar website weergeeft: "Verzekeraars en gemeenten werken in de periode 2014 tot en met 2017 samen aan een zachte landing van de jeugd-ggz"? Nu zou ons dit heel wat waard zijn, maar dan willen we graag helderheid. Hoe is het dan geregeld voor de inkoop in 2016 en 2017? Weten bijvoorbeeld de zorgverzekeraars al dat ze drie jaar gaan samenwerken aan de zachte landing?

Wij hebben de stellige indruk van niet en horen dus graag een toelichting. Of meer dan een toelichting: wij horen graag een toezegging dat de staatssecretaris zal bewerkstelligen dat de continuïteit en kwaliteit niet in het gedrang komen en dat de deskundigheid van zorgverzekeraars ook voor 2016 en 2017 beschikbaar blijft voor gemeenten. Is hij bereid om de gemeenten duidelijk te maken dat ze zeker bij een aantal onderdelen van de jeugdhulpverlening minder kunnen sturen dan ze zelf willen? Is hij ook bereid om een oplossing te bieden als gemeenten met bijvoorbeeld een grote instelling met veel dure lvg-kinderen straks in de problemen komen? Ja, dit betreft Groot Emmaüs, maar er zijn natuurlijk meer van dat soort instellingen. Als hij dat allemaal niet kan, neemt hij dan de verantwoordelijkheid voor het falen van het nieuwe stelsel of gaan wij dat straks de gemeenten, zorginstellingen en verzekeraars verwijten?

Het zijn drie zware stenen met elk verschillende kanten: de garantie van goede zorg, de privacy en de combinatie met de in te voeren bezuinigingen. Met de regering willen we dat elk kind de zorg krijgt die het nodig heeft. Dat een kind met een psychiatrische stoornis zo snel mogelijk bij de kinderpsychiater terechtkomt en niet blijft hangen omdat de ouders zo nodig een opvoedcursus moeten volgen. Wij willen dat een gezin met behoefte aan opvoedingsondersteuning niet onnodig in de ggz, de justitiële jeugdzorg of waar dan ook terechtkomt. Wij zijn het erover eens dat het erom gaat dat kinderen zo snel op de goede plek worden geholpen. We zijn er niet zeker van, zeg ik voorzichtig, dat de overheveling van de jggz een verstandige zet is en daarom moet er op zijn minst een hele stevige borging van de eigensoortige positie van de ggz zijn, net zo goed als van de vertrouwensartsen. We gaan niet de medische deskundigheid van deze beroepsgroepen verrommelen omwille van een stelselwijziging, hoe belangrijk de doelen daarvan ook zijn. Net zo willen we betere waarborgen voor een hardheidsclausule bij het woonplaatsprincipe en voor privacy assessments op lokaal niveau. We willen financiële garanties van het Rijk om te voorkomen dat straks gemeenten en zorginstellingen en dus kinderen in nood met de gebakken peren zitten. We zijn het, kortom, eens met de uitgangspunten van de Jeugdwet, maar de staatssecretaris zal toch echt belangrijke toezeggingen moeten doen om ook echt onze steun te krijgen. Daarom zien wij uit naar zijn en hun antwoorden.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik spreek deze bijdrage uit mede namens de fractie van de SGP.

Met belangstelling heeft de fractie van de ChristenUnie de totstandkoming van deze nieuwe Jeugdwet gevolgd. Er is al eerder gesproken over een stelselherziening, maar in de periode die achter ons ligt, vonden wij die wat aan de vroege kant. Vanaf 2010 is het traject ingezet om tot verbeterde organisatie en integratie van jeugdzorg en jeugdhulp te komen. De nieuwe Jeugdwet maakt onderdeel uit van een aantal transities die een andere aanpak vanuit de overheid op het oog hebben, maar ook zien op een andere manier van samenleven, meer vanuit eigen verantwoordelijkheid, met veel aandacht voor eigen mogelijkheden van mensen. Belangrijke ontwikkelingen zijn dit. Zij markeren een overgang van een verzorgingsstaat, die veel op zich nam, naar een samenleving waarin van mensen wordt gevraagd meer in eigen kracht te doen.

Dit is een culturele transitie op zich. Komend uit een tijdperk waarin individualisering de toon zette en calculerend gedrag beloond werd, gaan we nu een tijdperk in waarin sociale verantwoordelijkheid en gemeenschapswaarden weer de toon moeten gaan zetten. Dit doet een beroep op het sociaal kapitaal van een samenleving, ja, en ook op een publieke moraal waarin rekening wordt gehouden met elkaar. Wij gunnen jongeren zo'n samenleving. De omgeving waarin zij opgroeien, het klimaat waarin zij worden opgevoed, zet immers een stempel op hun leven. Dat vraagt inderdaad om een gemeenschappelijke inzet en is ons aller aandacht meer dan waard.

De beweging die nu wordt gemaakt, is veelomvattend. Hoezeer deze stelselherziening op zichzelf ook onze steun heeft, wij hebben een aantal serieuze zorgen. Die brengen wij in deze bijdrage naar voren. Ze betreffen de transitie zelf en de rol van gemeenten, de overheveling van de jeugd-ggz, de positie van landelijk werkende instellingen, de privacy en de manier waarop straks het toezicht gaat functioneren. Ik zal deze onderwerpen een voor een bespreken, maar moet helaas ook veel ongenoemd laten.

Eerst ga ik in op de transitie op zich en de rol van gemeenten. De overheveling van de jeugdzorg naar gemeenten is niet de enige decentralisatie. Er komt veel op gemeenten af. De overheveling is daarbij tevens een bezuinigingsoperatie; er wordt een half miljard minder overgedragen naar het Gemeentefonds; een bezuiniging van zo'n 15%. Dat heet een efficiencykorting, maar het betekent dat er structureel minder geld beschikbaar zal zijn. Het is het goed dat gemeenten beleidsvrijheid hebben, maar dan nog zal er altijd tot aan en misschien over de grens van het budget gewerkt gaan worden. Intussen moeten gemeenten nieuwe Wgr-regio's gaan vormen en krijgen ze te maken met aanbestedingstrajecten en nieuwe aanbieders van jeugdhulp en jeugdzorg. Wanneer bestaande instellingen het niet meer redden, zal dat arbeidsonrust geven. Vertrouwde patronen veranderen en dit alles levert fricties op, zorgtekorten en handen in het haar.

Er zijn wethouders, niet alleen van kleine gemeenten maar ook van middelgrote gemeenten, zo vernam ik, die echt nog niet weten wat hun te wachten staat. Uiteraard kost een transitie tijd om alle elementen in een nieuw evenwicht te brengen, maar het moet wel verantwoord zijn. Gemeenten worden in dit voorstel verantwoordelijk voor specialistische vormen van zorg, hulp en ondersteuning. Mijn fractie wil weten of gemeenten, straks georganiseerd in meer dan veertig regio's ervoor klaar zijn. Is de kennis- en capaciteitsopbouw op orde? Wordt er nieuwe deskundigheid aangetrokken, bijvoorbeeld als het gaat om jeugdreclassering en kinderbescherming? Kan de gemeente straks een partij zijn tegenover de gecertificeerde instellingen, marktpartijen, die gaan meedingen naar gemeentelijke opdrachten? De opschaling naar Wgr-regio's betekent ook weer een stap naar schaalvergroting en houdt verband met de visie op de toekomst van gemeenten. Wat is de boodschap van het kabinet op dit punt?

In het verlengde hiervan: ik gaf al aan dat de aandacht voor de "eigen kracht" van de samenleving, en met name van sociale verbanden en gemeenschappen, ook voor mijn fractie een belangrijk onderdeel is van de filosofie van deze wet. Wij steunen die filosofie, waarin er uiteraard professionele hulp en zorg is voor wie dat nodig heeft, maar waarin het ook gewoon wordt dat mensen zich eerst zelf afvragen wat zij voor anderen kunnen betekenen. Niet vanzelfsprekend afwentelen dus op de overheid wat in eigen kring kan en behoort te worden gedaan. Opvallend is dat deze benadering nu al vruchten afwerpt, niet altijd en overal, maar bijvoorbeeld in de context van families en gezinnen heel nadrukkelijk wel. Een ondertoezichtstelling of situaties van pleegzorg kunnen worden voorkomen door het bredere familienetwerk aan te spreken. In dit verband vraag ik aandacht voor de Eigen Kracht Centrales die hebben laten zien dat de overheid aanmerkelijk minder achter de voordeur hoeft te komen wanneer ingezet wordt zo'n netwerk en op netwerkberaad. Ik vraag aan de staatssecretaris of de systemische expertise met betrekking tot de netwerken van cliënten goed geborgd is in de wijkteams van gemeentelijke jeugdprofessionals. Als iets past bij de filosofie van de nieuwe Jeugdwet, is het dit. Dus: kan de regering inzicht geven in de manier waarop dit type methodieken – de netwerkbenadering – goed geborgd is, helemaal in het voorliggende veld, in de wijkteams?

Dan kom ik toe aan de veelbesproken jeugd-ggz. De overheveling van de gehele jeugd-ggz naar gemeenten is een enorme ingreep in het stelsel van gezondheidszorg en raakt de organisatie van de psychiatrie als medische professie. Tevens verandert dit ten principale het recht op verzekerde zorg voor jongeren tot 18 jaar. Achter zo'n ingreep moet een deugdelijke analyse liggen, maar die ontbreekt in de ogen van mijn fractie. De argumenten pro hebben te maken met belangrijke, maar uiteindelijk toch secundaire doelstellingen, namelijk de mogelijkheid van betere integratie met andere vormen van jeugdzorg en een steviger controle op de toegang naar gespecialiseerde psychiatrische zorg. De door de indieners van het wetsvoorstel aangevoerde achtergrond is dat er een "medicalisering" van de jeugdzorg dreigt en oplossingen voor problemen en stoornissen te vaak zijn gezocht in gespecialiseerde en dus dure zorg.

De principiële vraag is of deze argumenten zwaar genoeg wegen om de geestelijke gezondheidszorg tot 18 jaar los te pellen van de medisch georiënteerde psychiatrie. Doen we op deze manier recht aan de jeugdpsychiatrie als medische discipline? Ik sprak van secundaire doelstellingen die nu voorop komen te staan. Die doelstellingen zijn niet onbelangrijk, maar de primaire doelstelling moet zijn: goede zorg voor jeugdigen met een psychiatrische stoornis, te allen tijde. Vroege signalering is belangrijk, en vervolgens moet er soepele doorgeleiding mogelijk zijn naar de zorg die nodig is. Psychiatrische stoornissen doen zich onder jeugdigen net zo vaak en veel voor als onder volwassenen en openbaren zich doorgaans in het tweede decennium van iemands leven. Ze houden niet op bij 18 jaar, maar zijn doorgaans "lifelong". De vraag is gerechtvaardigd of de zorg voor mensen met psychiatrische stoornissen vanaf het eerste begin straks nog wel gewaarborgd is. Ik herhaal niet de bezwaren die op dit punt al zijn geuit. Wij hebben er vele gehoord, ook vandaag nog en hier buiten voor de deur. Maar de gespecialiseerde psychiatrische zorg behoort niet te liggen bij gemeenten. Dat gemeenten gaan over de toegang, hoe dan ook, is een merkwaardige uitbouw aan de Jeugdwet, vreemd aan de systematiek van onze gezondheidszorg.

Is er een alternatief met behoud van de doelstellingen die de Jeugdwet noemt? Wellicht is het nog niet te laat om dat in dit debat te onderzoeken. De mogelijkheid tot betere integratie met andere vormen van jeugdzorg, vooral als omgevingsfactoren een grote rol spelen bij gedragsproblemen, kan worden versterkt volgens de bedoeling van de wet: versterking van de eerste lijn, opbouw van expertise bij wijkteams en huisartsenposten. Uiteraard moet daar de discipline worden opgebracht om niet iedereen een label op te plakken en niet iedereen met gedragsstoornissen door te verwijzen naar zwaardere vormen van zorg. Dat kan door toepassing van bepaalde verwijsmethodieken die in het veld beschikbaar zijn en bijvoorbeeld onder de naam Triage worden ontwikkeld. Bij doorverwijzing door een huisarts moet een hoofdbehandelaar in de tweede lijn de diagnose stellen. Zo kan de toegang goed worden ingericht. Dit voorkomt overbehandelen.

Het echte probleem zit dus in de wijze waarop wordt doorverwezen en gediagnosticeerd. Dat is de kern. De Kinder- en jeugdpsychiatrie is uitgedijd doordat gedragsproblemen en lichte gedragsstoornissen te snel als psychiatrische stoornis zijn aangemerkt. De gedachte achter de Jeugdwet is dat niet alles wat als stoornis wordt aangemerkt, thuishoort in het domein van de geestelijke gezondheidszorg, maar ook onder de gewone jeugdzorg kan vallen in het gemeentelijk domein. Daar zijn wij het mee eens, maar dan is de kernvraag hoe de diagnose wordt gesteld. Dan moet niet het hele stelsel van de psychiatrie op de schop worden genomen, om een betere manier van doorverwijzen in de vingers te krijgen.

Is er nog een manier om vanuit deze analyse naar de stelselherziening te kijken en te heroverwegen of de hele ggz, inclusief de gespecialiseerde vormen, wel naar de gemeenten moet? Het voorstel zou dus moeten zijn om gedragsstoornissen, die geen psychische ziekte zijn, waaronder vormen van ADHD, uit het verzekerde pakket te halen en bij gemeenten onder te brengen, en de gespecialiseerde ggz bij zorgverzekeraars te laten. Ik heb het dan over een groep aandoeningen en stoornissen die in het diagnostische handboek DSM onder categorie IV vallen. Ik heb hierover gesproken met jeugd- en kinderpsychiaters. Zij zeggen dat zo'n onderscheid te maken is. We maken dan dus geen knip in de ggz, ook geen leeftijdsknip, maar beperken de stoornissen waarvoor doorverwezen wordt tot echte psychiatrische stoornissen zoals schizofrenie, persoonlijkheidsstoornissen, bipolaire stoornissen, ernstige vormen van autisme, eetstoornissen, enzovoort.

Waarom is deze weg niet eerder bewandeld? Ik heb dat net ook gevraagd aan een aantal collega-woordvoerders en hun antwoord was: dit is wel gezien, maar het is te gecompliceerd om hier een knip te maken. Dat was ook het antwoord van mevrouw Beuving. Daarop wil ik zeggen: is wat wij hier doen niet ook gecompliceerd? We gaan de hele jeugd-ggz naar het gemeentelijk domein overbrengen, met heel ingewikkelde discussies over de medische professie en het recht op verzekerde zorg. Ik zou willen oproepen om dit nader te onderzoeken en deze weg te bewandelen. Zou de transitiefase, die we nog voor ons hebben, niet kunnen worden gebruikt? Waarom gebruiken we niet het eerste jaar van de driejarige transitie die beoogd is, om uit te zoeken of dit alternatief een beter stelsel oplevert?

Ook de staatssecretaris heeft er alle belang bij, de vraag te stellen wat echt tot het domein van de kinder- en jeugdpsychiatrie hoort en wat niet. Als hij onderstreept dat gemeenten de gevraagde zorg moeten leveren – bijna een soort materiële garantie; er wordt steeds benadrukt dat de gemeenten een materiële zorgplicht hebben – dan kan dit alsnog betekenen dat de jeugd-ggz heel breed en heel kostbaar blijft en we lasten op gemeenten afwentelen die ze niet kunnen dragen. Er is hier al een paar keer gevraagd wat er gebeurt als het budget is uitgeput. Daar zegt de staatssecretaris op: er is een materiële zorgplicht van gemeenten, dus zij moeten die zorg leveren. Daarom is het ook voor de regering van belang om te komen tot een afbakening van psychiatrische stoornissen, die in de verzekerde zorg thuishoren en andere stoornissen, die in het gemeentelijk domein kunnen worden behandeld. Dat zou in de ogen van mijn fractie bijdragen aan een oplossing. Ik benadruk dat dit geen uitkleding is van de Jeugdwet, zoals sommigen stellen. Wat bij het sociale domein hoort, blijft bij gemeenten en daar zullen ze hun handen helemaal vol aan hebben, ook zonder de psychiatrie.

Onze fractie is zeer huiverig om in te stemmen met de overheveling van de jeugd-ggz naar gemeenten in deze vorm.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik aarzel om deze opmerking te plaatsen, omdat ik dan misschien meer spreek als arts dan als senator, maar ik wil toch ernstig bezwaar maken tegen de opmerking dat ADHD geen psychiatrische diagnose zou zijn. Dat is het juist wel.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik ben geen huisarts en ook geen psychiater, maar ik heb mij laten voorlichten. Ik weet dat er in het hele spectrum van aandoeningen en stoornissen ook een overgangsgebied is en dat er bij een- en dezelfde persoon meerdere aandoeningen of stoornissen tegelijkertijd kunnen optreden. Bij het inwinnen van informatie heb ik in de afgelopen periode van kinderpsychiaters en jeugdpsychiaters de verzekering gekregen dat het mogelijk is, een knip te maken zoals ik die nu bedoel. Een knip tussen grosso modo gedragsproblematiek of gedragsstoornissen en psychiatrische ziekten. Er zal vermoedelijk een soort overgangsgebied zijn. Dat moet onderzocht worden. Mijn oproep is dan ook om goed te laten bekijken of op die manier de kinder- en jeugdpsychiatrie kan blijven behoren bij het medische domein, terwijl we de jeugdzorg en gedrags- en psychotherapeutische benaderingen in het gemeentelijke domein laten. Ik probeer hiermee een oplossing naar voren te brengen voor het probleem dat we veel verliezen als je de hele jeugd-ggz naar de gemeenten overhevelt. Als we dat doen, verliezen we veel expertise op het gebied van de gespecialiseerde hulp. Als dat zich allemaal moet gaan verdelen over die 40 regio's, betekent dat een verzwakking van de structuur van onze ggz. Daarom doe ik de oproep om dit te onderzoeken en om de transitiefase daarvoor te gebruiken. Desnoods voeren we de wet in en schorten we de transitie van de jeugd-ggz nog één jaar op, om dit nog goed uit te zoeken. Ik acht dit onderdeel nog niet rijp voor besluitvorming. We vragen de staatssecretaris in beweging te komen. De brede kritiek op dit onderdeel van de Jeugdwet moet ons veel zeggen. Wat wij op dit punt uit de sector en uit de samenleving hebben gehoord, is overweldigend. We moeten tot bezinning komen, nu het nog kan.

Voorzitter, een volgend punt van aandacht voor ons is de positie van landelijk werkende instellingen (LWl's), instellingen voor jeugdzorg die een landelijke vraag bedienen. Die moeten zich dus eigenlijk ook verdelen over de regio's. De staatssecretaris heeft erkend dat dit een belangrijke groep instellingen is. Het is voor het hele stelsel van belang dat er naast lokaal werkende instellingen ook deze landelijk werkende instellingen zijn, die alleen bovenregionaal kunnen bestaan. Ik denk onder meer aan de William Schrikker Groep en het Leger des Heils. Het gaat niet alleen om instellingen op levensbeschouwelijke grondslag, maar ook om specifieke instellingen met een specifieke doelgroep, zoals het Landelijk Centrum Eetstoornissen. Aandacht voor de kwaliteit van de zorg betekent ook opkomen voor deze instellingen. Ik denk ook aan de reeds een paar keer genoemde hartenkreet vanuit Ermelo, waar sinds lang gevestigde instellingen op omvallen staan. Verliezen we dergelijke instellingen, dan leiden de bezuinigingen ook nog eens tot kapitaalvernietiging in de structuur van onze gezondheidszorg en dat zou werkelijk buitengewoon te betreuren zijn. Op welke manier blijven LWl's een rol spelen en blijft de hier aanwezige expertise benut?

De landelijk werkende instellingen op het gebied van jeugdbescherming en jeugdreclassering menen voorts dat zij ongelijk worden behandeld, aangewezen als zij zijn op de oude Bureaus Jeugdzorg voor financiering. De landelijk werkende instellingen zouden zich een meer zelfstandige positie moeten kunnen verwerven, anders vallen ze tussen wal en schip. Zonder interventie van de staatssecretaris komen deze instellingen al in de transitiefase in gevaar. Dat kan niet de bedoeling zijn. Collega De Vries maakte hier ook al een breed punt van in haar bijdrage. Wij steunen dat helemaal. Kan de staatssecretaris toelichten welke koers hij hierin vaart?

Over de privacyaspecten wil ik nog kort spreken, voorzitter. De vraagstukken waar het hier om gaat, zijn bekend: het risico van het koppelen van bestanden en de mogelijkheid die bestaat, ook onder de beste bedoelingen, om gegevens te kunnen vergelijken. Dit is temeer een urgente vraag daar er bij de transformatie tal van nieuwe werkverbanden en werkpatronen ontstaan. Hoe gaat dit goed? Op welke manier wordt toegezien op naleving van strikte regels? Mijn fractie deelt de zorgen die geuit zijn op dit punt. Ook zijn we benieuwd naar het gebruik van de verwijsindex risicojongeren (VIR), die nog maar net een jaar of vijf geleden is ingevoerd. Hoe kijkt de staatssecretaris aan tegen dat instrument?

Tot slot, de transformatie van de jeugdzorg zal ook om goede monitoring en toezicht vragen. Daartoe zullen inspecties worden toegerust. Dat toezicht zal risicogericht zijn, dat is de term die vaak wordt gebruikt om aan te geven dat er af en toe ergens een steekproef of bezoek zal plaatsvinden, al dan niet aangekondigd. Maar dat is in de fase van transitie en transformatie wel erg weinig. De inspectie is er ook om te adviseren en nieuwe instellingen die hun weg moeten zoeken, bij te staan. Er is extra begeleiding nodig. Daarnaast is het nodig dat eens goed wordt gekeken naar het oneigenlijk gebruik van pgb's, waarover ons verontrustende berichten bereiken. Welk beeld van het noodzakelijke toezicht heeft de staatssecretaris op dit punt? Juist nu nieuwe werkpatronen ontstaan, aanspraken op zorg worden heroverwogen en nieuwe aanbieders zich zullen melden, is goed toezicht van belang. Graag krijg ik een reactie op dit punt van de staatssecretaris.

Hoewel we de richting van de nieuwe Jeugdwet steunen, zijn er wel een paar grote kwesties die ons dwarszitten. Ik kan geen onvoorwaardelijke steun namens mijn fractie uitspreken voor dit wetsvoorstel in dit stadium. Wij wachten het debat en de antwoorden van beide staatssecretarissen op de door ons gestelde vragen af.

De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Het is mij een genoegen, deze bijdrage vandaag mede te mogen uitspreken namens de Partij voor de Dieren.

Het dossier over de Jeugdwet is indrukwekkend. Het wetsvoorstel, de verslagen, de nadere verslagen en de memories van antwoord: alleen al het volume van vele honderden pagina's is verbijsterend en roept meteen al ernstige twijfels op ten aanzien van consistentie en uitvoerbaarheid van de wet. De heer Ganzevoort sprak in zijn bijdrage over drie stenen die hem op de maag lagen; in mijn bijdrage zal ik spreken over tien stenen die ons op de maag liggen en zal ik ingaan op de diverse twijfels. Uiteraard heeft het opbrengen van al die punten tot doel, daar een reactie van de staatssecretarissen op te krijgen, ook als ik gezien de tijd niet ieder punt expliciet als vraag zal formuleren.

Het eerste punt is de decentralisatie. De Jeugdwet wil het wettelijk recht op jeugdzorg en individuele aanspraken op jeugdzorg vervangen door een voorzieningenplicht, waarvan de aard en de omvang door de gemeenten worden bepaald. Het wetsvoorstel betekent een enorme koerswijziging en leidt tot een buitengewoon ingrijpende decentralisatieoperatie. In principe zijn onze fracties een voorstander van decentralisatie, van het leggen van de bestuursmacht zo dicht mogelijk bij de burger. Echter, in dezelfde adem dient dan gegarandeerd te zijn dat de betreffende bestuurslaag ook de voorbereidingstijd, de middelen en de kennis bezit of krijgt om de bijbehorende taak naar behoren te kunnen uitvoeren. Voor de burger dient zijn privacy gewaarborgd te zijn. Democratische controle is een absoluut vereiste. Indien dat allemaal niet het geval zou zijn, kan een gouden kans gemakkelijk verkeren in een gifpil.

Dat speelt des temeer waar het gaat om een buitengewoon gevoelig dossier, waarin de problemen en belangen van kwetsbare jonge mensen centraal staan. Juist op dat gebied kunnen de overheid en de samenleving zich geen fouten veroorloven. Precies de te korte voorbereidingstijd, de ontoereikende middelen en de vaak onvoldoende kennis bij gemeenten, de privacy-issues voor de burger en problemen met de democratische controle vormen naar de mening van onze fracties met elkaar de achilleshiel van dit wetsvoorstel.

Een essentieel onderdeel van het voorstel is een aanzienlijke vergroting van de rol en de invloed van zorgverzekeraars. Onze fracties achten die ontwikkeling zorgwekkend. Waar zorgverzekeraars slechts voor één doel op aarde zijn, namelijk het verzekeren van zorg, is er de afgelopen jaren sprake van een toenemende bemoeienis met en invloed op allerlei medisch-inhoudelijke zaken. Het verdient naar de mening van onze fracties aanbeveling, deze steeds verdergaande sluipende vorm van privatisering eens te leggen langs de meetlat, zoals die door de onderzoekscommissie van de Eerste Kamer naar de parlementaire besluitvorming over de privatisering en verzelfstandiging van overheidsdiensten is aangereikt. Ook in de samenleving nemen de zorgen over de huidige ontwikkelingen toe. Deelt de regering onze groeiende bezorgdheid op dit punt?

Het tweede punt is een nadere beschouwing van de gevolgen van overhaaste decentralisatie. De regering laadt de verdenking op zich dat de overhaaste decentralisatieplannen vooral zijn ingegeven door bezuinigingsdrift. Dat gevoel wordt versterkt doordat gemeenten onvoldoende inzicht hebben in de budgetten die zij kunnen verwachten, hoewel wel duidelijk is dat er aanzienlijke kortingen zullen optreden. Die financiële onzekerheid is een molensteen om de nek van met name kleine gemeenten. Graag vernemen onze fracties in enig detail welke budgetten tot dusverre beschikbaar zijn, welke budgetten per 1 januari 2015 aan de gemeenten gegarandeerd worden en hoe de kosten, die een enorme systeemschok altijd met zich brengt, begroot zijn en opgevangen worden. We zijn daarbij uitsluitend geïnteresseerd in harde cijfers en niet zozeer in kwalitatieve beschouwingen.

Een andere bron van grote financiële onzekerheid is als een klein aantal probleemgevallen, die elk voor zich zeer hoge kosten met zich meebrengen, verdeeld zouden worden over zo'n 400 gemeenten. Dan is de statistische werkelijkheid dat sommige gemeenten met zeer weinig en andere gemeenten met relatief veel ernstige problemen opgezadeld worden. Kleine gemeenten kunnen gemakkelijk failliet gaan aan een beperkt aantal probleemgevallen, tenzij een effectief proces van verevening van risico's wordt geïntroduceerd. De regering denkt dat te vinden in het inrichten van 42 regio's voor jeugdhulp. Het statistische probleem wordt daardoor inderdaad verminderd, maar het verdwijnt bepaald niet. Bovendien schept een dergelijke vereveningsproblematiek grote onduidelijkheden op het gebied van democratische controle, waarover ik later nog kom te spreken.

Onze fracties vrezen met grote vreze dat het huidige wetsvoorstel de gemeenten in grote verleiding zal brengen om hogere gemeentebelastingen te heffen. Dat zou in de praktijk eigenlijk alleen maar kunnen door de belasting op onroerend goed – de WOZ – drastisch te verhogen, waarbij de lasten bij een beperkte groep burgers zouden neerslaan. Natuurlijk is een dergelijke lastenverhoging niet terug te vinden in het overheidsbudget – ongetwijfeld tot grote vreugde van de minister van Financiën – maar de burger is er niet zo in geïnteresseerd of hij door de kat of door de hond gebeten wordt. Hij wil simpelweg niet gebeten worden. Welke garanties geeft de regering dat het verhogen van gemeentelijke belastingen geblokkeerd wordt?

Het derde punt wordt gevormd door de gevolgen voor een gevoelig dossier als de jeugdzorg. Het dossier jeugdzorg betreft de groep zeer kwetsbare jongeren. De gemeenten krijgen jeugdhulpplicht, die in principe afdwingbaar is. Bij de toegang tot jeugdhulp adviseren deskundigen. Nadere regels zijn op dit moment onduidelijk en zullen worden vastgesteld bij Algemene Maatregel van Bestuur. Als het tot een verwijzing komt, ontstaat een spanningsveld tussen enerzijds de jeugdhulpaanbieder als professional en anderzijds de gemeente als budgethouder. De jeugdhulpaanbieder dient zich te houden aan met de gemeente gemaakte afspraken over omvang en duur van de behandeling. Karakteristiek voor de problematiek is echter nu juist dat het allemaal vooraf niet zo duidelijk is wat er moet gebeuren en in welke mate. Mocht de professional buiten de kaders van wat zo mooi "vrij toegankelijke jeugdhulp" heet heen willen gaan, dan is overleg met de gemeente geboden. Voorwaar een feestelijk bureaucratisch perspectief, dat ook nog eens nadrukkelijk vragen over privacy oproept. Ook daar kom ik op terug.

Het vierde punt bestaat uit mogelijke conflicten. Als naar de mening van de ouders of verzorgers van de jongere in kwestie de gemeente haar hulpplicht onvoldoende nakomt, is een beroep op de rechter mogelijk. Dat zet de deur open naar de bodemloze put van juridisering van de problematiek. Er is immers niet veel fantasie voor nodig om aanzienlijke verschillen van mening tussen ouders en de vooral in het budget geïnteresseerde gemeente te voorzien. Tel uit je winst die je had gedacht te boeken met onder meer demedicalisering! Wat ook voorspelbaar is, is dat bij allerlei conflicten de ouders gaan proberen hun gelijk te halen via de huisarts. Te voorzien valt dat men uitgebreid gaat shoppen en dat de druk op huisartsen sterk zal toenemen. Acht de regering dat een wenselijk toekomstbeeld?

Het vijfde punt is de jeugd-ggz. Het voorstel om de jeugd-ggz over te brengen naar de gemeente heeft bij gebruikers, aanbieders en een groot aantal professionele en maatschappelijke groeperingen tot enorm veel protest en weerstand geleid. Diverse sprekers voor mij zijn daar al uitgebreid op ingegaan. Onze fracties begrijpen dat erg goed. De regering motiveert het voorstel door te stellen dat hiermee schotten worden verwijderd die nu integrale hulp op maat in de weg staan. Tegelijkertijd erkent de regering dat het de gemeenten verregaand ontbreekt aan kennis en ervaring op dit gebied. Wel probeert men ons gerust te stellen door te melden dat in oktober 2013 zorgverzekeraars en gemeenten het voornemen hebben uitgesproken om afspraken te maken over inkoop van jeugdzorg door verzekeraars in opdracht van gemeenten voor een periode van drie jaar. Zijn het niet juist goede voornemens die de weg naar hel plaveien? Deze vraag is al eerder gesteld. Het komt onze fracties curieus voor dat het juist de verzekeraars met hun commercieel belang zijn die gemeenten gaan adviseren over een verstandig inkoopbeleid. Marktwerking kan slechts bestaan bij de gratie van goede checks en balances. Die zijn hier ver te zoeken of zelfs onvindbaar. Geloof in een goede afloop van dit uiterst controversiële plan is een mooi ding, maar realiteitszin past ons beter. Zonder alle argumenten uit de schriftelijke voorbereiding te herhalen, is het voor onze fracties duidelijk dat dit een onbegaanbare weg is. Maakt de staatssecretaris zich met dit voorstel niet tot de beschermheilige van het onmogelijke?

Het zesde punt betreft de expertmeeting. Op 9 december 2013 heeft de Eerste Kamer in drie blokken een gesprek met deskundigen gevoerd over de Jeugdwet. Het eerste blok ging over de justitiële aspecten en de kinderrechten. Het tweede blok ging over de medische aspecten en privacyaspecten. Het derde blok ging over de algemene aspecten van transitie. De overheersende mening over het wetsvoorstel in de beide eerste blokken was zeer kritisch. Vooral de haast waarmee de regering de wetgeving wil invoeren, het gebrek aan financiële helderheid en diverse privacy-issues ontlokten zeer veel commentaar aan de sprekers. In het derde blok waren met name wethouders van grotere gemeenten wat positiever over de uitvoeringsproblematiek. Onze fracties hebben deze expertmeeting als zeer nuttig, maar tegelijkertijd als zeer zorgwekkend ervaren. Een breed scala aan deskundigen, waaronder nota bene de Kinderombudsman, heeft grote zorgen geuit op het gebied van de eerste twee thema's van de bijeenkomst. Juist die zorgen dienen voorrang te krijgen in de vervolgvraag of de uitvoering haalbaar is.

Veel van de zaken en vragen die in de expertmeeting aan de orde kwamen, zijn ook in de schriftelijke voorbereiding aan de orde geweest. Na de uitgebreide beantwoording van de kant van de regering, waarvoor dank, zien onze fracties echter nog steeds een enorme kloof tussen de voornemens van de regering enerzijds en de integrale afweging, zoals gemaakt door deskundigen, anderzijds. Baart dat de regering mét onze fracties geen grote zorgen?

Het zevende punt is de maatschappelijke onrust. Dat de voorliggende Jeugdwet vergaande maatschappelijk consequenties heeft, is de Nederlandse samenleving bepaald niet ontgaan. De respons van zeer veel professionele en maatschappelijke groeperingen is ongekend en in grote meerderheid bijzonder kritisch van aard en toon. De hoeveelheid brieven en e-mails die onze, en ongetwijfeld ook andere, fracties tot op de dag van vandaag bereikt, is ongeëvenaard. Het beeld dat oprijst, is dat van een samenleving waarin het in belangrijke mate ontbreekt aan draagvlak voor de gepresenteerde voorstellen die ook nog eens in grote haast geïmplementeerd moeten worden. Bovendien – ik herhaal het nog maar eens – gaat het om de cruciale belangen van een aanzienlijke groep kwetsbare jongeren waarmee we ons geen fouten kunnen veroorloven. Het gemak waarmee de regering af en toe over breed verwoorde fundamentele bezwaren heen loopt, verontrust onze fracties. Graag horen wij hoe de regering tegen de brede maatschappelijke commotie aankijkt en in hoeverre die aanleiding is voor een eventuele bijstelling van de voorstellen.

Het achtste punt betreft gegevensuitwisseling en privacybescherming. Naarmate meer instanties over privacygevoelige informatie beschikken, wordt het risico op lekken of ongeoorloofd gebruik groter. Dat lijkt me de hoofdwet van de privacybescherming. Bij langere bewaartermijnen van gevoelige informatie – we spreken over maar liefst vijftien jaar – nemen de risico's eveneens evenredig toe. Bij jeugdzorg ligt er een overmaat aan zeer gevoelige persoonlijke informatie opgetast die alle vormen van bescherming, en meer, verdient. Voorziet het wetsvoorstel daarin? In de memorie van antwoord van 10 januari 2014 is de regering vooral sussend: we zijn lekker bezig met de gemeenten en het komt wel goed. Dat lijkt wat kort door de bocht omdat, en de regering ziet dat natuurlijk ook wel, de gemeenten – en niet alleen zij – opgezadeld worden met een hele reeks van volstrekt nieuwe verantwoordelijkheden. Er gaan door allerlei betrokkenen in de jeugdhulpketen allerhande dossiers aangelegd worden die variëren van medische tot financiële informatie. Wat ik niet in de stukken heb kunnen terugvinden, is in hoeverre ouders of verzorgers van minderjarige kinderen inzage in de inhoud van al die dossiers krijgen en in hoeverre ze bezwaar kunnen maken. Of is het een voorbeeld van: over u, maar vooral zonder u?

In relatie tot wat er in de praktijk wel en niet kan, grossiert de memorie van antwoord in vaagheden. Soms zal iets wel kunnen, maar soms toch ook weer niet. Kortom, de voorgestelde wetgeving creëert een heel nieuw grijs gebied waar geen enkele ervaring mee bestaat. In dat verband is een privacy impact assessment per gemeente toch niet te veel gevraagd? De regering staat echter niet te trappelen, waarschijnlijk vanwege de hoge kosten. Kortom, onze fracties zijn er allemaal niet gerust op, met verwijzing naar de wet van Murphy, die ons vertelt dat als het fout kan gaan, dat vrijwel zeker ook zal gebeuren. Ik vraag opnieuw: ziet de staatssecretaris zichzelf hier als de beschermheilige van het onmogelijke?

Het negende punt gaat over de democratische controle. Alleen al op zuiver statistische gronden vereist het wetsvoorstel een vereveningsprocedure voor de kosten van buitengewoon dure behandelingen. De regering denkt die te vinden in het inrichten van 42 regio's voor jeugdhulp. Precies dat roept grote vragen op omtrent de mogelijkheid tot democratische controle die uitsluitend op gemeenteniveau aanwezig is. De regering zet daarbij in op gemeenschappelijke regelingen. Naar de mening van onze fracties fungeren die in de praktijk als een dikke molton deken die de mogelijkheden tot democratische controle effectief smoort. Ik zal de aanwezigen niet vervelen met legio voorbeelden uit de weerbarstige praktijk die dit standpunt onderbouwen. Dit democratisch tekort is in feite de bijl aan de wortel van het hele wetsvoorstel. Daar waar nadrukkelijk beoogd en betoogd wordt om via de met zo veel lof bezongen route van vergaande decentralisatie de beslissingsbevoegdheid dichter bij de burger te brengen, is het de statistische noodzaak om te komen tot vereveningsprocedures waarmee in feite de stekker uit het stopcontact wordt getrokken. Met name in het geval van kleine gemeenten hebben we hier te maken met een groot pijnpunt van het wetsvoorstel. Wellicht stelt de regering dat het antwoord op dit democratische dilemma gelegen is in schaalvergroting en het samenvoegen van gemeenten tot veel grotere eenheden. Dat zou een typisch voorbeeld zijn van het kind met het badwater weggooien en dat zou een merkwaardige vorm van jeugdzorg impliceren. Het bepleiten van het opheffen van de menselijke maat bij de bestuurlijke inrichting van ons land alleen om de feilen van een slecht wetsvoorstel te helpen ondervangen, is niet het soort logica dat onze fracties overtuigt.

Het tiende punt betreft mijn samenvatting en de afronding van mijn eerste termijn. Het wetsvoorstel is gebaseerd op een premisse van decentralisatie waar onze fracties in aanleg sympathiek tegenover staan. Helaas is het voorstel meer ingegeven door de bezuinigingsmanie van kabinet en "constructieve" gedogers dan door een bevlogen visie over wat men met onze samenleving voor heeft. Dat doet de vraag rijzen of we met een gouden kans of met een gifpil te maken hebben. Uit mijn betoog moge duidelijk zijn dat onze fracties ertoe neigen om van een gifpil te spreken, die alle mooie beloften uiteindelijk niet gaat waarmaken. De problemen die verbonden zijn met de beperkte financiering, de veel te optimistische voorbereidingstijd, de aanzienlijke privacy-issues en het democratisch tekort zijn dusdanig dat wij zeer grote twijfels hebben over de goede afloop. Constructief als altijd wachten wij de reactie van de staatsecretarissen met belangstelling af. Dat ze met een erg goed verhaal moeten komen om onze fracties te overtuigen, moge duidelijk zijn.

Mevrouw Scholten (D66):

Voorzitter. Ik dank u allereerst voor uw woorden over mevrouw Els Borst. U zult niet vreemd opkijken als ik zeg dat het bericht over haar dood mijn fractie vreemd te moede was. Ik kan mij voorstellen dat de staatssecretaris, die vroeger regelmatig met mevrouw Borst gewerkt heeft, hier met heel andere gevoelens zit dan hij vanochtend of gisteravond had verwacht. Het werk gaat echter door. Ik ga deelnemen aan dit debat.

Voorzitter. Er leven in Nederland circa 3,5 miljoen kinderen tussen 0 jaar en 18 jaar. Met circa 85% gaat het goed, circa 10% heeft lichte problemen en zo'n 3% tot 5% heeft ernstige problemen. Van deze laatste groep, die 3% tot 5%, ontving in 2009 circa 75% één zorgondersteuning; circa 15% gebruikte een stabiele zorgcombinatie, bijvoorbeeld jeugdzorg en speciaal onderwijs, en circa 10% gebruikte diverse zorgondersteuning met veel wisselmomenten, zoekend naar zorg, waarbij geen of onvoldoende sprake was van effectiviteit. Dit wetsvoorstel gaat dus over 3% tot 5% van de Nederlandse kinderen. Daarmee wil ik het aantal niet bagatelliseren; zeker niet.

De discussie is fel gevoerd. Ouders, kinderpsychiaters en psychologen maken zich grote zorgen over de continuïteit en blijvende kwaliteit van de jeugd-ggz. Zorgaanbieders maken zich druk over hun bestaansrecht, de VNG wil het liefst opschieten en gemeenten bereiden zich voor in regionale overlegstructuren. Van één rechtbank mag de subsidierelatie niet worden opgezegd zolang er nog geen duidelijkheid is, maar van een andere rechtbank mag dit weer wel. De mailboxen van iedere woordvoerder zijn volgestroomd met belangwekkende ideeën, zorgen en aansporingen om in dit debat de juiste lijn te volgen en last but not least hebben de fracties in de schriftelijke rondes tal van vragen gesteld aan de staatssecretarissen. Hier past een woord van dank aan de beide staatssecretarissen en hun ambtenaren. Een grote hoeveelheid werk is verricht. Het is nu aan ons om het hoofd koel te houden en na dit debat de juiste beslissing te nemen.

Dit wetsvoorstel gaat drie groepen aan: de jeugdige en zijn ouders, de zorgaanbieders, waaronder de instellingen en organisaties die zich met jeugdzorg bezighouden, en de gemeenten die het stelsel gaan uitvoeren en betalen. Maar, en dat kan niet genoeg benadrukt worden, het gaat in dit debat in de eerste plaats om de jeugdige en zijn ouders. Jeugdzorg gaat om hen!

Ik roep daarom nog maar eens het Verdrag voor de rechten van het kind (lVRK) in herinnering: "De staten streven ernaar voor elk kind te voorzien in de best mogelijke gezondheid en gezondheidsvoorzieningen. Het gaat daarbij niet alleen om lichamelijke gezondheid maar ook om psychische hulp. De overheid zorgt ervoor dat geen enkel kind de toegang tot deze voorzieningen wordt onthouden." Nederland heeft zich daaraan verbonden.

Bij de voorbereiding van dit debat moest ik aldoor denken aan een groot bos dat geveld is door een verschrikkelijke storm. Dode takken liggen op de grond, hele bomen zijn ontworteld en het ziet er allemaal niet vrolijk uit. Het slechte nieuws is natuurlijk dat er bij een storm ongelukken kunnen gebeuren. Die moeten we voorkomen. Tijdens de storm moet je niet onder vallende takken of omvallende bomen lopen, die takken en bomen moet je ontwijken. Laten we dat in gedachten houden.

Het goede nieuws is dat een storm ook een positieve kant heeft. Een storm ruimt op, een storm is als een grote schoonmaak, het bos knapt er enorm van op en nieuw opschot krijgt kansen op de opengevallen plekken.

Mijn bijdrage gaat over hoofdlijnen en uitvoeringsvragen. Die laatste zijn min of meer gedetailleerd, maar stuk voor stuk van belang voor betrokkenen en voor mijn fractie. Met de brief van VWS van gisterenmiddag over de gezamenlijke plannen van VWS, de VNG en ZN voor de inkoop in 2015 is misschien een aantal vragen beantwoord, maar nog lang niet alle. Tegelijkertijd ontvingen we een brief met aandachtspunten van Jeugdzorg Nederland, GGZ Nederland en de Vereniging Orthopedagogische Behandelcentra. Ik zal ook deze in mijn bijdrage adresseren.

Om met een hoofdlijn te beginnen: mijn fractie is niet tegen het idee dat de uitvoering van jeugdhulp en de financiering bij de gemeenten komt te liggen, dat daardoor de hulp dichter bij het kind wordt georganiseerd, dat er met één regisseur meer overzicht komt op het gezin, dat er met één regisseur meer wordt ingezet op preventie en dat er meer wordt geacteerd vanuit de eigen mogelijkheden van het gezin. Voor dit laatste is al voorlopig bewijs verkregen. Met nieuwe projecten vanaf 2013, ik doel op de vliegwielprojecten en de projecten Signs & Safety door de Bureaus Jeugdzorg en de Landelijk Werkende Instellingen, zijn mooie resultaten geboekt. Nederland is het land met de grootste aantallen ondertoezichtstellingen en uithuisplaatsingen. Het aantal ondertoezichtstellingen laat gelukkig een sterk dalende tendens zien. Dat is belangrijk. Investeringen nú leiden tot dalingen in de toekomst. Graag horen we van de staatssecretaris van V&J het exacte percentage van de dalingen sinds de start van het project.

Er leven bij mijn fractie wel zorgen. Zonder uitputtend te zijn, noem ik zorgen over de overgang van de jeugd-ggz, de omslag en de bezuinigingen in het veld, de omvang van de taken van het lokaal bestuur, de democratische legitimatie en de vraag hoe wordt omgegaan met privacy. Als zevende spreker in dit debat vertel ik langzamerhand niets nieuws meer.

Mijn fractie heeft begrip voor de zorgen over de beoogde overheveling van de jeugd-ggz. De gemeenten weten nog niet precies wat er op hen afkomt. Er valt niet uit te sluiten dat er door verschillen in inkoop verschillen in zorgaanbod zullen ontstaan. De woonplaats van het kind is bepalend, maar wat als het kind woont in een gemeente die de nodige en passende zorg niet heeft ingekocht? En kan de gemeente de huisarts vragen om via de wijkteams te werken? Ik heb hier iets opgeschreven over de bevoegdheden van de gemeenten. Toen ik het las, vond ik het te ingewikkeld om te vertellen. Ik doe het even in mijn eigen woorden. In de Jeugdwet staat in artikel 2.9 een verordeningsbevoegdheid voor de gemeente. De gemeente kan bepalen wat de huisarts moet doen. In artikel 2.6 staat echter dat de huisarts naar jeugdhulp kan verwijzen. De gemeente krijgt deze verordeningsbevoegdheid en kan de huisarts verplichten iets te doen.

Nu zou ik als jurist zeggen dat die twee artikelen elkaar niet bijten, maar ik wil voor alle zekerheid heel goed weten dat in die verordeningsbevoegdheid niet de bevoegdheden van de huisarts aan banden worden gelegd. In abstracto zou het niet mogen uitmaken of deze zorg door de zorgverzekeraar of door de gemeente wordt vergoed. Het gaat om de kwaliteit en de continuïteit van deze zorg. Maar houden we die vast in het concrete geval van een knip tussen het somatische en het psychische deel en bij de knip tussen 18-min en 18-plus? 18-plus komt erbuiten te staan. Wordt er voorzien in een overlap tussen deze Jeugdwet, de komende Wmo en de Wet langdurige zorg, zodat deze jeugdigen niet tussen wal en schip vallen? Gaat de staatssecretaris daarvoor een voorziening treffen in beide vervolgwetten? Die zorg is groot. Kan de staatssecretaris hier iets over toezeggen? Dat vindt mijn fractie belangrijk.

Een van de redenen om de jeugd-ggz over te hevelen, was het feit dat niet-westerse migranten significant minder gebruikmaken van de jeugd-ggz dan autochtone gezinnen en gezinnen met laag opgeleide ouders en het uit de pan rijzen van de kosten. Ik verwijs naar het rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau. Waarom is niet geprobeerd de toegankelijkheid van de jeugd-ggz voor deze groepen te verbeteren? En als de jeugd-ggz dan te duur en te weinig toegankelijk is, waarom is of wordt dan niet méér geïnvesteerd in de eerste lijn door de huisartsen meer in te schakelen? Ik noem niet voor niets de huisartsen. Zij houden in het wetsvoorstel de mogelijkheid om naar de jeugd-ggz te verwijzen. Hun inzet leidt ook tot een laagdrempeliger bereikbaarheid en het vroegtijdiger oppakken van lichtere vormen van zorg tegen minder kosten. De huisartsen zijn deel van de zorgverlening. Er lijkt niets tegen het versterken van hun rol te zijn. Ik verwijs naar een artikel van zorgaanbieder Coen Dresen in de Volkskrant van vorige week. Kan deze gedachte bijdragen om de jeugd-ggz een solidere landing te laten krijgen? Daar zou ik de staatssecretaris graag over horen.

Als extra borging is bij nota van wijziging ingevoerd dat gemeenten en zorgverzekeraars de uitvoering van de Jeugdwet en de Zorgverzekeringswet zo veel mogelijk op elkaar moeten afstemmen en afspraken moeten maken over de aansluiting en het delen van kennis en informatie. Dit ligt in lijn met de motie-Bergkamp die in de Tweede Kamer is aangenomen. Daarin staat dat de jeugd-ggz expliciet aandacht krijgt in de afspraken die regionaal en landelijk worden gemaakt. Mijn fractie vindt het interessant te horen of de staatssecretaris deze motie gaat uitvoeren? Het is doodzonde dat er niet met partijen aan tafel is gezocht naar een goed werkend systeem, want veranderingen in een systeem, en zeker een omvangrijke stelselwijziging als deze, worden eerder geaccepteerd als er vertrouwen is. Vertrouwen krijg je door ervaring op te doen. Heeft de staatssecretaris overwogen pilots te organiseren om deze overheveling te faciliteren?

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Ik probeer heel goed te luisteren. Mevrouw Scholten zegt dat er naar aanleiding van de motie-Bergkamp een wetswijziging is gekomen die beoogt vorm te geven aan de samenwerking tussen zorgverzekeraars en gemeenten in het kader van de financiering van de jeugd-ggz. Is het akkoord dat gisteren gesloten is tussen de VNG en Zorgverzekeraars Nederland over de financiering van de jeugd-ggz voldoende voor mevrouw Scholten? Zij vraagt nu de staatssecretaris om een reactie, maar heeft zij dat in haar overwegingen betrokken?

Mevrouw Scholten (D66):

Die brief – daar kom ik nog op – is een heel belangrijke aanwijzing dat er wordt samengewerkt in de overheveling, in elk geval voor het jaar 2015. Die motie verandert de wet overigens niet, want een motie is een motie. Ik wilde weten of de staatssecretaris die motie gaat uitvoeren.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Dan is mijn vraag of de brief die gisteren is gekomen, over het akkoord tussen de VNG en Zorgverzekeraars Nederland, voor u voldoende is. Of vindt u dat er nog meer moet gebeuren?

Mevrouw Scholten (D66):

Ik zou graag eerst het antwoord van de staatssecretaris op deze vraag horen. Ik kom nu op wat er nog meer moet gebeuren.

Ik had het over pilots. In pilots kun je samenwerking organiseren en kan worden gesproken over kennis en infrastructuur, zodat die beter kunnen worden overgedragen. Voor het verlies daarvan is de jeugd-ggz beducht. Waarom zijn er in het verleden geen pilots georganiseerd? Zou het op dit moment geen aanbeveling verdienen om van die kans gebruik te maken, zodat wij in het kader van de evaluatie van de Jeugdwet, mocht die tot wet worden verheven, in 2017 van die kennis gebruik kunnen maken? Ik doel dan op pilots met gemeenten, jeugdhulp, ggz, jeugd-ggz, zorgverzekeraars en cliëntenorganisaties om te kijken of het mogelijk is om brede samenwerking te organiseren. Ik ben heel benieuwd wat de staatssecretaris van die gedachte vindt.

Mijn fractie was en is bezorgd over wat er gebeurt als het niet lukt om afspraken te maken tussen zorgverzekeraars en gemeenten en de samenwerking hapert. Wie is dan de baas? Gaat de staatssecretaris dan gebruikmaken van zijn aanwijzingsbevoegdheid in artikel 2.15? Met de brief van de staatssecretaris van gisteren is duidelijk dat er overeenstemming is over de inkoop van de jeugd-ggz voor 2015, dat deze ingebed gaat worden in de 42 regio's en dat vooralsnog gekozen is voor het dbc-bekostigingssysteem. Dit bevordert vooralsnog de continuïteit en de kwaliteit, in elk geval voor 2015. Daarmee lijkt het gebruik van de aanwijzingsbevoegdheid overbodig. Mijn fractie juicht dat overigens toe, want een aanwijzingsbevoegdheid is een behoorlijk directieve maatregel. Het is prettig dat hierover ten minste voor het komende jaar duidelijkheid is verkregen.

