7 Beperking ziekteverzuim vangnetters

Aan de orde is de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Ziektewet en enige andere wetten om ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid van vangnetters te beperken (Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters) ( 33241 ).

De beraadslaging wordt geopend.

De voorzitter:

Ik heet de staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid nogmaals welkom in de Eerste Kamer.

Mevrouw Sent (PvdA):

Voorzitter. Het ziekteverzuim en de instroom in de arbeidsongeschiktheidsregelingen zijn het afgelopen decennium fors gedaald. Deze daling is echter vooral opgetreden bij werknemers met een vast dienstverband. Voor degenen met een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) geldt evenwel dat het langdurig ziekteverzuim en de instroom in de Wet WIA op onverminderd hoog niveau liggen en bovendien stijgen. Vandaag behandelen wij een wetsvoorstel met als doel de activerende werking van de ZW te versterken en de prikkelwerking van de financieringssystematiek van de Werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA) uit de Wet WIA te verbeteren.

De PvdA fractie heeft er begrip voor dat het kabinet paal en perk wil stellen aan de instroom in de Ziektewet en de Wet WIA ook door zogenaamde vangnetters. Wij vragen ons echter af of dit doel met het wetsvoorstel in de huidige vorm gehaald zal worden.

Een belangrijk punt van zorg betreft de onderbouwing van het voorliggende wetsvoorstel. Graag breng ik een aantal citaten uit de memorie van antwoord onder de aandacht. Op pagina 3 staat "De regering is er van overtuigd dat dit vruchten af zal werpen" en bovendien "heeft de regering de overtuiging dat de voorgestelde maatregelen effectief zijn". Op pagina 6 staat: "De regering is er van overtuigd dat met de in het wetsvoorstel opgenomen voorstellen ook voor vangnetters hierin een belangrijke stap te zetten is." Het mantra in de memorie van antwoord is dus "wij zijn ervan overtuigd dat het zal werken". Dit behoeft naar de mening van mijn fractie nadere onderbouwing.

Graag vraagt mijn fractie aandacht voor onderzoeken die aan een mogelijke onderbouwing kunnen bijdragen. Momenteel lopen er namelijk twee onderzoeken, te weten het onderzoek WGA 80–100 en het onderzoek naar de stabiliteit van het hybride stelsel van de WGA, die in het vierde kwartaal van 2012 gereed zijn. Het verbeterplan ZW-arbo van het UWV is nog niet in alle facetten doorgevoerd en de effecten c.q. resultaten van het verbeterplan zijn nog niet helemaal in beeld. De gewijzigde dienstverlening van het UWV inzake de zieke vangnetters is nog niet geëvalueerd waardoor de gevolgen en de effectiviteit niet inzichtelijk zijn.

Werkgevers en werknemers, verenigd in de Stichting van de Arbeid, plaatsen ook vraagtekens bij de onderbouwing van het voorliggende wetsvoorstel. In een brief van 6 september lees ik: "De Stichting van de Arbeid is van mening dat op basis van de in het wetsvoorstel aangedragen feiten en cijfers niet aangegeven kan worden dat de voorgenomen maatregelen gericht op werkgevers en werknemers noodzakelijk dan wel effectief zijn. Bovendien is volgens de Stichting onvoldoende inzichtelijk gemaakt wat de effecten van de voorgestelde maatregelen zijn."

Is er dan een alternatief? Welnu, werkgevers en werknemers stellen voor om een Projectgroep Reductie ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters in te stellen om op kritische wijze tot oplossingen te komen om het ziekteverzuim van vangnetters te beperken en hun re-integratie te verhogen. Is de staatssecretaris bereid om de prikkels voor werknemers uit te stellen om ruimte te creëren voor inzicht in de onderzoeksresultaten alsmede in mogelijke alternatieven?

Voor mijn fractie is uitstel tot 1 januari 2014 dan een logische keuze. Dat is ook de beoogde datum voor de inwerkingtreding van het onderdeel van het wetsvoorstel dat de premiedifferentiatie regelt.

De heer Terpstra (CDA):

Wat vraagt mevrouw Sent nu eigenlijk aan de staatssecretaris? Is dit exact hetzelfde als wat volgens persberichten aan de overkant is afgesproken tussen twee heren?

Mevrouw Sent (PvdA):

Dat is juist en ik kom nog op een nadere onderbouwing van dit verzoek.

De heer Terpstra (CDA):

Hoe weet mevrouw Sent nu dat dit precies zo is geregeld? Ik weet als Kamerlid totaal niets van die afspraak, behalve wat ik in mijn ochtendblad heb gelezen. Ik heb geen enkel papier gekregen van wie dan ook waarin staat dat dit wetsvoorstel zal worden gewijzigd.

Mevrouw Sent (PvdA):

Dit papier is gisteren beschikbaar gesteld aan de leden van de Tweede Kamer en is vandaag ook naar ons gestuurd. Ik heb niet meer informatie dan hetgeen ook aan de heer Terpstra is toegezonden.

De heer Terpstra (CDA):

Voorzitter, mag ik u dan vragen of u dat papier hebt? Ligt het aan mij dat ik het niet heb?

De voorzitter:

Nee hoor, wij hebben dat papier niet. Het is wel naar de leden van de Tweede Kamer gezonden, voor zover ik weet, maar niet naar de leden van de Eerste Kamer.

Mevrouw Sent (PvdA):

Voor zover ik weet, is het vandaag door de Griffie naar de leden van de Eerste Kamer gestuurd.

De heer Terpstra (CDA):

Is dit dan geen argument om de behandeling van dit wetsvoorstel uit te stellen tot volgende week? Dan kunnen wij het rustig nog eens bestuderen.

De voorzitter:

Is dit een vraag aan mevrouw Sent?

De heer Terpstra (CDA):

Nee, het is een vraag aan de voorzitter. Ik hoor nu tijdens de behandeling van dit wetsvoorstel, waarop iedereen zich diepgaand heeft voorbereid, van een van de collega's – en daar ben ik dankbaar voor – dat het kabinet of iemand een brief heeft geschreven dat de zaak helemaal is veranderd. Ik hoor dat de brief net binnengekomen is. Mocht dit zo zijn, dan is mijn vraag of wij de behandeling van het wetsvoorstel kunnen uitstellen tot volgende week. Dan kan iedereen intern nog een keer bespreken wat men met dit wetsvoorstel wil.

De voorzitter:

Zo werkt het niet, mijnheer Terpstra, u weet dat de voorzitter daar niet in zijn eentje over beslist. Het uitstellen van dat debat zou een beslissing van de Kamer moeten zijn. Dat moet u met uw collega-woordvoerders bespreken, naar mijn mening.

De heer Terpstra (CDA):

Mijn voorstel is om de behandeling uit te stellen tot op zijn vroegst volgende week. Al de dingen die ik nu net hoor, kan onze fractievoorzitter om 12.45 uur nog niet gehoord hebben.

