Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2012-2013nr. 32, item 6

6 Wijzigingswet kinderopvang 2013

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen (Wijzigingswet kinderopvang 2013) ( 33538 ).

De beraadslaging wordt geopend.

De heer Hoekstra (CDA):

Voorzitter. Alle wetten die wij hier behandelen, grijpen op de een of andere manier in in het dagelijks leven van Nederlanders, in ons dagelijks leven. Vandaag gaat het echter over een onderwerp dat mij ook persoonlijk in het bijzonder bezighoudt. Dat is de kinderopvang. Zeker na de Amsterdamse zedenzaak heb ik mij, zoals zo veel ouders, als ik 's ochtends bij de crèche wegreed, vaak afgevraagd: wat gebeurt er eigenlijk als ik weg ben? Hoe weet ik zeker dat er niets gebeurt? Ik heb mezelf vaak de vraag gesteld die het kabinet zich ook heeft gesteld, en terecht heeft gesteld: wat moeten we doen om de plek waar heel jonge, weerloze kinderen worden toevertrouwd aan de zorg van volwassenen, zo veilig mogelijk te maken, terwijl we ons realiseren dat het volledig uitsluiten van risico's een fictie is?

Eerlijk gezegd vermoed ik dat dit wetsvoorstel er zonder de Amsterdamse zedenzaak niet geweest zou zijn. Draagt het voorliggende voorstel fundamenteel bij aan veiligere kinderopvang? Ik hoop het van harte. Er komen in ieder geval meer regels, dat is helder. Zoals zo vaak is het grote probleem van de Nederlandse overheid echter niet zozeer het gebrek aan goede kaders. Het grote probleem is het gebrek aan vermogen om naleving van de bestaande regels af te dwingen. Ik heb de indruk dat dit ook een van de conclusies van de commissie-Gunning was, die na de Amsterdamse zedenzaak het functioneren heeft onderzocht van de verschillende instanties die bij de kinderopvang betrokken waren. Mijn fractie wil daarom nog op een viertal punten kort ingaan.

Het eerste punt is de handhaving. Als ik het goed begrijp, wil de minister de verantwoordelijkheid van gastouderbureaus via artikel 1.56, lid 1, verzwaren. Dat lijkt op zichzelf een goed idee, maar het geeft nog geen antwoord op de meer fundamentele handhavingsvraag. Stel dat dit wetsvoorstel wordt aangenomen, en daarvan heeft het alle schijn. Daarmee hebben de minister en de diverse instanties dus nog meer regels tot hun beschikking. Hoe gaan al die instanties er dan voor zorgen dat de handhaving daadwerkelijk verbetert? Nogmaals, dat was in de ogen van Louise Gunning de bottleneck. Dat lijkt mij veel meer een operationele dan een juridische vraag. Graag ontvang ik een reactie van de minister.

Het tweede punt zijn de vog's. We zijn niet erg enthousiast over de administratieve uitdijing die gepaard gaat met de aangescherpte vog-regels, maar mijn fractie vindt het systeem dat de minister "continue screening" noemt, wel verdedigbaar. Het is een van de onderdelen van het wetsvoorstel waarvan je je kunt voorstellen dat het daadwerkelijk zoden aan de dijk zet. De bewaartermijn die in het voorstel wordt genoemd, schept ook wel vertrouwen. Die is namelijk 80 jaar. Zelfs als de AOW-leeftijd nog flink omhoog gaat, kunnen we daarmee voorlopig wel uit de voeten. Wel heb ik mij bij de vog's afgevraagd of het niet eenvoudiger moet worden om in het kader van het juridische begrip "dienstverlening aan huis" ook een vog aan te vragen. Denk aan een gezin dat zelf een oppas, een schoonmaakster of nog iemand anders aantrekt die onder de dienstverlening aan huis valt. Daarbij gaat het natuurlijk om een situatie waarin beide partijen daarin wel heil zien. Daarvoor zou moeten gelden: waarom dan niet? Toch nemen gemeenten een vog-verzoek van privépersonen op zichzelf niet in behandeling. Dat heeft iets merkwaardigs, als we tenminste geloven dat de vog een belangrijk middel is om mensen te screenen. Welke mogelijkheden ziet de minister om dit ook voor individuen, dus niet alleen voor instellingen en bedrijven, gemakkelijker te maken?