De koepelorganisaties zijn echter nog niet tevreden. Zij willen een onafhankelijke commissie, naast de door mij voorgestelde pilots. De bedoeling is dat gemeenten en aanbieders een beroep kunnen doen op die commissie als de continuïteit en kwaliteit van de zorg aan kwetsbare jongeren niet zijn geborgd. Zij willen een commissie die hen adviseert en die ook maatregelen kan treffen om die continuïteit en kwaliteit te borgen. De instelling van een dergelijke commissie zou mijn fractie toejuichen. Partijen hebben dan een bemiddelingsinstantie en een vraagbaak. Kan de staatssecretaris dit toezeggen?

Er leven grote zorgen en die zijn terecht. Er zijn zorgen van bijvoorbeeld ouders van autistische kinderen, die vrezen hun ingekochte zorg kwijt te raken omdat gemeenten bij grote aantallen hun budget uitputten en daardoor wellicht quota gaan hanteren. Er zijn zorgen van zorgaanbieders, die vrezen dat zij door mindere inkoop, door bezuinigingen, door frictiekosten en door vastgoedrisico's dezelfde kwaliteit van zorg of zelfs de zorg in het algemeen niet meer kunnen bieden. Deelt de staatssecretaris deze zorgen? Ook ik kom dan op de uitspraak van de rechtbank Overijssel, die wijst op de stelselverantwoordelijkheid van de staatssecretaris en zegt dat de staatssecretaris voor die kosten verantwoordelijk is. Jeugdzorg Nederland rekende uit dat deze frictiekosten voor de gecertificeerde instellingen, zoals ik ze gemakshalve maar even noem, op ongeveer 86 miljoen uitkomen en voor de andere zorgaanbieders op 230 miljoen. Wij hebben het dus over ruim 300 miljoen.

Wij hebben ook zorgen over het woonplaatsbeginsel. De gemeente weigert de hulp als de jeugdige tijdelijk niet woont in de gemeente, maar door opname in een instelling elders verblijft. De vraag is dan welke gemeente verantwoordelijk is. De gemeenten moeten met elkaar overleggen, maar de zorg moet snel geleverd worden en overleg duurt lang. Ik doel op het voorbeeld waarin de jeugdige met gescheiden ouders niet woont bij de met gezag beklede ouder waar hij is ingeschreven, maar bij de andere. Wat als een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken in de verblijfplaats van de jeugdige? Welke gemeente betaalt die? Mijn fractie zou een overkoepelende vangnetconstructie toejuichen waarin die financiële risico's worden gedeeld, met verrekening achteraf. Kan dat apart, dus niet ontschot, worden gebudgetteerd? Ook daar horen wij graag een reactie op van de staatssecretaris.

In deze overgangsfase speelt ook het punt van de omzetgaranties. Om de overgang te faciliteren, heeft de staatssecretaris voor het hele jaar 2015 aan de Bureaus Jeugdzorg een omzetgarantie beloofd van 80%. De landelijk werkende instellingen hebben echter geen garantie gekregen. Deze moeten de zorg inkopen bij de Bureaus Jeugdzorg via een mandaatconstructie. Wat gebeurt er dan als in deze overgangsfase de Bureaus Jeugdzorg die inkoop niet kunnen faciliteren? Het gaat om JeugdzorgPlusactiviteiten waarvoor die landelijk werkende instellingen een eigen verantwoordelijkheid hebben. Wat pleit tegen een gelijke en zelfstandige toekenning van omzetgaranties aan deze landelijk werkende instellingen? Kan de staatssecretaris dat toelichten en alsnog toezeggen?

Wij hebben ook zorgen over het keuzerecht. Ouders moeten de zorginkopen van de gemeente volgen. Dat is vergelijkbaar met een naturapolis onder de Zorgverzekeringwet. Toch zijn omstandigheden denkbaar waarin ouders hun eigen behandelaar willen kiezen, gelet op de specifieke vorm van jeugdhulp. In beginsel is dan geen pgb beschikbaar, maar in uitzonderingsgevallen toch wel zegt de staatssecretaris in de nadere memorie van antwoord. Kan de staatssecretaris op dit punt een voorbeeld geven, zodat gemeenten en ouders weten waar zij aan toe zijn?

Ik heb een korte vraag over de "grenskinderen": kinderen die in Duitsland of België wonen en in Nederland op school zitten. De zorgplicht is gekoppeld aan de woonplaats. Ik zou kunnen denken dat deze jeugdigen dan volledig verstoken zijn van Nederlandse zorg. De staatssecretaris is daar in de nadere memorie van antwoord niet zo duidelijk over. Een ander punt betreft het geval van het met spoed inroepen van jeugdzorg in het buitenland. Is dan ook het woonplaatsbeginsel van toepassing? Volgens het arrest Müller-Fauré van het Hof van Justitie in Luxemburg mag de zorgverzekeraar geen hindermacht opwerpen ten aanzien van de niet-gecontracteerde zorg. Geldt dat ook voor de gemeenten? Zijn deze vergoedingplichtig? Dat zou immers betekenen dat het keuzerecht van de ouders in het buitenland beter is geborgd dan in het binnenland. Ook daarop horen wij graag een reactie.

Ik heb nog één juridische vraag. De gemeenten zijn verplicht zorg te verlenen. De zorgplicht van de gemeente is juridisch afdwingbaar door de ouders. De vraag is hoe deze zorgplicht door de rechter zal worden getoetst. De memorie van antwoord en nadere memorie van antwoord geven daarvoor geen handvat. Kan de staatssecretaris deze handvatten aanreiken?

Ik heb nog een stuk over de rol van de gemeente. Een niet onbelangrijke ervaringsregel is: wie betaalt, bepaalt. Die klopt ook hier. De gemeenten krijgen de verantwoordelijkheid voor de wijze waarop de voor ieder kind noodzakelijke zorg wordt aangeboden en voor de financiering. Zij krijgen dus cruciale rol. Ik weet dat een aantal gemeenten snel aan de slag wil en zich gaat voorbereiden. Andere gemeenten wachten op de gemeenteraadsverkiezingen en gaan daarna aan de slag. Bovendien is het budget nog niet definitief bepaald. Moeten we erop vertrouwen dat die gemeenten gaan meedeinen op de golven van de samenhang in de regionale samenwerkingsverbanden op grond van de gisteren bereikte overeenstemming over de inkoop? Ik krijg graag een hoopvolle toelichting van de staatssecretaris.

Deze Jeugdwet behelst geen eenvoudige stelselwijziging. Bovendien komen de Wmo 2015 en de Participatiewet eraan. Van gemeenten wordt ook in die wetsvoorstellen veel gevraagd, met name omdat het financiële motief voor het Rijk een belangrijke rol speelt. Hier rijst de vraag welke gevolgen er voor het middelenniveau van gemeenten zullen optreden als zij hun verantwoordelijkheid voor eenzelfde kwaliteitsniveau en eenzelfde voorzieningenpakket nemen. Zij kunnen zich dan gedwongen zien, extra gelden uit de algemene middelen te halen.

De VNG-voorzitter zei dat de jeugd maar naar het voetbalveld moet in plaats van de psychiater, als dat niet lukt. Daar is uit sportief oogpunt veel voor te zeggen, maar de uitspraak is significant voor de problemen waarvoor de gemeenten zich gesteld zien. Ook blijkt daaruit dat er meer kennis nodig is. Op dit punt kan de vraag worden gesteld wat dit betekent voor de acceptatie van mogelijke juridische en maatschappelijke ongelijkheid. Ik ben overigens blij dat mevrouw Beuving opmerkte dat het onvoldoende beschikbaar hebben van middelen jeugdhulp nooit in de weg mag staan. Zij was daarin heel stellig. Ik hoop dat de instelling Emmaüs zich als voorbeeld voor anderen geen zorgen hoeft te maken. Als dat echt zo is, betekent dit dat de overheid of het Rijk als kader stellende stelselverantwoordelijke toch eigenlijk een vangnetconstructie moet maken of zich garant zou moeten stellen. Dat is een vergaand maar belangrijk idee.

Dan de bestuurlijke inrichting of de democratische legitimatie, zoals dat heet. De voor de noodzakelijke bestuurskracht noodzakelijke opschaling vindt niet plaats binnen de bestuurlijke hoofdstructuur met een rechtstreekse controlestructuur vanuit democratisch gelegitimeerde gemeenteraden. Zoals zo vaak, is weer de vluchtafslag genomen naar de bovenlokale samenwerkingsfiguur. Raadsleden krijgen daardoor weinig grip op hun kader stellende en controlerende rol. Ook de Algemene Rekenkamer heeft gewaarschuwd dat de lokale rekenkamers hun controletaak niet kunnen waarmaken. Moet daarom niet voor de noodzakelijke slagvaardigheid van beleid worden gevreesd? De jeugdzorg gaat van een volledige provinciale democratie naar meer functionele regionale hulpstructuren met een sterke mate van wethoudersbestuur. Wie is straks daadwerkelijk, dus niet alleen formeel, aanspreekbaar als er zaken misgaan en door wie? Wat blijft er over aan invloed en medezeggenschap van belanghebbenden? Wat zijn de gevolgen voor het vertrouwen van burgers in het lokaal bestuur? Dit alles is ook in de schriftelijke vragenronde aan de orde geweest, maar de antwoorden van de staatssecretaris hebben ons nog niet gerustgesteld. Ik krijg daarom graag nog eens een uitvoerige en hopelijk geruststellende reflectie van de staatssecretaris.

Als laatste maak ik een punt over privacy. Het CBP waarschuwde in haar advies voor onvermijdelijke risico's. Volgens het CBP is onvoldoende aandacht gegeven aan de privacyaspecten van het wetvoorstel. In de hoorzitting heeft de heer Thomesen van het CBP deze waarschuwing nog eens – en niet eens dunnetjes – overgedaan. Professor Wijers waarschuwde ervoor dat met dit wetsvoorstel het landelijk elektronisch kinddossier door de achterdeur werd ingevoerd, een ontwikkeling die politiek gevoelig ligt en in 2008 na pogingen tot invoering daarvan is afgeketst. De staatssecretaris wimpelde ondanks indringende vraagstelling in de voorbereidende nota's de bezwaren over de gaten in het privacysysteem af, stellende dat de overdracht van gegevens van de provincie naar gemeenten via een privacy impact assessment oftewel PIA wordt begeleid en is geborgd en dat verdere privacyaspecten op gemeentelijk niveau dienen te worden geregeld. Ik ben wederom net als mevrouw Beuving onder de indruk van het overzicht dat de staatssecretaris in de nadere memorie van antwoord heeft gegeven. Dat geeft een heel duidelijk beeld van waar hierin de ingewikkeldheden schuilen. Gemeenteambtenaren moeten met al deze ingewikkeldheden werken. Wij willen op dat niveau opnieuw een privacy impact assessment. In de schriftelijke vragenronde heb ik daarnaar gevraagd en naar de toepassing van de motie-Franken. Deze motie houdt in dat ieder wetsvoorstel vergezeld moet gaan van een PIA, voorafgaand aan de indiening ervan. Dat is in dezen niet gebeurd.

De VNG en gemeenten zijn doordrongen van de noodzaak om de gegevensuitwisseling adequaat vorm te geven, zegt de staatssecretaris op een vraag van de SP. De staatssecretaris zal de VNG ook uitdrukkelijk oproepen om een PIA te laten uitvoeren, zegt de staatssecretaris op een vraag van mij. Dat is mooi, maar het risico dat de privacy in alle ruim 400 gemeenten niet op eenvormige wijze wordt aangepakt, blijft ondanks alle goede bedoelingen bestaan. Deze materie is te gevoelig om aan elke gemeente afzonderlijk over te laten. Mijn fractie bepleit alsnog dat de staatssecretaris van V en J de gemeenten strakke aanwijzingen geeft hoe daarmee om te gaan.

Voor zover bekend, is er evenmin een bewaartermijn van gegevens vastgelegd. De staatssecretaris en niet de VNG dient daarop de regie te voeren. Wij willen dat de staatsecretaris daarover een strakke beleidslijn afgeeft of nog steeds een PIA laat uitvoeren.

Er staan vele belangen op het spel. We hebben veel vragen gesteld. We zijn daarom bijzonder geïnteresseerd in de reactie van beide staatssecretarissen.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Ik kom terug op de pilots oftewel proefprojecten die mevrouw Scholten noemde. In de memorie van antwoord van 10 januari jl. staat daarop een antwoord. Ik citeer: "Veranderingen in de bestuurlijke en financiële verantwoordelijkheid voor het jeugdstelsel kunnen niet eerst via pilots worden uitgeprobeerd; daartegen verzet zich het karakter van de huidige wetgeving (Wet op de jeugdzorg, Zvw, Algemene wet bijzondere ziektekosten)". En: "Het is niet mogelijk om een deel van de bevolking uit te sluiten van een wettelijke aanspraak of de plicht tot premiebetaling, opdat in een pilot kan worden nagegaan wat de effecten van een ander stelsel zijn". Dat heeft de staatssecretaris zelf geschreven. Wat vindt u van dat antwoord?

Mevrouw Scholten (D66):

U hebt meer dossierkennis dan ik, want die brief is mij ontgaan.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Het staat in de memorie van antwoord.

Mevrouw Scholten (D66):

U zegt "brief".

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Nee, in de memorie van antwoord staat het antwoord op uw vraag. Ik weet niet meer van welke partij die vraag afkomstig was, maar het antwoord is een antwoord op uw vraag.

Mevrouw Scholten (D66):

Mijn vraag is of de staatssecretaris alsnog een privacy impact assessment uitvoert.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Nee, sorry, ik heb het over de pilots, de proefprojecten, waarover u het eerder had.

Mevrouw Scholten (D66):

Mijn idee is dat er in het komende jaar een pilot wordt uitgevoerd aangaande de samenwerking tussen alle belanghebbenden om na te gaan hoe daarmee in de evaluatie kan worden omgegaan. Daarin kan de privacy worden meegenomen. Ik vind dat een mooie gedachte.

De heer Beckers (VVD):

Mevrouw de voorzitter. Wij behandelen vandaag twee wetsvoorstellen. Naast de Jeugdwet spreken wij ook over het wetsvoorstel tot wijziging van de huidige Wet op de Jeugdzorg in verband met de verplichting tot het gebruik van het burgerservicenummer in de jeugdzorg. Wat mijn fractie betreft, is de schriftelijke behandeling afdoende geweest en kunnen wij instemmen met het wetsvoorstel 33674.

Laten we de aandacht richten op de Jeugdwet. Verleden jaar februari gaven de bewindslieden van VWS aan welke maatregelen zij in deze kabinetsperiode willen nemen en legden die visie neer in de gezamenlijke agenda met de titel Van systemen naar mensen. Voor de volksgezondheid een treffende titel, waar menigeen met instemming en vol verwachting naar geluisterd heeft; een omslag van het denken in systemen naar het denken vanuit de mens. Vanuit deze hoofdlijn van beleid kijkt de fractie van de VVD naar de Jeugdwet zoals we die vandaag bespreken. Dan past vooraf een woord van dank aan de regering voor de inzet van velen die een bijdrage geleverd hebben aan de uitvoerige schriftelijke behandeling binnen de krappe tijdspanne die we ons hadden opgelegd.

Het voorliggende wetsvoorstel heeft tot doel om binnen het totale jeugdstelsel op een efficiënte en effectieve manier aan de slag te gaan met de gepaste zorgen voor de jeugd, daarbij het totale stelsel te vereenvoudigen en een stevige kostenbesparing te realiseren. Is dat wenselijk of nodig? Tweemaal "ja" en wel hartgrondig en met overtuiging voor de leden van mijn fractie. De tekortkomingen van het huidige stelsel zijn bij de evaluatie van de Wet op de Jeugdzorg en door het onderzoek van de parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg nadrukkelijk in beeld gebracht. Kijken we naar cijfermateriaal dan zien we dat de provinciale jeugdzorg de laatste tien jaar met gemiddeld 8% per jaar is gestegen, de jeugd-ggz met 13% en de jeugd-lvg met 28%. 325.000 kinderen in ons land hebben te maken met enige vorm van jeugdzorg en extra zorgwekkend is dat meer dan 50.000 kinderen niet thuis wonen, maar verblijven in pleeggezinnen, instellingen of opvang.

Kortom, verantwoordelijkheden neerleggen bij gemeenten, dichter bij de burger en die burger helpen vanuit zijn capaciteiten, zijn bekwaamheden en de verantwoordelijkheden die hij kan dragen, is de winst van deze wet. Gemeenten kunnen waar het jeugdhulp betreft een regierol gaan vervullen en met het beoogde maatwerk zal er een nadrukkelijke verbetering optreden. Meer aandacht voor preventief optreden en begeleiding en het sterker steunen van ambulante jeugdzorg in plaats van het te vanzelfsprekend inschakelen van de complexere hulp, kunnen overbehandeling voorkomen en kosten reduceren. Die overbehandeling, dat te vroeg, te snel behandelen in de tweede of derde lijn heeft ook als nadeel dat de drempel te hoog is voor jongeren, die eigenlijk gebaat zijn bij preventieve begeleiding. Te vaak zien we dat gebrekkig behandelen leidt tot afkeer, tot niet behandelen. Daarmee wordt aan jongeren belangrijke ondersteuning onthouden, hetgeen weer kan leiden tot verdwalen in het criminele circuit.

Er zijn echter meer zorgen over dit onderwerp en dan bedoel ik met name de manier waarop over dit onderwerp en het voorliggend wetsvoorstel gecommuniceerd wordt. Regelmatig kwamen berichten in de publiciteit waarin de nuancering ontbrak. Soms gebeurde dat uit onwetendheid, en soms vanwege onzorgvuldigheid bij feitenweergave of verslaglegging.

Zo las ik meerdere malen dat gemeenteambtenaren straks gaan bepalen of een kind wel of geen psychiatrische hulp nodig heeft en dat bij die beoordeling beoogde kostenreductie en/of de financiële positie van de gemeente bepalend zouden zijn, waardoor zorg zelfs onthouden zou worden. Jammer, of is het ernstig, dat op deze manier veel onrust onder ouders, instellingen en professionals georganiseerd wordt. Zeker, de jeugd-ggz gaat met dit wetsvoorstel uit de basisverzekering en komt onder verantwoordelijkheid van gemeenten terecht. Met die overheveling vindt ontschotting plaats, worden minder procedures om te indiceren gehanteerd, ontstaan er minder wachtlijsten en wordt de volgordelijkheid in behandeling logischer.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

U zegt dat ontschotting plaatsvindt. Maar er ontstaan toch heel duidelijk nieuwe schotten, iets waarop vandaag al meerdere malen is gewezen. Hoe waardeert u dat?

De heer Beckers (VVD):

Die nieuwe schotjes zien wij ook. Wij denken dat je de schotten die ontstaan beter en zorgvuldiger kunt managen dan de veelheid aan schotten die op dit moment bestaat. Met name waar het gaat om het schot tussen 18-min en 18-plus, denk ik dat betrokkenen als zij de leeftijd van 18 jaar bereiken – dat zie je al enkele jaren van tevoren aankomen – contact zoeken met de behandelaar die de behandeling vanaf het 18e jaar gaat voortzetten. Daarbij kan de financiering worden overgenomen. Dat lijkt me toch vanzelfsprekend.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Als ik kijk naar de afspraken tussen ZN en VNG, zie ik dat het gaat om 40 uur begeleiding, en zie ik helemaal niets over deze overgang. Ik ben minder optimistisch dan u dat dat makkelijk te managen zou zijn. "Schotjes" vind ik wel heel erg eufemistisch uitgedrukt.

De heer Beckers (VVD):

Ik ben een optimistisch mens, dus ik geloof daarin. Ik geloof in de kracht van de initiatieven van mensen, ik geloof erin dat ze de problemen staande dit proces oplossen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

We kennen u inderdaad als een blijmoedig en optimistisch mens, in ieder geval in hoe u zich voordoet. Dat is altijd mooi. Maar we zitten hier toch ook om te kijken waar het fout zou kunnen gaan, en hoe we dat kunnen voorkomen. Dan is het nadenken over schotten wel degelijk van groot belang. Waar zien we nieuwe schotten ontstaan en hoe zal dat verlopen? U noemt het voorbeeld van de 18-jarige die al in behandeling is. Daar kan de behandelaar uiteraard tijdig op ingrijpen. Maar er is ook een andere ervaring – ik heb dat van dichtbij meegemaakt – namelijk dat een kind van 17 hulp nodig heeft, op een wachtlijst terechtkomt, waarna gezegd wordt: voordat dat kind aan de beurt is, is het misschien al 18 jaar, dus daar beginnen we maar niet aan. Dan ga je naar de volwassenen-ggz toe, waar wordt gezegd: het kind is nog geen 18 jaar, dus we kunnen het nog niet inschrijven. Ofte wel: dat schot tussen 18-min en 18-plus is misschien toch iets ingewikkelder dan u hier doet voorkomen. Een ander voorbeeld: er zijn gezinnen waarin de ouders gebruikmaken van de volwassenen-ggz en de kinderen van de jeugd-ggz. Ook daar krijg je een nieuwe situatie, waarin een geïntegreerde behandeling en begeleiding problematischer wordt dan wanneer dat onder hetzelfde regime valt. Misschien wilt u uw optimistisch pet even afzetten, en het wensdenken iets kritischer bejegenen; dat zal het debat misschien verder helpen.

De heer Beckers (VVD):

Ik proef bij de heer Ganzevoort de vooronderstelling dat er wachtlijsten zouden zijn. Wachtlijsten komen natuurlijk geregeld voor, maar om er dan meteen de dramatiek aan te verbinden dat dit ertoe leidt tot een 17-jarige moet wachten, omdat hij nog niet terecht kan bij de 18-plussers en dus bij de 18-minners op een wachtlijst komt te staan, gaat me te ver. Ik ga ervan uit dat wij in dit stelsel überhaupt zo weinig mogelijk wachtlijsten zullen hebben, zo ja, dat we ze adequaat aanpakken en dat gemeenten zorgen voor contracten. Ik kom daar nog op. Misschien wordt u dan bediend, en anders zie ik u weer.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ongetwijfeld. Het woord "dramatiek" gaat niet over mijn woorden, maar over de concrete situatie van het gezin dat met de 17-jarige te maken had in de huidige situatie. Als de heer Beckers van mening is dat in de nieuwe situatie dit soort zaken niet meer voorkomt, en er geen wachtlijsten zullen zijn, ben ik buitengewoon benieuwd naar zijn visie op de financiering, de budgetgrens en de bezuiniging. Ik zal luisteren naar zijn betoog.

De heer Beckers (VVD):

Ik kom zo dadelijk over de zorgplicht van de gemeente te spreken. Ik heb er het volle vertrouwen in dat de gemeenten hun verantwoordelijkheden kennen. Ik weet niet of u de afgelopen maanden contact hebt gehad met gemeenten. Ik heb veelvuldig contact gehad met allerlei gemeenten. Ze staan te popelen om te beginnen en er zit zo veel kracht bij de gemeenten en zo veel wil om dit traject goed uit te voeren, dat we daar dik content en vol verwachting naar mogen kijken.

Het wetsvoorstel gaat uit van een aantal veelbelovende zaken, waarmee nog niet gezegd is dat we het voorstel als zoete koek tot ons nemen. Daarvoor is het onderwerp te serieus en de problematiek te groot. Het spreekt de leden van de VVD-fractie zeer aan dat de verantwoordelijkheid voor het opgroeien en de zorgen bij het opvoeden in eerste instantie bij de ouders worden gelegd. Zij krijgen daartoe de kansen, kunnen hun bekwaamheden aantonen en benutten. Als ouders daartoe minder vaardig zijn, weten zij zich verzekerd van steun door de overheid. Door in het wetsvoorstel uit te gaan van de eigen kracht van jongeren en hun ouders, door problemen minder snel te medicaliseren, door meer te sturen op maatwerk bij hulp en zorg en door als vertrekpunt preventie en ondersteuning op te nemen, is het logisch dat gemeenten grote verantwoordelijkheden krijgen voor het jeugdstelsel.

Gemeenten functioneren dichter bij de burger, begrijpen de burger in zijn lokale omstandigheden beter en hebben hun ogen en oren dichter bij de burger. De maatschappelijke antenne is intensiever gericht op het individu, terwijl de bewoner zich ook liever beweegt in een kleinschalig traject met oog voor detail en persoonlijke omstandigheden, dan in grootschalige trajecten, waarin het veel moeilijker is om af te wijken van algemene regels die voor iedereen gelden. In zo'n kleinschalige omgeving, waarin naast het gezin ook familie, buurt en school een rol spelen, kunnen opgroeien en opvoeden weer een sociale inbedding krijgen.

Het wetsvoorstel biedt veel kansen aan gemeenten om een einde te maken aan versnippering en verkokering in de jeugdzorg. De adviezen en aanbevelingen van de parlementaire werkgroep Toekomstverkenning Jeugdzorg uit 2010 zijn nadrukkelijk terug te vinden in deze wet. Daarmee is er maatschappelijk draagvlak voor de wet, maar er zijn ook nog wel wat vragen, die in de gedegen schriftelijke behandeling niet uitvoerig genoeg behandeld zijn.

Ten aanzien van de toegangstaak en de daaraan verbonden privacyaspecten hebben de leden van mijn fractie nadrukkelijk gevraagd om overzichtelijk per taakveld aan te geven door wie en aan wie, alsmede met welk doel en met vermelding van de wettelijke grondslag, gegevens verstrekt en zo nodig verwerkt kunnen worden. Dat overzicht is in de nadere memorie van antwoord ontvangen, waarvoor onze dank. Wij denken dat dit overzicht een nadere uitwerking behoeft en dat het vervolgens voor velen die, beroepsmatig of als cliënt, met deze wet te maken krijgen, van nut kan zijn. Het overzicht is goed leesbaar en toepasbaar, maar verdient een vertaalslag naar de praktijk. Hoe wordt de praktijk "empowered" om dit overzicht toe te passen, bijvoorbeeld door opleiding? Vindt er een vertaalslag plaats zodat betrokkenen, zoals ouders, jeugdigen, hulpverleners en medewerkers, op een toegankelijke wijze daarvan kennis kunnen nemen? Hoe worden gemeenten ondersteund bij het ontwikkelen van privacybeleid, alsmede bij de toepassing ervan?

In het toeleidingsoverzicht wordt aangegeven dat jeugdhulpverleners gegevens uit het betrokken dossier op grond van artikel 7.3.11 van de Jeugdwet en artikel 7.457 van het Burgerlijk Wetboek niet verstrekt mogen worden aan anderen, behoudens als de patiënt daarvoor toestemming heeft gegeven. Daarbij wordt een uitzondering gemaakt voor onder andere vervangers van de hulpverleners. De hulpverleners zijn met betrekking tot de geheimhouding gebonden aan de BIG-voorschriften of zij vallen onder de ambtelijke geheimhoudingsplicht. De leden van de VVD-fractie vragen zich af welke wettelijke regelingen omtrent de geheimhoudingsplicht van toepassing zijn op de bedoelde vervangers, als die van buiten de ambtelijke organisatie afkomstig zijn.

Een ander onderwerp in het hoofdstuk van de persoonsgegevens betreft de aard van de gegevens en de opslag ervan in bestanden en systemen. Artikel 13 van de Wet bescherming persoonsgegevens geeft aan dat er passende technische en organisatorische maatregelen genomen moeten worden ter beveiliging van persoonsgegevens tegen verlies en onrechtmatige verwerking. De leden van mijn fractie vinden het van groot belang dat gemeenten en zorginstellingen maatregelen nemen om bestanden waarin gezondheidsgegevens en andere persoonsgegevens op basis van deze wet worden opgeslagen, optimaal te beveiligen. Het verdient de voorkeur dat bij deze beveiliging een algemeen en uniform normenkader voor informatiebescherming en informatieveiligheid gehanteerd wordt. Vervolgens zullen gemeenten verplicht gesteld moeten worden om een informatieveiligheidsbeleid vast te stellen en over de doeltreffendheid van de uitvoering ervan regelmatig, en met betrekking tot deze wet de eerstkomende vijf jaar jaarlijks, te rapporteren. Dit moet niet alleen in de planning- en controlcyclus, maar in een aparte rapportage aan de gemeenteraad. Daarin zal uitvoerig opgenomen moeten worden hoe de gemeente en de opdrachtnemers zijn omgegaan met de beschermde gegevens, waar de problemen ontstaan bij verstrekking en verwerking van de gegevens en hoe een en ander is op te lossen binnen de kaders van de diverse wetten. Deze rapportage dient een zodanige transparantie te hebben dat ze voor burgers en organisaties begrijpelijk is. De leden van de VVD-fractie vernemen graag op welke wijze de regering hieraan gevolg zal geven.

In de nadere memorie van antwoord heeft de staatssecretaris aangegeven dat hij in overleg zou gaan met de VNG om op gemeentelijk niveau een of meerdere PIA's te organiseren. Wij vernemen graag of dat overleg reeds heeft plaatsgevonden, wat de uitkomst ervan is en wanneer de gemeentelijke PIA's gaan plaatsvinden. Wat ons betreft hoeven deze niet per gemeente uitgevoerd te worden, maar zouden ook per systematiek die door de gemeente gehanteerd wordt, kunnen plaatsvinden. In dat geval hoeven we alleen de systematieken te toetsen.

In de schriftelijke behandeling hebben we ook de wenselijkheid aan de orde gesteld dat gemeenten en huisartsen met elkaar in gesprek gaan om het verwijsgedrag van huisartsen te bespreken. Huisartsen zouden een gesprek hierover kunnen ontlopen door een beroep te doen op hun beroepsgeheim. Welke middelen ziet de regering voor gemeenten om de huisartsen voor dergelijke gesprekken aan tafel te krijgen?

Eveneens is de positie van de vertrouwensarts in het AMHK aan de orde geweest. Wij gaven aan dat we de omschrijving over deskundigheid en beschikbaarheid van een vertrouwensarts erg vrijblijvend vinden en dat onze voorkeur uitgaat naar aanwezigheid van de arts in het AMHK, in plaats van beschikbaarheid na een eventuele oproep. Als we de drempel bij meldingen van verschijnselen van kindermishandeling zo laag mogelijk willen maken, is eenvoudig en direct contact van arts tot arts zeer gewenst. Slechts op afroep beschikbaar zijn van een vertrouwensarts voor beoordeling en advies over precaire onderwerpen stimuleert het zo nadrukkelijk gewenste meldgedrag niet. De leden van mijn fractie zouden dan ook graag zien dat binnen het AMHK steeds een vertrouwensarts voor beoordeling en advies aanwezig is, of zonder drempel beschikbaar is. Ook hierover vernemen we graag de mening van de regering.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Hoeveel AMHK's denkt de afgevaardigde dat er zullen ontstaan? Op dit moment zijn de meldpunten per provincie georganiseerd. Ik denk dat er tien of twaalf zijn. Hoeveel denkt de afgevaardigde dat er komen?

De heer Beckers (VVD):

Ik zie geen noodzaak dat het er veel meer zouden moeten zijn.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

De heer Beckers denkt niet dat gemeenten zelf AMHK's gaan organiseren, maar dat de situatie blijft zoals ze is?

De heer Beckers (VVD):

Ik denk dat we gemeenten kunnen vinden waar, als er een AMHK zou zijn, nauwelijks gebruik zou worden gemaakt van de deskundigheid en kwalificaties ervan. Ik ga er niet van uit dat elke gemeente dat heeft, maar dat daarover in regionaal verband afspraken worden gemaakt.

Dit wetsvoorstel hanteert het begrip "woonplaatsbeginsel" om nader te duiden welke gemeente verantwoordelijk en kostendrager is. De leden van mijn fractie zijn van mening dat dit begrip bij toepassing voor expats wier kinderen in Nederland verblijven, en voor zwervende of rondtrekkende gezinnen, nadere uitleg behoeft. Ook doet zich de situatie voor dat kinderen niet wonen bij degene die het ouderlijk gezag uitoefent, of dat vader en moeder die het ouderlijk gezag wel hebben niet bij elkaar wonen. Ten slotte leidt het woonplaatsbeginsel er ook toe dat voor gemeenten binnen wier grenzen specialistische zorginstellingen gevestigd zijn, concentratie aan kosten ontstaat wanneer jongeren worden opgenomen in die specialistische zorginstellingen en vervolgens worden ingeschreven in de desbetreffende gemeente. De leden van de VVD fractie zien de toepassing van het beginsel in deze situaties graag nader uitgelegd.

Ik kom nu toe aan een onderwerp dat niet behoort tot het eenvoudigste onderdeel van deze wet, en dat de voorbije weken veel aandacht gekregen heeft maar ook veel stof heeft doen opwaaien. De decentralisatie van de jeugd-ggz naar gemeenten is inmiddels omgeven met heel veel emoties. Zoals ik hiervoor al betoogde, heeft de hardnekkig onjuiste beeldvorming dat gemeenteambtenaren op de stoel gaan zitten van de medicus of behandelaar geleid tot verwarring en onrust. Om die negatieve gevoelens weg te nemen, zouden wij van de staatssecretarissen nog eens de bevestiging willen horen dat de zorgverlening in het nieuwe stelsel in handen blijft van professionele behandelaars en hulpverleners.

Uit eerdere antwoorden van de regering is te concluderen dat de toeleiding van jongeren naar onder andere de jeugd-ggz en de tweede of derde lijn geschieden zal door deskundige professionals en dat tevens de doorverwijzing door een huisarts, medisch specialist en of jeugdarts naar alle vormen van jeugdhulp geborgd is. Daarbij kan onderscheid gemaakt worden tussen toeleiding naar de lichte vorm van zorg of de zwaardere. Kan de staatssecretaris nog eens aangeven wat het begrip "professional" in deze varianten inhoudt en welke kwalificaties aan deze professionals gesteld worden? Gemeenten kunnen een verwijzing door de huisarts naar welke vorm van jeugdhulp dan ook niet veranderen of tegenhouden. Na verwijzing zal de invulling van de voorziening geschieden door de hulpverlener, de psychiater of de maatschappelijk werker indien van toepassing. Daarmee is de kwaliteit van de zorgverlening geborgd. Blijft wel de vraag of de toegeleiding sneller kan verlopen wanneer de ggz-instellingen in wijkteams vertegenwoordigd zouden zijn. Ook hierover graag de mening van de staatssecretaris.

Misschien in antwoord op de vraag van de heer Van Ganzevoort zeg ik het volgende. Als de wijkteams goed gaan functioneren, wordt de kans op wachtlijsten beperkt. Als de staatssecretaris het met de gedachten over de toeleiding eens is en de geschetste gang van zaken kan bevestigen, is de conclusie dan correct dat gemeenten in het toegeleiden naar zorg niet in eerste instantie gedreven moeten worden vanuit financiële motieven, maar dat de kwaliteit van de toewijzing en van de invulling van de voorziening vooropstaan? De financiële effecten worden behaald door effectieve en afgewogen toeleiding, minder medicaliseren, geen overbehandeling en snellere hulpverlening door de juiste instantie. Ook hierop graag de reactie van de staatssecretaris.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Wederom een vraag ter verheldering. De heer Beckers heeft het over overbehandeling. Ik denk niet dat hij onderbehandeling met opzet niet noemt.

De heer Beckers (VVD):

Ik ga niet van onderbehandeling uit. Ik sprak over overbehandeling. In het verleden had overbehandeling plaats, maar het duurde heel lang voordat jongeren die andere hulp nodig hadden, voor die andere hulp in aanmerking kwamen, c.q. het duurde lang voordat ze feitelijk werden behandeld.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Dat is interessant. Ik zou dit juist een geval van onderbehandeling noemen, omdat onderbehandeling betekent dat je niet de juiste vorm van behandeling krijgt.

De heer Beckers (VVD):

Als dat het begrip is, ben ik het met mevrouw Slagter eens.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

De heer Beckers stelt dat de kwaliteit van de zorg is geborgd. Waarom zou dan de gehele jeugd-ggz naar de gemeente moeten worden overgeheveld? Zou datgene wat hij nu als doelen formuleert ook niet bereikt kunnen worden in het kader van alles wat in de eerste lijn hoort te zitten, als dat onderscheiden blijft van de aansturing vanuit de gemeente? Het zijn de professionals zelf namelijk die de toegang goed bewaken. Daar heeft de heer Beckers alle vertrouwen in. Het is goed dat hij dat zegt, maar waarom is de overheveling van de jeugd-ggz naar gemeenten dan nodig? Ik vraag dat omdat dit nogal een operatie is. Deze grijpt in in het stelsel van gezondheidszorg, maar ik hoor de heer Beckers daar eigenlijk niet over.

De heer Beckers (VVD):

Ik zou daar nog op komen, maar ik ga er nu op in. Mijn fractie heeft heel lang bij dit onderwerp stilgestaan. Mevrouw Beuving heeft het rapport ook al genoemd, maar voor mij is het rapport-Van Gastel doorslaggevend geweest. We hebben de parlementaire adviescommissie gehad. In dat kader kwam het onderscheid op tussen de jeugdhulpverlening en de totale jeugdhulp, exclusief de jeugd-ggz. Dat leidde tot het voorstel van oud-minister Rouvoet. Kijk je naar de vervolgopdracht aan de commissie-Van Gastel en de argumentatie in dat rapport om toch te kiezen voor het huidige stelsel, dan komt het erop neer dat men stelt dat de andere variant veel negatieve elementen heeft, onder andere verwarring en onduidelijkheid over wie de toegeleiding doet. Voor mij was ook belangrijk dat in dat rapport werd aangetoond dat de gemeente geen financieel belang meer heeft bij behandeling binnen de jeugd-ggz. Dat zou kunnen inhouden dat je, om al te hoge kosten te ontwijken, de moeilijke gevallen van kinderen die in de jeugd-ggz zouden moeten worden behandeld en die vallen onder de systematiek van de zorgverzekeraar, gemakkelijk zou kunnen doorschuiven. Je bouwt in het systeem dat Van Gastel beschrijft in dat de financiële prikkel niet werkt. Dat is voor mij een heel belangrijke factor geweest.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Nu doet de heer Beckers een beroep op die financiële prikkel, terwijl hij zojuist zei dat de professionals het moeten doen. Dat ben ik met hem eens. Het gaat om de wijze van diagnosticeren en doorverwijzen. Als wij inzetten op een versterking van de eerste lijn – daar gaat dit debat over – als daar heel veel wordt afgevangen, als daar wordt gezien waar iets moet plaatsvinden – hebben wij de stelselherziening van de ggz toch helemaal niet nodig om die doelen toch te bereiken?

De heer Beckers (VVD):

Ik zei zojuist dat de toegeleiding vanuit de eerste lijn naar de specialistische vormen van hulp in dat stelsel naadloos kan verlopen. Daar heb je geen breuken in, maar in een ander stelsel wel. Als deze functionarissen, deskundigen, professionals die zich gaan bezighouden met de toeleiding en de toegeleiding, hun werk goed kunnen doen, is sprake van een naadloze overgang van het ene naar het andere niveau waar dat nodig is.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Die is er nu toch ook? Wat is het verschil dan?

De heer Beckers (VVD):

In de huidige praktijk is het in ieder geval zodanig geknipt en gescheiden dat andere instellingen en beroepen de begeleiding doen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik begrijp het antwoord niet, maar ik laat het hier even bij. We hebben nog een tweede termijn.

Vanwege het financieringsstelsel waarbij wordt overgestapt van bevoorschotting naar prestatiebekostiging kunnen instellingen en zorgaanbieders, zeker in de transformatiejaren, in liquiditeitsproblemen komen, zonder dat zij zich voldoende hebben kunnen manifesteren op zowel vakinhoudelijk als financieel gebied. Leningen bij banken zijn dan niet of tegen ongunstige omstandigheden aan te gaan. Uiteraard is het mogelijk om dit vraagstuk tussen gemeenten en instellingen te bespreken, maar daarmee is nog geen oplossing geboden. Veel instellingen zullen immers te maken krijgen met meerdere gemeenten. Voorts zullen tussen instellingen fusies plaatsvinden. Dit zijn omstandigheden die veel tijd kosten. Welke mogelijkheden ziet de staatssecretaris om deze problematiek in de transformatieperiode op te lossen?

Een vraagstuk over inzicht in de financiering doet zich ook voor bij de bovenregionale instellingen waarin de zeer moeilijk opvoedbare jongeren zijn opgenomen, begeleid worden en geschoold worden. Deze instellingen hebben met de gemeenten en/of de samenwerkingsverbanden nog geen contracten afgesloten. Daarmee bestaat het risico dat in deze instellingen plaatsen voor deze jongeren gaan vervallen en de aanwezige specialistische expertise en kennis verloren gaan. Is de staatssecretaris bereid te bewerkstelligen dat, juist nu gemeenten de 95%-toezegging hebben gekregen, deze instellingen binnen enkele weken het vereiste inzicht verkrijgen en is hij bereid zo nodig aan gemeenten een aanwijzing te geven?

Een volgend important vraagstuk waarbij we nog willen stilstaan, betreft de positie van de cliënt. Is onder de werking van deze wet diens positie voldoende stevig? Vergelijken we de huidige wet met het voorstel, dan zien we enkele nadrukkelijke verschillen die onze aandacht vragen. Zo heeft de cliënt in het nieuwe stelsel geen recht op zorg, maar heeft de gemeente een zorgplicht. Dat kan in de praktijk dicht bij elkaar komen, maar dan vereist dat extra zorgvuldigheid en ruimhartigheid van alle betrokkenen bij de toeleiding naar zorg, alsook bij het te contracteren zorgaanbod.

De cliënt heeft onder de Zorgverzekeringswet vrije artsenkeuze, vrije pakketkeuze en vrijheid in de keuze van de zorgverzekeraar, zeker in de basiszorg. Onder het stelsel van de Jeugdwet bestaat deze vrijheid in formele zin niet. Cliënten zijn afhankelijk van het inkooppakket van gemeenten en dat kan per gemeente verschillend zijn, zeker op het kwetsbare terrein van de ggz. Er is dan geen vrije keuze omtrent de omvang van het zorgpakket dat de gemeente heeft gecontracteerd. Daarbinnen is er geen vrije artsenkeuze en geen mogelijkheid tot het wisselen van zorgaanbieder. Eveneens is de weg van een second opinion moeilijk. Echter, als dat pakket voldoende variabel is, voldoende alternatieven kent en eveneens de vereiste kwaliteit biedt, dan zullen in de praktijk ook hier de verschillen acceptabel zijn. Dat is echter afhankelijk van de beleidsvisie en uitvoering daarvan door gemeenten.

De markt kan hier niet corrigerend werken. Het is immers ondoenlijk om een gemeente die een te sober jeugdzorgbeleid voert, te verlaten. Des te belangrijker is de controlerende rol van de gemeenteraad op het gezondheidszorgbeleid in het algemeen en op deze punten in het bijzonder. Daarvan kan een corrigerende werking uitgaan, maar dan zullen leden van de gemeenteraden ook voldoende, ja ruim voldoende, geëquipeerd moeten zijn om deze rol te vervullen.

Dat wordt het komende jaar van nog meer belang als de andere twee decentralisaties gaan plaatshebben. Een extra belastend element voor adequate uitvoering van de controlerende taak van gemeenteraden is dat veel afspraken en contracten in het kader van de Jeugdwet geregeld worden door middel van gemeenschappelijke regelingen. Daarmee is de democratische controle verder beperkt.

Dit jeugdstelsel en de daaraan toe te voegen komende decentralisaties vragen van gemeenteraden extra bekwaamheden, extra deskundigheid, extra inzet en extra scholing. Tegelijkertijd zien we dat in onze samenleving het respect voor mensen die met weinig faciliteiten deze taken op zich nemen, steeds verder wegzakt. Een verschijnsel dat we als VVD-fractie ernstig betreuren. Al te vaak worden bestuurders en volksvertegenwoordigers denigrerend weggezet. Met die houding zal de spoeling om goede mensen op verantwoordelijke posities in gemeenteraden te krijgen steeds dunner worden. Veel gemeenten hebben nu al te maken met te weinig deskundige belangstelling voor raadszetels. Hoe lang is decentralisatie van taken en bevoegdheden dan nog verantwoord? Wij vragen de regering met nadruk niet alleen te zorgen voor goed doordachte en afgewogen decentralisaties naar gemeenten, maar ook te zorgen voor stevige en deskundige tegenkracht, die zijn vorm vindt in hoogwaardige democratische controle. Wij vernemen graag van de staatssecretarissen op welke wijze de regering hieraan vorm wil geven.

Ik rond af met het uitspreken van een hoop en een verwachting. Dit wetsvoorstel zal, bij aanname, veel inzet en energie vragen van heel veel betrokkenen. Daarbij zullen velen met enthousiasme en sommigen met bedenkingen aan de slag gaan en zullen ook zwakke plekken van dit wetsvoorstel zichtbaar worden. Mijn fractie spreekt daarbij de wens uit om vooral aan degenen die nu met de toepassing belast worden, voldoende ruimte te geven om hun werkzaamheden te doen en zo nodig te herstellen en vooral niet te snel vanuit de rijksoverheid in te grijpen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Bedoelt de heer Beckers ook voldoende ruimte in termen van formatie, financiën en budget of zijn het gewoon mooie woorden?

De heer Beckers (VVD):

Over de budgetten en die ruimte hebben wij afspraken gemaakt. Daarvoor ligger er voorstellen. Met het begrip "ruimte" bedoel ik kansen krijgen en er niet meteen als het fout gaat bovenop zitten. Heb vertrouwen in degenen die het gaan uitvoeren. Laten wij hier met ons allen geregeld over dit onderwerp spreken en zorgen dat gemeenten, gemeentebestuurders en vertegenwoordigers in gemeenteraden weer ruimte krijgen om dit moeilijke pakket tot zich te nemen en uit te voeren. Dat is wat ik bedoel met "geef ze de ruimte".

De heer De Lange (OSF):

Ik heb met belangstelling en concentratie naar collega Beckers geluisterd. Tijdens de eerste twintig minuten van zijn betoog bezong hij de lof van de decentralisatie in alle mogelijke toonaarden, zonder heel veel aandacht te besteden aan de diverse beren op de weg die door alle andere sprekers zijn genoemd. Dat mag, maar dat verbaasde me. Maar in de allerlaatste minuut kwam hij toch met het inzicht, in elk geval de stelling, dat de democratische controle en het probleem om op gemeenteniveau goede mensen te vinden wel eens geweldige sta-in-de-wegs zouden kunnen zijn bij dat hele decentralisatieproces. Staat dat niet een beetje haaks op al die mooie woorden die wij over decentralisatie hebben gehoord als de harde praktijk zal zijn dat goede mensen nauwelijks te vinden zijn? Dan kun je natuurlijk wel de staatssecretaris vragen wat hij daaraan denkt te doen. Nou, die kan er ook niets aan doen, dat is helder. We hebben een probleem, zeg ik tot collega Beckers.

De heer Beckers (VVD):

Ik denk dat de problematiek toch iets anders ligt. We gaan uit van de decentralisatie. Die omarmen wij ook. Daar staan wij hartgrondig achter. Dat vervolgens moet worden gezorgd dat de omstandigheden op gemeentelijk niveau verbetering kunnen verdragen, daarover zijn wij het met ons allen eens. De omstandigheden die verbetering kunnen verdragen, liggen vooral op het gebied van de democratische controle. Laten wij daarover nu eens met elkaar nadenken. Hoe zorgen wij daarvoor dat als er meer verantwoordelijkheden naar gemeenten gaan. Misschien ontstaat er daardoor ook meer enthousiasme en meer betrokkenheid en kunnen mensen ook eens laten zien over welke bekwaamheden ze in de gemeenteraden beschikken. Mijn ervaring is dat daar bij volksvertegenwoordigers zo veel deskundigheid en betrokkenheid aanwezig is, dat deze meer kansen en meer recht op respect en aanzien moeten krijgen dan toe nu toe het geval is.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Ik stond al in de startblokken toen de heer Ganzevoort een vraag stelde over de wachtlijsten. Ik heb de heer Beckers daar niet meer over gehoord. De heer Beckers heeft veel contact met gemeentes en neemt aan dat het allemaal wel goed komt. Hij spreekt daartoe de hoop en verwachting uit. Daar maken wij echter geen wetsvoorstel voor. Ik vraag mij af of de heer Beckers ook veel contact heeft gehad met Bureaus Jeugdzorg. Ik heb dat namelijk wel gedaan, ook als Statenlid in Noord-Brabant. Het blijkt dat zij wel heel erg bezorgd zijn dat de wachtlijsten na de overheveling zullen groeien. Mag ik aan de heer Beckers vragen hoe hij daarover denkt?

De heer Beckers (VVD):

Die groeien in het huidige systeem en dat is reden temeer om het systeem te veranderen.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Het systeem gaat veranderen en de overheveling veroorzaakt nog langere wachtlijsten.

De heer Beckers (VVD):

Dat is een veronderstelling. Ik constateer vaker – en dat betreur ik ernstig – dat wij bij voorbaat van een negatieve houding uitgaan. Wij zeggen dat dit nieuwe systeem waar wij het nu over hebben, niet de kansen biedt, en dat het wel niet goed zal gaan. Dat zijn veronderstellingen. Ik praat over de feiten uit het verleden en ik constateer dat de feiten uit het verleden zodanig zijn, dat wij ervoor moeten zorgen dat er verbetering optreedt. Nu zijn wij bezig met die verbetering en nu hoor ik alleen maar anderen zeggen dat het niet zo goed zal gaan met die verbeteringen. Laten wij even afwachten en laten wij er full swing tegenaan gaan. Laten wij de mensen die ervoor moeten gaan en die dit moeten gaan uitvoeren, vol enthousiasme de kansen daartoe bieden. Dan komen wij een heel stuk verder.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Ik zou ook heel graag optimistisch willen zijn, altijd. Maar als je negatieve geluiden hoort, moet je daar ook oog en oor voor hebben. Dat ontbreekt hier volgens mij.

De heer Beckers (VVD):

Ik denk dat ik in mijn verhaal heb laten merken dat ik wel degelijk zicht heb op de problemen die worden geschetst. Ik heb zeker respect voor allerlei mensen die zich zorgen maken over de toekomst. Ik heb daar zeker respect voor en ik heb er zelf ook weken en maanden over nagedacht. Als wij dan voor een nieuw stelsel kiezen, laten wij er dan ook vol enthousiasme in gaan.

De heer De Lange (OSF):

Hoop en verwachting zijn prachtige dingen. Ik zal natuurlijk de laatste zijn om die te bagatelliseren, maar ik wilde toch een simpele vraag stellen, en die bestaat uit drie woorden: "what if not?" Het gaat hierom. Als de hoop en verwachting die de heer Beckers uitspreekt niet gerealiseerd worden, is niet de heer Beckers het slachtoffer van wat er dan gebeurt. Nee, dan is een buitengewoon kwetsbare groep jongeren de klos. Niemand anders. De heer Beckers neemt met zijn optimisme zonder onderbouwing – want daar spreken wij over – geweldige risico's, die worden afgewenteld op een buitengewoon zwakke groep mensen in onze samenleving. Dat is het probleem, mijnheer Beckers, niet uw hoop en verwachting.

De heer Beckers (VVD):

Bij de voorstellen zoals die nu voorliggen, zijn gemeenten ervan doordrongen welke verantwoordelijkheden tot hen komen. Ik constateer dat de gemeenten, die daarmee uitvoerig aan de slag zijn, alle beseffen welke verantwoordelijkheid op hun schouders terechtkomt. Ik zie daar gedreven en enthousiaste mensen, die hun uiterste best willen doen en die ook beseffen dat zij, in samenwerking met medische deskundigheid, deze zorg aan onze zwakste medebewoners kunnen leveren.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik roep in herinnering dat wij dit in 2004 natuurlijk ook zeiden. Toen was de beweging juist: jeugdzorg als recht en provincies die daarin verantwoordelijkheid hebben. Dat hebben wij toen ook met elkaar bediscussieerd. Er zijn toen aan alle kanten ook waarschuwingen geweest. Achteraf kun je zeggen dat wij daar toen niet genoeg naar hebben geluisterd. Ik denk dat het onze rol als volksvertegenwoordiger is om heel goed te kijken naar alle bezwaren die zijn geuit en eerst te luisteren of er echt goede antwoorden op al die zorgen komen. Natuurlijk is het mooi dat gemeenten dit allemaal graag ter hand nemen, maar zoals ik in mijn bijdrage heb gezegd: waarom denken gemeenten dat zij het wel beter zouden kunnen? Jeugdzorg is een heel ingewikkeld gebied. Je moet daar niet met open ogen inlopen en denken dat je alles zomaar zou kunnen. Alleen vertrouwen, alleen hoop en alleen verwachting is echt te weinig.