De voorzitter:

Ik stel voor dat wij op verzoek van de heer Terpstra een kort ordedebat inlassen over de vraag of de behandeling van dit wetsvoorstel nu wel of geen voortgang moet vinden. Aangezien mevrouw Sent toch achter het spreekgestoelte staat, is het misschien goed dat ik met haar begin.

Mevrouw Sent (PvdA):

Naar de mening van mijn fractie kan de behandeling op reguliere wijze plaatsvinden, aangezien mijn fractie toezeggingen vraagt die zij ook had gevraagd onafhankelijk van de voorstellen of de overeenkomst die er eventueel zijn. Dit soort toezeggingen is gebruikelijk in plenaire debatten in deze Kamer. Wat ons betreft is er daarom geen uitstel noodzakelijk.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik heb een meer inhoudelijke vraag aan mevrouw Sent. Wat zij zei, is volgens mij anders dan wat ik lees over wat er blijkbaar in het Herfstakkoord is geregeld. Maar goed, mijn fractie heeft niet direct behoefte aan uitstel. Wij kunnen dit debat vandaag voeren. Er is een tekst aan ons geleverd waarin precies staat wat er is veranderd. Overigens heeft dit voor mijn fractie eventueel consequenties bij de stemmingen, maar dat is een andere vraag. Daar hebben wij het reeds over gehad.

De heer Ruers (SP):

Ik heb de tekst nog niet gelezen, terwijl anderen die wel gelezen hebben. Ik zou graag de gelegenheid hebben om de tekst even te lezen. Kunnen wij daarvoor misschien even pauzeren? Ik heb mij daarop niet kunnen voorbereiden voor dit debat.

De voorzitter:

Mijnheer Ruers, u bent nog niet aan de beurt. U bent de derde spreker in de rij. Wellicht kunt u de tekst lezen voor uw inbreng?

Mevrouw Scholten (D66):

Mijn fractie is er helemaal niet tegen om dit debat volgende week of op een ander moment te voeren. Ik sluit mij aan bij de opmerkingen van de woordvoerder van de fractie van het CDA.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik heb de tekst wel gelezen. Het zijn vijf regels. Wat mij betreft kan het debat van vandaag doorgaan.

De voorzitter:

Mijnheer Ruers, het zijn vijf regels, zoals ik begrijp. Die kunt u tussentijds toch wel lezen?

Dan stel ik vast dat de meerderheid van de woordvoerders van mening is dat we het debat moeten voortzetten, mijnheer Terpstra. En dat gaan we dan ook doen.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik heb de tekst voor me die ons vanochtend is toegestuurd. Daarin staat dat de invoering van een prikkel voor werknemers uit de modernisering van de Ziektewet (verkorting duur uitkering) met een jaar wordt uitgesteld. Binnen een jaar wordt een alternatief gevonden om de hoge instroom van werknemers zonder vast contract het hoofd te bieden. Nu zei mevrouw Sent net dat de maatregel in het kader van premiedifferentiatie zou worden uitgesteld, maar die maatregel geldt voor de werkgevers. Of heb ik haar verkeerd begrepen?

Mevrouw Sent (PvdA):

De premiedifferentiatie voor werkgevers zal al per 1 januari 2014 worden ingevoerd. Met het uitstel van de prikkels voor werknemers tot 1 januari 2014 treden beide delen van het wetsvoorstel dus op dezelfde datum in werking.

Voor mijn fractie is uitstel tot 1 januari 2014 dan een logische keuze. Dat is zoals gezegd ook de beoogde datum voor de inwerkingtreding van het onderdeel van het wetsvoorstel dat de premiedifferentiatie regelt. Daarnaast bevat het voorliggende wetsvoorstel maatregelen met een snellere werkhervatting van vangnetters als doel. Zo wordt voor het UWV de mogelijkheid gecreëerd om convenanten af te sluiten met werkgevers en sectoren die gericht zijn op werkhervatting van ZW-gerechtigden. Bovendien wordt de maximale periode van proefplaatsing verruimd tot zes maanden. Uitstel van de prikkels voor werknemers met een jaar biedt de mogelijkheid om zicht te krijgen op het succes van deze maatregelen ter ondersteuning van een snellere werkhervatting van vangnetters. Ten slotte worden de re-integratie- en sollicitatieverplichtingen voor ZW-gerechtigden aangescherpt, conform de verplichtingen die opgenomen zijn in de WGA. Hiermee wordt een snellere werkhervatting van de ZW-gerechtigden beoogd. Een jaar uitstel van de prikkels voor werknemers biedt de mogelijkheid om zicht te krijgen op het succes van deze maatregel. Vandaar onze vraag aan de staatssecretaris of hij bereid is om de beoogde inwerkingtreding van de prikkels voor werknemers uit te stellen tot 1 januari 2014.

De heer Ruers (SP):

U wilt de prikkels een jaar uitstellen, maar u wilt toch de effecten ervan na een jaar kennen. Hoe kan dat?

Mevrouw Sent (PvdA):

Het voorstel is om de inwerkingtreding van de prikkels voor werknemers, met name de arbeidsverledeneis, uit te stellen tot 1 januari 2014. Dat biedt de mogelijkheid om te evalueren wat het succes is van de andere maatregelen die deel uitmaken van het voorliggende wetsvoorstel. Die maatregelen heb ik zojuist benoemd; zij worden gehandhaafd.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik begrijp dat beperking van de maatregelen rond de werknemers met name gaat om de duur van de uitkering. Maar er is natuurlijk nog een andere beperking opgenomen in het wetsvoorstel, namelijk de verlaging van het ziekengeld. Betekent dit nu dat alle negatieve prikkels richting de werknemers voor een jaar zijn uitgesteld, of blijft er nog een deel staan?

Mevrouw Sent (PvdA):

Het voorstel is om de arbeidsverledeneis met een jaar uit te stellen, omdat dat naar de mening van onze fractie de pijnlijkste maatregel is, en omdat we graag de mogelijkheid bieden om alternatieven te bekijken en om de effectiviteit van maatregelen te beoordelen die wel per 1 januari in werking zullen treden.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

De herkeuring die vanaf het tweede ziektejaar zal plaatsvinden, betekent dat het wel degelijk mogelijk is dat een flexwerker in het tweede jaar in feite op bijstandsniveau terechtkomt.

Mevrouw Sent (PvdA):

Dat is juist.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Het verbaast mij dat de fractie van de Partij van de Arbeid daarmee akkoord gaat. Ik heb u eerder uitermate kritisch horen ageren tegen deze heel forse ingreep voor een werknemer zonder vaste werkgever die in het tweede ziektejaar zomaar in de bijstand kan belanden. Waarom acht u dat nu gerechtvaardigd?

