Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2011-2012nr. 12, item 8

8 Belastingplan 2012 c.a.

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2012) (33003);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012) (33004);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Overige fiscale maatregelen 2009 in verband met de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht (Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen) (33005);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten (Geefwet) (33006);

  • - het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en enige andere wetten (Wet uitwerking autobrief) (33007).

(Zie vergadering van 12 december 2011.)

De beraadslaging wordt hervat.

Staatssecretaris Weekers:

Voorzitter. Allereerst dank ik de leden van de Eerste Kamer hartelijk voor de belangstelling die zij hebben voor het Belastingplan. Ik feliciteer de heer Bröcker met zijn maidenspeech. Ik hoop nog vaak met hem van gedachten te kunnen wisselen, ook over de door hem genoemde speerpunten, zoals wetgevingskwaliteit, eenvoud en betrouwbare overheid. Het spijt mij dat ik niet alle antwoorden mondeling kan geven, want daarvoor is de mij toebedeelde tijd van twee uur net iets te krap. Daarom heb ik de Kamer vanochtend een uitgebreide brief gestuurd met schriftelijke antwoorden. In mijn mondelinge beantwoording ga ik uit van een paar blokken. Ik zal beginnen met het pakket Belastingplan, waarbij ik eerst zal ingaan op kleine belastingen, vergroening, CO2 en de verschuiving van de inkomstenbelasting naar de btw. Daarna zal ik ingaan op het thema zorgwoco's, dat door diverse sprekers aan de orde is gesteld. Vervolgens zal ik spreken over de Geefwet en ten slotte zal ik de overige vragen beantwoorden op het vlak van groen beleggen, eigen woning en koopkracht en lasten.

De heer Bröcker geeft aan dat er nu echt werk gemaakt moet worden van een betere spreiding van fiscale wetgeving. Tegen hem, maar ook tegen andere leden van de Kamer, zeg ik dat wat eerder kan worden ingediend, zeker ook zal worden ingediend. Ik loop daarbij echter wel aan tegen bepaalde beperkingen. Een eerdere indiening is immers alleen maar mogelijk bij maatregelen die per saldo geen budgettaire gevolgen hebben. Als een maatregel alleen maar binnen een bepaalde wet budgettaire gevolgen heeft in de vorm van grondslagverbreding en tariefsverlaging, kunnen wij die in één wet stoppen. Als echter in één wet geld wordt opgehaald dat vervolgens aan andere zaken besteed wordt, zal ik wel de budgettaire samenhang dienen te betrachten, simpelweg vanwege het feit dat ik anders het risico loop dat er wel voor de lusten wordt gestemd, maar nog niet voor de lasten. Daarmee wordt dan een gat geslagen in het budgettaire kader. Dat is een van de beperkingen waarmee ik te maken heb.

Voorts heb ik te maken met de beperking dat er, anders dan bij het Belastingplan, in beginsel geen spoedprocedures mogelijk zijn. Een procedure via het ambtelijk voorportaal, via onderraad, ministerraad en Raad van State, kost gewoonlijk minimaal vier maanden. Dit betekent dat het conceptwetsvoorstel half februari klaar moet zijn om het half juni te kunnen indienen bij de Tweede Kamer. Kijkend naar de op fiscaal wetgevingsterrein drukke najaarsmaanden, heb ik tot het eind van het jaar alle ambtelijke wetgevingscapaciteit nodig in het kader van het Belastingplan. Eerst is er de behandeling van het Belastingplan in de Tweede Kamer, vervolgens de behandeling in de Eerste Kamer, en daarnaast moeten nog enkele uitvoeringsbesluiten worden voorbereid. Ik kan dus pas na de jaarwisseling weer beschikken over ambtelijke wetgevingscapaciteit.

Voor 2012 heb ik het volgende voor ogen. In de voor het zomerreces in te dienen fiscale verzamelwet zal ik zo veel mogelijk maatregelen opnemen. Daarnaast zal ik mij ervoor inspannen dat het wetsvoorstel Bosal en de in de fiscale agenda aangekondigde wetswijzigingen op het terrein van het formele recht voor het zomerreces naar de Tweede Kamer gaan. Mocht dat onverhoopt niet mogelijk blijken, dan zeg ik graag toe dat ik beide Kamers voor het zomerreces over deze twee onderwerpen schriftelijk zal informeren, zodat wij daar in elk geval voor het zomerreces een debat over kunnen voeren. Ik heb dat dit jaar gedaan met bijvoorbeeld de autobrief, die ik vrij uitgebreid en ook aan de hand van een uitgebreide studie aan de beide Kamers heb gestuurd. Dat heeft geleid tot een eerste bespreking met de Tweede Kamer voor het zomerreces. Uiteindelijk heeft het daaruit voortgevloeide wetsvoorstel een vrij soepele behandeling gekregen, omdat het parlement zich al had kunnen uitspreken.

De heer Bröcker heeft terecht aangegeven dat al in de fiscale agenda werd gerefereerd aan bepaalde onderwerpen die nu in het Belastingplan worden geregeld, onder meer de twee maatregelen in de Vpb, te weten de objectvrijstelling en de overnameholding. Hij heeft zelf al aangegeven dat wij daar ook al eerder een discussie over kunnen voeren. Nogmaals, alles wat ik straks tijdig in wetgeving kan onderbrengen, zal ik daar zeker in onderbrengen, want ook ik verkies die procedure. Voor zover dat niet mogelijk is met de twee wetten die ik heb aangegeven, zal ik dat per brief doen. Als er sprake is van budgettaire samenhang, ben ik wel genoodzaakt het in één pakket aan te leveren.

Mevrouw De Boer vraagt of kan worden onderbouwd dat Nederland een van de koplopers is in Europa op het gebied van milieubelastingen en of dit zo blijft na afschaffing van een aantal kleine belastingen. Uit de OESO-studie Taxation, Innovation and the Environment uit 2010 blijkt dat wij een van de koplopers zijn op het gebied van milieubelastingen. In deze studie wordt voor alle OESO-landen de opbrengst van de milieubelastingen gerelateerd aan het bbp. Alleen Denemarken heeft volgens de studie naar verhouding een groter aandeel milieubelastingen dan Nederland. Ook na het afschaffen van een aantal kleine milieubelastingen zal Nederland nog steeds tot de koplopers behoren, want het aandeel milieubelastingen gerelateerd aan het bbp zal door afschaffing van die kleine belastingen slechts met 0,1% dalen.

Dat Nederland tot de koplopers blijft behoren, stemt dit kabinet tevreden, maar het is geen doel op zich. In de fiscale agenda, maar ook in de belastingplannen heeft men kunnen lezen dat het kabinet inzet, zoals ook de heren Bröcker, Essers en van Strien hebben aangeven, op het terugdringen van instrumentalisme bij de belastingheffing.

Mevrouw De Boer heeft vragen gesteld over de fiscale behandeling van brandstoffen en de stappen die hiervoor in de Europese Unie worden gezet. Ook de heer Ester van de ChristenUnie heeft gesproken over de ambities rond de fiscale agenda. Hij heeft gevraagd of ik de vergroening en de verduurzaming van ons productiesysteem en consumptiepatroon serieus neem en welke maatregelen ik voor ogen heb. Eerder heb ik met mevrouw De Boer een discussie gevoerd over het door haar gebruikte begrip "subsidie". Op dit punt verschillen wij duidelijk van mening. Zij verwijst naar de Roadmap to a Resource Efficient Europe. In dit stuk is door de Europese Commissie als mijlpaal geformuleerd dat de milieuschadelijke subsidies in 2020 moeten zijn uitgefaseerd. De Europese Commissie heeft voorgesteld dat lidstaten in 2012 hun milieuschadelijke subsidies in kaart moeten brengen en in de periode 2012–2013 moeten aangeven hoe die worden uitgefaseerd. Het kabinet vindt het belangrijk dat deze discussie op Europees niveau wordt gevoerd, mede omdat veel van deze subsidies gebaseerd zijn op Europese regelgeving.

Vervolgens een opmerking over de verschuiving van belasting op arbeid naar belasting op milieuvervuilende activiteiten. In de fiscale agenda heb ik aangegeven dat de verhoging van milieubelastingen vooral op Europees niveau moet worden gerealiseerd. Dat Europees traject is nodig, zeg ik vooral tegen de heer Ester, om grenseffecten te vermijden en om te voorkomen dat Nederlandse bedrijven minder goed kunnen concurreren met bedrijven uit andere Europese landen. Een internationale aanpak is des te meer van belang omdat veel verlaagde tarieven en vrijstellingen voor fossiele brandstoffen rechtstreeks het gevolg zijn van communautair recht of door Nederland gesloten verdragen. Andere Europese landen hebben vergelijkbare regelingen. Een voorbeeld is de accijnsvrijstelling voor luchtvaart en scheepvaart. Het kabinet kan alleen op internationaal niveau aandringen op afschaffing van deze vrijstellingen. Daarnaast zet het kabinet, mede met het oog op het bevorderen van het gelijke speelveld op Europees niveau, in op hogere milieubelastingtarieven voor energieverbruik. Dit gebeurt in het kader van de onderhandelingen over het voorstel van de Europese Commissie tot herziening van de Energiebelastingrichtlijn. Wij behoren tot de koplopers als het gaat om energiebelastingen. Als wij de minimumnormen op Europees vlak verder omhoog weten te krijgen, zie ik ook meer ruimte voor een nadere vergroeningsslag in Nederland. Op dit moment acht ik die echter onverantwoord, omdat daarmee bepaalde sectoren of bedrijven de grens over worden gejaagd. Uiteindelijk is het milieu daarmee niet gediend, want de milieuvervuilende activiteiten van bijvoorbeeld een staalbedrijf gaan nog steeds door terwijl de revenuen daarvan niet meer in dit land worden genoten en de werkgelegenheid verdwijnt. Dat lijkt mij het paard achter de wagen spannen.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Ik hoorde de staatssecretaris zeggen dat het kabinet op Europees niveau alleen kan inzetten op bijvoorbeeld afschaffing van de belastingvrijstelling voor scheepvaart- en luchtvaartbrandstof. Gaat het kabinet dat ook doen? Is dat ook de inzet? Kan het dat doen of wil het dat ook doen?

Staatssecretaris Weekers:

Ik heb aangegeven dat wij wat dit betreft vooral inzetten op het ophogen van de minimumtarieven. Wijziging van de tarieven van kerosinevrijstelling of brandstof voor scheepvaart – het Verdrag van Mannheim – moeten internationaal worden opgepakt. Als ik daartoe een mogelijkheid zie, zal ik die zeker niet nalaten. Daarmee is echter niet gezegd dat het morgen ook is gerealiseerd. Er zijn veel belangen en Nederland loopt hierop niet vooruit, zoals wij destijds met de vliegtaks hebben gedaan. Dat heeft uiteindelijk tot veel schade geleid. Deze belasting werd door het vorige kabinet ingevoerd, maar tegelijkertijd ook weer afgeschaft vanwege de schadelijke effecten. Deze discussie zal ik echter zeker in Europees verband voeren.

Het kabinet zit ook niet stil op het gebied van vergroening en verduurzaming. Ik wijs in dit verband op het wetsvoorstel Wet uitwerking autobrief en op het wetsvoorstel opslag duurzame energie in het kader van SDE+, waar het kabinet binnenkort mee komt. Dit zal leiden tot een aanzienlijke verhoging van de energieheffingen. Het gaat hierbij om structureel 1,4 mld. extra in 2030, qua kosten ongeveer 30% van de huidige energiebelasting. In deze kabinet wordt dit al langzaam ingefaseerd. Dat wordt straks zichtbaar in de energierekening, bovenop de gas- en elektriciteitsprijs. Het kabinet kent echter zijn grenzen wat betreft mogelijke concurrentieverstoring en wat voor de burgers nog aan koopkracht nog kan worden opgevangen.

De heer Van Boxtel (D66):

Misschien is het niet de goede plek om dit naar voren te brengen, maar toch doe ik het. Wij spreken nu over het Belastingplan en we hebben het over allerlei energiebelastingen. Er zijn inmiddels heel veel lijstjes beschikbaar, waaruit blijkt dat Nederland op het gebied van verduurzaming bij veel landen achterblijft. Dat heeft enerzijds met de druk vanuit de belastingen te maken en anderzijds met het ontbreken van stimulerende maatregelen. Ik maak mij er zorgen over dat bij al die grote hervormingen die wij nodig hebben om onze economie weer vliegend te krijgen, de kansen en potenties in Nederland op het gebied van innovatie niet benut worden. De tragiek nu is dat wij alleen over belastingen praten en dus kan ik dat de staatssecretaris niet verwijten. Ik wil hem echter meegeven om in het kabinet te bepleiten dat de linker- en de rechterhand van het beleid samengaan. Wij hebben het ook bij de algemene politieke beschouwingen aan de orde gehad.

Staatssecretaris Weekers:

Ik zou deze discussie heel graag hier en nu voeren, maar ik vrees dat de tijd daar net wat te krap voor is. Het kabinet heeft afgesproken dat wij aan de Europese doelstellingen zullen voldoen, linksom of rechtsom. Collega Verhagen is bezig met tal van green deals. Ook specifiek voor innovatie – waaronder ook milieu-innovatie en nieuwe energiebronnen – hebben we instrumenten in het leven geroepen met dit Belastingplan. Ik wijs op de RDA, die ook kan worden gebruikt voor innovaties in het kader van milieu en energie. Ik wil dan ook de aantijging dat het kabinet niets zou doen op dit terrein of Europees zou achterlopen, verre van mij werpen. Integendeel. Ik vind het jammer dat de tijd ontbreekt om hierop dieper in te gaan, want ik merk dat de heer Van Boxtel en ik daaraan behoefte hebben. Het punt is in elk geval geadresseerd.

Mevrouw Sent heeft gevraagd of het afschaffen van kleine belastingen wel past binnen de prioriteiten van financiële stabiliteit, het weer gezond maken van de overheidsfinanciën en het versterken van het groeivermogen van de economie. Zij vraagt waarom het kabinet de kleine rijksbelastingen niet handhaaft, bovenop de voorgestelde grondslagverbreding en geeft aan dat de administratieve lasten verhoudingsgewijs laag zijn. Een belastingstelsel met minder belastingsoorten heeft lagere inningskosten dan een stelsel met heel veel verschillende belastingen. Hetzelfde geldt voor de administratieve lasten. Deze vereenvoudiging betekent ook het beperken van het belasten van specifieke, kleine grondslagen met als resultaat een beperkte opbrengst en weinig verlies van specifieke milieuopbrengsten. Het handhaven van de kleine belastingen boven op de voorgestelde grondslagverbredende maatregel zou per saldo een lastenverzwaring betekenen die dit kabinet niet nastreeft. Wij hebben ervoor gekozen om binnen het lastenkader, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen burgers en bedrijven, de ruimte voor bedrijven onder meer uit grondslagverbreding in de Vpb en de compensatie, nodig voor de hogere zorgpremies, voor een belangrijk terug te sluizen door het afschaffen van allerlei kleine belastingen. Dat is al jaren ook de wens van het bedrijfsleven.

Mevrouw Sent (PvdA):

Kan de staatssecretaris in dat kader reageren op de ramingen van het Centraal Planbureau die zojuist zijn uitgekomen? Het begrotingstekort komt volgend jaar uit op 4,6%. Hoe kunnen we het in zo'n situatie verantwoord vinden om bijna 1 mld. aan belastingen af te schaffen?

Staatssecretaris Weekers:

Simpelweg omdat we andere belastingopbrengsten verhogen. De premies voor zorg zijn hoger dan die waarvan wij bij de start van het kabinet zijn uitgegaan. Wij hebben grondslagverbredende maatregelen genomen in de vennootschapsbelasting, dat wil zeggen dat de vaste inrichting en de overnameholding worden aangepakt. Daar is dus gewoon sprake van een schuif. Als mevrouw Sent voorstelt om het bedrijfsleven door de extra maatregelen zwaarder te belasten en tegelijkertijd de kleine belastingen niet wil afschaffen, is dat gewoon een onverbloemd pleidooi om de lasten met name voor het bedrijfsleven fors te verhogen.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik zou er graag een onverbloemd pleidooi voor willen houden om ons aan de Europese regels te houden. Met het huidige beleid komen wij met 4,6% begrotingstekort ruim boven de 3%. Ik vraag mij af hoe verantwoord het is om deze afschaffing te handhaven.

Staatssecretaris Weekers:

De vraag is wanneer je je beleid moet bijstellen, dat wil zeggen op grond van welke studies. Welnu, daar zijn vaste momenten voor. Wij hebben nu de decemberraming van het CPB en in het voorjaar krijgen we een nieuwe raming met – naar ik verwacht – een doorkijkje naar 2013. Dan zullen wij de zaak opnieuw bekijken. Het is echter ook in de afgelopen jaren niet gebeurd dat een kabinet aan de hand van een decemberraming de zaak weer bijstelt, zeker niet op het moment dat er voor het laatst wordt gesproken over het Belastingplan in de Eerste Kamer. Wij hebben een vaste koers om het huishoudboekje op orde te brengen. Wij hebben heldere afspraken gemaakt in Europa, omdat wij willen dat iedereen zich houdt aan financiële degelijkheid. Als Nederland andere landen de maat neemt, zal Nederland ervoor moeten zorgen dat het zelf het huis op orde heeft en houdt. Daar komen wij op het juiste moment ook over te spreken, maar niet vandaag in het kader van het Belastingplan.

De heer Essers heeft nog vragen gesteld over de afvalstoffenbelasting, omdat hij zich zorgen maakt of er geen toename plaatsvindt van het storten van schadelijke stoffen. De staatssecretaris van I&M heeft in zijn brief Meerwaarde uit afval aangegeven hoe hij wil voorkomen dat er meer gestort gaat worden. Voor gevaarlijk afval geldt hetzelfde als voor ander afval dat bij een stortplaats wordt afgegeven. Voor sommige gevaarlijke afvalstoffen zal storten de enige verwerkingsmogelijkheid zijn. Dat is bijvoorbeeld het geval bij asbesthoudend afval. Los van de vraag of het belast wordt of niet, asbest zal uit gebouwen verwijderd moeten worden. Als er geen recyclingmogelijkheid is, zal het gestort moeten worden. Dat ontmoedig je niet door een belasting te heffen.

Er zijn wel initiatieven bij het bedrijfsleven om hechtgebonden asbestcement te vernietigen in een denaturatiefabriek, maar dat proces is nog niet operationeel. Op het moment dat zo'n proces wel operationeel is, zal de collega van I&M ook hiervoor een stortverbod in het leven roepen. Als storten niet meer de enige mogelijkheid is en er betere alternatieven zijn, heeft de collega van I&M een voldoende instrumentarium om te zorgen dat de juiste dingen gebeuren en dat dingen die niet zouden moeten gebeuren, worden verhinderd.

Er was nog een vraag of er een evaluatie kan komen van wat er gestort wordt en of daarbij sprake is van een toename. Dat wordt door de collega van I&M jaarlijks gerapporteerd in haar begroting over de werking van afvalstoffen. Komend jaar zal zij in die rapportage nadrukkelijk aandacht besteden aan de mogelijke gevolgen van de afschaffing van de afvalstoffenbelasting. De vraag die de heer Essers over de evaluatie heeft gesteld, heeft de heer Omtzigt in de Tweede Kamer ook gesteld. Ik heb toegezegd dat ik zijn verzoek zal doorgeleiden naar de collega van I&M. U krijgt hierover volgend jaar een rapport.

Mevrouw Sent heeft nog enkele vragen gesteld over de frisdrank- en waterbelasting. Zij vraagt mij of ik de nevendoelen zuinig watergebruik en het bestrijden van obesitas niet belangrijk vind. Zij zet ook vraagtekens bij vereenvoudiging als argument. Ik heb in de fiscale agenda aangegeven – ik vond het eigenlijk wel mooi dat de heer Bröcker dat gisteren ook nog als een van zijn ijkpunten naar voren bracht – dat belastingheffing primair tot doel heeft om de schatkist te vullen om van daaruit de noodzakelijke publieke voorzieningen te bekostigen. Natuurlijk bestaan er gerechtvaardigde nevendoelen. Ik heb dat in de schriftelijke voorbereiding op dit debat ook aangegeven. Er kan sprake zijn van herverdeling omdat je de sterkste schouders de zwaarste lasten wilt laten dragen. Wellicht wil je externe kosten zoals milieubelasting internaliseren; die moet je inprijzen en dat is logisch.

Je kunt gedrag gaan sturen, maar de vraag in hoeverre je gedrag moet gaan sturen en daarvoor het fiscaal instrumentarium wilt gebruiken, hangt af van politieke appreciatie. Ik wil daar terughoudend mee omspringen. Ik zeg niet dat ik het per definitie uitsluit, want de eerlijkheid gebiedt te zeggen dat ook in dit belastingplan enkele fiscale instrumenten zitten; de Geefwet en de multiplier zijn fiscale instrumenten. De RDA is ook een fiscaal instrument. Ik zeg niet bij voorbaat dat ik overal op tegen ben, maar je moet wel heel goed bedenken of het belastingmiddel wel het meest geëigende instrument is.

Mevrouw Sent (PvdA):

Ik ben toch wel heel erg benieuwd hoe dit zich verhoudt tot de Geefwet. Waarom zijn de nevendoelen obesitas en zuinig omgaan met water niet van belang bij de kleine rijksbelastingen, maar zijn de nevendoelen bij de Geefwet, het stimuleren van cultureel ondernemerschap, wel van belang? Waarom wordt daarbij wel gedacht dat prikkels een belangrijke rol kunnen spelen?

Staatssecretaris Weekers:

Ik ontken niet dat prikkels ook hier een zekere rol hebben. Bij kleine belastingen is die prikkel alleen niet erg effectief gebleken. Als je het tarief voor de verpakkingentaks of voor de grondwaterbelasting zou vertienvoudigen, dan kun je inderdaad behoorlijke gedragseffecten verwachten. Het kabinet kiest daar alleen niet voor.

Mevrouw Sent (PvdA):

Misschien komt u hier bij de behandeling van de Geefwet nog op terug. U schrijft in uw reactie dat giften vooral beïnvloed worden door welke goede doelen je een warm hart toedraagt. Waarom denkt u dan dat de multiplier in de Geefwet wel effect zal hebben? Misschien komt u daar later nog op terug.

Staatssecretaris Weekers:

Mag ik de vragen over de Geefwet nog even parkeren tot wij daaraan toe zijn? Het kabinet vindt dat niet voor elk sympathiek doel belastingheffing als instrument moet worden gebruikt. Je kunt het hebben over frisdrankbelasting en obesitas, maar de frisdrankbelasting zit bijvoorbeeld ook op bruisend mineraalwater en op vruchtensappen. Die frisdrankbelasting zit niet op een vette hamburger. Volgens mij moet je hiervoor een heel andere discussie voeren. Je kunt dan beter gaan praten over een categorie-indeling in de btw. Overigens zie ik ook daarbij veel problemen opkomen.

Fiscale instrumenten moeten in principe tijdelijk zijn. Vandaar dat ik in de fiscale agenda heb aangegeven dat ik er voorstander van ben om een horizonbepaling te verbinden aan bepaalde fiscale instrumenten. Ik wil nu niet de discussie over de Geefwet openen, dat komt later in de middag, maar aan de multiplier en de Geefwet zit ook een horizonbepaling vast; die loopt over vijf jaar af. Als je het gerechtvaardigd vindt om een nevendoel te introduceren, zul je die tijdelijk moeten laten zijn. Zo vind ik dat voor het nevendoel van de autobelastingen om milieuvriendelijke auto's op de weg te laten rijden om daarmee het CO2-probleem te adresseren, je het systeem van tijd tot tijd moet bijstellen. Dat hebben we met de wet op de autobelastingen dan ook gedaan. Ik kom daar later nog op terug. Kijkend naar deze kleinere belastingen levert de afschaffing toch een besparing op van 15 mln. aan uitvoeringskosten en 24 mln. aan administratieve lasten.