De heer Beckers (VVD):

Ik geloof dat ik al een paar keer heb gezegd dat ik ervan uitga dat deskundigen worden ingezet. Dan hebben wij het over dezelfde deskundigen die u ook bedoelt. Ik heb vertrouwen ook in die deskundigen. De gemeente huurt dezelfde deskundigen in die nu ook het werk doen. Die deskundigen krijgen het vertrouwen van gemeenten en gemeenten krijgen het vertrouwen van de rijksoverheid.

De vergadering wordt van 17.05 uur tot 18.30 uur geschorst.

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Staat u mij toe dat ik ook zelf enige woorden spreek ter gelegenheid van het overlijden van mevrouw Borst. Het ministerie van VWS, de minister, ikzelf en ik denk ook mijn collega, zijn diep geraakt door het overlijden van oud-minister Els Borst. Mevrouw Borst was een deskundige en soms baanbrekende minister, die veel heeft betekend voor de gezondheidszorg en voor het ministerie. Bovendien was zij een innemende en erudiete vrouw. Els Borst was het die zei: iedere klacht is een gratis advies voor verbetering. Ik wil graag mijn medeleven uitspreken aan haar familie en haar vrienden. We zullen haar missen.

Voorzitter. Ik dank de leden voor hun bijdrage in wat een belangrijk en inhoudelijk stevig debat is over de toekomst van ons jeugdstelsel. Ik wil graag beginnen met een citaat. "De Kamer, constaterende dat de Wet op de jeugdzorg zeer bureaucratisch van opzet is en nog steeds uitgaat van naast elkaar lopende financieringsstromen voor de verschillende onderdelen van de jeugdzorg; van mening dat de jeugdzorg nog duidelijk verbetering behoeft in het terugdringen van de bureaucratisering, de eenduidige financiering en aansturing; verzoekt de regering, de Kamer binnen twee jaar te rapporteren over de mede door de provincies en grootstedelijke regio's bereikte voortgang in de organisatie en stroomlijning van de jeugdzorg, over de mede bij de provincies en grootstedelijke regio's opgedane ervaring bij de implementatie van de wet, alsmede over de stand van zaken met betrekking tot de aanpassing van de Wet op de jeugdzorg ten aanzien van de eenduidige financiering en aansturing, opdat over vier jaar de beoogde samenwerking en doelmatigheid in de jeugdzorg ook daadwerkelijk is gerealiseerd." Ik citeer hier de motie-Soutendijk uit 2004. De motie van uw Kamer vroeg om een eenduidige financiering en aansturing van de jeugdzorg. Volgens de indieners zou de nieuwe Wet op de jeugdzorg hierin niet of in onvoldoende mate voorzien. De motie werd mede ondertekend door de leden Soutendijk-van Apeldoorn, Hamel, Slagter-Roukema, Van der Lans en Van den Berg en is in 2004 met algemene stemmen door de Eerste Kamer aanvaard.

Voorzitter. Ik moet toegeven: het heeft wat tijd gekost. Misschien dat we met de voorliggende Jeugdwet de motie-Soutendijk tien jaar na dato pas echt goed gaan uitvoeren. Met de decentralisatie van de financiële en bestuurlijke verantwoordelijkheid van alle vormen van jeugdzorg naar de gemeente ontstaat die eenduidige financiering en aansturing waar de motie toen om vroeg. Ik realiseer mij ook dat ik bij het verdedigen van dit wetsvoorstel op de schouders sta van vele voorgangers, waaronder de voormalige minister voor Jeugd en Gezin, die ongetwijfeld in staat is om in minder dan 140 tekens dat ook nog eens een keertje duidelijk te maken. Het is wel zo dat deze Jeugdwet tot stand gekomen is na een lange parlementaire geschiedenis.

De Jeugdwet is het sluitstuk van een proces dat een lange voorgeschiedenis kent. In 2009 hadden wij de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg, met als conclusies: er is veel bereikt, maar de integrale aanpak is helaas niet tot stand gekomen. Er zijn verschillende financieringsstromen, wat veel bureaucratie met zich meebrengt. In een quote: het kost ons meer tijd en geld om een indicatie te krijgen, dan dat de benodigde jeugdzorg nu kost. Ik herinner mij een noodkreet van een mevrouw uit Friesland, die ik ook zelf bezocht. Zij zei: ik heb heel veel hulpverleners en plannen gezien, maar heel weinig hulp.

Ook de parlementaire werkgroep Toekomstverkenning jeugdzorg heeft in 2010 belangrijke knelpunten gesignaleerd. De parlementaire werkgroep – een aantal leden van uw Kamer hebben dat al gememoreerd – pleitte voor één financieel kader, preventie en lichte jeugdhulp dicht in de buurt, één gezin, één plan, één regisseur. Opvallend was overigens ook dat er tamelijke uniformiteit was in de parlementaire werkgroep over de decentralisatie, ook van de jeugd-ggz. Ik kom daar straks nog wel uitgebreid op terug. We hebben in de Jeugdwet geprobeerd, alle adviezen van die parlementaire werkgroep zo goed mogelijk over te nemen. Het was een van de punten van discussie in de Tweede Kamer en is nog een keer bevestigd naar aanleiding van vragen van de heer Voordewind dat die aanbevelingen allemaal zijn verwerkt in de nieuwe Jeugdwet.

De Jeugdwet bevat voorstellen voor de oplossing van een aantal knelpunten. Het huidige stelsel is erg versnipperd. De samenwerking rondom gezinnen schiet soms tekort. De druk op gespecialiseerde zorg is groot. Er is soms te weinig oog voor de context waarbinnen bepaalde stoornissen zich voordoen. De uitgaven blijven stijgen en er is overbehandeling, maar ook onderbehandeling. Mevrouw Beuving heeft het hoofddoel van de stelselwijziging, denk ik, goed verwoord. Zij zei: door intensivering van de preventie en het vroegtijdig en integraal bieden van jeugdhulp hopen wij het beroep op de specialistische en gedwongen hulp te doen verminderen. Zij merkte, denk ik, heel terecht op dat het een belangrijk oogmerk is dat door meer preventie en integrale aanpak de noodzaak voor het inzetten van gedwongen hulp wordt verminderd. Ik ben het volstrekt eens met haar dat bij de doelen passende hulp en demedicaliseren volgtijdelijk zijn. Het gaat allereerst om passende hulp, om het aanbieden en bieden van maatwerk. We willen geen overbehandeling en onnodig medicalisering, maar we willen ook geen onderbehandeling. Waar iets aan de hand is, moeten we in staat zijn om snel hulp op maat aan te bieden. Wellicht ten overvloede, maar we zullen er ongetwijfeld nog over komen te spreken, voor een psychische stoornis heb je gewoon zorg van de ggz nodig.

De heer Kuiper begon in zijn betoog over de transitie naar wat hij noemde een participatiesamenleving – u zult begrijpen dat ik een beetje aarzel over het woord – waarin een groter beroep wordt gedaan op het sociale kapitaal, de sociale verbanden en de eigen kracht, een groter beroep op de kracht van de samenleving. Ik kan mij in dat betoog van de heer Kuiper vinden. Uitgangspunt van de Jeugdwet is: zo veel mogelijk aanhaken bij de eigen kracht van gezinnen en de eigen mogelijkheden van jeugdigen, gezinnen en hun sociale omgeving. De inzet is steeds gericht op versterking van mensen en hun netwerken. Dat uitganspunt hebben we verankerd in een aantal artikelen van de Jeugdwet. Zo is in artikel 2.1 vastgelegd dat de hulpverlening door gemeenten gericht is op het snel inschakelen, herstellen en versterken van de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen van de jeugdige, zijn ouders en de personen die tot het sociale netwerk behoren. In artikel 2.3 wordt nadrukkelijk gesteld dat het college bij de afweging of een voorziening nodig is, en zo ja, welke voorziening, allereerst kijkt wat de mogelijkheden zijn en wat het probleemoplossende vermogen van de jeugdige en zijn ouders. In het wetsvoorstel wordt ook bepaald dat het hulpverleningsplan dat gemaakt wordt, altijd in overleg met de jeugdige en zijn ouders wordt opgesteld, en daarmee is afgestemd op de behoeften van de jeugdige en zijn omgeving. Het tot uitvoer brengen van familiegroepsplannen en het verlenen van hulp op basis van familiegroepsplannen is bij amendement verankerd in artikel 2.1 van het wetsvoorstel.

Naast de omvangrijke en misschien wel langdurige parlementaire geschiedenis van het wetsvoorstel zijn ook de ontwikkelingen in de praktijk van minstens zo groot belang bij de beoordeling van de context van het wetsvoorstel. Een aantal leden van uw Kamer heeft het ook al gezegd: keer op keer blijkt uit internationaal onderzoek dat de Nederlandse jeugd tot de gelukkigste van de wereld behoort. Het is goed om dat tegen elkaar te blijven zeggen, want daar mogen we gewoon trots op zijn. Met de grote meerderheid gaat het goed. De jeugd is gezond, gaat naar school, kan het goed vinden met ouders en vrienden en doet mee. Mevrouw Scholten wees daar terecht op. Het is echter wel zo dat 15% op enig moment in hun leven serieuze problemen krijgt en daarvoor een terecht beroep op hulp doet. Bij 5% is sprake van ernstige gedragsproblematiek, psychische stoornis of verstandelijke beperking. 118.000 kinderen zijn naar schatting jaarlijks het slachtoffer van kindermishandeling.

Tijdens mijn werkbezoeken aan de vooravond van deze wetsbehandeling, maar ook al eerder, kregen deze cijfers gezichten. Ik sprak vorig jaar een Friese mevrouw, en ze zei: ik heb heel veel verschillende hulpverleners over de vloer gehad en heel veel verschillende plannen gezien, maar hulp was toch wat anders. Toen het op een gegeven moment bij elkaar werd gezet, ervoer deze mevrouw dat er voor het eerst aandacht was voor haar probleem. Dat bleek in haar geval een schuldhulpverleningsprobleem te zijn. Besloten werd om daar dan maar eens mee te beginnen.

Ik heb ook gesproken met de meiden van Fier Fryslân en hun begeleiders, die slachtoffers van mensenhandel behandelen en ondersteunen. Ongelooflijke verhalen, waarbij je met tranen in de ogen zit te luisteren naar wat die meiden is overkomen. Dan realiseer je je dat er natuurlijk algemene, generalistische hulp moet zijn, maar ook speciale hulp voor speciale gevallen. Ook daarvoor moeten we in het nieuwe stelsel aandacht hebben.

Ik heb het afgelopen jaar ook veel goede voorbeelden gezien. In Rotterdam is wethouder Hugo de Jonge met zijn mensen met een veiligheidsplein bezig, waarin integraal wordt samengewerkt en met een multidisciplinair team wordt gekeken welke hulpverlener al dan niet moet worden ingeschakeld. In Amsterdam is Erik Gerritse samen met onder anderen zorgaanbieder Public Spirit erin geslaagd om het aantal uithuisplaatsingen en ondertoezichtstellingen drastisch te beperken, doordat zij er veel vroeger bij zijn. In het Drentse model is het uitgangspunt de hulp dichter bij huis te geven en te laten aansluiten bij de eigen kracht van opvoeders en het gezinssysteem. Daarin wordt het percentage van kinderen met serieuze opvoedproblemen en jeugdigen in zware zorg naar beneden gebracht door nu al met preventie en dienstverlening te werken.

Ik heb me ook laten inspireren door de medewerkers die in de jeugdhulp en de jeugdzorg werken. Ik sprak en spreek hen regelmatig. Ik heb hen gezegd dat zij misschien wel een moeilijker vak hebben dan wij. De jeugdhulpverlening, de jeugdzorg en ook de ggz-zorg zijn geen wiskunde. Het voortdurend balanceren tussen beschermen en behandelen is ongelooflijk moeilijk. Voortdurend heb je het gevoel dat je het nooit goed doet, terwijl je toch heel moeilijke beslissingen moet nemen. Voortdurend moet je afwegen wanneer je begeleiding goed is, wanneer je behandeling goed is of wanneer je bescherming goed is. Daarbij kan een zo vroeg mogelijke samenwerking aan de voorkant ertoe leiden dat kinderen de juiste zorg en ondersteuning kunnen krijgen en niet onder- of overbehandeld worden.

Er zijn tal van voorbeelden waaruit blijkt dat de samenhang van psychische en sociale problemen veel groter is dan we weten en denken. Het is juist goed als we erin slagen om dat vroegtijdig bij kinderen te onderkennen. Deze voorbeelden en ervaringen zullen we allemaal ook hebben in onze omgeving. Daarom is het goed dat we vandaag praten over de Jeugdwet en de vraag of de nieuwe Jeugdwet aan de nieuwe doelstellingen kan voldoen. We moeten een gedegen parlementaire behandeling hebben. Het is heel goed dat we in de parlementaire behandeling zowel in de Tweede als in de Eerste Kamer kunnen discussiëren over alle aspecten, onzekerheden, alle voetangels en klemmen en alle uitvoeringsproblemen en aan de voorkant kunnen kijken welke stappen we gaan maken om dat zo goed mogelijk te implementeren.

Ook uit de rapportages van de transitiecommissies blijkt dat het van groot belang is dat in verband met de continuïteit van zorg en beperking van frictiekosten het landelijk wettelijk kader zo spoedig mogelijk bekend is. Ik stel het daarom op prijs dat de Kamer haar medewerking heeft willen verlenen aan een spoedige behandeling van deze wet, die niet alleen een gedegen maar ook een voortvarende behandeling moet zijn om ervoor te zorgen dat er zo snel mogelijk duidelijkheid is voor betrokkenen.

Ik kom te spreken over de wijze waarop we de toegang tot de jeugdhulp en de rechtsbescherming in de nieuwe wet geregeld hebben. Mevrouw Beuving, de heer Beckers en de heer Ganzevoort hebben daar ook over gesproken en gevraagd hoe het nu precies zit. Om met de deur in huis te vallen: de gemeente gaat niet op de stoel van de professional zitten, net zo min als de zorgverzekeraar op de stoel van een huisarts gaat zitten. De uitspraak van mevrouw Jorritsma dat bij jeugdzorg jongeren niet meer naar de psychiater gestuurd worden maar naar de voetbalclub, is volgens de wet onjuist. Een jongere met een psychische stoornis hoort bij een psychiater, net zoals dat nu het geval is. Overigens ken ik mevrouw Jorritsma en ook de VNG heel goed. Zij vinden dat ook. Op de website van de VNG staat dat je niet meteen moet medicaliseren, maar eerst moet kijken of er ook andere passende oplossingen zijn, of die nu binnen de context van het gezin, de school of het verenigingsleven liggen. Los daarvan is het wel zo dat ieder kind dat specialistische hulp nodig heeft deze moet kunnen krijgen. Ik herhaal het nog maar eens.

Gemeenten moeten op grond van het wetsvoorstel in de eerste plaats de gemeentelijke toegang op een laagdrempelige en herkenbare manier organiseren in bijvoorbeeld een sociaal wijkteam of een centrum voor jeugd en gezin. De juiste deskundigheid voor de toegang moet beschikbaar zijn, zodat triage plaatsvindt door daarvoor toegeruste professionals, dit ter vervanging van de bestaande wat bureaucratische indicatiestelling. Rechtstreekse toegang tot jeugdhulp moet worden geboden na verwijzing door een huisarts, jeugdarts of medisch specialist. Jeugdhulp moet worden ingezet, die een gecertificeerde instelling nodig acht en professionals moeten een consultatiefunctie hebben. Indien nodig, worden specialistische hulp en de Raad voor de Kinderbescherming ingeschakeld. Er moet 24/7 beschikbaarheid en bereikbaarheid zijn bij een crisissituatie om direct de juiste hulp te kunnen bieden.

Los van de techniek en los van deze eisen en waarborgen in de wet over wat gemeenten moeten organiseren, is het inderdaad van belang dat we praten over een overheid die dicht bij de mensen staat, die inderdaad niet belerend is, maar die de mensen recht in de ogen kan kijken om te zien welke hulp in die situatie passend is op de persoon en passend is in de situatie waarin die persoon verkeert.

Demedicaliseren en ontzorgen zijn nooit een doel, maar een gevolg van het beleid. Het gaat om het goed regelen van de voorkant. Van een alwetende of een betuttelende overheid dient geen sprake te zijn. Het gaat inderdaad om de dienstbare overheid, dicht bij de burger, die zorg en ondersteuning kan bieden en die kan organiseren voor haar burgers, rekening houdend met persoonlijke omstandigheden.

In antwoord op de opmerkingen en vragen van mevrouw Beuving, de heer Beckers, de heer Ganzevoort en anderen merk ik op dat gemeenten de jeugdhulpplicht hebben. Ze moeten de voorziening treffen die de jeugdige of zijn ouders nodig hebben. Betekent dit dat gemeenten onverhoopt moeten bijpassen uit hun begroting als daar een tekort is? Ja. Gemeenten moeten een kwantitatief en kwalitatief voldoende aanbod van jeugdhulp beschikbaar stellen en als hulp nodig is, moet die passend zijn en tijdig worden gegeven. Ik wijs erop dat de uitgaven voor de jeugdhulp maar ook voor de Wmo en de Participatiewet in het sociaal domein terechtkomen, waarin geregeld is dat die de eerste drie jaar gevolgd zullen worden en niet aan andere dingen mogen worden uitgegeven. De inkoop leidt er dus toe dat geld wordt uitgegeven binnen het sociaal domein en dat dit ook voor de komende periode gevolgd kan worden.

Er geldt een jeugdhulpplicht voor gemeenten. In het kort gezegd: de verwijzing naar de jeugdhulp van een deskundige van de gemeentelijke toegang, de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts vindt plaats op basis van professionele standaarden. De jeugdhulpaanbieder bepaalt vervolgens daadwerkelijk de vorm, de duur en de omvang van de benodigde jeugdhulp. De jeugdhulpaanbieder zal zijn oordeel mede moeten baseren op de protocollen en de richtlijnen die voor een professional de basis van zijn handelen vormen en die rekening houden met het gemeentelijke aanbod en de contractafspraken met de gemeente. Dat is geen nieuws onder de zon, want zo is het ook in de Zorgverzekeringswet geregeld.

Aangezien de gemeenten een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod moeten hebben, zal het aanbod van de gemeente overeen moeten komen met de protocollen en de richtlijnen van de professionals en over het algemeen dus door de jeugdhulpaanbieder bepaalde hulp moeten omvatten. De gemeente zal in een individueel geval dan ook niet treden in het oordeel van de jeugdhulpaanbieder en deze hulp gaan bekostigen. Dat is eigenlijk vergelijkbaar met wat nu door zorgverzekeraars wordt gedaan. Sturing vindt plaats op een geaggregeerd niveau op basis van de zorginkoop en afspraken over de contracten en misschien op basis van spiegelinformatie over de benchmarkgegevens, maar dat is de manier waarop de inkoper stuurt. Alleen in zeer uitzonderlijke gevallen, bijvoorbeeld als er sprake is van zeer kostbare behandelingen, kan de gemeente afspreken dat er eerst toestemming moet zijn. Dat is ook weer heel vergelijkbaar met de Zorgverzekeringswet, waarin voor bepaalde behandelingen van tevoren overleg moet plaatsvinden met de zorgverzekeraar. Die mogelijkheid bestaat nu ook.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Misschien komt het antwoord nog, maar mijn interesse ligt bij de sturingsmogelijkheden die een gemeente heeft. De staatssecretaris zegt dat die op een geaggregeerd niveau liggen, maar hoeveel sturing is dat dan eigenlijk? Er zit toch een paradox in, want hoe vrijer de huisarts is om door te verwijzen en hoe meer we garanderen dat dan ook de zorg wordt geboden die de arts of de andere medische professionals nodig vinden, hoe minder sturingsruimte de gemeente heeft. Hoe minder sturingsruimte de gemeente heeft, hoe meer zij aanloopt tegen de budgetproblemen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Zoals het nu is, zal het ook zijn. Er komen heel goede en nieuwe sturingsmogelijkheden door goed te investeren in de voorkant, dat wil zeggen door niet met allerlei verschillende hulpverleners te werken, maar door de voorkant en de laagdrempelige toegang goed te organiseren. Zo kan van het begin af worden gekeken of een goede en juiste behandeling plaatsvindt, waardoor verspilling, veel meer hulpverleners en overlap kunnen worden vermeden. Daar zit de grote winst.

In het geval van een enkelvoudig probleem, waar niet veel op te sturen valt in termen van budget, kan alleen macro worden gekeken of er niet te veel wordt doorverwezen en of het niet merkwaardig is dat de ene hulpverlener veel meer doorverwijst dan de andere hulpverlener. Dan worden er goede inkoopgesprekken gevoerd, eigenlijk op dezelfde manier als nu in het kader van de Zorgverzekeringswet worden gevoerd.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

De zorgverzekeraar heeft natuurlijk een andere positie als organisatie dan de gemeente, maar dat terzijde. De staatssecretaris zegt nadrukkelijk dat het ook gaat om het investeren in de voorkant. Ik neem dat hij straks nog ingaat op de wijze waarop die investering gefaciliteerd wordt.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ja. Ik zie in de praktijk al heel veel voorbeelden van verschillende hulpverleners die vanuit verschillende disciplines samenwerken. Juist aan de voorkant kan worden voorkomen dat de verkeerde beslissing wordt genomen. Het komt nu veel te vaak voor dat de ggz niet wordt betrokken in gevallen waarin een psychisch probleem aan de orde is. Eigenlijk moet aan de voorkant gezegd worden: laten we niet moeilijk gaan doen over allerlei trajecten rond het gezin; er moet gewoon een psychisch probleem worden opgelost. Andersom moet een probleem niet gemedicaliseerd worden als het alleen gaat om schuldhulpverlening of als alleen de gezinssituatie niet klopt. Door de laagdrempelige toegang aan de voorkant goed te regelen, kan sneller, beter en passender geschikte hulp worden verleend. Alle verspilling daarna wordt daarmee voorkomen.

Er is veel gesproken over de wijze waarop wij tegen de jeugd-ggz aankijken en over de vraag waarom wij de jeugd-ggz nu eigenlijk decentraliseren. Misschien is het goed dat ik in dit verband in het algemeen eens inga op de positie van de geestelijke gezondheidszorg in ons land. De laatste decennia is er in de geestelijke gezondheidszorg veel veranderd, waarvan heel veel ten goede. De psychiatrie heeft zich ontwikkeld tot een veelzijdig vakgebied waarin het biologische, psychotherapeutische en sociale perspectief samen worden gebracht. Het is een sector waarin hoogopgeleide professionals werken en waarin inmiddels veel ervaring is opgedaan met evidence based werken en kosteneffectiviteit. De geestelijke gezondheidszorg in Nederland levert naar mijn smaak een onmisbare bijdrage aan een gezonde, veerkrachtige en veilige samenleving. Het is heel belangrijk dat een goed, stevig en gevarieerd zorgaanbod van ggz bestaat om jeugdigen met een psychische aandoening te herkennen, te diagnosticeren, te behandelen en/of te stabiliseren.

Ik heb gemerkt dat in de discussies over de jeugd-ggz onderliggend de vraag werd gesteld: betekent dit nu iets voor de erkenning van en de waardering voor het vak? Is die geestelijke gezondheidszorg nog wel een wezenlijk onderdeel van ons stelsel? Het imago van de sector wordt bepaald door de prestaties van de sector zelf, en die liegen er niet om de laatste jaren. De jeugd-ggz heeft die onmiskenbaar veroverd. Niet de vraag of het zorgaanbod wordt betaald door een zorgverzekeraar of een gemeente, maar de kracht en de kwaliteit van de geestelijke gezondheidszorg zelf zijn de basis voor de waardering en de erkenning die er is en moet zijn voor de geestelijke gezondheidszorg. Geestelijke gezondheidszorg is gezondheidszorg, net als jeugdgezondheidszorg gezondheidszorg is. Het feit dat de jeugdgezondheidszorg gefinancierd wordt door de gemeenten in plaats van door de zorgverzekeraars betekent niet dat jeugdgezondheidszorg geen zorg is.

Mevrouw Slagter zei dat de jeugd-ggz gezondheidszorg is, ook internationaal, maar dat de regering dat anders waardeert. Dat is niet het geval. De regering erkent en benadrukt dat jeugd-ggz gezondheidszorg is en blijft. In de gevallen waarin de Wet geneeskundige behandelovereenkomst, de Wet BIG en Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg van toepassing zijn, maakt de bekostiging niet uit bij de vraag welke professionaliteit geleverd wordt. Geestelijke gezondheidszorg is gezondheidszorg.

Mevrouw Beuving heeft gevraagd of er meer kan worden gedaan om de stigmatisering van geestelijke gezondheidszorg, voor zover die er is, verder tegen te gaan en of de aandacht voor de bijdrage van de geestelijke gezondheidszorg aan de participatie en het welzijn van de Nederlandse bevolking bevorderd kan worden. Zij riep de vraag die aan de minister-president is gesteld in herinnering, of wij in navolging van het Verenigd Koninkrijk een nationale conferentie kunnen houden om juist over dat punt nadrukkelijk een maatschappelijk debat te voeren. Op die manier zou de stigmatisering kunnen worden tegengegaan. Ik ben daar voorstander van. Ik neem graag de handschoen op om samen met de minister-president zo'n conferentie te organiseren.

Ik kom te spreken over de decentralisatie van de jeugd-ggz zelf en de waarborgen die wij getroffen hebben, de vraag of er alternatieven waren en de vraag hoe het staat met de afspraken tussen gemeenten en verzekeraars rond de inkoop van de ggz. Waarom decentraliseren we ook de jeugd-ggz? Het doel van de Jeugdwet is om jeugdigen die zorg nodig hebben sneller en passender en waar nodig integraal hulp op maat te bieden. Door alle jeugdhulp, waaronder de jeugd-ggz, onder de verantwoordelijkheid van één instantie te brengen, krijgen de gemeenten meer regiemogelijkheden voor vroegtijdige, integrale en effectieve hulp aan gezinnen. Zij hebben ook budgettaire verantwoordelijkheid. Zo ontstaat een financiële prikkel om te investeren in zelfmanagement en eigen kracht, in preventieve ggz, in zorg aan de voorkant en in het voorkomen van afwenteling. Als er niet zelf aan de voorkant geïnvesteerd hoeft te worden en er kan worden doorgeschoven naar een ander, is er geen prikkel om die preventieve zorg te organiseren. Ik ben ervan overtuigd dat dit betere mogelijkheden biedt voor vroegtijdige, integrale en effectieve hulp aan jeugdigen. Juist doordat de ggz straks beter vertegenwoordigd zal zijn en zal moeten zijn in de toegang, zal sneller de juiste diagnose kunnen worden gesteld.

In de evaluatie van de Wet op de jeugdzorg en het rapport van een parlementaire werkgroep is de conclusie getrokken dat de gewenste integratie van jeugdzorg en jeugd-ggz, zoals destijds voorzien, zonder stelselwijziging niet of onvoldoende van de grond is gekomen. Integrale hulp is nodig omdat gedragsproblemen en psychische problemen vaak samengaan. Ik denk dat wij nog elke week, elke maand en elk jaar ontdekken wat de interactie tussen sociale omgeving, gedragsproblemen en psychische problemen is. Ongeveer de helft van de jeugdzorgcliënten maakt gebruik van jeugd-ggz. Uit de evaluatie bleek dat jeugdzorg en jeugd-ggz toch te veel als gescheiden werelden werden ervaren. Meer dan de helft van de Bureaus Jeugdzorg beoordeelden de samenwerking met de jeugd-ggz als redelijk tot slecht. Het kwam voor dat als jeugdzorg een ggz-instelling inschakelde, de cliënt eigenlijk volledig werd overgedragen en het hele indicatieproces en alle ervaringen als het ware opnieuw moesten worden uitgevonden. Een ander voorbeeld is dat de route die ouders van kinderen met ADHD afleggen en de behandeling die het kind vervolgens krijgt, afhankelijk is van de partij waarbij het kind binnenkomt

Multiprobleemgezinnen en allochtone gezinnen weten de weg naar de jeugd-ggz niet of veelal laat te vinden. Geestelijke gezondheidszorg wordt naar verhouding veel vaker geboden aan goed opgeleide, autochtone gezinnen en minder vaak aan allochtone gezinnen met een laag inkomen. Dat leidt soms tot overbehandeling maar ook vaak tot onderbehandeling. Ik vind het heel erg zonde, verkeerd en niet in het belang van het kind als een psychisch probleem niet wordt herkend. Dat moet aan de voorkant worden geconstateerd en behandeld worden als psychisch probleem.

Omdat de integratie met de Wet op de jeugdzorg, ondanks de mogelijkheden van Bureau Jeugdzorg, niet tot stand is gekomen, adviseerde de parlementaire werkgroep om de jeugd-ggz mee te nemen in de decentralisatie. Die lijn is eigenlijk in verschillende politieke constellaties na 2010 bestendigd.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik herken de historische schets die de staatssecretaris geeft. Ik ben het met hem eens dat integratie en een verbeterde aansluiting onze doelen zijn. Nu denk ik dat de jeugdzorg al veel goede mogelijkheden daarvoor benut door meer te doen aan preventie en meer lokaal te organiseren. De staatssecretaris geeft zelf ook aan dat de ggz een heel grote stap heeft gezet in de afgelopen jaren. De vraag blijft dan ook of de staatssecretaris met de Jeugdwet niet voldoende in handen heeft om dat heel drastische niet te hoeven doen: het lospellen van de jeugd-ggz uit het hele stelsel van de ggz.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik kom zo dadelijk bij de bespreking van mogelijke alternatieven en de wijze waarop die gewogen zijn. Daarop kom ik uitgebreid terug.

Ik zei het net ook al: dit neemt niet weg dat een groot deel van de jeugd-ggz niet in combinatie met een andere vorm van jeugdhulp wordt geleverd. Gaat er voor die groep veel veranderen? Voor deze groep zal niet zo gek veel veranderen want voor hen blijft de verwijsmogelijkheid van de huisarts, de rechtstreekse route naar de jeugd-ggz, gewoon bestaan. Kortom, de decentralisatie van de jeugd-ggz vindt plaats omdat gemeenten met de ontschotting van budgetten meer mogelijkheid krijgen voor integrale hulp aan kinderen met zowel gedragsproblemen als psychische problemen. Er is een financiële prikkel om te investeren in eigen kracht, maar ook in preventieve ggz en lichtere vormen van zorg. De integrale samenwerking na de decentralisatie zal ook de algemene kwaliteit van de jeugdhulp ten goede komen. Ik heb hoge verwachtingen van de inbreng van de ggz juist aan de voorkant van jeugdhulp en jeugdzorg.

De samenhang tussen psychische problemen en andere problemen wordt heel illustratief in de praktijk. Niet zo lang geleden was ik bij het project De Nieuwe Kans in Rotterdam. Jeugdigen die al heel veel problemen hadden, werden opgevangen en er werd bekeken hoe zij het best ondersteund konden worden. Uit informatie bleek dat bij 38% een ggz-probleem aan de orde is en bij 36% een vermoeden dat er een ggz-probleem aan de orde is. Dit betekent dat heel veel ggz-problemen te laat worden herkend. In tegenstelling tot de kritiek die je vaak hoort bij decentralisatie van de jeugd-ggz, ben ik hoopvol. Ik ben ervan overtuigd dat als wij erin slagen om juist aan de voorkant elkaar te vinden, wij er ook beter in zullen slagen om ggz-problemen veel eerder te onderkennen en van adequate ondersteuning te voorzien. Dat is wat mij motiveert in de jeugd-ggz, niet een systeemissue maar een inhoudelijk issue om aan de voorkant de problemen eerder te herkennen en betere hulp te geven.

Welke waarborgen moeten wij treffen en wat hebben wij in de wet daaraan gedaan? Ik heb met veel mensen, instellingen en ouders gesproken. Ik realiseer mij dat er bij verontruste ouders en professionals veel zorgen leven over de decentralisatie van de jeugd-ggz. Het simpele feit dat zo veel mensen zo'n petitie ondertekenen, zegt natuurlijk iets over de onzekerheid die er bestaat. Ik neem die signalen serieus en heb die ook serieus genomen. Ik ben mij er zeer van bewust dat de decentralisatie van de jeugd-ggz complex is en heel zorgvuldig moet gebeuren. Daarbij moet één ding vooropstaan: kwaliteit en continuïteit in zorg voor jeugdigen. Voorkomen dat er onnodig zware zorg wordt ingezet, betekent niet dat zware zorg onnodig is. Wij moeten dus heel nadrukkelijk kijken hoe wij die decentralisatie vorm gaan geven.

Met uw toestemming, voorzitter, loop ik graag de petitie langs om te kijken of de daarin genoemde zorgen terecht zijn en om aan te geven wat wij in de wet hebben gedaan om daaraan tegemoet te komen. Zorgen zijn altijd terecht als zij er werkelijk zijn. Ik wijs er overigens op dat ook GGZ Nederland niet alleen vandaag maar ook gisteren en eergisteren heel hard heeft gevochten, gewerkt en overleg gevoerd om juist in de wet de positie van de jeugd-ggz te verankeren en te borgen voor de toekomst.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik neem aan dat de staatssecretaris nog een inhoudelijke toelichting zal geven waarom het toch een goed plan is. Ik wil daar graag naar luisteren en verder met hem over spreken.

Ik wil ook graag een taxatie van wat er gebeurd is in het proces en hoe het komt dat als die inhoudelijke argumentatie inderdaad zo sterk is, er toch zo veel weerstand is. Er zijn niet alleen zorgen, maar er is nadrukkelijk ook weerstand. Die wordt breed gedragen door professionals, zorginstellingen, ouders, enzovoorts.

Ik heb in mijn eerste termijn gevraagd wat de staatssecretaris heeft gedaan om draagvlak te creëren. Ik begreep uit zijn woorden van zojuist dat hij dat inderdaad gecreëerd heeft, maar kan hij daarover nog wat meer zeggen? Hoe komt het dat het zo uit de hand gelopen is dat de partijen tegenover elkaar zijn komen te staan in plaats van de visie te delen dat men met elkaar aan de slag moet?

Staatssecretaris Van Rijn:

Naar mijn smaak is het een mengeling van oorzaken. Allereerst misschien het terechte of onterechte gevoel dat de verandering van de financieringsstroom ook iets betekent voor de erkenning van het vak. Quod non, wat mij betreft. Ik heb zojuist heel uitgebreid proberen aan te geven dat niet de financieringsstroom bepaalt wat de kwaliteit, de professionaliteit en de erkenning van het vak zou moeten zijn. Ook speelt mee dat er nu een systeem is van gecontracteerde zorg bij zorgverzekeraars en dat de gemeenten dat allemaal nog moeten gaan doen. Wat betekent de overgang? Gaan gemeenten dat wel doen? Hebben zij voldoende oog voor die kant van het werk? Hebben zij voldoende oog voor de ggz? Ik kan mij voorstellen dat dit niet vanzelf geregeld is en dat men daar twijfels over heeft.

Als zorgaanbieders in een overleg met ouders soms zeggen dat zij niet precies weten wat er morgen gaat gebeuren noch of het met die zorginkoop wel goed gaat, kan ik mij voorstellen dat ouders daar ongerust over worden. Ik heb zo goed mogelijk aangegeven welke waarborgen wij nu hebben geregeld in de wet om juist aan die zorgen tegemoet te komen. Laten wij ook pragmatisch zijn: als je strijdt, en ik waardeer dat, omdat je het liever op een andere manier geregeld ziet, kan ik mij ook voorstellen dat je daarvoor blijft vechten.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Zeker. Ik kan mij ook voorstellen dat er soms retorische en overdreven argumenten gebruikt worden. Niet alle argumenten waren immers even realistisch, gezien de inhoud van de wet. Dat geef ik de staatssecretaris graag toe. Maar het is toch iets meer dan dat. Ik wijs ook op de KNAW, de KNMG en internationale organisaties van wetenschappers. Het is een vrij breed spectrum van betrokken en verstandige mensen, inclusief de ouders, die met elkaar heel breed aangeven: regering, dit gaat niet goed, hier zitten grote gevaren aan. Wat heeft de staatssecretaris gedaan om tegen die beroepsorganisaties, wetenschappers en de ggz te zeggen: Wij willen hetzelfde; hoe doen wij het samen?

Staatssecretaris Van Rijn:

In het verleden hebben wij in het kader van de Wet op de jeugdzorg gezegd dat het goed zou zijn als die integratie veel meer tot stand zou komen. Dat geldt voor professionals, maar ook voor gemeenten en verzekeraars. Wij moeten constateren dat dit tot dusver gewoon niet goed gelukt is. Dat ligt niet per definitie aan de jeugdzorgaanbieders. Het is nu eenmaal zo dat de manier waarop het systeem bekostigd en gefinancierd is, bepalend is voor de manier waarop je kunt samenwerken en waarop je, letterlijk gezegd, afgerekend wordt. Als de samenwerking niet bekostigd wordt, heb je een probleem. Ik houd mij verre van een verwijt aan al die zorgaanbieders die voor hun vak staan en willen strijden voor de goede zaak, ik zeg echter van mijn kant dat het heel veel voordelen biedt als wij die integratie aan de voorkant regelen, als wij begrip hebben voor de zorgen die er zijn en kijken of er in wet voldoende waarborgen zitten om aan die zorgen tegemoet te komen. Daarover voeren wij tot op de dag van vandaag de discussie met elkaar.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

De staatssecretaris gaat wel voorbij aan mijn vraag. Die ging niet over de inhoud maar over het proces. Wat heeft de staatssecretaris gedaan om al deze verstandige mensen en al deze verstandige organisatie niet alleen met argumenten te overtuigen maar hen ook mee te nemen en te zorgen voor een draagvlak om samen te bouwen aan een nieuw stelsel?

Staatssecretaris Van Rijn:

Heel veel overleggen, heel veel praten, heel veel zoeken naar compromissen en waarborgen. Ik wijs erop dat al die gesprekken er in ieder geval toe hebben geleid dat er een reeks van waarborgen terechtgekomen is in de wet. Dit is met name tot stand gebracht op aangeven van de beroepsgroep en de brancheorganisaties. Ik bestrijd dat al die overleggen niet tot resultaat hebben geleid. Die hebben ertoe geleid dat er in deze wet een groot aantal waarborgen voor de jeudg-ggz is gekomen. Dat wil niet zeggen dat je niet je voorkeurshokje mag blijven houden, maar mijn stelling is dat al die discussies er misschien niet toe hebben geleid dat wij het op een andere manier gaan regelen, maar zij hebben er wel toe geleid dat in de nieuwe Jeugdwet tal van waarborgen juist specifiek zijn aangebracht voor de jeugd-ggz. Volgens mij is dat het resultaat niet alleen van al het overleg maar ook van alle activiteiten die GGZ Nederland en de beroepsgroepen hebben ondernomen.

Misschien is het goed om nu de petitie even langs te lopen?

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

De staatssecretaris zegt dat er heel veel waarborgen zijn. Die waarborgen beperken echter het speelveld van de gemeenten. Dat staat op gespannen voet met het budget dat overgaat. In mijn bijdrage heb ik er heel nadrukkelijk op gewezen dat de wijziging misschien wel gewenst is – in die zin kan ik heel ver meegaan met de staatssecretaris – maar dat zij, omdat zij gekoppeld is aan een bezuinigingsdoelstelling, in zich heeft dat het toch zal mislukken. De staatssecretaris zegt dat in veel gevallen misschien zware zorg voorkomen kan worden. Ik wil graag duidelijk weten wat hij verstaat onder "zware zorg", zeker als hij daarnaast zegt dat in een aantal gevallen juist meer ggz ingeschakeld had moeten worden. Ik heb zelf de berichten tot nu toe steeds geduid als dat zware zorg juist specialistische ggz is. Ik zie daar een tegenstrijdigheid in en die kan ik niet helder krijgen. Ik hoor graag nog een toelichting.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik kom nog apart te spreken over de samenloop en de samenhang tussen decentralisatie en de bezuinigingstaakstelling, ook naar aanleiding van vragen van mevrouw Slagter. Overigens zijn er in alle takken van de gezondheidszorg onderdelen waar je heel veel op kunt sturen door anders te werken, beter in te kopen en dat soort zaken, en onderdelen waar heel weinig op te sturen is omdat er gewoon zorg geleverd moet worden en je niet zo heel veel keus hebt. Dat is in de nieuwe situatie die zal ontstaan niet heel veel anders dan in de Zorgverzekeringswet. Er zullen zaken zijn waarbij de gemeente door een andere organisatie, door efficiënter te werken, door meer samenwerking aan de voorkant te organiseren en door integraal te werken besparingen kan inboeken. Op een behandeling voor iemand met een psychische aandoening die gewoon gegeven moet worden, zal echter weinig te sturen zijn anders dan met tarieven en goede zorginkoop. Dat zal zo zijn in welk stelsel dan ook.

Wij komen straks nog even te spreken over de vraag of de randvoorwaarden, waaronder de financiële, bij de decentralisatie nu voldoende zijn om dat te doen. Dat er verschillende zorgvormen zijn waarbij je in de organisatie wel kunt sturen en op de inhoud niet, is niets nieuws.

Ik kom nu op de petitie. De stelling is dat onder de Zorgverzekeringswet verzekeraars verplicht zijn om voldoende ggz in te kopen voor hun verzekerden dan wel de kosten te vergoeden die een verzekerde bij ggz-aanbieders maken. Een deel van de jeugd-ggz wordt bekostigd op basis van de AWBZ of een persoonsgebonden budget. Met de Jeugdwet – ik zei het net al even – worden gemeenten straks wettelijk verplicht om jeugd-ggz in te kopen. Het uiteindelijke resultaat van de jeugdhulpplicht verschilt dus in materiële zin niet zo veel van het huidige recht uit de Zorgverzekeringswet. De gemeente moet zorgen voor een kwantitatief en kwalitatief voldoende aanbod van jeugdhulp, dat past en dat tijdig beschikbaar is. De jeugd-ggz is daar een onmisbaar onderdeel van, zo staat in de wet.

De directe verwijzingsmogelijkheid, zowel naar de ggz als naar andere vormen van jeugdhulp, door de huisarts, de medisch specialist of de jeugdarts, blijft bestaan. De jeugdhulpaanbieder, waaronder de psychiater, bepaalt op grond van zijn professionele standaarden welke vorm van jeugdhulp van welke omvang en van welke duur de jeugdige nodig heeft. Ja, de gemeente heeft de verantwoordelijkheid om een kwalitatief en kwantitatief toereikend en passend aanbod van jeugdhulp in te kopen waarnaar kan worden doorverwezen. Er is eigenlijk niets nieuws onder de zon, in vergelijking met de Zorgverzekeringswet.

Een ander punt is de vraag of de zorg die je krijgt, afhangt van je woonplaats. Daar zijn ook zorgen over geuit. Ja, dat klopt. In de Zorgverzekeringswet hebben burgers inderdaad wat nauwer omschreven aanspraken. Dat is, om met mevrouw Beuving te spreken, meer in inputtermen en nu wordt het veel meer in outputtermen. Als je echter naar het feitelijk zorggebruik in Zorgverzekeringswet kijkt, zie je dat dit aanzienlijk verschilt per regio. Ook daar wordt het werkelijke gebruik van ggz beïnvloed door verschillen in de aard en de omvang van het huidige aanbod van voorzieningen, waardoor er ook nu verschillen in wachttijden zijn en daarmee samenhangend ook verschillen in het gebruik van het persoonsgebonden budget.

Met de jeugdhulpplicht in de Jeugdwet geldt dat als er specialistische jeugd-ggz moet worden geboden, die moet worden geregeld. Dat vloeit rechtstreeks voort uit artikel 2.3 van Jeugdwet. Ik citeer: "Indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft in verband met opgroei- en opvoedingsproblemen, psychische problemen en stoornissen en voor zover de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen ontoereikend zijn, treft het college ten behoeve van de jeugdige die zijn woonplaats heeft binnen zijn gemeente, voorzieningen op het gebied van jeugdhulp en waarborgt het college een deskundige toeleiding naar, advisering over, bepaling van en het inzetten van de aangewezen voorziening (…)".

Er kunnen door gemeentelijk maatwerk verschillen ontstaan. Juist door die decentralisatie komen er echter ook meer mogelijkheden om verschillende disciplines aan de voorkant in te zetten. Dat kan leiden tot verschillende zorgarrangementen en tot verschillende toegangspoorten. Een punt van aandacht in zowel het huidige als het nieuwe stelsel is voldoende beschikbaarheid van bovenregionaal en gespecialiseerd aanbod. Ik zal daar straks nog uitgebreid over komen te spreken. Voor bijvoorbeeld de zorg voor agressieve verstandelijk beperkte kinderen of voor de zorg voor zeer jonge kinderen met gedragsstoornissen moeten extra maatregelen worden getroffen. Die zijn getroffen in het huidige stelsel en die zullen natuurlijk ook in het nieuwe stelsel getroffen moeten worden.

Ik meen dat ik al was ingegaan op het punt uit de petitie dat de gemeente mag bepalen waar zij het geld aan uitgeeft. Ik wijs erop dat onder de Zorgverzekeringswet zorgverzekeraars bepalen welke zorg zij inkopen tegen welke kosten. Zorgverzekeraars zijn verplicht die premie-inkomsten te bestemmen voor de zorg, het basispakket. Zij onderhandelen over prijs en volume. Met de Jeugdwet bepalen gemeenten welke zorg zij inkopen tegen welke kosten, conform de jeugdhulpplicht die ik net memoreerde. Zij onderhandelen dus over volume en prijs. In de eerste drie jaar zullen de uitgaven voor de jeugdhulp in het deelfonds sociaal domein zitten. De gemeenten zijn bovendien in die periode verplicht de inkomsten van het Rijk te bestemmen voor de uitvoering van de Jeugdwet, de Wet maatschappelijke ondersteuning en de Participatiewet, zodat wij in het begin heel goed kunnen volgen of middelen daaraan worden uitgegeven en of ze toereikend zijn. Er is als het ware een soort hekje om dat sociale domein heen gezet.

De invoering van de Jeugdwet gaat gepaard met bezuinigingen, dat klopt. Nu is het ook zo dat de uitgaven voor de curatieve zorg begrensd worden door de afspraken die wij maken over de groeipercentages. Ook in de curatieve zorg zijn de afgelopen jaren noodzakelijke maatregelen genomen om binnen dat groeipercentage te blijven: bezuinigingen op de tarieven van de zorgaanbieders, pakketversmalling en hoofdlijnenakkoorden. Ook in de curatieve zorg is de discussie over de vraag of wij genoeg geld hebben om zorg te verlenen dus van alle tijden en zal die ook van alle tijden zijn. Met de Jeugdwet hebben gemeenten een budget voor de jeugdhulp dat in 2015 5% lager is, dan 10% lager en vervolgens 15% lager. Wij gaan echter juist investeren om al die versnippering, al die verschillende hulpverleners en al die bureaucratie te verminderen. Een stelselwijziging maakt niet meer of minder geld. Wij zouden ook een discussie over het budget krijgen als wij geen stelselwijziging hadden. De bomen groeien niet tot in de hemel. Welk stelsel wij ook met elkaar bedenken, wij zullen altijd een discussie kunnen en moeten hebben – daar kunnen wij verschillend over denken – over hoeveel geld er beschikbaar is. Het zal dus altijd zo zijn dat er binnen die mogelijkheden wordt ingekocht op prijs, volume en kwaliteit. Met die decentralisatie krijgen wij juist de kans om in elk geval de voorkant beter, efficiënter en integraler te organiseren.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Elk stelsel kost inderdaad zijn eigen geld en levert mogelijk zijn eigen geld op. Een stelselwijziging kost echter wel geld. De overgang naar een nieuw stelsel, zoals het opbouwen van zaken als preventiemogelijkheden en vroegsignalering, kost geld. Een belangrijk deel van de kritiek zat in het punt dat de stelselwijziging werd gecombineerd met het alvast inboeken van de bezuiniging. Dat is precies een deel van het probleem. Dat het op termijn – ik deel graag het optimisme van de heer Beckers van de VVD-fractie – allemaal goed gaat werken en geld oplevert, hopen wij allemaal.

Ik wil de staatssecretaris een suggestie voorleggen om daarin een stapje verder te komen. Als hij er zo zeker van is dat het nieuwe stelsel op termijn geld oplevert en hij moet in totaal ongeveer 450 miljoen bezuinigen, wat vindt hij dan van de gedachte om voor 2017 400 miljoen in te boeken en voor 2016 50 miljoen? In 2015 kan dan wel in eerste instantie 150 miljoen worden weggehaald, maar die wordt dan onmiddellijk geïnvesteerd om die verandering te realiseren en om de innovatietrajecten en de preventie beter te maken. Dan kunnen wij met enige zekerheid zien dat hetgeen de staatssecretaris al gelooft, namelijk dat het geld gaat opleveren, ook gaat werken. Is hij bereid deze kant op mee te denken?

Staatssecretaris Van Rijn:

Als ik het zo hoor, heeft de heer Ganzevoort in één zin een gat van 23 miljoen geslagen in de begroting van 2015. Ik heb een beetje twijfel of dit voorstel van een adequate dekking is voorzien. De discussie over de vraag of wij zouden moeten bezuinigen of niet, hebben wij ongeacht het stelsel. Ik constateer dat wij juist met die stelselwijziging in staat zijn om financieringsstromen te bundelen, niet over verschillende schijven te werken, minder bureaucratie te hebben en minder versnippering te hebben en dat wij daarmee juist beter in staat zouden moeten zijn om die bezuiniging te tackelen dan als wij dat niet zouden doen. Dan wordt het immers gewoon een tariefkorting of wordt er geknepen op het volume. Nu moet je ook nadenken over de vraag hoe je het anders gaat organiseren. Mijn stelling is dat, gegeven het feit dat wij met elkaar moeten bezuinigen, de decentralisatie juist een kans is – het klinkt misschien een beetje optimistisch – om zaken op een andere manier te organiseren en daar dan efficiency mee te realiseren.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik geef de staatssecretaris een suggestie waarmee hij in totaal aan zo'n 450 miljoen komt. Dat daar een kasschuif inzit, snap ik allemaal wel. Dat er misschien nog wat moet worden gezocht, snap ik ook. Het gaat om de vraag welke richting wordt gekozen. Begin je met bezuinigen en hoop je dat het allemaal wel gaat lukken? Wil je deze stelselwijziging echter laten slagen en wil je dat het niet alleen een transitie, maar ook echt een transformatie is – daar is de staatssecretaris van overtuigd, dus put your money where your mouth is– dan vraagt dat een investering om te komen tot die bezuiniging die dat later gaat opleveren.

Staatssecretaris Van Rijn:

In 2015 is er sprake van een heel beperkte bezuiniging, rekening houdend met die transitie. Misschien hebben wij daarmee wel onze money gestopt waar onze mouth is, namelijk dat het ook wel gewoon wat moet opleveren wat wij allemaal aan het doen zijn. Anders zou het ook een beetje gratis zijn. Deze decentralistatiebeweging moet ook een betere organisatie opleveren. En 5% in 2015, is dat nu zo'n heel grote taakstelling?

De vrees is geuit dat met deze wet de expertise verloren gaat. Op dit moment moeten zorgaanbieders in de ggz-instellingen en professionals aan landelijk geldende kwaliteitseisen voldoen. Opleidingen en beroepsregistratie zijn landelijk geregeld. Er is rijkstoezicht op de kwaliteit van de zorg. Met de Jeugdwet blijft dit zo. De jeugd-ggz blijft gezondheidszorg. Daarom blijven voor de jeugd-ggz de WGBO en de Wet BIG gelden. De Wet BOPZ respectievelijk de Wet verplichte ggz blijven van kracht. Nu voor de geestelijke gezondheidszorg geldende kwaliteitsregels, cliëntenrechten en bepalingen voor klachtrecht zijn doorvertaald naar de Jeugdwet. De IGZ blijft toezicht houden. De jeugd-ggz behoort ook tot het domein van het Landelijk Meldpunt Zorg in oprichting.