Mevrouw Sent (PvdA):

De arbeidsverledeneis is het zorgelijkste onderdeel van het voorliggende wetsvoorstel. Als uitstel daarvan kan plaatsvinden, is wat ons betreft de angel uit het wetsvoorstel.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

De ILO vindt het in strijd met Europese regelgeving op het gebied van arbeidsbescherming dat een zieke werknemer die geen vaste werkgever heeft in het tweede jaar een herkeuring krijgt, waarbij de mogelijkheid bestaat dat de keuring oplevert dat hij minder dan 35% arbeidsongeschikt is, waarna hij teruggaat naar bijstandsniveau. De PvdA vindt dat geen angel die ook uit het wetsvoorstel moet.

Mevrouw Sent (PvdA):

Uit de memorie van toelichting blijkt dat het Ziektewetcriterium naar de mening van het kabinet niet in strijd is met verdragen van de ILO. Daardoor zijn wij overtuigd.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

U hebt net gezegd dat allerlei kabinetsmaatregelen mooie woorden zijn. Maar op dit punt bent u blijkbaar overtuigd. Misschien kunt u bij uzelf te rade gaan: het gaat erom dat zieke werknemers zonder vaste werkgever al in het tweede jaar worden herkeurd. Dat kan ertoe leiden dat niet-langdurig arbeidsongeschikten naar 70% van het wettelijk minimumloon gaan. Je komt dan terecht op een zeer laag inkomensniveau. Dat acht u aanvaardbaar?

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb aan het begin van mijn inbreng aangegeven dat wij er begrip voor hebben dat er paal en perk wordt gesteld aan de instroom in de ziektewet en de Wet WIA, ook voor de vangnetters. Met de huidige maatregelen ligt er een evenwichtig pakket, waarmee sterk wordt ingezet op ondersteuning, re-integratie en werkgeversprikkels. Wij wachten graag af wat de effectiviteit gedurende het komende jaar is om te bezien of er alternatieven voor de arbeidsverledeneis moeten worden gevonden.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Ik heb hier zeer grote moeite mee. Dit wetsvoorstel betreft namelijk ook nog de werkgeversprikkels. Hoe zullen die gaan werken? Een werkgever zal een werknemer die langdurig ziek is geweest en daar solliciteert, niet aannemen. Dat is eigenlijk het gevolg van dit wetsvoorstel. Ook zie ik eerlijk gezegd geen enkel ander arbeidsmarktinstrument dat deze werknemers nu echt eens een kans geeft. Wij weten verder dat het UWV voor deze groep mensen ongelooflijk weinig doet, ook omdat er zo ongelooflijk hard bezuinigd is op het UWV. Ik ben heel benieuwd welke geweldige instrumenten u wel in deze wet ziet die deze zieke werknemers zouden kunnen helpen om weer aan het werk te gaan.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik ben die maatregelen al langsgelopen. Ze betreffen de re-integratie- en sollicitatieverplichtingen voor ZW-gerechtigden, die conform de verplichtingen die zijn opgenomen in de WGA worden aangescherpt. Verder betreffen ze de werkgeversprikkels: door een andere financiering van de ZW en WGA komen er meer financiële prikkels voor grote werkgevers. Ze betreffen de mogelijkheid die gecreëerd wordt voor het UWV om convenanten af te sluiten met werkgevers en sectoren die gericht zijn op werkhervatting van ZW-gerechtigden en ze betreffen de uitbreiding van de maximale periode van proefplaatsing tot zes maanden.

De heer Ruers (SP):

Mevrouw Sent zegt net dat er wat haar betreft uitstel komt van invoering van de arbeidsverledeneis. In het verslag van 14 september somt de PvdA-fractie een hele reeks bezwaren op, buiten de arbeidsverledeneis. "De leden van de PvdA-fractie vragen aandacht voor de brief van de Stichting van de Arbeid van 6 september 2012." Ze wil daarop graag een reactie van de minister, omdat dat voorstel naar haar mening daarmee strijdig is. "De Stichting van de Arbeid schrijft dat het voorliggende wetsvoorstel geen draagvlak heeft bij de sociale partners. Het baart de leden van de Partij van de Arbeid grote zorgen dat het voorliggende wetsvoorstel niet door de sociale partners wordt gedragen." Ik hoor graag hoe mevrouw Sent nu aankijkt tegen wat zij twee weken geleden zei. Dit is immers nog steeds een onderwerp dat volgens haar aan de orde is. Als zij toch ermee akkoord gaat, hoe relateert zij dat dan aan de brief van de heer Van der Kolk, voorzitter van FNV Bondgenoten, gisteren in de NRC? Hij is behoorlijk kritisch hierover.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik zie dat niet anders dan in de schriftelijke vragen is aangegeven. Uitstel van de arbeidsverledeneis met een jaar biedt de sociale partners gelegenheid om te komen met alternatieven. Zij hebben aangegeven een projectgroep reductie ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters te willen instellen. De bevindingen van deze werkgroep kunnen in het komende jaar meegenomen worden bij het overwegen van alternatieven voor de arbeidsverledeneis.

De heer Ruers (SP):

U gaat nu alleen in op de arbeidsverledeneis. Een paar weken geleden spuide u echter ook kritiek. Die is hierin ook uitvoerig beschreven en die is niet mis. Blijft u achter die kritiek staan of niet?

Mevrouw Sent (PvdA):

Die kritiek betreft met name de arbeidsverledeneis.

De heer Ruers (SP):

Nee, ik vroeg naar andere aspecten dan de arbeidsverledeneis. Het is een hele serie. Ik zal het niet allemaal oplezen. U kent de tekst ook. Blijft die kritiek staan of trekt u die in?

Mevrouw Sent (PvdA):

Wat wij daarin geschreven hebben, blijft staan. De arbeidsverledeneis is het belangrijkste punt van zorg. Ik licht dat nu nog even toe. Ik zou het op prijs stellen als ik de gelegenheid kreeg om dat te doen.

De voorzitter:

De heer Terpstra wil nog interrumperen. Mijnheer Terpstra, sluiten uw vragen aan bij wat net verhandeld is?

De heer Terpstra (CDA):

Exact.

De voorzitter:

Mevrouw Sent heeft namelijk ook het recht om te kunnen uitspreken.

De heer Terpstra (CDA):

Ik schat dat het voor meer dan 100% aansluit bij wat de heer Ruers gezegd heeft. Het betreft namelijk het verwijzen naar de brief van de Stichting van de Arbeid. Beide partijen in de Stichting van de Arbeid, werkgevers en werknemers, hebben ons gevraagd om het hele zaakje uit te stellen. In wezen geeft mevrouw Sent een van beide partijen gelijk. De werknemersprikkel wordt afgeschaft terwijl de werkgeversprikkel blijft bestaan. Mevrouw Sent gaat ervan uit dat de werkgevers in de Stichting van de Arbeid, die eerst unaniem gevraagd heeft om alles af te wijzen, even enthousiast zullen praten over een oplossing. Als twee partijen wat vragen en één partij gelijk krijgt, waarom zou de andere partij dan even enthousiast zijn in het werken aan beperking van het ziekteverzuim? Waarop baseert mevrouw Sent dat idee?