Dan heeft de heer Reuten nog vragen gesteld over het verschuiven van ib naar btw en ook de heer Bröcker heeft naar een dergelijke schuif geïnformeerd. Een schuif van lasten van directe naar indirecte belastingen heeft verschillende voordelen. Ik hoef u niet te vertellen dat de lasten op arbeid in Nederland hoog zijn. Verlaging van deze lasten zal de concurrentiekracht van Nederland versterken en dat levert werkgelegenheid op, dat schept banen. Dat zou de heer Reuten toch moeten aanspreken. Indirecte belastingen verstoren het economisch proces veel minder dan directe belastingen. Indirecte belastingen, in elk geval de btw, dragen bij aan de soliditeit van de belastingopbrengsten. De soliditeit van de belastingopbrengsten is de mate waarin de opbrengst op lange termijn de nominale groei van het bbp volgt. Geringere volatiliteit van indirecte belasting is niet het hoofdargument van een schuif van directe naar indirecte belastingen, om een misverstand bij de heer Reuten weg te nemen.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik had het genoegen om vorig jaar een boek te mogen schrijven met de heer Vermeend, een van uw illustere voorgangers. Het zou zeer wel denkbaar zijn om de btw op bepaalde schadelijke zaken, zoals vetten, alcohol en tabak, flink te verhogen, om zodoende de extreem stijgende zorgkosten in de hand te houden. Daarmee verlicht je de premiestijging op arbeid. Ik zou het kabinet willen vragen, het komend jaar eens goed na te denken over de vraag of dit geen hulpmiddel kan zijn. Daarmee worden ook de kosten van VWS verlicht.

Staatssecretaris Weekers:

Het is een interessante gedachte. Ik heb in de fiscale agenda aangegeven dat het zinvol is om met elkaar te discussiëren om de belasting op arbeid te verlagen en een schuif aan te brengen in de richting van belasting op consumptie. Daarover heeft helaas nog geen fundamenteel debat plaatsgevonden met de beide Kamers der Staten-Generaal. Ik heb wel uit de media vernomen dat bepaalde onderdelen in de ban gedaan zijn. Ik vind het de moeite waard om de suggestie van de heer Van Boxtel hierin mee te nemen. De randvoorwaarde is wel dat het uitvoerbaar moet zijn. Er zijn bijvoorbeeld bij de btw veel conflicten over de afbakening. Hoort iets nu onder het hoge of onder het lage tarief? De Kamer vindt bij mij gehoor als een systeem simpel uit te voeren is en appelleert aan rechtvaardigheidsgevoelens in de samenleving.

De heer Reuten (SP):

Ik heb gevraagd naar het conjuncturele effect van een verschuiving naar de btw, want dan werken de automatische stabilisatoren minder en ontstaat er een verheviging van de conjunctuurbeweging. Gaat de staatssecretaris daarover nog iets zeggen, of vindt hij dat geen punt? De belastinginkomsten worden daar immers instabiel van. Het werkt precies andersom.

Staatssecretaris Weekers:

Je moet kijken of de structurele opbrengst stabiel is en of een belastingopbrengst gelijke tred houdt met de economische ontwikkelingen in het land.

De heer Reuten (SP):

Structureel maakt het volgens mij niets uit. Het gaat om de beweging van de belastinginkomsten. Die beweging werkt juist stabiliserend. De btw is minder volatiel dan de inkomstenbelastingen. Bij meer btw heffen, ontstaat er een verheviging van de conjunctuur.

Staatssecretaris Weekers:

Wij moeten geen overspannen verwachtingen hebben van die verschillen. Het gaat erom dat ik zeker moet kunnen zijn van stabiele belastingopbrengsten. Ik vind het niet zo'n ramp als er wat minder belastingopbrengsten zijn in een jaar waarin het wat slechter gaat met de economie dan in een jaar waarin het beter gaat met de economie. Sterker nog, wij hebben bij het begrotingsbeleid en de automatische stabilisatoren aangegeven dat wij daarop niet gaan corrigeren. Ik vind dat een goed uitgangspunt. Ik moet vooral in de gaten houden of bepaalde grondslagen niet steeds verder worden uitgehold, waardoor mijn belastinginkomsten in de toekomst weglopen. Dat zag ik gebeuren met de autobelastingen.

Sprekend over belasting op arbeid versus belasting op consumptie kun je je voorstellen dat, wanneer er relatief gezien steeds minder mensen werken, er een risico bestaat dat ook daar belastinginkomsten weglopen.

Wat ik veel belangrijker vind, is de notie hoe je gegeven een bepaalde noodzakelijke opbrengst het meest slim kunt omgaan met je belastingen opdat je concurrentiekracht ermee gebaat is en de welvaart ermee gediend is. Het systeem moet er in ieder geval toe leiden dat de koek wat groter gemaakt kan worden. Dat kan door het verschuiven van belasting op arbeid naar belasting op consumptie.

De heer Reuten (SP):

Ik redeneer precies andersom. De btw fluctueert een beetje maar de inkomstenbelastingen fluctueren veel sterker. Juist in een sterke fluctuatie zit een dempend conjunctuureffect. Als je een schuif maakt van inkomstenbelastingen naar btw, neem je het contracyclische van de inkomstenbelasting weg en ontstaat er een hevigere crisis en hevigere conjuncturele effecten.

Staatssecretaris Weekers:

Ik waag dat te betwijfelen. Ik zal zelf ook nog even in de cijfers duiken. Ik heb de cijfers hier niet paraat. Wat de inkomstenbelasting en wat de btw de afgelopen jaren hebben gedaan, is niet zo heel erg volatiel. De vennootschapsbelasting is wel erg volatiel. In een tijd dat het consumentenvertrouwen laag is, wordt er minder gekocht en is de btw-opbrengst lager, maar als mensen nog een baan of een uitkering hebben, betalen zij wel inkomstenbelasting. Ik zou wat preciezer naar die cijfers willen kijken. Nogmaals, ik zie daarin geen enorme volatiliteit. In termen van welvaart zie ik grote voordelen in de mogelijkheid om van het een naar het ander te kunnen verschuiven. Ik ben best bereid om de noties van de heer Reuten te toetsen en te zien of die kloppen. Daar heb ik geen moeite mee.

De voorzitter:

De staatssecretaris zei dat hij vier blokjes heeft. Zijn die ongeveer even groot? Misschien kan hij het eerste blokje afronden?

Staatssecretaris Weekers:

Zij zijn niet even groot, voorzitter.

Mevrouw Sent heeft erop gewezen dat ik in 2014 de CO2-vrijstelling voor auto's loslaat en geen verlaagde bijtelling voor groen gas wil introduceren. Zij vraagt of ik daarmee de nevendoelen van de belastingheffing zoals CO2-reductie niet ondersteun.

De autobrief bewijst het tegendeel. Ik wil zo effectief mogelijk een reductie van CO2 realiseren. Dat kan door stapeling te voorkomen, bijvoorbeeld door de vrijstelling van de motorrijtuigenbelasting in 2014 af te schaffen. Ook de heer Bröcker zette in zijn betoog vraagtekens bij het geven van een driedubbel belastingvoordeel voor milieuvriendelijke auto's. Het is helemaal niet nodig om zoveel dingen tegelijkertijd te doen.

Ik kom nu te spreken over de "well to wheel"- en de "tank to wheel"-benadering. Stimulering op basis van CO2-uitstoot en bpm-bijtelling vindt plaats volgens een in Europa geharmoniseerde methodiek. Om tot een lagere bijtelling voor groen gas te komen, zou ik een veel meer gecompliceerde benadering moeten kiezen, namelijk de "well to wheel"-benadering, maar die zit nog niet besloten in de Europese systematiek. De heer Van Strien is hierop gisteren uitvoerig ingegaan. Jammer genoeg zijn daarover te weinig gegevens bekend. Ik wil in ieder geval niet voor een enkele brandstof een afwijkende methode hanteren. Ik wil techniekonafhankelijke en brandstofonafhankelijke methodes hanteren. Het gaat erom op welke wijze een reductie van de CO2-uitstoot bereikt wordt.

Ik herinner eraan dat groen gas via de SDE-plusregeling behoorlijk gesubsidieerd wordt – daarin gaat 1 mld. om – en via lokale aankoopsubsidies die wel oplopen tot € 3000 per voertuig. Om te komen tot een level playing field van de gasvormige brandstoffen, hebben wij ervoor gezorgd dat wij de introductie van dit soort brandstoffen faseren. Ik denk dat groen gas hiermee de benadering krijgt die het verdient.

De heer Van Strien heeft gevraagd of ik bereid ben ook aandacht te besteden aan de indirecte CO2-uitstoot die vrijkomt bij de productie van auto's en in het bijzonder van elektrische auto's. Indien mogelijk wil ik daar best eens naar kijken en bij de aangekondigde evaluatie op terugkomen. Ik ben alleen bang dat wij slechts globaal de milieubelasting voor de productie en de sloop van elke auto boven water kunnen krijgen. Het is wel een interessante suggestie om in die evaluatie ook aandacht te besteden aan het directe en indirecte energieverbruik, met name bij de elektrische auto. Uiteindelijk moet je wel weten waarover je het hebt in de hele productieketen en de levensduurketen. Dat zou de meest eerlijke benadering zijn. Als ik daar uiteindelijk een instrumentarium voor heb, dat ook internationaal moet zijn geharmoniseerd, kan ik me daarop baseren. Dat heb ik echter nog niet.

Dan kom ik bij het onderwerp van de zorgcorporaties. De heer Essers, de heer Bröcker en mevrouw Sent hebben een aantal vragen gesteld over de belastingplicht van zorgcorporaties. Voorzitter, dit is mijn tweede blokje. Dit is wat korter dan het eerste blokje.

De voorzitter:

Dank u wel. Ik vergat te vragen of het eerste blokje het kleinste blokje was. Ik ben blij dat u het zelf zegt.

Staatssecretaris Weekers:

Ik bedien u graag op uw wenken.

Zorgcorporaties houden zich, anders dan de naam doet vermoeden, primair bezig met het aanbieden van vastgoed. Ze leveren geen zorg. Zorgcorporaties zitten gemiddeld voor meer dan de helft in de markt voor aanleunwoningen. Dit is een markt waarop ook andere belastingplichtigen die Vpb betalen, actief zijn. Ik roep in herinnering dat het vorige kabinet alle woningcorporaties, inclusief de zorgcorporaties, met ingang van 1 januari 2008 integraal Vpb-plichtig heeft gemaakt. Dat is gedaan om een gelijk speelveld te realiseren en natuurlijk ook om een budgettaire opbrengst in te boeken.

De Europese Commissie heeft omwille van een gelijk speelveld destijds bezwaren geuit tegen de toen bestaande vrijstelling. Vanaf 2008 hebben de zogenaamde zorgcorporaties gezocht naar mogelijkheden om alsnog onder de heffing van de vennootschapsbelasting uit te komen. In een aantal individuele gevallen is – we moeten achteraf constateren ten onrechte – een beroep op de zorgvrijstelling door corporaties gehonoreerd. Dat was mede het gevolg van de verouderde terminologie van de wetsbepaling. Ik kan me herinneren dat we daarover vorig jaar een uitgebreide discussie hebben gehad met de heer Essers. Hierin kwam artikel 5, lid 1, sub c aan de orde, waarin een vrijstelling staat voor het verschaffen van een onderkomen aan bejaarden, gebrekkigen of wezen. Daarmee staat het verlenen van zorg en de zorgbehoefte min of meer centraal. In de huidige plannen passen we deze terminologie aan. Deze terminologie is namelijk volstrekt uit de tijd en past totaal niet meer bij het beleid.

In 2009 is een beleidsbesluit uitgevaardigd op grond waarvan zorgcorporaties door het ontbreken van de zorgcomponent geen beroep kunnen doen op deze vrijstelling. Tijdens de plenaire behandeling van het Belastingplan 2011 bleek dat de onduidelijkheid nog steeds bestond. Dat kwam door de rare terminologie. Ik neem afstand van de opmerking van de heer Essers dat een soortgelijk voorstel vorig jaar na kritiek van de Kamer is ingetrokken en dat er wederom sprake zou zijn van een aanval op de vrijstelling. Dat is niet het geval. Ik heb aangegeven dat de vrijstelling niet meer bestaat sinds 1 januari 2008. In sommige gevallen heeft een inspecteur, ten onrechte, een beroep op het verouderde artikel gehonoreerd.

Voorzitter: Franken

Staatssecretaris Weekers:

Mijn ambtsvoorganger heeft al gezegd dat dit niet klopt. Het is een beleidsbesluit. Vorig jaar heb ik vanwege de onduidelijke terminologie in de wetgeving gezegd dat men nog één jaar extra respijt krijgt. Dat moet het dan, wat mij betreft, ook wel zijn.

Ik wil nu ingaan op de concurrentieverstoring. Zoals gezegd houden zorgcorporaties zich bezig met de verhuur van vastgoed. Bij zorginstellingen daarentegen ligt de nadruk op het verlenen van zorg. Zorgcorporaties moeten daarom worden vergeleken met verhuurders van andersoortig vastgoed en niet met instellingen die zich primair richten op het verlenen van zorg. Door de liberalisering van de zorg en de groei van de vraag naar ouderenhuisvesting neemt de interesse van beleggers en andere partijen in de verhuur van zorgvastgoed toe. Een vrijstelling van de Vpb voor zorgcorporaties heeft dan ook direct een concurrentienadeel tot gevolg voor alle andere woningcorporaties en aanbieders van commercieel vastgoed. Zowel de heer Essers als mevrouw Sent onderkent dat een herintroductie van een vrijstelling voor zorgcorporaties kan worden gekwalificeerd als ongeoorloofde staatssteun. Hiermee onderkennen zij tevens dat er dus sprake is van een potentiële concurrentieverstoring. Dit lijkt helaas haaks te staan op een eerdere stelling dat van concurrentieverstoring bij zorgwoco's geen sprake is, omdat er geen andere spelers dan zorgcorporaties op de markt actief zijn.

Mevrouw Sent vraagt of er geen ongelijkheid ontstaat indien zorgcorporaties in de heffing worden betrokken.

De heer Essers (CDA):

Ik wil eerst ingaan op de terminologie. Ik heb het nooit gehad over zorgcorporaties, maar over zorgwoningcorporaties. Dat zijn corporaties die huisvesting, vooral ouderenhuisvesting, aanbieden die wordt gebruikt in de zorg. Er is geen misverstand over het feit dat zij zich niet bezighouden met de zorg als zodanig. Anders hadden we deze discussie natuurlijk niet.

De staatssteunaspecten zijn erbij gehaald voor het geval de Commissie problemen zou hebben met een mogelijke vrijstelling. Je moet dan in ieder geval vaststellen dat het bestaande steun is. De facto hebben deze zorgwoningcorporaties nu een vrijstelling. Als we deze intrekken maar deze daarna, aan de hand van de discussie die nu wordt gevoerd over de stimulering van ouderenhuisvesting, in het kader van het scheiden van zorg en wonen, toch weer introduceren, wordt het nieuwe steun. We weten allemaal dat het dan buitengewoon moeilijk is om die steun weer te introduceren. Ik zeg niet dat het staatssteun is. Ik vind dat het perfect past binnen ons stelsel. Als er oneigenlijke concurrentieverhoudingen zijn, moeten deze worden gerepareerd. De stelling is juist dat deze hierbij niet optreden, omdat het om een specifieke sector gaat, waar de commerciële sector niet in treedt, vanwege de hoge kosten en de grenzen die worden gesteld aan de huur die kan worden berekend.

Staatssecretaris Weekers:

Die laatste veronderstelling is niet juist. Ik heb aangegeven dat er wel degelijk sprake is van concurrentie. Er zijn andere aanbieders van wooneenheden voor ouderen. Ook andere woningbouwcorporaties, die vanaf 1 januari 2008 Vpb-plichtig zijn, bieden aanleunwoningen, kleine complexen of grotere complexen aan. Ook commerciële partijen doen dit. Ten onrechte heeft een inspecteur enkele jaren geleden gezegd dat men misschien valt onder het verouderde artikel. Van meet af aan is beleidsmatig gezegd dat dit niet juist is, maar om de bedrijven niet onmiddellijk te treffen, is er een paar keer een overgangsregeling getroffen. Die overgangsregeling moet op enig moment een einde hebben. Ik vind dat dit einde nu echt is gekomen.

De heer Essers (CDA):

Voor een deel voeren we nu eigenlijk hetzelfde debat als vorig jaar. Toen heeft de staatssecretaris nadrukkelijk een koppeling gelegd met de belastingheffing voor overheidsbedrijven. Hierover is een nota toegezegd. Hij heeft toen ook gezegd dat het beleid voor de vrijstellingen ten principale moet worden gevoerd. Helaas spreken we nu weer over die zeer kleine sector van de zorgwoningcorporaties. Ik wil de staatssecretaris daar graag nog een keer naar verwijzen. Wij willen heel graag dat debat voeren. Hij heeft nu toegezegd om de hele fiscale behandeling van woningcorporaties te laten evalueren. Voor 1 april komt hij met een notitie daarover. Wij willen niets anders dan ten principale kijken naar de fiscale behandeling van woningcorporaties. De zorgwoningcorporaties maken daar deel van uit. We verengen echter steeds het debat tot die zorgwoningcorporaties, terwijl onze wens is om dit ten principale uit te discussiëren aan de hand van belastingheffing voor overheidsbedrijven in haar algemeenheid.

Staatssecretaris Weekers:

Op de belastingheffing voor overheidsbedrijven kom ik zo nog terug. Ik begrijp goed dat dit voor de heer Essers een aangelegen punt is.

Er kan natuurlijk geen sprake van zijn dat de integrale Vpb-plicht voor woningbouwcorporaties nu weer ter discussie wordt gesteld. Het vorige kabinet is daartoe op goede gronden al op 1 januari 2008 overgegaan, in verband met staatssteundiscussies in Brussel en budgettaire aspecten. Als ik mij niet vergis, was daar een bedrag van 0,5 mld. mee gemoeid. In elk geval was het substantieel. Het kan niet zo zijn dat we die klok nu gaan terugdraaien aan de hand van de zorgwoningcorporaties die tussen toen en nu geluk hebben gehad.

De heer Essers (CDA):

Dat zeg ik ook niet. Als je gaat evalueren, dan kan de uitkomst ook zijn dat er onbedoelde effecten zijn. De conclusie kan dan zijn dat het geen integrale belastingplicht moet zijn, maar alleen indien en voor zover er een onderneming wordt gedreven. Je hoeft niet te evalueren als je zegt: wat er ook gebeurt, die integrale belastingplicht blijft bestaan. Dat is mijn punt: wij willen het debat graag ten principale voeren aan de hand van de evaluatie. Vervolgens gaan we bekijken wat daarvan de consequenties voor de zorgwoningcorporaties zijn.

De voorzitter:

Als de staatssecretaris dit punt nu afrondt, dan kunnen we er in de tweede termijn eventueel nog op terugkomen.

Staatssecretaris Weekers:

Ik vind het prima om zaken te evalueren en om heel goede discussies met elkaar aan te gaan. Het zou echter werkelijk niet fair zijn om deze paar corporaties – ik geloof dat het er 21 zijn – hun bevoorrechte positie die ze nu al een aantal jaar in deze overgangsperiode hebben, nog langer te laten houden met het oog op een mogelijk debat en een mogelijke evaluatie. We gaan de klok in ieder geval niet terugdraaien. Als zorg wordt geleverd en zorg en vastgoed in één hand zitten, dan valt het gewoon onder de zorgvrijstelling. Als de zorgcorporaties uit het woningcorporatiestelsel stappen en de zorg ingaan door te transformeren tot of te fuseren met een zorgaanbieder, is het een heel andere discussie. Ze vallen dan gewoon onder het regime voor de zorg. We hanteren al sinds een aantal jaren het principe dat aanbieders van vastgoed Vpb-plichtig zijn. Het zou vreemd zijn om dan nog langer een heel minieme uitzondering te maken, die op basis van een foutje van een inspecteur ooit is gecreëerd.

Ik denk dat ik daarmee – ik kijk ook naar de Kamer – het punt van de zorgcorporaties heb besproken.

De voorzitter:

Ik begrijp dat uw tweede blok is afgerond.

Staatssecretaris Weekers:

Als de Kamer daarmee akkoord is, wel.

De voorzitter:

Er komt nog een tweede termijn. We moeten erg op de tijd letten omdat de vergadering heel lang duurt.

Staatssecretaris Weekers:

Ik ga over naar de Geefwet. De laatste weken is er wat negatieve publiciteit rondom de Geefwet geweest. Er werd zelfs beweerd dat het een "neemwet" zou zijn, quod non. Er wordt gedoeld op het feit dat de fondswerversaftrek in de vennootschapsbelasting, de FFI-aftrek, in 2012 wordt aangescherpt. Volgens sommigen zou die maatregel alle positieve elementen van de Geefwet tenietdoen. Ook mevrouw Sent heeft gevraagd of ik de mening van de SBF deel dat de Vpb-plicht van anbi's de positieve effecten van de Geefwet opheft. De opmerking hierover van de SBF snap ik overigens niet. Ik heb in de afgelopen maanden buitengewoon goede contacten gehad met de voorzitter, de heer Steven van Eijck. Hij heeft mij een- en andermaal gecomplimenteerd met de Geefwet en de overleggen daarover. De vicevoorzitter heeft zich ergens iets laten ontvallen, maar dat herken ik dus niet in het licht van de gesprekken die ik met de voorzitter heb gehad.

Met die negatieve berichtgeving en het leggen van de link met de FFI-aftrek wordt de Geefwet onrecht aangedaan. De aanscherping van de FFI-faciliteit staat namelijk volstrekt los van de Geefwet. Het zit ook niet in het wetsvoorstel, maar men zou kunnen zeggen: dat heb je er kunstmatig uit gehaald. Dat is echter niet het geval. Die aanscherping is reeds vorig jaar aangekondigd, in mijn onderschrift bij een uitspraak in een hofzaak. In die hofzaak werd de FFI-aftrek ruimer uitgelegd dan oorspronkelijk bedoeld. Die aanscherping was er dus hoe dan ook gekomen, Geefwet of niet. Het is ook niet zo dat hiermee een grote opbrengst voor de schatkist wordt gerealiseerd. De aanscherping is bedoeld om te voorkomen dat de schatkist geld misloopt. De faciliteit is namelijk uitsluitend bedoeld voor kenbare fondsverwervende activiteiten, en niet om elke bedrijfsmatige winst vrij te stellen als de aandeelhouder maar een anbi is. Er werd steeds meer gebruik van gemaakt door niet-specifieke fondswervers, zoals parkeergarages, taleninstituten en uitzendbureaus. Dat moeten we natuurlijk niet hebben. Het koppelen van de aanscherping aan de Geefwet en de Geefwet daarbij wegzetten als neemwet, is niet fair en doet de wet ook geen recht.

De Geefwet bevat positieve maatregelen voor de goededoelensector. Ik heb mede op verzoek van deze Kamer – ik kan me de discussie van vorig jaar met de heer De Boer van de ChristenUnie nog goed herinneren – de aan de Geefwet gekoppelde bezuiniging van 40 mln. buiten dit wetsvoorstel ingevuld. Ik heb een aantal extra fiscale faciliteiten voor de goede doelen opgenomen in de Geefwet met een budgettair beslag van 22 mln. Ten opzichte van het regeerakkoord is dat een verbetering van de geeffaciliteiten van 62 mln. Omdat het om een belastingwet gaat, is het positieve effect voor de goede doelen bovendien groter dan het genoemde bedrag. Nog los van de expliciete multiplier in de giftenaftrek is er namelijk ook een impliciete multiplier. Als de fiscus bijplust, komt dat bij geld dat privaat wordt gegeven. Ik ga ervan uit dat dit daarom een behoorlijke extra stimulans is voor de goededoelensector.

De heer Van Boxtel (D66):

Dit benadert mijn gevoel voor mystiek. Die 22 mln. snap ik; die heb ik gisteren ook genoemd. Het is een wat schril bedrag in het licht van de 200 mln. aan bezuinigingen, maar soit. Nu zegt de staatssecretaris echter dat er ook nog een impliciete multiplier in zit. Met hoeveel miljoen wordt die 22 mln. dan aangevuld?