Naar aanleiding van een vraag van mevrouw Beuving en mevrouw Slagter zeg ik nog het volgende. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de doorontwikkeling van de kwaliteit van de jeugdzorg, waaronder de jeugd-ggz, maar ook het Rijk zal zijn taak hierin houden. Ik ben met de VNG in gesprek over de positionering van de richtlijnontwikkeling, onderzoek en innovatie. Het Rijk blijft via de academische component investeren in een academische kennisinfrastructuur, ook voor de jeugd-ggz. De opleiding tot psychiater blijft landelijk georganiseerd en gefinancierd. Op verzoek van de beroepsgroepen is rond 2007 het curriculum van de opleiding voor het specialisme psychiatrie aangepast en is meer ruimte gecreëerd, die ook zal worden gehandhaafd. Het Kwaliteitsinstituut, waarnaar mevrouw Slagter vroeg, speelt straks inderdaad een rol bij het verspreiden van kennis en innovatie en van best practices op het gebied van de inhoud van de zorg. In de Jeugdwet wordt waar mogelijk aangesloten op de kwaliteitsregelgeving van VWS. Met gemeenten waarvoor dat instituut nieuw is, zal besproken moeten worden hoe de aansluiting zal zijn tussen het Kwaliteitsinstituut en het gemeentelijke domein. Ik ben hierover in gesprek met de VNG en het Kwaliteitsinstituut en zal dat blijven.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dit gehoord hebbend, blijft bij mij één vraag de hele tijd hangen. De staatssecretaris omschrijft hoezeer de jeugd-ggz onderdeel is van het stelsel van gezondheidszorg. Hij is staatssecretaris van VWS. Is het niet toch merkwaardig dat van dit stuk gezondheidszorg, dat met zo veel kaders en wetgeving omgeven is, de aansturing bij de gemeenten komt te liggen? Dat is zonder precedent binnen ons hele stelsel van gezondheidszorg. Wat is zijn reactie daarop?

Staatssecretaris Van Rijn:

De vraag of iets gezondheidszorg is, hangt in mijn ogen niet af van de vraag wie financiert en organiseert. Laat ik een ander voorbeeld nemen. In het Verenigd Koninkrijk worden de huisartsen gefinancierd door de NHS. Behoren huisartsen dan niet tot de gezondheidszorg? Natuurlijk wel! Maar ze worden gefinancierd via een publiek systeem. In Nederland hebben we een systeem waarin de jeugdgezondheidszorg van oudsher werd gefinancierd door de gemeenten en waarin delen van de medische zorg werden georganiseerd door de zorgverzekeraars en andere delen door de AWBZ, wat weer door zorgkantoren werd georganiseerd, die weer uitvoeringskantoren van verzekeraars waren. De manier waarop wordt gefinancierd en georganiseerd, mag niet bepalend zijn voor de vraag of iets tot de gezondheidszorg behoort, welke kwaliteitseisen worden gesteld of waarop de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst van toepassing is. Dat behoort niet de afweging te zijn.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Laat ik mijn vraag anders formuleren. Als het zo is dat dit onderdeel is van de gezondheidszorg – de staatssecretaris geeft ook steeds aan dat jongeren met een psychiatrische aandoening gewoon moet worden geholpen en die hulp zal krijgen – waarom is het dan toch nodig dat dit stuk gezondheidszorg zo, in toeleidende zin, in de sfeer van de gemeenten komt te liggen? De gemeente zal die toegang immers toch op een bepaalde manier reguleren. Die financiële prikkel is er niet voor niets.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat is omdat na heel veel discussie, van jaren of misschien wel decennia, we erop uit zijn om voor wat betreft de zorg voor kinderen, waarbij zowel in de gezinssituatie als wat betreft psychische stoornissen heel veel aan de hand kan zijn, aan de voorkant een combinatie te krijgen waarmee je kunt inspelen op wat er aan de hand is. Als we erin slagen om aan die voorkant ggz-expertise te combineren met jeughulp- en jeugdzorgexpertise, zodat integraal kan worden bekeken op welke manier adequaat hulp kan worden verleend, dan kunnen we echt iets doen aan de onderbehandeling en de overbehandeling in Nederland, die vaak tot schrijnende gevallen leiden. Daar ben ik van overtuigd. Dan starten we niet een opvoedkundig traject op als er eigenlijk een psychisch probleem aan de orde is en plakken we geen medisch stempeltje op kinderen bij wie met andere vormen van hulp heel veel kan worden gered.

Ik heb een tijd geleden gesproken over hoe het zit met de richtlijn ADHD. Dat voorbeeld werd net ook al genoemd. Ik had op een rij: mensen bij de scholen, de huisartsen, de specialisten in de zorg en een aantal psychiaters. Ik vroeg hoe zij aankijken tegen de indicatie "ADHD". Eén ding was duidelijk, namelijk dat de indicatie één ding is, maar dat de context waarbinnen die indicatie wordt gegeven, en dus de interventies die nodig zijn om aan de diagnose iets te doen, ook zeer van belang is. Als conclusie van dat gesprek met al die professionals zeiden we: hier moet niet een richtlijn van huisartsen of van psychiaters over ADHD komen, maar een intersectorale richtlijn, die ertoe leidt dat we aan de voorkant kunnen bekijken wat nodig is, waarbij zelfs bij de diagnose "ADHD" de interventie heel erg kan verschillen, afhankelijk van de schoolsituatie, de gezinssituatie en de situatie van het kind zelf. Als we erin slagen om die combinatie van verschillende disciplines en deskundigheden in Nederland beter voor elkaar te krijgen, dan zijn we naar mijn smaak in staat om aan de voorkant goede sturing te geven, onnodige zware zorg te voorkomen en eerder zware zorg te geven waar die nodig is. Die integratie aan de voorkant is de essentie van het wetsvoorstel.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Kuiper.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

De staatssecretaris heeft mij gehoord. Ik denk dat een deel van de jeugd-ggz inderdaad moet doen wat de staatssecretaris nu omschrijft. We hebben al veel bereikt. Wat de staatssecretaris nu schetst, laat zien dat we al veel hebben gedaan in de jaren die achter ons liggen. Het gaat mij echt om die hoogspecialistische kinder- en jeugdpsychiatrie, waarvan de staatssecretaris zegt: als een kind een psychiatrische aandoening heeft, dan moet hij natuurlijk die vorm van zorg krijgen. Ik zie niet goed waarom die vorm van jeugd-ggz ook moet worden overgeheveld naar de gemeenten.

Staatssecretaris Van Rijn:

Misschien is dat een goed punt om even een bruggetje te maken naar de vraag of er alternatieven zijn en hoe die moeten worden gewogen.

De voorzitter:

Mevrouw Slagter wil hierop aansluiten, maar mevrouw Beuving was nog iets eerder aan de beurt. Mevrouw Beuving, u wilde toch interrumperen op dit punt?

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ja. Ik wil nog even heel kort terugkomen op het puntje voor de interruptie. Ik meende toen begrepen te hebben dat de staatssecretaris inging op mijn vraag naar de verantwoordelijkheid voor wetenschappelijk onderzoek en naar opleidingen en innovatie in instellingen. Heb ik uit zijn antwoord goed begrepen dat de regering daarvoor verantwoordelijk blijft en de gemeenten niet? Of is het het Rijk naast de gemeenten? Daar wilde ik nog even duidelijkheid over hebben. Dat is mijn puntje.

Staatssecretaris Van Rijn:

Het is en-en. De ervaringen die we straks opdoen in het gemeentelijke domein en met de zorg aan de voorkant, zullen leiden tot opvattingen en nieuwe inhoud die we moeten verwerken in de richtlijnen. Het Rijk zal daarin ook een taak houden. Ik noemde al de academische component. Verder ben ik met de VNG in gesprek over de positionering van de richtlijnontwikkeling, onderzoek en innovatie. Ik denk namelijk dat dat meer dan ooit een gezamenlijke inspanning zal moeten zijn.

De voorzitter:

Mevrouw Slagter wilde net ook nog een interruptie plegen.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Maar dan snap ik niet zo goed waarom de kinderpsychiatrie, de jeugd-ggz, wel naar de gemeenten gaat en bijvoorbeeld kindergeneeskunde niet. In feite krijg je daar ook weer een knip. Daarnaast beschrijft de staatssecretaris de wens tot een multidisciplinaire richtlijn ADHD. Ik dacht zelfs dat er al een huisartsgeneeskundige standaard was.

Staatssecretaris Van Rijn:

Van de huisartsen wel, maar niet intersectoraal.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

In die richtlijn wordt de inbreng van andere sectoren wel bekeken. In ieder geval zou dat best uit te breiden zijn. Ik zie niet zo goed waarom je daarom juist naar de gemeentes moet. Ik vind dat eigenlijk geen goed argument.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik probeerde het volgende aan te geven. De drijvende kracht achter de decentralisatie en het betrekken van de jeugd-ggz bij de jeugdzorg en jeugdhulp, is dat je juist aan de voorkant de integrale afweging moet maken. Naar mijn smaak heb je de ggz-discipline nodig om die integrale afweging goed te kunnen maken, zodat er geen overbehandeling en vooral geen onderbehandeling is. Integratie op dat stuk is heel goed. Dat wil niet zeggen dat je de volgende keer zegt: laten we alles maar bij elkaar gooien. Ook een kind met een psychisch probleem dat een somatische klacht heeft, zal naar de kinderarts, de huisarts of bij een blindedarmontsteking naar de specialist moeten gaan. Dat blijft zo. Dan zeggen we niet dat de kinderblindedarmen er ook allemaal bij komen. De crux is dat we dit veel eerder aan de voorkant willen kunnen krijgen. Daar moet integraal worden gewogen welke hulp er nodig is. Dan kunnen we tijdig onderkennen of er sociale problemen zijn, gezinsproblemen, multiproblemen of een ggz-probleem. Dat is de essentie van het betrekken van de jeugd-ggz bij deze decentralisatie.

Ik kom op de alternatieven. Mede tegen de heer Kuiper merk ik op dat er natuurlijk ook is nagegaan of er een knip kan worden gemaakt tussen de basis-ggz en de gespecialiseerde ggz. De heer Kuiper vroeg daar nadrukkelijk naar. Eigenlijk wordt in het rapport van Van Gastel zelf al geconcludeerd dat het geen werkbare en wenselijke optie is. Die conclusie is eigenlijk tot op de dag van vandaag nog wel waar. Het bundelen van alle zorg voor jeugd onder de verantwoordelijkheid van de gemeente biedt de mogelijkheid tot die integratieslag. Bij het maken van de knip zou dat alleen aan de orde zijn, de basis-ggz en niet de gespecialiseerde ggz, terwijl er cliënten zijn van wie je juist al aan de voorkant moet concluderen dat gespecialiseerde ggz aangewezen is. Dan zou je daar ook een merkwaardige overgang krijgen. Deze zoektocht heeft natuurlijk lang geduurd. Zowel de deskundigen in de ggz-sector als de zorgverzekeraars, maar ook de zorgaanbieders hebben ons er daarin herhaaldelijk op gewezen dat het eigenlijk niet goed mogelijk is om dat onderscheid te maken in de huidige fase van de discussie en met de wetenschap die we met elkaar hebben. Waarom? Omdat lichte en zware trauma's of lichte en zware ADHD natuurlijk niet met een schaartje te knippen zijn. Je komt in veel grotere problemen terecht als je in de diagnose knipt en op grond daarvan zegt dat het ene gedeelte zo wordt gefinancierd en het andere zo. Dan maak je de versnippering eigenlijk alleen maar groter. Wetenschappelijk of medisch gesproken zijn dergelijke zaken ook niet met een schaartje te knippen.

De voorzitter:

De heer Kuiper, houd het kort graag.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Dit was mijn punt. Ik mag hier toch wel …

De voorzitter:

Nee, dat begrijp ik wel.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

U begint met te zeggen dat ik het kort moet houden, maar dit was mijn punt.

De voorzitter:

Ik probeer aan te geven dat de staatssecretaris ook de gelegenheid moet krijgen om zijn betoog te vervolgen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Dit is toch het onderscheid tussen de eerste en de tweede lijn, het onderscheid dat we al kennen? De staatssecretaris zegt dat doorverwijzen dan ingewikkeld wordt, maar een echte psychiatrische diagnose wordt in de tweede lijn gesteld. In de eerste lijn, dus op het voorliggende terrein, bevinden zich allerlei specialismen. Die maken samen de afweging of er moet worden doorverwezen. De echte psychiatrische doorverwijzing kan alleen maar in de tweede lijn door een hoofdbehandelaar worden gesteld. Mijn onderscheid is daarop gebaseerd en op uitlatingen van psychiaters met wie ik gesproken heb dat het wel mogelijk is om grosso modo ook in de diagnostiek onderscheid aan te brengen, al houd je een grijs gebied.

Staatssecretaris Van Rijn:

Tot nu toe hebben wij met de sector en de deskundigen zeer intensief overleg gehad over de vraag of je een dergelijk onderscheid in de diagnose kunt maken. Telkens was het antwoord dat dit niet goed doenlijk was. Dat is logisch, omdat een lichte stoornis een zware stoornis kan worden en, hopelijk, andersom. Dat ten eerste. Ten tweede zou je missen dat je juist aan de voorkant wilt kunnen bekijken of er snel een gespecialiseerde zorg nodig is. Die kun je ook heel snel vanuit de voorkant inschakelen. Ten derde krijg je onwillekeurig afwentelingsgedrag. Als je beslist om iemand door te sturen naar de gespecialiseerde zorg omdat die altijd goed is, dan bereik je niet wat we willen, namelijk aan de voorkant de triage goed regelen om aan de achterkant heel gespecialiseerde zorg te kunnen verlenen. Knippen in de diagnoses is dus uitermate ingewikkeld. Tot nu toe heeft de ggz zelf aangegeven dat dit niet goed mogelijk is. Ik kan niet in de toekomst kijken. Wij zullen ervaringen opdoen met de vraag of het vak zich zodanig ontwikkelt dat we over een tijd kunnen zeggen dat het duidelijker is geworden en het kan. Ik ben zeer bereid tot het voeren van die discussie. In de huidige situatie is het niet goed mogelijk.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Wil de staatssecretaris dit toch ergens in zijn overweging vasthouden? Hij biedt er in zijn laatste zin een opening voor dat we later toch nagaan of we dit type onderscheid op de een of andere manier in stand kunnen houden. Dit is belangrijk voor de competenties die we op alle niveaus van de kinderjeugdpsychiatrie nodig hebben. Ik denk dat dit in de loop van de komende jaren belangrijk zal zijn.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik ben geneigd om in antwoord op die vraag te stellen dat ik de beroepsgroep altijd erg leidend vind in de ontwikkeling van het vak en ten aanzien van de vragen of je al dan niet onderscheid in diagnoses kunt maken en of je licht en zwaar kunt onderscheiden of dat niet moet doen, omdat dat niet met een schaartje te knippen is. Ik denk dat wij van de kant van de overheid niet moeten zeggen dat we dat nog eens even uitgevonden hebben. Tot nu toe heb ik op mijn vraag of dat te doen was, het antwoord nee gekregen. Bovendien kleven er andere nadelen aan, zoals de heer Van Gastel in zijn rapport ook al heeft gesteld. Ik kan niet in de toekomst kijken, maar als er in de beroepsgroep een beweging op gang komt dat er toch op een andere manier naar moet worden gekeken, heb ik alle bereidheid om daarnaar te kijken.

De voorzitter:

Mevrouw Slagter, u mag kort op dit punt ingaan. Ik wil de staatssecretaris echt de gelegenheid geven om zijn betoog te vervolgen.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Wat vindt de staatssecretaris in dit verband dan van de positie van de huisarts, die toch met name in de eerste lijn functioneert? Ik begrijp dit niet zo goed als ik kijk naar het Hoofdlijnenakkoord met de ggz en het onderscheid tussen de basis- of generalistische zorg en de specialistische zorg. Daarop zou dit hele verhaal goed kunnen passen. Ik begrijp dat andere stuk er dus niet bij. Voor mijn gevoel was het nog steeds veel logischer geweest als er op die ontwikkeling was aangesloten. In feite gebeurt dat ook wel voor een gedeelte, want de verwijzing door de huisarts blijft bestaan.

Staatssecretaris Van Rijn:

Zeker! Ik kom daar in antwoord op de vragen van het lid van de fractie van D66 op terug. We zullen alleen ook met elkaar moeten nagaan hoe we de samenwerking tussen de huisarts, de POH-deskundige bij de huisarts, de jeugdhulp, de jeugdzorg en de andere vormen van zorg in de eerste lijn kunnen versterken. Inderdaad, er moet een belangrijke rol worden toegekend aan de huisarts. Ik wees er ook al op dat we de huisartsen aan tafel hebben uitgenodigd om in samenwerking met andere beroepsgroepen een richtlijn voor ADHD op te stellen. Ik waardeer de inspanningen die de groep huisartsen heeft getoond om tot de ontwikkeling van die richtlijn te komen, maar ik constateerde aan tafel wel dat dit nog niet heel erg in samenspraak met andere beroepsgroepen gebeurde. Ik zou er dus zeer voor zijn om als dat veel meer het geval zal zijn.

Mevrouw Beuving kwam op het andere alternatief dat de heer Van Gastel in zijn rapport beschreef. Gemeenten zouden volgens die variant via de zorgverzekeraar zeggenschap krijgen over de inzet van de ggz. In de nota naar aanleiding van het verslag hebben wij natuurlijk al uitgebreid aangegeven waarom wij dit geen goed alternatief vonden. Het biedt de gemeenten veel minder sturingsmogelijkheden op het vlak van de integrale zorg. Simpel gezegd, gaat de verzekeraar inkopen en zegt de gemeente tegen de verzekeraar dat hij rekening met haar wensen moet houden. Dan zet je "wie betaalt, bepaalt" toch weer niet bij elkaar en zorg je ervoor dat degene die voor het budget verantwoordelijk is, rekening moet houden met iemand anders die niet verantwoordelijk is voor het budget en er weer allerlei afschuif- en afwentelingsgedrag kan ontstaan en de eenduidige financiering, waarvan sprake is in de motie die ik net citeerde, ook weer niet geregeld is. Dan zijn er eigenlijk twee modellen. Je kunt kiezen voor het model waarin de financiering, de bekostiging en de verantwoordelijkheden eenduidig zijn, maar dan moet je wel een aantal waarborgen hebben. Je kunt ook beslissen om het uit elkaar te halen en om het verzekeraars te laten doen, terwijl de gemeenten inspreken. Dan moet je van alles en nog wat gaan regelen om te kijken of de samenwerking wel klopt. Daarom hebben wij ervoor gekozen om het qua eenduidigheid, sturing en verantwoordelijkheid bij elkaar te houden, zodat er geen afwenteling is. Daarbij moet er wel voor worden gezorgd dat alle aanbevelingen die Van Gastel in zijn rapport aangaande de waarborgen zet, integraal in de wet worden gezet. Daarom vonden wij die variant de betere variant.

In de inleiding van mijn betoog zei ik al dat professionals inderdaad kunnen samenwerken, ook in het huidige stelsel. Toch constateren we dat we die samenwerking een impuls moeten geven. Dat ligt niet aan de professionals, zeg ik er wellicht ten overvloede bij, maar aan de wijze waarop de zorg gefinancierd en bekostigd is. Die heeft invloed op de wijze waarop er kan worden samengewerkt. Dat ligt niet aan de professionals, maar aan het systeem. Ik heb in de curatieve zorg heel veel discussies meegemaakt dat er substitutie zou moeten plaatsvinden van ziekenhuiszorg door huisartsenzorg. Als je niets aan de bekostiging doet, kun je dat wel tegen elkaar zeggen, maar uiteindelijk blijven de belangen intact, waarin zowel het ziekenhuis als de huisarts nagaat wat dat voor zijn inkomsten betekent. Als je dat echt anders wilt regelen, zul je toch tot die integrale bekostiging en financiering moeten komen, want dan wordt het mogelijk en ontstaan er ook prikkels om die integrale samenwerking voor elkaar te krijgen.

Welke afspraken hebben gemeenten en verzekeraars over de zorginkoop gemaakt op het gebied van de jeugd-ggz? VNG en ZN hebben afspraken gemaakt om samen te werken voor een zachte landing van de inkoop voor de jeugd-ggz. De achterbannen van beide partijen kunnen zich in deze afspraken goed vinden, zoals ook is te lezen in de correspondentie daarover. De kern van de afspraken is dat gemeenten inhoudelijk en budgettair verantwoordelijk zijn voor de uitvoering, dat verzekeraars een adviesrol vervallen en dat de eerste helft van 2014 wordt gebruikt voor scholing van de inkopers van de gemeenten en voor overdracht van de informatie van de verzekeraars. De feitelijke inkoopgesprekken met aanbieders kunnen dan vanaf juli 2014 plaatsvinden. De inkoop is hiermee voor 1 januari 2015 afgerond. Die planning is vergelijkbaar met het systeem dat voor verzekeraars en aanbieders vorm zou krijgen. Bij de inkoop nemen de gemeenten de dbc's als uitgangspunt, waarbij ze aansluiten bij de inhoudelijke ambities uit het bestuurlijk akkoord van de ggz. Het lijkt me uitermate belangrijk, zeker ook voor de sector, om niet met onnodige administratieve lasten te hoeven werken en gebruik te maken van het systeem dat tot dusverre is gebruikt.

Door de VNG wordt een landelijk ondersteuningsprogramma opgezet, dat in ieder geval tot en met 2017 loopt en de gemeenten kan ondersteunen door kennisuitwisseling, deskundigheidsbevordering, maar ook het opstellen van handreikingen, formats en modelovereenkomsten, zodat de inkopers in de regio daarvan desgewenst gebruik kunnen maken.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

In de brief staat dat de VNG vindt dat het haalbaar kan zijn. Dat vind ik wat omineus. Verder zie ik dat zorgverzekeraars er in het eerste halfjaar 40 uur werk in mogen steken, wat me bijzonder weinig lijkt. Daarnaast begrijp ik dat het alleen nog maar voor volgend jaar geldt. In de memorie van antwoord stond in eerste instantie dat de zorgverzekeraars nog drie jaar gemandateerd zouden inkopen. Die afspraak blijkt nu vervallen, wat ik betreur.

Staatssecretaris Van Rijn:

Er waren twee opties. De eerste is dat de verzekeraars het een tijdje doen in opdracht van de gemeenten. De tweede is dat de gemeenten dat doen met ondersteuning van de verzekeraars. Uiteindelijk bleken beide partijen een grote voorkeur te hebben voor de tweede optie. Aan de ene kant moeten gemeenten het toch doen, en aan de andere kant moet je dan aan verzekeraars vragen om voor drie jaar een aparte inkooporganisatie op te zetten, terwijl ze nu individueel inkopen. Dat zou ook weer tot administratieve lasten leiden. Verder hechten de gemeenten en de regio's er zeer aan dat ze, als ze toch verantwoordelijk worden voor de zorginkoop, daarmee zo vroeg mogelijk kunnen beginnen. Ze moeten de kennis en kunde sowieso in huis hebben om dat te doen. Dan hebben ze liever dat ze afspraken maken voor ondersteuning, dan dat er een systeem wordt opgericht dat voor gemeenten en verzekeraars ongemakkelijk is. Ik ben verheugd dat partijen zelf hebben gezegd: hoe kunnen we zo effectief mogelijke afspraken maken? Ik denk dat het heel goed is om die inspanningen in 2014 te plegen. De verzekeraars hebben gezegd dat de telefoon niet uitstaat als er daarna langer hulp nodig is. Als het nodig is om verdere afspraken te maken, gaan we bij elkaar zitten. Ik vind het belangrijk dat de inspanning die we in 2014 moeten plegen – het overgangs- en transitiejaar, ter voorbereiding op 2015 – zijn onderbouwd met goede afspraken.

Mevrouw Scholten (D66):

Ik dank de staatssecretaris voor het feit dat ik het gevoel krijg dat hierover een bepaalde zekerheid is gecreëerd. Maar een van de zorgen die via de mail tot ons is gekomen, is dat zorgaanbieders op dit moment enorm veel moeite hebben om hun jaarstukken voor 2013 goedgekeurd te krijgen, omdat ze de inkoop over 2015 nog niet hebben geregeld. Is met deze afspraak tussen zorgverzekeraars en VNG die kou uit de lucht, zodat die zorgaanbieders en die accountants hier verder aan kunnen werken?

Staatssecretaris Van Rijn:

Het is een noodzakelijke voorwaarde, maar geen voldoende voorwaarde. Ik kom daar nog op.

De heer De Lange (OSF):

Ik ben bij debatten altijd sterk geïntrigeerd door de dingen die niet gezegd worden. Daar is veel informatie aan te ontlenen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik kan daar niets over zeggen.

De heer De Lange (OSF):

De hond die niet blafte, van Sherlock Holmes. We zitten in een situatie waarin de gemeenten onvoldoende kennis hebben op het betreffende gebied, waarna de zorgverzekeraars in al hun generositeit de gemeenten jarenlang gaan uitleggen hoe ze de inkoop moeten verzorgen. Dat is merkwaardig, want de zorgverzekeraar heeft een aanzienlijk commercieel belang bij het geheel. Ik pleit voor meer onafhankelijkheid als het gaat om de wijze, waarop de gemeenten hun zorg kunnen gaan inkopen en daarover kennis gaan opbouwen. Dat punt heb ik heel duidelijk naar voren gebracht, maar ik beluister in uw reactie daar helemaal niets van terug.

Staatssecretaris Van Rijn:

De verzekeraars doen het nu, en de gemeenten moeten het gaan doen. Wat is dan simpeler om met elkaar af te spreken dat er kennis wordt overgedragen van degene die het doet aan degene die het gaat doen? De verzekeraars doen het nu, en er zijn afspraken gemaakt over het overdragen van hun kennis en kunde aan de gemeenten. Dat is geen keuze voor de verzekeraars, maar voor degene die het doet.

De heer De Lange (OSF):

Het is natuurlijk mooi om simpelheid tot norm te verheffen, en simpelheid kan ook bepaalde voordelen hebben. Maar ik zou toch denken dat in de constructie die zich voordoet een vorm van belangenverstrengeling aanwezig is, waarbij we vraagtekens zouden moeten zetten. Ik heb dat gedaan, en daar zou ik graag wat meer over willen horen. Of is dat helemaal geen overweging? Is simpelheid troef, en vindt u dat mooi?

Staatssecretaris Van Rijn:

Voor de goede orde: in de huidige situatie kopen de verzekeraars in. De wet houdt in dat de gemeenten het moeten gaan doen. Dan zou het toch merkwaardig zijn om een derde te vragen om die kennis over te dragen van de verzekeraars aan de gemeenten? Ik die zin ben ik voor een, vergeef mij, wat simpeler afspraak: degene die het moet overdragen, draagt het ook daadwerkelijk over. Dat lijkt mij eigenlijk een heel goede zaak.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik deel de vreugde van de staatssecretaris dat er een akkoord ligt tussen de zorgverzekeraars en gemeenten, met name omdat het er een tijdlang naar uitzag dat het heel erg moeilijk zou worden. Maar ik lees op de site van de VNG dat die steun van de zorgverzekeraars is gerealiseerd tot 2017, en ik heb de indruk dat de zorgverzekeraars alleen op volgend jaar rekenen. Verder bereiken ons berichten dat tal van zorginstellingen in de voorlopige inkoop voor 2015 tot 50% gekort worden op hun budget, kennelijk omdat gemeenten bezorgd zijn over de hoeveelheid die ze kunnen inkopen. Maar dat leidt tot enorme continuïteitsproblemen bij de zorginstellingen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Op het tweede punt kom ik nog te spreken. Gemeenten en verzekeraars weten heel goed wat ze hebben afgesproken, want beide hebben de afspraken die zijn gemaakt meegestuurd met hun brieven. Het lijkt me dat daarover geen misverstand kan bestaan. Verder is het allebei een beetje waar: aan de ene kant hebben ze afgesproken dat in 2014 die ondersteuning wordt geleverd door verzekeraars, met de afspraken die daarbij zijn over de capaciteit, terwijl de systemen VECOZO en dbc's voor maximaal drie jaar doorlopen. De ondersteuning is toegespitst op het jaar 2014, en het gebruikmaken van de genoemde systemen loopt wat langer door. Stel dat de overdracht eind 2014 nog niet helemaal goed is verlopen, dan gaan partijen bij elkaar zitten om te kijken of verdere afspraken nog nodig zijn. Beide zijn dus waar.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Dit sluit naadloos daarop aan, want het woord "dbc's" is gevallen. Ik wil nog even de aandacht van de staatssecretaris vragen voor het feit dat voor mijn fractie niet alleen van belang is dat de verzekeraars ondersteuning verlenen bij de inkoop, maar dat in het kader van de randvoorwaarden ook is afgesproken dat gemeenten gedurende een aantal jaren gaan werken met dbc's. Dat is de reden waarom ik in mijn inbreng heb gezegd dat in de afspraken in feite is geborgd dat de kwaliteitsstandaarden van de zorg ook worden meegenomen in de inkoop. Kan de staatssecretaris bevestigen dat dat via de dbc's gebeurt? Voor ons is dat belangrijk, want dat is de taal waar de rest van de ggz en de somatische zorg aan gewend is. Verder denk ik aan de resultaatmetingen die via dbc's geborgd zijn. Zie ik dat goed?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik ben het met mevrouw Beuving eens dat dat een belangrijk voordeel is, zeker.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Bij de afspraken staat dat zorgverzekeraars gemeenten adviseren, welke zorg minimaal nodig is om te kunnen voldoen aan continuïteit van zorg. Hoe dwingend kunnen zorgverzekeraars dat aan gemeenten opleggen? Hoe vrijblijvend is dat? Ik ook vond bij de afspraken ook niet terug hoe het met de aansluiting van 18-min en 18-plus zit.

Staatssecretaris Van Rijn:

Op dat onderwerp kom ik straks nog. Ik denk dat het heel goed is dat de zorgverzekeraars het nu doen. Zij hebben inzicht in de inkoopmarkt, om deze term maar even te gebruiken. Hoe zit het zorgaanbod in elkaar, met welke zorgaanbieders moet je rekening houden en wat moet je weten om te bepalen welke zorg je het beste kunt inkopen? Het overdragen van deze informatie helpt natuurlijk zeer om de inkopers van de gemeente kennis bij te brengen, maar ook om de kennis van de sector te versterken. Op deze manier kan iedereen zien welke noodzakelijke zorg moet worden ingekocht. Ik kom straks nog terug op de continuïteitswaarborgen, maar het is een belangrijk gegeven dat de kennis van de zorgaanbiedersmarkt wordt overgedragen van de partij die het nu doet, naar degene die het krijgt, inclusief de vraag welke noodzakelijke zorg moet worden ingekocht. Dit laatste zou iedere gemeente moeten weten. De gemeente moet dit natuurlijk wel gaan doen. Daar kom ik nog op terug bij de continuïteitswaarborgen die we in overleg met de gemeenten zoeken.

Ik denk dat de afspraken ook een versnelling kunnen geven aan het regionale overleg. De overdracht van de verzekeraars vindt in de regio plaats. Zorgverzekeraars Nederland zal in elke regio een zorgverzekeraar toewijzen. Hierdoor komt in elke regio het gesprek op gang tussen verzekeraars en gemeenten. Dat gaat niet alleen over de overdracht, maar ook over de aansluiting tussen de domeinen en het delen van informatie.

Naar aanleiding van een vraag van mevrouw Scholten wil ik het volgende opmerken. Ik realiseer me dat gemeenten nog geen ervaring hebben met het overhevelen van de zorg, zoals in de jeugd-ggz nodig is. Mevrouw Scholten vroeg of het niet goed zou zijn om in de implementatiefase in samenwerking met gemeenten, de jeugd-ggz, huisartsen en zorgverzekeraars een pilot te organiseren om praktijkmodellen uit te werken voor de organisatie en de bekostiging van de jeugd-ggz. Ik vind dat een goed idee. Ik wil graag samen met partijen bespreken of wij tijdens de implementatie een aantal pilots kunnen opzetten om zo goed mogelijk te kunnen oefenen met verschillende soorten modellen. Op die manier wordt de kennis en kunde bij de gemeente versterkt en worden er een soort inkoopmodellen ontwikkeld, waarbij ook gebruikgemaakt wordt van de kennis en kunde van huisartsen en de jeugd-ggz zelf. Het is goed dat die afspraken er zijn. Ik ben er verheugd over. Ik denk dat het gaat lukken om de inkoop goed vorm te geven. Natuurlijk houd ik daarbij de vinger aan de pols. Ik zal ook zelf regelmatig gesprekken voeren met de VNG over de monitoring en de voortgang van het proces, zodat tijdig bijsturing kan plaatsvinden als dat nodig is. Het is nooit goed om het al te nadrukkelijk te zeggen, maar ik wijs toch op het volgende. Stel dat gedurende 2014 blijkt dat de voortgang onvoldoende zou zijn, wat ik niet geloof, en dat het niet verbetert, dan hebben wij op grond van artikel 2.14 van de Jeugdwet de bevoegdheid om alsnog bij AMvB nadere regels voor de samenwerking op te stellen. Ik zie nu geen aanleiding om dat te doen, maar ik hou nadrukkelijk de vinger aan de pols.

In het kader van de waarborgen heeft mevrouw Beuving gevraagd hoe het zit met de herbeoordelingen in 2015. Voor de cliënten van de jeugd-ggz is een overgangsregeling gecreëerd. Jeugdigen met een verwijzing of een indicatiebesluit kunnen tot maximaal een jaar na inwerkingtreding van de wet hun lopende behandeling voortzetten. Die voortzetting vindt, indien redelijkerwijs mogelijk, plaats bij dezelfde aanbieder. Na het jaar is er een logisch moment om te kijken welke zorg de jeugdige dan nog nodig heeft. Ik wijs erop dat de huidige zorgtrajecten in de jeugd-ggz gemiddeld een halfjaar duren. Dat betekent dat je eigenlijk in het normale regime zit, namelijk dat er een indicatie is gegeven en dat je na een jaar bekijkt welke zorg er verder nodig is. Na dat jaar moet er, net als in de oude situatie, een besluit worden genomen over de noodzaak en de passendheid van de voortzetting van de behandeling. Gemeenten kunnen er dan overigens voor kiezen om het besluit te mandateren aan de jeugdaanbieder waar ze hun zorgtrajecten al hebben lopen. Als er een specifieke vorm van jeugdhulp noodzakelijk is die alleen door die specifieke instelling geboden wordt, moet de gemeente de jeugdhulp vergoeden.

Theoretisch zou het kunnen dat de gemeente zegt dat ze zorg heeft ingekocht die een vergelijkbare voorziening levert. Dan moet de gemeente dat aantonen. In de praktijk gaat het anders. Als je bij een jeugdaanbieder zit, houd je de indicatie voor een jaar. Het traject duurt meestal maar een halfjaar. Na een jaar krijg je een nieuw indicatiebesluit. Als de behandeling moet doorlopen, dan ligt het voor de hand dat dit bij dezelfde jeugdaanbieder plaatsvindt.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat zo'n traject dat meestal een halfjaar loopt, soms moet blijven doorlopen, in dit geval na het overgangsjaar. Wie beoordeelt of het traject moet doorlopen? Beoordeelt de behandelaar in kwestie dat? Ik probeer een beeld te krijgen van de instantie die de conclusie trekt dat de behandeling langer moet doorlopen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Het is de normale indicatieprocedure. Door de professional wordt beoordeeld of er nog verdere hulp nodig is. Die hulp moet vervolgens geleverd worden door de aanbieder waarbij de gemeente zorg heeft ingekocht. Dat zal in vrijwel alle gevallen dezelfde zorgaanbieder zijn waar de jeugdige al in behandeling was. Het zou raar zijn om hierin te switchen, maar theoretisch kan het wel. De gemeente zou kunnen zeggen dat ze bij een andere zorgaanbieder heeft ingekocht die vergelijkbare zorg verleent. In dat geval zou de indicatie daar naartoe kunnen gaan. De indicatiestelling is natuurlijk in handen van de professional.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Mag ik constateren dat dit blokje ging over de jeugd-ggz of moet ik constateren dat de vragen over de continuïteit van zorg en de waarborgen alleen beantwoord worden met de aanwijzingsbevoegdheid waarover de staatssecretaris het zojuist had?

Staatssecretaris Van Rijn:

Nee, ik ga nog uitgebreid in op de algemene continuïteitsvraag.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

In dat geval heb ik nu geen vraag.

Staatssecretaris Van Rijn:

Een aantal leden van deze Kamer heeft gevraagd hoe zo'n belangrijke stelselwijziging kan samengaan met een bezuiniging. Ik dacht dat ik zojuist al had aangegeven dat je alles bij elkaar kunt leggen, maar dat je het ook juist uit elkaar kunt halen. We zullen met elkaar de discussie moeten voeren over de vraag hoe het met minder geld kan. Bezuinigingen zijn nodig. We hebben ook de discussie met elkaar over de noodzaak van de stelselwijziging, hoewel we al een aantal jaren geleden tegen elkaar gezegd hebben dat een wijziging heel hard nodig is. Per jaar wordt aan jeugdhulp een budget van ongeveer 3,5 miljard euro besteed. Daarnaast ontvangen gemeenten nu al jaarlijks een bedrag van 400 miljoen via de decentralisatie-uitkering voor jeugd en gezin.

Een aantal leden vroeg of gemeenten de last kunnen dragen, als we de jeugd-ggz, de jeugdhulp en de jeugdzorg aan hen overdragen. Na de financiële operatie zijn alle budgetten van het Rijk overgedragen. We houden niets achter, we dragen alle budgetten over. De last die er nu is, wordt dus overgedragen aan de gemeenten met alle bijbehorende budgetten. Wel zit er een bezuiniging op. In 2015 moet 5% worden bezuinigd, in 2016 10% en in 2017 15%. Deze bezuinigingen kunnen hopelijk voor een groot deel behaald worden door integraal te werken, laagdrempelig in de wijk de integraliteit vorm te geven, door het benutten van eigen kracht waar dat aan de orde is, en door minder met allerlei verschillende hulpverleners te werken.

Tussenresultaten uit de innovatieve projecten, waarmee de jeugdbescherming bijvoorbeeld al lang bezig is, geven aan dat de inzet van zwaardere jeugdzorg in aantallen en duur, substantieel kunnen afnemen. Dat is de beweging die we beogen en waar in de praktijk nu al heel zichtbare resultaten worden geboekt. Ik wijs ook op de situatie in Amsterdam. Daar lijkt de invoering van de trajectaanpak zeer bij te dragen aan het verkorten van de gemiddelde verblijfsduur, wat in de eerste plaats heel positief is voor de jeugdige zelf – hij verblijft minder lang in geslotenheid – maar het betekent ook dat een afbouw kan plaatsvinden van heel dure plaatsen. Grosso modo is het zo dat alle budgetten worden overgedragen. De lasten gaan dus gepaard met de lusten. De taakstelling die erop zit, en die in het eerste jaar niet zo heel groot is, kan voor een belangrijk deel worden bewerkstelligd door de andere aanpak die we voor de gemeente mogelijk willen maken en waar in de praktijk al heel veel positieve ervaringen zijn opgedaan.

Hebben gemeenten voldoende helderheid over de budgetten? Dat was ook een vraag die bij verschillende leden van uw Kamer leefde. In de meicirculaire van 2013 hebben wij de voorlopige budgetten bekend gemaakt op basis van historische gegevens. Ik schets de afspraken die wij met de sector hebben gemaakt nog even. We hebben afgesproken dat er eerst een voorlopige indicatie zou komen op basis van de historische budgetten. Vervolgens zou er een indicatie volgen op basis van de voorlopige cijfers en daarna zou er een indicatie volgen op basis van de definitieve cijfers. Dat heeft geleid tot de vraag of er ook nog tussentijds informatie zou kunnen worden gegeven. Daartoe hebben wij twee dingen gedaan. In december hebben we het budget verhoogd omdat – ik zeg het even technisch – de medebehandeling van ouders met kinderen met een psychische stoornis niet in het budget zat, maar moest worden meegegeven. Dat budget is van 700 miljoen naar 850 miljoen gegaan. Voorts hebben wij in december een nieuwe stand van het budget per gemeente gepubliceerd. Alle regio's hebben ook een toelichting gehad op de budgetten en er is antwoord gegeven op de resterende vragen.

Vanaf december hebben de gemeenten voor 95% zekerheid over de hoogte van het budget in 2015. Waarom 95%? In december hebben wij de hoogte van het budget gepubliceerd, maar er komt nog een nader budget in de meicirculaire 2014. De vraag is of dat voor onzekerheid zorgt en of iedereen stil moet gaan zitten omdat de nu bekende cijfers straks weer anders kunnen zijn. De cijfers worden misschien een beetje anders, maar het verschil wordt nooit meer dan 5%. Daarover hebben wij een afspraak gemaakt. Dat betekent dat alle gemeenten, met het staatje van december in de hand en met een zekerheidsmarge van 95% hun rol in het kader van inkoop op zich kunnen nemen. Men is in dat kader dan in staat om tot meer uitgewerkte afspraken te komen.

We hebben voorts afgesproken dat de Algemene Rekenkamer een toets zal uitvoeren op de hoogte van het macrobudget. Dat moet als bewijs dienen voor de stelling dat wij nu alles geven en niets achterhouden. De definitieve cijfers over de verdeling van de jeugdhulpbudgetten over de gemeenten komen beschikbaar in de meicirculaire van 2014. Eerder kan niet want we hebben afgesproken dat we zouden werken met de realisatiecijfers over 2012. Die zijn dan bekend.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ook mijn vraag gaat over de risico's in de budgetten. Het Rijk heeft allerlei mogelijkheden om met risico's om te gaan. Ik noem vergrote budgetmogelijkheden, maar ook de belasting en dergelijke. Gemeenten hebben die mogelijkheden niet. Is de staatssecretaris bereid om na te denken over een soort vangnetconstructie, in welke vorm dan ook, voor het geval gemeenten, ondanks hun goede beleid, toch in de problemen komen?

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat lijkt mij de perfecte brug naar de vraag over de algemene continuïteit.

Hoe moet je daarnaar kijken? We hebben te maken met twee fenomenen. Je kunt heel technisch kijken naar wat er gebeurt in 2015. In 2015 kan sprake zijn van een meevallende situatie omdat de aanspraken nog doorlopen. In de wet is geregeld dat die afspraken nog maximaal een jaar doorlopen. De vraag zal in dat jaar niet heel drastisch veranderen. Ik zeg er bescheiden bij dat de wereld niet verandert als er een wet per 1 januari 2015 in werking treedt. Natuurlijk is er sprake van een drastische verandering – men kent mijn bescheidenheid – maar het aanbod zal per 1 januari 2015 ook niet opeens geweldig veranderen.

Wat betreft de doorlopende zorg praten wij over ongeveer 40% van het budget dat in dat kader opgaat en moet worden gecontracteerd. Vervolgens moeten gemeenten voor de nieuwe instroom inkopen. Daarbij moeten twee zaken in balans blijven. Je wilt gemeenten de gelegenheid geven om hun eigen beleid te bepalen als het gaat om de inkoop van zorg, de zorgaanbieders met wie ze wel of niet in zee willen gaan en de veranderingen die ze willen aanbrengen. Anderzijds moet de relevante zorginfrastructuur, benodigd om de continuïteit van zorg te regelen, intact blijven. Die moet niet ten onrechte, voortijdig of ongeregisseerd wegvallen. Daar zit een time frame in. Gemeenten willen de gelegenheid om hun inkoopkennis op te bouwen. Ik snap dat wel. Ik sprak zojuist al over de inkoopafspraken die al zijn gemaakt. Die moet je eigenlijk breder zien, voor de heel brede jeugdhulp. Die zaken moeten dus worden ontwikkeld. Instellingen geven ook aan dat, als zij het halverwege dit jaar nog niet helemaal weten, ze problemen krijgen met hun accountant of de raad van commissarissen. Die geven aan dat, als er nog geen contract ligt, er iets anders moet gebeuren. Daarvoor moeten wij een oplossing bieden.

Macro gezien, gaat het budget over met een korting van 5%, maar de wereld verandert niet in één keer, net zomin als vraag en aanbod. Als gemeenten daar niet uitkomen, weet ik niet hoe ze er wel uitkomen. Micro kan het echter heel anders liggen. Instellingen kunnen verschillen. Een gemeente kan nog niet helemaal klaar zijn. Het duurt misschien te lang. In die zin kan sprake zijn van een time frame. De branches, de Ombudsman en de VNG hebben daarover gesproken. De Kamer heeft daar diverse brieven over gekregen.

De Ombudsman, die dus met een aantal partijen heeft gesproken, stelt dat het wellicht goed is om een generieke omzetgarantie te geven. Het van te voren krijgen van een omzetgarantie vinden zorgaanbieders natuurlijk heel prettig, maar anderzijds is het heel gemakkelijk. Dat doet eigenlijk onvoldoende recht aan de kwestie dat je ook moet bezien hoe de vernieuwing van het zorgaanbod wordt georganiseerd. Toch wil je ook niet dat de vernieuwing zo drastisch uitpakt dat allerlei instellingen omvallen. Dat heeft geleid tot een brief van de branches, samen met de VNG, waarin staat dat men het een goede zaak vindt als er wordt gekomen tot een commissie – wat mij betreft een transitie-autoriteit jeugd, een mooiere term met een beetje status – die kan beoordelen of er goede afspraken zijn gemaakt, of die wellicht moeten worden aangepast, dan wel dat er een geregisseerde sanering moet plaatsvinden.

Ik vind dat eigenlijk een sympathiek idee. Op die manier kan worden voorkomen dat we in generieke zin tegen elkaar zeggen dat er macro geen probleem is en dat iedereen de korting van 5% moet kunnen opbrengen, terwijl er micro wel een probleem is. De heer Kuiper wees erop dat er landelijk werkzame instellingen zijn die misschien nog niet zo op het netvlies van gemeenten staan, waardoor men er te laat achter komt dat die eigenlijk hadden moeten worden gecontracteerd. Als dat niet op tijd is gedaan, heeft zo'n instelling een probleem. Om dus te zorgen voor een zachte landing voor instellingen, ook landelijk werkzame instellingen, is het goed om te komen tot zo'n speciale commissie, zo'n transitie-autoriteit jeugd. Ik moet nog wennen aan die term, maar ik voel er wel voor om dit te gaan doen. Het gaat er in dat kader om te komen tot handiger afspraken, want daarmee kunnen heel veel frictiekosten worden voorkomen. Als bepaalde afspraken dus niet zo handig zijn, moet daar een handje bij worden geholpen. Als er wel goede afspraken zijn gemaakt, maar zich toch problemen voordoen, kan een en ander worden gesignaleerd, waarna partijen kunnen kijken hoe er tot een oplossing kan worden gekomen.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

De staatssecretaris haalt de brief aan van de VNG en de zorgpartners die straks overgaan. In de brief wordt gesproken over een gezaghebbende commissie, vertegenwoordigd door bepaalde disciplines, die op een gegeven moment ook een knoop kan doorhakken. Is dat inderdaad de bedoeling?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ja, maar ik realiseer me dat het doorhakken van die knoop waarschijnlijk een beetje met staatssecretarieel gezag moet plaatsvinden.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Dat snap ik, maar het is zo 2015, dus je moet nu wel spijkers met koppen slaan.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ja.

Mevrouw Scholten (D66):

Het gestelde over dat staatssecretarieel gezag intrigeert me. Een gentlemen's agreement is aardig, maar je moet er wel handtekeningen onder krijgen. Als dat niet lukt, kan de staatssecretaris dan gebruikmaken van die aanwijzingsbevoegdheid of is die daar niet voor bedoeld?

Staatssecretaris Van Rijn:

Als het nodig is, moeten wij die gebruiken, maar uitgaande van een gezaghebbende transitie-autoriteit, lijkt het mij dat het gezag van die groep voldoende is om te voorkomen dat er gebruik moet worden gemaakt van de aanwijzingsbevoegdheid. De bevoegdheid bestaat wel, zeker voor 2014. Het lijkt mij echter verstandig om, als je die bevoegdheid wilt gebruiken, dat pas te doen als je goed hebt uitgezocht of er voldoende afspraken zijn gemaakt door de gemeenten en of er reden is om, ondanks de afspraken, te bezien of er nog problemen overblijven. Ik heb de aanwijzingsbevoegdheid in de achterzak, maar ik gebruik die liever niet, ook gelet op het time frame. We willen namelijk zekerheid hebben voor instellingen, want zij moeten weten waar ze aan toe zijn. Anderzijds moeten we gemeenten de ruimte bieden om te komen tot eigen beleid. Het lijkt mij dus dat wij een en ander met gezwinde spoed bij elkaar moeten brengen.

Mevrouw Scholten (D66):

We zijn inmiddels een uur bezig, maar in die korte tijd is de staatssecretaris al ingegaan op twee van mijn verlangens. Ik noem eerst het organiseren van de pilot en daarnaast de instelling van de commissie. Ik was verbaasd over die laatste toezegging. Daarom was ik even stil, maar ik wil graag heel precies weten hoe de staatssecretaris zich dat voorstelt. Toezeggingen worden door onze griffier altijd buitengewoon minutieus verwoord in een lijstje van toezeggingen. Dan kunnen wij daar vervolgens op voortborduren. In mijn motie staat ook dat deze pilot heel erg is bedoeld om de evaluatie te bevorderen. Die woorden heb ik de staatssecretaris nog niet horen uitspreken, maar die evaluatie is van belang. De input van de pilots zou absoluut moeten worden meegenomen in de evaluatie.

Staatssecretaris Van Rijn:

Om te bewerkstelligen dat ik mevrouw Scholten ten derde male tegemoetkom: het antwoord is ja.

Mevrouw Scholten (D66):

Ik ben de staatssecretaris zeer erkentelijk.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik hoop dat het met mij dan net zo soepel zal gaan. Ik ben erg gecharmeerd van het idee en de term "transitieautoriteit", maar voor wij over het wetsvoorstel gaan stemmen, wil ik duidelijk zwart op wit hebben wat die commissie precies inhoudt, wat het budget is, wat de autoriteit is en wat de taakopdracht is, en dat allemaal refererend aan de brief van de Kinderombudsman. Daarop ontvang ik graag een antwoord. Ook vraag ik inwilliging van dit verlangen van mij. Daarnaast heeft Jeugdzorg Nederland gevraagd om een overgangscommissie implementatie stelselwijziging jeugd in te stellen. Is de door de staatssecretaris voorgestelde transitiecommissie hetzelfde?

De consequenties voor de Bureaus Jeugdzorg verschillen van die voor de gespecialiseerde jeugdinstellingen, waarover de Kinderombudsman spreekt. Mogelijk kan de staatssecretaris nog aparte woorden wijden aan de positie van de Bureaus Jeugdzorg, waarover wij al eerder vragen hebben gesteld in het kader van de uitspraak van de rechtbank. Ook gezien het feit dat de Bureaus Jeugdzorg een sociaal plan nodig hebben en mogelijk zullen omvallen als er geen duidelijker regelingen komen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Bij de verhouding tussen de Bureaus Jeugdzorg en de landelijk werkende instellingen geldt dat de landelijk werkende instellingen in de transitiefase ook budget nodig hebben. Die zijn daarin afhankelijk van de Bureaus Jeugdzorg. Er moet een scheidsrechter zijn die ervoor zorgt dat de landelijk werkende instellingen ook een deel van het transitiebudget krijgen. Daarvoor vraag ik aandacht.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Misschien heb ik het mis, maar wat de staatssecretaris aanbiedt lijkt mij een doekje voor het bloeden. De Kinderombudsman en Jeugdzorg Nederland wilden namelijk een overgangsregime van drie jaar. Daarvoor zou de staatssecretaris een plan maken. Dat plan is dus nu in duigen gevallen, maar ik wil nog wel graag weten hoe de staatssecretaris daartegenover staat.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ten eerste ben ik al erg ver als een doekje voor het bloeden het bloeden stopt. Dat is misschien toch iets om te overwegen. Ten tweede moeten wij hier heel zorgvuldig beleid voeren. Het is heel essentieel dat de gemeenten straks hun inkooprol goed kunnen spelen en daarop zelf beleid kunnen maken. Ze moeten dus hun eigen afwegingen kunnen maken. Dat betekent dat wij de gemeenten in staat moeten stellen om dat volgens hun eigen merites te doen, onder gebruikmaking van de afspraken die onder andere met ZN zijn gemaakt over de jeugd-ggz. Tegelijkertijd hebben wij er begrip voor dat het in de tijd misschien moeizaam ligt. Je moet bekijken of die afspraken op tijd komen, zodat ook instellingen weten waar ze aan toe zijn. Niet omdat alle instellingen contracten moeten krijgen, maar om handige afspraken te maken over het voorkomen van frictiekosten waar dat mogelijk is.