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik heb daar twee argumenten voor. Ten eerste raken de werkgeversprikkels maar een klein deel van de werkgevers. Ten tweede hebben wij een brief van het Verbond van Verzekeraars gekregen over weeffouten die met dit wetsvoorstel worden recht getrokken. In de schriftelijke behandeling heeft mijn fractie daarvoor aandacht gevraagd.

Mijnheer de voorzitter. Ik licht graag toe waarom uitstel met een jaar van juist de arbeidsverledeneis volgens de PvdA-fractie wenselijk is. Analoog aan de Wet WIA wordt in dit wetsvoorstel geregeld dat het recht op ziekengeld wordt opgedeeld in twee delen: een loongerelateerde uitkering en een minimumuitkering. De duur van de loongerelateerde uitkering wordt als gevolg van de arbeidsverledeneis afhankelijk van het opgebouwde arbeidsverleden. De in het wetsvoorstel opgenomen arbeidsverledeneis treft ook vangnetters die volledig arbeidsongeschikt zijn. In de memorie van antwoord lees ik: "Met de arbeidsverledeneis beoogt de regering de vangnetter een financiële prikkel te geven om weer aan het werk te gaan, ook als de vangnetter volledig arbeidsongeschikt is." Mijn fractie vraagt zich af wat er bij deze groep te prikkelen valt. Daar komt bij dat van de groep volledig arbeidsongeschikten onder de WIA geen arbeidsdeelname of pogingen daartoe verwacht worden, zodat zij op loongerelateerd niveau beschermd blijven zolang zij volledig ziek zijn. Waarom moet een volledig zieke vangnetter wel financieel geprikkeld worden en een volledig arbeidsongeschikte in de WIA niet? Ik hoor graag een reactie van de staatssecretaris op dit punt.

Mijn fractie vraagt ook graag aandacht voor mogelijke onbedoelde gevolgen van de prikkels voor werknemers. Laten we ervan uitgaan dat een goed functionerende arbeidsmarkt vraagt om arbeidsmobiliteit. Laten we voorts in ons achterhoofd houden dat we in de toekomst te maken zullen krijgen met krapte op de arbeidsmarkt. Leidt het aanscherpen van het verschil in positie tussen vangnetters en werknemers met een vast contract er dan niet toe dat die zo gewenste vrijwillige arbeidsmobiliteit zal dalen?

Met de reactie in de memorie van antwoord kan mijn fractie geen genoegen nemen. Daarin schrijft het kabinet: "De voorgestelde werknemersprikkels hebben naar alle waarschijnlijkheid een zeer beperkte impact op eventuele mobiliteitsbeslissingen." Mag mijn fractie hieruit concluderen dat het kabinet van mening is dat prikkels wel werken bij het stimuleren van zieke werknemers om hun werk te hervatten maar niet werken bij arbeidsmobiliteit? Waarom de ene keer wel en de andere keer niet?

Na afronding van de schriftelijke behandeling heeft mijn fractie het artikel van mr. Seip uit het Tijdschrift Recht en Arbeid bereikt. Hierin worden zeven bezwaren aangedragen die met name betrekking hebben op de verlaging van ziekengeld vanaf het moment dat de vangnetter geen werkgever meer heeft en de beperking van ziekengeld aan vangnetters die geen werkgever meer hebben. De bezwaren zijn als volgt.

1. De maatregel tot beperking en verlaging van ziekengeld is disproportioneel voor zover het beschermde vangnetters betreft.

2. Met de onderhavige maatregel wordt de anticumulatie ZW en WW materieel langs de achterdeur binnengeloodst.

3. De relatie met de WW is onvoldoende geregeld.

4. Er is geen logische aansluiting op de WGA waardoor een "inkomensachtbaan" kan ontstaan, zoals ook gesignaleerd is door de Raad van State.

5. Een systeemfout bij de verrekening van inkomen ontmoedigt re-integratie.

6. Het regime voor volledig arbeidsongeschikten is onaanvaardbaar.

7. Het regime bij re-integratie is inconsistent en staat op gespannen voet met het door het kabinet gekoesterde paradigma van de prikkelwerking.

Ik hoor graag een reactie op de zeven bezwaren die aangedragen zijn in voornoemd artikel.

Mijn fractie heeft hopelijk duidelijk gemaakt dat zij grote bezwaren heeft tegen de invoering van een arbeidsverledeneis per 1 januari 2013. Zij hoopt dan ook dat de staatssecretaris bereid is om de inwerkingtreding van dit onderdeel van het wetsvoorstel uit te stellen tot 1 januari 2014. Mijn fractie kijkt uit naar de reactie van de staatssecretaris.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter. Ik lees in het Herfstakkoord dat er binnen een jaar een alternatief moet worden gevonden zodat wel degelijk die extra instroom in de Ziektewet en de WIA wordt afgeremd. Als dat alternatief niet wordt gevonden, gaat de PvdA-fractie dan toch akkoord met de arbeidsverledeneis? Denkt mevrouw Sent echt dat, los van de arbeidsverledeneis, de wet gaat werken en de rem op re-integratie voor de zieke werknemer zonder vaste werkgever zal worden weggenomen?

Mevrouw Sent (PvdA):

Mijn antwoord op de eerste vraag is dat wij moeten afwachten hoe het loopt. Ik ga ervan uit dat de Stichting van de Arbeid, die enthousiast de suggestie doet voor een projectgroep, met waardevolle alternatieven komt. Mijn antwoord op de tweede vraag is dat ik in herhaling zou vallen als ik weer alle maatregelen in het wetsvoorstel zou langslopen die mijn fractie wel steunt omdat zij naar haar inschatting effectief zijn.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Mevrouw Sent zegt dus dat haar fractie het wetsvoorstel op voorhand het voordeel van de twijfel geeft omdat zij ervan uitgaat dat met het uitstellen van de arbeidsverledeneis de zaak uiteindelijk goed geregeld wordt.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik kan niet vooruitlopen op het stemgedrag van mijn fractie. Dat zal afhangen van de antwoorden van de staatssecretaris.