Staatssecretaris Weekers:

Stel dat een fiscale faciliteit 10 mln. kost en wordt gebruikt om een aftrek van 50% te genereren. De feitelijke middelen die ergens in worden gestopt, bedragen dan het dubbele: 20 mln. Zo moet je het zien. Stel dat een faciliteit om te geven wordt gebruikt door een mkb'er die 20% Vpb betaalt. De impliciete multiplier is dan vijf. De 10 mln. aan gemiste belastingopbrengsten zorgen ervoor dat er 50 mln. wordt gegeven. Dat bedoel ik met de "impliciete multiplier", die losstaat van de expliciete multiplier in de Geefwet. Die laatste zal ik straks nog bespreken. Daarnaast wordt in de Geefwet ook een aantal belemmeringen weggenomen voor culturele anbi's om op de commerciële toer te gaan. Het is nu zo dat het ondernemen van commerciële activiteiten betekent dat de anbi-status moet worden ingetrokken. Daar stop ik mee. Als het kabinet propageert dat culturele instellingen veel meer hun eigen broek moeten ophouden, dan moet je ze ook in staat stellen om de eigen broek op te houden door commerciële nevenactiviteiten te ontplooien. Anbi's kunnen voortaan met die nevenactiviteiten meer dan bijkomstig middelen verwerven, omdat ze hun anbi-status niet langer verliezen. Daar hebben heel veel anbi's voordeel van. Als zij echter concurreren met gewone bedrijven, dan is het op zichzelf rechtvaardig dat ze in principe in de vennootschapsbelasting worden betrokken, om een gelijk speelveld te houden. Waarom zou een museum niet belast worden als het met de verkoop van kunstboeken meer dan 1 mln. winst behaald, terwijl de kunstboekhandel dat wel is?

Ik heb geprobeerd om in de Geefwet nog wat aanvullende faciliteiten te creëren, zoals de optionele integrale belastingplicht, de bestedingsreserve. Als een museum nevenactiviteiten ontwikkelt in een museumwinkel, in een restaurantje of in een koffiebar, als het kiest voor integrale belastingplicht en als die koffiebar en dat winkeltje niet in een aparte bv zitten, maar gewoon in dezelfde stichting als het museum zelf, dan mogen de winsten van het ene onderdeel worden weggestreept tegen de verliezen van het andere onderdeel. De bestedingsreserve zorgt er vervolgens voor dat ze de winst ook nog eens een paar jaar kunnen oppotten. Ze kunnen een paar jaar winst als het ware parkeren, om er op zeker moment bijvoorbeeld een grote aankoop mee te kunnen doen, voor een grote tentoonstelling of een jubileumuitvoering of iets dergelijks. Ik meen daarmee het uiterste te hebben gedaan wat in mijn vermogen ligt aan flankerend beleid, om in de randvoorwaardescheppende sfeer culturele anbi's uit te dagen tot cultureel ondernemerschap en om dat fiscaal geen strobreed in de weg te leggen.

Dan kom ik bij de opmerkingen die de heer Essers heeft gemaakt over de geeffaciliteiten. Hij zegt: het wordt er niet eenvoudiger op in de Geefwet. Mevrouw Sent vraagt of de huidige giftenaftrek qua eenvoud niet de voorkeur heeft van het kabinet. De heer Essers wil ik er graag op wijzen dat in het regeer- en in het gedoogakkoord de vereenvoudiging in de giftenaftrek was opgenomen door de giftenaftrek te beperken tot alleen giften aan anbi's. Dat staat in de financiële paragraaf van het regeerakkoord. Naar aanleiding van de discussie vorig jaar in dit huis hebben we dat afgelopen zomer in het lastenkader alternatief weten in te vullen. We doen dus uiteindelijk niet wat was voorgenomen. Ik heb afgezien van deze vereenvoudigingstaakstelling, zo zou je kunnen zeggen, met name om verenigingen van ten minste 25 leden – dat zijn meestal SBBI's – te ontzien.

De heer Essers noemde als voorbeeld van iets wat niet eenvoudig is, het onduidelijke onderscheid tussen anbi en SBBI, bijvoorbeeld bij muziekverenigingen. Dat wordt in dit wetsvoorstel niet weggenomen. Ik begrijp natuurlijk dat muziekverenigingen bij de heer Essers warme gevoelens opwekken en in alle eerlijkheid: dat doen ze ook bij mijzelf, laat daar geen misverstand over bestaan. Het onderscheid is echter minder moeilijk dan hij suggereert. De heer Essers heeft zelf een bijdrage geleverd aan de zogenaamde omstandighedencatalogus, die wordt gebruikt bij het afbakenen en het aandragen van criteria. Daarmee kan een kwaliteitsorkest of dito koor worden onderscheiden van een wandelvereniging die al voortstappend een liedje zingt.

Ik zou het onderscheid tussen anbi's en SBBI's formeel kunnen verduidelijken door te bepalen dat een anbi een stichting moet zijn en een SBBI een vereniging. Dan zou je namelijk kunnen betogen dat een vereniging naar haar aard primair het ledenbelang behartigt, terwijl een stichting doorgaans een ideëel doel heeft, althans hoort te hebben. Dat doe ik echter niet, omdat dan ook bijvoorbeeld een van de oudste anbi's, de Vereniging Natuurmonumenten, buiten de anbi-status zou vallen. Ik denk dat je het paard achter de wagen zou spannen door zo'n formalistische insteek te kiezen.

De heer Essers noemt ook het onderscheid tussen periodieke giften en eenmalige giften, waarbij de eerste categorie openstaat voor zowel giften aan anbi's als aan verenigingen met 25 leden, terwijl de tweede categorie slechts openstaat voor giften aan anbi's. Dat het eenvoudiger kan, klopt. Dat zou je bijvoorbeeld kunnen doen door de periodieke giftenaftrek te laten opgaan in de gewone giftenaftrek en niet meer toe te staan voor de verenigingen. Dan zou het regeer- en gedoogakkoord alsnog worden uitgevoerd, maar ik heb dat nu net niet gedaan op uitdrukkelijke wens van de Eerste Kamer.

Dan noemt de heer Essers nog de in dit wetsvoorstel opgenomen multiplier en de giftenaftrek voor giften aan bepaalde steunstichtingen en SBBI's. Om de giftenaftrek eenvoudiger te maken, zouden we deze beide extraatjes achterwege kunnen laten. Beide faciliteiten bleken politiek echter zeer gewenst. Dan hebben we het over de multiplier die nu in de Geefwet staat voor culturele anbi's. Die heb ik ten dele uit de koker van de Partij van de Arbeid. De suggestie om een multiplier op te nemen in de Geefwet is mij aan de hand gedaan in een algemeen overleg dat ik vlak voor het zomerreces heb gehad in de Tweede Kamer. Toen heeft de geachte afgevaardigde Groot deze suggestie gedaan. Ik vond het een goede suggestie, moet ik zeggen, mits het tijdelijk is, bedoeld om tijdelijk een steuntje in de rug te geven. Vereenvoudiging is dus zeker mogelijk, maar de huidige vormgeving is voornamelijk ingegeven door politieke wensen en niet in de laatste plaats door politieke wensen van de heer Essers en zijn fractie.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Laat daar geen misverstand over bestaan: wij zijn content met de Geefwet. De staatssecretaris zegt terecht dat diverse wensen van onze kant in de Geefwet zijn opgenomen, maar ik vind het een beetje flauw om te zeggen: we kunnen het eenvoudiger maken door totaal geen aftrek meer toe te kennen, of alleen in heel specifieke situaties. Ik wil erop wijzen dat we het met zijn allen met de beste bedoelingen wel heel erg ingewikkeld gemaakt hebben voor mensen, voor vrijwilligers die helemaal geen fiscalisten zijn, die de hulp van belastingadviseurs niet kunnen betalen en die daar toch mee moeten omgaan. Ik heb dit punt willen maken om te pleiten voor een soepele, flexibele, constructieve houding bij het omgaan met die regels. Dat is mijn punt. Ik zeg niet dat dit niet aan de orde is, maar wij moeten ons realiseren dat er toch een hoogingewikkeld complex van regelgeving is gemaakt en dat degenen die daarmee moeten omgaan, ook de kans moeten krijgen om daarmee om te kunnen gaan. Ik pleit ook voor een bepaalde houding bij de Belastingdienst. Het ANBI Team van de Belastingdienst moet die mensen zo veel mogelijk ter wille zijn bij de uitvoering van die regelgeving. Daar gaat het mij om.

Staatssecretaris Weekers:

De kern van de opmerking van de heer Essers dat het eenvoudiger zou moeten en dat het begrijpelijker zou moeten, deel ik. Voordat ik met de fiscale verantwoordelijkheid werd bekleed, heb ik mij ook altijd afgevraagd wat een periodieke gift is. Je moet je er echt in gaan verdiepen om te achterhalen wat dat betekent, welke voorwaarden daaraan verbonden zijn. Dan snap je niet waarom er aan de ene kant meer voorwaarden aan vastzitten – je moet naar een notaris en het moet gedurende vijf jaar – terwijl de voorwaarden van de andere kant geringer zijn als het gaat om het doel; dat hoeft geen anbi te zijn, het mag ook een vereniging zijn van 25 leden of meer. Er zitten dus wel wat elementen aan vast waarvan je je kunt afvragen of die zo logisch zijn. Het wordt er nog onlogischer op met de steunstichting die nu is gecreëerd en waar we overigens maar 7 mln. aan budget voor hebben. Daarover heeft de heer Essers gisteren de vraag gesteld of we daar niet wat ruimhartiger mee kunnen omspringen. Ga dat nu niet afgrenzen zodat het alleen maar voor nieuw te bouwen clubaccommodaties is. Muziekinstrumenten heb je uiteindelijk toch elk jaar nodig en hoe zit het dan met de kostuums? Ik zal daar toch een zodanige afbakening moeten maken dat het budgettair nog past. Je zou ervoor kunnen kiezen – een eerste beschieting hebben wij in de Tweede Kamer gehad – om de eenmaligegiftenaftrek en de periodiekegiftenaftrek op een zodanige manier in elkaar te schuiven dat je een wat samenhangendere faciliteit krijgt die wat eenvoudiger is. Dat heeft echter ook wat haken en ogen. De vraag is dan of de SBBI ook in de eenmaligegiftenaftrek komt te hangen. SBBI's en verenigingen van 25 leden zijn lang niet altijd algemeen nut beogend.

Ik wijs erop dat de wetgever, regering en parlement, er in de vorige kabinetsperiode juist voor heeft gekozen om de anbi-definitie aan te scherpen. Die anbi-definitie was voordat de nieuwe Successiewet van kracht werd een stuk ruimer. Mijn ambtsvoorganger heeft hier stevige discussies gehad. Uiteindelijk is er een 90%-criterium waar het gaat om algemeen nut geïntroduceerd. Vervolgens zijn als gevolg van die beslissing heel wat muziekgezelschappen uit de anbi-status gerold. Dat kun je betreuren of niet, maar dat is een weloverwogen beslissing geweest van de wetgever. Daar kun je toch bezwaarlijk het ANBI Team op aanspreken.

Er is gevraagd of de staatssecretaris zich ruimhartiger of constructiever kan opstellen. Ik wil heel ruimhartig en heel constructief zijn, maar ik heb ook de budgettaire belangen in het oog te houden. Daar waar het past binnen de budgettaire kaders, wil ik het graag doen. Als de Kamer zegt dat zij vindt dat de faciliteiten ruimhartiger moeten zijn en zij aangeeft waar ik het geld vandaan moet halen, wil ik dat van harte invullen. Zo moet de Kamer mijn opmerking verstaan dat als je iets ruimhartiger wilt zijn met het soort organisaties dat aanspraak kan maken op een anbi of een SBBI, wat geld kost, je zou kunnen kijken naar de drempel of het plafond. De Tweede Kamer heeft mij in een motie opgeroepen om in elk geval met de clubs van vrijwilligers en met de clubs van anbi's te spreken – ik zal ook met de heer Van Eijck in bespreking gaan – om te bezien of wij hiermee wat ruimhartiger kunnen omspringen. De rekening zal echter wel door iemand moeten worden betaald. De Kamer moet beseffen dat er dan ook wel weer oppositie zal komen vanuit bepaalde groepen.

De heer Essers (CDA):

Ik geef het ANBI Team zeker niet de schuld. Ik geef niemand te schuld. Die mensen doen hun werk en dat doen zij op een goede manier. Ik zeg alleen dat wij een systeem hebben gecreëerd dat heel ingewikkeld is. Dat geeft de overheid de taak om heel helder te communiceren met degenen die met deze regelgeving moeten omgaan over hoe zij daar inderdaad mee moeten omgaan. Mijn pleidooi ziet op een maximale inzet om een goede informatie en goede voorlichting aan al die verenigingen te geven. Als professionals al moeite hebben om een goed onderscheid te maken tussen een anbi, een SBBI, een culturele anbi, een eenmalige gift en een periodieke gift, wat moet dan die penningmeester van die vereniging? Dat is mijn pleidooi.

Staatssecretaris Weekers:

Dat pleidooi is niet aan dovemansoren gericht. Daar waar ik die duidelijkheid kan verschaffen, doe ik dat. Daar waar ik onnodige bureaucratie kan wegnemen, zal ik dat ook doen. Ik zal kijken of die notariële akte nog wel echt nodig is of dat wij met een formulier kunnen werken.

De heer Essers heeft mij gevraagd hoe het zit met bestaande steunstichtingen. Aanvankelijk was het de bedoeling dat er gewoon echt een nieuwe stichting moest worden opgericht, maar ik wil ook hier ruimhartiger zijn. Als die stichting toch al ooit de gang naar de notaris heeft gemaakt – vaak zijn er wel bevriende notarissen in een stad of dorp die het verenigingsleven een warm hart toedragen en willen helpen – zou die met een aanvullend protocol of iets dergelijks kunnen komen zonder dat daar heel veel kosten voor gemaakt hoeven te worden. Er moet echter wel sprake zijn van enige poortwachtende functie opdat deze faciliteit waarvoor maar heel weinig geld beschikbaar is straks niet wordt overspoeld en wij te maken krijgen met allerlei oneigenlijk gebruik of misbruik. Dat moeten wij niet hebben. Ik sta open om te bekijken hoe wij, ook aan de hand van de geluiden uit de samenleving, de zaak kunnen vervolmaken. Het is niet zo dat na de behandeling hier vandaag bij mij het denken over deze faciliteiten en de communicatie hierover stopt.

De heer Bröcker (VVD):

Ik ben blij met de toezeggingen die de staatssecretaris rond de complexiteit doet. Mijn fractie ondersteunt op zich de Geefwet. Ik denk dat dit een beetje bij de kleur en de sociale samenhang van Nederland, en in het bijzonder Zuid-Nederland, hoort. Bij de bestudering van dit dossier – ik was hier, net als de staatssecretaris voor hij staatssecretaris werd, een beetje onbekend mee – concludeerde ik dat het wel verrekte ingewikkeld is, met termen als anbi's, SBBI's, steunstichtingen, periodieke giften en de bestedingsreserves. De staatssecretaris heeft ze allemaal genoemd. Ik zou hem toch willen meegeven om allereerst de toezeggingen voortvarend op te pakken en daarnaast in de komende periode te kijken of wij op een groot aantal punten verdere vereenvoudigingen kunnen aanbrengen. Ik weet dat dit allemaal heel gevoelig ligt bij verschillende partijen. Ik denk op zich dat dit een gezond stuk fiscaal instrumentalisme is. Daar kan mijn fractie heel goed mee leven. Ook binnen instrumentalisme heb je echter eenvoud. Het gebrek aan eenvoud los je, ben ik bang, niet alleen op met betere communicatie met het veld.

Staatssecretaris Weekers:

De heer Bröcker vraagt hier terecht aandacht voor, net als de heer Essers. Ik zal daar de komende tijd mijn voordeel mee doen. Ik wijs erop dat er heel wat gevoeligheden liggen. Als je gaat vereenvoudigen, zal er voor sommige sprake zijn van een verbetering doordat dan ook nieuwe groepen toegang hebben tot een bepaalde faciliteit. Het zal er echter ook toe leiden dat bepaalde groepen buiten de boot vallen. Mijn ervaring is dat de laatste zich over het algemeen steviger roeren dan de eerste. Als wij met elkaar kunnen afspreken dat wij met enige vereenvoudiging op het netvlies en een faire afweging, ons niet laten leiden door elke klacht die er komt van "ja, maar ik dan", zou mij dat een lief ding waard zijn. Dan komen wij namelijk ergens.

De heer Essers heeft een bevestiging gevraagd dat een bv een aftrekbare gift kan doen aan een anbi die 100% aandeelhouder van deze bv is. Daar bestaat in de praktijk enige onduidelijkheid over. Met de Geefwet sta ik een ruimhartig beleid voor ten aanzien van giften in gelieerde verhoudingen. Daarom keur ik ook, voor zover nodig, goed dat de giftenaftrek ook in gelieerde verhoudingen mogelijk is. Daarbij moet het dan natuurlijk wel gaan om bevoordeling die wordt gedaan met het oogmerk om het algemeen nuttig doel van die geleerde anbi te verwezenlijken. Het moet geen verkapte dividenduitkering zijn. Dat zal de heer Essers snappen.

De heer Van Boxtel heeft zijn bezorgdheid geuit. Hij heeft gezegd dat hij moeite heeft met de noodzakelijke veranderingen in de cultuursector en vraagt zich af of de kleine theaters en gezelschappen ook verdiencapaciteit hebben. De verantwoordelijkheid voor een businesscase of een verdienplan voor kleine theaters of gezelschappen ligt primair bij henzelf, of zij nu altijd op eigen benen hebben moeten staan of te maken hebben met een terugtredende overheid. Dat kan de rijksoverheid zijn, maar er zijn ook heel veel lokale overheden die subsidies aan kleinere gezelschappen verminderen of stopzetten. Ik zou denken dat de heer Van Boxtel als sociaal-liberaal het toch met mij eens moet zijn dat dit ook primair de taak en de verantwoordelijkheid van de club zelf is en dat het niet de overheid moet zijn die nu maar een verdienplan of een businesscase gaat schrijven. Maar wat de overheid wel kan is belemmeringen wegnemen waar creatieve ondernemers tegenaan lopen. Dat doe ik met de Geefwet om randvoorwaardenscheppend bezig te zijn. Ik stel mij er graag voor open wanneer vanuit de creatieve sector signalen komen: dit-of-dat werkt toch niet echt goed, of: zo'n bestedingsreserve of de integrale belastingplicht is misschien met de beste bedoelingen bedacht, maar wij lopen hier-of-daar tegenaan. Als wij zeggen: u moet meer de eigen broek ophouden, vind ik dat wij ze daartoe ook in staat moeten stellen. Dat is eigenlijk de bottom line.

De heer Van Boxtel (D66):

Dank voor deze beantwoording. Ik heb natuurlijk ook al een stukje uit de schriftelijke beantwoording hierover kunnen terugvinden. Mijn zorg gaat toch een slagje dieper. Het gaat er niet alleen om dat ik niet ook tegen een jonge kunstenaar of een jonge groep wil zeggen: u moet een goed businessplan maken. Dat is prima. Dan mag de staatssecretaris mij inderdaad zelfs op mijn sociaal-liberale achtergrond aanspreken. Dat vind ik alleen maar goed. Maar wat wij nu in de praktijk zien, is dat diezelfde jonge kunstenaars of groepen gewoon geen plek meer krijgen in de theaters. Waarom niet? Omdat zij allemaal lijden aan het Jan Smit-syndroom, namelijk: we doen alleen nog maar dingen die volle zalen garanderen. Dat betekent dat je een businessplan kunt schrijven totdat je een ons weegt, je komt gewoon niet meer aan de bak. Daar zit mijn echt grote zorg. Dus dat was de reden waarom ik gisteren zei: we zien een dubbele klem, met een korting op de subsidies. Soit, daar kunnen we uiteindelijk met veel pijn en moeite mee leven. We zien daarnaast een verhoging van de btw. Dus het is eigenlijk een dubbele klem. Mijn pleidooi was erop gericht: kunt u nu niet een stukje van de opbrengsten – ik weet dat het altijd lastig is bij de btw, omdat het dan gaat om doelredeneringen of doelopbrengsten – terugleiden naar de podiumkunsten om te waarborgen dat die mensen wel plek in de theaters kunnen blijven krijgen? Want als dat niet mogelijk is, zijn wij echt met kaalslag bezig.

Staatssecretaris Weekers:

Ik zie in de fiscaliteit weinig mogelijkheden voor de groepen waarover de heer Boxtel het heeft. Ik snap wel zijn punt. Ik denk dat het punt van de toegang tot theaters primair moet worden geadresseerd aan de staatssecretaris van OCW en dat het ook in gemeenteraden aan de orde moet komen. Want heel veel podia worden fors gesubsidieerd door gemeenten. Ik heb zelf jarenlang in een gemeenteraad gezeten en daar ook allerlei discussies gehad over subsidie aan het theater. Een van de voorwaarden die je zou kunnen stellen, is dat er ook voldoende ruimte moet bestaan voor nieuw talent. Ik denk dat de heer Van Boxtel en ik elkaar snel kunnen vinden als het erom gaat dat wij juist outsiders, nieuwkomers kansen willen bieden en dat wij ons niet alleen maar richten op bestaande succesnummers. Want uiteindelijk komen wij alleen maar verder als wij juist dat nieuwe talent en die nieuwe creativiteit tot ontplooiing laten komen. Ik zie daartoe in de fiscaliteit weinig mogelijkheden.

De btw op podiumkunsten hebben wij vorig jaar verhoogd. Ik weet dat dat als pijnlijk wordt ervaren in de sector, maar dan zit ik gewoon met het feit dat ik een regeerakkoordafspraak uitvoer. Ik heb steeds gezegd: ik zal wel de vinger aan de pols houden. Ik kan daarbij niet discrimineren naar grote en kleine producties, omdat btw uiteindelijk ook een Europese belasting is.

Waar ik nu wel naar aan het kijken ben, in overleg met mijn collega van OCW, is of ik het in de sfeer van een alternatief op het Cultureel Jongeren Paspoort, wanneer jongeren met hun school naar een theater gaan, onder bepaalde voorwaarden kan vrijstellen van btw. Dat kan alleen maar wanneer het theater ook echt klassikaal wordt bezocht en er geen andere betalende klanten zijn. Maar dit is wat ik vanuit mijn portefeuille kan doen als bijdrage aan misschien ook de gezelschappen waarop de heer Van Boxtel doelt.

De heer Van Boxtel (D66):

Dank. In ieder geval is dit een kleine opening. Ik zou tot slot toch nog iets anders willen vragen.

Wij hebben het hier in de Kamer ook al gehad over een evaluatie die gaat plaatsvinden van het cultuurbeleid. Daarover komt ook een beleidsdebat, natuurlijk primair met de staatssecretaris van OCW. Maar als het fenomeen dat ik beschrijf zich nu echt op grote schaal voordoet, ga ik staatssecretaris Weekers toch aanspreken om die verhoging van de btw echt ook kritisch aan die evaluatie te onderwerpen. Ik zag gisteravond ook nog in de herhaling de heer Van 't Hek bij Pauw & Witteman zeggen: ik heb er niet zo'n last van. Nee, dat is precies wat ik bedoel. De heer Van Veen, de heer Van 't Hek, Jan Smit en zo hebben er allemaal geen last van. Maar zij zijn ook een keer eindig. Dat nieuwe talent, dat je in theaters op podia wilt zien, komt nu niet aan de bak. Die mensen worden echt weggehouden door theaters omdat die aan rendementseisen moeten voldoen. Ik snap de verwijzing naar gemeenten en naar provincies, maar die hanteren in feite hetzelfde mechanisme als het Rijk, namelijk: we hebben een theater dat moet renderen, en dus moet je programmeren op volle zalen en komt nieuw talent niet aan de bak. We zitten dus een beetje in een vicieuze cirkel. Ik zeg dit echt niet alleen maar als pleitbezorger voor jong talent omdat ik het zo zielig vind, integendeel, maar omdat het om een langetermijneffect moet gaan. Ik hoop dat de staatssecretaris dan in ieder geval op weg naar volgend jaar die kritische evaluatie mee wil laten lopen en echt de bereidheid heeft om de btw-verhoging die leidt tot het weghouden van jong talent uit de bekende theaters mogelijk te heroverwegen.