Zijn die frictiekosten er? Ja, die worden heel sterk beïnvloed door de afspraken die je maakt. Als je afspraken maakt waarin alles ongeveer hetzelfde blijft, met een korting van 5%, krijg je een heel andere discussie over frictiekosten dan wanneer je zegt: ik moet nog eens goed nadenken over al die contracten, we doen de helft en we zien wel. Dan heb je heel hoge frictiekosten. Zo'n transitieautoriteit kan dan niet zeggen: jammer dat je verkeerde afspraken hebt gemaakt, we gaan eens even praten over de frictiekosten. Dat gaan we natuurlijk niet doen. Ik denk dat de transitieautoriteit twee opdrachten krijgt. De eerste is in de gaten houden of er afspraken zijn gemaakt die de continuïteit van zorg in gevaar brengen. Niet de continuïteit van instellingen, maar die van zorg. Vervolgens kun je dan bekijken of er handigere afspraken moeten worden gemaakt. Dat kan met dat gezag worden bewerkstelligd. De tweede is dat geagendeerd moet kunnen worden dat men over oplossingen gaat praten als die afspraken zijn gemaakt en er toch nog problemen zijn. Ik kan er niet meer over opschrijven. Ik kan het hier ook zeggen. Ik denk dat ik zo snel mogelijk met partijen rond de tafel ga zitten om te bekijken hoe wij dit gaan inrichten. Dit is een goed antwoord is op wat de branche samen met de VNG zelf voorstelt om te zorgen dat wij dit in goede banen leiden. Dit kan een belangrijke bijdrage zijn om waar het kan een zachte landing te bewerkstelligen voor de instellingen die anders in de problemen zouden komen, al is het alleen maar omdat er onvoldoende snel duidelijkheid is. Ik blijf wel benadrukken dat het essentieel is dat dit niet komt in de plaats van hetgene waarom het vooral gaat, namelijk de afspraken die de gemeenten moeten maken om de inkoop van zorg goed voor elkaar te krijgen.

Mevrouw Scholten (D66):

Nog één keer. Ik was nog niet helemaal zeker. Worden die pilots ook uitgevoerd in samenwerking met gemeenten, jeugd-ggz, huisartsen, cliëntenorganisaties en zorgverzekeraars?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ja. Dat is nummer vier.

Mevrouw Scholten (D66):

Dank u wel. Het was er maar een, maar ik wilde het heel zeker weten.

De voorzitter:

Mevrouw Slagter komt misschien nummer vier halen.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik ga nog even op mijn punt door. Mij is nog niet duidelijk of de overgangscommissie die Jeugdzorg Nederland voorstelt hetzelfde is als wat de Kinderombudsman vraagt en wat de staatssecretaris de transitieautoriteit noemt. Nogmaals, het is mij niet duidelijk wat nu precies het woord "autoriteit" inhoudt en daarnaast niet wat het budget is. Ik wil dit graag zwart op wit in een brief omschreven hebben.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik ga zeker niet tevoren aangeven of daarvoor een budget nodig is en hoe groot dat moet zijn. De essentie is juist dat er goede transitieafspraken worden gemaakt door de gemeenten. Zoals ik net al zei: als je het door de oogharen macro bekijkt moet het met een taakstelling van 5% in 2015 redelijk mogelijk zijn om heel goede transitieafspraken te maken. Zeker als je het macro bekijkt. Ik realiseer mij dat dit niet altijd het geval hoeft te zijn en dat dit in de tijd gezien tot onzekerheden kan leiden. Dat proberen wij op te lossen door daarheen te gaan, te interveniëren en te bewerkstelligen dat die verstandige afspraken tussen de partijen wel worden gemaakt. Maar ik ga niet tevoren zeggen: het maakt niet uit wat je afspreekt, er is een budget beschikbaar. Dat zou niet goed zijn.

Als er door gemeenten echter goede en verstandige afspraken worden gemaakt, ook met het oog op het creëren van continuïteit van zorg waar het nodig is – nogmaals, van zorg, niet van instellingen – waarbij er niettemin problemen overblijven, dan ben ik aanspreekbaar om daarnaar te kijken. In deze fase gaat het er mij echter om dat die goede transitieafspraken er komen. Op de vraag over de Bureaus Jeugdzorg zal mijn collega dadelijk in zijn bijdrage verder ingaan.

De voorzitter:

Mag ik u dan in dit verband vragen hoe lang u nog nodig denkt te hebben voordat uw collega aan het woord komt?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik heb goede hoop dat dit in twintig minuten moet kunnen.

De voorzitter:

Prima.

Staatssecretaris Van Rijn:

Maar dat is geen budget vooraf, voorzitter.

Er is een aantal vragen gesteld over de manier waarop wij de vinger aan de pols houden. Een aantal woordvoerders heeft gevraagd om de implementatie van de Jeugdwet goed te volgen, zodat bijsturing mogelijk is als dat aan de orde is. Er is al een evaluatie afgesproken. Ik heb zojuist aangegeven dat de pilots daarbij kunnen worden gebruikt. Mevrouw Beuving vroeg of het niet goed zou zijn om de Kamer jaarlijks te informeren over de kwaliteit van de jeugdhulp en over de randvoorwaarden waarmee die plaatsvindt. Mij lijkt niet de begroting, maar het jaarverslag daarvoor de meest geëigende plaats omdat daarin de verantwoordingen samenkomen. Zo kunnen wij, zeker in de aanloopperiode, jaarlijks volgen wat de resultaten zijn van de Jeugdwet, waar knelpunten en problemen zitten en welke resultaten al worden bereikt. Ik zeg graag toe de Kamer jaarlijks te informeren over de ontwikkeling en de kwaliteit van de jeugdhulp en de randvoorwaarden waaronder dat moet gebeuren.

Mevrouw Beuving (PvdA):

De staatssecretaris is hier bezig een motie van mij hierover overbodig te maken. Ik ben hem daarvoor erkentelijk. Ik wil dit nog wel even aanscherpen. Ik had zelf in gedachten dat de Kamer geïnformeerd wordt over met name kwaliteit en toegankelijkheid van het nieuwe jeugdhulpsysteem, in relatie tot de financiële randvoorwaarden. Is dat ook wat de staatssecretaris bij dezen al voor zijn rekening wil nemen en wil toezeggen?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik merk dat ik nu voorzichtig word. Dat heeft niet te maken met de onwil om er jaarlijks over te rapporteren. Wij hebben met elkaar een evaluatie over drie jaar afgesproken. Ik heb aangegeven dat ik van jaar tot jaar heel scherp wil volgen hoe het gaat. Ik vind een jaar wel heel erg kort om tot een afgewogen oordeel te kunnen komen over de vraag wat de kwaliteit van de jeugdhulp is en de vraag of de financiële randvoorwaarden voldoen. Dat oordeel zullen wij ons bij de evaluatie vormen. Als u mij vraagt of ik jaarlijks wil volgen hoe het zit met de kwaliteit van de jeugdhulp en de financiële randvoorwaarden – hoe gebruiken de gemeenten de middelen? – dan wil ik graag toezeggen dat ik dat zal doen ter gelegenheid van het jaarverslag. Ik waarschuw echter voor het te vroeg trekken van conclusies, nu wij nog maar net zijn begonnen.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik begrijp dat de staatssecretaris de zaken wil loskoppelen: de informatie over de kwaliteit enerzijds en de financiële randvoorwaarden anderzijds, terwijl ik daartussen een relatie wil leggen. Dit betekent dat mijn fractie moet overwegen of wij een motie wel of niet nodig vinden.

De voorzitter:

U hebt per slot van rekening een tweede termijn.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik heb al een paar keer gezegd dat deze operatie er niet een is waarin wij met elkaar de Jeugdwet aannemen en dan zeggen: veel succes ermee. Deze operatie is het begin van een proces waarin wij de jeugdhulp op een andere leest willen schoeien. Wij proberen in de wet zo veel mogelijk randvoorwaarden te creëren, zodat gemeenten hun rol, plek en verantwoordelijkheid goed kunnen waarmaken. Wij willen professionaliteit waarborgen. Daarom is er een aantal waarborgen voor kwaliteit in de wet opgenomen. Dat is een proces dat begint op 1 januari 2015 en niet dan eindigt.

Wij hebben de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd, die al heel goed heeft gepresteerd en als het ware aan de vooravond van de transitie al heeft gemonitord en zal monitoren of gemeenten op tijd zijn met het vervullen van hun randvoorwaarden. Dat geldt overigens ook voor het Rijk wat betreft de wet- en regelgeving. Wij hebben een Transitiemonitor Jeugd om de voortgang van de implementatie te volgen. Samen met de VNG hebben wij die monitor ingericht. Die zal ook uit een vragenlijst bestaan waarmee gemeenten aangeven hoe ver zij zijn met het transitieproces. Een eerste uitvraag heeft al plaatsgevonden. De resultaten laten zien dat gemeenten op de meeste punten al keuzes hebben gemaakt. Die rapportage zullen wij overigens binnenkort aan het parlement aanbieden.

Mevrouw Beuving vroeg of het vanuit het cliëntenperspectief verstandig is om een soort meldpunt in te stellen voor ouders, professionals en gemeenten, waar zij terecht kunnen met klachten, vragen en suggesties. Ik vind het zeer belangrijk dat jeugdigen en hun ouders gehoord worden en kunnen worden over klachten, signalen en wensen die zij hebben met betrekking tot de uitvoering van de Jeugdwet. In de Jeugdwet hebben wij al geregeld dat gemeenten bij de voorbereiding van het beleid de inwoners en de belanghebbenden moeten betrekken. Gemeenten moeten daarnaast onderzoek doen naar ervaringen van cliënten die jeugdhulp hebben ontvangen en gaan ontvangen. Cliënten zullen hun invloed op de hulp en de hulpverlening doen gelden via de verplichte cliëntenraden. Daarnaast is de gemeente verplicht om te voorzien in een onafhankelijke vertrouwenspersoon, bij wie cliënten terecht kunnen met klachten over de ondersteuningsaanvraag. Jeugdigen kunnen ook een beroep doen op een anonieme vraagbaak, zoals de Kindertelefoon. Ik ben met gemeenten en cliëntenorganisaties in gesprek over de inrichting van een monitor vanuit cliëntenperspectief. Cliëntenorganisaties oriënteren zich momenteel op de vorm, het doel en de inhoud van die monitor. Daarbij worden vergelijkbare monitoren, zoals bij de Wmo, meegenomen. Ook het cliëntervaringsonderzoek dat wij in het kader van de Jeugdwet uitvoeren, wordt daarin meegenomen.

Ik wijs er ten overvloede op dat wij bij brief van 20 december de Tweede Kamer hebben geïnformeerd over het Landelijk Meldpunt Zorg, waar burgers terecht kunnen met klachten over hun zorg, en vervolgens bij de Inspectie voor de Jeugdzorg. Ik ben dus graag bereid om te bezien of die monitor kan worden ingericht, naast alle maatregelen die wij al hebben genomen. Ik ben in overleg met cliëntenorganisaties om dat in te richten en hoop daar binnenkort met hen verdere afspraken over te kunnen maken.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

In het nader voorlopig verslag heb ik ook gevraagd waar zorgaanbieders eventueel kunnen klagen. Voor een aantal zorgaanbieders is het een geheel nieuwe situatie. Ik zou mij kunnen voorstellen dat zij de ervaring krijgen dat bepaalde behandelplannen niet zo worden gehonoreerd of beoordeeld als zij zelf zouden willen. Is er een mogelijkheid voor zorgaanbieders om in zo'n geval ergens te klagen?

Mevrouw Beuving (PvdA):

Mijn vraag sluit hierbij aan. De staatssecretaris lijkt heel effectief bezig te zijn om ons wat gras voor de voeten weg te maaien wat betreft een aantal moties. Ik wil daarom goed gecheckt hebben of wij die conclusie moeten trekken. Mijn fractie denkt erg sterk aan een landelijk meldpunt, dat heel zichtbaar is voor burgers, professionals en gemeenten. Wij kunnen ons ook voorstellen dat er gemeenten zijn die met bepaalde kwesties worstelen, zeker in verband met de overheveling van de jeugd-ggz. Het is nogal wat, wat er op hen afkomt. Maar de professionals, de ouders en de jeugdigen wil ik vooropstellen. Wij denken aan een landelijk, zeer herkenbaar meldpunt, waar men met signalen, vragen en kwesties terecht kan, waarover de Kamer dan ook mooi jaarlijks kan worden geïnformeerd. Jaarlijks zouden wij dan heel graag geïnformeerd willen worden over het beeld dat de meldingen bij het meldpunt opleveren.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik zit een beetje met een dilemma. Ik heb geprobeerd aan te geven dat ik van mijn kant wil proberen om de monitor en de evaluatie van de wet zo goed mogelijk vorm te geven. Ik ben in overleg met de cliëntenorganisaties, maar ik kan mij goed voorstellen dat u nog eens formuleert wat u allemaal van mij vraagt. Misschien is het goed om in tweede termijn te bezien of er aanleiding is voor een motie, waar ik dan op kan reageren.

Ik kom nu op de beantwoording van een aantal specifieke vragen en zal proberen dat heel snel te doen, om binnen mijn budget van 20 minuten te blijven.

In de eerste plaats zijn er vragen gesteld over de vraag hoe de Toegangen eruit zien. Zitten er wel voldoende deskundige professionals in? Mevrouw De Vries vroeg daarnaar, maar ook de heer Beckers en nog enkele andere leden. Wanneer is een professional deskundig? Mevrouw De Vries vroeg: het kan toch niet zo zijn dat bijvoorbeeld een ambtenaar die zich heeft beziggehouden met de Jeugdwet, vervolgens bij de Toegang van een gemeente de diagnose gaat stellen? Het antwoord is nee. Dat kan dus niet. In het uitvoeringsbesluit van de Jeugdwet worden nadere regels gesteld over de minimaal benodigde beschikbare kennis van zaken op bepaalde terreinen in de Toegang, zoals de geestelijke gezondheidszorg. De gemeente is daarnaast verplicht om bij de Toegang de norm van verantwoorde werktoedeling toe te passen, waardoor in principe ook een geregistreerde professional dient te worden ingeschakeld. Daarnaast blijven de professionele standaarden voor professionals van kracht, ook wanneer zij in de Toegang weken. Dit borgt dat een deskundige met de juiste kennis en vaardigheden de taken rondom de Toegang uitvoert.

Er is een aantal vragen gesteld over de mensen die over de grens werken. Kunnen zij straks nog jeugdhulp krijgen in Nederland? Hierbij doet zich een wat bijzondere situatie voor. Ik denk dat dit de reden is waarom ernaar is gevraagd. Als je volgens een verzekeringsstelsel in verschillende landen werkt, regelt het verzekeringsstelsel meestal ook de betaling als je in een ander land de zorg krijgt. Dat werkt natuurlijk anders wanneer het een voorziening is van gemeentewege. Er valt niemand tussen wal en schip. Je kunt altijd zorg krijgen in je woonland. Stel dat je in het buitenland woont en de zorg toch in Nederland wilt krijgen, ontbreekt het woonplaatsbeginsel. Dan weet de gemeente niet bij wie iemand terecht kan. Daar zit dus het enige discussiepunt. Iedereen krijgt zorg in de gemeente waar hij woont. Stel dat je niet in Nederland woont, dan woon je dus ook niet in een gemeente hier. Acute zorg krijg je gewoon altijd.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Dat was mij duidelijk en daar was de beantwoording in de schriftelijke ronde ook heel helder over. Als je acuut zorg nodig hebt – stel je zit op school hier in Nederland en woont over de grens – krijg je hulp in de gemeente waar je dan bent. Dat is geen punt. De vraag is wat er gebeurt als je bijvoorbeeld autistisch bent. Dan ben je nu verzekerd van zorg onder de Zorgverzekeringswet, op grond waarvan je ouders een zorgverzekering hebben. Als het eruit gehaald wordt en naar de gemeente gaat, is dat volgens de zorgverzekering niet meer gedekt. Ik weet niet of het dan in België en Duitsland nog wel wordt vergoed. Kan men daar dan aanspraak op maken? Ik weet niet of het daar ook onder de gemeente valt, of dat je dan bijvoorbeeld een Duitse zorgverzekering moet afsluiten.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat verschilt natuurlijk van situatie tot situatie, afhankelijk van het land. Het budgetje daarvoor is naar de gemeenten overgeheveld. Ik wil graag toezeggen dat ik dit specifieke probleem met de VNG zal bespreken, om daarvoor een oplossing uit te werken. Iemand moet dan waarschijnlijk in de gemeente waar hij werkt terecht kunnen voor zorg op het moment dat dit nodig is.

De heer Beckers (VVD):

Ik had de staatssecretaris in de eerste vragenronde met betrekking tot het woonplaatsbeginsel ook gevraagd hoe het zit met rondtrekkende mensen en met expats die kinderen in Nederland hebben, maar zelf in het buitenland wonen. Nu kan ik mij voorstellen dat dit een heel specifieke uitzoekerij is.

Staatssecretaris Van Rijn:

Het is in zijn algemeenheid zo dat de gemeente waarin de jeugdige op dat moment verblijft, de aanspraak op zorg zal moeten honoreren.

De heer Beckers (VVD):

Dat kan een criterium zijn. En rondtrekkende mensen, die vandaag ergens wonen en morgen weer ergens anders? Of mensen die misschien voor een deel hier wonen en dan weer daar? Dat wordt natuurlijk ook een hele uitzoekerij. Ik neem er genoegen mee als u dat een keer uitzoekt en daar duidelijkheid over geeft.

Staatssecretaris Van Rijn:

Zeker, voorzitter. In zijn algemeenheid moet er op het moment dat de zorgvraag ontstaat, gekeken worden naar de verblijfsplaats. Die gemeente wordt dan geacht de nodige zorg te leveren. Ik zeg de Kamer gaarne toe, ook dat nog verder te bespreken. Ik heb al wat ervaring opgedaan met deze categorieën in het kader van de Zorgverzekeringswet. Ik weet dat daar nog heel veel en heel lang over gesproken kan worden. Dat zullen we ook zeker doen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik wil natuurlijk niet heel veel en heel lang spreken. Op dit punt nog heel kort. Ik heb een vraag gesteld over kinderen uit gezinnen zonder verblijfsrecht hier. Zij zijn voor een deel al genoemd. Ik doel met name op hen die tegen de begrenzing aanlopen van hoe dat bijvoorbeeld met de ouders zit en dergelijke. Ik zie u gebaren dat uw collega daarop zal ingaan. Dan wacht ik dat af.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik zie dat ik al heel veel vragen heb gehad. Misschien dat we in tweede termijn nog een aantal dingen kunnen hernemen, als dat nodig is.

Op de financiële vraag of een gemeente zorg mag weigeren bij gebrek aan budget of dat men dan op een wachtlijst komt te staan, is het antwoord heel kort: nee. De gemeente mag op grond daarvan niet weigeren. Diverse leden, onder wie mevrouw Slagter, hebben gevraagd of het niet heel verstandig zou zijn om afspraken met huisartsen op gemeentelijk, regionaal en landelijk niveau te maken. Misschien is het goed om dat punt ook mee te nemen in mijn toezeggingen over de pilots. Het lijkt mij inderdaad heel belangrijk dat de samenwerking tussen huisartsen en de eerste lijn jeugdhulp/jeugdgezondheidszorg/ggz veel meer gestalte krijgt in de toekomst. Ik heb weleens gesproken over de nieuwe eerste lijn. Daarin proberen huisartsen, wijkverpleegkundigen, apothekers en andere door een samenwerking in de curatieve zorg een nieuwe eerste lijn te creëren. Ten aanzien van de jeugdgezondheidszorg, de jeugdhulp en de jeugd-ggz, krijg je eveneens nieuwe verbindingen tussen de huisarts, de jeugdhulp en de jeugd-ggz. Dat wordt in veel opzichten een soort driehoek, waarin heel veel informatie samenkomt. Ik zeg mevrouw Slagter graag toe dat ik samen met de Landelijke Huisartsen Vereniging wil bezien of wij hierop nog verdere inspanningen zouden moeten plegen. Daar ben ik al mee bezig.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik reageer heel kort toch even als huisarts. Vanuit mijn eigen ervaring denk ik dat daar dan nog wel driedubbele energie op gezet moet worden. Onder huisartsen leeft heel breed dat ze heel weinig begrip hebben voor deze wet en dat ze heel weinig willen meewerken. Ze merken dat er vanuit gemeenten veel onbegrip voor is dat huisartsen toch ook vacatiegeld zouden willen hebben. Als de staatssecretaris van mening is dat de huisartsen er meer bij betrokken zouden moeten worden, dan zal hij echt nog veel beter zijn best moeten doen om de huisartsen daartoe te bewegen.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat wil ik graag doen. Ik hoop overigens dat ook de huisartsen hun best zullen doen om van hun kant eveneens te bewegen. Het zou heel mooi zijn als we dat allebei gingen doen. Ik wijs er overigens op dat ik bijvoorbeeld in de gemeente Utrecht heel aardige experimenten en voorbeelden heb gezien, waarin de aansluiting tussen huisartsen, jeugdhulp en jeugdzorg op een heel aardige en goede nieuwe manier wordt vormgegeven.

Over de woonplaats heb ik het al gehad.

Omdat mevrouw Slagter haar motie al in eerste termijn heeft ingediend, verleidt zij mij ertoe daar ook nu al iets over te zeggen. In die motie staat, als ik het even in simpele bewoordingen mag zeggen: trek nou die bezuiniging in, dan kunnen we daarna praten over de invoering van een nieuwe Jeugdwet. Ik heb niet helemaal de indruk dat deze motie is voorzien van een adequate dekking en om die reden wil ik die motie ontraden.

De heer De Lange vroeg of ik voorzag dat er een enorme juridisering zou plaatsvinden – zo noemde hij het – rondom de vraag of de gemeente haar hulpplicht voldoende nakomt. Hij is bang voor een juridisering en voor veelvuldige beroepsprocedures. Ik ben daar niet zo bang voor. In de Jeugdwet is de rechtsbescherming van gezinnen geborgd doordat zij, indien een gemeente onvoldoende passende zorg zou bieden, in bezwaar of beroep bij de rechter kunnen gaan als zij het niet eens zijn met die beslissing van de gemeente. Gezinnen noch gemeenten hebben er belang bij dat dit soort procedures gaat ontstaan. Gemeenten moeten zich gewoon aan de wet houden met de jeugdhulpplicht. We hebben eigenlijk ook met de Zorgverzekeringswet en de zorgplicht door verzekeraars de ervaring opgedaan dat de zorgplicht er in het algemeen toe leidt dat iedereen zijn best doet om passende zorg te gaan leveren. Temeer daar de diagnose en de toekenning van zorg in alle gevallen door deskundige professionals worden gedaan, die beoordelen of er jeugdhulp nodig is, en zo ja, welke. Vervolgens moet ervoor worden gezorgd dat die hulp goed ingekocht wordt door de gemeente. Ik verwacht niet dat er grote verschillen zullen zijn in de beoordelingen of jeugdhulp nodig is. Shopgedrag zal dan ook niet of slechts weinig voorkomen.

Ik dacht dat ik ook al ingegaan was op de vragen van mevrouw Scholten hoe gemeenten kunnen sturen op de doorverwijzing door de arts. Het is dus niet zo – ten overvloede vroeg zij dat nog even – dat de verordening ertoe zou kunnen leiden dat het doorverwijsgedrag van de huisarts kan worden ingeperkt. In de verordening staat welke zorg de gemeente van plan is in te kopen en wat daarbij de criteria zijn. Dat gaat dus niet over de vraag of de huisarts mag doorverwijzen. Die toegankelijkheid wordt door de verordening niet beperkt.

De heer Ganzevoort en de heer Beckers vroegen hoe het zit met de positie van de vertrouwensarts. Ik kan bevestigen dat de positie van de arts deskundig op het terrein van de kindermishandeling bij het AMK in de AMvB zal worden geregeld. Er is in de AMvB gekozen voor een functionele formulering, namelijk dat bij het AMK een arts met deskundigheid op het gebied van kindermishandeling beschikbaar moet zijn indien dat nodig is. Dat hebben we gedaan omdat het aan de gemeenten is om het AMK in de praktijk te organiseren. Het AMK kan een aparte rechtspersoon zijn of een gebouw waar AMK-medewerkers zitten. Zijn ze daar fysiek werkzaam of zijn ze oproepbaar? Zijn het artsen die in dienstverband werkzaam zijn, of zijn ze gedetacheerd? Welke keuze de gemeente ook maakt, als het AMK in de uitvoering een arts inschakelt, dan handelt die arts namens het AMK met de daarbij behorende bevoegdheden. In die AMvB wordt dus geregeld dat hij beschikbaar moet zijn. Wij hebben nadrukkelijk niet beoogd te stellen of te stimuleren dat deze arts ergens fysiek of functioneel aanwezig moet zijn. Het beschikbaar zijn belemmert ook geenszins het directe contact van arts tot arts. De wijze waarop het AMK invulling geeft aan de beschikbaarheid, moet schriftelijk worden vastgelegd en de arts zal in ieder geval door het AMK moeten worden ingezet ingeval van vermoedens van mishandeling en geweld, waarbij medische en psychische problematiek aan de orde is.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Dit stelt mij gerust in die zin dat de beschikbaarheid preciezer is. Hij of zij moet een rol spelen in dat proces van de weging. Dat lijkt mij een belangrijke toezegging, althans verduidelijking. Het tweede punt is de definitie van de deskundigheid. Begrijp ik het goed dat met die deskundigheid bedoeld is de vertrouwensarts, zoals die bijvoorbeeld zijn gedefinieerd in registers van vertrouwensartsen?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ja, deskundigheid op het gebied van kindermishandeling.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Dat is het register?

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat is het register waarin in ieder geval de vereiste deskundigheid is opgenomen als je vertrouwensarts wilt zijn op het gebied van kindermishandeling.

Ik wil tot slot van mijn beantwoording nog twee opmerkingen maken. Uit dit debat blijkt duidelijk dat deze hervorming van de jeugdzorg, de jeugdhulp, de jeugd-ggz een omvangrijke en complexe hervorming is, die niet eindigt maar juist begint op 1 januari 2015. Ik ben mij er zeer van bewust dat de uitvoering daarvan heel veel vergt van de zorgaanbieders, gemeenten, zorgverzekeraars, medewerkers in de jeugdhulp, jeugdzorg en ggz en van het gedwongen kader. De regering beseft ook dat zij veel vraagt van alle betrokkenen. Velen hebben daar ook op gewezen. Zeker zal niet alles meteen goed gaan tijdens de transitie. Vaak moet de vinger aan de pols worden gehouden, veel overleg moet worden gevoerd en veel bijsturing zal moeten plaatsvinden, want alles zal vast niet zo gaan zoals van tevoren bedacht. Dat geldt niet alleen voor de transitie, maar dat zal zeker ook gelden voor de transformatie. Als je dit met elkaar wilt, zul je met elkaar moeten samenwerken. Dat geldt ook voor deze hervorming. Die is alleen haalbaar als er een bereidheid is van partijen tot samenwerking en begrip voor ieders verantwoordelijkheid. Niet alle uitvoeringsproblemen kunnen van tevoren worden bedacht. Nagenoeg alle problemen kunnen wel worden opgelost als alle partijen de bereidheid hebben om gezamenlijk te werken aan de oplossingen. Laat ik van mijn kant benadrukken dat het Rijk daartoe zeer bereid is en niet alleen maar aan de vooravond van de totstandkoming van deze wet, maar vooral in de transitie en de transformatie die daarvoor nodig zijn, zeer aanspreekbaar is voor problemen van welke aard dan ook opdat deze gezamenlijk worden opgelost.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik heb mijn eerste termijn beëindigd met de opmerking dat de staatssecretarissen pas tevreden mogen zijn als ze niet alleen al onze vragen hebben beantwoord, maar ook het wantrouwen bij ouders en professionals zo veel mogelijk hebben weggenomen of zelfs vertrouwen daarvoor in de plaats hebben weten te brengen. Zij moesten in ieder geval de communicatiehandschoen oppakken. Wat alle oorzaken ook zijn, er lijkt toch sprake te zijn van een vertrouwensbreuk. Wat gaan de staatssecretarissen daaraan doen?

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat is een zeer terecht punt. Dat gaat natuurlijk niet alleen maar om voorlichting over wat er in de wet staat en welke waarborgen er in de wet zitten, hoewel een goede en intensieve voorlichting daarover ook al heel veel helpt om te zien wat wel en wat niet geregeld is. Ik ben het zeer met mevrouw Beuving eens; het zal niet alleen maar een technische voorlichting moeten zijn, maar ook voorlichting over de doelstellingen van het nieuwe jeugdstelsel, de wijze waarop wij dat gaan volgen, waar men terecht kan met klachten en welke waarborgen in de wet gecreëerd zijn. Ik ben dat zeer met mevrouw Beuving eens en ik zal dat ook zeer voortvarend oppakken.

Aan het begin van mijn betoog zei ik dat je je bij de Jeugdwet door verschillende partijen kunt laten inspireren. Het is misschien goed om mijn betoog te eindigen met een citaat. Het is een wat langer citaat uit het boekje "Kinderen, mij een zorg" van de mensen die bij Fier Fryslân werken. Ik vond het inspirerend om na te denken over wat het nu betekent om zo'n stelselwijziging door te voeren. Aan het einde van dit boekje staat het volgende. "Er is niet vaak sprake van een stelselwijziging. Een stelselwijziging biedt kansen om kritisch te kijken naar knelpunten in het oude stelsel en verbeteringen te realiseren in het nieuwe stelsel. Wij – de auteurs – pleiten voor contemplatie en niet te kiezen voor snelle recepten. Er moet een beter evenwicht komen tussen de pedagogische civil society, de reguliere zorg voor jeugd en de gespecialiseerde zorg. Ze moeten elkaars medestanders worden, elkaars partners. De waarschuwingen en de aanmoedigingen vanuit de civil-societybeweging zijn net zo relevant voor burgers als voor professionals. Zo is het ook voor professionals van het allergrootste belang om samen te werken met ouders en gelijkwaardige relaties met ouders te realiseren. Een actieve rol van jongeren zelf is binnen de gespecialiseerde zorg net zo belangrijk als binnen de pedagogische civil society. Professionals die met kinderen en jongeren werken, zullen ook als opvoeder leiding moeten geven aan kinderen en jongeren die onder hun verantwoordelijkheid zijn gebracht en bereid zijn, die verantwoordelijkheid voor hen te nemen, zodat het bijvoorbeeld niet meer kan voorkomen dat kinderen die jarenlang onder hun verantwoordelijkheid in residentiële voorzieningen hebben gewoond geen diploma hebben en zodat het niet meer kan voorkomen dat een meisje dat in een jeugdzorg-plusvoorziening woont tijdens haar verlof verkracht en verhandeld wordt in het loverboy-circuit, terwijl wij dat allemaal misschien wel weten. De transitie en de transformatie bieden kansen. Gemeenten moeten een aanjager van innovatie worden in plaats van een aanjager van standaardisatie. Het streven om iedereen hetzelfde te behandelen, creëert ongelijkheid. Verschillende mensen hebben verschillende dingen nodig. Er is heel veel werk aan de winkel."

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik ben onder de indruk van dit citaat, net als de staatssecretaris dat kennelijk is. Er zit ook veel waarheid in. Ik blijf echter zitten met het punt waar de staatssecretaris onvoldoende op is ingegaan, namelijk dat een transitie en een transformatie van deze omvang niet samengaan met een taakstellende bezuiniging. Ik vind dat onze motie daarover aan de kant wordt geschoven, simpelweg omdat er geen dekking voor zou zijn. In mijn inleiding heb ik er heel duidelijk op gewezen dat er in Denemarken eerst geld bij moest en vervolgens gevraagd wat wij wel zouden kunnen wat zij daar kennelijk niet konden. Ik vind het uitermate arrogant om te denken dat wij dat wel zouden kunnen. De staatssecretaris zou daarop duidelijk moeten ingaan.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Wij hebben in deze termijn met de staatssecretaris gezocht naar de positie van een specialistische jeugd-ggz. Ik heb ook gehoord dat de staatssecretaris bereid is om nog eens met GGZ Nederland en andere relevante betrokkenen te spreken om te vragen of de organisatie van de specialistische jeugd-ggz wel optimaal is en of daar nog een geleding in is aan te brengen. Ik heb het toch goed begrepen dat de staatssecretaris dat wil en dat hij de gesprekken ook wil zoeken? Als GGZ Nederland morgen zegt daarover met de staatssecretaris te willen spreken, is hij daartoe dan bereid? Is hij ook bereid om dat te betrekken bij de vraag naar de beste inrichting van het stelsel?

Staatssecretaris Van Rijn:

Volgens mij is de ontwikkeling van de zorg en dus ook van de ggz-zorg iets wat voortduurt. Wat nu heel belangrijk is, dat wij met elkaar een stap zetten om de integratie van de jeugdzorg op een betere manier vorm te geven. Ik heb betoogd dat het zo belangrijk is dat de jeugd-ggz daarbij betrokken is. Wat doen we als er in de toekomst meer inzichten en andere modellen zijn waardoor we er weer anders tegenaan kijken? Ik heb gezegd dat wij de waarheid niet in pacht hebben. Als wij over drie jaar een evaluatie houden, kunnen we gebruikmaken van de lessen die wij hebben geleerd. We kunnen gebruikmaken van de pilots die we gaan inrichten om te kijken hoe we een en ander het beste kunnen organiseren. Misschien zijn er nieuwe inzichten in het vak, die we allemaal zullen betrekken bij de evaluatie. Laten wij echter ook de stappen zetten die nodig zijn om nu de beweging in gang te zetten waar we al zo lang over praten, zodat we aan de hand van die stappen ook kunnen kijken hoe we nog verder kunnen verbeteren en de zaak nog beter kunnen inrichten. In de huidige situatie komt de integratie tot stand, omdat we heel goede waarborgen in de wet hebben. Bij mij blijft altijd de bereidheid om in de verdere ontwikkeling van het stelsel te kijken of nog meer veranderingen moeten worden aangebracht. De wereld en de wijsheid staan niet stil.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Zou dat kunnen betekenen dat we na de evaluatie over drie jaar besluiten dat het toch anders moet worden georganiseerd en dat de specialistische jeugd-ggz bijvoorbeeld weer onder de verzekerdenzorg komt te vallen?

Staatssecretaris Van Rijn:

Laten wij nu niet vooruitlopen op de evaluatie. Wij moeten met elkaar een keuze maken op grond van de voorstellen en de voorwaarden die wij nu in de wet hebben neergelegd. Wij doen die evaluatie niet voor niets. De heer Kuiper is erbij – dat hoop ik – en ik ben erbij, hoewel ik dat niet weet. Met elkaar kunnen wij bekijken of we andere keuzes moeten maken of een andere inrichtingen moeten kiezen. We doen die evaluaties niet voor niets, maar ik wil voorkomen dat we de discussie die we al jarenlang voeren over de volgende stap naar de ontwikkeling van het nieuwe jeugdhulpstelsel verhinderen door on-going discussies over hoe het eigenlijk anders had gemoeten. Ik ben het er zeer mee eens dat we oog moeten hebben voor de ontwikkeling van het vak en dat we die ontwikkelingen moeten betrekken bij de evaluatie, maar we moeten een keer dat punt over, en niet blijven praten over hoe het eigenlijk anders kan.

Mevrouw Scholten (D66):

Ik weet dat ik een tweede termijn heb, maar ik heb nog twee vragen die ik in herinnering wil roepen omdat zij van belang zijn voor de tweede termijn. Dat is in de eerste plaats de vraag over de frictiekosten. Ik was niet de enige die daarnaar vroeg en misschien heb ik het antwoord gemist. In de tweede plaats was er de vraag over de knip tussen de Jeugdwet, de Wmo en de langdurige zorg. Wil de staatssecretaris daar heel speciale aandacht besteden aan hoe het zit met kinderen die 18-plus zijn en de weg kwijtraken?

De voorzitter:

Begrijp ik nu goed dat u zei dat de staatssecretaris dat in zijn tweede termijn kan beantwoorden?

Mevrouw Scholten (D66):

Nee, ik zou daarop graag nu een toelichting willen horen zodat ik die in mijn tweede termijn kan verwerken.

De voorzitter:

De heer Beckers sluit daarop aan met zijn vraag?

De heer Beckers (VVD):

Ik sluit daarop niet aan, maar ik heb wel een vraag over een ander onderwerp.

De voorzitter:

Dan geef ik eerst de staatssecretaris de gelegenheid om de vraag van mevrouw Scholten te beantwoorden.

Staatssecretaris Van Rijn:

De kern van de vraag is: wat kunnen ze in Denemarken niet wat wij wel kunnen, of andersom? Dat lijkt net alsof wij pas vandaag beginnen met de discussie over het nieuwe jeugdstelsel. De discussie over het nieuwe jeugdstelsel is natuurlijk al lange tijd bezig. Gemeenten zijn al lange tijd bezig met experimenten en zaken aan de voorkant om ervoor te zorgen dat de jeugdhulp en de jeugdzorg op een andere manier met elkaar verbonden worden. We hebben allerlei parlementaire commissies gehad die gesproken hebben over het zorgstelsel en over het op een andere manier inrichten daarvan. Die discussie begint niet, maar is het resultaat van een discussie die we al langer voeren met elkaar. Dat betekent dat we niet als een soort experiment aan de gang zijn zonder ervaring te hebben met wat al uitgezocht is en met wat in de praktijk al een beetje getoetst is. Ik ben de eerste die zegt dat we nog veel zullen moeten leren, ook bij de implementatie van dit stelsel. Ik ben er echter ook van overtuigd dat die verandering, dat integraal werken aan de voorkant, zal leiden tot het verminderen van versnippering, het eenduidig maken van financiering en bekostiging, en het eenduidig maken van verantwoordelijkheden. Dat levert ook gewoon geld op. Het is zonde dat dat geld nu in het systeem zit in plaats van aan de zorg besteed wordt. Ik ben ervan overtuigd dat de beperkte taakstelling, waarvan veel mensen zeggen "best lastig, maar het moet kunnen", juist in combinatie met die stelselverandering haalbaar en doenlijk moet zijn.

Betekent dat dat alle problemen opgelost zijn? Vast niet. We hebben misschien het voordeel dat we kunnen leren van wat we in Denemarken hebben gezien. Ik wijs erop dat in Nederland niet eerst een grootscheepse reorganisatie van het gemeentelijk stelsel heeft plaatsgevonden waarna het nieuwe jeugdstelsel wordt ingevoerd. Wij zeggen: laten we vanuit de inhoud en de zorg voor de jeugd redeneren en vervolgens kijken welke organisatie daarbij hoort. Dat heeft ertoe geleid dat in Nederland de intergemeentelijke samenwerking een grote impuls heeft gekregen in de afgelopen jaren en maanden. Wij starten niet bij nul. Wij hebben geleerd van de lessen in Denemarken en wij hebben al eigen ervaringen opgedaan, ook in de discussie die we over het jeugdstelsel hebben gevoerd.

Op het punt van de frictiekosten bedoelde ik te zeggen dat dat een integrale afweging is die meegenomen gaat worden door de transitieautoriteit. De frictiekosten kunnen voor een belangrijk deel worden beïnvloed door de inkoopafspraken die worden gemaakt. Ik gaf net een voorbeeld. Er zijn heel grote frictiekosten als wordt gezegd: je krijgt helemaal geen contract meer. Er zijn heel kleine frictiekosten als wordt gezegd: je krijgt ongeveer hetzelfde contract als vorig jaar, maar met een klein beetje eraf. Allereerst zullen dus zodanige afspraken moeten worden gemaakt, wat kan worden bevorderd door zo'n transitieautoriteit, dat er gewoon een handige afspraak wordt gemaakt. Ik heb mij bereid verklaard om in het geval dat zaken toch op de zeef blijven liggen ondanks die handige afspraken, samen met anderen te kijken of daarvoor oplossingen gevonden kunnen worden. Dat doe ik op het moment dat aangetoond is dat er voldoende inspanningen zijn geweest om die frictiekosten tot het uiterste te beperken.

Mevrouw Scholten (D66):

Ik dank de staatssecretaris daarvoor. Het betekent wel dat de beoordeling van de frictiekosten wordt uitgesteld. Juist met het oog op de transitie van volgend jaar komen die frictiekosten in 2014 vol in beeld. Ik vraag mij af of de transitieautoriteit daar dan niet verlaat over oordeelt.

Staatssecretaris Van Rijn:

Daar moeten wij heel snel mee beginnen. Dat inkoopproces inclusief transitiearrangementen is in volle gang. Eind februari komt er een nieuw oordeel van de Transitiecommissie Stelselherziening Jeugd, de commissie-Geluk, over hoe het zit met die transitiearrangementen. Op basis daarvan zullen de onderhandelingen en de gesprekken over de inkoop worden voortgezet. Ik stel mij zo voor halverwege dit jaar zo'n beetje te weten of dat al dan niet loopt. Dat is ook van belang voor de instellingen die tegen die tijd moeten weten hoe de vlag er ongeveer bij hangt. Dat is een proces waarop wij flink druk zullen moeten zetten.

Op het punt van 18-plus het volgende. Er zijn voorbeelden, waarvan de Kinderombudsman er ook een aantal heeft gegeven, waaruit blijkt dat we niet moeten wachten tot kinderen 18 jaar zijn met nadenken over de vraag wat er gebeurt op hun 18de jaar. Kinderen mogen dan niet verdwijnen. De William Schrikker Groep heeft gezegd dat in het huidige stelsel kinderen kwijtraken op het moment dat zij 18 jaar worden. Zij worden geacht ergens opgevangen te worden, maar wij weten niet zeker dat dat echt gebeurt. Dat gebeurt in het huidige stelsel. We moeten dus ertoe overgaan dat voor kinderen die in een instelling zitten, van wie je van tevoren kan zien aankomen dat zij 18 jaar worden, tijdig moet worden bedacht: hoe gaat dat straks? De Kinderombudsman heeft daarvoor een aantal voorstellen gedaan. Hij heeft de suggestie gedaan van het werken met een soort mentorschap. Die voorstellen vind ik interessant en ik zal die graag samen met hem bekijken.

Hetzelfde geldt voor het doorlopen van de zorg nadat iemand 18 jaar wordt. Er zal als het ware een warme overdracht moeten plaatsvinden van het stelsel in het gemeentedomein naar het zorgverzekeringsdomein. VNG en Zorgverzekeraars Nederland zijn nu al bezig met het kijken naar handreikingen en richtlijnen om tot die warme overdracht te komen. Het onderwerp heeft dus zeer onze aandacht, niet alleen de 18-pluskant maar ook de 18-minkant, in de zin van dat er nu al gewerkt moet worden aan de situatie die je ziet aankomen.

De voorzitter:

Ik begrijp dat de heer Becker nog wil interrumperen. Ik begreep dat de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport daarna klaar is met zijn eerste termijn?

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik sluit dat niet uit.

De heer Beckers (VVD):

Die kans is er wellicht maar misschien ook niet. Ik heb in eerste termijn mijn zorg uitgesproken over de democratische kracht. Mogelijk gaat de collega van deze staatssecretaris daarop in. In dat geval kan hij nu inderdaad afsluiten.

De voorzitter:

Daar gaat u niet over mijnheer Beckers. Ik zie aan de lichaamstaal van de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport dat hij dit punt inderdaad overlaat aan zijn collega, de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ik had begrepen dat u eerst nog zou pauzeren, maar dat blijkt niet zo te zijn; we gaan meteen door. Ik zal, in navolging van wat mijn collega reeds heeft opgemerkt, achtereenvolgens spreken over privacy, over de democratische controle waaraan de heer Beckers net refereerde, over de vragen die de heer Kuiper en anderen hebben gesteld over de Landelijk Werkende Instellingen en het Bureau Jeugdzorg, over het gedwongen kader, over de vragen van de GroenLinksfractie en andere fracties over de vreemdelingen en over een paar overige onderwerpen.

Allereerst dank ik de leden voor hun opmerkingen. Op het punt van de privacy weet ik dat de senaat terecht een groot gewicht toekent aan de bescherming van de persoonlijke levenssfeer. Daarvan getuigt ook de motie van senator Franke uit 2011 (31051, D). De senaat heeft hierin een aantal criteria vastgelegd waarin de regering wetsvoorstellen dient te toetsen indien sprake is of kan zijn van beperking van de privacy. Mijn collega en ik hechten eveneens aan waarborgen voor de privacy. Ik heb mij destijds ook positief uitgelaten over die motie. Als ik het wetsvoorstel toets aan de criteria van de motie-Franke c.s., dan kom ik op een positieve uitkomst. Voordat ik die criteria een voor een langsloop, geef ik de Kamer graag mee dat wij de motie-Franke c.s. nadrukkelijk in het algemeen wetgevingsbeleid van het kabinet hebben opgenomen. Een van de uitwerkingen daarvan is dat het uitvoeren van een PIA, een privacy impact assessment, tot standaardverplichting is verheven. Ik kom zo nog te spreken over de PIA's en over het derde criterium van de motie-Franke c.s. Ik kan nu al wel toezeggen dat de gemeenten dat ook zullen laten doen voor de modellen, de systemen – de heer Beckers sprak in zijn inbreng in eerste termijn over systemen – die zij gaan gebruiken. Overigens hebben wij dat nu al gedaan hebben voor de eenmalige gegevensoverdracht.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik hoor de staatssecretaris zeggen dat de gemeenten dit inderdaad zullen gaan doen. Tot nu toe is altijd gezegd dat daar bij de gemeenten op aangedrongen zal worden. Geeft hij hiermee de duidelijke bevestiging dat gemeenten dat inderdaad gaan doen? Wanneer dan?

Staatssecretaris Teeven:

Ik kom daar nog uitgebreid over te spreken, maar ik wil het nu ook best zeggen. De bedoeling is dat de gemeenten in mei aanvangen met de modellen die zij zullen gebruiken en wij in de nazomer de PIA's afronden.

Het eerste criterium van de motie-Franken spreekt over "noodzakelijk", "effectief" en "hanteerbaar". Het doel van het wetsvoorstel: hulp dicht bij de burger met veel ruimte voor professionals, kan alleen worden gerealiseerd als hulpverleners ook daadwerkelijk samenwerken. Samenwerking bij hulpverlening gaat natuurlijk niet zonder onderlinge verstrekking van persoonsgegevens. Mijn collega en ik zijn dan ook van oordeel dat de maatregel noodzakelijk is. Hij is ook effectief omdat integrale hulp meer effect oplevert dan hulp in versnipperde, niet afgestemde vorm. Dat zien wij bijvoorbeeld ook bij de vliegwielprojecten die in het gedwongen kader hebben plaatsgevonden sinds 2012. Het gaat niet alleen om de noodzaak en de effectiviteit, ook de hanteerbaarheid kan alleen adequaat worden beoordeeld als goed in beeld is wie wat mag.

Ik dank de leden van de senaat die ons complimenten hebben gemaakt over de nadere memorie antwoord en het schema dat wij daarin hebben opgenomen. Voor de Jeugdwet hebben wij goed in beeld wie wat mag. In die schema's is vastgelegd wie welke gegevens voor welk doel en op welke grondslag mag verstrekken. Ik kom dan ook tot de conclusie dat het criterium noodzaak, effectiviteit en hanteerbaarheid de toets der kritiek kan doorstaan.

Het tweede criterium van de motie was proportionaliteit. Dat lijkt zich in uw Kamer vooral te vertalen in de vraag of de gemeente niet te veel persoonsgegevens gaat ontvangen en beheren. Ik heb goed geluisterd naar de diverse inbrengen en begrijp heel goed de zorgen op dat punt. Om het probleem in juist proporties te zien, is het ook goed om eerst even stil te staan bij het begrip "gemeente" in deze context. De heer Beckers en anderen hebben dat ook gedaan in hun inbreng. De gemeente, of om nog preciezer te zijn het college, wordt in de nieuwe situatie verantwoordelijk voor de uitvoering van het hele jeugdstelsel, van preventie tot gedwongen kader. Het college doet dat natuurlijk niet zelf. Dat gebeurt door de professionals zoals deskundigen die werken bij de toegang, de jeugdhulpaanbieders, de AMHK en de gecertificeerde instellingen. Die professionals kunnen werken bij een afzonderlijke instelling maar zij kunnen ook in dienst zijn bij de gemeente. Daarmee worden zij dan niet ineens "die anonieme gemeenteambtenaar", maar blijven ze ook jeugdhulpverlener. Gemeenteambtenaren die niet als jeugdhulpverlener werken, hebben geen toegang tot deze privacygevoelige informatie.

Voor de toets aan het criterium voor proportionaliteit is het van belang dat ouders en kinderen in verreweg de meeste gevallen een beroep zullen doen op jeugdhulp. Uitgangspunt van de wet is dat zij zelf de regie voeren en dus ook zelf de regie hebben over hun persoonsgegevens. Dat heeft mijn collega zojuist ook al gezegd. In goed overleg met de jongere en het gezin zal worden bekeken welke hulp nodig is, welke andere professionals daarbij worden betrokken en welke persoonsgegevens hiervoor moeten worden verstrekt. Hier is het verlenen van toestemming voor het uitwisselen van gegevens tussen verschillende professionals geen punt van onenigheid of spanning. Betrokkenen zien de meerwaarde van de samenwerking tussen hulpverleners en zullen daarom ook vaak instemming met de verstrekking van de gegevens. Dat proeven wij ook als wij spreken met het veld.

Voorwaarde is natuurlijk dat oudere en kind vooraf worden geïnformeerd over deze verstrekking. Hulpverleners moeten hieraan expliciet aandacht schenken in individuele gevallen. Van de instellingen waarbij zij in dienst zijn, verwachten wij dat zij hun privacybeleid vaststellen en naar buiten brengen op hun websites. De Wet bescherming persoonsgegevens moet worden nageleefd. Hier geldt dan ook duidelijk dat persoonsgegevens bij de professional blijven en niet zonder toestemming van de betrokkene met anderen op het gemeentehuis worden gedeeld, ook niet, zo zeg ik nadrukkelijk, voor wat wel wordt genoemd "domeinoverstijgende" doeleinden.

Dan kom ik op het derde punt, dat ook mevrouw Slagter zojuist aanhaalde. Wat is het tijdpad en om welke PIA's gaat het dan? Een PIA is een goed instrument om de privacyaspecten en de daarmee samenhangende risico's in kaart te brengen. Wanneer door de rijksoverheid nieuwe gegevensverwerkingen worden gestart, zal op grond van het derde criterium van de motie-Franken de verantwoordelijke bewindspersoon een dergelijk assessment laten uitvoeren. Dat is ook het geval geweest met de eenmalige gegevensoverdracht en die PIA heeft geleid tot een vijftiental aanbevelingen die ook allemaal integraal zijn overgenomen.

Mede naar aanleiding van de door uw Kamer geuite zorgen over de privacyaspecten hebben mijn collega en ik besloten PIA's te laten uitvoeren voor de scenario's – de modellen voor de gegevensverwerking binnen de Jeugdwet –, aan de hand waarvan de gemeente haar uit de Jeugdwet voortvloeiende taken zal gaan inrichten. Die scenario's worden ontwikkeld door de gemeenten en zullen vervolgens aan PIA's onderworpen worden. Dat heeft mevrouw Slagter goed gehoord. Het plan is om die PIA's in mei te laten uitvoeren. Wij zullen de Kamer in de nazomer per brief berichten over de uitkomsten. Zo kunnen gemeenten ook zien waar de goede en de zwakke plekken zitten en kunnen zij deze verbeteren in hun modellen en scenario's. Als blijkt dat er onvolkomenheden zitten in de inrichting en de uitvoering op lokaal niveau, kunnen wij, als de gemeente niet bereid zou zijn om een bepaald scenario aan te passen, proberen die gemeente te overtuigen. Als het helemaal niet anders kan, zouden wij, gezien het feit dat gegevensbescherming een belangrijk criterium is, op dat punt een aanwijzing kunnen geven.

Mevrouw Scholten (D66):

Begrijp ik het goed dat de scenario's door de regering worden aangeleverd, of komen die uit de gemeenten zelf?