Mevrouw Vos (GroenLinks):

Voorzitter. Vandaag bespreken wij het wetsvoorstel Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters. Dit wetsvoorstel heeft tot doel om mensen met een tijdelijk dienstverband en uitzendkrachten sneller aan het werk te krijgen. De fractie van GroenLinks heeft grote twijfels of dit wetsvoorstel wel gaat werken. Ook de Raad van State heeft die twijfels, evenals werkgevers en werknemers. In diverse onderzoeksrapporten komen ook twijfels naar voren over de inzet op dit punt via dit wetsvoorstel. Allereerst: hoe ernstig is nu de situatie? De instroom in de Ziektewet en de WIA is inderdaad relatief hoog onder flexwerkers, maar wanneer wij kijken naar wat er is gebeurd sinds 2003, dan zou je kunnen zeggen dat het aantal mensen dat in de WIA instroomt, stabiel is. Het ziekteverzuim is wel relatief hoog, maar ten opzichte van de stijging van het aantal flexwerkers is er een dalende trend in de instroom in de WIA. Ik zou daarom van de staatssecretaris graag een reactie willen hebben op deze gegevens.

De regering stelt dat specifieke kenmerken, zoals een slechtere arbeidsmarktpositie en arbeidsrechtelijke positie, een lagere opleiding en een slechtere gezondheid geen verklaring zijn voor een relatief hoge instroom in de WIA in vergelijking met vaste werknemers. GroenLinks is het eens met de Raad van State dat hierin juist wel een kern van het probleem zit. Voor deze groep, die een moeilijkere positie heeft en geen vaste werkgever heeft, is het veel lastiger om weer aan het werk te komen na langdurige ziekte. Er is namelijk geen werkgever naar wie de werknemer kan terugkeren en die zich inzet voor de re-integratie. Het UWV kampt met enorme bezuinigingen en doet weinig voor deze groep, die juist intensieve begeleiding nodig heeft, door middel van face-to-face-contacten, gezien het ontbreken van een werkgever. Wij weten dat ruim 80% van alle zieke werklozen re-integreerbaar is, maar wat er dan nodig is, is dat het UWV zeer veel extra inzet pleegt, juist voor deze mensen. Dat zien wij echter niet gebeuren. Wij vrezen zelfs dat het UWV door die zware bezuinigingen juist nog minder geneigd zal zijn om zich in te zetten voor deze groep, aangezien het goedkoper is om hen in een uitkering te laten, op bijstandsniveau, dan te investeren in de re-integratie. Ik zou graag een reactie van de minister willen hebben op deze stellingname van mijn fractie en van hem willen horen wat hij verwacht van de inzet van het UWV, juist voor deze groep mensen.

De regering gaat ervan uit dat zieke mensen weer aan het werk gaan, wanneer hun financiële situatie maar flink verslechtert. Een negatieve financiële prikkel activeert zieke mensen, dat is de opvatting van het kabinet. Wij vragen ons af waar het kabinet dit op baseert. Is hierbij niet de "eigen-schuld-dikke-bult-ideologie" aan het woord? Ook de Raad van State plaatst grote vraagtekens bij de effectiviteit van dit wetsvoorstel. Ik vraag hierop een reactie van het kabinet.

Het wetsvoorstel omvat een aantal maatregelen die de financiële situatie van de flexwerker flink verslechteren. Ik noem allereerst de verlaging van het ziekengeld. Die is afhankelijk van de arbeidsverledeneis, maar wanneer je relatief kort hebt gewerkt, ben je in no-time teruggevallen tot 70% van het minimumloon, kortom het bijstandsniveau. Daarnaast zal er in het tweede ziektejaar een keuring plaatsvinden op basis van de normering WIA. Als de verzekerde minder dan 35% arbeidsongeschikt is, is er met ingang van het tweede ziektejaar geen recht meer op ziekengeld. Dat is een zeer forse inkomensachteruitgang. Ook de ILO stelt dat Nederland hiermee niet voldoet aan Europese regelgeving. Het Herfstakkoord regelt alleen deze arbeidsverledeneis. Daar was mevrouw Sent zojuist ook duidelijk over. Deze wordt met een jaar uitgesteld, mits er een alternatief wordt gevonden. Het andere punt blijft echter gewoon overeind, namelijk de reële kans dat een behoorlijk deel van deze groep mensen in het tweede ziektejaar zeer ver gaat terugvallen in het inkomen.

De financiële positie van zieke flexwerkers, uitzendkrachten en mensen met tijdelijke contracten wordt flink slechter, zeker ook in vergelijking met zieke werknemers die wel een vaste werkgever hebben. De Raad van State vraagt zich dan ook af of dit wel aanvaardbaar is. Geeft dit niet een verscherpte tweedeling tussen de mensen die een vaste baan hebben en de mensen die een tijdelijk contract hebben? De Ziektewet uit 1996 had juist als uitgangspunt dat die tweedeling niet mocht ontstaan en dat er geen verschil mocht zijn in inkomensbescherming bij ziekte, of je nu wel of niet een vaste baan hebt. Wij vinden dan ook dat dit de zieke flexwerkers hard, disproportioneel en onrechtvaardig treft.

Een eventueel verstreken WW-duur wordt op de duur van de loongerelateerde uitkering in mindering gebracht. Dat is ook een punt dat wij graag aan de orde willen stellen. Mevrouw Sent heeft die vraag zojuist ook gesteld. Wordt zo in feite de anticumulatie ZW en WW niet alsnog via de achterdeur geregeld? Wij weten dat de Tweede Kamer zich hiertegen heeft uitgesproken. Is de aansluiting op de WGA wel goed geregeld? Is die niet zeer onlogisch?

Mensen die volledig maar niet duurzaam arbeidsongeschikt zijn komen in een zeer slechte positie terecht. Onder de WIA hebben zij een goede inkomensvoorziening, maar met dit wetsvoorstel gaan zij terug naar 70% van het minimumloon, dat wil zeggen bijstandsniveau. Zij zijn vaak lange tijd niet in staat om te werken en gedurende deze tijd vallen zij dus zeer ver terug in hun inkomen. Volgens cijfers van het UWV betreft dit 55% van de WIA-uitkeringen. Op dit moment gaat het om arbeidsongeschikten. Ook zieken die hun restverdiencapaciteit volledig benutten en in de WIA worden beloond voor hun re-integratie, vallen onder deze wet terug tot 70% van het minimumloon. Het kan dus zo zijn dat iemand zijn stinkende best doet en inderdaad weer wat gaat verdienen, maar niet meer kan verdienen, omdat hij op dat moment gewoon arbeidsongeschikt is, of in ieder geval niet in staat is om meer te doen. Toch krijgt zo iemand te maken met een enorme terugval in loon. Het kan zelfs zo zijn dat hij het dan slechter heeft dan iemand die zegt: ik ga helemaal niets proberen en ik ga gewoon op die uitkering wachten. Ik wil daarop graag een toelichting hebben van de staatssecretaris, want het kan toch niet zo zijn dat je, wanneer je je best doet, toch op een nog slechter niveau uitkomt dan het geval zou zijn als je niets deed.