Staatssecretaris Weekers:

Twee dingen. Ik wil niet nu de deur openzetten voor een hernieuwd debat over de btw op podiumkunsten en al zeker niet omdat ik niet kan discrimineren naar de groepen zoals ze door de heer Van Boxtel zijn aangeduid. Ik had overigens zijn opmerking ook niet zo verstaan als: dit is een zielige groep die je moet bedienen. Nee, het is opkomend talent, dat zich ook eerst nog moet ontplooien. Daar heb ik buitengewoon veel waardering voor. Dat moet de kans krijgen. Maar wat ik wel wil toezeggen, is dat ik in overleg met de collega van OCW wil gaan bekijken in hoeverre het nieuwe beleid, of dat nu op het terrein van de collega ligt of op mijn terrein, nu heeft geleid tot verdringing van mogelijk nieuw talent. Ik weet niet of het allemaal zo eenvoudig is om dat helemaal uit te zoeken, dus het is geen resultaatsverplichting maar een inspanningsverplichting die ik hier wil afgeven om te zorgen dat wij aan de evaluatie die er komt ook iets hebben om daaruit vervolgens conclusies te kunnen trekken.

Mevrouw Sent (PvdA):

Zou de staatssecretaris ook aan zijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid kunnen zeggen dat hij jong talent stimuleert en dat het in dat kader wel verrassend is dat de Wet werk en inkomen kunstenaars wordt afgeschaft? Tenminste, zo staat het al op de site van de Belastingdienst, terwijl wij er nog niet over hebben gedebatteerd. In dat kader lijkt het mij ook goed om dit mee te nemen.

Staatssecretaris Weekers:

Dat gaat mij nu weer net een slagje te ver. Ik dacht net al een mooi gebaar te hebben gemaakt in de richting van de heer Van Boxtel, maar laten wij de discussie over de Wwik maar niet hier voeren. Ik denk dat die met de minister van Sociale Zaken moet worden gevoerd. Die discussie is van een volstrekt andere orde, of je kunstenaars een bijzondere bijstandsuitkering moet geven omdat zij zich met creativiteit bezighouden. Maar die discussie laat ik graag aan de collega over.

Dan heeft de heer Van Boxtel nog gevraagd of natuur- en milieuorganisaties kunnen worden toegelaten tot de Geefwet. Dat zou ik niet willen doen.

Mevrouw Sent (PvdA):

Dan vind ik het wel verrassend dat culturele instellingen die multiplier krijgen, dus dat hier wel een uitzondering wordt gemaakt en dat bij de afschaffing van de Wet werk en inkomen kunstenaars wordt gezegd: wij mogen geen uitzondering maken.

Staatssecretaris Weekers:

Dit is natuurlijk appels met peren vergelijken. In het regeerakkoord staat dat het kabinet de culturele sector meer op eigen benen wil laten staan, meer op afstand wil zetten van de overheid en minder afhankelijk wil maken van de overheid. Tegelijkertijd heeft het kabinet echter gezegd dat het de culturele sector daartoe dan wel in staat moet stellen. Daar levert de Geefwet een bepaalde, flankerende bijdrage aan; het schept de randvoorwaarden. Mevrouw Sent kan er de WWik bij halen, maar die is van een heel andere orde. De discussie daarover wil ik niet vermengen met de huidige discussie. In het kabinetsbeleid gaat het erom dat culturele instellingen de band met mensen in de Nederlandse samenleving, burgers en het bedrijfsleven verder aanhalen. Dat doen we ook met de Geefwet. Als de jonge kunstenaars die nu in de WWik zitten producten maken die ze kunnen vermarkten, dan halen zij de banden met mensen of bedrijven aan en worden ze minder afhankelijk van de overheid.

Dan kom ik op de milieuorganisaties. Die breng ik niet onder de multiplier, want de multiplier en de Geefwet zijn met name bedoeld als flankerend beleid in het kader van de bezuinigingen op cultuur. De milieu- en natuurorganisaties hebben we hiermee niet op het oog gehad.

De heer Van Boxtel (D66):

Dat vind ik heel bizar. De staatssecretaris gaf mevrouw Sent net een antwoord waarvan ik dacht: dit is precies de onderbouwing om ook de natuur- en milieuorganisaties daaronder te brengen. De staatssecretaris zei namelijk dat het kabinet heeft gekozen voor een beleid waardoor het de cultuurhoek op eigen benen leert staan. De staatssecretaris doet dat echter ook in de natuur- en milieuhoek. We hebben zijn collega Bleker hier gehad. Die komt binnenkort vast nog een keer langs. We hebben het nieuwe natuurbeleid gezien. Hij maakt een deal met provincies, althans het is nog de vraag of het een deal is. De natuurhoek komt dus ook op een grotere afstand van de rijksoverheid en moet meer op eigen benen komen te staan. Om dat te stimuleren en ervoor te zorgen dat de samenleving als geheel meer medeverantwoordelijkheid wil nemen om het belang van natuur en milieu te koesteren, zou voor het natuur- en milieubeleid hetzelfde moeten opgaan als voor het cultuurbeleid, want exact dezelfde redenering met dezelfde randvoorwaarden is hier van toepassing voor het verruimen van de Geefwet voor hen.

Staatssecretaris Weekers:

Nee, dat lijkt me toch van een andere orde. Ik wil hier vanavond geen debat voeren over de natuur. Ik wil het natuurlijk wel graag, maar ik vrees dat mij de tijd ontbreekt. Bij het natuurbeleid is sprake van een decentralisatieslag. Een rijkstaak wordt overgeheveld naar de provincies, die daarvoor wat geld krijgen en ook eigen middelen moeten inzetten. Het kabinet haalt de ambitie die vorige kabinetten boven op Europese afspraken hebben gezet, eraf. We houden ons aan de Europese afspraken. Dat kan prima.

De heer Van Boxtel (D66):

De staatssecretaris zal het toch met mij eens zijn dat er, op een paar provincies na die heel goed in de slappe was zitten, ook een heleboel provincies zijn waarvoor dat niet geldt, laat staan voor gemeenten. Zij zijn namelijk allemaal aan het bezuinigen, of het nu om honderden miljoenen gaat of misschien om tientallen miljoenen bij sommige provincies op dit terrein. Overal wordt bezuinigd. Als je je dan toch afvraagt of privaat kapitaal kan helpen om ook die sector, analoog aan de kunstensector, te leren om verder op eigen benen te staan en verdienmodellen te ontwikkelen, dan begrijp ik niet dat het kabinet in de ene sector een redenering op touw zet waar ik een warm gevoel van krijg en zelfs het deurtje wat verder van openzet, en in de andere sector de boel dichthoudt.

Staatssecretaris Weekers:

Je moet op een zeker moment keuzes maken. Als je een bezuinigingstaakstelling hebt ingeboekt, kun je die niet helemaal of voor een gedeelte ongedaan maken om het te laten terugkomen via de fiscaliteit. Ik had met de Geefwet slechts heel beperkte middelen. Ik heb zojuist aangegeven hoe we dat hebben opgelost. Je moet dan roeien met de riemen die je hebt. De middelen daartoe zijn dus beperkt.

De heer Ester van de ChristenUnie vroeg om meer ambitie ten aanzien van vrijwilligers. Ik meen dat ik behoorlijk wat ambitie heb ten aanzien van vrijwilligers. Zij zetten zich echter onbaatzuchtig in voor anderen in de samenleving. Je kunt vrijwilligerswerk dus op een bepaalde wijze fiscaal stimuleren, maar als je vrijwilligers op een zeker moment gaat betalen, dan is het geen vrijwilligerswerk meer. Ik heb in de toelichting op het voorstel inzake de Geefwet wat passages gewijd aan vrijwilligerswerk. Met de NOV, de koepelorganisatie, is dit jaar al diverse malen overlegd om mogelijke knelpunten te inventariseren en oplossingen te zoeken. Ik ben persoonlijk bij een deel van die overleggen geweest. Ik sta ervoor open om dat ook het komende jaar te doen. We hebben oplossingen gevonden door in het wetsvoorstel vast te leggen op welke wijze de vrijwilligersverklaring kan worden geëffectueerd. Er zijn hierdoor knelpunten weggenomen. Ook zijn er afspraken gemaakt over verbeteringen op de site van de Belastingdienst bij de informatie over vergoedingen voor vrijwilligers.

Nogmaals, ik sta open voor mogelijke knelpunten, maar ik sta er niet voor open dat we vrijwilligerswerk via de fiscaliteit gaan betalen. Dan is er immers geen sprake meer van onbaatzuchtigheid en van echt vrijwilligerswerk. Mochten er verbeteringen kunnen plaatsvinden en mochten daar bepaalde ideeën voor zijn, dan zal ik een luisterend oor hebben en zal ik constructief meedenken.

De heer Ester (ChristenUnie):

De staatssecretaris positioneert zichzelf als een ambitieus man met een ambitieuze fiscale agenda. In Nederland is een groot aantal Nederlanders begaan met vrijwilligerswerk. Als je het aantal uren bij elkaar optelt, kom je aan vele miljoenen uren per jaar. We zien ook steeds meer dat vrijwilligerswerk en formele zorgarrangementen op elkaar steunen. Soms vervangen ze elkaar zelfs, ook op gebieden waarop het kabinet volop bezuinigt. In dat licht vraag ik mij af wat de ambities zijn van de staatssecretaris voor het fiscaal ondersteunen van vrijwilligerswerk. Is de staatssecretaris tevreden met wat hij doet of ziet hij, in het licht van de ontwikkelingen die ik net heel kort schetste, het grote belang ervan in en wil hij er ook een stapje extra voor doen?

Staatssecretaris Weekers:

Ik zie sowieso het grote belang van vrijwilligerswerk. Ik zie alleen niet wat ik op het terrein van de fiscaliteit verder voor het vrijwilligerswerk kan betekenen. In bijvoorbeeld sportverenigingen en sportclubs vindt heel veel vrijwilligerswerk plaats. Dat heeft echter niet zozeer een algemeen nut beogend karakter, als wel het karakter dat mensen dit doen voor hun eigen kinderen, die bij de sportvereniging zitten, of omdat zij zelf ergens sporten. De andere belastingbetalers hoeven daar niet voor op te komen. Dat laat onverlet dat we een aantal mooie regelingen hebben, bijvoorbeeld een forfaitaire onkostenvergoeding en de vrijwilligersverklaring. Dat heb ik op een goede wijze gecodificeerd. Ik weet niet een-twee-drie welke echte knelpunten er nu bestaan waardoor het vrijwilligerswerk onvoldoende wordt gewaardeerd of onvoldoende van de grond komt, behalve als je vindt dat vrijwilligerswerk betaald moet worden door de overheid.

De heer Ester (ChristenUnie):

Dat is niet mijn insteek. Ik schetste een aantal sociaal-culturele ontwikkelingen die in de komende vijf à tien jaar met zich meebrengen dat het vrijwilligerswerk en het onbaatzuchtige karakter ervan zal blijven bestaan, en op onderdelen steeds meer vervangend is voor medehulpverlenende arrangementen. In het licht van het feit dat de staatssecretaris zichzelf ziet als iemand die over de toekomst nadenkt, is de vraag of de staatssecretaris zelf agendapunten ziet waar hij in de toekomst aandacht aan wil besteden, juist omdat het vrijwilligerswerk zo van belang is. Het gaat dan niet alleen om sport, want dat is een beetje een andere categorie. Daar doelde ik niet op.

Staatssecretaris Weekers:

Ten aanzien van bijvoorbeeld de mantelzorg, zorg in de buurt en dat soort zaken zullen wij inderdaad moeten nadenken over de vraag of de fiscaliteit in haar algemeenheid niet hier of daar net wat te knellend is en of wij daaraan iets moeten doen. We hebben er in de Tweede Kamer een korte discussie over gevoerd om dit in elk geval te laten meenemen in de commissie die ik ga instellen naar aanleiding van de motie-Dijkgraaf. In die commissie zal dit aspect een rol spelen. We gaan kijken naar de inkomstenbelasting en naar alle toeslagen, en daarbij zullen dit soort noties moeten worden meegenomen. Vrijwilligerswerk is een belangrijk aspect van het leven en moet fiscaal niet worden gefrustreerd.

Voorzitter: Fred de Graaf

De heer Ester (ChristenUnie):

Als dit een aspect is van de commissie-Dijkgraaf ben ik tevreden. Dank u.

Staatssecretaris Weekers:

Bij dezen.

Voorzitter, volgens mij heb ik de punten rondom de Geefwet nu behandeld en kan ik overgaan naar het laatste blok, varia.

De voorzitter:

Hoe lang denkt u daarvoor nodig te hebben?

Staatssecretaris Weekers:

Als er niet al te veel interrupties komen, moet het binnen een kleine tien minuten zijn afgerond.

De voorzitter:

Mooi, want om 18.40 uur zouden wij met de dieren verder willen, als dat kan.

Staatssecretaris Weekers:

Oké.

Er zijn vragen gesteld over groen beleggen. Mevrouw Sent vraagt of ik van mening ben dat groen beleggen een positieve bijdrage levert aan de economie. Zij vraagt aandacht voor de eventuele renteverhoging, voor een beleidsles et cetera. Ik ga niet alle vragen herhalen die door de Kamer zijn gesteld. De regeling voor maatschappelijk beleggen is een succes gebleken en heeft, zoals mevrouw Sent ook heeft opgemerkt, jarenlang een gestage groei gekend. De markt voor groen beleggen en andere vormen van maatschappelijk beleggen is ontwikkeld en tot volle wasdom gekomen, en ook volwassen geworden. De huidige terugloop waar gisteren naar verwezen werd, is niet slechts te wijten aan de afbouw van de heffingskortingen. De spaardersmarkt en de beleggersmarkt zijn in de afgelopen tijd natuurlijk enorm onder druk komen te staan. De huidige crisis heeft ermee te maken. Mensen zijn voorzichtiger geworden met hun spaargeld. Hoe lang zit dat spaargeld ergens aan vast? Moet ik iets flexibelers hebben? Ik kan nu dus niet de conclusie trekken dat het afbouwen van de heffingskortingen er de oorzaak van is dat het beschikbare geld voor deze fondsen terugloopt. Het beschikbare geld is in zijn algemeenheid terug aan het lopen.

Je zou deze heffingskortingen kunnen karakteriseren als een fiscale subsidie, en die is in principe tijdelijk. Als een markt volwassen is, kunnen subsidies worden afgebouwd. Ik ben van mening dat er sprake was van fiscale overstimulering en daarom staat in het regeerakkoord dat fiscale faciliëring wordt gehalveerd. De ruime vrijstellingen in box 3 van meer dan € 50.000 blijven bestaan. Ik denk dus dat na de afbouw van de heffingskorting een nieuw en gezond marktevenwicht zal ontstaan, ook wat betreft de rente. Fiscale subsidiëring mag worden beschouwd als een steun in de rug, maar niet als een garantie tegen faillissement of een garantie voor winstgevendheid. Daarom deel ik de vrees van mevrouw Sent niet.

Door mevrouw Sent, de heer Essers en de heer Van Boxtel is gevraagd of ik toch bereid ben om na te denken over een alternatief, omdat dit vorig jaar in dit huis ook een thema is geweest. Jazeker, ik ben bereid om daarover na te denken. Dat heb ik in de afgelopen tijd ook al gedaan. Ik heb alleen nog geen definitief alternatief. We zijn wel een eind op streek. Ik heb een- en andermaal herhaald dat ik onder voorwaarden bereid ben om naar alternatieven te kijken. Die voorwaarden zijn dat de budgettaire besparing wordt gegarandeerd en dat er geen closed shop ontstaat, waarbij alleen de instellingen die zich nu met dit soort fondsen bezighouden, met elkaar de markt verdelen en er geen plaats is voor nieuwkomers. Ik wil dus niet dat de mededinging in gevaar komt. Ik neem aan dat deze uitgangspunten breed gesteund worden in deze Kamer. Verder heb ik aangegeven dat de vereenvoudiging die in het regeerakkoord is overeengekomen, ook alternatief moet worden ingevuld. De fiscale agenda 2012 is door het kabinet aanvaard en mij is herhaaldelijk door de Tweede en Eerste Kamer gevraagd of ik het systeem kan vereenvoudigen omdat er zo veel grondslagversmallende factoren en uitzonderingen op de hoofdregel zijn. Het is niet de bedoeling dat de vereenvoudiging die wij hebben aangebracht, wordt teruggedraaid zonder dat wij een alternatief binnen handbereik hebben. Ik neem aan dat vereenvoudiging ook voor deze Kamer prioriteit heeft.

Er is overleg gaande met de sector en binnen het kabinet. Ik ben niet pas sinds anderhalve week in overleg, maar al veel langer. Wij hebben het afgelopen jaar een aantal keren met de NVB, LTO Nederland en Bouwend Nederland gesproken. De gesprekken lopen nog. Vorige week heb ik nog met LTO Nederland gesproken. Ik heb ook met aanbieders van groenfondsen vanuit de NVB gesproken. Ik heb mij altijd zeer constructief opgesteld om tot een alternatief te komen. Vooralsnog is er geen alternatieve vereenvoudiging gevonden die kan rekenen op breed draagvlak, maar ik voel dat de zaak in beweging is. Wij hebben gesproken over een mogelijke vereenvoudiging. Die kan bijvoorbeeld gevonden worden in de sfeer van de EIA, de MIA en de Vamil, drie regelingen die elkaar sterk overlappen. Je zou daar één nieuwe, goede, toegespitste regeling van kunnen maken. Zeer recent is in een green deal met de minister van EL&I afgesproken dat naar deze fiscale regelingen gekeken gaat worden. Ik zie mogelijkheden om in overleg met de collega's in het kabinet en met de sectoren die hiervan gebruik maken, te komen tot een reële vereenvoudiging. Dat zou betekenen dat wij groen beleggen overeind kunnen houden, vermits de drie ondertekenaars van het regeer- en gedoogakkoord hiermee akkoord gaan. Ik denk dat ik hier wel steun voor zal krijgen als ik een samenhangend en goed verhaal heb dat voldoet aan de voorwaarden.

Ik voel er niet voor om bepaalde bestaande regelingen in één vat te gieten en daar een nieuw etiket op te plakken, terwijl dit dezelfde uitvoeringslast met zich mee zou brengen. Daar schieten wij niets mee op. Het moet dus een reële vereenvoudiging zijn. Afgelopen vrijdag heb ik nog telefonisch overleg gevoerd met de voorzitter van LTO Nederland. Ook bij de NVB weet men dat ik hier constructief in sta, mits er iets wordt geleverd. Iedereen zal wat water bij de wijn moeten doen. Als dat kan, zie ik het liever vandaag dan morgen gebeuren, want hoe langer er onduidelijkheid blijft bestaan, hoe sneller de animo afneemt om te participeren in dit soort fondsen.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik bedank de staatssecretaris voor deze antwoorden. Ik kan alleen nog niet helemaal grip krijgen op het tijdpad. Ik twijfel niet aan de intenties van de staatssecretaris, maar heb gisteren in het kader van groen beleggen heel expliciet gevraagd of de staatssecretaris voor 31 december 2011 het fiscaal voordeel van 1,9% op groene spaarproducten structureel wil handhaven. Daar wil ik graag expliciet een antwoord op.

Staatssecretaris Weekers:

Dat kan ik niet geven. Het is ook niet per se nodig om hierover voor het nieuwe jaar duidelijkheid te krijgen. Ik krijg graag duidelijkheid, maar moet dan wel eerst overeenstemming bereiken. Ik heb van de banken begrepen dat het voor hen voldoende is om in deze markt te blijven opereren als het percentage dat voor 2012 in de wet staat, zou worden gecontinueerd. Daardoor kunnen allerlei innovaties op het gebied van energie, milieu en landbouw gunstig worden gefinancierd. Dit betekent dat wij uiterlijk in het belastingplan voor 2013, dat ik volgend jaar met Prinsjesdag zal aanbieden, de percentages over 2012 kunnen continueren en vastleggen.

Ik zeg erbij dat je snel duidelijkheid zult moeten geven als je de markt en potentiële investeerders hiervoor warm wilt houden, maar volgens mij hoeft het niet op 1 januari. Wat mij betreft gebeurt het snel. Ik zit met het volgende. Als ik zeg dat er voor 1 januari duidelijkheid moet zijn, zet ik wel heel veel druk op iedereen die hierbij belang heeft om akkoord te gaan met een bepaalde vereenvoudiging. Als wij die vereenvoudiging, bijvoorbeeld met de EIA, de MIA en de Vamil, goed willen invullen, zou dat wat extra tijd kunnen kosten. In elk geval kan ik de heer Van Boxtel melden dat er volgende week hoog ambtelijk overleg plaatsvindt tussen diverse ministeries. Ook andere belanghebbenden zullen daarbij aangehaakt zijn. Als het volgende week kan, zal ik dat dus graag helpen bewerkstelligen, maar als men er volgende week niet uit komt, wil ik mij niet bij voorbaat al vastgelegd hebben.

De heer Van Boxtel (D66):

Dat begrijp ik en ik bedank de staatssecretaris voor zijn bereidwilligheid. De andere kant van het verhaal is niet de binnenkant van de overheid en de wenselijkheid om regels bij elkaar te brengen, maar het feit dat geld dat eenmaal is weggelopen, gewoon weg is en niet automatisch terugkomt. Daar zit mijn grote zorg. Juist vanwege de beperkte effecten van de green deal is het belangrijk dat dit geld in deze fondsen gestopt blijft worden. Ik vind het risico dat het geld de groene beleggingen de rug toekeert, heel zorgelijk.

Staatssecretaris Weekers:

Ik begrijp die zorg. Nogmaals, ik zou kunnen zeggen dat ik voor 1 januari duidelijkheid wil en dat het feest niet doorgaat als er niet wordt geleverd, maar ik denk dat ook de heer Van Boxtel dat te ver vindt gaan.

De heer Van Boxtel (D66):

Prima, maar zouden wij voor de jaarwisseling nog wel een brief van de staatssecretaris kunnen krijgen waarin hij ons op de hoogte stelt van het verloop? Ik vind dat de sector en de mensen die er geld in zouden willen stoppen, ook iets moeten kunnen ontlenen aan het gevoel van zekerheidstelling dat de staatssecretaris wil uitstralen. Ik snap dat de staatssecretaris nog met andere partners moet wheelen en dealen, maar word graag geïnformeerd over de stand van zaken.

Staatssecretaris Weekers:

Midden volgende week vindt er overleg plaats, zoals ik al heb gezegd. Ik zal de Kamer berichten van de uitkomst van dat overleg. Vervolgens kan iedereen nog eens bekijken of de druk in eigen kring wellicht moet worden opgevoerd om toch tot een oplossing te komen. Misschien kan ik de Kamer volgende week melden dat er een oplossing is gevonden; dat zou het mooiste zijn.

De heer Essers heeft gesproken over de willekeurige afschrijving. Hij vraagt zich af of het wel verstandig is om de tijdelijke willekeurige afschrijving en de verruimde verliesverrekening af te schaffen. Hij meent dat er een kans bestaat dat deze maatregelen straks weer moeten worden ingevoerd. Ik ben in principe voor maatregelen die investeringen door het bedrijfsleven stimuleren, maar zij moeten wel budgettair haalbaar zijn. Het opnieuw verlengen van de tijdelijke willekeurige afschrijving en de verruimde verliesverrekening levert aan netto contante waarde een budgettaire derving op van respectievelijk 220 mln. en 50 mln. Daar is geen dekking voor. Daarnaast zijn de kaseffecten voor het EMU-saldo vele malen hoger, respectievelijk 900 mln. en 126 mln. De Kamer heeft vanochtend de laatste cijfers van het CPB kunnen zien; dit betekent dat het absoluut niet mogelijk is om dergelijke wensen te honoreren.

De heer Essers heeft mij ook gevraagd om verliesverdamping te voorkomen door een herwaardering van onroerende zaken tegen de waarde in het economisch verkeer toe te staan. Ik roep in herinnering dat verliesverdamping een bekend fenomeen is, waar de wetgever in 2006 uitdrukkelijk voor heeft gekozen. Uitdrukkelijk. In het door mijn ambtsvoorganger Joop Wijn opgestelde wetsvoorstel Werken aan winst is nadrukkelijk gekozen voor een tariefsverlaging die betaald zou worden via een beperking van de termijnen van verliesverrekening. Als de heer Essers nu zegt dat wij dit niet in een beperkte tijdspanne zouden moeten bekijken, maar het winstbegrip moeten uitspreiden over de hele levensduur van een onderneming, dan komen wij eigenlijk terug op de wetswijziging waarvoor destijds 720 mln. is ingeboekt. Ik weet niet of er nu ineens een Kamermeerderheid ontstaat die de Vpb-tarieven weer optrekt en Werken aan winst weer ongedaan maakt.