Staatssecretaris Teeven:

Gemeenten hebben een bepaalde mate van vrijheid hoe zij die gaan inrichten. Gemeenten zijn nu bezig met de modellen aan de hand waarvan zij die gegevens gaan uitwisselen. Mevrouw Scholten heeft zelf ook verwezen naar het schema dat wij in de nadere memorie van antwoord hebben opgenomen. Gemeenten weten wie wat kan krijgen. Zij gaan werken aan die modellen. Wij verwachten dat dit zal leiden tot vijf, zes of zeven modellen van onderop. Als die modellen er zijn, gaan wij de PIA's starten. Dat kan dan in de nazomer leiden tot verbeteringen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik begrijp dat duidelijk is wat wel en niet mag. Dat bleek ook uit de schema's. Ik heb in mijn bijdrage gezegd dat niet alleen belangrijk is wat niet mag, maar ook wat wel en niet kan. Dat was onder andere een deel van de discussie die hier gevoerd is over het EPD en LSP. Welke schotten zijn er de facto aangebracht, niet alleen om te voorkomen dat mensen iets niet doen omdat het niet mag, maar ook om ervoor te zorgen dat het gewoon niet kan gebeuren? In dat kader heb ik een vraag. Wij zien dat er lokaal of regionaal kleinere schakelpunten gemaakt worden waarbij de mogelijkheid om die informatie uit te wisselen juist wel gecreëerd wordt. Dan is wellicht een begrenzing als verbod onvoldoende?

Ik heb nog een zijvraag. Komen er ook notificaties waardoor je kunt weten dat iemand je gegevens inziet?

Staatssecretaris Teeven:

Ik kom direct terug op de laatste vraag van de heer Ganzevoort. Daarover zijn door verschillende leden vragen gesteld.

Naar aanleiding van wat de heer Ganzevoort zei over het eerste onderwerp, ook anderen hebben daaraan aandacht besteed in hun termijn, merk ik op dat wij vanuit de transitiecommissie een handzame privacy-informatiefolder verstrekken aan de gemeenten. Daarin zullen wij precies aangeven hoe zij het schema moeten lezen. Zoals mevrouw Beuving zei in haar eerste termijn, is dat een vrij ingewikkelde technische materie met de Wet bescherming persoonsgegevens en hoe deze koppelt met de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst, de Wet BIG, de Jeugdwet en de Wmo. Wij zullen dus aan de gemeenten aanreiken hoe die modellen verder vorm zouden kunnen worden gegeven. Dat is erg van belang, want anders stuur je de mensen een beetje een bos in met een opdracht die heel moeilijk te vervullen is.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Mijn vraag betrof iets meer de informatietechnische aspecten van de zaak. Hoe zorg je er bij het inrichten van je informatievoorziening voor het dat het fysiek in het systeem onmogelijk is om aan informatie te komen waaraan je niet mag komen?

Staatssecretaris Teeven:

Dat blijkt nu juist bij die PIA's. Je kunt PIA's langs twee wegen doen. Je kunt "privacy by design" doen, waarbij je het in de PIA vlecht en je een model krijgt waarin je meteen de technische onvolkomenheden constateert. Je kunt ook zeggen dat bepaalde fouten er niet in mogen zitten: "privacy by default". Dan zeg je op voorhand al welke fouten je niet wilt hebben en dat het systeem dus daarop moet worden ingericht. Dat is de essentie. Als de gemeenten zelf een model hebben, willen wij graag dat die PIA's worden uitgevoerd omdat wij dan de systeemfouten eruit kunnen halen. Het is nu aan de gemeenten om daar vorm aan te geven. Dat zal niet in die 42 regio's – voor het gedwongen kader is dat een geringer aantal – overal op dezelfde wijze gebeuren.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik heb ook nog een vraag aan de staatssecretaris. Hij heeft het over verschillende systemen, een stuk of zes meen ik dat hij zei. Bestaan die systemen al? Is dat iets wat dan verder wordt uitgebouwd? De staatssecretaris zei net ook dat er in het gedwongen kader misschien minder regio's zijn. Het is mij niet helemaal duidelijk hoe dat dan op gemeentelijk niveau gaat. Er worden toch ook al van tevoren eisen aan die systemen gesteld? Misschien blijkt in de loop van het jaar dat het allemaal niet zo werkt als het zou moeten werken. Mijn ervaring met ICT-systemen is dat ze meestal helemaal niet werken zoals je gedacht had en dat het altijd veel duurder wordt dan je ooit had gehoopt. Hoe kijkt de staatssecretaris daar tegenaan?

Staatssecretaris Teeven:

Ik begrijp dat mevrouw Slagter bij "systeem" meteen denkt aan een technisch systeem. Als ik over systemen praat, praat ik echter ook over modellen voor het inrichten van de informatiedeling. Het hoeft niet alleen het technische systeem te betreffen waar ik zojuist met de heer Ganzevoort over sprak. Het moet echter wel, zoals gezegd, van onderop komen. Ik vind dat gemeenten, in navolging van wat mijn collega heeft gezegd, daar zelf invulling aan moeten geven. Ik ben daar eigenlijk net zo optimistisch over als de heer Beckers in zijn inbreng. Ik vind dat wij nu eerst ruimte moeten geven aan de gemeenten, al dan niet in bovenregionale samenwerkingsverbanden als het over het gedwongen kader gaat. Die regio's zijn er natuurlijk al. Het kaartje van 42 regio's ziet er wat anders uit als je naar het gedwongen kader kijkt. Je moet die gemeenten of die samenwerkingsverbanden wel de kans geven om dat op een bepaalde manier in te richten.

Ik schakel gelijk door naar het vierde criterium van de motie-Franken, dat gaat over toezicht en controle. Dat is precies de vinger aan de pols die het kabinet wel wil houden. Dat doen wij door de uitvoering te monitoren. Ik sprak al over de transitiecommissie. Die zullen wij vragen om dit te monitoren tot de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel, per 1 januari aanstaande. In overleg met de minister van BZK zal ik een onafhankelijke toezichtsgroep benoemen die audits zal uitvoeren na de inwerkingtreding van het wetsvoorstel. Dan laten wij dat dus niet los.

In navolging van wat mijn collega hierover zei, zeg ik: dit is het begin. Wij zullen de uitvoering dus ook na 1 januari blijven volgen. Als wij op dat punt misstanden of problemen signaleren – ik kan het eigenlijk niet beter zeggen dan in de motie staat en wat de senaat eigenlijk als criteria heeft geschetst – zullen wij in actie komen en zullen wij bezien of een aanwijzing en in het uiterste geval een wetswijziging noodzakelijk is om iets te repareren. Ik wijs er ook op dat er het College bescherming persoonsgegevens als onafhankelijk toezichthouder zo nodig kan ingrijpen. Ik heb toevallig afgelopen week de voorzitter van het CBP hierop gewezen. Ik heb gezegd dat er al allerlei zaken zijn waar hij naar moet kijken. Dat zal men natuurlijk gaan doen. Ik denk dat op die manier wordt voldaan aan het effectieve toezicht en de controle die in de motie zijn genoemd.

Tot slot is er de evaluatiebepaling ten aanzien van privacybescherming. Die aspecten zullen conform hetgeen de motie daarover zegt worden meegenomen. Ik denk dat het kabinet op die manier serieus inhoud geeft aan wat de Senaat in 2011 – ik kan mij die discussie over privacy nog heel sterk herinneren en de Kamer waarschijnlijk ook – wenste.

Ik kom nu aan de beantwoording van een aantal heel specifieke vragen over privacy. Mevrouw Frijters vroeg: gemeenten hebben toch geen gegevens nodig van cliënten die in 2015 geen vervolgzorg hebben? Dat is een heel concrete vraag. Ik ga ervan uit dat zij daarmee doelt op de eenmalige gegevensoverdracht. Het klopt dat gegevens van cliënten die op grond van het overgangsrecht geen verlenging van zorg nodig hebben ook niet overgedragen zullen worden. Er is geen concrete reden om dat te doen.

Mevrouw Frijters vroeg voorts waar de grens ligt bij het delen en het inzien van gegevens. Wat nu niet mag worden uitgewisseld of gedeeld, mag ook na inwerkingtreding van het wetsvoorstel Wet gebruik burgerservicenummer in de jeugdzorg niet worden uitgewisseld of gedeeld. Het wetsvoorstel introduceert geen nieuw systeem waarmee gegevens kunnen worden uitgewisseld of gedeeld. Het wijzigt ook niet de groep van personen die bepaalde gegevens mogen uitwisselen, net zo min als de gegevensset die met het burgerservicenummer mag worden uitgewisseld. Daar kan ik dus helder over zijn.

De heer Beckers heeft, net als mevrouw Beuving en anderen, gevraagd of ik dat overzicht – ik zei net al iets over die gegevensuitwisselingen – ter beschikking ga stellen aan gemeenten. Wij zullen de schema's uit de memorie van antwoord en de nadere memorie van antwoord – ik kom straks nog even op de opmerkingen van de KNMG hierover – scherp doorlopen en waar nodig preciseren en verduidelijken. Vervolgens zullen wij ze ter beschikking stellen aan het Transitiebureau. Wij zullen daarnaast iets als een privacy-informatiefolder – laten wij die afkorten tot pif – voor medewerkers van gemeenten ter beschikking stellen aan het Transitiebureau. Het lijkt mij belangrijk om dat concreet te doen.

De heer Beckers vroeg, net als mevrouw Slagter, op welke manier gemeenten zorg gaan dragen voor die informatiebeveiliging. Hij vroeg ook of gemeenten verplicht kunnen worden gesteld om een informatieveiligheidsbeleid vast te stellen en daarover regelmatig te rapporteren aan de gemeenteraad. Ik deel de zorg van de senatoren over een afdoende beveiliging van gegevensbestanden die in handen zijn van gemeenten en zorginstellingen. Die moeten wij inhoud geven aan de hand van een algemeen en uniform normenkader. Ik kan daar de Kamer het volgende over melden. De VNG is op dit moment gestart met een programma over informatievoorziening in het sociaal domein. Gemeenten hebben hier ongeveer 8 miljoen voor vrijgemaakt. Privacybeveiliging is een belangrijk onderdeel van dit programma.

In de resolutie over informatieveiligheid van de VNG, die is aangenomen door de brede algemene ledenvergadering van de VNG, is een aantal zaken bepaald. Gemeenten zullen zorgen voor een verankering van informatieveiligheid op de gemeentelijke agenda, waarbij het college de gemeenteraad zal informeren. Gemeenten zullen ook een Baseline Informatiebeveiliging Nederlandse Gemeenten vaststellen, die als gemeentelijk basisnormenkader voor informatieveiligheid kan fungeren. Zij stellen ook een informatieveiligheidsbeleid vast aan de hand van die Baseline Informatiebeveiliging Nederlandse Gemeenten.

Teneinde de naleving en de uitvoering van die resolutie te stimuleren en het bewustzijn over informatiebeveiliging bij gemeenten te vergroten, heeft de minister van BZK vorig jaar de Taskforce Bestuur en Informatieveiligheid Dienstverlening ingesteld. Hiermee worden voor een groot deel de suggesties overgenomen die de VVD-fractie in dit debat heeft gedaan.

Mevrouw Beuving en mevrouw Slagter hebben aandacht gevraagd voor mijn reactie op de stelling van de KNMG dat in de nadere memorie van antwoord geen juiste grondslag is vermeld voor de gegevensverstrekking door artsen aan andere hulpverleners. De KNMG stelt dat de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst leidend zou moeten zijn. Ik kan bevestigen dat de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst voor medici leidend is. Dat betekent echter niet dat die wet het enige wettelijke kader vormt voor het verstrekken van gegevens. Zoals mevrouw Beuving in haar termijn al zei, is het vrij technisch. De tabel in de nadere memorie van antwoord is opgesteld met als uitgangspunt dat de Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) de algemeen geldende regeling is voor de verzameling en verstrekking van persoonsgegevens. Wat in het Burgerlijk Wetboek wordt geregeld, de geneeskundige behandelingsovereenkomst, is aanvullend daarop en komt niet in de plaats van de Wbp, zoals de KNMG lijkt te suggereren in haar brief. De Wet bescherming persoonsgegevens is een gesloten stelsel met maar weinig uitzonderingen. Waaruit blijkt dat? De verzameling en verstrekking van medische gegevens vindt primair zijn basis in artikel 21, lid 1, onder a. Daarin staat een algemene regeling voor de verwerking door alle beroepsbeoefenaren, die ook de verstrekkingsrechten en -plichten omvat, zoals terecht genoemd in de tabel in de nadere memorie van antwoord.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Met het risico dat we nu heel technisch-juridisch worden, lijkt het me goed om, in aansluiting op de punten die KNMG noemde, het signaal mee te geven dat de Wbp niet een zodanig gesloten systeem is dat het helemaal los van de WGBO kan worden gezien. Ik wijs alleen al op het feit dat in artikel 9, lid 4 – ik zeg het even uit mijn hoofd – van de Wbp staat dat de bepalingen van de Wbp niet afdoen aan het medisch beroepsgeheim. Ik heb het op cursussen wel eens gezegd: ook al schaf je de hele Wbp af, dan nog helpt dat niet als je een kwestie hebt vanwege een beroepsgeheim. Welke bepaling in de Wbp je ook te pakken hebt, welke grondslag je ook hebt, dat laat onverlet dat je te maken kunt hebben met het medisch beroepsgeheim als een dergelijke kwestie, namelijk een verstrekking door een arts, zich aandient. Sowieso moet je zoeken naar gronden uit de Wbp, maar daarnaast moet je altijd kijken of je een grond op basis van de WGBO hebt: een bij de behandeling betrokken persoon, toestemming, een wettelijke plicht of een conflict van plichten. Dat artikel 9, lid 4, veroorzaakt dat.

Staatssecretaris Teeven:

Het is een voorrecht om die specialistische discussie met senator Beuving te voeren. Ik was nog niet helemaal klaar. Artikel 21, lid 2, van de Wet bescherming persoonsgegevens moet je daar wel nadrukkelijk bij betrekken. Daaruit vloeit precies voort wat mevrouw Beuving zegt, namelijk dat het medisch beroepsgeheim gewoon geldt, met inbegrip van de daarvan deel uitmakende regeling voor uitdrukkelijke toestemming. Daarin wordt dus de uitzondering die de senator net in haar interruptie noemde, nadrukkelijk genoemd. Ik suggereer het tegendeel ook niet. Ik zeg dat het klopt, dat het blijkt uit artikel 21, lid 2. En om het dan helemaal af te maken: dan kom je vervolgens ook niet meer toe aan artikel 23, onder a, van de Wet bescherming persoonsgegevens. Het is goed bij de totstandkoming van de wet, en ook ten aanzien van de gegevensbescherming, dat we dit met elkaar hebben gewisseld. Ik kan helemaal bevestigen wat mevrouw Beuving daarover zei. Het is echter niet alleen de Wet op de geneeskundige behandelingsovereenkomst. Dat is een te beperkte opvatting. Het is en-en. Ik zie uit de non-verbale reactie van mevrouw Beuving dat ik een puntje scoor.

Mevrouw Beuving heeft mij gevraagd wat mijn reactie is op de stelling dat het in tabel 3 genoemde artikel 8, onder c, van de Wbp geen juiste grondslag vormt voor het verstrekken van gegevens door een hulpverlener aan de Raad voor de Kinderbescherming. Dat is een andere discussie. De suggestie van de KNMG is dat er alleen sprake is van een bevoegdheid en niet van een wettelijke verplichting tot het verstrekken van gegevens aan de Raad voor de Kinderbescherming en dat daarom een andere grondslag zou moeten worden aanvaard, althans zo lees ik het in de brief. Inderdaad kun je ook een beroep doen op artikel 8, onder e, van de Wet bescherming persoonsgegevens voor de verstrekking van de gegevens door een hulpverlener aan de raad. Alleen, dan spreek je niet over een wettelijke verplichting voor de verstrekker maar meer over een taakopvatting van de ontvanger. Dat is een ander verhaal.

Wat bij deze invulactie de doorslag heeft gegeven bij het schema in de nadere memorie van antwoord, is dat onder omstandigheden op individueel niveau wel degelijk sprake is van een verplichting voor de hulpverlener tot het inschakelen van de Raad voor de Kinderbescherming, namelijk als er actie van de raad moet volgen. De KNMG zegt dat zelf ook. De professionaliteit brengt in een dergelijke omstandigheid, bijvoorbeeld als kindermishandeling dreigt, de verplichting tot verstrekking met zich. Het gaat dan niet om een meldplicht, maar soms moet een hulpverlener zijn beroepsgeheim doorbreken in het belang van het kind.

De voorzitter:

Een korte interruptie, mevrouw Beuving.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Alleen om te zeggen dat de staatssecretaris van V en J qua juridische deskundigheid nog meer in mijn achting stijgt dan hij al stond. Ik ben onder de indruk van de juridische gedetailleerdheid waarmee hij op de kwestie ingaat. Eigenlijk was de strekking van mijn punt naar aanleiding van de brief van de KNMG vooral dat dit illustreert hoe ongelooflijk complex de materie is. Ik zeg dit nog los van de vraag of de punten van de KNMG allemaal 100% kloppen. Over sommige onderdelen kun je wellicht nog een discussie, wellicht meer dan een discussie, voeren. Dat is nu adequaat geïllustreerd. Die complexiteit van de materie, dat is mijn punt. Straks moeten ambtenaren bij gemeenten en andere personen die met die gegevens moeten omgaan, hiermee werken. Die kwestie is alleen maar duidelijker geworden door de prachtige uiteenzetting van de staatssecretaris zojuist.

De voorzitter:

Dit was geen vraag, zo begrijp ik. Het was een adhesiebetuiging.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ziet de staatssecretaris dat ook? Ik wil voorkomen dat de staatssecretaris meent de handschoen nog meer te moeten oppakken met al die detailpunten.

Staatssecretaris Teeven:

Ik voel me daartoe wel een beetje verplicht, omdat niet alleen mevrouw Beuving maar ook mevrouw Slagter er een punt van heeft gemaakt. Ook mevrouw Slagter heeft mij gewezen op de brief van de KNMG. Ik ben het met mevrouw Beuving eens dat dit wel duidelijk maakt dat je een goede privacy-informatiefolder (pif) moet verstrekken aan gemeenten, waarin je met betrekking tot dit soort onderwerpen in iets makkelijker Nederlands nog wel eens even moet uitleggen hoe het precies zit. We zijn het overigens volstrekt eens. Ten aanzien van de communicatie, waarover mevrouw Beuving ook sprak tegen mijn collega, moeten we beiden de handschoen oppakken, ieder op het eigen terrein. Dit is zo'n onderdeel waarbij communicatie richting gemeenten heel belangrijk is.

De voorzitter:

Tot slot, en kort graag, mevrouw Beuving.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Ik zal proberen om het meteen als een vraag te formuleren: denkt de staatssecretaris ook niet dat wat dit betreft naast folders, wat een beetje beperkt klinkt, ook moet worden geïnvesteerd in scholing, in echt voldoende deskundigheid en knowhow op dit gebied bij gemeenten en bij de VNG?

Staatssecretaris Teeven:

Jazeker, maar ik heb daar net al een beetje een antwoord op gegeven. Ik heb namelijk gezegd dat de transitiecommissie nadrukkelijk ook dit onderdeel zal volgen. Het hoort ook helemaal bij wat in de motie-Franken is vastgelegd, namelijk het auditen van wat er gebeurt en het blijven volgen daarvan ook na 1 januari 2015.

Ten slotte was mij door de beide senatoren een reactie gevraagd op de stelling van de KNMG dat artikel 12a van de Wmo geen grondslag voor de verstrekking van gegevens door een arts aan het AMHK kan zijn, omdat dat artikel slechts een bevoegdheid en niet een verplichting tot verstrekking van gegevens regelt. Dat klopt, maar we hebben getracht om de Kamer een volledig overzicht te geven. Daarom is in dit geval niet alleen de basis voor verstrekking weergegeven maar ook de basis voor verwerking door het AMHK, dus door de ontvanger, zoals ik net al zei. Ik wil het echter best bevestigen. Ik neem aan dat de KNMG meeluistert. Ik denk dat de essentie van de opmerking van de KNMG is dat er geen meldplicht bestaat. Die is er dus nadrukkelijk niet.

Mevrouw Beuving, mevrouw Slagter en anderen hebben opmerkingen gemaakt over de werkgroep van het ministerie van Binnenlandse Zaken die op dit moment onderzoekt of de huidige wettelijke kaders volstaan of dat er een overkoepelende wettelijke regeling nodig is voor gegevensuitwisseling tussen de domeinen. Gevraagd is onder andere wat de stand van zaken in het onderzoek van de werkgroep van het ministerie van Binnenlandse Zaken is. Het onderzoek van de werkgroep zit in de eindfase. Ik heb me even verstaan met de collega van Binnenlandse Zaken. In februari wordt de conceptbeleidsvisie gemaakt in de ambtelijke commissie die alle decentralisaties bespreekt. Daarna vindt er een consultatieronde plaats met mensen uit gemeenten, experts en hulpverlenende instanties. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties verwacht uiterlijk in mei een visie naar de Tweede Kamer te sturen. Daarbij zullen de collega van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en ik nadrukkelijk worden betrokken.

Mevrouw Beuving heeft gevraagd of het verruimen van de mogelijkheid van domeinoverstijgende gegevensuitwisseling het wantrouwen niet vergroot dat al te veel jegens gemeenten heerst in de in dit wetsvoorstel beoogde rol. Laat ik hierover duidelijk zijn. Een verruiming van de mogelijkheden voor domeinoverstijgende gegevensuitwisseling is nu nadrukkelijk niet aan de orde. Laten wij daarover volstrekt helder zijn. Je hebt er ook een wetswijziging voor nodig. Ik had het bij de beantwoording dan ook over noodzakelijkheid en niet over wenselijkheid. Dat wil zeggen dat er in geval van wenselijkheid dingen fout zullen gaan als die gegevens niet worden gedeeld. Als de noodzaak tot het uitwisselen van gegevens inderdaad blijkt te bestaan, moet er een solide wettelijke grondslag komen voor de domeinoverstijgende gegevensuitwisseling. Daarvoor moet ook weer een PIA worden gemaakt. Ik zeg de Kamer toe dat het kabinet het op die manier zal doen en niet anders.

Ik heb al gesproken over de wenselijkheid en noodzakelijkheid dat gemeenten een PIA op gemeentelijk niveau zullen uitvoeren.

De heer Ganzevoort heeft mij gevraagd hoe gewaarborgd is dat personen zelf bepalen welke gegevens over hem of haar worden verstrekt. Toestemming van betrokkene voor de verwerking en de uitwisseling van gegevens is aan de orde in alle situaties waarin vrijwilligheid ten grondslag ligt aan de hulpvraag en de gang naar de hulpverlener. In die situatie moet er toestemming worden verleend voor de verwerking en uitwisseling van gegevens. Dit staat in artikel 7.3.11. Indien het gaat om medische of strafrechtelijke gegevens is uitdrukkelijke toestemming nodig. In sommige situaties worden gegevens buiten toestemming verwerkt, maar daarvoor moet een wettelijke grondslag zijn. Dit regelen we in een aantal gevallen in dit wetsvoorstel, maar soms ook in andere wetsvoorstellen. Ik wijs bijvoorbeeld op de Wet forensische zorg die nog moet worden behandeld in de Eerste Kamer. Daarin doet zich de omstandigheid voor dat buiten toestemming van betrokkene gegevens kunnen worden uitgewisseld.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik versta dat. Is er in die gevallen ook sprake van notificatie? Krijgen mensen te horen wanneer hun gegevens worden ingezien en vooral ook wanneer die worden aangepast of gewijzigd?

Staatssecretaris Teeven:

Een jeugdige heeft recht op inzage in en een afschrift van het dossier dat hulpverleners over hem bijhouden. Een verzoek daartoe moet hij richten aan de jeugdhulpverlener. Dat staat in artikel 7.3.10, voor de fijnproevers. De jeugdige en zijn ouders hebben op grond van artikel 36 Wpb het recht om bij diezelfde instanties te vragen om correctie van de door hun verwerkte gegevens. Met correcties bedoel ik het verbeteren, aanvullen, verwijderen of afschermen van gegevens, indien die feitelijk onjuist blijken te zijn. Dan kun je die dus corrigeren. Tevens heeft de jeugdige recht op inzage in de over hem verwerkte persoonsgegevens in de verwijsindex, waarover we vandaag ook al hebben gesproken. Dat staat in artikel 35 van de Wet bescherming persoonsgegevens. Een verzoek daartoe moet hij richten aan het college van de gemeente. Dat is weer geregeld in artikel 7.1.2.2.2, derde lid van het wetsvoorstel.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

U hebt heel erg veel geregeld, maar ik vroeg ook om notificatie.

Staatssecretaris Teeven:

Zeker, dat zal ook gebeuren. Iemand heeft recht op inzage. Notificeren, dus het actief informeren van de betrokkene over inzage in het dossier door derden, is natuurlijk een ander verhaal. In bepaalde omstandigheden kan er belang bij bestaan dat er niet wordt genotificeerd.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Kan de jeugdige of zijn vertegenwoordiger die inzage in zijn dossier heeft, wel zien wie er toegang toe heeft gehad en wie er iets in heeft aangepast?

Staatssecretaris Teeven:

Ja, dat kan hij zien, maar of je in alle omstandigheden notificeert, hangt natuurlijk af van wat je concreet met de informatie doet.

De voorzitter:

Tot slot, mijnheer Ganzevoort.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Daarover spreekt u zich uit in het strafrecht?

Staatssecretaris Teeven:

Ja, zeker.

De heer Ganzevoort heeft daarover overigens nog een vraag gesteld, dus laat ik even helder over die notificatie zijn. Nu gaan de gemeenten aan de gang met het ontwerpen van die modellen, die structuren waarlangs ze gegevens uitwisselen. Ik denk dat we de uitkomsten van de PIA's moeten afwachten om te zien of inzage door derden met aanvullende waarborgen op plaatselijk niveau kunnen worden afgedekt. Is dat niet zo, dan zullen we nadere maatregelen moeten nemen. In sommige omstandigheden zal je derden wel inzage moeten geven. Er zijn wel omstandigheden te bedenken. Als dat niet voldoende kan, zullen we daar nadere maatregelen voor moeten nemen. Dat zal dus uit die PIA's blijken. Dan blijkt hoe gemeenten dat daadwerkelijk gaan doen en hoe zij dat binnen het kader van deze wet voor zich zien.

De heer Kuiper heeft gevraagd hoe er wordt toegezien op de regels voor het koppelen van gegevens. Wanneer gegevens mogen worden verstrekt over anderen dan degenen die deze primair hebben ontvangen, dan is dat in dit wetsvoorstel goed geregeld. Dit staat ook in de (nadere) memorie van antwoord. Wij houden daar op verschillende manieren toezicht op. Tot de inwerkingtreding van de wet is er de transitiecommissie, die aan de staatssecretaris van VWS en aan mij rapporteert. Beide Kamers krijgen daarvan bericht. Na de inwerkingtreding van de wet zullen er audits worden uitgevoerd. Als dan uit de systemen naar voren komt dat er problemen zijn, zal er moeten worden ingegrepen. Wij gaan ervan uit dat gemeenten dat in navolging van het positivisme dat bij de VVD-fractie, bij mij en mijn collega bestaat, zelf zullen doen. Zo niet, dan zullen we op dit punt, kijkend naar de wet, met een aanwijzing moeten komen. Uiteraard hebben we daarnaast het externe toezicht van het College bescherming persoonsgegevens.

De heer Kuiper had interesse in het gebruik van de verwijsindex risicojongeren, die nog maar een jaar of vijf geleden is ingevoerd. Hij vroeg hoe de regering tegen dat instrument aan keek. Eind 2012 heeft mijn collega een tussenevaluatie van de verwijsindex naar de Tweede Kamer gestuurd. Uit die tussenevaluatie blijkt dat werken met de verwijsindex in ieder geval een duidelijke meerwaarde heeft als het gaat om de bovenregionale component en het in het zicht houden van jeugdigen in geval van verhuizingen of zorgmijdend gedrag. Uit de tussenevaluatie blijkt ook dat professionals de meerwaarde van de verwijsindex minder ervaren waar het gaat om het leggen en onderhouden van contacten en het afstemmen met andere professionals binnen de regio. Zij zeggen bijvoorbeeld dat de casusoverleggen binnen de veiligheidsregio's een geschikter gremium en medium zijn. Verder ervaren professionals een drempel om te melden, omdat zij soms bang zijn om het vertrouwen van de ouders of de jeugdige te schenden en ook omdat zij niet goed weten wanneer een melding al dan niet opportuun is. Wij hebben dat allemaal met de VNG gewisseld. De verwijsindex zal in het najaar van 2014 breed worden geëvalueerd. Die evaluatie wordt binnenkort door het ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport opgestart.

De heer De Lange van de Onafhankelijke Senaatsfractie heeft mij gevraagd of het wetsvoorstel voorziet in voldoende bescherming van alle gegevens die moeten worden verwerkt. In de jeugdzorg is natuurlijk sprake van heel veel disciplines. Heel veel professionals zullen met elkaar moeten samenwerken. Voor die samenwerking zijn persoonsgegevens nodig. Mij lijkt dat er dankzij dit wetsvoorstel voor is gezorgd dat die gegevensoverdrachten goed zijn geregeld. We zullen de feitelijke uitwisseling van die gegevens nog wel moeten afdekken met de PIA's, dus de privacy impact assessments, en met de monitoring en de audits, waarover ik heb gesproken.

Mevrouw Scholten stelde op dit punt de heel specifieke vraag of het Rijk op enig moment, mocht het met de PIA's niet goed lopen, nog de aanwijzing moet geven dat gemeenten uniform met privacy omgaan, dus allemaal op dezelfde wijze. Wij gaan, zoals gezegd, niet uit van een uniform model. Gemeenten hebben op dat punt beleidsvrijheid. Als de uitkomsten van PIA's in de nazomer niet worden geaccepteerd, zullen we die aanwijzing uiteraard wel geven. Dan heb je feitelijk immers een probleem.

Mevrouw Scholten heeft gezegd dat er voor zover bekend door gemeenten geen bewaartermijn voor gegevens is vastgelegd. Wat is de bewaartermijn? In gevolge artikel 10 van de Wet bescherming persoonsgegevens mogen de persoonsgegevens niet langer mogen bewaard dan noodzakelijk. De algemene norm is voor de jeugdhulpverlener en de medewerker van de gecertificeerde instelling ingevuld. Artikel 7.3.8 bepaalt dat zij het dossier gedurende vijftien jaar bewaren. Die termijn geldt ook voor de taken die de jeugdhulpverlener voor de gemeente uitvoert. Gelet op het doel waarvoor die gegevens door de gemeente worden verwerkt, financiering, ligt het niet voor de hand dat gegevens langer worden bewaard dan nodig is voor de afwikkeling van een factuur en de verantwoording daarover. Dat is bij de financiële verwerking veel korter dan vijftien jaar. De gegevens die de gemeente in het kader van de eenmalige gegevensoverdracht heeft gekregen, moet ze uiterlijk een jaar na inwerkingtreding vernietigen, indien deze niet meer noodzakelijk zijn voor de uitvoering van een aansluitende voorziening.

De heer Beckers heeft naar aanleiding van het overzicht in de nadere memorie van antwoord over de verwerking van persoonsgegevens nog een vraag gesteld over de geheimhoudingsplicht van jeugdhulpverleners en hun vervangers als het gaat om het dossier. Op grond van artikel 7.3.11 van de Jeugdwet en artikel 457 van Boek 7 BW mag zonder toestemming van de betrokkenen geen informatie uit het dossier worden gedeeld met derden. Voor iemand die als vervanger van de hulpverlener optreedt, geldt daarop een uitzondering, voor zover de verstrekking noodzakelijk is voor de door hen in dat kader te verrichten werkzaamheden. De bepalingen over het inrichten van een dossier zien op de jeugdhulpverleners, en voor eventuele vervangers gelden exact dezelfde regels als voor de geheimhoudingsplicht. Doorgaans, maar niet altijd, zal een vervanger afkomstig zijn uit dezelfde organisatie, maar bijvoorbeeld in crisessituaties kan het denkbaar zijn dat een professional uit een andere organisatie als vervanger optreedt. Ook in dat geval gaat het om een jeugdhulpverlener en is de vervanger gehouden aan dezelfde regels over de geheimhoudingsplicht.

Ik heb al gesproken over de informatieveiligheidsagenda, waarmee de minister van BZK bezig is. Verder heb ik al gesproken over het informatieveiligheidsbeleid van de gemeenten. Daarmee heb ik alle vragen over privacy beantwoord.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Zijn de gegevens die bij gemeenten berusten onder verwijzing naar de WOB opvraagbaar?

Staatssecretaris Teeven:

U krijgt dat antwoord in tweede termijn.

Ik kom toe aan vragen over democratische controle. Mevrouw Beuving vroeg of wij het beeld van een dwingende, almachtige, alwetende overheid naar het rijk der angst, zijnde fabelen, konden verwijzen en of wij kunnen kiezen voor een dienstbare overheid. Ik heb dat nog even overlegd met mijn collega, want ik wist niet precies wat hij ervan vond, maar wij kunnen dat naar het rijk der fabelen verwijzen. Ja, overheidsingrijpen is dienstbaar, en bij de jeugdbescherming ook specifiek dienstbaar aan het kind. Immers veilig en onbedreigd opgroeien staat voorop. Bij een kinderbeschermingsmaatregel is sprake van dwang. De ouders moeten dan meewerken aan de uitvoering van het veiligheidsplan voor hun kind. Dat heeft de kinderrechter in dit concrete geval bepaald. Bij een drangtraject vormt het vrijwillig meewerken de basis. Daarbij bevindt de hulpverlener zich ten opzichte van het kind en het gezin in een evident andere positie. Niet meewerken heeft daar niet de consequentie dat automatisch een kinderbeschermingsmaatregel start. Zowel bij het gedwongen kader als bij drang is het aangaan van de verbinding met het kind en ouders van groot belang. Dat doe je niet met het zaaien van angst. Het dreigen met allerhande scenario's, waarover laatst iets in de pers verscheen, ook als een gezinsvoogd dat doet, is buitengewoon onverstandig. Ik noem als voorbeeld het dreigen van het gezin met het korten op de uitkering. Dat is buitengewoon verstandig en buitengewoon onprofessioneel, het werkt averecht en past helemaal niet in het voorbeeld van een dienstbare overheid. Dat is nou juist wat je niet moet doen, want daarmee ontstaat alleen maar wantrouwen.

Ik denk dat het belangrijk is dat er een goede samenwerking is tussen de verschillende organisaties. Dat is ook een kritische succesfactor. Maar ik kan niet garanderen dat een jeugdbeschermer of een jeugdhulpverlener nimmer uit de bocht vliegt. Ik kan ook niet uitsluiten – dat is de andere kant van het verhaal – dat ouders of een advocaat van ouders de woorden van een jeugdbeschermer anders interpreteren dan de betreffende jeugdbeschermer in het concrete geval heeft bedoeld.

De heer Kuiper heeft gevraagd of de opschaling naar de regio's als het gaat om de Wgr een stap naar schaalvergroting betekent. Dat houdt verband met de visie op de toekomst van gemeenten. Wat straalt het kabinet op dit punt uit? Ik denk dat we wel realistisch moeten zijn: als je naar het kaartje met de 42 gemeenten kijkt, zie je dat in sommige gedeelten van Nederland dat iets beter wordt beseft dan in andere delen van Nederland. Maar ik deel het optimisme dat we gemeenten daarvoor nog even de tijd moeten geven. Uitgangspunt is natuurlijk wel dat de gemeenten voor de uitvoering van decentralisaties wel voldoende bestuurskracht nodig hebben. Dat feit is algemeen bekend. Naarmate de jeugdhulp zwaarder en meer specialistisch wordt, zullen gemeenten meer met elkaar gaan samenwerken.

Dat is wel een proces dat van onderop vorm moet krijgen. Het kabinet moet zich daar niet heel snel mee gaan bemoeien, want dan doe je teniet wat je met deze wet wilt bewerkstelligen. We hebben geen verplichte opschaling van gemeenten voor ogen. Gemeenten bepalen zelf, met wie ze samenwerken en of ze willen herindelen, of gemeenschappelijke regelingen willen treffen. Als de zorg in het gedwongen kader gevaar loopt, omdat gemeenten het op te kleine schaal doen – het kabinet maakt zich voor een paar plekjes op die kaart van 42 wel een beetje zorgen over, maar we hebben nog enige tijd – dan moeten we dat wel kritisch volgen. Dat zullen de collega en ik de komende tijd doen. De wet schept in het uiterste geval mogelijkheden om dan gemeenten een handje te helpen. Maar dat moet je wel tot het uiterste beperken, want dat zou een zeer contraproductief effect kunnen hebben.

Mevrouw Beuving heeft gevraagd wat de gewenste omvang van gemeenten is om jeugdzorg adequaat uit te voeren. Als ze die omvang niet hebben, wat moet je dan doen? Ik denk dat gemeenten voldoende robuust moeten zijn, evenals samenwerkingsverbanden. Eigenlijk houdt dat vier dingen in. Gemeenten moeten goede partners zijn voor het maatschappelijk middenveld als het gaat om inkoop en toezicht. Ze moeten de risico's kunnen verevenen, als ze met elkaar samenwerken. Ze moeten financieel voldoende slagkracht hebben. Misschien wel het allerbelangrijkste punt is dat die samenwerkingsverbanden, zeker als het gaat om de meer gespecialiseerde jeugdhulpverlening en om het gedwongen kader, voldoende specialistische kennis moeten hebben.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Voldoen de 42 voorgenomen samenwerkingsverbanden aan deze criteria? Ik heb de indruk dat er een paar toch wel heel kleine bij zitten.

Staatssecretaris Teeven:

Die indruk heb ik ook. Maar gemeenten hebben nog enige tijd. We weten uit het laatste rapport van de transitiecommissie dat een aantal samenwerkingsverbanden en regio's nog op oranje staat, zeker als het gaat om voldoende specialistische kennis en knowhow. Zijn die regio's dan niet te klein? We volgen het nauwgezet. Tot de behandeling van deze wet hadden we geen aanwijzingsmogelijkheid. Je kunt er wel over spreken, maar ze waren er tot op dit moment niet. Dat verandert echter niets. Ik denk dat de VNG ook ervan overtuigd is dat een bepaalde bestuurskracht noodzakelijk is. Mijn collega en ik hebben er alle vertrouwen in dat de gemeenten zelfstandig in staat zijn om daar meer vorm aan te geven. Dat geldt ook voor kleine regio's waar je nu soms ziet dat afspraken met Bureaus Jeugdzorg of met gecertificeerde instellingen ingewikkeld blijken te zijn. Wij gaan er een beetje van uit dat de tijd een aantal van deze problemen zal oplossen, maar misschien niet allemaal. We volgen het nauwgezet.

Ik heb hiermee ook de vraag van mevrouw Beuving beantwoord of gemeenten verschillend beleid kunnen vormen. Dat kunnen ze wel, maar ze moeten wel voldoen aan de kwaliteitseisen. Gevraagd is of alle gemeenten de gewenste omvang hebben. Op dit moment variëren gemeenten in omvang van 120.000 inwoners tot meer dan 1 miljoen inwoners. Dat is om de ratio van de 42. Sommige gemeenten werken bovenregionaal al samen. Het meest recente kaartje dat ik in mijn map heb zitten, is van een week geleden. Hierop zie je dat een regio Noord is ontstaan. Eerst leek het erop dat Groningen en Drenthe, zonder Friesland, gingen samenwerken, maar de laatste informatie is dat in het noorden de drie provincies samenwerken. Op andere plaatsen moet er nog wel wat gebeuren, denk ik, zeker als het gaat om de specialistische zorg en het gedwongen kader.

Kleine gemeenten die gaan samenwerken, hebben onvoldoende invloed en dat zou ondemocratisch zijn. De heer De Lange en mevrouw Beuving vroegen hoe ik aankijk tegen die controle. Ook de heer Beckers maakte er een opmerking over. Het kabinet dringt er bij gemeenten op aan om de gemeenteraad goed te betrekken bij de samenwerkingsverbanden. Daarbij is het belangrijk dat de gemeenteraden gebruikmaken van de rechten die zij hebben om invloed uit te oefenen op de gemeenschappelijke regelingen. De gemeenteraad heeft onder meer het recht om te mogen instemmen met de af te sluiten gemeenschappelijke regeling. De gemeenschappelijke regeling levert op verzoek van de individuele gemeenteraad inlichtingen of verantwoordingsinformatie. De gemeenteraad kan op een conceptbegroting van de gemeenschappelijke regeling een zienswijze indienen en om aanpassingen verzoeken. Daarnaast ligt er in de Tweede Kamer een voorstel voor aanpassing van de Wgr die de bevoegdheden van de raad uitbreidt door de periode om een zienswijze op te stellen op de ontwerpbegroting voor de raad te verlengen tot acht weken. Ook kan een gemeenteraad of een college uit zijn midden een bestuurder aanstellen in de gemeenschappelijke regeling, waardoor de invloed van de gemeente toeneemt. Het samenwerkingsverband en de algemene beleidsmatige en financiële kaders voor het komende jaar moeten voor 15 april worden aangeboden aan deelnemende gemeenteraden. Het conceptjaarverslag van het samenwerkingsverband moet voor 15 april worden aangeboden aan de deelnemers. Rekenkamercommissies krijgen dezelfde onderzoeksbevoegdheden bij gemeenschappelijke regelingen als lokale rekenkamers op dit moment hebben. Het rekenkamercommissietoezicht op de privaatrechtelijke verbanden en op derden, waarbij gemeenten een belang hebben van meer dan 50%, zal ook worden versterkt. Dat zit allemaal in het wetsvoorstel dat voorhanden is in de Kamer aan de overzijde.

Mevrouw Slagter vroeg of de gegevens die bij gemeenten zijn opgeslagen met een WOB-voorstel kunnen worden opgevraagd. Vragen kan altijd, maar als het gevoelige gegevens betreft, is er wel een dringende weigeringsgrond. Voor andere niet-gevoelige gegevens moet de gemeente een afweging maken tussen het belang van de openbaarheid en de privacy. Mijn conclusie is dat gevoelige gegevens goed beschermd zijn tegen WOB-verzoeken, en het gaat in dit kader in feite altijd over gevoelige gegevens.

De heer Beckers vroeg mij hoe lang decentralisatie van taken en bevoegdheden nog verantwoord is. Hij vroeg de regering met nadruk om niet alleen te zorgen voor doordachte en afgewogen decentralisaties naar gemeenten, maar om ook te zorgen voor stevige en deskundige tegenkracht. Hij merkte op dat dit zijn vorm vond in hoogwaardige democratische controle. Ik kan er namens het kabinet alleen over zeggen dat de decentralisaties grote uitdagingen zijn. Naast de rol van het college is ook de positie van raadsleden essentieel. Zij moeten in staat blijven om hun controlerende taak te vervullen. De VNG, het Rijk en de beroepsvereniging zullen de colleges en de gemeenteraden blijven ondersteunen. De VNG organiseert masterclasses over de decentralisaties voor nieuwe raadsleden. Ook de raadsledenvereniging werkt samen met BZK aan het verbeteren van de vaardigheden van raadsleden. Wij hebben er vertrouwen in dat die inspanningen ertoe zullen leiden dat er voldoende democratische controle mogelijk is. We zijn er optimistisch over. Ook hier geldt echter dat we de vinger aan de pols moeten houden. Naarmate samenwerkingsverbanden van gemeenten en regio's kleiner zijn en ze niet bovenregionaal samenwerken, zal het bij heel gespecialiseerde zorg en het gedwongen kader ingewikkeld zijn om de democratische controle uit te voeren, omdat het uiteraard samenhangt met heel gespecialiseerde kennis. Die zal naarmate de samenwerkingsverbanden kleiner zijn, niet altijd volledig tot zijn recht komen.

De voorzitter:

Hoe lang denkt u nog nodig te hebben voor de beantwoording? Hoeveel blokjes hebt u nog?

Staatssecretaris Teeven:

Ik heb er nog een stuk of vier, maar ze zijn allemaal kort.

De voorzitter:

Ik kijk even naar de klok. Om die reden vraag ik ernaar.

Staatssecretaris Teeven:

Mevrouw Slagter heeft gevraagd of de voorgestelde overgangsregeling van 80% voor alle Bureaus Jeugdzorg geldt en hoe ik de overgangscommissie waardeer. Mijn collega heeft al gezegd dat wij met de VNG en de IPO de bestuurlijke afspraak hebben gemaakt dat de gemeenten voor 28 februari 2014 afspraken maken met de Bureaus Jeugdzorg over de continuïteit van de functies en de benodigde infrastructuur. Indien gemeenten en Bureaus Jeugdzorg eind februari geen afspraken hebben gemaakt, treedt de overgangsregeling in werking. De Bureaus Jeugdzorg krijgen dan voor 2015 een budgetgarantie van 80%. Wij zullen de ontwikkelingen en de continuïteit van de Bureaus Jeugdzorg blijven volgen. Collega Van Rijn heeft al melding gemaakt van de Transitieautoriteit Jeugd. Hij denkt zelf nog even na over de wijze waarop hij dat gaat vormgeven. Ik wacht hier even op, voordat ik me erover uitlaat.

Mevrouw Slagter heeft gevraagd of wij bereid zijn om in een landelijk kader te regelen dat gemeenten voor justitiële zorg gaan werken met een subsidierelatie.

Mevrouw Scholten (D66):

De staatssecretaris behandelde net de vraag van mevrouw Slagter over de omzetgarantie voor de Bureaus Jeugdzorg. Ik had gevraagd hoe het zat met de omzetgarantie voor de landelijk werkende instellingen. Het leek mij een mooi punt om dat hier aan vast te knopen.

Staatssecretaris Teeven:

Ik kom daar nog uitgebreid op terug. De heer Kuiper heeft hierover ook vragen gesteld.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Het is natuurlijk wel opvallend dat de staatssecretaris zegt dat hij het er nog even met zijn collega over moet hebben. Als het binnen dit gremium al niet duidelijk is hoe de autoriteit eruit moet zien en wat haar taken zijn, vraag ik me werkelijk af waar we het nu over hebben.

Staatssecretaris Teeven:

Ik denk dat mevrouw Slagter nu iets te pessimistisch is. Ik durf het me wel te veroorloven om dat te zeggen. Ik denk dat collega Van Rijn duidelijk heeft aangegeven wat de bedoeling is van de transitieautoriteit. Ik heb zelf ook aangegeven hoe we dat zien. We moeten alleen nog de puntjes op de i zetten. Natuurlijk hebben wij een beeld van wat de autoriteit moet gaan doen. Dat heb ik ook geschetst. Er moet gemonitord worden, er moet een audit plaatsvinden en er moet gekeken worden hoe de ontwikkelingen van de Bureaus Jeugdzorg gaan plaatsvinden. We zitten er zelf bovenop, dus het is niet zo dat alleen de transitieautoriteit dat doet. Daarom hebben we eind februari weer een vergadering met de Bureaus Jeugdzorg, om te kijken hoe de zaak zich ontwikkelt.

Ik kom bij de vraag van mevrouw Slagter over de subsidierelatie, in verband met de continuïteit van de gezinsvoogd. Het is aan gemeenten om te bepalen op welke wijze zij de gecertificeerde instellingen die kinderbeschermingsmaatregelen nemen en jeugdreclassering uitvoeren gaan financieren. Dat kan via een subsidierelatie, maar ook via een aanbesteding. Gemeenten kunnen ook meerdere gecertificeerde instellingen financieren, waaronder de Landelijk Werkende Instellingen voor specifieke doelgroepen en de daarbij behorende gespecialiseerde gezinsvoogd. De subsidierelatie biedt niet altijd zekerheid over de continuïteit van de gezinsvoogd omdat die relatie kan worden beëindigd. Het is dus heel belangrijk dat gemeenten goede afspraken maken met de gecertificeerde instellingen over de kwaliteit van de zorg. Daarbij moet rekening worden gehouden met het aanbod voor specifieke doelgroepen. Mevrouw Slagter sprak in dat kader over de zwervende gezinnen. De wijze waarop dat het best kan worden gefinancierd, is in eerste instantie een verantwoordelijkheid voor de gemeenten. Het past in het kader van deze wet naar ons oordeel niet om die wijze van financiering door gemeenten vast te leggen in een landelijke regeling want dan laat je geen enkele ander ruimte dan een subsidierelatie. Dat is nu juist wat we niet alleen maar willen.

Dan de vraag van mevrouw Scholten en de heer Kuiper. De heer Kuiper gaf aan dat een LWI op het gebied van jeugdbescherming en jeugdreclassering ongelijk wordt behandeld. Dat discussiepunt is aan de overkant ook aan de orde geweest. Er zijn amendementen ingediend die door de Kamer zijn verworpen. Tevens is een motie op dat punt verworpen. De heer Kuiper stelt dat LWI's zich een meer zelfstandige positie moeten kunnen verwerven, want anders lopen ze het risico dat ze omvallen. Mevrouw Scholten vroeg waarom LWI's niet in aanmerking komen voor de regeling voor budgetgarantie voor het BJZ, zoals BJZ's dat hebben. Zij stelde dat dit zou kunnen betekenen dat LWI's te afhankelijk worden van de Bureaus Jeugdzorg. Ik heb al eerder gezegd dat LWI's belangrijk zijn voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering van specifieke groepen. Dat heb ik ook aan de overkant als standpunt van het kabinet nadrukkelijk aangegeven. Desondanks heeft de Kamer er aan de overkant iets anders van gevonden. Ik ben overigens niet van opvatting dat LWI's ongelijk worden behandeld, want ze kunnen zich net als Bureaus Jeugdzorg certificeren voor het uitvoeren van maatregelen in het kader van jeugdbescherming en jeugdreclassering, vanaf 1 januari 2015. Daarnaast zullen LWI's in het kader van het overgangsrecht maatregelen kunnen blijven uitvoeren voor overgangscliënten. In die zin verkeren ze in een andere positie dan Bureaus Jeugdzorg, want die hebben ook te maken met het vrijwillige kader.

Het is aan gemeenten – we moeten de gemeenten die vrijheid ook geven – om er bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen jeugdreclassering en jeugdhulp voor nieuwe cliënten zorg voor te dragen dat er redelijkerwijs rekening wordt gehouden met de behoeften en persoonskenmerken van de jeugdige, zijn ouders en zijn godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond. Dat uitgangspunt is overigens ook in de wet opgenomen in artikel 2.4, derde lid. In de wet is dus opgenomen dat je hier rekening mee moet houden. Gemeenten kunnen een aantal dingen doen. In een aantal regio's gebeurt dat ook. In de regio Utrecht is er op die manier invulling aan gegeven.

Gemeenten kunnen of rechtstreeks contracten afsluiten met LWI's, dan wel er op een andere wijze voor zorgdragen dat er een kwalitatief passend aanbod is voor specifieke doelgroepen. Een gecertificeerde instelling kan voor de uitvoering van bepaalde specialistische zaken de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering aan een LWI mandateren. Dat zie je in een aantal regio's gebeuren, maar niet overal. Dat ben ik met de heer Kuiper eens. Utrecht is zo'n voorbeeld.

Bij de Bureaus Jeugdzorg valt door de nieuwe wet een aantal taken weg, waardoor het noodzakelijk is om maatregelen te treffen om de continuïteit te kunnen garanderen. Dat is bij LWI's voor de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering niet het geval. Tevens is in de conceptinvoeringswet geregeld dat LWI's in 2015 – voor Bureaus Jeugdzorg is dat anders – zowel jeugdhulp als jeugdbescherming en jeugdreclassering kunnen aanbieden. Daardoor kan de overgang naar de nieuwe situatie voor LWI's geleidelijker verlopen. Regelmatig wijzen mijn collega en ik de gemeenten op de meerwaarde van LWI's voor specifieke doelgroepen. De William Schrikker Groep is bij uitstek zo'n LWI. Wij zullen de positie van LWI's op de voet blijven volgen omdat ze het kabinet bijzonder aan het hart gaan. We hebben de discussie in de Tweede Kamer ook gevolgd. Het is dus verstandig om die kwestie nadrukkelijk te volgen.

Het lijkt mij wel belangrijk dat LWI's – daar vroeg de heer Kuiper heel specifiek naar – worden gekoppeld aan de transitieautoriteit jeugd voor de landelijke en specialistische zorg. Alleen op die manier kunnen wij zien of een en ander zich de komende maanden op een goede wijze ontwikkelt. In navolging van wat andere leden van de Senaat hebben opgemerkt lijkt het mij ook dat wij de gemeenten en samenwerkingsverbanden nog even de tijd moeten geven. Op een aantal plaatsen gaat het heel goed. Dat hebben LWI's ook bevestigd, maar op een aantal plaatsen kan het beter of gaat het slecht. Dat zullen wij de komende tijd scherp moeten volgen.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Volgen vind ik in dat licht wat weinig. LWI's vallen tussen wal en schip, zijn bang dat ze vanaf 1 april niet meer kunnen contracteren en dat ze er straks niet meer zijn. Ik noem dat kapitaalvernietiging. Ik begrijp dat dit de staatssecretaris ook aan hart gaat. Er is dus meer nodig dan die situatie alleen volgen. Er is in financiële zin misschien ook iets nodig. We hebben zojuist geconstateerd dat de gelden naar de Bureaus Jeugdzorg gaan, maar het gaat in dit geval om feitelijke ondersteuning van LWI's, zodat ze niet omvallen. Wat doet de staatssecretaris daarmee?