Het wetsvoorstel ontmoedigt flexwerkers en uitzendkrachten om weer te gaan werken. Daarover heb ik zojuist al het een en ander gezegd. Het ontmoedigt ook werkgevers en het UWV om zich in te spannen voor deze groep. Werkgevers moeten extra premie gaan betalen wanneer zij de laatste werkgever zijn van een zieke persoon zonder werk. Wij lezen zelfs dat dit ook het geval kan zijn voor iemand die zwanger wordt, dan wel net bevallen is, of voor iemand die niet kan werken wegens orgaandonatie. Acht de staatssecretaris niet het risico zeer groot dat dit tot extra risicoselectie gaat leiden bij werkgevers, wanneer zich iemand aan hun bureau meldt die kort geleden uit een re-integratietraject is gekomen en een langdurig ziekteverleden heeft? Of een vrouw die mogelijk net bevallen is en van wie zij vermoeden dat zij wellicht nog een kind wil? Noem maar op, er zijn allerlei redenen waarom werkgevers zullen zeggen: ik ga jou niet aannemen op een tijdelijk contract, want dan ben ik straks aan zet om een extra premie te betalen wanneer jij ziek wordt. Hierop wil ik ook graag een reactie van de staatssecretaris.

Als wij dan bezien wat dit wetsvoorstel regelt qua verruiming van arbeidsmarktinstrumenten, dan betreft dit met name de proefplaatsing, waarvan de termijn van drie naar zes maanden gaat. Op basis van welk onderzoek blijkt dat dit zal helpen? Waarom geldt dit alleen voor cliënten van het UWV en niet voor personen in de WWB? Is ook bezien of een loonkostensubsidie bij een structureel lagere verdiencapaciteit niet veel effectiever is? Waarom is dat onderdeel niet in dit wetsvoorstel opgenomen? Is de verwijzing van het UWV naar de gemeente of zorg bij re-integratiebelemmerende factoren zoals schulden wel voldoende? Dient het UWV niet zelf veel meer initiatief te nemen en ervoor zorg te dragen dat de persoon inderdaad wordt geholpen om de re-integratiebelemmerende factoren te overwinnen?

Ik kom tot een afronding. Mijn fractie is uitermate kritisch over dit wetsvoorstel. Wij zien niet hoe dit op enige wijze flexwerkers zal helpen om na hun ziekte sneller te re-integreren en aan het werk te komen. Wij denken dat het voorstel met name belemmeringen oproept om weer aan het werk te gaan en tegelijkertijd een zware inkomensachteruitgang betekent voor de mensen die het betreft. Wij achten deze disproportioneel. Wij zien dit leiden tot een verscherping van de tweedeling tussen mensen met vast werk en mensen met flexibel werk. Ten slotte vrezen wij ook dat het nieuwe belemmeringen zal opwerpen voor de mobiliteit op de arbeidsmarkt. Als je naar een nieuwe werkgever gaat, krijg je vaak eerst een tijdelijk contract. Waarom zou je dat risico nog nemen als je al weet dat je in geval van ziekte de pineut bent en het zelf mag uitzoeken?

Het is duidelijk: mijn fractie is uitermate kritisch en wacht het antwoord van de staatssecretaris af.

De heer Ruers (SP):

Mijnheer de voorzitter. De twee hoofdpunten van dit wetsvoorstel hangen met elkaar samen: de bezuinigingen en de afbraak van de Ziektewet voor vangnetters.

Aan de bezuinigingen zijn bij de behandeling van het wetsvoorstel relatief weinig woorden vuil gemaakt. Toch gaat het om niet minder dan 75 miljoen als gevolg van alleen al de lagere uitkeringslasten en zelfs om 269 miljoen over een periode van vijf jaar, als er rekening wordt gehouden met alle financiële aspecten. Het is helder dat die bezuiniging het beslissende argument voor dit zeer demissionaire kabinet is, dat koste wat het kost de zwaarste lasten weer op de zwakste schouders legt. Daarbij is het vanuit de neoliberale opvatting van dit kabinet natuurlijk mooi meegenomen als je ook nog en passant de sociale zekerheid verder kunt slopen. Dat is voor dit kabinet twee vliegen in één klap.

De onderbouwing van het wetsvoorstel rammelt aan alle kanten. Het advies van de Raad van State maakt bij verschillende onderdelen van het voorstel duidelijk wat er aan het voorstel schort. Ik noem voorbeelden. Geen of onvoldoende onderbouwing; ontbreken van inzicht in de problematiek van de vangnetters; het negeren van alternatieven; het discrimineren van de vangnetters in vergelijking met de werknemers met een vast dienstverband en het creëren van een tweedeling. En wat stelt de regering daar tegenover? Vooral ronkend taalgebruik als: het versterken van de activerende werking van de Ziektewet en het verbeteren van de prikkelwerking van de financieringssystematiek van de werkhervattingsregeling gedeeltelijk arbeidsgeschikten. Dat is het taalgebruik waar het mij om gaat.

Daarmee wordt volgens de regering de werkhervatting van de zieke werknemer zonder werkgever gestimuleerd, het langdurig ziekteverzuim teruggedrongen en de instroom van ziektewetgerechtigden in de WIA voorkomen. Maar wat blijft er, op de keper beschouwd, van die zalvende taal over als we naar de harde realiteit van de vangnetters kijken? Weinig of niets. Immers, de zieke werknemers die de categorie vangnetters vormen, stonden al op alle fronten op achterstand ten opzichte van zieke werknemers met een vast dienstverband. Anderen hebben daar al op gewezen. Die achterstand wordt door dit wetsvoorstel alleen maar uitvergroot.

De groep vangnetters wordt met name gekenmerkt door het feit dat zij gemiddeld lager opgeleid zijn, doorgaans een korter dienstverband hebben, veel vaker een laag persoonlijk inkomen hebben en hun gezondheid vaker als slecht ervaren. Dat is de omschrijving van deze groep. Met zoveel achterstand is de kans om aan het werk te komen al behoorlijk slecht, zeker op de huidige arbeidsmarkt. Men zou dan verwachten dat de regering die groep mensen zou helpen om hun achterstand weg te werken en een reële kans te krijgen om weer vanuit de Ziektewet aan de slag te komen. Niets is minder waar. De vangnetters krijgen van dit kabinet nog een extra trap na. Maar volgens de minister zal ik dat natuurlijk ook als een extra prikkel moeten zien. Mensen geld afnemen en ze een lagere uitkering geven, is immers een prikkel, al vraag ik mij af in welke richting.