Mijn ambtsvoorganger heeft aangegeven dat de Belastingdienst zich redelijk en constructief opstelt als men verliesverdamping tracht te voorkomen, mits het om eigen verliezen gaat en past binnen goed koopmansgebruik. Aan die toezegging is naar mijn stellige overtuiging maximaal voldaan door de zogenaamde sale-and-lease-back-constructie toe te staan. De heer Essers wil in feite de herwaardering van vastgoed naar de waarde in het economisch verkeer toestaan. Dat is in strijd met goed koopmansgebruik en dat gaat mij echt een stap te ver. Wij zijn tot het uiterste gegaan. Wij zijn echt tot het randje gegaan. Als men er nog meer uit wil halen, dient men de vraag te stellen of werken naar winst moet worden teruggedraaid. Ik kies daar niet voor.

De heer Essers (CDA):

Het wetsvoorstel Werken aan winst hebben wij hier behandeld. Ook op dat moment is die discussie aan de orde geweest. Toen is gezegd dat wij de verliesverrekeningstermijnen zouden beperken, maar dat wij ons soepel zouden opstellen ten aanzien van het toepassen van goed koopmansgebruik, om verliesverdamping te vermijden. Een wetgever kiest niet voor verliesverdamping. Die kan het gevolg zijn van een beperkte verliesrekeningstermijn, maar als goed koopmansgebruik verliesverdamping kan voorkomen, is daar geen bezwaar tegen. Wij kunnen van mening verschillen of goed koopmansgebruik dat mogelijk maakt, maar dat zal uiteindelijk de rechter moeten bepalen. De staatssecretaris doet een handreiking die ik op zich op prijs stel, te weten de sale-and-lease-back-constructie. Mijn stelling is echter dat wij op die manier exact hetzelfde bereiken, namelijk het voorkomen van verliesverdamping, waarbij wij wel de problemen rond de waardebepaling van het onroerend goed binnenhalen en wij bovendien het bedrijfsleven op administratieve kosten jagen. Men moet die constructie immers wel betalen. Bovendien loopt men het risico dat er overdrachtsbelasting moet worden betaald. Dat vind ik jammer, aangezien het ook op een veel simpeler manier kan. Als er met de belastinginspecteur overeenstemming bestaat over de waarde van het onroerend goed in het economisch verkeer, waarom dan kiezen voor de moeilijke omweg van eerst verkopen en dan weer terughuren? Dat is mijn punt.

Staatssecretaris Weekers:

Simpelweg omdat er dan strijdigheid ontstaat met het goed koopmansgebruik, namelijk strijdigheid met het realisatiebeginsel en het voorzichtigheidsbeginsel. Dat is een heel principieel punt. Over die beginselen en het goed koopmansgebruik wil ik best een notitie naar de Eerste Kamer sturen, op basis waarvan wij over dat principiële punt een discussie kunnen voeren, maar ik kan nu echt niet verder gaan. Als de heer Essers zegt dat de sale-and-lease-back-constructie een aantal inspanningen kost, dan zeg ik hem dat elke constructie inspanning en geld kost. Als u diep in mijn hart kijkt, heb ik liever helemaal geen constructie.

De heer Essers (CDA):

Wij zien die notitie graag tegemoet. Aan de hand van die nota kunnen wij het debat nog een keer voeren. Voor het overige blijft het aan de rechter, want die zal uiteindelijk het goed koopmansgebruik moeten toepassen.

Staatssecretaris Weekers:

Ja, zo is het.

Dan kom ik bij de vragen over de eigen woning. De heer Essers vraagt of het kabinet mogelijkheden ziet tot uitbreiding van de werking van de regeling-Hillen. Mevrouw De Boer vraagt naar een reactie op de opmerking van de heer Verhagen over de hypotheekrenteaftrek. Ik wil het heel kort houden: ik heb geen plannen om de hypotheekrenteaftrek aan te passen. Tijdens de algemene financiële beschouwingen heb ik een heel goed debat gevoerd met de heer Ester. Toen heb ik de toezegging gedaan dat ik met een goede notitie, een beleidsvisie naar deze Kamer kom. De verschijning van die notitie lijkt mij het meest geëigende moment om deze discussie verder te voeren, goed voorbereid en op basis van goede en goed onderbouwde stukken.

De heer Ester (ChristenUnie):

De staatssecretaris zegt dat hij zijn visie op de hypotheekrenteaftrek niet zal herzien, maar dat hij over ongeveer een maand met een visiedocument zal komen. Dat vind ik een interessante, maar ook wat merkwaardige combinatie.

Staatssecretaris Weekers:

Ik heb aangegeven dat ik geen plannen heb om de hypotheekrenteaftrek aan te passen. Dat is heel simpel.

De heer Ester (ChristenUnie):

Wat komt er dan in die visienotitie te staan?

Staatssecretaris Weekers:

Wat er in die notitie komt te staan, heb ik tijdens de financiële beschouwingen uiteengezet. In die notitie zal het kabinet ingaan op de studies die er liggen. Het kabinet zal voorts ingaan op hetgeen in de afgelopen jaren al is gedaan aan het beteugelen van overkreditering en op welke wijze de hypotheekrenteaftrek is aangepast. Die notitie zal uiteindelijk voldoende stof en documentatie moeten opleveren om hier in de Kamer een fundamenteel debat te kunnen voeren.

De voorzitter:

Mijnheer de staatssecretaris, wij zijn u altijd zeer dankbaar dat u uitgebreid antwoordt, maar de heer Ester en de andere leden van deze Kamer kunnen lezen. Wat u nu zegt, staat allemaal in de Handelingen van de beschouwingen die hier eerder zijn gehouden. Ik wil nu niet dat hele verhaal overdoen. De heer Ester moet zich verlaten op de toezeggingen van de staatssecretaris, die ook zijn vastgelegd.

De heer Ester (ChristenUnie):

Ik begrijp uitstekend wat u bedoelt, maar er zit heel veel ruimte tussen de toezegging die wij toen hebben gekregen en de toezegging die de staatssecretaris nu doet. Toen ging het om de visie van het kabinet op een toekomstbestendig stelsel van hypotheekrenteaftrek. Nu zegt de staatssecretaris dat hij niets zal veranderen, maar dat hij wat onderzoekjes bij elkaar brengt en daar een nietje doorheen doet. Daar zit heel veel tussen.

Staatssecretaris Weekers:

Ik voeg niets toe aan de toezeggingen die ik heb gedaan en ik doe er ook niets aan af. Mijn insteek is dat het weinig productief is om bij elk debat dat wij voeren te praten over de hypotheekrenteaftrek. Naar mijn mening kunnen wij dat het beste doen aan de hand van de notitie die ik heb toegezegd, waarover wij volgens mij goede afspraken hebben gemaakt. Elke dag doet iemand in de krant of op de televisie wel een uitlating over de hypotheekrenteaftrek, maar daar koop ik niets voor. Ik heb met de Kamer de afspraak gemaakt dat zij een notitie van mij krijgt, die wij goed met elkaar zullen bespreken.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Het lijkt mij goed dat wij het hier niet hebben over mensen die van alles roepen in de krant, maar aan de andere kant moeten wij niet onze ogen sluiten voor het feit dat er echt iets aan het schuiven is in de discussie over de hypotheekrenteaftrek. Om die reden heb ik de staatssecretaris gevraagd of hij kan toezeggen dat er in de door hem toegezegde visie aandacht wordt besteed aan verschillende scenario's. Wat mij betreft kiest het kabinet voor het scenario "wij doen niets", maar zeker gezien de discussie die momenteel op alle terreinen plaatsvindt, waarbij het kabinet ongeveer de enige is die vindt dat er niets moet gebeuren – laat het kabinet dat vooral blijven vinden, die discussie gaan wij op dat moment wel aan – zie ik graag dat in die notitie in elk geval een aantal scenario's naast elkaar wordt gezet. Kan de staatssecretaris dat toezeggen?

Staatssecretaris Weekers:

Volgens mij heb ik tijdens de financiële beschouwingen al aangegeven dat ik zeker zal ingaan op de diverse scenario's, simpelweg vanwege het feit dat ook een aantal onderzoeken en suggesties door anderen zijn gedaan. Er zijn internationale studies gedaan en we hebben de heroverwegingsrapporten gehad. Daar hebben allerlei scenario's in gestaan. Ik heb toegezegd, die scenario's in elk geval in deze notitie te bespreken en te voorzien van de plussen en de minnen.

Mevrouw Sent heeft gevraagd waarom werkgevers worden gecompenseerd voor de stijging van de zorgkosten. Werkgevers hebben deze periode te maken met een forse stijging van de zorgpremies. Deze zorgpremies worden voor een deel door burgers betaald en voor een deel door het bedrijfsleven. Sinds de invoering van het nieuwe zorgstelsel hebben we de inkomensafhankelijke bijdrage consequent toegerekend aan werkgevers. Onder het vorige kabinet maar ook onder het huidige is de afspraak gemaakt dat het lastenkader aan het begin van de kabinetsperiode wordt vastgeprikt. Mochten de lasten zich ongunstiger ontwikkelen dan voorzien, met andere woorden dat de zorgpremies veel harder stijgen dan voorzien – waarvan een deel door werkgevers wordt betaald – dan worden die gecompenseerd. Dat kan je op allerlei manieren doen. Dat kan je doen door de premies van sociale fondsen te verlagen, door een verlaging van de Vpb – zoals mijn ambtsvoorganger heeft gedaan – en door kleine belastingen te verlagen. Er vindt ook overleg plaats met werkgeversorganisaties over de meest wenselijke manier om de lasten te compenseren. Dat hebben wij dit jaar ook gedaan, maar dit jaar zullen wij de lasten niet helemaal compenseren. Dat hoeft overigens niet in exact hetzelfde jaar te gebeuren; dat kan ook later. Er wordt een goede boekhouding van bijgehouden. Wij schrappen nu een aantal kleine belastingen evenals de heffing voor de Kamer van Koophandel en de bijdragen aan bepaalde sociale fondsen zijn verlaagd.

De heer Reuten heeft voorgesteld om het hoogste tarief van de inkomstenbelasting met ingang van 2013 te verhogen van 52% naar 54% te verhogen. Het zal hem niet verbazen dat ik dat geen goed voorstel vind. Dit kabinet wil in de eerste plaats de lasten niet verzwaren en vindt in de tweede plaats het toptarief in Nederland al heel hoog. Het toptarief in Nederland kent bovendien een heel laag aangrijpingspunt. Alleen Zweden, België en Denemarken hebben een hoger toptarief. In een aantal landen om ons heen liggen het toptarief en het aangrijpingspunt toch aanmerkelijk anders. Frankrijk heeft bijvoorbeeld een toptarief van 45,8%, dat aangrijpt bij 2,8 maal het gemiddelde loon. Nederland kent een toptarief van 52%, dat al aangrijpt bij 1,2 maal het gemiddelde loon.

De heer Reuten heeft gevraagd of het draagkrachtbeginsel in de inkomstenbelasting een dode letter is. Ik kan daar kort over zijn: dat is het niet. Ondanks de aftrekposten en kortingen leidt het schijventarief er nog steeds toe dat de gemiddelde druk met het stijgen van het inkomen ook toeneemt.

De heer Reuten heeft gevraagd of ik kan bewerkstelligen dat het CPB voortaan een apart koopkrachtcijfers van 4,5 of 5 maal modaal in de tabellen presenteert. Welke standaardhuishoudens worden opgenomen, is het beleidsterrein van de collega van Sociale Zaken. Ik wil mij er niet achter verschuilen, maar op 14 november heeft hij een beleidsdoorlichting aan de Tweede Kamer gezonden over het inkomensbeleid met een evaluatie over de koopkrachtpresentaties. Ik zou die discussie echt bij mijn collega van Sociale Zaken willen laten. Hij is chef koopkracht.

De heer Reuten heeft een vermogensbronbelasting – de Reuten-taks – voorgesteld, met een gedifferentieerd tarief van 1% tot 2%. Volgens de heer Reuten zou dat een alternatieve invulling kunnen zijn van de taakstelling van 18 mld. van het kabinet. Ook andere belastingen, zoals de fictieve vermogensrendementsheffing, zouden dan kunnen verdwijnen. Bovendien brengt de heer Reuten de eigen woning naar box 3 over. Voor de helderheid: het kabinet ziet er helemaal niets in. Het is niet een radicale maatregel ten opzichte van de maatregelen van het kabinet, maar zelfs ten opzichte van de tegenbegroting van de SP zelf. Nederland kende tot 2001 een vermogensbelasting met een uniform tarief van 0,7% en een substantiële voetvrijstelling. Die belastingherziening is onder een sociaaldemocratische minister-president en een sociaaldemocratische staatssecretaris afgeschaft. Daarvoor is wat anders in de plaats gekomen. Het is dus bijna een impertinente vraag aan een liberale staatssecretaris om de vermogensbelasting in het kwadraat door te voeren.

De heer Reuten heeft gevraagd naar mijn visie op de keuze voor belastinguitgaven in plaats van subsidies. Er worden natuurlijk allerlei afwegingen gemaakt over effectiviteit, administratieve lasten en uitvoerbaarheid. Louter een balansverkorting, waarover de heer Reuten sprak, vind ik minder interessant. Wel vind ik het belangrijk dat wij erg transparant zijn in wat wij doen. Die transparantie wordt bereikt via bijlage 5 van de Miljoenennota. In het regeerakkoord hebben we afgesproken, de subsidies voor het bedrijfsleven te schrappen en daarvoor in de plaats een fiscale faciliteit in de vennootschapsbelasting te creëren, de zogenaamde RDA. Daarvoor geldt natuurlijk dat alleen degenen van die faciliteit gebruik kunnen maken die ook daadwerkelijk de lasten betalen. Dat is een wezenlijk verschil tussen het subsidie-instrument en het belastinginstrument: no taxes, no gains. Dat is een belangrijk uitgangspunt om ervoor te zorgen dat ook echt naar de businesscase wordt gekeken, zodat die uiteindelijk gaat renderen.

De heer Reuten heeft ten slotte gevraagd of de Belastingdienst de premies zorgverzekering kan innen en of ik hierover met de minister van VWS in overleg wil treden. De Belastingdienst zou dan ook de onderhandelingen met de zorginstellingen kunnen doen. Dat laatste lijkt mij niet verstandig; daar is de Belastingdienst niet voor geëquipeerd. Eigenlijk wil de heer Reuten de nieuwe Zorgverzekeringswet ter discussie stellen, waarin is gekozen voor marktwerking tussen zorgverzekeraars, tussen zorginstellingen en tussen zorgverzekeraars en zorginstellingen. Zo proef ik althans zijn opmerkingen. Dan gaat het via een omweg over de uitvoeringskosten, waarbij de Belastingdienst wat efficiënter zou werken. Het lijkt mij beter als de heer Reuten die discussie met collega Schippers voert als hij de essentie van onze zorgverzekering ter discussie wil stellen omdat hij daarover aan andere opvatting heeft. Dat kan ik mij overigens voorstellen vanuit zijn ideologische achtergrond.

De heer Reuten (SP):

Ik heb de efficiency van de Belastingdienst geprezen. De Belastingdienst gebruikt hetzelfde invorderingsbedrag voor 194 mld. waarvoor de zorgverzekeraars 36 mld. innen.

Staatssecretaris Weekers:

Dat heb ik goed verstaan!

De voorzitter:

Ik begin langzamerhand een beetje medelijden te krijgen met de ambtenaren van Financiën. Als tien minuten zo lang duren als zij nu duren bij deze staatssecretaris, maken zij lange werkdagen! Ik neem aan dat de staatssecretaris klaar is met zijn antwoord?

Staatssecretaris Weekers:

Ik ben klaar. Ik heb inderdaad heel goede, loyale en hardwerkende ambtenaren!

De voorzitter:

Mooi zo! De rest bewaren wij voor de tweede termijn!

De heer Essers (CDA):

De staatssecretaris zou nog ingaan op de overheidsbedrijven!

Staatssecretaris Weekers:

De heer Essers heeft gevraagd om de notitie over belastingplicht voor overheidsbedrijven. Een paar korte opmerkingen daarover. Ik ben het afgelopen jaar daarmee bezig geweest en heb er goed naar gekeken. Wanneer je het principieel bekijkt, weet je naar welk model je toe wilt: wanneer overheidsbedrijven in concurrentie treden, zou je ze als Vpb-plichtig moeten beschouwen. Tussen de huidige situatie en de situatie waarbij je naar zo'n model toe zou gaan, zijn er nog de nodige vraagstukken op te lossen. Ik had graag met een volstrekt voldragen notitie willen komen, met een duidelijk pad waar we nu staan en waar we naartoe gaan. Dat gaat mij op korte termijn niet lukken.

Als ik zie wat wij allemaal te verhapstukken hebben met de medeoverheden, met een decentralisatie van een zeer majeure omvang, dan moeten wij dat niet ook nog eens met deze discussie belasten. Als de heer Essers daar prijs op stelt, ben ik wel bereid om ergens in het eerste kwartaal de bevindingen tot nu toe in een notitie te vervatten; dan kunnen wij daarover met elkaar spreken. Hij moet echter niet de illusie hebben dat we daarmee het probleem al echt aan het oplossen zijn.

Uiteindelijk moeten wij met elkaar de discussie voeren of we veel flux moeten veroorzaken om daarnaartoe te gaan, of dat het niet beter is om ons te richten op iets anders; daar moeten we dan wat logische momenten voor zien te vinden. Ik ben best bereid om een meer algemene notitie in het eerste kwartaal naar de Kamer te sturen.

De voorzitter:

Dank u wel.

Ik heb net van de griffier begrepen dat mevrouw Thieme nog niet klaar is met de voorbereiding van haar antwoord in eerste termijn. Is de staatssecretaris in de gelegenheid om in dit debat door te gaan met de re- en dupliek? Zo niet, dan hebben we een break en dat zou zonde zijn van de tijd. Ik stel voor om nu enkele minuten te schorsen en door te gaan met de re- en dupliek, als de woordvoerders daarmee kunnen instemmen. En ik zie dat dit het geval is.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Mag ik de leden verzoeken om weer plaats te nemen? Misschien is het goed om de mensen op de publieke tribune het gewijzigde schema voor deze avond te melden. Wij gaan nu door met de behandeling van de belastingwetsvoorstellen. Ik hoop dat wij die in een uur tijd kunnen afronden, maar dat hangt af van de tijd die de Kamerleden en de staatssecretaris nodig hebben. Ik streef ernaar om de behandeling om 19.15 uur klaar te hebben, waarna een uur dinerpauze volgt. Wij gaan dan om 20.15 uur verder met de behandeling van het initiatiefwetsvoorstel van mevrouw Thieme. Wij gaan nu verder met de behandeling van het Belastingplan.

Mevrouw Sent (PvdA):

Voorzitter. Allereerst wil ik collega Dröcker feliciteren met zijn maidenspeech. Vorige week heb ik verzuimd om plenair collega Hoekstra te feliciteren. Dat doe ik hierbij graag alsnog. Ook dank aan de staatssecretaris voor zijn zorgvuldige antwoorden op onze vragen; enorme complimenten voor de batterij mensen die hij achter zich heeft, zeg ik met enige jaloezie. Wij hebben in onze eerste termijn vier onderwerpen aan de orde gesteld. Ik wil die kort nog even langslopen om te zien in hoeverre onze vragen bevredigend zijn beantwoord.

Het eerste onderwerp betreft de kleine rijksbelastingen. Misschien is hier de term "klein" een beetje verwarrend of misleidend. Ik wil nogmaals benadrukken dat het om bijna 1 mld. gaat. Ik heb in deze Kamer geleerd dat "klein bier" een uitdrukking is, en bijna 1 mld. is dus geen klein bier. Bij de inkomstenbelasting en de loonbelasting wordt niet het argument gehanteerd dat de uitvoeringskosten en de administratieve lasten enorm hoog zijn, dus laten we die belasting maar afschaffen. Ik ben niet overtuigd van het argument dat de uitvoeringskosten en de administratieve lasten onevenredig hoog zijn. Ik vind het nogmaals in de huidige economische omstandigheden enorm onverantwoord om zo veel aan belastingen weg te geven of om zo veel minder inkomsten binnen te halen. Mijn vraag aan de staatssecretaris is of hij dat nog een keer wil overwegen, hoewel ik het antwoord natuurlijk al ken.

Het tweede punt betreft de Geefwet. Wij hebben heel fijn antwoord van de staatssecretaris gekregen, ingefluisterd door de ambtenaren, en sommige punten zijn goed verduidelijkt. Ik blijf mij wel zorgen maken over de enorme complexiteit van de Geefwet, met als gevolg dat het fraudegevoelig kan zijn. Anbi, SBBI, culturele instellingen, ik blijf het niet heel overtuigend vinden dat daarin een duidelijk onderscheid kan worden gemaakt. Ik merk ook enige inconsistenties, zoals ik ook tijdens interrupties heb aangegeven. Aan de ene kant zegt de staatssecretaris dat we geen prikkels in het belastingsysteem moeten opnemen, die gaan we bij de kleien belastingen buiten beschouwing laten. Bij de Geefwet daarentegen worden prikkels wel als waardevol ervaren! In de reactie staat dat uit de relevante literatuur blijkt dat naast de prijs van het geven, andere factoren minstens zo relevant zijn voor het doen van giften. Als dat uit de literatuur blijkt, vind ik het nog extra verrassend dat er zo veel verwacht wordt van een multiplier en dat daarmee de culturele sector ineens op eigen benen kan staan. Zoals ik al per interruptie heb aangegeven, verbaast het mij dat in de Geefwet een uitzondering wordt gemaakt voor de culturele sector, maar dat in de Wet werk en inkomen kunstenaars geen uitzondering wordt gemaakt voor kunstenaars. Het gaat hier immers bij uitstek om een regeling die gericht is op het stimuleren van cultureel ondernemerschap. Dat zou uitstekend passen binnen de Geefwet. Ik blijf verbaasd en verrast en vragen hebben over hoe de Geefwet zich verhoudt tot het voornemen om de WWik af te schaffen.

Het derde punt betreft de vrijstelling van de zorgcorporaties. Ik kan mijn aantekeningen zo gauw niet vinden. Ik had het toch gewoon op de iPad moeten doen. Ik begrijp dat de heer Essers daarover vragen gaat stellen. Ik vermoed dat ik mij daarbij voor een groot deel kan aansluiten. Ik zie dat ik hier wel iets heb liggen. Ik vraag mij af hoe de behandeling van ouderenhuisvesters zich verhoudt tot allerlei moties waarop nu actie ondernomen wordt. Ik wijs op de motie-Groot/Omtzigt over de maatschappelijke rol van woningcorporaties en de daarbij behorende fiscale faciliteiten. Verder is er de motie-Monasch/Van Bochove over een passende oplossing voor gespecialiseerde huisvesting voor ouderen en gehandicapten. Ik ben nog steeds benieuwd hoe het voornemen om de ouderenhuisvesters niet langer vrij te stellen van vennootschapsbelasting zich verhoudt tot de toezeggingen die zijn gedaan in het kader van de twee moties die ik zojuist noemde.

Het vierde punt betreft de ontgroeningsmaatregelen. Wij hebben met name aandacht gevraagd voor groen beleggen. De staatssecretaris heeft gezegd dat het niet verrassend is dat de markt voor groen beleggen terugloopt. Ik zou hem willen vragen eens naar de cijfers op de website van de Nederlandsche Bank te kijken. Daaruit blijkt dat zowel spaardeposito's als obligatiefondsen de afgelopen jaren niet zijn gedaald en zeker niet met 15%. Ik vraag nogmaals of de enorme daling in groen beleggen mogelijk toch samenhangt met de maatregelen die de overheid op dat terrein neemt. Ik ben erg blij dat de onderhandelingen in een stroomversnelling lijken te zijn gekomen. Ik blijf het verrassend vinden dat het nu ineens zo heel snel gaat en er kennelijk mogelijkheden zijn die er eerder niet waren. Als ik het goed heb begrepen lag er op 1 juni al een alternatief. Ik kan mij goed voorstellen dat dit alternatief niet helemaal aan de randvoorwaarden voldeed.