Ten derde ga ik in op de ouderparticipatiecrèches. Het is een onderwerp dat veel fracties, waaronder de mijne, met belangstelling volgen. Ik geloof dat ik de minister goed citeer wanneer ik zeg dat hij in de schriftelijke behandeling aangaf zich nog "te willen beraden". Misschien kan hij vandaag aangeven waar hij staat met dat beraad. Of moeten wij uit zijn nadere memorie van antwoord opmaken dat dit beraden nog duurt tot het eind van dit kalenderjaar?

Ten vierde en ten slotte stel ik een vraag die dit wetsvoorstel deels overstijgt, maar voor de discussie toch relevant is. Het is bijna een herhaling van wat vele fracties bij het vorige debat hebben opgemerkt, namelijk: wat is het perspectief van het kabinet specifiek wat betreft de kinderopvang? Ik doel dus niet alleen op de kindregelingen, waar we het zo-even over hebben gehad. Welke rol heeft de overheid hierin te spelen wat het kabinet betreft? En hoe moeten we de ontwikkeling duiden van de toeslagenkosten, die in 2011 ruim 3 miljard bedroegen?

Zoals altijd wachten we de antwoorden van de minister met grote belangstelling af.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik geef het woord aan mevrouw Sent, want de heer Thissen heeft afgezien van de woordvoering.

Mevrouw Sent (PvdA):

Mijnheer de voorzitter. Met genoegen voer ik vandaag tijdens dit plenaire debat over de voorliggende Wijzigingswet kinderopvang 2013 het woord namens de fracties van GroenLinks en de PvdA.

Met het voorliggende wetsvoorstel wordt voorgesteld om de Wet kinderopvang en kwaliteitseisen peuterspeelzalen te wijzigen met als doel de veiligheid van kinderen binnen de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk verder te waarborgen. Daarnaast wordt gestreefd naar verbetering, verduidelijking en vereenvoudiging van de wet.

Tijdens de schriftelijke behandeling heeft de PvdA-fractie van de gelegenheid gebruikgemaakt om aandacht te vragen voor de kosten die gastouders moeten dragen. Wij zijn blij met de mededeling uit de nadere memorie van antwoord dat de regering de gemeenten die leges heffen van circa € 1.000, individueel heeft aangeschreven met het verzoek om de hoogte van hun leges te heroverwegen. Dit is evenwel geen oplossing voor het kernprobleem, namelijk dat het beleid voor de kinderopvang een-op-een en zonder naar de verschillen te kijken, wordt overgezet naar de gastouderopvang. Als gevolg daarvan wordt de gastouderopvang financieel onevenredig zwaar getroffen door de heffing van leges voor een verklaring omtrent het gedrag (vog) en de inschrijving in het Landelijk Register Kinderopvang en Peuterspeelzalen (LRKP). Daarom stel ik de volgende vragen, mede namens GroenLinks. Acht de minister het wenselijk dat de gastouderopvang financieel onevenredig zwaar wordt getroffen? Zo ja, waarom? Zo nee, welke consequenties verbindt hij daaraan?

Tijdens de schriftelijke behandeling heeft de PvdA-fractie tevens van de gelegenheid gebruikgemaakt om aandacht te vragen voor de positie van ouderparticipatiecrèches. Wij zijn blij met de bevestiging van de minister van het uitgangspunt van de motie-Dupuis c.s. van 29 juni 2010 om te komen tot een mogelijkheid om de ouderparticipatiecrèches te laten voortbestaan. Wat de PvdA en GroenLinks evenwel opvalt, is dat de minister niet is ingegaan op onze vraag om dit in samenspraak met de ouderparticipatiecrèches te doen. Graag vernemen wij derhalve tijdens dit debat van de minister of hij bereid is om in overleg te treden met de ouderparticipatiecrèches.