Een deel van de vangnetters wordt in het bijzonder genegeerd, namelijk het niet geringe aantal zieken dat te maken heeft met psychosociale problemen. De rapporten zijn daar duidelijk over. De regering stelt dat zij voor een sociale zekerheid staat die mensen naar vermogen – ik onderstreep "naar vermogen" – laat deelnemen aan het arbeidsproces en waar nodig een vangnet biedt. Dan vraag ik echter wel aan de minister en natuurlijk ook aan de staatssecretaris hoe zij tegen het vermogen van deze groep aankijken. Daar ben ik zeer benieuwd naar. Waarom zou dat vermogen versterkt worden door de plannen van de regering? Die twee vragen leg ik heel nadrukkelijk aan de staatssecretaris voor. Wij stellen immers op grond van de rapporten vast dat het vermogen van deze groep heel erg beperkt is, terwijl de regering beweert dat het voorliggende wetsvoorstel dat vermogen zou verbeteren. Ik denk dat de voorstellen averechts werken, maar ik hoor graag dat ik het fout zie en dat deze voorstellen juist een positief effect op het vermogen van deze mensen zullen hebben. Ik ben benieuwd. De regering ziet het afbreken van de toch al niet bepaald florissante regelingen als het probate middel om de zieken naar en aan het werk te krijgen en ze gaat eraan voorbij dat veel zieke werknemers, speciaal de grote groep met psychosociale problemen, allesbehalve geïnspireerd of gestimuleerd worden door de voorgestelde verslechteringen.

Andere partijen hebben al eerder in dit verband gewezen op niet alleen het kritische advies van de Raad van State, maar ook het rapport van het SCP van 21 augustus 2012, getiteld "Belemmerd aan het werk", alsmede de publicatie van mevrouw mr. Bronnenberg met de titel "Ziek en werkloos: pech of nieuwe kans?". Bronnenberg toont aan dat het wetsvoorstel het langdurig ziekteverzuim en de hoge instroom in de WIA door vangnetters niet oplost, maar verschuift. Zij wijst er terecht op dat de zieke vangnetter bijzondere kenmerken heeft en dat het wetsvoorstel daar geen oog voor heeft. Ook stelt zij dat de zieke vangnetter een onevenredig groot deel van de verantwoording voor zijn re-integratie draagt ten opzichte van de werkgever en het UWV. Verder geeft zij op basis van haar onderzoek aan dat het wetsvoorstel de arbeidsmarktpositie van de zieke vangnetter en de uitzendkracht verslechtert. Deze conclusie staat haaks op wat de regering ons in dit wetsvoorstel voorhoudt op basis van het wetsvoorstel. Ik hoor graag de reactie van de regering daarop. Kan de staatssecretaris mij ervan overtuigen dat de visie van mevrouw Bronnenberg hierop niet klopt? Een van de twee zal moeten kloppen, want het zal linksom of rechtsom moeten. Ik hoor het graag.

Tot nu toe getuigt de reactie van de minister op deze gefundeerde kritiek op het wetsvoorstel niet van een inhoudelijke gedachtewisseling of van discussie. Hij verwees voornamelijk naar het zogenaamde AStri-rapport uit 2011. De titel van dat mooie rapport is "Profilering langdurig zieke vangnetters". Dat is een interessant rapport. Het wordt door de minister creatief uitgelegd. De minister ziet het als ondersteuning van zijn wetsvoorstel en verwijst er meermaals naar. Ik stel echter vast dat het rapport, als men het leest, geen weerlegging van de kritiek is. In het AStri-rapport wordt immers gesteld dat 80% van de langdurig zieke vangnetters voldoende belastbaar is voor re-integratie, maar dat voor deze groep de re-integratie juist belemmerd wordt door een ongunstig context. Dat kan volgens het AStri-rapport verbeterd worden door speciale begeleiding. Daar moet het volgende onder worden verstaan: het inkopen van meer plaatsingstrajecten; meer sturen op probleemoplossing bij psychosociale problematiek; meer sturen op participatie- en herstelgedrag; bij kansarme groepen zoeken naar effectievere of efficiëntere begeleidingsvormen. Ik hoor graag of de staatssecretaris het hiermee eens is, of hij daarop ook wil inzetten en hoe hij dat gaat doen.

De conclusie van het AStri-rapport luidt dat de context waarin de re-integratie moet plaatsvinden de kans op succes verkleint; dat het gegeven dat er geen werkgever meer is die passend werk kan aanbieden, de re-integratie en het herstel compliceert; dat de arbeidsmarktkenmerken van de vangnetters ongunstiger zijn dan die van werknemers en dat het UWV nooit een even goed resultaat zal kunnen bereiken als de werkgevers. Dat zijn de conclusies uit het rapport waar de minister respectievelijk de staatssecretaris zich op beroepen. Daaruit kun je volgens mij niet de conclusies trekken die de regering in dit wetsvoorstel trekt.

Toch zijn er volgens het rapport waarop de minister de verdediging van zijn wetsvoorstel grotendeels baseert, mogelijkheden. Dan moet er echter wel sprake zijn van een actieve plaatsing in passend werk; van adequate richtlijnen in interventies bij psychosociale problematiek; het consequenter stimuleren van herstel- en re-integratiegedrag en de handhaving van deze verplichtingen. Er worden alternatieven aangedragen in het rapport waar de minister zo blij mee is. Ik vraag de regering om aan te geven welke alternatieven zij oppakt en waarom zij dat wel doet of juist niet.

Het AStri-rapport geeft dus een heel ander beeld dan de minister ons wil doen geloven. Ik stel verder vast dat de visie van Bronneberg voor een belangrijk deel overeenkomt met de visie van het AStri-rapport.

Kijken we nu naar wat de minister, respectievelijk de staatssecretaris, met deze adviezen en voorstellen doet, dan gaapt hier een grote kloof. De minister komt niet verder dan een beperkte uitbreiding van de maximumduur van de proefplaatsing en het aangeven dat het mogelijk wordt dat het UWV met werkgevers convenanten afsluit. Wij weten dat convenanten staan voor boterzachte afspraken. Hoe die convenanten zouden moeten werken, waarom die effectvol zouden zijn en hoe de financiering geregeld wordt, laat het wetsvoorstel in het midden.

Wel is de minister heel duidelijk in zijn doel om fors te snijden in de ziektewet voor de vangnetters. Hij voert een grote bezuiniging door, verslechtert de mogelijkheden voor de vangnetters, beperkt de ziektewetuitkering en helpt hen niet maar geeft ze de schuld van hun problemen, alsof je voor je lol ziek wordt. GroenLinks zei het al: eigen schuld, dikke bult. Daarmee duwt hij hen nog verder in de misère. Dat noemt de minister sociaal.

Ik stel vast dat dit wetsvoorstel onrechtvaardig is, niets oplost behalve het tekort van de schatkist en een heel grote groep werknemers tot tweederangs burgers maakt. In de neoliberale visie van het kabinet en de minister is dat helemaal geen probleem, men is er zelfs trots op. Voor ons geldt dat niet. De SP wijst dit voorstel af.

De heer Terpstra (CDA):

Voorzitter. Het beleid om het aantal arbeidsongeschikten bij vaste werknemers te doen dalen, is de afgelopen jaren succesvol verlopen. Daaraan hebben veel partijen in deze Kamer meegewerkt: CDA, PvdA en VVD.