Mijn laatste punt gaat over de kindertoeslag in box 3. De regering is voornemens om die per 1 januari 2012 af te schaffen. Vanwege alle spoed heb ik deze motie helaas door mijn fractiegenoten moeten laten ondertekenen. Ik dacht dat ik alle tijd had om het zorgvuldig te doen en de woordvoerders financiën langs te lopen. Ik zie dat de heer Ester de motie op afstand mee ondertekent.

Motie

De voorzitter: Door de leden Sent, Putters, Schrijver, Beuving, Vlietstra en Ester wordt de volgende motie voorgesteld:

De Kamer,

gehoord de beraadslaging,

constaterende dat de regering heeft voorgesteld, de kindertoeslag in box 3 per 1 januari 2012 af te schaffen;

constaterende dat de peildatum voor box 3-vermogen 1 januari van elk jaar is en derhalve voor de belastingplicht in 2012 over enkele weken valt;

overwegende dat ouders die huurtoeslag ontvangen door de afschaffing van de kindertoeslag opeens box 3-vermogen boven de vrijstelling krijgen, ook al is het maar € 1, en daarmee hun complete recht op huurtoeslag kunnen verspelen;

overwegende dat ouders die hierdoor worden getroffen er honderden euro's per maand op achteruit kunnen gaan;

overwegende dat het onbehoorlijk bestuur is, mensen onvoldoende voorbereidingstijd te geven;

verzoekt de regering, de afschaffing van de kindertoeslag in box 3 een jaar uit te stellen,

en gaat over tot de orde van de dag.

Zij krijgt letter H (33003, 33004, 33005, 33006, 33007).

Mevrouw Sent (PvdA):

Wij hebben hierover vragen gesteld in eerdere rondes. Toen werd gezegd dat dit al ruimschoots bekendgemaakt is op de website van de Belastingdienst. Ik heb die site even bekeken. Je moet echt heel lang navigeren voordat je bij het bericht komt. Er staat: "Vanaf 2012 kunt u geen extra bedrag per minderjarig kind bij het heffingsvrije vermogen meer optellen." Dat verbaast mij want wij moeten er nog over beslissen. Helemaal onderaan staat: "Bovengenoemde moet nog met de Kamers besproken worden." Ik pleit ook hier voor een zorgvuldige informatieverschaffing aan de burgers en ik zou het fijn vinden als onze Kamer serieus wordt genomen.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris voor al zijn mooie woorden en antwoorden. Ik had die graag een uurtje tot mij willen laten komen en daarna de beantwoording ter hand genomen. Dat is mij en de andere woordvoerders helaas niet gegeven.

Ik heb vijf punten. Het eerste punt betreft de spreiding van de wetsvoorstellen. Ik begrijp het probleem. De staatssecretaris heeft toegezegd dat hij de fiscale verzamelwet voor het zomerreces naar de Tweede Kamer zal sturen. Ik wil hem vragen te bezien of het begin mei zou kunnen. Dan hebben wij kans dat de Tweede Kamer die verzamelwet voor het zomerreces behandelt. Alleen op die manier wordt de Eerste Kamer ontlast. Als de Tweede Kamer pas in september/oktober tot behandeling overgaat, komt het toch weer bij alle andere wetsvoorstellen te liggen. Wil de staatssecretaris erover nadenken of begin mei haalbaar is?

Mijn tweede punt betreft de toezegging van de staatssecretaris dat hij zal kijken naar het conjunctuurstabiliserende dan wel destabiliserende effect van de verschuiving van inkomstenbelasting naar btw. Ik zou graag een kort briefje krijgen over de conclusies. Het hoeft geen notitie te zijn.

In de inkomstenbelasting is sprake van een gedifferentieerd tarief. Het effect daarvan is dat bij een conjuncturele beweging er mensen overgaan van de ene schijf naar de andere schijf. Bij een conjuncturele opgang betekent dat extra belastingopbrengsten. De netto-inkomsten en de winst dempen dan en matigen de groei. Bij een conjuncturele neergang is het omgekeerde het geval. Het lijkt mij een heel belangrijk punt bij het trendmatige begrotingsbeleid.

Het derde punt gaat over directe EMU-belastingen die de Commissie lijkt voor te stellen. Ik begrijp uit de schriftelijke beantwoording dat het kabinet zich verzet tegen directe belastingheffing door de Europese Unie. Dat doet mij genoegen.

Mijn vierde punt betreft de belastingsubsidies en dan vooral de situatie dat er een substitutie is van directe subsidies, bijvoorbeeld investeringssubsidies, door belastingsubsidies, oftewel belastinguitgaven. Ik hoor graag van de staatssecretaris of hij het ermee eens is dat er dan een begrotingsverkorting ontstaat, waardoor de overheid slanker oogt dan voorheen. De staatssecretaris zegt dat hij dit niet zo interessant vindt, maar ik vind het eigenlijk wel interessant. Ik hoor graag of hij het met me eens is. Het gaat om het analytische punt dat de overheid slanker oogt dan zij in feite is.

Dan kom ik bij mijn vijfde en laatste punt. Dit vind ik een zeer belangrijk punt. Ik vraag de staatssecretaris er even over na te denken. Misschien krijgt hij zo nog twee minuten pauze van de voorzitter. Dit punt betreft de top 10% van de inkomensverdeling. Het gaat om de tabellen die het Centraal Planbureau, de onafhankelijke adviseur van de regering, ons presenteert in het Centraal Economische Plan. Dat staat los van wat er bij SZW gebeurt. Ik begrijp dat de minister van SZW gaat over wat er bij SZW gebeurt. Ik heb een vraag gesteld over het Centraal Planbureau. Het komt met belangrijke informatie voor het parlement. Daar gaat het om. Het verbaast mij dat er allerlei informatie wordt verstrekt over minima, mensen met een uitkering, mensen met een modaal inkomen, tot mensen met een inkomen van drie keer modaal, maar dat het dan ophoudt. Dan wordt ons, de Nederlanders en de Kamers, belangrijke informatie onthouden over bijna 30% van de inkomensverdeling. De top 10% heeft namelijk bijna 30% van het bruto inkomen. Daar horen we niets over. Het lijkt mij dat een liberaal – dat is de staatssecretaris en dat doet mij genoegen – niet tegen kennisverspreiding kan zijn. Het is belangrijk voor mensen om te weten hoe die verhoudingen liggen. We willen heel graag de informatie hebben over de top 10%. Kan de staatssecretaris daar heel serieus over nadenken? Ik vind het een heel belangrijk punt.

De heer Essers (CDA):

Voorzitter. Ik dank de staatssecretaris en de ambtenaren hartelijk voor de zeer pronte bediening. Ik heb soms het idee dat de antwoorden er eerder zijn dan de vragen. Zo snel gaat het. Mijn oprechte waardering daarvoor.

Ik wil successievelijk de punten die voor mij en mijn fractie van belang zijn, aflopen. Daarbij ga ik uit van het motto "count your blessings", maar ik wil ook kijken of er hier en daar nog wat verduidelijking kan komen. Ik begin met de anbi- en SBBI-steunstichtingen, oftewel met de Geefwet. Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging in de schriftelijke beantwoording op onze vragen dat schenkingen aan steunstichtingen zullen worden vrijgesteld van schenkbelasting. De staatssecretaris zal, omdat de wet daar nu nog niet in voorziet, gebruikmaken van zijn discretionaire bevoegdheid. Het is belangrijk dat dit gebeurt.

Ik vind het ook bijzonder dat een bv giften kan doen aan een anbi die 100% aandeelhouder is. Normaal gesproken ligt dat moeilijk in een aandeelhoudersrelatie, maar ik vind dit een goede toezegging. Als er een gift wordt gedaan in het kader van de doelstelling van een anbi, wordt deze gekwalificeerd als gift.

Verder denk ik dat we het erover eens zijn dat het uitermate belangrijk is om de sector maximale voorlichting te geven over wat er precies aan de hand is met de anbi's, de SBBI's, de steunstichtingen en het onderscheid tussen eenmalige en periodieke giften. Daarover hebben we een debat gehad. De muziekwereld gaat mij erg aan het hart en ik merk daardoor ook hoe gevoelig het soms ligt als een vereniging die vaak meer dan 100 jaar bestaat, te horen krijgt dat zij geen anbi is. Dat kun je als fiscalist wel uitleggen, maar als een vereniging te horen krijgt dat zij niet het algemeen nut beoogt, stuit dat op heel veel emoties. Daarom vind ik dat verenigingen maximale voorlichting moeten krijgen over de mogelijkheden die ze wel hebben. Daar is de steunstichting een goed alternatief voor. Wij blijven van mening dat we er op termijn naar moeten streven om af te komen van het ietwat kunstmatige verschil tussen anbi's en SBBI's.

Mijn volgende punt betreft het voorkomen van verliesverdamping. Ik wil toch nog een keer zeggen dat ik van mening ben dat het realisatiebeginsel geen zelfstandig beginsel van goed koopmansgebruik is, maar een onderdeel van het voorzichtigheidsbeginsel. Ik ben niet de enige die dat vindt: ik word daarin gesterkt door de jurisprudentie en de literatuur. Ik houd staande dat herwaardering zonder verkoop te verdedigen is binnen goed koopmansgebruik. Uiteindelijk zal de rechter daarover een uitspraak moeten doen. Laat er geen misverstand over bestaan: ik zie de toezegging om het via sale-and-lease-back wel tot stand te brengen echt als een toezegging. Mijn punt is alleen dat het niet nodig is. Je kunt het ook via goed koopmansgebruik doen. Voor de praktijk moet dit toch een weg zijn om in ieder geval de meest extreme vormen van verliesverdamping te voorkomen. Ik ben ervan overtuigd dat het wordt vervolgd in de jurisprudentie en in de literatuur.

Dan kom ik bij het terugdringen van de fiscale prikkels. Wij hebben het gehad over de Vpb en de inkomstenbelasting. In de schriftelijke beantwoording staat dat de rust in de Vpb, na de reparatie van de overnameholdingrente en de Bosal-lekkage, het uitgangspunt zal blijven. Ik hoop met de staatssecretaris dat dit het geval is, maar zolang de fundamentele tegenstelling tussen eigen en vreemd vermogen blijft bestaan, vrees ik dat we die rust wel kunnen vergeten. Je krijgt dan namelijk toch iedere keer weer een prikkel om met vreemd vermogen te financieren. Volgens mij is het ook een Europees probleem, dat we niet alleen op nationaal niveau, maar ook op Europees niveau en wellicht zelfs op mondiaal niveau moeten aanpakken.

Ik heb een paar suggesties gedaan om de schuldpositie in de sfeer van particulieren terug te brengen. Daarover heb ik de staatssecretaris niet nadrukkelijk gehoord, maar ik ben tevreden als hij in de notitie die hij zal sturen ook alternatieven meeneemt om het aflossen van schulden, vooral hypothecaire schulden, te stimuleren, bijvoorbeeld door uitbreiding van de wet-Hillen of door het stimuleren van sparen voor het aanschaffen van een woning. Ik denk dat daarmee veel voordeel valt te behalen, zonder dat je meteen in de gevoelige discussie komt over het afschaffen van de hypotheekrenteaftrek. Daar zijn wij geen voorstander van. Wij denken namelijk dat de hypotheekrenteaftrek veel goede effecten heeft en heeft gehad.

Dan kom ik bij de zorgwoningcorporaties. Wij zijn medewetgever. De tekst van artikel 5 wordt nu aangepast. Wij hebben nog geen concreet antwoord gehad op de vraag in hoeverre er sprake is van concurrentie met commerciële aanbieders. Kan de staatssecretaris ook kwantitatief aangeven in hoeverre de zorgwoningcorporaties daadwerkelijk een concurrent vormen voor andere aanbieders? Onze indruk is – deze is niet weggenomen – dat er niet of nauwelijks commerciële aanbieders zijn die zich op deze markt begeven, vanwege alle belemmerende factoren.

Een volgend punt dat ik zou willen vernemen, is wat er gaat gebeuren als blijkt dat er door die Vpb-heffing veel minder ouderenhuisvesting komt. Het beleid van minister Donner om ouderenhuisvesting te stimuleren in het kader van het scheiden van zorg en wonen kan daardoor in het gedrang komen. Ook op dit zorgpunt zou ik graag een reactie krijgen.

Ik heb de staatssecretaris horen zeggen dat het ging om een foutje van een inspecteur. Mij staat echter bij dat zorgwoningcorporaties al veel langer een beroep hebben gedaan op die vrijstelling op grond van artikel 5. Ik zie dat foutje dus niet zo. Kan de staatssecretaris dat nog even toelichten? Op een foutje hoef je geen beleid te voeren; dat kan toch meteen worden hersteld.

Ten slotte heb ik op dit punt nog gevraagd hoe het zit met opzegtermijnen. Zijn er vaststellingsovereenkomsten gesloten? De staatssecretaris hoeft niet in detail te treden, want het is natuurlijk ook privé. Is de fiscus gebonden aan bepaalde opzegtermijnen als de Vpb-vrijstelling wordt opgeheven?

We hebben goed geluisterd naar wat de staatssecretaris heeft gezegd over maatschappelijke beleggingen. Op dit moment kunnen we niet meer voor elkaar krijgen. Ik ben ook overtuigd van de goede bedoelingen. It takes two to tango. De belangen zijn duidelijk. Ik heb woorden gehoord als "we zijn een eind op streek", "de zaak is in beweging" en "hoog ambtelijk overleg". Nogmaals, wij doen een beroep op iedereen om eruit te komen. Er zit eenzelfde filosofie achter als bij de Geefwet: het gaat om maatschappelijk kapitaal dat je niet als overheid hoeft in te zetten. Het zou doodzonde zijn als we dit zouden verspelen.

Ik dank de staatssecretaris voor de toezegging van de staatssecretaris dat er volgend jaar een evaluatie komt van de afschaffing van de afvalstoffenbelasting. Ik ben het ook eens met het principe dat een stortverbod altijd beter is dan pogingen om de storting van schadelijke stoffen onaantrekkelijk te maken door belastingheffing. Als stoffen schadelijk zijn, moet je storting verbieden.

Ten slotte nog een puntje uit de schriftelijke beantwoording dat mij – ik hoop dat dit geldt voor de hele Kamer – een beetje pijn deed. Ik heb gevraagd: hoe zit het nou met het percentage voor de RDA-regeling? In de concept-AMvB staat nu dat dit bij ministeriële regeling zal worden vastgesteld. Ik heb gevraagd: hoe verhoudt zich dit met de oorspronkelijke bedoeling om dit het liefst via wetgeving maar in ieder geval bij AMvB te doen? In de schriftelijke beantwoording staat: dit hebben we gedaan uit praktische overwegingen. Dat vind ik toch wel heel ver gaan. Het gaat eigenlijk om de hoogte van de aftrek, en dus om de hoogte van de belastingheffing. Daarvoor geldt: no taxation without representation. Ik zou zoiets daarom nooit aan een ministeriële regeling willen overlaten. Het moet eigenlijk in een wet worden geregeld, maar ik wil minimaal dat er een AMvB wordt voorgehangen bij beide Kamers.

De heer Van Strien (PVV):

Voorzitter. Zeer veel dank voor de schriftelijke en mondelinge beantwoording van mijn vragen, zowel aan de staatssecretaris als aan zijn ambtenaren.

Ik heb nog één opmerking over de toezegging van de staatssecretaris om over een jaar het indirecte energiegebruik gemoeid met de productie van auto's, mee te nemen bij de evaluatie van de fiscale behandeling. De staatssecretaris verontschuldigt zich min of meer dat dit niet volgens Europese normen gaat. Ik zou willen benadrukken dat ik daar zeer beslist ook niet om heb gevraagd. Op dit punt ben ik waarschijnlijk ook de laatste in dit huis die daarom zal vragen. Nogmaals, dank voor de toezegging.

Mevrouw De Boer (GroenLinks):

Voorzitter. Dank aan de staatssecretaris voor de uitgebreide beantwoording, zowel vanmiddag als eerder op papier. Op een aantal onderwerpen zijn en blijven onze uitgangspunten andere dan die van het kabinet. Zo zouden wij graag zien dat Nederland wel voor de troepen uit gaat lopen bij de vergroening van de belastingen, en zijn wij van oordeel dat dit ook op een economisch verantwoorde manier kan gebeuren.

Ik dank de staatssecretaris voor het vrij uitgebreide schriftelijke antwoord op mijn vragen over het vestigingsklimaat. Uit deze beantwoording blijkt echter duidelijk dat ook hierin onze uitgangspunten verschillen. Als voorbeeld wil ik even citeren uit het antwoord: "Mevrouw De Boer verwees zelf naar het onderzoek van Deloitte, waar Nederland goed uitkomt." Die kwalificatie heb ik niet aan het onderzoek gegeven. Integendeel, ik vroeg en vraag me af of Nederland er niet té goed uitkomt. Vandaar ook mijn vraag over het belastingparadijs. Voor de GroenLinks-fractie is het geen vanzelfsprekendheid dat bedrijven fiscaal gepamperd worden. Wij mogen en moeten stevige belastingen heffen op ondernemingen. Dat ze die liever niet bestalen, lijkt me niet meer dan logisch. Dat ondernemingen aangeven dat ze de 30%-regeling hoog waarderen, verbaast me ook niet. Ik zie daarin eerlijk gezegd niet het door mij gevraagde inzicht in wat nou het precieze effect is van die 30%-regeling op het vestigingsklimaat. Iedereen die je vraagt of deze regeling bijdraagt aan het vestigingsklimaat, zal zeggen: ja natuurlijk werkt die mee. Dat is echter geen wetenschappelijke onderbouwing. Wij gaan het er nu niet over eens worden, en dat hoeft ook niet. Ik hoop wel dat ik met mijn uitgebreide serie vragen over het vestigingsklimaat heb bereikt dat de staatssecretaris er voortaan nog eens over nadenkt als hij die term gebruikt: wat wil ik nu precies bereiken met dat vestigingsklimaat, wat voor effect hebben maatregelen daarop en schieten we er niet te ver in door?

Ook over de vergroening van de belastingen gaan we het niet eens worden, ben ik bang. Ik ben wel blij met de toezegging van de staatssecretaris dat hij waar mogelijk de afschaffing van de belastingvrijstelling voor brandstoffen, scheepvaart en luchtvaart internationaal zal agenderen en bepleiten. Wij denken echter dat er meer kan gebeuren. Er is alle reden om zo snel mogelijk te gaan werken aan het afbouwen van de belastingvoordelen voor fossiele brandstoffen en het grootverbruik van energie, ook als we daarmee vooroplopen in Europa. Laten wij dan het land zijn met een wat ongunstiger vestigingsklimaat voor de gebruikers van veel of vervuilende energiebronnen en een gunstig klimaat voor innovatieve, duurzame ondernemingen.

Ik heb begrepen dat binnen Europa inmiddels de discussie is losgebarsten over de vraag of belastingfaciliteiten gezien moeten worden als milieuonvriendelijke subsidies volgens het genoemde stappenplan. Verschillende landen proberen met deze definitiediscussie onder de verplichting uit te komen om subsidies in de vorm van belastingvoordelen af te bouwen. Volgens de GroenLinks-fractie is het niet meer dan logisch dat alle financiële regelingen waarmee milieuonvriendelijk gedrag wordt ondersteund, onder het stappenplan moeten vallen. Het zou simpelweg niet te begrijpen zijn dat het geven van een subsidie er wel onder valt maar het toekennen van een belastingkorting niet, terwijl deze hetzelfde resultaat hebben. Ik hoop toch dat de staatssecretaris dit met mij eens is en zich er binnen Europa voor gaat inzetten dat ook heffingskortingen en andere belastingvrijstellingen onder het betreffende stappenplan gaan vallen.

Een paar woorden nog over het groen beleggen. Ik ben blij met de woorden van de staatssecretaris dat hij zich ervoor inzet, dat er beweging in zit en dat er hoop is op resultaat. Wij zullen er nog door hem over worden geïnformeerd. Ik verwacht van hem maximale inzet.

Ten slotte ben ik blij met de toezegging dat wij de notitie met een visie op de hypotheekrenteaftrek zullen krijgen, met verschillende scenario's en de opmerkingen van het kabinet bij die verschillende scenario's.

De heer Ester (ChristenUnie):

Voorzitter. Ik zal het kort houden. Allereerst wil ik collega Bröcker van harte feliciteren met zijn maidenspeech. Dank aan de staatssecretaris voor de beantwoording van de vragen. Ik heb veel respect voor de ambtelijke ondersteuning daarbij.

Ik wil mij concentreren op drie punten. Het eerste punt heeft betrekking op de innovatieregelingen. Ik had in mijn plenaire inbreng gevraagd naar een nadere reflectie van de staatssecretaris op het mattheuseffect. Voor degenen onder u die wat minder Bijbelvast zijn: het mattheuseffect wil zeggen dat de zegeningen steeds neerdalen op dezelfde groep. In dit geval heb ik het vermoeden dat veel bedrijven die toch al erg innovatief zijn, gebruik zullen maken van die innovatieregelingen. In dat kader verwijst de staatssecretaris naar evaluaties die komen in – ik heb de jaren opgeschreven – 2012, 2013 en 2016. Dat vind ik eerlijk gezegd niet zo overtuigend. Ook in het verleden is er onderzoek gedaan naar innovatieregelingen. Mijn fractie zou graag willen weten of de ervaringen die daarbij zijn opgedaan, verwerkt zijn in de nieuwe fiscale innovatieregelingen. Met name heb ik de vraag hoe die regelingen zich positioneren tegenover het mkb en of die regelingen ook die bedrijven zullen bereiken die innovatie juist het hardst nodig hebben, en dat zijn er nogal wat.

Mijn tweede punt heeft betrekking op de kindregelingen. Ik ben blij met de motie van mevrouw Sent daarover. Het blijkt dat we de visie op het evenwicht tussen de verschillende regelingen en de integratie daarvan tegemoet kunnen zien in, naar ik begrepen heb, het voorjaar van 2012. De staatssecretaris neemt in feite nu al een voorschot op die discussie en gaat een aantal van die regelingen wat hij noemt "vereenvoudigen". Voor mijn fractie is dat verhaal toch moeilijk te duiden, omdat de visie ontbreekt die daarachter zit en die hij gaat ontwikkelen samen met zijn collega van Sociale Zaken. Dat is wat wij "salamitactiek" noemen en dat maakt het moeilijk om er van onze kant een evaluatie van te geven. Ik wil de staatssecretaris toch uitdagen om op dat punt wat meer het achterste van zijn tong te laten zien.

Het derde en wat mij betreft laatste punt is het vitaliteitspakket. Wij vroegen de staatssecretaris hoeveel mensen daar gebruik van zullen maken, hoe effectief dat dan zou zijn en of hij dat kan inschatten. In zijn beantwoording kwam de staatssecretaris met de inschatting dat 1 miljoen personen daaraan zullen participeren. Waar dat getal op gebaseerd is, is niet duidelijk geworden, althans niet uit de beantwoording. Het getal suggereert een zekere precisie. Ik zou toch graag willen weten waar dat getal nu precies op gebaseerd is. Hetzelfde geldt voor de werkbonus. Daarvan zegt de staatssecretaris dat het moeilijk is om een inschatting te geven. Dat begrijp ik natuurlijk ook wel, maar hij komt met die regeling, dus hij heeft in ieder geval een vermoeden, een vooronderstelling van wat de effectiviteit ervan zou kunnen zijn. Die schat hij kennelijk hoog in, anders was hij niet met die regeling gekomen. Hij belooft ons dat een evaluatie is voorzien in – ik dacht eerst dat ik het verkeerd las, maar ik las het goed – 2019. Dat lijkt mij wat ver weg, voorzitter.

De heer Bröcker (VVD):

Voorzitter. Ook van mijn fractie hartelijk dank aan de staatssecretaris en zijn ambtenaren voor de buitengewoon productieve weken die we gehad hebben. Dank ook dat de staatssecretaris specifiek is ingegaan op het punt van mijn fractie en ook van andere fracties rond de spreiding van wetgeving.

Ik gaf in eerste termijn al aan dat ik onderken dat er knelpunten zijn. Ik denk dat de staatssecretaris zich inderdaad tot het uiterste inzet in het komende jaar om toch wat meer spreiding te krijgen. Dan ben ik met name geïnteresseerd in de dynamiek die we misschien kunnen gaan creëren rond de fiscale agenda. Dat is een punt dat we, denk ik, met de Tweede Kamer en met de Eerste Kamer toch een beetje moeten regisseren. De Tweede Kamer bespreekt het, geloof ik, pas eind januari. Wij volgen de Tweede Kamer daarin, maar ik wil er toch een nadrukkelijk verzoek voor doen.