Staatssecretaris Teeven:

Tot nu waren wij afhankelijk van het inzicht van gemeenten zelf. Zonder deze wet hadden wij geen mogelijkheid om dat proces te beïnvloeden. We konden de gemeenten alleen proberen te overtuigen. Dat is de situatie waar wij anno vanavond nog steeds in zitten. Wij moeten ook kijken naar de uitvoering van de wet. Artikel 2.4, lid 3, stelt dat er ruimte moet zijn voor LWI's. Dat is nadrukkelijk in de wet terechtgekomen. Die systeemverantwoordelijkheid zien wij ook als onze verantwoordelijkheid. Een en ander betekent dat wij het nu volgen tot het moment waarop dit wetsvoorstel kracht van wet krijgt. Op het moment dat de situatie anders is, gaan wij daar nadrukkelijk op zitten. Op 28 februari spreken wij weer met de Bureaus Jeugdzorg en LWI's. Dan kijken wij naar de stand van zaken. Daarom haal ik de transitie-autoriteit ook aan. We moeten namelijk op elk moment een foto maken van waar LWI's staan. Het is niet zo dat het overal niet goed gaat. Het gaat op tal van plaatsen wel goed, maar er zijn ook plaatsen waar het niet goed gaat.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Mag ik dit opvatten als een toezegging van de staatssecretaris dat de regering de helpende hand zal reiken aan LWI's als ze dreigen om te vallen als gevolg van onvoldoende contractering?

Staatssecretaris Teeven:

Nee, het is anders. Het kabinet kijkt zeker hoe gemeenten en VNG hiermee omgaan. Iedereen is overtuigd van het nut van LWI's. Ik hoef dat niet te zeggen, want iedereen weet wat bijvoorbeeld de William Schrikker Groep, maar ook andere, kleinere LWI's betekenen in hun taakveld. Wij denken in dat opzicht echter niet aan financiële steun. Bij de orderportefeuille, de contracten die moeten worden gesloten, moeten gemeenten nadrukkelijk rekening houden met artikel 2.4, lid 3, van het wetsvoorstel. Dat beperkt de gemeenten in enige mate, want ze moeten rekening houden met het wetsvoorstel. Ze moeten ervoor zorgen dat het aanbod dat ze inkopen in overeenstemming is met dit artikel. Daar letten wij nadrukkelijk wel op.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Hoe zit het dan met Groot Emmaüs, Hoenderloo en andere LWI's? Het gaat nu over een bepaalde soort, maar volgens mij zijn Hoenderloo en Groot Emmaüs van een andere orde.

Staatssecretaris Teeven:

Dit valt onder de portefeuille van mijn collega. Ik sprak over een aantal LWI's die zich bezighouden met jeugdbescherming en jeugdreclassering. In feite gaan wij daarmee op dezelfde wijze om als ik net heb beschreven aan de heer Kuiper.

Mijn collega is al ingegaan op de inbreng van mevrouw De Vries. Zij heeft vragen gesteld over de uitspraak van de rechtbank Overijssel. Daarover is al uitgebreid gesproken. Er bestaan twee tegenstrijdige uitspraken omdat de rechtbank Den Haag daaruit, zoals gezegd, een andere conclusie trok. In de media wordt uit de uitspraak van de rechtbank Overijssel over de Bureaus Jeugdzorg wel de conclusie getrokken dat het Rijk verantwoordelijk is voor de frictiekosten. Dat zien mijn collega en ik genuanceerder. Wij hebben met de gemeenten afgesproken dat ze bij de afspraken met de Bureaus Jeugdzorg vanaf 2015 de frictiekosten zo veel mogelijk zullen beperken. Dat is ook opgenomen in de Jeugdwet onder artikel 12.4, lid 1, onder c. Omdat nog niet alle gemeenten tijdig heldere afspraken hebben gemaakt met de Bureaus Jeugdzorg, hebben wij erop aangedrongen die afspraken tussen de regio's en de Bureaus Jeugdzorg per 28 februari aanstaande wel te maken. Anders is de overgangsregeling van toepassing waarover mijn collega al heeft gesproken.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

De staatssecretaris spreekt steeds alleen over de Bureaus Jeugdzorg. Ik snap dat dit breder is als beide staatssecretarissen aan het woord zouden zijn. Maar het ging bijvoorbeeld ook over het Leger des Heils en andere jeugdzorginstellingen.

Staatssecretaris Teeven:

Zeker. De derde uitspraak van de rechtbank Overijssel ging ook over het Leger des Heils, jeugdzorg en reclassering. Daarin heeft mevrouw De Vries gelijk. Het ging over een bredere context en niet alleen Bureaus Jeugdzorg.

Mevrouw Scholten heeft een aantal vragen gesteld over het gedwongen kader en de toch heel succesvolle vliegwielprojecten die sinds twee jaar plaatsvinden. Het mooie van die vliegwielprojecten is dat ze echt bottom-up zijn ontstaan en dat ze getest worden in de praktijk. Bij die vliegwielprojecten bekijken we ook nadrukkelijk hoe beter vorm kan worden gegeven aan de voor- en achterkant van een justitiële maatregel en hoe het traject daartussen zo effectief mogelijk kan zijn. Mijn collega heeft in zijn inbreng al aangehaald dat dit leidt tot een scherpe daling van het aantal ondertoezichtstellingen. In Amsterdam bedroeg die 40%. De William Schrikker Groep heeft al bericht dat het percentage uithuisplaatsingen is gedaald met 30. De William Schrikker Groep kwantificeert dat als een besparing van bijna 4 miljoen. Bureau Jeugdzorg Rotterdam spreekt over een halvering van het aantal uithuisplaatsingen. Die andere manier van werken leidt op zich dus al tot bezuinigingen en besparingen zonder dat dit heel geforceerd gaat, gewoon door een andere manier van werken.

Mevrouw Scholten vroeg naar de exacte percentages van de dalingen van de ondertoezichtstellingen sinds de start van het vliegwielproject. Hier komen ze. In december is een aantal afspraken gemaakt over de vliegwielbijdragen. Lopende het jaar 2012 zijn die projecten gestart. Cijfers van de ondertoezichtstellingen zijn tot en met het derde kwartaal van 2013 beschikbaar. Over het vierde kwartaal van 2013 zijn ze nog niet beschikbaar. De landelijke tendens in de ondertoezichtstellingen is als volgt: 32.062 eind 2011, 30.745 eind 2012 en 29.133 aan het eind van het derde kwartaal van 2013. De afname in 2011 is 2% ten opzichte van 2010, 4% in 2012 ten opzichte van 2011 en 5% in de eerste drie kwartalen van 2013 ten opzichte van 2012. Het aantal ondertoezichtstellingen met uithuisplaatsing is ook afgenomen. In 2012 ging dat om 11.796 gevallen en in de eerste drie kwartalen van 2013 om 11.081. Dat is een daling van 6% in drie vergelijkbare kwartalen, als je de drie eerste kwartalen van 2013 vergelijkt met die van 2012. Met de grote vliegwielprojecten lopen op dit moment ook wetenschappelijke onderzoeken mee om het succes per project wetenschappelijk te bekijken. Wij verwachten in mei de eerste onderzoeksresultaten op het ministerie van Veiligheid en Justitie. Over de tussenresultaten per vliegwielproject berichten de organisaties natuurlijk wel zelf. Dat heeft mevrouw Scholten de afgelopen weken gezien.

Mevrouw Slagter heeft gezegd dat in het nieuwe stelsel justitiële maatregelen die moeten worden uitgevoerd een groot deel van het gemeentelijk budget dreigen op te slokken. Zij vroeg of er dan voor preventieve en lichtere maatregelen wel voldoende geld overblijft en of ik die dreiging ook zie. Eigenlijk acht ik dat gevaar niet reëel, want in de totale begroting is het aandeel van het gedwongen kader relatief beperkt. Ik zie het ook niet sterk groeien. Gezien wat ik daarnet schetste is er ook geen aanleiding om dat te veronderstellen. Het is eerder omgekeerd. De gemeentelijke overheid die goed kan sturen op het gaandeweg beperken van zwaardere vormen van zorg, waarvoor ook de heer Beckers aandacht vroeg, kan die besparingen realiseren door juist in te zetten op preventieve en lichtere maatregelen. Het is dus de verwachting dat het beroep op gedwongen kader nog verder kan worden verminderd. Dat lijken die vliegwielprojecten aan te tonen. Het ministerie van Veiligheid en Justitie heeft daarvoor in de jaren 2011 en 2012 geld vrijgemaakt. Dat lijkt zich dubbel en dwars terug te verdienen. Het veld is daarover ook buitengewoon enthousiast.

De heer Kuiper heeft gevraagd of gemeenten kunnen meedingen naar gemeentelijke opdrachten. Alleen organisaties die voldoen aan de eisen van het normenkader kunnen kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering uitvoeren. De regio's kunnen uitgaan van de aanwezigheid van voldoende kwaliteit als een organisaties gecertificeerd is. Dat is de basisvoorwaarde. Op basis van de jaarrapportages van voorgaande jaren kan worden bepaald welke vraag er is naar de uitvoering van jeugdbescherming en jeugdreclassering, zowel kwantitatief als rekening houdend met een specifieke doelgroep in de regio. Dan komt artikel 2.4, lid 3, weer aan de orde, dat gaat over de gezindtes en over de vorm waarin je moet inkopen.

De heer Kuiper heeft ook gezegd dat gemeenten verantwoordelijk worden voor soms specifieke en gecompliceerde vormen van zorg, hulp en ondersteuning. Hij wilde weten of de gemeenten daar allemaal klaar voor zijn. Wij hebben daarover al gesproken. Zijn de capaciteitsopbouw en de kennisopbouw op orde? Wordt nieuwe deskundigheid aangetrokken? Gemeenten moeten er natuurlijk zorg voor dragen dat er een kwalitatief en kwantitatief toereikend aanbod is van jeugdhulp en een aanbod van gecertificeerde instellingen. Ik heb al gezegd dat ze daarbij met tal van zaken rekening moeten houden, zeker als het om de LWI's gaat.

Dat brengt mij op een onderwerp waarover de heer Ganzevoort en mevrouw De Vries vragen hebben gesteld. Geldt de verlengde jeugdhulp ook voor vreemdelingen van 18 jaar en ouder? Die vraag werd gesteld in een interpellatie tussen de beide senatoren. Die voorziening geldt alleen voor minderjarigen. Volwassenen kunnen een beroep doen op alle voorzieningen waarop vreemdelingen recht hebben, inclusief de medisch noodzakelijke hulp. De verlengde jeugdhulp, de jeugdhulp die na het 18e jaar kan worden verleend, mits aangevangen voor de meerderjarigheidsgrens, is niet van toepassing op illegale meerderjarigen. Het besluit spreekt over minderjarigen in plaats van jeugdigen. Dat is overeenkomstig de huidige regeling in de Wet op de jeugdzorg.

De heer Ganzevoort heeft mij gevraagd te bevestigen dat het uitvoeringsbesluit dusdanig vorm zal krijgen dat geen illegale kinderen de toegang tot de jeugdzorg wordt ontzegd. Ik kan mij de discussie hierover aan de overzijde van het Binnenhof herinneren. Toen is een soortgelijke vraag gesteld door de GroenLinksfractie. Niet-rechtmatig in Nederland verblijvende minderjarigen mogen alle jeugdhulp ontvangen die ook andere cliënten mogen ontvangen. Dat wordt niet beperkt. Er verandert dus helemaal niets ten opzichte van de huidige situatie. Voor de ouders van die kinderen gelden dan ook de bepalingen die gelden voor de ouders van alle kinderen. De definitie omvat dus ook de hulp aan ouders.

Wel is bepaald dat de termijn gedurende welke de voorziening geldt voor minderjarige vreemdelingen in procedure of voor minderjarigen die op grond van een verblijfsvergunning voor een tijdelijk doel in Nederland verblijven, ten hoogste een half jaar bedraagt. Daarna kan die termijn worden verlengd. De beperking van de termijn is neergelegd in artikel 1.2, lid 4, van het ontwerpbesluit. Die maximale termijn hebben wij gesteld omdat bij vreemdelingen de feitelijke situatie en de omstandigheden snel kunnen wisselen. Dat is de reden waarom wij het zo hebben gedaan. Wij achten het noodzakelijk dat de gemeente telkens na een half jaar de situatie opnieuw beoordeelt en dan opnieuw bekijkt of betrokkene nog steeds op jeugdhulp is aangewezen. Zo nodig treffen zij dan een nieuwe voorziening.

Het wordt niet in de wet geregeld, zeg ik via u, mevrouw de voorzitter, tegen de heer Ganzevoort. Alles blijft bij het oude, zoals het nu is. Het blijft staan in het uitvoeringsbesluit. Dan kun je natuurlijk een discussie voeren over de vraag of het in strijd is met het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Het kabinet is van mening dat dit niet het geval is.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Het is mooi dat de staatssecretaris zich herinnert dat mijn collega van GroenLinks aan de overkant dit thema ook een warm hart toedraagt. Dat is niet zo vreemd; het zit ons in de genen. Dat heeft alles daarmee te maken dat vanuit het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind – maar er zijn meerdere verdragen – juist het belang van het kind, het beschermen van kwetsbare mensen, voor ons een zeer zwaarwegende zaak is. Dan is het goed dat er een aantal basiszaken zijn geregeld. Het is goed dat de staatssecretaris expliciteert dat de ouders daarbij betrokken zijn. Daarmee is natuurlijk niet alles gezegd, want de grens van 18 jaar, bijvoorbeeld, blijft wel staan. De vraag is, hoe de garanties zijn voor de kinderen. Laat ik het op een andere manier zeggen. Het is aardig dat deze staatssecretaris antwoordt, maar de vraag was eigenlijk bestemd voor beide bewindslieden. Vindt deze regering, die uiteraard met één mond spreekt, maar wel verschillende ideeën of intenties heeft, dat doelstellingen van het migratiebeleid bepalend mogen zijn voor het zorgbeleid? Dat was de portee van mijn vraag.

Staatssecretaris Teeven:

Het kabinet vindt dat je zo recht doet aan de jeugdhulp, dus dat de hulp aan kinderen geborgd is. Je doet ook recht aan een adequaat vreemdelingenbeleid. Je kunt dus twee doelstellingen met elkaar verenigen. Dat is in het verleden zo gegaan. Mijn collega en ik hebben daaraan niets veranderd. Wij hebben dus niet iets veranderd waardoor er nu andere rechten zouden ontstaan. Feitelijk gaat alles op dezelfde manier voort. Als na een half jaar blijkt dat een kind nog jeugdhulp nodig heeft, dan krijgt een kind jeugdhulp. Het is dus een combinatie van beide. Het is een kwestie van enerzijds het goed organiseren van de jeugdhulp voor een kind en anderzijds een adequaat vreemdelingenbeleid. Ik kan mij ook de discussie met de vertegenwoordiger van de SP-fractie aan de overzijde van het Binnenhof nog herinneren.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Dan kan ik ook niet achterblijven. Ik wilde in het kader hiervan ook nog vragen hoe het dan zit met pleegzorg. Ik meen mij te herinneren dat er in de memorie van antwoord staat dat pleegzorg niet langer zou kunnen dan een half jaar, omdat anders het gevaar van hechting ontstaat. De term valt nu toch: pleegzorg is natuurlijk een heel belangrijk onderdeel van jeugdzorg. Daar heb ik nog heel weinig over gehoord. Ik ben er heel nieuwsgierig naar, omdat ik de gelukkige oma ben van twee pleegkinderen. Hoe staat het met de pleegzorg? Welke verplichtingen hebben gemeenten als pleegzorg eenmaal is aangegaan, zowel in vrijwillig als gedwongen kader? Hoe zit het dan met het woonplaatsprincipe? Daar zou ik graag nog een duidelijke uitspraak over willen hebben.

Staatssecretaris Teeven:

Ik ga eerst in op de eerste vraag van mevrouw Slagter. Waar een keuze tussen pleegzorg en een instelling aan de orde is, geeft het uitvoeringsbesluit aan dat een instelling de voorkeur verdient. Dat is de keus die gemaakt wordt. Ik zeg echter nadrukkelijk dat pleegzorg in een gezin niet uitgesloten is. Dat hebben wij eerder schriftelijk met elkaar gewisseld. De toegang tot zorg in een pleeggezin is voor niet rechtmatig in Nederland verblijvende kinderen niet afgesloten. Ik denk dat dit recht doet aan kinderen, ook als het gaat om de pleegzorg. Het doet tegelijkertijd ook recht aan een adequaat vreemdelingenbeleid. Je kunt op die manier twee doelen dienen.

Voor het antwoord op de andere vraag kijk ik ook even mijn collega aan. Wij zullen daar in de tweede termijn op terugkomen.

Mevrouw Slagter heeft mij gevraagd of ik bereid ben om alsnog een rechterlijke toets voor opname in het kader van een voorwaardelijke machtiging in te voeren. Toepassing van de voorwaardelijke machtiging houdt in dat een jeugdige niet langer gesloten wordt geplaatst als hij zich aan de met hem overeengekomen voorwaarden houdt. Als hij dat niet doet, kan de instelling een gesloten plaatsing nodig vinden, om te voorkomen dat hij zich aan zorg onttrekt of aan zorg onttrokken wordt. Als de jeugdige het daar niet mee eens is, kan hij hiertegen ageren bij de kinderrechter. De kinderrechter moet zich dan binnen drie weken uitspreken. De onafhankelijke toets achteraf, die plaatsvindt als de jeugdige of zijn ouders het niet eens zijn met de opname, voldoet aan het EVRM en het IVRK. Invoering van een rechterlijke toets vooraf achten wij daarom niet nodig. Voor alle duidelijkheid: de rechter heeft de voorwaardelijke machtiging afgegeven met daarin de mogelijkheid dat de jeugdige weer wordt opgenomen als hij zich niet aan de voorwaarden houdt. De rechter kan dat vooraf bepalen.

Mevrouw Slagter heeft een opmerking gemaakt over de gesloten jeugdzorg.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Voor de duidelijkheid: het kan dus voorkomen dat iemand drie weken zonder grond gedwongen opgenomen is onder het civiel recht. Dat lijk mij een beetje merkwaardig.

Staatssecretaris Teeven:

De kinderrechter moet zich binnen drie weken uitspreken. De kinderrechter kan zich ook eerder uitspreken en de termijn van drie weken verkorten door eerder uitspraak te doen in zo'n feitelijke situatie. De rechter heeft de voorwaardelijke machtiging ook afgegeven met de mogelijkheid dat de jeugdige weer wordt opgenomen als hij zich niet aan de voorwaarde houdt. Dat zit nadrukkelijk in de machtiging die vooraf wordt afgegeven.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Zou het dan in de rede liggen dat, als iemand in beroep gaat bij de kinderrechter, eerst schorsende werking van die vrijheidsberoving plaatsvindt?

Staatssecretaris Teeven:

Ik denk niet dat dit nodig is. Ik denk dat, als zo'n situatie zich voordoet, die zaak snel op de rol moet worden geplaatst, zodat deze snel wordt behandeld. Dan komen wij weer op de discussie die wij eerder hebben gevoerd, zowel met uw Kamer als met de Kamer aan de overzijde, over de vraag of er onvoldoende capaciteit is om dat te doen. Daarover heb ik nu juist van de Raad voor de rechtspraak gehoord dat dit geen probleem is. Als het dossier compleet is, is het voor de kinderrechter helemaal geen probleem om veel sneller dan binnen maximaal drie weken een uitspraak te doen.

Voorzitter. Mevrouw Slagter heeft nog een opmerking gemaakt over ZonMw, dat onderzoek doet naar de harmonisatie van wetgeving met betrekking tot de verplichte hulp aan jeugdigen en dat naar verwachting na de zomer met aanbevelingen komt. Kan ik al toezeggen dat ik die aanbevelingen voortvarend ter hand zal nemen? Voor de zomer van 2014 komen de resultaten van de wetsevaluatie beschikbaar. Die zullen dan gebruikt worden voor een eventueel wetsvoorstel dat de harmonisatie regelt. We zullen dat snel doen, de collega en ik, want we moeten ook rekening houden met de uitkomsten van de parlementaire behandeling van de Wet verplichte ggz en de Wet zorg en dwang.

Mevrouw Slagter heeft ook nog een vraag gesteld over de bepaling over gesloten jeugdzorg, waarvoor een machtiging van de rechter nodig is. Daarvan zei zij dat die ontegenzeggelijk thuishoort in het Burgerlijk Wetboek, bij de andere bepalingen over de gedwongen uithuisplaatsing van jeugdigen. Omdat dit om praktische gronden destijds in de oude Wet op de jeugdzorg is geregeld, vraagt zij of ik die fout niet zou willen herstellen en of ik bereid ben, dat wel te doen. Gevraagd is of ik dat niet kon doen bij die mooie reparatiewet over de kinderbeschermingsmaatregelen. Ik moet nu eens zeggen dat dit geen fout is geweest. Het is toentertijd een bewuste keuze geweest. Die vraag maakt deel uit van het traject ter harmonisering van de gesloten vormen van zorg. Zoals aangegeven doet ZonNw nu onderzoek. De resultaten daarvan worden in de zomer van 2014 verwacht. Dan zal het kabinet beoordelen of opneming van de Regeling gesloten jeugdzorg in de BW wenselijk is.

Ik merk wel op dat het een hardnekkig misverstand is in het parlement dat er nog een reparatiewet kinderbeschermingsmaatregelen komt. In de tweede nadere memorie van antwoord bij het wetsvoorstel herziening kinderbeschermingsmaatregelen is dat in antwoord op een vraag van de SP-fractie ook aangegeven. In de invoeringswet Jeugdwet zullen slechts onderdelen van artikelen die verwijzen naar een maatregel van opgroeiondersteuning verwijderd worden. Dat is het enige wat er gaat gebeuren in dat reparatiewetje. Wat je dan zou krijgen – en dat wil uw senaat niet, voorzitter – is dat we in de reparatiewet van alles doen met een heel andere strekking. Wij hebben goed naar de senaat geluisterd en willen dus niet in reparatiewetten allerlei dingen bij elkaar stoppen, want dat vindt uw senaat over het algemeen geen goed idee.

De heer Kuiper heeft aandacht gevraagd voor de eigen kracht van de samenleving en met name van sociale verbanden en gemeenschappen. Dat is een belangrijk onderdeel van de filosofie van de wet. Hij heeft gevraagd of de systemische expertise met betrekking tot netwerken van cliënten goed geborgd is in de wijkteams van gemeentelijke jeugdprofessionals. De vraag is dus eigenlijk of we inzicht kunnen geven in de wijze waarop dit type methodieken is geborgd. Wij onderschrijven de filosofie die de heer Kuiper meldt. Het is een van de centrale uitganspunten van de Jeugdwet, dat heeft mijn collega ook al gezegd. Het is goed dat mensen zich afvragen of anderen iets voor hen kunnen betekenen en dat niet vanzelfsprekend alles op de overheid wordt afgewenteld. Eigen regie voor de burger stond ook al centraal in het amendement van de fracties van de ChristenUnie en de Partij van de Arbeid bij de behandeling van dit wetsvoorstel. Naar mijn mening is dat ook goed verankerd in artikel 4.1.2 van het wetsvoorstel.

Tot slot een lang antwoord op een relatief korte vraag van mevrouw Scholten van de D66-fractie. Zij vroeg hoe de zorgplicht van de gemeenten zal worden getoetst bij de rechters. Zal dat slechts marginaal gebeuren of inhoudelijk, waarbij ook alle omstandigheden van het geval worden meegewogen? Zij heeft daar letterlijk bij gezegd dat we eigenlijk voor de wetsgeschiedenis wel even duidelijk moeten zeggen hoe dat moet gebeuren. Uit haar knikje begrijp ik dat ik ook echt ga antwoorden. Op grond van artikel 2.3 van de Jeugdwet is het college verantwoordelijk voor de beoordeling welke jeugdhulp nodig is om een jeugdige met opgroei- of opvoedingsproblemen, psychische problemen of stoornissen in staat te stellen, gezond en veilig op te groeien en te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te worden en maatschappelijk te participeren.

De eerste volzin van dat artikel legt met de woorden "indien naar het oordeel van het college een jeugdige of een ouder jeugdhulp nodig heeft" vast dat bij de vraag of iemand op een voorziening is aangewezen, net zoals dat in de Wmo het geval is, het oordeel van het college beslissend is. Bij deze bepaling mag de gemeente dus rekening houden met de eigen mogelijkheden en het probleemoplossend vermogen. Als een jeugdige dankzij zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie, of als een algemene, vrij toegankelijke voorziening uitkomst biedt, dan is er geen rol voor het college. Dit deel van de beslissing – want dat is het antwoord op de vraag van mevrouw Scholten – zal de rechter dan marginaal toetsen. De rechter zal met name toetsen of de beslissing op zorgvuldige wijze en met inachtneming van de wettelijke en gemeentelijke regels is genomen, dus kijkend naar de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Daarnaast worden in artikel 2.3 ook nog inhoudelijke eisen gesteld aan de aard en omvang van de te verstrekken voorziening. De voorziening moet de jeugdige immers in staat stellen, gezond en veilig op te groeien, te groeien naar zelfstandigheid, voldoende zelfredzaam te zijn en maatschappelijk te participeren.

Artikel 2.3, althans naar het oordeel van het kabinet, eist van de gemeenten een integrale beoordeling van de situatie van de jeugdige, om vervolgens de daarbij behorende voorziening te bieden. Dat gaat om een wettelijke norm, waaraan de rechter in een voorkomend geval vol kan toetsen. Het oordeel van een zorginhoudelijke deskundige zal daarbij voor de rechter een belangrijke rol spelen. Indien de rechter oordeelt dat de geboden jeugdhulpvoorziening in alle redelijkheid niet aan deze eisen voldoet en het beroep tegen de beslissing van het college daarom gegrond verklaart, zal het college dus een nieuwe beslissing moeten nemen, die wel aan de eisen voldoet. In dat laatste geval zal dus geen marginale toetsing plaatsvinden, maar een volle inhoudelijke toetsing, waarbij alle omstandigheden van het geval zullen worden meegewogen.

Ik denk dat ik daarmee alle vragen heb beantwoord, inclusief die uitgebreide vraag van mevrouw Scholten.

De voorzitter:

Dank u wel. Er heeft mij een verzoek bereikt om een kwartier te schorsen.

De vergadering wordt van 22.40 uur tot 22.55 uur geschorst.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Voorzitter. Onze dank gaat uit naar de bewindslieden, want zij hebben uitvoerig geantwoord. Zij hebben ook goed geluisterd. Niet alle antwoorden bevallen misschien iedereen, maar dat is een beetje inherent aan een debat. De beantwoording is ons op de meeste punten heel erg goed bevallen. We hebben nog wel iets waar wij de puntjes op de i willen zetten. Als dat inderdaad op een goede manier gebeurt, is zelfs indiening van een motie niet nodig.

De staatssecretaris heeft gesproken over het instellen van een transitieautoriteit jeugd. Het is een andere naam, maar het is eigenlijk precies wat wij bedoelden. Als je het hebt over autoriteit, heb je het over gezag. Wat wij nog precies willen weten, is of wij dezelfde soort commissie bedoelen. Ik heb al in een korte interruptie gevraagd of dit ook betekent dat dit een commissie is à la hetgeen de VNG, dus de gemeenten, samen met de jeugdzorgaanbieders inclusief de jeugd-ggz bedoelen. Uit de lichaamstaal van de staatssecretaris begreep ik toen dat dit inderdaad het geval was. Dat betekent voor mij dat het gaat om een onafhankelijke, gezaghebbende commissie ter ondersteuning van gemeenten en aanbieders van jeugdzorg, dus niet alleen de bureaus voor jeugdzorg, maar aanbieders van jeugdzorg en ook LWI's, waarop deze partijen een beroep kunnen doen indien de continuïteit en de kwaliteit van de zorg aan kwetsbare jongeren niet of onvoldoende geborgd is. Het betekent ook dat de commissie dusdanig ingericht zal worden dat zij in staat is, partijen te adviseren en in het belang van het kind en de transitie maatregelen te nemen om de kwaliteit en de continuïteit te borgen. De commissie zal dusdanig worden ingericht dat ten minste deskundigheid aanwezig zal zijn op de terreinen van financiën, organisatie van systemen, de ontwikkeling van zorg en van diverse sectoren. Dat is wat de organisaties met elkaar als een gedragen voorstel hebben gegeven.

Betekent dit dat het een-op-een exact in deze woorden moet? Nee, niet een-op-een, maar als blijkt dat er net iets anders over iets wordt gedacht, zie ik graag dat het in overleg met deze instellingen zal gebeuren. Als dat is wat de staatssecretaris voor ogen staat, betekent dit dat de CDA-fractie op dat punt gewoon gelukkig is. Mocht dat niet zo zijn, dan moet ik nu alvast zeggen dat wij de volgende week een derde termijn zullen moeten aanvragen om alsnog een motie te kunnen indienen. Als ik het echter goed heb begrepen, is dit wat de staatssecretarissen zelf ook zouden willen. Ik zal de tekst straks nog even overhandigen.

We hebben ook nog andere zaken aan de orde gehad, zoals alle kinderen. Dat is voor ons heel erg belangrijk, omdat het om de kinderen gaat. Uit de beantwoording van de staatssecretarissen hebben wij begrepen dat de kinderen die er zijn, of ze nu rechtmatig of onrechtmatig in Nederland verblijven, de zorg krijgen die ze nodig hebben. Dat is belangrijk voor ons, want daar gaat het om. Ook de aandacht voor kinderen over de grens en de consequenties die dat zal hebben, vinden wij belangrijk.

Een vraag is nog niet beantwoord. Zal de commissie straks ook kijken naar een ander systeem, bijvoorbeeld als niet meer wordt uitgegaan van bevoorschotting door middel van subsidies aan instellingen, maar een andere keuze wordt gemaakt waardoor liquiditeitsproblemen kunnen ontstaan? Tot nu toe mochten instellingen vaak maar 10% reserve opbouwen. Als je dat met een pennenstreek wegdoet, is ook de instelling weg. Dergelijke problemen zouden ook bij zo'n transitieautoriteit jeugd gemeld moeten kunnen worden en daar nagekeken moeten kunnen worden.

Ik heb gemerkt dat mijn gaan in de geschiedenis ongeveer bij 2008 begon en dat het gaan in de geschiedenis van de staatssecretaris bij 2004 begon. De consistentie daarin vond ik met name de partij en dat wat we vandaag gedaan hebben.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Voorzitter. Ik wil beginnen met mijn bewondering uit te spreken voor de mensen op de publieke tribune. Die zit nog steeds behoorlijk vol. Petje af voor de mensen die het zo lang volhouden. Dat geldt natuurlijk ook voor de ambtenaren.

De PVV is niet tegen de overheveling naar gemeenten of tegen de intenties, maar wel tegen de druk die op de ketel wordt gezet. De staatssecretaris had het over een gedegen behandeling, maar in onze ogen is daar geen sprake van, hier noch aan de overkant. Opvallend is dat mijn naam niet een keer is genoemd door de staatssecretaris van VWS. Het zal dus niet verbazen dat ik nog wel zorgen en onduidelijkheden heb. Ik zal er een paar opnoemen.

De samenhang met de Wmo, de langdurige intensieve zorg en de Participatiewet is heel belangrijk, maar onze zorg is dat wij die andere wetten nog niet kennen. Hoe kunnen we dat dan beoordelen?

We hebben ook een heel andere mening over de frictiekosten. De vorige week heeft Jeugdzorg Nederland een factsheet van de frictiekosten jeugdzorg verspreid. Als je dat optelt, dat wil zeggen de bureaus voor jeugdzorg, de landelijk werkende instellingen en jeugd- en opvoedhulp, denken zij samen ruim 300 miljoen kwijt te zijn aan frictiekosten. Wat gaat daarmee gebeuren? Er zijn twee verschillende rechterlijke uitspraken. Het is dus niet duidelijk wie dat moet gaan betalen. Uiteindelijk is echter de jeugd de dupe, want de gemeentes hebben daar geen geld meer voor.

Ik heb gehoord dat gedeputeerde Van Haaften van de provincie Noord-Brabant de suggestie zou hebben gedaan dat het Rijk, het IPO en VNG een pot voor frictiekosten zouden maken. De 90 miljoen van de afroming van het Provinciefonds zou daarvoor kunnen worden gebruikt. Weet de staatssecretaris daar iets van en, zo ja, wat denkt hij daarvan?

Ten aanzien van de wachtlijsten en de demedicalisering delen wij het optimisme in deze Kamer niet. Om die reden dien ik de motie in, die ik in mijn eerste termijn heb aangekondigd, om de stemming over dit wetsvoorstel uit te stellen totdat alle onduidelijkheden zijn weggenomen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Frijters-Klijnen, Van Beek, Van Dijk, Reynaers, Van Strien, Sörensen, Popken, Marcel de Graaff en Kok wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat het onduidelijk is hoe hoog de frictiekosten kunnen uitvallen en wie daarvoor moet opdraaien;

constaterende dat de privacy nog niet voldoende is gewaarborgd;

constaterende dat de samenhang van de Jeugdwet met de Wmo, Participatiewet, kern-AWBZ en Passend Onderwijs nog niet concreet is;

overwegende dat het daardoor onmogelijk is om de uitvoerbaarheid van dit wetsvoorstel op dit moment op zijn merites te beoordelen;

verzoekt uitstel van stemming over het wetsvoorstel totdat alle onduidelijkheden zijn weggenomen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter L (33674/33684).

Mevrouw Beuving (PvdA):

Voorzitter. Ik dank beide staatssecretarissen voor de uitvoerige en heldere antwoorden op onze vragen. Naast de waarborgen die in het wetsvoorstel zelf staan, zoals in de eerste termijn is aangegeven, zijn in de antwoorden van de staatssecretaris van VWS de volgende waarborgen aan de orde gekomen c.q. toezeggingen gedaan. Ten eerste gaan gemeenten in ieder geval drie jaar werken met dbc's. Daarmee wordt ook de aansluiting op de volwassenen-ggz en somatische specialistische zorg voor jeugdigen bevorderd. Dit is voor de PvdA-fractie van groot belang.

Ten tweede heeft de staatssecretaris toegezegd, een gezaghebbende transitieautoriteit in het leven te roepen voor de overgangsproblematiek waarmee instellingen en gemeenten worstelen. De brancheorganisaties, jeugdzorg en jeugd-ggz hadden om een dergelijke autoriteit gevraagd en mijn fractie is dan ook blij met deze toezegging.

Ten derde heeft de staatssecretaris toegezegd met de VNG in overleg te zullen gaan over het invullen van de medeverantwoordelijkheid van gemeenten voor wetenschappelijk onderzoek, opleidingen, innovatie en instellingen. Ik vraag de staatssecretaris nog wel of hij bereid is om deze Kamer te berichten over de uitkomst van dat overleg en zo ja, op welke termijn dat waarschijnlijk gaat plaatsvinden.

Ten vierde heeft de staatssecretaris, in reactie op het verzoek van mijn fractie om een conferentie te organiseren tegen stigmatisering van psychische ziektes, toegezegd om samen met de premier die conferentie te gaan organiseren. De PvdA-fractie is blij met deze toezegging. Ik vraag de staatssecretaris om aan te geven op welke termijn hij denkt deze conferentie te kunnen organiseren.

Ik kom op de moties die ik overwoog in te dienen. Het ging om twee moties. Allereerst een motie over kwaliteit en financiële randvoorwaarden. De staatssecretaris heeft aangegeven bereid te zijn om de Eerste Kamer jaarlijks te informeren over de kwaliteit van het jeugdhulpsysteem en de financiële randvoorwaarden. Voor mijn fractie is van groot belang om te weten hoe de kwaliteit en de financiën zich tot elkaar verhouden. Daarom dien ik de volgende motie in.

Motie

De voorzitter: Door de leden Beuving, Slagter-Roukema, Kuiper, Ganzevoort, Scholten en Thissen wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat door de decentralisatie van alle jeugdhulp de huidige verantwoordelijkheden van onder meer het Rijk en de provincies ter zake aan de gemeenten worden overgedragen;

overwegende dat gezien de wettelijke jeugdhulpplicht van gemeenten beschikbaarheid van budget géén reden kan zijn om de benodigde jeugdhulp niet te verlenen;

overwegende dat het Rijk systeemverantwoordelijke blijft en derhalve de noodzakelijke randvoorwaarden moet creëren voor het goed functioneren van het nieuwe systeem van jeugdhulp;

van mening dat het Rijk de gemeenten voldoende financiële middelen voor de nieuwe taak moet verstrekken, zodat gemeenten hun nieuwe verantwoordelijkheid ook goed kunnen dragen;

van mening dat de kwaliteit van het gehele systeem van jeugdhulp alleen kan worden gewaarborgd als het Rijk het functioneren van het systeem intensief gaat monitoren;

verzoekt de regering, de Kamer jaarlijks bij de begroting te informeren over de kwaliteit en toegankelijkheid van het jeugdhulpsysteem in relatie tot de financiële randvoorwaarden voor de gemeenten,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter M (33674/33684).

Mevrouw Beuving (PvdA):

Voorzitter. Er was ook sprake van een tweede motie van mijn fractie. Die gaat over een meldpunt. De staatssecretaris heeft in feite gevraagd om deze motie – zo interpreteer ik zijn woorden – zodat hij kan zien wat wij precies bedoelen. Ik dien die motie nu in.

Motie

De voorzitter: Door de leden Beuving, Slagter-Roukema, Scholten, Ganzevoort, Thissen en Sent wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat er bij ouders, professionals en gemeenten grote zorgen bestaan rond de overheveling van de verantwoordelijkheid voor de geestelijke gezondheidszorg voor de jeugd naar gemeenten;

overwegende dat ook na die overheveling het Rijk als systeemverantwoordelijke verantwoordelijk is voor het goed functioneren van het nieuwe systeem van jeugdhulp;

verzoekt de regering, een meldpunt in te richten waar ouders, professionals en gemeenten terechtkunnen met vragen, signalen en suggesties die direct met het overhevelen van de verantwoordelijkheid voor de geestelijke gezondheidszorg voor de jeugd aan gemeenten te maken hebben, en de Kamer daarover jaarlijks te informeren,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter N (33674/33684).

Mevrouw Beuving (PvdA):

Voorzitter. Op basis van het voorgaande kom ik tot de conclusie mijn fractie te kunnen adviseren om voor dit wetsvoorstel te stemmen. Ik merk daarbij nog wel het volgende op richting de gemeenten en de VNG. Wij hebben er vertrouwen in dat de gemeenten de zware verantwoordelijkheid die zij volgens dit wetsvoorstel krijgen, kunnen dragen. Dit betekent dat wij heel veel verwachten van de gemeenten. Met dit wetsvoorstel komt een zeer zware verantwoordelijkheid op de gemeenten te rusten, die zij heel serieus moeten nemen. De vandaag al vaak aangehaalde uitspraak van de voorzitter van de VNG en de tweet van de VNG van vanavond "Van Rijn verdedigt zijn wetsvoorstel met speels gemak" getuigen niet van de serieuze houding die wij verwachten.

Ik memoreer nog even kort de zaken die de met dit wetsvoorstel beoogde verantwoordelijkheid voor gemeenten zo zwaar maken. Ten eerste: gemeenten worden volgens dit wetsvoorstel verantwoordelijk voor alle jeugdhulp, inclusief alle jeugd-ggz. Zij moeten zich daarbij heel goed realiseren dat ze ook verantwoordelijk worden voor hulp aan jeugdigen met stille problematiek, niet alleen voor degenen met overlast veroorzakende problematiek.

Ten tweede: met dit wetsvoorstel komt een afdwingbare, resultaatsgerichte jeugdhulpverplichting op de gemeenten te rusten. Dat gaat, zoals ik al eerder heb gezegd, verder dan de huidige verplichting van een verzekeraar om de onder de polis vallende zorg te leveren. Vanuit mijn expertise als jurist zeg ik: dit is een zeer vergaande verplichting.

Ten derde: de gemeenten hebben ook nog eens te maken met een zeer strikt en, zo bleek vanavond ook nog weer eens, erg ingewikkeld privacy-kader waaraan zij zich moeten houden. Deze zware verantwoordelijkheid van de gemeenten houdt in dat gemeenten veel kwaliteit, in de zin van medische en andere expertise, moeten stoppen in de gemeentelijke toegangspoort en dat expertise rond de privacy-normen moet worden aangetrokken. Er zal een grote kwaliteitsbevordering moeten plaatsvinden. Als dat gebeurt, leidt dit wetsvoorstel ook tot een geweldige kwaliteitsimpuls.

Kortom, wij hebben er vertrouwen in als gemeenten de nieuwe verantwoordelijkheid op die manier oppakken. Belangrijker is dat de gemeenten het vertrouwen van jeugdigen, ouders en professionals winnen en waarmaken. Dat is waar het om gaat. Wij verwachten dus een lokale overheid die op dienstbare, respectvolle wijze uitvoering geeft aan de nieuwe taken en verantwoordelijkheden en die daarbij de kwaliteit van de jeugdhulp voorop stelt. Dank u.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Voorzitter. Ik dank de bewindslieden voor hun antwoorden. Ik heb het "speels gemak" ook wel gezien en mij er af en toe ook wel aan gestoord wanneer ik het te speels vond worden. Ik voelde daarin te weinig empathie voor onze zorgen, die toch heel serieus zijn. Ik doel met name op de zorgen rond een transitie, waar wij op zich niet op tegen zijn, waarbij de taakstellende bezuiniging op de voorgrond staat. Ik houd mijn hart vast. Dan helpen dat soort tweets en uitspraken natuurlijk niet zo erg. Ik denk dat van verscheidene kanten is aangedrongen op duidelijk communiceren dat zorgen serieus moeten worden genomen.

Wij hebben onze motie al ingediend omdat wij vinden dat er eerst geld bij moet. Dat bleek bij alle stelselwijzigingen zo te zijn. Dat bleek in Denemarken ook noodzakelijk. De staatssecretaris heeft gezegd dat wij al veel van Denemarken hebben geleerd. Het is mij echter niet helemaal duidelijk wat wij geleerd hebben. Waaruit blijkt dat dan?

De overheid is stelselverantwoordelijk. Dat hebben wij enige malen geconstateerd. Zou de overheid dan op zijn minst geen kaders moeten formuleren voor minimumnormen waaraan jeugdzorg in een gemeente moet voldoen?

De staatssecretaris van V&J heeft wel gesproken over de ICT-systemen in dezen. Ik zou duidelijker willen horen of daaraan geen minimumnormen gesteld moeten worden. Een PIA doen in mei en in november constateren dat het mogelijk wel of niet in orde is, is één ding en een audit doen na de inwerkingtreding is soms misschien te laat. Ik wil hierover een duidelijke uitspraak hebben.

Ik heb in eerste termijn een vraag gesteld over de route via de huisarts. Ik denk dat wel heel duidelijk is geworden dat het de bedoeling is dat er een triage is op een manier zoals een huisarts poortwachter is, maar dan breder. Ik vraag de staatssecretaris nogmaals te willen aangeven hoe hij schat dat die route zal verlopen. Ik denk zelf namelijk dat op gemeentelijk niveau de stroom met name via huisartsen zal lopen, omdat die een hoge mate van privacy kunnen garanderen. Mogelijk kan de staatssecretaris mij ook daarin geruststellen?

Als de huisarts dan inderdaad de poortwachter is voor de jeugd-ggz, vraag ik mij af of dit dan niet door de gemeente betaald moet worden. Ik vraag mij af hoe Zorgverzekeraars Nederland er tegenover staat als de huisarts ook basis-ggz aan de jeugd verstrekt en de POH daarvoor zou inzetten.

Het is niet duidelijk geworden hoe het zit met 18-plus en 18-min. Ik doel op de jeugd die nu psychotherapie krijgt. Hoe moet het als zij 18 jaar worden? Hoe zal dan de zorg overgaan en vooral hoe wordt dat geregeld op het niveau van gemeente en VNG?

Tot slot kom ik toch weer terug op de stelselverantwoordelijkheid van de overheid en op de vraag of die nu wel of niet verantwoordelijk is voor frictiekosten. Wij hebben al verschillende malen opgemerkt dat dit een belangrijk punt is. Ik heb in mijn inbreng erop gewezen dat Jeugdzorg Nederland zegt dat een integrale en zorgvuldige overgang cruciaal is bij de Jeugdwet en pleit voor een meerjarige overgangsregeling. Ik heb ook gezegd dat de Ombudsman ons gisteren nog bericht heeft dat er onvoldoende waarborgen in het wetsvoorstel zitten om de continuïteit en de toegankelijkheid van zorg te garanderen voor de meest kwetsbare kinderen. "Zonder deze waarborgen acht ik de invoering van de nieuwe Jeugdwet per 2015 onverantwoord", zo bericht de Ombudsman ons.

De staatssecretaris sprak over een transitie-autoriteit. Dat kwam op mij over als een konijn uit de hoge hoed. Ik zou hem heel dringend willen vragen om vóór de vergadering van volgende week voor ons op papier te zetten wat hij daarmee bedoelt, wat de functie en de opdracht zijn, welke persoon daarachter zit, wat het budget is en wat de autoriteit is. Ik denk dat in die brief ook het meldpunt dat net door de fractie van de PvdA is genoemd betrokken kan worden. Ik kondig nu vast aan dat ik naar aanleiding van die informerende brief nog een derde termijn zal vragen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretarissen voor de antwoorden op de vragen en voor het debat. Het is in ieder geval duidelijk dat wij met elkaar in deze Kamer een sterke verantwoordelijkheid voelen voor het hele veld van de jeugdzorg en de jeugdhulpverlening. Met alle debatten die wij verder kunnen voeren over de vraag hoe dat dan moet, is deze overeenstemming van intentie van groot belang, vooral omdat het draagvlakprobleem wel degelijk een issue is. Ik was erg blij met het citaat waarmee de staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport zijn termijn eindigde. Het was een indrukwekkend citaat dat precies aangeeft waarover het gaat. Dat betekent echter niet per se dat wij allemaal een consensus hebben, want Fier Fryslân, waar dit citaat naar mijn idee vandaan kwam, heeft ook de petitie ondertekend. Het is precies een deel van de uitdaging die nog voor ons ligt. Wij hebben verstaan dat de staatssecretaris daaraan ook nog hard gaat werken. Dat lijkt mij zeer belangrijk.

Op een aantal punten zijn wij tevredengesteld in het debat. Met de verduidelijking van de positie van vertrouwensartsen zijn wij een stuk verder gekomen. Dat geldt ook voor de uitspraak over de status van de ggz in het geheel en de discussie over de mogelijke stigmatisering van psychische problematiek. Of daaraan nu een door de minister-president mede bijeengeroepen conferentie alles bijdraagt, weet ik niet, maar symbolisch is het een mooie stap.

Ik heb de staatssecretaris horen toezeggen dat door het woonplaatsprincipe niemand tussen de wal en het schip zal vallen. Ook dat lijkt mij belangrijk om te noteren. Het inkoopadvies en de rol van de zorgverzekeraars daarbij lijkt ons wat mager, maar vooruit.

De toegang tot zorg lijkt goed geborgd. Er zijn echter wel wat losse eindjes. Als wij spreken over pleegzorgaspecten knaagt het wel aan ons dat kinderen zonder verblijfsrecht zich niet mogen hechten. Dat lijkt ons nu juist niet een thema waarvan je zegt dat de migratie- en de zorgdoelstellingen beide gedekt zijn. Nee, daar lijdt de zorg voor kinderen onder andere doelstellingen. Bovendien valt mij dan wel op dat deze zorg niet is opgenomen in de wet maar in een uitvoeringsregeling. Ook dat is een vorm van ongelijkheid.

De PIA is een goede zaak maar daarmee is de kritiek van het CPB nog niet weg. Daarom willen wij graag geïnformeerd worden over de uitkomsten van de verschillende PIA's en de ontwikkeling van de schakelpunten. Ik heb eerder een vraag gesteld over de notificatie. Zou het in het vrijwillige kader van de jeugdzorg geen uitgangspunt moeten zijn dat de burgers wel genotificeerd worden? Als zij eigenaar zijn van hun gegevens, zouden zij toch ook bericht moeten krijgen wanneer die gegevens veranderd worden? Ik wil hierop graag een toelichting.

De bottleneck blijft voor ons zitten in de combinatie van transitie, transformatie en bezuiniging. Op een bepaald moment leek het alsof de staatssecretaris zich versprak toen hij eigenlijk zei dat bezuiniging wel een doel is van deze operatie. Hij zei iets in de zin van: het mag niet gratis zijn voor gemeenten, want dan is er geen prikkel. Ik moet het stenogram erop nalezen. Kennelijk is de bezuiniging niet alleen de randvoorwaarde waarbinnen het moet gebeuren, maar een instrument waarmee de staatssecretaris iets wil bereiken. Dat lijkt ons een verkeerde aansporing. Zowel bij de gemeente als bij de zorginstellingen als bij alle betrokkenen is er de intentie om de dingen beter te doen. Dat wij een aantal verkeerde prikkels wegnemen, zeker; dat wij een aantal verkeerde schotten wegnemen, graag, maar dit lijkt ons een verkeerde aansporing.

Wij constateren dat er ondertussen te veel geld gaat zitten in de opbouw van een nieuw apparaat, in de inhuur van consultants, et cetera. Wij blijven zeggen: transformeren is investeren. Daarmee constateren dat uiteindelijk alle risico's bij de gemeente worden neergelegd. Immers, de gemeente krijgt zorgplicht. Er zijn allerlei garantiebudgetten voor jeugdzorgtrajecten en bureaus jeugdzorg. Er is maar een beperkte sturing op de huisarts, de doorverwijzing en de ggz. Alle overblijvende financiële risico's liggen bij de gemeente. Wij hebben hierop graag een reactie van de staatssecretaris.

Dat gemeenten wel moeten betalen maar dat misschien niet kunnen, is een groot risico. Daarmee komen ook de zorginstellingen in de gevarenzone. Geeft het Rijk nu garanties zodat er geen instellingen omvallen in het gedrang van de transitie? Laten wij daar beginnen. Als een instelling niet meekomt in een heel transformatieproces omdat zij haar eigen beleid niet mee aanpast, zij het zo. Dat een instelling omvalt in een transitie, mag echter toch niet zo zijn? Het Rijk zal zijn stelselverantwoordelijkheid moeten waarmaken. Het woord "transitieautoriteit" is wel mooi, maar het is wat ons betreft onvoldoende ingevuld. In die zin voel ik wel mee met de collega's van de SP. Misschien kan het wat helderder. Als er een goed antwoord komt op de vraag van de collega van het CDA, hebben wij in elk geval een begin van idee.

Maar dan nog, een transitieautoriteit is er alleen maar voor de transitie en is nog geen stelselverantwoordelijkheidsautoriteit, jeugdwetstelselautoriteit of iets in die richting. Ik begrijp dat de staatssecretaris heel snel akkoord gaat met nieuwe termen, dus misschien dat hij op dit punt ook nog een stapje kan zetten. Anders gezegd, is mijn vraag of er ook een blijvende autoriteit is die toezicht houdt op het hele stelsel zodat de rijksverantwoordelijkheid kan blijven staan.

Dit brengt ons bij een wat cynische vraag, namelijk of het Rijk met deze Jeugdwet niet alle risico's van zich afgeorganiseerd heeft en bij de gemeenten, die er weinig mee kunnen, op tafel heeft gelegd. De hoopvolle vraag is of de regering zich blijvend verantwoordelijk weet voor de zorg. In dat kader, vanwege de stelselverantwoordelijkheid en de noodzaak van een vangnet, leg ik graag een motie aan de Kamer voor.