Wij steunen in principe ook het idee om te kijken of je ook een deel van die succesvolle maatregelen kunt gebruiken voor de groep waarom het hier gaat, werknemers zonder werkgever, om het maar ruwweg te zeggen. Van die laatste categorie is de instroom in de arbeidsongeschiktheid nog vrij hoog. In de stukken is uitgebreid gesproken over de vraag hoe hoog dat dan wel is. Dat interesseert mij uiteraard geweldig maar ook weer niet zoveel. Het gaat mij meer om de algemene stelling dat bij deze groep de instroom hoger is dan bij de vaste groep werknemers.

Het Centraal Planbureau heeft er in de MEV ook een hele pagina aan gewijd, dus het idee dat hieraan iets moet gebeuren steunen wij. In de stukken hebben wij twee onderwerpen aan de orde gesteld, namelijk de vraag of dit wetsvoorstel nu het verschil in rechtspositie tussen de flexwerksector en de vaste werksector ongewenst groter maakt. De staatssecretaris heeft ons duidelijk gemaakt dat ten aanzien van de rol van de werkgevers het verschil eigenlijk kleiner wordt, terwijl bij werknemers de verschillen gelijk blijven of iets groter worden.

Daarnaast hebben wij gevraagd hoe de staatssecretaris dit probleem zou willen oplossen, terwijl de Stichting van de Arbeid unaniem heeft gevraagd om dit wetsvoorstel niet aan te nemen. De staatssecretaris heeft ons daarover schriftelijk geantwoord dat de Stichting van de Arbeid inderdaad een brief heeft geschreven om het wetsvoorstel uit te stellen maar dat in de sectoren, met name in de uitzendsector, wel goed overleg zal plaatsvinden om het probleem van het draagvlak op te lossen. Dat was voor ons voldoende maar nu hebben wij net gehoord in het Herfstakkoord dat het wetsvoorstel wordt gewijzigd. In het wetsvoorstel zelf heeft de staatssecretaris eigenlijk onbeperkte bevoegdheden gekregen om bepaalde artikelen wel of niet in te voeren, hoe laat enzovoorts.

De prikkels die men nu uit het wetsvoorstel haalt, gelden voor de werknemers. Het deel dat voor werkgevers geldt, blijft over het algemeen bestaan. Nu heeft de staatssecretaris ons vorige week geweldig overtuigd dat je als je prikkelt dan uiteraard iedereen op gelijke wijze evenwichtig moet prikkelen. Wij zijn dus zo overtuigd geraakt van de visie van de staatssecretaris over de evenwichtige prikkeling, een visie die wij zelf eigenlijk ook al hadden maar die nog is bevestigd, dat wij dit principe van de evenwichtige prikkeling op alle wetsvoorstellen willen toepassen, en dus ook op het voorliggende wetsvoorstel.

Vandaar mijn vraag aan de staatssecretaris, nu hij toch de bevoegdheid heeft in een van de laatste artikelen om alles in te voeren wanneer hij dat goed vindt, of het ook mogelijk zou zijn om niet alleen de werknemersprikkeling maar ook de werkgeversprikkeling op te heffen en uit te stellen tot 1 januari 2014 en om in de tussentijd de Stichting van de Arbeid te vragen het probleem op te lossen. Dat heeft de Stichting van de Arbeid namelijk aangeboden in haar brief. Zij wilde een onderzoek afwachten en dan de zaak zelf oplossen. Is de staatssecretaris bereid om alleen die dingen in te voeren waar iedereen voor is, ook de punten over de brief van de verzekeraars, de prikkeling van beide kanten op te schorten tot 1 januari 2014 en in de tussentijd met de Stichting van de Arbeid te overleggen om de zaak definitief goed op te lossen?

Mevrouw Sent (PvdA):

Even ter toelichting, de premiedifferentiatie wordt al per 1 januari 2014 ingevoerd in het huidige voorstel. De vraag aan de staatssecretaris is dus of hij bereid is om die werknemersprikkels ook op diezelfde datum in te voeren.

De heer Terpstra (CDA):

Dus u denkt dat de prikkeling voor werkgevers nu eigenlijk helemaal niet meer bestaat in het wetsvoorstel?

Mevrouw Sent (PvdA):

Die bestaat wel maar de beoogde invoeringsdatum is 1 januari 2014. Dat is het altijd geweest. De vraag die ik aan de staatssecretaris heb voorgelegd, zou dat alleen maar gelijktrekken.

De heer Terpstra (CDA):

Dat zou ik dus ook graag aan de staatssecretaris willen vragen. Klopt het inderdaad dat zijn evenwichtige toestand in het wetsvoorstel niet goed was verwoord en nu wel? Is het juist wat mevrouw Sent zegt?

Mijn tweede punt is van meer principiële aard. Als de Stichting van de Arbeid de regering en de Kamer vraagt een wetsvoorstel niet aan te nemen, vind ik het voor de werking van het poldermodel niet juist als de regering of formatiepartijen zeggen: ik geef de helft van de Stichting van de Arbeid snel gelijk en ik doe een beroep op beide partijen om die zaak definitief op te lossen. Het lijkt mij op langere termijn structureel geen goede bijdrage aan het poldermodel dat wij in deze sector juist zo hard nodig hebben om ook bij de vangnetters het ziekteverzuim en de instroom in de arbeidsongeschiktheid te beperken.

De heer Ruers (SP):

Wij hebben het gewijzigd voorstel van wet van 5 juli voor ons dat wij hier behandelen. In artikel X over inwerkingtreding staat: "De artikelen van deze wet treden in werking op een bij KB te bepalen tijdstip dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld." Dus er is eigenlijk nog helemaal niets vastgesteld over de inwerkingtreding. Zie ik dat goed? Alles staat nog open, volgens mij.

De heer Terpstra (CDA):

Daarvan maak ik gebruik, want ik heb uit de vijf regels begrepen dat het prikkelen van de werknemers wordt uitgesteld tot 2014. Nu zijn de werkgevers kwaad dat er een onevenwichtige prikkeling ontstaat. Ik vraag aan de staatssecretaris of het niet mogelijk is dat hij dat evenwicht weer herstelt, op grond van de bevoegdheid dat hij volgens dat artikel alles kan. Dan zou hij dus ook de prikkeling evenwichtig kunnen laten ontstaan in het wetsvoorstel, waardoor beide partijen even gelukkig worden. Als werkgevers en werknemers alle twee gelukkig worden, is mijn stelling dat zij harder zullen werken om voor 1 januari 2014 een bijdrage te leveren aan het oplossen van de relatief hoge instroom van de arbeidsongeschiktheid, want daarover gaat het wetsvoorstel. Ik zie de interruptie van de heer Ruers als een ondersteuning van mijn standpunt.

De voorzitter:

Ik hoop, mijnheer Terpstra, dat u evenwichtig geprikkeld blijft.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

Naar boven