Graag vragen de fracties van de GroenLinks en PvdA de aandacht van de minister voor het advies van de Raad van de Europese Unie over het stabiliteitsprogramma van Nederland voor de periode 2012–2017. De Raad beveelt aan om: "Verdere maatregelen te nemen om de arbeidsparticipatie te verhogen, met name van mensen in de marge van de arbeidsmarkt". Nu heeft de minister de Tweede Kamer vorige week geïnformeerd over de arbeidsparticipatiecijfers over het eerste kwartaal van dit jaar. Gedurende die periode is de arbeidsparticipatie van moeders met jonge kinderen sterker gedaald dan het gemiddelde voor vrouwen. De daling is het sterkst bij alleenstaande moeders. Ook de arbeidsparticipatie van vaders met jonge kinderen is sterker gedaald dan het gemiddelde voor mannen. Indachtig het advies van de Raad van de Europese Unie vernemen wij graag van de minister hoe het voorliggende wetsvoorstel zich hiertoe verhoudt. Voorts horen wij graag van de minister welke maatregelen hij voornemens is te nemen om de arbeidsparticipatie te verhogen.

De fracties van de PvdA en GroenLinks wachten de antwoorden van de minister met belangstelling af.

Mevrouw Scholten (D66):

Voorzitter. De directe aanleiding voor dit wetsvoorstel is een aantal recente misstanden waarbij de veiligheid van kinderen in de opvang niet gewaarborgd was. In het bijzonder hebben we het dan over de Amsterdamse zedenzaak, waar deze minister in andere hoedanigheid bij betrokken was. Het betreft een verschrikkelijk drama voor de betrokken kinderen en hun ouders. Deze zaak heeft veel stof doen opwaaien. Ook andere zedenzaken, zoals misbruik bij een centrum voor blinden en slechtzienden in Huizen of bij een kinderopvangboerderij in Ens, spreken tot de verbeelding. Dat is logisch: seksueel misbruik van een kind op een plek waar ouders hun kinderen in vertrouwen achterlaten, roept behoorlijk wat emoties op.

De vraag "Wie had wat wanneer kunnen doen om dit te voorkomen?" is in al deze gevallen gesteld, en de voorliggende wijziging is het antwoord van de regering. Daarmee heeft zij de schijn van incidentenpolitiek: er is iets ergs gebeurd, er wordt met vingers naar de overheid gewezen en die is er als de kippen bij met de belofte dat zij alles zal doen om herhaling te voorkomen. Maar ligt de verantwoordelijkheid voor het voorkomen van dit soort incidenten wel volledig bij de overheid? Gelukkig trekt de kinderopvangsector zelf zijn conclusies en werkt de sector onverminderd hard aan een veilige opvang. De minister heeft de gesprekken met ouders en betrokkenen nog vers in het geheugen en heeft nu een gaatje gevonden waarmee hij zijn toen gedane belofte kan inlossen. Dat is nobel, maar in zulke gevallen met instinctieve reacties moet de vraag welke rol de overheid kan en mag spelen des te zorgvuldiger worden gesteld. Soms moet de overheid concluderen dat de oplossing niet zit in al dan niet landelijke wet- en regelgeving maar in het stimuleren van communicatie en kwaliteit. Over de vraag of dat in dit geval ook geldt, ben ik nog niet zeker, maar ik heb hem wel in mijn achterhoofd.

De wijziging omvat een uitbreiding en aanscherping van de plicht om te beschikken over een verklaring omtrent het gedrag. Een groot aantal medewerkers in de kinderopvang en het peuterspeelzaalwerk zal zelfs gaan vallen onder een systeem van continue screening. Dat is een drastische maatregel gelet op het feit dat al deze medewerkers worden gescreend zonder dat sprake is van een concrete verdenking. Verwerking van strafrechtelijke gegevens is in beginsel verboden op grond van de Wet bescherming persoonsgegevens. Alleen als een uitzondering wordt gemaakt op basis van paragraaf 2 van hoofdstuk 2 van deze wet, en als is voldaan aan de noodzakelijkheids- en de evenredigheidseis, mag hiervan worden afgeweken. Daarom is het, hoewel het aantrekkelijk is om deze wijziging gelijk in te voeren, nodig om zorgvuldig te toetsen, en wel op rechtmatigheid en effectiviteit.