Motie

De voorzitter: Door de leden Ganzevoort, De Boer, Thissen, Slagter-Roukema en Kox wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende dat de transformatie van de jeugdhulpverlening alleen kan slagen wanneer er voldoende wordt geïnvesteerd in transitiekosten en preventie;

overwegende dat dat door de beoogde bezuinigingen onder druk staat;

overwegende dat de rijksoverheid eindverantwoordelijk is voor het welslagen van de transitie;

overwegende dat door veranderingen in de bekostiging de kosten van de jeugd-ggz moeilijk in te schatten zijn;

overwegende dat sommige gemeenten met grote tekorten worden geconfronteerd, bijvoorbeeld omdat zij een grote residentiële instelling binnen hun grenzen hebben;

verzoekt de regering, garanties te bieden voor situaties waarin de gemeentelijke budgetten ondanks zorgvuldig beleid te krap zijn om de noodzakelijke zorg en preventie te organiseren,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter O (33674/33684).

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Wij hebben nog een paar nachtjes nodig om hierover na te denken en zullen volgende week ons standpunt bepaald hebben.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Voorzitter. Het is geloof ik precies twaalf uur geleden dat wij aan dit debat zijn begonnen. Er zijn heel wat uren verstreken, maar die zijn goed besteed. Ik denk dat wij heel grondig en uitgebreid alle aspecten van het wetsvoorstel hebben kunnen bekijken en bespreken met de staatssecretarissen. Ik dank hen daarvoor, ook voor de betrokken wijze van antwoorden. Dat heeft echt geholpen in dit debat.

Wat ons erg aanspreekt, is de manier waarop wordt gesproken over de integratie van allerlei vormen van jeugdzorg en jeugdhulp op het lokale vlak. Over de nieuwe gemeentelijke aanpak is goed gesproken. Mijn fractie heeft daar echt verwachtingen van, van het dichter bij de gemeenten brengen en het dichter bij de burger brengen. Ik heb ooit een keer een boekje geschreven, waar op de voorkant stond "Dienstbare Overheid". Het heeft mij deugd gedaan dat dit begrip vandaag in het debat zo vaak heeft rondgezongen.

Wat voor mijn fractie toch lastig blijft, is de manier waarop nu de jeugd-ggz naar de gemeenten wordt gedecentraliseerd. Wij achten deze ingreep eigenlijk te fors, ook voor het doel dat wij daarmee willen bereiken. Ik begrijp de antwoorden. Die liggen heel sterk op het vlak van organisatie en aansturing. Het gaat hier echter ook om competenties die erkend moeten worden. De kern is: hoe diagnosticeren wij en hoe verwijzen wij door? Daar had de analyse moeten beginnen. Vervolgens zou de vraag gesteld moeten worden wat wij met de geestelijke gezondheidszorg in Nederland precies doen. Ik merk dat er, ook bij andere fracties in de Kamer, niet echt de politieke ruimte is om nog in dit stadium een heel andere weg te bewandelen. Dat zullen wij in de fractie meewegen.

Waar wel een politieke weg is – dat is een ander punt dat ik heb genoemd – is waar het gaat om de Landelijk Werkende Instellingen, die werken met een landelijke vraag en die soms hoogspecialistische zorg bieden. Die mogen in de transitiefase niet omvallen. Het gaat om instellingen op het gebied van jeugdbescherming, zoals de William Schrikker Groep, en de tehuizen, zoals Hoenderloo, instellingen die specialistische zorg leveren. Daar zijn goede dingen over gezegd. Toch, om dat goed vast te zetten tussen de bewindslieden en deze Kamer, wil ik een motie indienen om de beschikbaarheid van deze zorg voor de toekomst en een goede landing van die Landelijk Werkende Instellingen in het nieuwe bestel te waarborgen.

Motie

De voorzitter: Door de leden Kuiper, Slagter-Roukema, Ganzevoort, Quik-Schuijt en De Vries-Leggedoor wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslagingen,

constaterende dat de vorming van jeugdzorgregio's ingrijpende consequenties heeft voor de Landelijk Werkende Instellingen (LWI's) in de jeugdzorg;

overwegende dat deze LWI's een landelijke vraag bedienen en soms zeer specialistische jeugdzorg aanbieden, waarvoor doorgaans geen alternatief bestaat;

overwegende dat deze LWI's door de transitie in de jeugdzorg in hun voortbestaan worden bedreigd, onder meer doordat hun geen middelen worden toebedeeld in de transitiefase;

overwegende dat het niet de bedoeling van de transitie in de jeugdzorg kan zijn dat in Nederland deze vormen van specialistische zorg verdwijnen;

verzoekt de regering, een regeling te treffen voor LWI's om de beschikbaarheid van deze zorg voor de toekomst en een zachte landing in het nieuwe bestel te waarborgen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter P (33674/33684).

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Wij zullen dit debat verder wegen in onze fractie. Ik vind het heel belangrijk dat er snel duidelijkheid komt over die transitieautoriteit. Als dat het geval, zullen wij volgende week ons standpunt hebben bepaald.

De heer De Lange (OSF):

Voorzitter. Allereerst wil ik mijn dank uiten aan beide staatssecretarissen voor het beantwoorden van de vele vragen, hoewel onze fracties niet altijd echt onder de indruk waren van de inhoud ervan. Natuurlijk is het onderwerp dat door de staatssecretaris van VWS werd behandeld des poedels kern. Laat mij kort samenvatten hoe onze fracties dat ervaren hebben: waar het bewoog, was het voor onze fracties niet cruciaal en waar het voor ons cruciaal was, bewoog het niet. Dat is een betreurenswaardige conclusie, wat ons betreft.

Er is vanavond veel gepraat over geloof, hoop en liefde. Wie ben ik om daar tegenstander van te zijn. Dat zijn prachtige begrippen natuurlijk. Ik zou echter toch heel graag gezien hebben dat er in opvolging daarvan een heel grote dosis realiteitszin geweest zou zijn. Daar heb ik toch heel veel van gemist. Ik vind het heel moeilijk te geloven dat een dergelijke grote transitie zo weinig problemen met zich mee zal brengen als door veel sprekers gesuggereerd is. Dat ligt naar mijn gevoel niet voor de hand.

Het debat van vanavond neemt ook de maatschappelijke verontrusting niet weg die wij van tevoren en tijdens hebben bespeurd en die wij ongetwijfeld ook na het debat zullen bespeuren. Die verontrusting is ook voor onze fracties door het debat van vanavond helaas niet weggenomen. Laat mij eindigen met het understatement van de avond: het is niet waarschijnlijk dat onze fracties voor het wetsvoorstel zullen stemmen.

Mevrouw Scholten (D66):

Voorzitter. Toen de staatssecretaris van VWS begon met zijn verdediging, haalde hij de motie-Soutendijk uit 2004 aan. Toen ik dat aanhoorde, dacht ik: wat een mooie motie, wat doen wij hier eigenlijk ingewikkeld; het is toch duidelijk dat de jeugdzorg integraal door één front gefinancierd moet worden? Dat heeft dan tien jaar geduurd en nu moeten wij er vandaag een beslissing over nemen.

Ik dank beide staatssecretarissen voor hun uitvoerige en onderbouwde antwoorden, toelichting en verdediging van het wetsvoorstel. De jeugdzorg gaat iedere fractie aan het hart. Dat is wel gebleken in het serieuze debat van vandaag. De inbreng van iedere fractie is daarvan het levende bewijs, evenals de kwaliteit van de antwoorden van de staatssecretarissen.

Het pleidooi van de staatssecretaris van VWS over de kwaliteitsimpuls in de Jeugdwet – hij noemde de integraliteit van de preventiemaatregelen, passende zorg en verwijzing waar nodig maar dan echt aan de voorkant – heb ik met belangstelling aangehoord. Ik heb de aarzelingen van mijn fractie in eerste termijn verwoord door het stellen van een aantal vragen. Een aantal daarvan zijn naar tevredenheid beantwoord. Mijn voorstel tot het instellen van pilots met alle bij de organisatie van de jeugd-ggz betrokkenen voor het uitwerken van praktijkmodellen is integraal overgenomen. Dank daarvoor. Pilots zijn er tot nu toe nog niet geweest. Dat is eigenlijk een gemiste kans, zoals ik in eerste termijn heb gezegd. Deze kunnen nu bijdragen aan een zachtere landing van de betrokkenen, aan de vergroting van kennis, hopelijk aan het wegnemen van de zorgen en, wat belangrijk is, aan het versterken van de positie van de huisarts daarin. Alle praktijkmodellen die worden ontwikkeld, kunnen bijdragen aan een betere evaluatie van de wet over drie jaar.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik wil mevrouw Scholten nog even vragen of ze van de staatssecretaris heeft gehoord hoe hij dat dan gaat doen. Ik kan me dat zelf niet herinneren.

Mevrouw Scholten (D66):

Mevrouw Slagter is al aan het woord geweest, dus ik zal die vraag namens haar aan de staatssecretaris stellen. Het organiseren van pilots is het organiseren van pilots. De staatssecretaris heeft zich daarachter gesteld. Ik hoef die vraag niet te beantwoorden. Dat kan de staatssecretaris dan straks nog doen.

De door de brancheorganisaties voorgestelde overgangscommissie heeft de staatssecretaris ook toegezegd. Volgens hem is die al vrijwel geïnstalleerd. Deze commissie, die inmiddels de naam Transitieautoriteit heeft gekregen, zal zich met spoed verdiepen in de beoordeling van de ingewikkelde frictiekosten. Ik had liever gehoord dat de staatssecretaris zich daarvoor garant had gesteld, maar daar moeten we nog op wachten. Ik onderschrijf het verzoek van mevrouw De Vries om een brief om precies te weten hoe die transitiecommissie haar werk gaat doen.

De voorzitter:

Het was mevrouw Slagter die dat vroeg.

Mevrouw Scholten (D66):

Het spijt me. Ik heb de namen door elkaar gehaald. Ik wijt het aan het late uur.

Andere vragen zijn naar tevredenheid beantwoord, voor zover ik er in het hierna volgende niet op terugkom. Ik heb nog wel een vraag bij de discussie over de vangnetconstructie bij het woonplaatsbeginsel. Misschien kan de staatssecretaris daar nog even iets over zeggen. Daarover tast ik namelijk nog in het duister. Ik verwees naar de problematiek bij de ots van een kind die niet woont bij zijn moeder, die het gezag bekleed en die daar wel …

Excuses, ik ben even niet lekker.

(Mevrouw Scholten wordt onwel.)

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

(Mevrouw Scholten wordt bijgestaan en verlaat onder begeleiding de plenaire zaal van de Eerste Kamer.)

De voorzitter:

Ik verzoek u allen om uw plaats toch maar weer in te nemen. Het gaat goed met mevrouw Scholten. Voor zover ik heb kunnen begrijpen, was ze toch al klaar met haar inbreng in tweede termijn, misschien op één zin na. De strekking daarvan was wel duidelijk. Ik stel voor om het debat nu voort te zetten. Er is nog één persoon die zal spreken in tweede termijn. Daarna is het woord aan de regering. Ik denk dat het verstandig is om nu verder te gaan.

Ik geef het woord aan de heer Beckers.

De heer Beckers (VVD):

Voorzitter. Dat is toch schrikken. Dit bepaalt ons allen met elkaar. De sfeer is opeens anders. Wat kun je nog voor zinvols zeggen als er zoiets gebeurt? Toch lijkt het mij goed om toch even de draad op te pakken.

Namens de VVD-fractie dank ik de staatssecretarissen voor de beantwoording van de vragen. Wij hebben kunnen constateren dat we vandaag een gedegen beantwoording gehad hebben van twee heren die met volle betrokkenheid in de onderwerpen zitten. Zij zijn urenlang bezig geweest om hier met die betrokkenheid, die ze in onze ogen ook uitstralen, de problemen die we met de invoering van deze wet zien, goed aan te pakken en om die niet te ontkennen. Zij gaan ervan uit dat in zo'n grote verandering, in zo'n grote reorganisatie, zoals je die wel kunt noemen, vertrouwen en communicatie, fouten durven maken, elkaar aanspreken, elkaar volgen, en daar waar nodig kritisch volgen, de begrippen zijn om een dergelijk traject tot een goed einde te brengen. Daar heeft de VVD-fractie alle vertrouwen in. Zij is dan ook geheel tevreden met de beantwoording.

Wij hebben uitvoerig stilgestaan bij de frictiekosten. In die discussie vroeg ik mij af of die frictiekosten niet daar terecht zouden moeten komen waar er in het verleden aanleiding tot het ontstaan van die frictiekosten is geweest. Heel vaak zie je dat bij fusies of bij reorganisaties in het bedrijfsleven nagegaan wordt of er lijken in de kast zitten. Bij frictiekosten kun je je afvragen of die puur en alleen het gevolg zijn van wat wij nu veranderen, wat wij willen, of dat er nog achterstallig onderhoud is. Ook kun je je afvragen of degene die daarvoor verantwoordelijk is, wellicht ook nog een bijdrage kan leveren aan die frictiekosten.

Voor het laatste puntje dat in de eerste termijn aan de orde was wil ik nog even de aandacht vragen: de rol van de gemeenteraden. Die gemeenteraden verdienen alle vertrouwen van ons. In de eerste termijn heb ik de staatssecretarissen ertoe uitgenodigd om de verantwoordelijkheid te nemen voor het verbeteren van het aanzien van gemeenteraden en voor het verhogen van het respect dat wij met zijn allen, wij hier in de Kamer, in dit huis, maar ook de buitenwereld, de pers en de burger in de straat, zouden moeten hebben voor gemeenteraden en om dat tot voorwerp van een verbetertraject te maken. Hierbij wilde ik het laten.

De vergadering wordt van 23.54 uur tot 00.00 uur geschorst.

De voorzitter:

Het gaat goed met mevrouw Scholten, maar ze zal niet meer deelnemen aan het restant van het debat. In overleg met haar hebben we besloten om het debat vanavond wel te voltooien. Ik geef het woord in tweede termijn aan de staatssecretaris van VWS.

Staatssecretaris Van Rijn:

Voorzitter. Ik dank de leden voor hun bijdragen in tweede termijn. Ik zal heel kort reageren op enkele vragen en dan tot een oordeel komen over een aantal moties, samen met mijn collega, die ook een aantal moties voor zijn rekening zal nemen.

Mevrouw De Vries stelde mij vragen over de Transitieautoriteit. Spoort die met het voorstel van de brancheorganisaties en de VNG? Klopt een en ander met de teksten die zij daarover hebben geleverd? Ja. In de tekst staat de suggestie om de Transitieautoriteit ook doorzettingsmacht te geven, zodat ze ook maatregelen kan nemen om zaken te borgen. Ik zei al in het debat dat het misschien goed is om dat niet helemaal bij de Transitieautoriteit te leggen, maar onder de verantwoordelijkheid van de beide staatssecretarissen te brengen. Met mijn toezegging bedoelde ik te zeggen dat ik positief reageer op het voorstel van de brancheorganisaties en de VNG. Ik zou dat het liefste samen met hen willen uitwerken. In mijn ogen is het niet per se nodig om voor de stemmingen met een brief daarover te komen, omdat ik juist zo zorgvuldig mogelijk wil doen met de brancheorganisaties, waarna ik de Kamer daarover zal informeren. Ik hoop dat de Kamer mij de ruimte geeft om dat netjes met de brancheorganisaties verder uit te werken. Ik stel voor dat ik dat doe, maar verzoek om enige clementie als het gaat om het tijdstip, namelijk voor de stemming. Ik neem aan dat dat voor sommige partijen noodzakelijk is en voor andere niet. Als ik nu toezeg dat ik tegemoetkom aan de vraag van de brancheorganisaties en de VNG zelf, dat ik het met hen samen wil uitwerken en dat ik de Kamer te zijner tijd wil informeren over de resultaten daarvan, hoop ik dat dat voldoende kan zijn.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik had heel nadrukkelijk gevraagd om een brief voor de stemmingen. We kunnen de stemmingen natuurlijk uitstellen tot de brief er is, want ik wil weten wat die brief precies inhoudt.

Staatssecretaris Van Rijn:

Misschien is het goed om de opvattingen van de andere partijen ook te horen, zodat ik kan zien wat het beste is.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Ik was de eerste die erover begon. In mijn beleving gaat ook hierbij, net als bij de wet, zorgvuldigheid voor snelheid. De toezegging zoals de staatssecretaris haar nu doet, betekent in mijn ogen dat hij de ruimte moet krijgen om dat zorgvuldig vorm te geven. Als dat betekent dat dat niet lukt voor komende dinsdag, dan zij dat zo. Betekent dat dat je dan de stemmingen al moet houden? In onze beleving niet, want daarvoor is de toezegging zoals de staatssecretaris haar nu doet voor onze fractie voldoende.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

De belangen van duidelijkheid voor het veld wegen zwaar. Wat ons betreft is het niet verstandig om de stemmingen uit te stellen. Wel willen we graag meer duidelijkheid, maar dat mag iets langer duren.

Mevrouw Beuving (PvdA):

Wij volgen de lijn van mevrouw De Vries.

De heer Kuiper (ChristenUnie):

Ik sluit mij daarbij aan.

Mevrouw Frijters-Klijnen (PVV):

Ik raad alle partijen aan om mijn motie te steunen. Dan is dat probleem meteen opgelost.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik zal mijn best doen om dat netjes met de brancheorganisaties uit te werken en de Kamer daarover zo snel mogelijk een brief sturen, waarvan ik heb begrepen dat dat niet per se voor de stemmingen nodig is. Ik zal mijn best doen om het zo snel mogelijk te doen.

Mevrouw Frijters zei dat, als je het geheel wilt overzien, je natuurlijk ook zicht moet hebben op de andere wetten. De Wmo ligt in de Kamer. Tegelijkertijd hebben we de Kamer beloofd om de samenhang der wetten te schetsen: wat gebeurt er in de Wmo en in de WLZ. Zo kan het hele spectrum worden overzien. Ik heb het gevoel dat er met de beschikbare informatie, plus de brief die we nog sturen over de samenhang der stelsels, om het maar even dramatisch te zeggen, voldoende inzicht is om te beoordelen hoe deze wet plus die andere wetten gaan landen bij de gemeenten. Ik denk dat we een heel zorgvuldig debat hebben gevoerd, op grond waarvan we die samenhang op haar merites kunnen beoordelen.

Mevrouw Frijters deed mij nog een suggestie, als ik het zo mag noemen. Kan ook naar de provincies worden gekeken als het gaat om de frictiekosten? Die frictiekosten zijn beïnvloedbaar, afhankelijk van de afspraken die je maakt over de inkoop. Dat is precies de reden, waarom we met de Transitieautoriteit kunnen objectiveren of er verstandige afspraken zijn gemaakt en of ze aangepast moeten worden, om daarmee de frictiekosten te verkleinen. Ik wil het heel praktisch benaderen: ik ga niet ontkennen dat er frictiekosten zijn, maar ik ga wel zeggen dat alle partijen er alles aan moeten doen om die frictiekosten te beperken. Als alle partijen daarin samenwerken, dan denk ik dat ze in positieve zin beïnvloedbaar zijn. De suggestie van mevrouw Frijters om de provincies bij dat overleg te betrekken, zal ik ter harte nemen. Ik neem aan dat ook de provincies belang hebben bij een zorgvuldige transitie. Dat hebben ze ook meermalen aangegeven. Ik zal zeker met de provincies overleg voeren om te zien of zij betrokken kunnen worden bij de discussie rondom de Transitieautoriteit en het zo klein mogelijk maken van de frictiekosten. Laten we wel wezen: elke suggestie die kan bijdragen aan het beïnvloeden, ja zelfs verminderen van de frictiekosten, neem ik natuurlijk mee.

Mevrouw Beuving herhaalde een aantal toezeggingen van mij. De bewoordingen waarin dat gebeurde, kan ik bevestigen. Zij vroeg mij wanneer die conferentie over stigmatisering ongeveer zal worden gehouden. Ik kan het niet helemaal overzien, maar ik zou het heel mooi vinden als dat nog voor de zomer kan gebeuren. Daar ga ik mijn best voor doen.

Mevrouw Beuving verwees nog even naar een tweet waarin zou staan dat dit met speels gemak zou gaan. Ik heb invloed op veel dingen, maar niet op welke tweets door welke personen worden getwitterd. Ik heb in ieder geval noch de speelsheid, noch het gemak in deze Kamer ervaren. Dat wilde ik ook zo houden.

Mevrouw Slagter vroeg of er geen kaders moeten worden geformuleerd waarbinnen de jeugdzorg en de jeugdzorg moeten blijven. Ik heb juist geprobeerd aan te geven dat we met de nieuwe Jeugdwet nogal wat kaders vaststellen, waarin we de professionele richtlijnen vaststellen, waarin we zeggen dat de innovatie en de opleidingen intact moeten blijven, waarin we zeggen dat we de kwaliteit waarborgen, waarin we zeggen dat het toezicht van de inspectie intact blijft en waarin we zeggen dat we ervoor zorgen dat in de wet een aantal waarborgen wordt opgenomen voor zorginkoop door gemeenten. Ik denk eigenlijk dat er in die wet heel veel waarborgen zitten waaraan het hele stelsel van de jeugdzorg zich gaat houden. De discussie met de jeugd-ggz heeft ertoe geleid dat veel waarborgen gewoon letterlijk in de wet zijn opgenomen. Mijn oordeel is dat die kaders er wel degelijk zijn.

Mevrouw Slagter stelde nog een vraag over de huisarts. De directe toeging is nu heel erg gekoppeld aan de jeugd-ggz, maar zij heeft gelijk: dat moet je breder zien. Als de huisarts als spil in dat hele systeem gaat functioneren, dan zal er niet alleen meer de route zijn naar de jeugd-ggz, maar ook naar huisartsen die kennis dragen van het gemeentelijk aanbod aan jeugdhulp en jeugdzorg. Zij zullen ook kunnen verwijzen, althans als ze kennis dragen van het aanbod. In de gemeente Utrecht bestaat "Welzijn op recept". De huisarts schrijft daar bijna letterlijk een recept uit voor een gang naar de welzijnssector, omdat voor sommige patiënten aanhaken op het gemeentelijk beleid een goede manier is om anders naar de zorg voor mensen te kijken. Ik ben daar sterk voor, en ik wil een verband leggen met het voorstel van D66 over de pilots. Ik denk dat het heel verstandig is als wij in de komende periode met gemeenten, verzekeraars, huisartsen en zorgaanbieders kijken, welke modellen zich ontwikkelen om die organisatie van de jeugdhulp, de jeugdzorg en de jeugd-ggz in relatie met de huisartsen vorm te geven. Als er veel huisartsenposten of gezondheidscentra zijn, zullen dat andere modellen zijn dan bij individueel opererende huisartsen. Daarom lijkt het mij goed om een aantal modellen te ontwikkelen die iedereen kan gebruiken om de routes te ontdekken, maar ook om de kennis ervan te verspreiden en ze in het zonnetje te zetten zodat gemeenten daar veel gebruik van gaan maken. Ik zou het positief willen oppakken. Ik ben het eens met wat mevrouw Scholten in eerste termijn zei. Volgens haar moeten we heel veel energie steken in het ontwikkelen van een huisartsenroute, om ervoor te zorgen dat de kennis en kunde niet alleen bij huisartsen, maar ook bij de gemeenten, versterkt worden.

Ik dacht dat ik een aantal opmerkingen had gemaakt over 18-plus en 18-min. Mijn inzet is daarbij de volgende. Als wij weten dat er jeugdigen zijn die in een instelling verblijven, van wie wij niet weten wat er met hen gebeurt als ze 18 jaar worden, zijn er twee varianten mogelijk. Aan de ene kant moeten we goede afspraken maken met de instelling die de zorg misschien moet overnemen. Dat betekent dat afspraken gemaakt moeten worden tussen de gemeente en de zorgverzekeraars. Aan de andere kant ligt er een voorstel van de Kinderombudsman om op de 17e verjaardag van een kind te kijken hoe men de toekomst ziet als het kind op zijn 18e jaar naar huis wil. Als je aan je klompen aanvoelt dat het fout gaat, zou je er bijvoorbeeld door mentorschap al voor kunnen zorgen dat je de kinderen niet alleen naar huis stuurt, maar dat er voorzieningen zijn en dat er afspraken worden gemaakt over de wijze waarop dat gaat verlopen. Het voorbeeld was iemand die in een thuissituatie komt waarin zich een dramatische ontwikkeling voordeed, waardoor het kind in de thuissituatie gewoon niet veilig was. Het staat eigenlijk los van de stelsels en is iets wat in het huidige stelsel voldoet. Ik hoop dat deze stelselwijziging ertoe bijdraagt dat we niet alleen zicht hebben op de kinderen waar het nu om gaat, maar ook zicht op hen houden.

De heer Ganzevoort herhaalde een aantal toezeggingen van mijn kant. Misschien moet ik nog even toelichten wat ik bedoelde met de opmerking dat het niet gratis kan zijn, alsof de bezuiniging een doelstelling is. Ik bedoelde dat de stelselwijziging integraal werkt aan de voorkant. Aan de voorkant kunnen we zien dat er geen onder- en overbehandeling is. Dat leidt ertoe dat de zorg efficiënter georganiseerd kan worden, dat er minder hulpverleners zijn, en dat we met één plan en één regisseur op een efficiëntere manier de zorg en ondersteuning kunnen leveren. Uit experimenten en uit ervaring blijkt dat je daadwerkelijk tot kostenbesparing kunt komen, als je de jeugdzorg en de jeugdhulp anders organiseert. Die kostenbesparing gaat niet ten koste van de zorg, maar komt juist ten goede eraan en levert een wat ruimere en prettiger werkwijze voor professionals in de zorg op. In die zin kan het samengaan. Ik snap wel dat het gemakkelijker zou zijn als je geen bezuinigingstaakstelling hebt. Tegelijkertijd is het echter goed om te bedenken dat het behalen van de bezuiniging geen beleidsdoelstelling op zich is, maar dat het natuurlijk wel heel verstandig is om de zorg op de meest efficiënte manier te organiseren. Dat is ook in het belang van de jeugdigen, want het geld dat uitgaat naar verspilling, bureaucratie of onnodige indicaties, kun je beter gebruiken om goede zorg te verlenen. Ik vind het niet zo vreemd dat de taakstelling, die in het eerste jaar nog zeer beperkt is, gecombineerd wordt met de transitie, omdat ze elkaar kunnen versterken.

Voelen wij ons systeemverantwoordelijk? Ik dacht dat ik in mijn termijn al had gezegd dat dit zeker het geval is. Wij voelen ons niet alleen verantwoordelijk voor de totstandkoming van de wet, maar ook daarna. Er is een aantal moties op dit punt ingediend. Wij voelen ons verantwoordelijk om niet alleen ervoor te zorgen dat er een goede wet tot stand komt, maar juist om te kijken of de doelstellingen van het jeugdbeleid, waarin we meer passende zorg willen geven, rekening houdend met de persoonlijke omstandigheden, gerealiseerd worden.

Ik realiseer me ook dat dit niet van de ene op de andere dag klaar is. We hebben een langere periode nodig om dat te volgen. De voorstellen van mevrouw Beuving, waar ik zo dadelijk op zal reageren, illustreren dat wij het niet alleen zullen volgen, maar ook zullen kijken of de doelstellingen van de wet op de lange termijn bereikt worden. Ja, wij voelen ons stelselverantwoordelijk en wij voelen ons er ook verantwoordelijk voor om te kijken of de doelstellingen van de wet worden bereikt.

De heer Kuiper had nog een aantal vragen gesteld over de landelijk werkende instellingen ...

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Van Ganzenwinkel.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Het wordt steeds mooier. Even voor de duidelijkheid: mijn naam is Ganzevoort, zonder "van" en zonder "winkel".

De voorzitter:

Neem me niet kwalijk. Ik denk dat we door het late uur allemaal een beetje gaan draaien. Mijn welgemeende excuses.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik had de vraag over de stelselverantwoordelijkheid iets concreter gemaakt. Betekent het dat de transitieautoriteit die nu geframed wordt alsof zij alleen over de transitieperiode gaat, eigenlijk een jeugdwetstelselautoriteit zou moeten zijn, die ook op langere termijn een rol kan spelen? Dat hoeft nu misschien niet vastgelegd te worden, maar de stelselverantwoordelijkheid moet op een of andere manier geborgd worden. Hoe wordt die geborgd? Het zou bij de autoriteit kunnen, dan heeft ze misschien een wat steviger basis. Als het anders is, hoor ik graag hoe de staatssecretaris het voor zich ziet.

Staatssecretaris Van Rijn:

Ik zou er graag even over nadenken hoe we dat vormgeven. Er zijn diverse vormen. Wij richten met de VNG een aantal monitors in om te kijken hoe het gaat in het gemeentelijk beleid. Rondom de transitie hebben we een specifieke voorziening waarvan we nu zeggen dat het heel goed is om te volgen hoe het in de transitie gaat. Bij de Wmo hebben we met elkaar afgesproken dat het Sociaal en Cultureel Planbureau periodiek meet hoe het ervoor staat op het gebied van de maatschappelijke ondersteuning, en hierover regelmatig rapporten uitbrengt. Vanuit het gegeven dat wij ons stelselverantwoordelijk voelen en dat wij goede informatie nodig hebben over de vraag hoe het proces loopt, wil ik het geheel even goed bekijken. Ik wil bekijken welke monitors we straks hebben, hoe we het doen met de transitie, of we het Sociaal en Cultureel Planbureau moeten vragen om het nog wat breder te bekijken. Misschien zijn er meerdere instrumenten en meerdere wegen die naar Rome leiden. Dat zullen we zeker stevig gaan vormgeven.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Kan ik concluderen dat de transitieautoriteit niet wordt opgeheven, voordat er een plan is hoe we verder gaan met die stelselverantwoordelijkheid?

Staatssecretaris Van Rijn:

Dat wil ik best afspreken. Ik wijs er wel op dat voor de transitieautoriteit misschien heel specifieke kennis en kunde nodig is, die je later minder nodig hebt als het gaat om het beoordelen van het systeem. Overigens weet ik dat de VNG zich zeer verantwoordelijk voelt om goede beleidsinformatie op te leveren, zonder dat we om allerlei nieuwe monitors vragen. Ik denk dat het goed is om met de VNG te bespreken hoe we het gaan vormgeven, zodat we de gemeenten niet onnodig voor de voeten lopen in het realiseren van hun beleidsverantwoordelijkheid. Dat lijkt me heel belangrijk.

Ik reageer nog even op de pilot, in afwezigheid van mevrouw Scholten. Mevrouw Slagter had er ook naar gevraagd. Ik zit er heel pragmatisch in. We vinden allemaal dat er meer aan de voorkant moet worden samengewerkt en dat dit nog niet vanzelf gaat. Dan is het heel verstandig om met gemeenten, verzekeraars, zorgaanbieders en huisartsen te kijken hoe we die samenwerking aan de voorkant gaan vormgeven. Ik ben ervan overtuigd dat daar verschillende modellen voor zijn. Soms gebeurt het met sociale wijkteams, soms in het kader van een Centrum voor Jeugd en Gezin, soms wordt er een aparte voorkant voor ingericht en soms wordt het gepositioneerd bij de huisarts. Allemaal prima, en vandaar dat het goed is om aan de hand van de pilots een aantal modellen uit te werken waarvan we goed kunnen leren. Het is niet alleen om te kunnen bedenken en ontwikkelen hoe we het zouden kunnen inrichten, maar het kan ook worden meegenomen in de evaluatie die we na drie jaar krijgen. Zo kunnen we zien of de samenwerking op een goede manier van de grond is gekomen, wat succesvolle modellen zijn en wat niet. Bij dezen doe ik de toezegging aan D66 dat het niet alleen om pilots gaat, maar dat we het ook meenemen bij de evaluatie van de wet.

Ten slotte heeft de heer Beckers de frictiekosten genoemd. Deze moet men objectiveren. Het helpt om te kijken waar ze zijn veroorzaakt. Ik beschouw het als een aansporing dat niet alleen het Rijk zich verantwoordelijk voelt voor de frictiekosten, maar dat er ook andere partijen zijn die daar een medeverantwoordelijkheid in dragen en volgens mij ook wensen te nemen. Ik zal het verzoek van de Kamer om met andere partijen, bijvoorbeeld met de provincies, te spreken over de vraag hoe we de frictiekosten gezamenlijk kunnen minimaliseren, met beide handen aangrijpen.

Ik kom aan de waardering van een aantal moties, waarbij we een taakverdeling hebben gemaakt. Ik heb begrepen dat mevrouw De Vries haar motie wellicht intrekt, omdat ik een toezegging heb gedaan die doet wat de motie vraagt.

Mevrouw De Vries-Leggedoor (CDA):

Voor het verslag: ik had de motie nog niet ingediend maar met de toezegging is indiening volgende week niet nodig.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dank. Soms is het dreigen met een motie al voldoende om een toezegging te krijgen, maar niet altijd.

Ik kom bij de motie op letter A. Daarin wordt de regering verzocht de transitie van de jeugdzorg vooralsnog niet te koppelen aan de taakstellende bezuiniging en een beslissing over de omvang van die bezuiniging uit te stellen tot twee jaar na de invoering van de transitie. We hebben hier uitgebreid over gesproken, maar we zijn het niet eens. Het samengaan van de decentralisatie en de taakstelling kan volgens mij wel omdat met de decentralisatie en een andere manier van organiseren van de zorg er mogelijkheden ontstaan. Ik wijs erop, hoe jammer misschien ook, en wel of geen stelseldiscussie, dat we allemaal te maken hebben met het feit dat wij op een aantal terreinen te maken hebben met taakstellingen. Juist deze combinatie kan er volgens mij aan bijdragen om de taakstelling op deze manier voor elkaar te krijgen. Om die reden ontraad ik de motie.

Collega Teeven zal reageren op de motie op letter B.

In de motie op letter C wordt de regering verzocht, de Kamer jaarlijks bij de begroting te informeren over de kwaliteit van het jeugdhulpsysteem in relatie tot de financiële randvoorwaarden. Ik heb mij daar al licht positief over uitgelaten, maar wel met een aantal kanttekeningen. De evaluatie na drie jaar lijkt mij heel goed, maar het is ook prima om jaarlijks te kijken hoe het jeugdbeleid bij de gemeenten zich ontwikkelt en hoe dat vorm wordt gegeven, rekening houdend met financiële en andere randvoorwaarden. Elk jaar rapporteren, vind ik erg frequent. Ik vind het ook heel erg vroeg om al na een jaar tot een oordeel te komen, want wij hebben afgesproken om na drie jaar te evalueren, wat ook al snel is. Het komt erop neer elk jaar te constateren dat we een oordeel over de kwaliteit en over de financiële randvoorwaarden hebben, maar ik vind dat een foute manier van interpreteren. Als ik de motie zo mag lezen dat wij jaarlijks worden gevraagd om te rapporteren over de stand van zaken en de ontwikkeling van het jeugdbeleid, gegeven de beschikbaar gestelde budgetten, en dat wij in dat kader ook bekijken hoe de jeugdzorg zich ontwikkelt, past dat heel erg in de systeemverantwoordelijkheid. Dan kunnen wij volgen wat er gebeurt. In de opbouw van de evaluatie na drie jaar kunnen wij dan tot goede oordelen komen. Als ik de motie zo mag interpreteren, zodanig dat het niet gaat om een jaarlijks ja of nee en een besluit of er wel of geen geld bij moet, als wij elkaar een beetje de ruimte geven om het systeem te laten ademen, wil ik het oordeel over de motie aan de Kamer laten.

Ik kom bij de motie op letter D. Daarin wordt de regering verzocht een meldpunt in te richten waar ouders, professionals en gemeenten terecht kunnen met vragen, signalen en suggesties, en de Kamer daarover jaarlijks te rapporteren. Ik heb in mijn termijn al aangegeven dat ik er zeer aan hecht dat signalen uit het veld, maar ook van ouders en zorgaanbieders een plek kunnen krijgen in de monitoring van het systeem. De Kinderombudsman heeft ook al veel contacten en krijgt veel meldingen die hij regelmatig aan ons ter kennis brengt. Hij houdt dus ook in de gaten hoe het zit. Ik was al in gesprek met de patiëntenorganisaties over het vormgeven van de monitor. Als mevrouw Beuving mij de ruimte laat om de monitor vorm te geven, in samenspraak met de Kinderombudsman en de patiënten- en consumentenorganisaties, laat ik het oordeel aan de Kamer.

Ik ben bij de motie op letter E. Daarin wordt de regering verzocht garanties te bieden voor situaties waarin gemeentelijke budgetten, ondanks zorgvuldig beleid, te krap zijn om de noodzakelijke zorg en preventie te organiseren. Ik vind die motie een beetje wild geformuleerd. Ik heb aangegeven dat wij een transitie-autoriteit in het leven gaan roepen. Die kan beoordelen of er al of geen handige afspraken zijn gemaakt en of er moet worden gesaneerd omdat er al een afname van de capaciteit gaande is. Ik noem het voorbeeld van JeugdzorgPlus, waarbij wij op basis van het huidige systeem al zien dat er minder capaciteit nodig is. Dan kun je moeilijk stellen dat je garanties moet geven dat een en ander intact blijft. Dan moeten we juist in gang zetten dat er ook capaciteit wordt afgebouwd. Ik kom nog met een voorstel over de transitie-autoriteit. In dat kader kijken wij juist naar situaties waarbij wij goede afspraken maken over de transitie, maar anderzijds geobjectiveerd ook naar resterende problemen. Ik geef de indiener dus in overweging om de motie te heroverwegen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik zou dat wellicht hebben gedaan als de staatssecretaris de motie zou hebben gelezen op de wijze waarop ik die heb geformuleerd. Hij heeft de motie naar mijn gevoel anders gelezen. Er staat niet … zo wild als het misschien klinkt ... Er staat: "… verzoekt de regering garanties te bieden" – dat wil niet zeggen dat alles gecompenseerd wordt, maar er worden wel bepaalde garanties geboden – "voor situaties waarin de gemeentelijke budgetten ondanks zorgvuldig beleid te krap zijn". Het gaat mij er niet om alles in stand te houden, maar om de noodzakelijke zorg en preventie te organiseren in die situaties waarin wij zien dat gemeenten door het ijs zakken, gemeenten waarvan wij in onze optiek constateren dat daar grote risico's worden neergelegd, bij het Rijk vandaan. Dat kan allemaal, maar vanuit de stelselverantwoordelijkheid is de stelling van de motie dat er ergens een vangnet moet worden gerealiseerd. De motie stelt niet dat alles moet worden gecompenseerd, maar dat er bepaalde garanties moeten zijn voor situaties waarin de noodzakelijke zorg en preventie niet meer kan worden georganiseerd, ondanks zorgvuldig beleid.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dan vind ik de motie nog steeds een tikkeltje te wild. Wij hebben aangegeven wat de beschikbare budgetten zijn voor de komende periode. We geven de gemeenten beleidsvrijheid om daarmee om te gaan. In de wet staan de kaders aangegeven waarbinnen kan worden geopereerd. Ik heb al gezegd dat onze stelselverantwoordelijkheid met zich brengt dat wij niet tegen gemeenten zeggen dat ze hun gang kunnen gaan. We gaan ook kijken of de doelstellingen van de wet worden gerealiseerd. De uitgaven komen terecht in het sociale domein. In het kader van het sociale domein hebben wij afgesproken dat wij de uitgaven zullen volgen en dat wij de eerstkomende drie jaar een hekje om dat sociale domein heen zetten. Ik vind dat voldoende waarborg om deze stap te kunnen zetten. Het gaat mij te ver om uit te spreken dat wij garanties gaan bieden voor bepaalde situaties. Dan krijg je namelijk een soort oordeel, bijvoorbeeld dat het budget te krap is of dat sprake is van noodzakelijke zorg. Dat is in deze fase niet objectief genoeg. Wij gaan een en ander de komende periode wel volgen. Dan kunnen wij ook bezien hoe het budget zich ontwikkelt, in relatie tot de taken die gemeenten krijgen. In het kader van de monitor zullen wij bezien of er is voldaan aan de doelstellingen van de wet. Als de heer Ganzevoort zijn motie handhaaft, moet ik die ontraden.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik doe nog een laatste poging en daarna overweeg ik hoe ik verder zal omgaan met de motie.

De vraag is uiteindelijk de volgende – wellicht kan die worden belegd bij de transitie-autoriteit; dat zou een optie zijn – kan er op de een of andere manier worden uitgesproken dat wanneer sprake is van een stelselverantwoordelijkheid er ook sprake is van een vangnetverantwoordelijkheid? De budgetten lijken nu goed te zijn, maar we weten niet of dat overal daadwerkelijk het geval blijkt te zijn. Misschien is er wel een fout gemaakt. Misschien gebeuren er onverwachte dingen. Er is sprake van allerlei onzekerheden. Als wij daarvoor geen vangnetverantwoordelijkheid willen nemen, wordt de stelselverantwoordelijkheid wel heel erg leeg.

Staatssecretaris Van Rijn:

Dan nog een principieel kantje. Een stelselverantwoordelijkheid gaat ook over de vraag hoe het stelsel functioneert. In het kader van het Gemeentefonds stellen wij geld beschikbaar voor gemeenten, zodat zij hun taken kunnen uitvoeren. Dan kijken wij ook niet elk jaar of de gemeenten hun taken wel aan kunnen en, als dat niet het geval is, gaan wij ook niet kijken hoe het staat met eventuele garanties via het Gemeentefonds. We kijken periodiek wel hoe de taken en budgetten zich ontwikkelen. We kijken ook of er veel meer uitgaven worden gedaan dan wij eerder verondersteld hebben. Dat is de normale gang van zaken. We stellen geld ter beschikking via het deelfonds sociaal domein. We volgen in de loop van de jaren hoe budgetten zich ontwikkelen en hoe de taken zich ontwikkelen. Of er dan reden is om het verdeelmodel te veranderen, of dat de parameters moeten worden veranderd, bekijken wij in het kader van de stelselverantwoordelijkheid. Het is niet goed nu al uit te spreken dat wij garanties gaan bieden voor die situaties dat … Ik val dan liever terug op de algemene stelselverantwoordelijkheid waarin wij samen van mening zijn dat wij een ander niet over de schutting gooien, maar deuren in de schutting maken, zodat we kunnen blijven kijken hoe de budgetten zich verhouden in relatie tot de taken. We brengen het ook naar de transitie-autoriteit. We hebben een algemene stelselverantwoordelijkheid. We hebben het sociale domein waarin wij een en ander kunnen volgen. For the time being zou dat voldoende waarborg moeten zijn om die zaak te kunnen volgen.

De heer Ganzevoort (GroenLinks):

Ik zal dat overwegen.

Staatssecretaris Van Rijn:

De andere moties komen voor rekening van collega Teeven.

Staatssecretaris Teeven:

Voorzitter. Ook ik bedank de leden voor hun inbreng in tweede termijn. Mevrouw De Vries heeft mij geen vragen meer gesteld. Wel zal ik ingaan op de opmerkingen van mevrouw Frijters. Zij stelde dat het allemaal te onzeker is en dat er voor de frictiekosten geen enkele oplossing is gevonden. Wij hebben in het debat duidelijk aangegeven dat die oplossingen wel zijn gezocht en dat wij daar nadrukkelijk naar kijken. Het wetsvoorstel bevat ook de mogelijkheden om eventueel ingrepen te doen als die wet er is. Dat schept voor het Rijk mogelijkheden om daaraan wat te doen. Je kunt niet zeggen dat er een enorme druk op de ketel is en dat dit wetsvoorstel door het parlement wordt gejaagd. In de buitenwereld, in het veld, is de overgrote meerderheid van mening dat wij hiermee door moeten gaan. Dan laat je dat veld in de steek als je nu weer aanstuurt op uitstel. Ik kom hierop terug bij de beoordeling van de motie.

Ook ik wil zeggen dat ik het zeker niet speels heb willen doen en al helemaal niet gemakkelijk heb gevonden vanavond. Ik denk dat het goed is dit nog even op te merken, ook in navolging van mijn collega. Ook ik heb niet de ervaring dat het hier met speels gemak is gegaan, zeker niet. Laat dat helder zijn.

Mevrouw Slagter heeft mij nog een aantal vragen gesteld. Zij heeft mij gevraagd of de ICT-systemen bij de inwerkingtreding bij de gemeenten op orde zijn en of alleen die PIA wel voldoende is. Bij de PIA's en audits gaat het om de verwerking van persoonsgegevens, om het systeem. Dat is niet hetzelfde als een verantwoordelijkheid van het Rijk voor de ICT-systemen van de gemeenten an sich. Daarvoor dragen de gemeenten de verantwoordelijkheid. Die moeten wij daar ook laten. Dat is voor andere systemen die de gemeenten gebruiken, bijvoorbeeld de GBA, ook het geval. Daarvoor is de situatie niet wezenlijk anders. Voor systemen draagt het Rijk geen verantwoordelijkheid, maar we zijn nu wel aan het monitoren. Wij gaan wel bekijken of de systemen wat de gegevensverwerking, de modellen van gegevensuitwisseling, betreft goed in elkaar zitten. Dat hebben wij in dit debat uitvoerig met elkaar besproken.

Mevrouw Slagter-Roukema (SP):

Ik heb gevraagd welke eisen, welke randvoorwaarden, aan de systemen worden gesteld.

Staatssecretaris Teeven:

Dat hebben wij met elkaar behandeld. Ik heb de Kamer meegenomen in de aangenomen motie-Franken, waarin duidelijk vijf criteria zijn ontwikkeld die we langs moeten lopen. Dat doen wij als wetgever bij het ontwikkelen en bespreken van wetten waarbij gegevensbestanden onderwerp van discussie zijn, waarbij het gaat om bescherming van persoonsgegevens. Dat weten de gemeenten ook. Wij zullen de gemeenten daarbij ook helpen. Dat hebben wij vanavond met elkaar besproken. Wij zullen een informatiefolder uitbrengen en wij zullen de gemeenten assisteren bij de uitvoering. Dat is allemaal de verantwoordelijkheid van de transitiecommissie. Dat gaan we dus ook doen, maar uiteindelijk is het in eerste instantie de gemeente die verantwoordelijkheid draagt. Als uit de PIA's, het monitoren of de audits blijkt dat de situatie niet voldoet aan de wettelijke vereisten en aan de uitgangspunten die wij vanavond hebben besproken, dan komt het moment dat je wellicht aanwijzingen zult moeten geven. Dat heb ik ook gezegd. Dat is echter een uiterste situatie. Verantwoordelijkheid van het Rijk voor de systemen is er niet.

De heer Ganzevoort heeft mij gevraagd of de Kamer wordt geïnformeerd over de uitkomsten van de PIA's. Ja, wij zullen haar in het najaar uiteraard van de uitkomsten op de hoogte brengen. Hij heeft ook gevraagd of er op vrijwillige basis een notificatie kan worden geregeld bij uitoefening van het inzagerecht. Daarmee zette hij in de tweede termijn nog even de puntjes op i. Ik zie er geen enkel bezwaar tegen als een hulpverlener enerzijds en jeugdige ouders anderzijds gezamenlijk afspreken dat de jeugdige en zijn ouders worden genotificeerd als een inzagerecht wordt uitgeoefend door derden. Dat sluit aan bij de ruimte die wij de professionals geven om daaraan invulling te geven. Wij zullen daaraan ook aandacht besteden in de informatiefolder en tijdens de monitoring als het Rijk contact heeft met de gemeenten.

Ik zal direct nog terugkomen op de motie van de heer Kuiper. De moties zal ik hierna bespreken. Ik dank de heer De Lange voor zijn opmerkingen. Ik betreur het dat wij zijn fractie en de fractie van de Partij voor de Dieren niet namens het kabinet hebben kunnen overtuigen, maar het is zoals het is. Soms moet je vaststellen dat je het oneens bent.

Mevrouw Scholten kan hier helaas niet zijn. Zij heeft mij een vraag gesteld naar de vangnetconstructie als het gaat om de woonplaats. Dat is geregeld in de definitie van de woonplaats. Het uitgangspunt is ook de woonplaats. Als die onbekend is of buiten Nederland ligt, is de woonplaats de plaats van het werkelijke verblijf van de jeugdige. Deze definitie staat in artikel 1.1, lid 3. Mevrouw Scholten heeft mij de situatie voorgehouden dat de jeugdige gescheiden ouders heeft en niet woont bij een met het gezag beklede ouder, maar bij de andere. Welke gemeente is dan verantwoordelijk voor de financiering als een ondertoezichtstelling wordt uitgesproken? Een gemeente is gehouden de noodzakelijke hulp in te zetten ten behoeve van jeugdigen die hun woonplaats hebben binnen die gemeente. Zoals ik net zei, moeten wij dan kijken naar de feitelijke woonplaats zoals die is genoemd in artikel 12 van Boek 1 van het BW. Niet het feitelijke verblijf, maar het woonplaatsbeginsel is dus leidend. Als een jeugdige tijdelijk elders verblijft, als hij bijvoorbeeld in een instelling is opgenomen, dan verandert er niets. De gemeente waar zijn ouders woonplaats hebben, blijft verantwoordelijk en niet de gemeente waar de instelling is gevestigd.

Ik dank de heer Beckers voor zijn opmerkingen. In de eerste termijn hebben wij dit al met elkaar besproken. Wij moeten het vertrouwen geven aan de gemeenteraden en de gemeenten, maar uiteraard ziet het kabinet het ook als zijn verantwoordelijkheid om ze op vlieghoogte te brengen voor het uitoefenen van de bevoegdheden waarover wij vanavond hebben gesproken. Dat is wel belangrijk, want anders is de controle niet mogelijk. Daarop zal het Rijk zeker zicht houden.

Ik kom aan een motie van mevrouw Frijters, met letter L, waarin wordt verzocht om uitstel van stemming over het wetsvoorstel totdat alle onduidelijkheden zijn weggenomen. Wij denken dat de onduidelijkheden die in de motie worden geconstateerd er voor een groot gedeelte niet zijn en dat over de onduidelijkheden die er wel zijn het komende halfjaar heel veel duidelijkheid komt. Dat kan ook niet anders. Daarvoor heb je vaststaande uitgangspunten nodig. Die hebben de gemeenten, de zorgverleners en de cliënten ook nodig. Proceduretechnisch zal deze motie eerst in stemming moeten komen voordat het wetsvoorstel in stemming komt, gezien de strekking van het dictum. Het zal u niet verbazen dat het kabinet deze motie ontraadt. Dat lijkt mij helder uit de gedachtewisseling die wij tot vanavond met elkaar hebben gehad.

Tot slot kom ik aan de motie van de heer Kuiper, met letter P, waarin wordt verzocht een regeling te treffen voor LWI's om de beschikbaarheid van deze zorg voor de toekomst en een zachte landing in het stelsel te waarborgen. Wij hebben vanavond al besproken dat zowel in het vrijwillig kader, in artikel 2.3, lid 4, als in het gedwongen kader, in artikel 2.4, lid 3, is opgenomen dat een gemeente bij de aangewezen vorm van jeugdhulp rekening houdt met de behoeften en de persoonskenmerken van de jeugdige en zijn ouders en met godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond. Dat zijn de uitgangspunten van het wetsvoorstel. Als je daarvan uitgaat, betekent dit dat gemeenten in regionaal verband voor die bijzondere doelgroep ook rechtstreeks afspraken kunnen maken met LWI's. Ze kunnen dat echter ook doen via de Bureaus Jeugdzorg. In de situatie van de mandateringsconstructie zoals die op dit moment bestaat en die ook onder de huidige wet geldt, zijn de LWI's voor nieuwe cliënten afhankelijk van een doorverwijzing van de gecertificeerde instellingen. Belangrijk is dat de gecertificeerde instellingen er in ieder geval voor zorgdragen dat er ook een passend aanbod wordt gedaan voor die specifieke groepen. Ik heb in de eerste termijn al aangegeven dat het kabinet de bedrijfsvoering bij de LWI's zal blijven monitoren. Mocht de continuïteit van de zorg door de LWI's in gevaar komen, dan zal het Rijk in ieder geval langs de uit te werken lijnen rond de transitieautoriteit jeugd, waar mijn collega over sprak, gaan optreden. In die zin lezen wij deze motie als een regeling waarbij het Rijk zijn verantwoordelijkheid neemt. Wij zien het dictum van de motie niet in de zin van een verzoek om een financiële garantie. Om die reden laten wij het oordeel over de motie aan de Kamer over.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Wij zullen volgende week dinsdag stemmen, eerst over de motie-Frijters-Klijnen c.s. met letter L en daarna achtereenvolgens over de beide wetsvoorstellen en de andere moties.

Ik sluit de vergadering onder dankzegging voor het feit dat iedereen zo hard gewerkt heeft vandaag en het ook nog heeft volgehouden, ondanks het voor mevrouw Scholten toch wel vervelende incident.

Sluiting 00.46 uur.