Kamerstuk

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarDossier- en ondernummer
Eerste Kamer der Staten-Generaal2010-201131051 nr. D

31 051 Evaluatie Wet bescherming persoonsgegevens

D MOTIE VAN HET LID FRANKEN C.S.

Voorgesteld 17 mei 2011

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

overwegende, dat het grondrecht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer in onze democratische rechtsstaat van groot belang is,

overwegende, dat er tendensen zijn om bij nieuwe wetgeving de mogelijke beperkingen op dit grondrecht uit te breiden en te versterken,

overwegende voorts, dat bij het totstandbrengen van nieuwe wetgeving uitdrukkelijk aandacht moet worden gegeven aan de vraag of de beperkingen op het grondrecht tot bescherming van de persoonlijke levenssfeer gerechtvaardigd zijn,

overwegende, dat voor de beantwoording van deze vraag aansluitend aan de verdragsverplichting moet worden getoetst aan de volgende criteria:

  • 1. De noodzaak, effectiviteit en hanteerbaarheid van de maatregel,

  • 2. De proportionaliteit: de inbreuk mag niet groter zijn dan strikt noodzakelijk is,

  • 3. De resultaten van een Privacy Impact Assessment, zodat vooraf is onderzocht welke risico's de maatregel met zich meebrengt,

  • 4. De mogelijkheid van een effectief toezicht en controle op de uitvoering van de maatregel, te realiseren door onder meer audits door de onafhankelijke toezichthouder,

  • 5. Beperking van de geldigheidsduur door een horizonbepaling of in ieder geval een evaluatiebepaling,

verzoekt de regering bij wetsvoorstellen, waarbij van een beperking op het grondrecht van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer sprake is, de hierboven genoemde criteria in de afweging en besluitvorming te betrekken en daarvan in de memorie van toelichting bij het betreffende wetsvoorstel verslag te doen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Franken

Tan

Strik

Holdijk

Slagter-Roukema

Staal