Ik ga eerst in op de effectiviteit. Het doel van deze wijziging is duidelijk: medewerkers die in het verleden zijn geassocieerd met ongewenst gedrag richting kinderen, in het bijzonder seksueel gedrag, worden geweerd uit de kinderopvangsector, doordat zij dan niet aan een verklaring omtrent gedrag kunnen komen. Maar lang niet elke ongewenste handeling is bekend bij het Openbaar Ministerie. Het systeem van continue screening is niet waterdicht. Alertheid in de sector blijft dus geboden, zo zegt ook de minister.

Sinds 1 maart 2013 worden nieuwe medewerkers in de kinderopvangsector al automatisch gescreend. Heeft deze screening al wat opgeleverd? Functioneert de keten van DUO naar JustID naar Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag goed? Zijn er al meldingen van matches bij JustID geweest?

De minister geeft aan dat op het moment dat een vog niet wordt afgegeven, de opvanghouder op basis van een protocol kan overgaan tot ontslag met wederzijds goedvinden. Mocht dit niet kunnen, dan wordt de werknemer in elk geval op non-actief gezet, zo zegt de minister. Ik zou graag willen horen wat er met de opvanghouder en de medewerker gebeurt als dit niet plaatsvindt. Een ontslag met wederzijds goedvinden is niet een-twee-drie georganiseerd. Is hier een boetebepaling voor de kinderopvanghouder aan de orde? Kan de vergunning worden ingetrokken? Welke instrumenten heeft de overheid om dit te organiseren? Graag willen wij ook hierop een reactie van de minister.

In onze schriftelijke gedachtewisseling heb ik de minister tweemaal gevraagd om in te gaan op de Amsterdamse zedenzaak, op de zaak in Huizen en op de zaak in Ens. Ik heb gevraagd of, als de continue screening op dat moment in werking was geweest, deze zaken voorkomen of eerder opgemerkt hadden kunnen worden. Omdat de minister het moeilijk vond om deze vraag te beantwoorden, ben ik zelf in de boeken gedoken. In het geval van de Amsterdamse zedenzaak is het antwoord "ja". De verdachte was al eerder veroordeeld in Duitsland. Omdat hij inmiddels de Nederlandse nationaliteit heeft, was het op basis van deze wijziging mogelijk geweest om dat feit boven water te halen. Mededelingen over onvoorwaardelijke strafrechtelijke veroordelingen in een ander EU-land worden doorgegeven aan het land van nationaliteit.

Bij Huizen en Ens is het antwoord "nee". De verdachte in Ens had geen strafblad en was niet eerder geassocieerd met ongewenst seksueel gedrag. De verdachte in Huizen was weliswaar eerder verdacht geweest, maar zijn slachtoffers bevonden zich niet in een kinderdagverblijf maar in een instelling voor jongeren met een visuele beperking. Deze sector valt niet onder de continue screening. Op dit laatste punt kom ik later nog even terug.

Er hangt dus veel af van een alerte houding van de sector. Mijn fractie maakt zich zorgen of deze alertheid wel geboden kan worden. In de hoorzitting van 3 juni 2013 aan de overkant van het Binnenhof is door verschillende partijen in de opvang zorgen geuit over het weinige aanbod, de hoge prijs van de kinderopvang en de financiële malaise in de sector. De minister heeft gezegd uitgebreid op deze punten terug te zullen komen in zijn voorjaarsbrief. Ik zou graag zien dat hij daarin specifiek aandacht besteed aan de volgende vragen. Hoe zorg je dat er in zijn geheel een prettige, veilige opvangruimte ontstaat? Hoe voorkom je bovenmatige focus op mogelijk seksueel getint gedrag op een kinderdagverblijf, waarbij elke handeling een potentiële verdachtmaking is? Wij zouden hier graag van de minister een voorschot krijgen op de beloofde brief.

Zoals ik al zei, hecht mijn fractie aan een zorgvuldige afweging, zeker als er een screening plaatsvindt zonder dat de betrokkene van een strafbaar feit wordt verdacht. Wij zijn dan ook blij dat de minister zekerheden heeft ingebouwd in de keten DUO, JustID en COVOG. Zo is de privacy van niet verdachte medewerkers zo goed mogelijk geborgd.