Ik heb begrepen dat de verzamelwet een onderwerp is dat al heel lang bestaat en ik dank de staatssecretaris voor zijn antwoord. Ik begrijp ook de theorie. De frustratie blijft een beetje en ik sluit niet uit dat we daar volgend jaar misschien weer over mopperen.

Even over de fiscale agenda en de verkenningen. De staatssecretaris heeft aangegeven dat de verkenning van de winstbox in het voorjaar wordt gestart. Dan zal die waarschijnlijk ergens voor de zomer onze Kamer bereiken. Ik heb niets gehoord over de verkenningen rond de uniformering van de btw en de vraag hoe hij op dat gebied stapjes wil zetten om tot een zekere uniformering te komen. Misschien kan hij bij zijn stappen in de richting van een meer uniform btw-tarief ook enkele van de suggesties meenemen die de heer Van Boxtel heeft gedaan.

Het fiscale instrument innovatie gaat in de komende jaren oplopen naar 2 mld. Dat is veel geld. Ik denk dat het op zich een uitstekend middel is als je kijkt naar het vestigingsbeleid. Ik ben het met mevrouw De Boer eens dat er nogal wat lijstjes circuleren. Iedereen heeft toch de neiging om te gaan shoppen in die lijstjes. In het algemeen kun je zeggen dat Nederland het niet slecht doet in de lijstjes, maar ik wil ook zeggen dat elk lijstje slechts een relatieve positie van Nederland aangeeft. We moeten niet onderschatten wat er om ons heen gebeurt, niet alleen in Europa, maar wereldwijd, als je praat over het vestigingsklimaat. En dan bedoel ik even het vestigingsklimaat in de breedte, en niet alleen het fiscale klimaat. Dat is toch een zaak waar we heel veel aandacht aan zullen moeten blijven besteden. Mogelijk dat de staatssecretaris of de minister van EL&I met wat betere maatstaven kan komen?

Over maatstaven gesproken, er gaat een hoop geld om in innovatie. Daar zit een hoop fiscale uitgaven in. De heer Ester heeft al verwezen naar het mattheuseffect. De staatssecretaris zelf noemt het in zijn beantwoording een dead weight loss. Ik weet niet of dat aansluit bij de opmerkingen over obesitas die door anderen gemaakt zijn, maar in ieder geval is het een onderwerp dat ook de aandacht van mijn fractie heeft. We gaan straks de WBSO evalueren. De Algemene Rekenkamer heeft een vrij kritisch rapport uitgebracht over de meetbaarheid van de effectiviteit van subsidies. Ik vraag er nadrukkelijk aandacht voor om te bezien of we tot een iets betere outputmeting kunnen komen. Dat zal, wat mijn fractie betreft, toch een coproductie moeten zijn tussen het ministerie van Financiën en het ministerie van EL&I, waarbij men gezamenlijk heldere en meetbare doelstellingen formuleert. Ik denk dat men bij het meten mee zou kunnen nemen de verdeling van de gelden tussen het mkb en het grotere bedrijfsleven, maar ook het punt dat aan de orde kwam in de discussie tussen de staatssecretaris en de heer Van Boxtel, de groene innovatie. Ik denk dat daar een heel groot stuk in zit. Het zou goed zijn als we daar wat meer zicht op kregen. Ik denk dat dit ook de regering van dienst is, als je praat over de groene agenda.

Wat de autobrief betreft, heb ik in eerste termijn al aangegeven dat er goede stappen zijn gezet. Ik zou bij vervolgstappen in de toekomst de opmerkingen van de heer Van Strien willen meenemen over de effectiviteit van die regeling. Nu is er een koppeling aan de CO2-uitstoot, maar dat is eigenlijk maar één element als je praat over milieubelasting. Er zijn heel veel ontwikkelingen op dat gebied. Ik vraag de staatssecretaris dat kritisch te blijven volgen.

De Geefwet. Dank voor de toezegging, ik heb dat al bij interruptie gezegd. Er zitten heel veel goede elementen in. Het is een complexe regeling geworden. Uitleg naar het veld is prima, maar ik wil de staatssecretaris toch ook vragen om te blijven werken aan vereenvoudigingen. Ik weet dat dit in het hele maatschappelijke veld in Nederland een heet dossier is, maar ik zou dat toch voor de toekomst willen bepleiten.

Verder heb ik in eerste termijn al aangegeven dat mijn fractie de plannen in de wetsvoorstellen van de staatssecretaris uiteraard zal ondersteunen.

De heer Van Boxtel (D66):

Voorzitter. Dit debat zal in mijn herinnering toch beklijven als dat over het cavia- en konijntarief in de btw-heffing. Ik hoorde mevrouw Sent net bij een onderwerp roepen "it takes two to tango". Mijn recente ervaring in de Eerste Kamer heeft die uitspraak inmiddels doen veranderen in "it takes thirty-eight to tango". Dat zien wij hier op een aantal onderdelen ook terugkomen.

Ik dank de staatssecretaris en zijn toegewijde ambtenaren, die daar ook al heel lang zitten, voor de uitvoerige beantwoording. Ik ga het kort houden. Ik zie uit naar de voortgangsinformatie over groen beleggen, zoals de staatssecretaris die heeft toegezegd. Ik herhaal wat de heer Bröcker zei, namelijk: pak echt de handschoen op, want wij hebben ieder privaat kapitaal nodig om stappen verder te komen. Het kabinet zou in deze tijd echt niet goed bezig zijn als het die handreiking niet doet. Probeer die 1,9% fiscaal voordeel veilig te stellen.

Ik ben blij met de toegezegde evaluatie van de Geefwet. Zoals bekend, houden wij nog voor de zomer een beleidsdebat over het bredere cultuurbeleid. Ik mag hopen dat wij dan al wat informatie, ook van de kant van de staatssecretaris, kunnen krijgen. Wat betreft mijn pleidooi om kansen en doorgroeimogelijkheden te bieden om jong talent op het podium te krijgen in theaters, ben ik ontzettend blij dat de staatssecretaris zegt met zijn collega van OCW te gaan kijken of zij optreden in theaters voor scholen, klassen, onder een btw-vrijstelling kunnen laten vallen. Dat zou ik echt zeer waarderen. Dat is een klein begin. Als hij mij een genoegen zou willen doen – ik wacht zijn antwoord in tweede termijn af – zou hij proberen om die mogelijkheid ook open te stellen voor studentengroepen. Dan hebben wij het over middelbare scholen en studenten. Ik weet zeker dat wij dan een podium kunnen bieden aan mensen die nu in die theaters heel moeilijk aan de bak komen. Als de staatssecretaris die handreiking zou willen doen, denk ik dat wij echt heel ver komen. Als hij daarop ja zegt, geloof ik de Belastingdienst als die zegt: leuker kunnen wij het niet maken.

De voorzitter:

Ik zie dat de staatssecretaris om een korte schorsing vraagt om zich voor te bereiden.

De vergadering wordt van 19.00 uur tot 19.15 uur geschorst.

Staatssecretaris Weekers:

Voorzitter. Ik dank de fiscaal woordvoerders hartelijk voor hun inbreng, in eerste en tweede termijn en ook al daarvoor schriftelijk. Ik dank ze ook voor de voortvarende wijze van behandeling van zo verschrikkelijk veel fiscale wetten. Ik dank de woordvoerders ook voor de complimenten die zij hebben uitgedeeld aan mijn ambtenaren. Dat is een heel groot team mensen dat echt dag en nacht heeft doorgewerkt, ook afgelopen nacht weer, om ervoor te zorgen dat er onder meer vanmorgen alweer een brief hier kon liggen opdat wij ons ook nog enigszins konden houden aan de tijd.

Dat brengt mij inhoudelijk op mijn dupliek. Ik loop de diverse sprekers langs. Jammer genoeg heb ik mevrouw Sent niet kunnen overtuigen van de wenselijkheid om een grote streep te zetten door 7 van de 22 rijksbelastingen, namelijk allerlei belastingen met een kleine budgettaire omvang. Je kunt natuurlijk zeggen dat als je die zeven bij elkaar optelt, je toch nog tot een substantieel bedrag komt. Voor elke belasting moet echter een apart team klaarstaan. Daar moet de informatisering op zijn ingericht et cetera. Als ik moet kiezen tussen wat grotere, robuustere belastingen en een hele set aan allerlei budgettair kleine belastingen die ooit in het leven zijn geroepen vanwege de neveneffecten, kies ik voor de robuuste belastingen die op een efficiënte en ook faire manier de schatkist vullen om van daaruit de publieke voorzieningen te bekostigen.

Ik wil dat nu niet heroverwegen. Ik ben blij als ik een streep kan zetten door die kleine belastingen. Ik ben niet bereid, zo zeg ik in antwoord op een vraag van mevrouw Sent, om een streep te zetten door de loonheffing, want dat is nu net een van de slagaders van de overheidsfinanciering.

Mevrouw Sent (PvdA):

De voorzitter kijkt mij heel boos aan, maar ik wil toch nog even iets zeggen.

De voorzitter:

Ik kijk lief.

Mevrouw Sent (PvdA):

O, u keek lief. Sorry. Dat heb ik niet goed begrepen.

Ik wil toch nog even de cijfers die ik in mijn eerste termijn noemde in herinnering brengen. De inningskosten voor de belastingen op grondwater, leidingwater en niet-alcoholische dranken bedragen bij elkaar 1,7 mln. Dat is 0,37% van de opbrengst en daarmee drie keer zo laag als het gemiddelde op alle belastingen. Hoe kan de staatssecretaris dan toch aan dat argument van inningskosten vasthouden?

Staatssecretaris Weekers:

Als je geen specifieke uitvoeringskosten hebt, maar je de belastingopbrengsten kunt laten meelopen met andere, grotere belastingen met een breed fundament, dan is dat laatste altijd goedkoper. Als wij belastinginkomsten missen, kunnen wij die beter laten meelopen via de loonheffing of via de btw dan door allerlei nieuwe of bestaande kleine belastingen in leven te houden.

Mevrouw Sent maakt zich zorgen over de complexiteit van de Geefwet. Ik denk dat die op zichzelf wel meevalt. Ik heb desalniettemin de heer Essers en de heer Bröcker, net als mevrouw Sent, toegezegd dat ik, waar ik mogelijkheden zie om de complexiteit op een eenvoudige manier uit de doeken te doen aan de burgers die gebruikmaken van geeffaciliteiten dan wel aan culturele instellingen, culturele anbi's, die gebruik willen maken van andere faciliteiten die ik in het kader van de Geefwet heb gecreëerd, ik dat natuurlijk zal doen. Ik zal dat op een zo eenvoudig mogelijke manier uiteenzetten. Ik blijf ook in de komende tijd openstaan voor suggesties voor versimpeling.

Nu heeft mevrouw Sent nog gewezen op een zekere inconsistentie, waar zij zegt dat wij eigenlijk af willen van fiscaal instrumentalisme en toch met een nieuw instrument komen. Dat klopt, dat geef ik hier ook ruiterlijk toe. Dat is simpelweg vanwege het feit dat het gerechtvaardigd is om het nieuw ingezette beleid ten aanzien van de cultuursector die veel meer op eigen benen moet staan te voorzien van flankerend beleid. Dat doen wij enerzijds door het mogelijk te maken dat men zich veel meer kan ontplooien als cultureel ondernemer en dat belemmeringen worden weggenomen, en anderzijds dat men de relatie met burgers en bedrijven – ook de financiële relatie – kan verstevigen. Van alle goede doelen profiteert de culturele sector op dit moment echt het minst van giften en dus ook van giftenaftrek. Laat de Geefwet en ook de fiscale multiplier nu net een steuntje in de rug geven aan deze sector. Ik verwacht daar geen grote wonderen van; ik geloof niet in wonderen, maar ik denk wel dat alle beetjes helpen. Als ik met een aantal partijen in de culturele sector praat, zeggen zij dat het erg belangrijk is dat het gebeurt. Zij hadden liever gezien dat de oorspronkelijke multiplier erin was blijven staan en dat die niet was afgetopt naar aanleiding van een amendement van de Tweede Kamer. Ik zou zeggen: laten wij het betere niet de vijand van het goede verklaren en laten wij dan toch in elk geval deze Geefwet meegeven aan de culturele sector als steuntje in de rug.

Dan de zorgwoco's, waarover niet alleen mevrouw Sent maar ook de heer Essers nog vragen heeft gesteld. Hoe verhoudt dit zich nu met de moties-Groot/Omtzigt en -Monasch/Van Bochove? Die moties gaan wij natuurlijk gewoon uitvoeren. Laat daarover geen misverstand bestaan. De inventarisaties, de visies die daar gevraagd worden komen er gewoon. Maar dat staat volgens mij volstrekt los van het Vpb-plichtig maken van zorgwoco's, waartoe het vorige kabinet ook al had besloten en wat per 1 januari 2008 is ingegaan, maar waarop enkelen nog even een tijdelijke uitzondering maken. De heer Essers heeft mij gevraagd in hoeverre er concurrentie is van andere aanbieders. Ik heb hier niet op een geaggregeerd niveau allerlei marktcijfers, maar ik heb wel een voorbeeld. Ik kan daarbij natuurlijk niet in detail treden, simpelweg vanwege het feit dat de geheimhoudingsplicht uit artikel 7.6 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen zich daartegen verzet. Er is een grote woningcorporatie in het bezit van zorgvastgoed, waarvan de omvang overeenkomt met een zorgcorporatie uit de top vijf. Die woningbouwcorporatie betaalt wel Vpb maar de zorgcorporaties in de top vijf betalen geen Vpb.

Daarnaast is het zo dat de groei van de vraag naar ouderenhuisvesting ook tot meer interesse van beleggers en andere partijen in de verhuur van zorgvastgoed uitnodigt. Ik hoef hierbij maar te verwijzen naar een bron van een private partij waar vroeger de heer Bröcker nog aan verbonden was.

De heer Van Boxtel (D66):

Dit onderwerp is door de heer Essers en anderen uitvoerig naar voren gebracht. Ik heb mij daar weinig mee bemoeid. Ik neem onmiddellijk voor waar aan wat u nu aan feiten geeft. De waarschuwing die ik u wil meegeven is dat het bij diegenen uit de markt die vooral geïnteresseerd zijn om te investeren vaak gaat om de happy few en niet om de grote groepen die ook in de instellingen zitten waarover de heer Essers het had. Los van een waardeoordeel geef ik u dit toch even mee opdat u dit mede in ogenschouw neemt.

Staatssecretaris Weekers:

Natuurlijk. Bovendien zitten wij op dit moment in een niet al te rooskleurige tijd voor de hele vastgoedsector, dus die opmerking neem ik zeer ter harte. Maar waar het mij om gaat is dat je partijen die met een vergelijkbare portefeuille in concurrentie treden met elkaar, ook fiscaal gelijk moet behandelen. Dan kan het niet zo zijn dat je zegt: er zijn er een paar die een paar jaar geleden bij de introductie van de Vpb-plicht voor woningbouwcorporaties mazzel hebben gehad, wat wij nog een paar jaar hebben uitgesteld. Ik heb een hele lijst wanneer zij allemaal zijn gewezen op het feit dat zij wel Vpb-plichtig zouden zijn. Dus zij konden daar allemaal ook op rekenen. Ik ben niet van plan om daaraan nog langer uitstel te verschaffen, simpelweg omdat ik dan de concurrentie blijf verstoren. Dat lijkt mij niet wenselijk.

De heer Essers heeft gevraagd of er dan geen vaststellingsovereenkomsten zijn. Deze corporaties is iets in het vooruitzicht gesteld en dat voordeel zouden zij blijven houden. Mij zijn niet dat soort vaststellingsovereenkomsten bekend. Ik heb het een- en andermaal laten natrekken naar aanleiding van de opmerkingen van de heer Essers. Mij zijn ze in elk geval niet bekend. Het beleidsbesluit van mijn ambtsvoorganger is in het najaar van 2009 is uitgevaardigd en er zijn brieven gestuurd naar elke instelling. Dan kan het niet als verrassing komen dat zij nu dus ook echt moeten gaan betalen.

De heer Essers (CDA):

Dank voor dit antwoord. Ik zit toch nog even met de vraag over het foutje van de inspecteur. Is er nu wel of niet sprake geweest van een beleid? Mijn informatie is dat er toch al heel lang van artikel 5.1c inzake vrijstelling gebruik is gemaakt door zorgwoningcorporaties. Hoe zit het nu? Is er nu een individuele vergissing gemaakt, die volgens mij heel gemakkelijk hersteld kan worden? Of was het toch op meerdere plekken een beleid om die vrijstelling te continueren?

Staatssecretaris Weekers:

Hoe dan ook, je hebt bij die zorgwoco's een gedeelte dat het destijds voor elkaar heeft weten te krijgen bij een inspecteur, op basis van een bepaalde argumentatie, om onder de vrijstelling te vallen. Wat mij wordt meegegeven, is de vraag of deze instellingen zich voordien ook al kwalificeerden voor dit bepaalde artikel in de Vpb. Eigenlijk is die vraag irrelevant, want alle woco's hadden in een verder verleden een vrijstelling. Daar is alleen op enig moment verandering in gekomen. Toen die verandering intrad, hebben sommigen gezocht naar wegen om toch die Vpb-plicht te ontlopen. Dat is een beperkte groep destijds gelukt, een andere groep niet, die betaalt gewoon Vpb, en er is een groep waarvan de zaak is aangehouden. Mijn ambtsvoorganger is duidelijk geweest in een beleidsbesluit, dat er geen sprake kan zijn van een vrijstelling. Maar desondanks is wel voorzien in een bepaalde overgangsperiode. Vorig jaar heb ik hier in deze Kamer ook nog bewilligd in een verlenging van die overgangsperiode met een jaar. Wat mij betreft is het nu ook wel schluss.

De heer Essers (CDA):

Dat is helder, maar er is dus wel sprake geweest van een bepaalde periode waarin deze corporaties waren vrijgesteld. Nu gaat dat dan veranderen. Er komt nog een evaluatie waar wij heel nadrukkelijk naar zullen kijken, evenals naar deze situatie. Wat ik nu nog aan de staatssecretaris wil vragen is of hij, net als dat het geval is geweest met de andere woningcorporaties, ook met deze specifieke zorgwoningcorporaties een vaststellingsovereenkomst wil gaan sluiten, want het ontstaan van belastingplicht leidt tot allerlei complicaties. Net als destijds door de motie die mijn naam heeft gekregen is afgesproken dat de fiscus zich daarbij constructief en redelijk zal opstellen, verzoek ik de staatssecretaris om dezelfde houding te betrachten ten aanzien van de zorgwoningcorporaties.

Staatssecretaris Weekers:

Dat zeg ik graag toe. Het is namelijk niet eenvoudig om een openingsbalans op te stellen en om daarover overeenstemming te krijgen met de Belastingdienst. Dat is destijds ook gebeurd met de gewone corporatiesector. Dat zal ik in gang zetten.

Mevrouw Sent en anderen zijn ingegaan op het groen beleggen. Mevrouw Sent noemde volgens mij een daling van 15%. Er circuleerden cijfers van de Nederlandse Vereniging van Banken. Ik kan niet verifiëren of dit getal klopt. Ik heb nog geen grondige evaluatie van wat de afbouw van de heffingskortingen in het groen en andersoortig maatschappelijk beleggen precies doet met dit soort fondsen. Daar heb ik dus nog geen betrouwbare informatie over. Desondanks heb ik toegezegd dat ik mij buitengewoon constructief opstel om tot overeenstemming te komen. Ik heb in mijn eerste termijn aangegeven onder welke voorwaarden ik dat doe.

Ik heb de heer Van Boxtel aangegeven dat ik de Kamer eind volgende week nog even een voortgangsbrief stuur in de hoop dat we er dan uit zijn. Dan is dit dossier namelijk gesloten en dan kunnen de fondsen weer volledig open. Indien we er nog niet uit zijn, kan de voortgangsbrief wellicht nog wat extra druk zetten op de diverse partijen om alsnog tot een constructieve oplossing te komen. Volgens mij luistert iedereen dan heel goed mee, zodat iedereen dan weet dat de verantwoordelijkheid moet worden genomen. Ik doe dat in ieder geval op mijn terrein.

Mevrouw Sent heeft een motie ingediend om de vrijstelling kindertoeslag in box 3 pas een jaar later af te schaffen. Ik ontraad deze motie met klem. Als de motie namelijk zou worden uitgevoerd, dan zou dat een budgettair gat slaan van 25 mln. In de sfeer van kindregelingen hebben we deze regeling afgeschaft. Het is een extra voordeeltje van € 33 in box 3 voor mensen met kinderen. Dat hebben we afgeschaft. Van dat extra voordeeltje en de hogere vrijstelling is het nooit de bedoeling geweest dat mensen daardoor meer vermogen konden hebben samen met hun kinderen en toch in aanmerking konden komen voor de huurtoeslag. Daarom hebben we de vrijstelling geschrapt en het geld dat daarmee was gemoeid overgeheveld naar de inkomensafhankelijke combinatiekorting. Het blijft dus in de kindregelingen. Het zou dus een beetje vreemd zijn om dit nu alsnog overeind te houden voor een doelstelling die nooit zo bedoeld was en om vervolgens te worden geconfronteerd met een budgettair gat.

Mevrouw Sent (PvdA):

Het is niet onze intentie om die regeling niet in te voeren, maar wij vinden het onbehoorlijk bestuur om die regeling nu in te voeren en de burgers tot 1 januari de tijd te geven om hierop te reageren. Zij krijgen hiermee onvoldoende tijd. Het argument dat zij hierover zijn ingelicht gaat niet op, want wij debatteren er nog over. In het kader daarvan vinden wij het wenselijk dat er een uitstel van een jaar komt.

Staatssecretaris Weekers:

Dat kost dan toch 25 mln. als de motie zou worden uitgevoerd. We hebben namelijk vorig jaar in de Kamer geleerd dat ik wel een begunstigend beleidsbesluit kan nemen om burgers of het bedrijfsleven wat later met een belastingwet te confronteren, maar ik kan het komende jaar niet de combinatiekorting met 25 mln. korten. Dan blijf ik dus met een budgettair gat zitten. Verder ben ik het niet eens met het argument van mevrouw Sent voor uitstel van een jaar. Burgers zijn er namelijk wel degelijk op gewezen, niet in een persoonlijke brief, maar wel via de nieuwe website van Toeslagen. Mensen hebben vorige week of deze week allemaal een brief gekregen waarin staat hoe hun toeslag er voor volgend jaar uitziet en anders krijgen ze die volgende week. Hierin wordt alle mensen gevraagd eens te kijken naar de nieuwe website Toeslagen die ik vorige week in Utrecht heb mogen lanceren.

Ik ben het niet eens met de bewering van mevrouw Sent dat je hierop heel wat keren moet doorklikken en dat het niet te vinden valt. Toen mevrouw Sent het erover had, heb ik even op de iPad, die inmiddels breed wordt gebruikt in dit huis, www.toeslagen.nl ingevuld en mijn oog viel meteen op de zinsnede "vermogenstoets huurtoeslag met minderjarige kinderen wijzigt". Dat staat rechtsonder. Misschien is de oriëntatie van mevrouw Sent meer links georiënteerd. Ik wil het wel laten verplaatsen. Het valt dus onmiddellijk op. Je drukt dan op de knop "lees verder". Daar staat heel helder wat er gaat gebeuren. Ook staat er dat deze maatregel voortvloeit uit het Belastingplan. "Dit is inmiddels aangenomen door de Tweede Kamer, maar treedt pas in werking als de Eerste Kamer het plan goedkeurt. De Eerste Kamer vergadert hierover medio december." Volgens mij is dat informatie die volstrekt klopt. Verder is het geen bruuskering van de Eerste Kamer, want het staat de Kamer vrij om het plan af te keuren en dan gaat het niet door. Zo simpel is het. De Kamer stemt er volgende week over.