Ik had het net over de zedenzaak in Huizen. Het criterium dat de minister in de memorie van toelichting voor de continue screening in de kinderopvang geeft, is dat de opvang vooral gericht is op de fysieke verzorging en dat het slachtoffer zich niet goed verbaal kan uiten. Deze criteria gelden min of meer ook voor het slachtoffer in Huizen. Hier werd een jongere misbruikt die in een bovenmatig afhankelijke positie verkeerde ten opzichte van zijn verzorger. Hetzelfde geldt voor ouderen in opvangcentra of andere plekken waar mensen worden opgevangen omdat zij moeten worden verzorgd. Omdat de continue screening zich nu alleen richt op de kinderopvang, had de verdachte in Huizen niet eerder kunnen worden opgemerkt. De minister wil bij de evaluatie over drie jaar bekijken of ook in andere sectoren een continue screening zou moeten worden ingevoerd. Als we dan toch overgaan tot deze verregaande maatregel, waarom dan niet op al deze plekken, zo vraag ik hem. En is in dit verband drie jaar wachten op de evaluatie niet wat lang? Als in dit geval van uitstel afstel komt, lijkt deze wijziging wel degelijk op incidentenpolitiek. Er is sprake van een misstand, dus moet er een wijziging komen. Laten we het in de andere sectoren vóór zijn, zo zou ik willen adviseren, maar dan wel met dezelfde eisen om alertheid in die sectoren te waarborgen; dus een veilige en prettige sfeer in de opvang en geen overmatige focus op mogelijk verdacht gedrag.

Screening met behulp van verklaringen omtrent gedrag is een van de weinige instrumenten die de landelijke overheid kan inzetten om misstanden in de kinderopvangsector te bestrijden. Mocht deze wijziging worden aangenomen, dan hebben we alles gedaan wat in de macht ligt van de landelijke politiek om medewerkers die niet in de kinderopvang thuishoren, te weren. Incidenten in de toekomst zullen opnieuw zorgen voor wijzende vingers richting de overheid. Die neiging bestaat nu eenmaal. Wij moeten daar als politici op een verantwoordelijke manier mee omgaan. Dat betekent soms uitleggen dat niet alle risico's uit te sluiten zijn en dat het zo veel mogelijk uitsluiten van risico's een prijs kent in de vorm van het doorbreken van het privacyrecht van medewerkers en kinderopvanghouders.

We moeten voorkomen dat we voor elk incident de oplossing zoeken in wet- en regelgeving. Mijn fractie gelooft meer in een open dialoog en in het stimuleren van communicatie tussen alle betrokken partijen. In dit kader hoop ik dan ook dat de aandacht van de minister nu zal gaan naar verbetering van de algehele kwaliteit van de kinderopvang. We willen graag dat jonge ouders participeren in de arbeidsmarkt. Hiervoor is kwalitatief hoogstaande, beschikbare en betaalbare opvang een belangrijke voorwaarde. Wetten en regels moeten dan ook zo veel mogelijk ruimte bieden aan alle vormen van kinderopvang die dit kunnen leveren. Een goed verstaander hoort dat ik hieronder ook de ouderparticipatiecrèches schaar. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van collega Hoekstra en collega Sent daarover. Ervoor zorgen dat medewerkers gescreend zijn op veroordelingen, is daar een onderdeel van. Dat is net zo belangrijk als een veilige en prettige sfeer en betrokken zorg voor de kinderen. Ik wacht de antwoorden van de minister graag af.

De beraadslaging wordt geschorst.

De voorzitter:

Bij het volgende onderwerp moet de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties aanwezig zijn. Dat onderwerp was ingepland om 15.55 uur. De griffier heeft al geprobeerd telefonisch contact te krijgen om de minister eerder naar de Kamer te halen. Dat schijnt echter niet te lukken. Daarom schors ik de vergadering voor twintig minuten. Ik verzoek u zeer alert te zijn op de bel, opdat wij de vergadering daarna zo gauw mogelijk kunnen hervatten.

De vergadering wordt van 15.35 uur tot 15.55 uur geschorst.