Dat ik het zo op de website heb gezet zonder dat het Belastingplan door de Eerste Kamer is aanvaard, is op uitdrukkelijk verzoek van de Tweede Kamer. Die vroeg mij namelijk om niet te wachten tot de behandeling heeft plaatsgevonden in de Eerste Kamer, maar om het er nu al op te zetten. Ik meen dat ik daarmee het maximale heb gedaan om mensen hierop te wijzen. Mensen hoeven de centen niet van de spaarrekening van de kinderen te halen, want ze kunnen het ook van hun eigen spaarrekening halen. Het gaat niet om veel mensen. Zij hebben bovendien allemaal de gelegenheid om hierop in te spelen. Van deze extra vrijstelling voor wat spaarcentjes voor de kinderen is nooit de bedoeling geweest dat mensen hierbij huurtoeslag zouden krijgen. Je kunt ook zeggen dat ze al die jaren geluk hebben gehad.

Mevrouw Sent (PvdA):

Begrijp ik uit het antwoord van de staatssecretaris dat 200.000 mensen de website hebben bezocht? Mag daaruit worden geconcludeerd dat het breed bekend is dat er een voornemen is om deze maatregel in te voeren?

Staatssecretaris Weekers:

De website is vorige week gelanceerd. Die is inmiddels inderdaad al heel veel bezocht. Ik ga ervan uit dat hij nog veel en veel meer bezocht zal worden, ten eerste als mensen de brief krijgen van de Belastingdienst Toeslagen waarin staat wat volgend hun nieuwe toeslag zal zijn in het kader van het automatisch continueren en ten tweede als mensen op hun bankafschrift zien dat er een andere toeslag is. Dan zullen ze vervolgens ook de website bezoeken of de Belastingtelefoon bellen. Ik kan echter natuurlijk nooit garanderen dat de naar schatting 1000 mensen die last hebben van deze concrete maatregel ook deze website hebben bezocht. Dat zal ik niet beweren en kan ik ook niet garanderen.

Mevrouw Sent (PvdA):

Als de website vorige week is gelanceerd, blijkt daar dan uit dat mensen voldoende voorbereidingstijd hebben gehad? Er wordt op 1 januari namelijk al naar het vermogen gekeken. Dat is ook iets nieuws, waar ze nog niet eerder mee zijn geconfronteerd op hun belastingaangifte. Dit jaar is de peildatum voor vermogens in box 3 voor het eerst 1 januari. Kan daaruit worden geconcludeerd dat zij voldoende voorbereidingstijd hebben voor deze maatregel?

Staatssecretaris Weekers:

Ik zal het verhaal dan nog completer vertellen. Deze nieuwe website is gemaakt in verband met het nieuwe toeslagensysteem. Met name de heer Essers heeft daar vragen over gesteld. Dat nieuwe toeslagensysteem is vorige week met veel aplomb gepresenteerd. Ook televisiezenders hebben er aandacht aan besteed. Daardoor ga ik ervan uit dat mensen, als ze al ooit op een website kijken, dat vooral nu doen, ook in verband met het feit dat de toeslagen automatisch worden gecontinueerd. Ook daarvoor hadden we een website voor Toeslagen. Daarnaast heeft de Belastingdienst een eigen website. Daar heeft het op gestaan vanaf het moment dat de Tweede Kamer mij heeft gevraagd om het erop te zetten. Het staat er dus al even op. In elk geval heb ik gedaan wat in mijn vermogen ligt om mensen voor te lichten. Ik kan niet uitsluiten dat er misschien toch nog iemand tussen wal en schip terechtkomt, maar als mevrouw Sent dat wil voorkomen, kost dat 25 mln. En dat is dan voor een groep die eigenlijk een voordeeltje kwijtraakt dat nooit zo bedoeld was.

De heer Reuten heeft een paar punten gemaakt. Ik zal niet alles herhalen wat hij heeft geconcludeerd. Ik zeg hem natuurlijk graag het briefje toe over de conjunctureel stabiliserende of destabiliserende werking van de verschillende vormen van belastingheffing, van de belastingmix.

Ik bevestig andermaal dat het kabinet zich verzet tegen directe eurobelastingen.

De heer Reuten heeft ook gevraagd naar belastinguitgaven in plaats van subsidies. Hij heeft mij gehoord: ik heb in de regel liever een belastinguitgave dan een subsidie. Niet altijd. De heer Reuten merkte op dat de overheid daardoor slanker oogt dan voorheen en vroeg mij hoe ik daartegen aankijk. Ja, de overheid oogt daardoor slanker, maar dat is natuurlijk gezichtsbedrog. Als er namelijk sprake is van een belastinguitgave en heel veel belastingambtenaren bezig zijn met de uitvoering daarvan, dan kan dat ook een vorm van subsidie zijn. In elk geval is de overheid dan bezig om zich ermee te bemoeien. Als ik moet kiezen tussen belastinguitgaven of lage tarieven, dan kies ik in de regel liever voor lage tarieven.

De heer Reuten (SP):

Ik vind het fijn dat we het eens zijn.

Staatssecretaris Weekers:

Bij dezen.

De heer Reuten heeft ook gevraagd naar de top 10% in de inkomensverdeling die bijna 30% van het inkomen geniet. Hij vroeg of een liberaal tegen kennisverspreiding kan zijn. Nee, een liberaal kan nooit tegen kennisverspreiding zijn. Het kabinet is ook niet tegen kennisverspreiding. De vraag is alleen welke categorieën je er in de koopkrachtplaatjes nog wel en niet bij wilt hebben. Daarvan heb ik gezegd dat het een discussie is die primair op het bordje ligt van mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid. Ik wil het niet uit de weg gaan; de heer Reuten kent mij als iemand die informatie geeft als hem daarom wordt gevraagd. De heer Reuten heeft gisteren ook gezegd dat als dit ertoe moet leiden dat een ambtenaar nog moet overwerken en hem 's avonds laat moet bellen, dit ook gebeurt. Ook in het kader van de schriftelijke voorbereidingen heb ik de heer Reuten veel informatie verschaft. Ik heb ook informatie verschaft buiten het formele circuit om. Als ik informatie kan delen, doe ik dat dus graag, maar ik begeef mij niet op het terrein van de collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid om de koopkrachtdiscussie van nieuwe dimensies te voorzien. Als de Kamer dat wel graag wil, moet zij dat doen met mijn collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

De heer Reuten (SP):

Ik heb alle waardering voor de informatie die de ambtenaren van de staatssecretaris geven, maar dit gaat over iets anders. Dit gaat over publicaties van het Centraal Planbureau. Die zijn echt anders dan de publicaties van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, want er zijn verschillende steekproeven gebruikt. Het CPB heeft zijn eigen steekproef. De twee onderzoeken zijn echt anders, dus SZW gaat hier niet over. Wie er wel zijdelings over gaat is de minister van EL&I, maar ik neem aan dat de staatssecretaris een betere lijn met hem heeft dan ik. Ik vraag de staatssecretaris dus met klem om de minister van Economische Zaken of het kabinet te overreden om aan het CPB te vragen om een regeltje in de tabellen toe te voegen, namelijk vierenhalf of vijfmaal modaal. Dat is niet heel veel moeite voor het CPB. Het kost één regel meer inkt ...

De voorzitter:

Mijnheer Reuten, ik vind het eigenlijk zonde van onze tijd om hierover bezig te blijven. Is het niet veel handiger als wij zelf een briefje naar de minister van Economische Zaken te sturen met dit verzoek in plaats van de staatssecretaris als loopjongen te gebruiken?

De heer Reuten (SP):

Dat is ook goed.

De voorzitter:

Oké, dan doen wij het zo.

Staatssecretaris Weekers:

Voorzitter. Ik ga verder met de vragen van de heer Essers. Ik bedank hem voor zijn waardering. Wij hebben het al gehad over de Geefwet en de maximale voorlichting. Wij hebben het ook gehad over de herwaardering en de verliesverdamping. Wij zijn op zekere hoogte tot elkaar gekomen, maar niet helemaal. Misschien zal de rechtspraak hier nog een ander licht op werpen.

Rust in de vennootschapsbelasting zou mij een lief ding waard zijn. Dat heb ik ook gezegd en geschreven. Als fiscale trapezewerkers echter steeds opnieuw proberen om een gaatje te vinden om maar geen belasting te hoeven betalen, word ik wel gedwongen tot reparatiewetgeving. Wij hebben het gehad over de zorgwoco's. In de sfeer van de Vpb zijn er allerlei renteaftrekmogelijkheden c.q. -beperkingen. Na het Bosal-arrest is de "thin capitalisation"-regeling ontstaan. Die blijkt uiteindelijk toch minder robuust dan wij hadden gedacht. Er wordt buitengewoon creatief mee omgesprongen door de slimste fiscalisten ter wereld, die kantoor houden in ons land. Dit alles leidt ertoe dat wij van tijd tot tijd zaken verder moeten repareren.

Laat wat ik heb gedaan, illustratief zijn voor hoe ik wil werken. Ik ben met een overnameholdingbepaling gekomen om excessieve renteaftrek op dat gebied tegen te gaan. Deze stond in het wetsvoorstel. De NOB is bij mij geweest en ik heb gesproken met heel slimme fiscalisten. Zij hebben mij verteld dat er enerzijds sprake van overkill is als ik het doe op de manier die ik heb voorgesteld, en dat wij anderzijds toch nog het risico lopen dat er wegen worden gezocht om eronderuit te komen. Zij hebben mij mede geholpen met een alternatief. Het kan als volgt werken. Wij dienen politiek te bepalen wat wij willen en wat wij wel en niet goed vinden. Daarna gaan wij in overleg met onze wetgevingsjuristen, de mensen van de Belastingdienst die aan de ene kant staan en de fiscalisten die aan de andere kant staan, maar over heel veel kennis beschikken en weten hoe de zaak in elkaar steekt. Wij moeten deze kennis bundelen om tot wetgeving te komen die hopelijk wat langer standhoudt.

Op die manier wil ik liefst ook het Bosal-gat verder aanpakken, maar dat is nog niet zo eenvoudig. Er bestaan opvattingen in het topteam hoofdkantoren, bij VNO-NCW en bij de collega van EL&I. Wij moeten komen tot iets wat houdbaar is en wat door iedereen als fair wordt ervaren. Zolang er een verschil is tussen de fiscale behandeling van eigen vermogen en die van vreemd vermogen en er dus een prikkel in het systeem zit tot financiering door vreemd vermogen, blijft de drang bestaan om van dat fiscale voordeel gebruik te maken of een fiscaal nadeel te ontwijken. Jammer genoeg zie ik weinig tot geen mogelijkheden om tot een echt gelijke behandeling van eigen en vreemd vermogen te komen binnen de uitgangspunten van het regeer- en gedoogakkoord, grondslagverbreding en tariefsverlaging. Een notionele interestbeperking en de ideeën die in het studierapport hebben gestaan, kosten per saldo namelijk geld en zouden leiden tot een hoger Vpb-tarief.

Desalniettemin ga ik met eigen mensen en specialisten uit de praktijk bekijken hoe wij tot een houdbare en zo goed mogelijk samenhangende regeling kunnen komen, want het is mij ook een doorn in het oog dat wij elke paar jaar weer moeten repareren. Ik ben ervan overtuigd dat het voor ons vestigingsklimaat het slechtst is als wij steeds zitten te sleutelen. Dat vereist wel van de beroepsgroep van fiscalisten om niet steeds als er iets bedacht is, het slimste jongetje van de klas te willen zijn en eronderuit proberen te komen. Het vergt van fiscalisten dat zij meedenken over de wijze waarop de zaak niet ontgaan kan worden, zodat wij een robuuste regeling hebben. Ik moet zeggen dat ik de afgelopen maanden heel goede gesprekken heb gehad met leden van de wetgevingscommissie van het NOB. Zij hebben hun bereidheid getoond en hebben laten zien dat zij hierover willen meedenken. Dat is een kentering in de beroepsgroep, want ik snap ook dat zij onder druk staan van hun klanten, die willen dat zij een weg zoeken om geen belasting te betalen.

Ik kan de heer Essers toezeggen dat de suggestie rondom de Hillen-regeling zal worden meegenomen in de toegezegde notitie aan de Eerste Kamer. Ik ben al ingegaan op de zorgwoco's. Het percentage RDA wordt per ministeriële regeling in plaats van middels AMvB vastgesteld uit praktische overwegingen. Binnenkort krijgen wij het advies van de Raad van State. Het kabinet beziet dan of het percentage kan worden opgenomen in een AMvB. Dit ligt op het raakvlak van EL&I en Financiën, want de eerstverantwoordelijke voor de AMvB is de minister van EL&I. Ik zal mij in elk geval sterk maken om dit bij AMvB te regelen.

De heer Van Strien heeft mij geen nadere vragen gesteld.

Mevrouw De Boer was niet helemaal content met het antwoord over de 30%-regeling, maar snapt ook dat ik daar vandaag geen verder inzicht in kan verschaffen. Ik zal dit op een ander moment nog nader trachten te substantiëren.

Mevrouw De Boer heeft ook gevraagd hoe wij aankijken tegen het vestigingsklimaat en belastinguitgaven die milieuvervuilend zouden kunnen zijn, aangezien het degressieve systeem in de energieheffingen ertoe leidt dat de echte grootverbruikers van fossiele energie eigenlijk een lager tarief betalen dan de kleinverbruikers. Ik snap dat punt. Tegelijkertijd wil ik bedrijven niet het land uitjagen en hier bijvoorbeeld hoogovens laten sluiten om vervolgens de productie net over de grens te laten plaatsvinden. Het milieu schiet daar niets mee op, maar het kost Nederland werkgelegenheid en welvaart. Dat geldt voor meerdere onderdelen. Ik moet ook dergelijke aspecten van het vestigingsklimaat erin betrekken. Ik wil mijn beleid er ook niet op richten om allerlei milieubelastende activiteiten naar Nederland te halen. Ik wil met name innovatieve activiteiten naar Nederland halen. Wij hebben daarvoor nieuwe fiscale instrumenten, onder meer de RDA. Op het gebied van de meer milieubelastende activiteiten houd ik heel goed in de gaten wat de landen om ons heen doen. Ik probeer in Europees verband de minimumnormen op te schroeven, want als ik wat kan verhogen doordat dit gebeurt en er een level playing field ontstaat, ben ik daar zeker toe bereid.

Mevrouw De Boer heeft ook gevraagd of de belastingfaciliteiten onder het EU-stappenplan vallen. Dat is zeker het geval, maar daarmee is niet bij voorbaat gezegd dat zij worden afgeschaft. Wel worden zij meegenomen in de evaluatie.

Ik ben al uitvoerig ingegaan op groen beleggen en eveneens op de scenario's van de woonmarkt.

De heer Ester heeft het gehad over het mattheuseffect, dat door economen "deadweight loss" wordt genoemd. Jammer genoeg hebben wij ten aanzien van nieuwe instrumenten geen heel goeddoortimmerde ex-ante-evaluaties of wetenschappelijke onderzoeken waarmee wij kunnen bewijzen dat ze echt werken. Je moet er altijd een bepaald geloof in hebben. Uiteindelijk moet je uiteraard wel meten of het klopt. In het voorjaar van 2012 zullen wij de WBSO evalueren. Deze evaluatie loopt. Ik heb vorige week een aantal onderzoeksvragen gezien. Die betreffen juist de punten die de heer Ester noemt. In de evaluatie komt onder meer aan de orde hoe het zit met de positionering van het mkb en of de Wbso leidt tot stimulering van de bedrijven die het ook echt nodig hebben. Die evaluatie gaat ook naar het parlement. De Kamer kan dus zelf beoordelen of de evaluatie stevig genoeg is. Vanuit mijn verantwoordelijkheid voor fiscaliteit en belastinguitgaven bekijk ik dat heel kritisch. Het is ook aan de vakministers en aan de vakcommissies in beide Kamers om evaluaties kritisch te bezien. Wij hebben in de afgelopen jaren echter heel wat evaluaties gehad die onmiddellijk in de onderste la verdwenen, omdat er geld was voor bepaald beleid en men niet wilde dat dit geld bij dat beleid weggehaald werd. Ik vind dat wij heel kritisch moeten bekijken of iets wel of niet werkt, want uiteindelijk gaat het toch om belastinggeld of gederfd belastinggeld, en met geld van de belastingbetaler moet je zuiniger omspringen dan met geld uit je eigen portemonnee. Als een vakminister of een kabinet naar het oordeel van de Kamer niet de juiste conclusies verbindt aan een evaluatie, is het nog altijd aan de Kamers om vervolgens tegen het kabinet te zeggen dat het op dat punt kritischer moet zijn. Als wij bijvoorbeeld uit de evaluatie van de Wbso lessen kunnen trekken voor andere innovatie-instrumenten, bijvoorbeeld de RDA of de Innovatiebox, zal ik zeker niet nalaten om daar onmiddellijk iets mee te doen. Bij innovatie-instrumenten gaat het overigens om een coproductie tussen EL&I en Financiën. In de eerste plaats zal de minister van EL&I hierop moeten worden aangesproken.

De heer Ester heeft gevraagd naar mijn visie op de kindregelingen. Hij vraagt zich af of ik niet bezig ben met een salamitactiek. Bij de kindregelingen zijn er grofweg twee doelstellingen: de inkomensondersteuning voor gezinnen met kinderen en het bevorderen van de arbeidsparticipatie. Die twee doelstellingen kunnen in de regel niet in één regeling worden geïncorporeerd. Wij hebben echter dertien verschillende kindregelingen. Het liefst zou het kabinet van die dertien teruggaan naar pakweg twee of drie regelingen. Tegelijkertijd is dat niet gemakkelijk, want er zullen altijd mensen of groepen zijn die nadeel hebben als wij zaken hervormen. De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zal in het voorjaar een brief schrijven waarin hij zal aangeven of wij verdere stappen kunnen zetten.

Met het schrappen van de box 3-vrijstelling voor kinderen gaan wij terug van dertien naar twaalf kindregelingen. De bedoeling van het kabinet was om ook een andere kindregeling te schrappen – ik ben even kwijt welke dat is, maar de regeling werd vermeld in de brief die in het voorjaar naar de Tweede Kamer is gestuurd – zodat wij van dertien naar elf kindregelingen zouden gaan. Op verzoek van de CDA-fractie is die andere kindregeling echter gesneuveld en is dit de enige die is overgebleven. Dat geeft eigenlijk al aan dat als wij willen vereenvoudigen en een streep willen zetten door een aantal regelingen, om te komen tot een simpeler en compacter systeem, dat onmiddellijk leidt tot weerstand. Dan hoor je uit een van beide Kamers al snel het geluid: kunt u dit niet nog even in stand laten? Ik reken dus op de steun van de Kamer als wij een nadere vereenvoudigingsslag zullen maken.

De voorzitter:

Staatssecretaris, hoe lang denkt u nog nodig te hebben? Wij hebben honger.

Staatssecretaris Weekers:

Dat gevoelen kan ik delen.

Ik kan geen inschatting maken van de effectiviteit van de werkbonus. De werkbonus en de vormgeving daarvan behoren bij het totaalcompromis dat in het kader van het pensioenakkoord is gesloten. Ik verwijs ook deze discussie graag naar de collega van Sociale Zaken en Werkgelegenheid.

Te zijner tijd zal er nog iets aan de werkbonussen veranderd moeten worden, ingevolge de afspraken die collega Kamp met de Tweede Kamer, meer in het bijzonder de fractie van de PvdA, heeft gemaakt om mensen met een klein inkomen toch de mogelijkheid te geven om een spaarpotje te vormen, zodat zij niet tot het allerlaatste moment hoeven door te werken.

De heer Bröcker heeft een aantal zaken gestipuleerd die ik zeker zal meenemen. Ik dank hem daarvoor. Eén vraag, inzake de uniformering van de btw, staat nog open. De heer Bröcker vroeg of ik bezig ben met een verkenning die vergelijkbaar is met de verkenning van de mogelijkheden rond de winstbox. Nee, daar ben ik nog niet mee bezig. Het kabinet heeft in de fiscale agenda aangegeven dat het het liefst het lage btw-tarief in kleine stapjes omhoogbrengt, om uiteindelijk het vergezicht te hebben op een uniform btw-tarief. Wij weten echter niet welke effecten het verhogen van het lage btw-tarief heeft, bijvoorbeeld in grensstreken of voor bepaalde branches. Wij moeten de koopkracht heel goed in de gaten houden, dus wij zullen op dit punt zeer voorzichtig te werk moeten gaan. Dit stappenplan staat het kabinet voor ogen. Voordat ik op dit terrein stappen zet en nadere verkenningen doe, wil ik eerst de discussie met de Tweede Kamer voeren. Dat zal eind januari gebeuren. Op dat moment zullen wij bekijken of er draagvlak bestaat om in de btw-sfeer wat meer te doen. De suggestie van de heer Van Boxtel zal ik daarbij meenemen en die de Kamer voorhouden. Ik zal eerst bezien of het Europeesrechtelijk überhaupt mogelijk is. Ik ben ervan overtuigd dat wij hier nog nader over komen te spreken.

De heer Van Boxtel heeft voorts gesproken over het groen beleggen. Ik meen dat daar voldoende over is gezegd. Ook heeft hij in het kader van de Geefwet en de kansen voor doorgroei van jong talent gevraagd waarmee ik bezig ben en of wij, als alternatief voor het Cultureel Jongeren Paspoort, niet alleen groepen van scholieren, maar ook groepen van studenten daaronder zou kunnen laten vallen. Dat neem ik graag mee. Als een theater een gemengd gehoor heeft, bestaande uit verschillende groepen, dan is het Europeesrechtelijk niet mogelijk dat de ene groep vrijgesteld is van btw en de andere niet. Ik zal bekijken wat Europeesrechtelijk maximaal mogelijk is voor zaken die op de een of andere manier georganiseerd plaatsvinden, ongeacht of die bedoeld zijn voor scholieren of studenten. Dit kan niet over heel veel geld gaan, maar het kan net wel het steuntje in de rug zijn voor de mensen die de heer Van Boxtel op het oog heeft.

De heer Van Boxtel (D66):

Ik dank de staatssecretaris voor deze toezegging. Op welke termijn mogen wij daar iets over horen? Ik geloof onmiddellijk dat hij er hard mee aan de slag gaat, maar het mag geen sisyfusarbeid worden, waarbij lang met iets wordt doorgegaan, terwijl er toch niets gebeurt. Ik hoor graag op korte termijn of dat in overleg met de collega van OCW lukt.

Ik geef nog mee dat scholieren en studenten – de staatssecretaris herinnert zich dat wellicht uit de eigen studietijd – ook vaak 's middags naar het theater of andere voorstellingen gaan. Dat zou misschien soelaas kunnen bieden, want dan kan de staatssecretaris gewoon de btw-vrijstelling daarop van toepassing verklaren.

Staatssecretaris Weekers:

Ik kan niet zeggen dat een btw-vrijstelling 's middags wel en 's avonds niet mogelijk is. Zo simpel zit de btw, die op Europees niveau is geregeld, niet in elkaar. Ik zal moeten zoeken naar mogelijkheden die heel speciaal op scholen zijn gericht. Ook scoutingwerk kan daaronder vallen. Ik zal kijken wat er op dat vlak mogelijk is en op dat terrein de rek maximaal opzoeken.

De beraadslaging wordt gesloten.

De voorzitter:

Ik kom tot de afhandeling van de wetsvoorstellen. Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Belastingplan 2012) (33003)? Dat is het geval. Dan stel ik voor dat wij volgende week stemmen over het wetsvoorstel.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten en enige andere wetten (Overige fiscale maatregelen 2012) (33004)? Dat is het geval. Dan stel ik voor dat wij volgende week stemmen over het wetsvoorstel.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel Wijziging van de Algemene wet inkomensafhankelijke regelingen en Overige fiscale maatregelen 2009 in verband met de dwangsomregeling van de Algemene wet bestuursrecht (Wet toepassing dwangsomregeling toeslagen) (33005)? Dat is niet het geval.

Het wetsvoorstel wordt zonder stemming aangenomen.

De voorzitter:

Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel Wijziging van enkele belastingwetten (Geefwet) (33006)? Dat is het geval. Dan stel ik voor dat wij volgende week stemmen over het wetsvoorstel.

Daartoe wordt besloten.

De voorzitter:

Wenst een van de leden stemming over het wetsvoorstel Wijziging van de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992, de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 en enige andere wetten (Wet uitwerking autobrief) (33007)? Dat is het geval. Dan stel ik voor dat wij volgende week stemmen over het wetsvoorstel.

Daartoe wordt besloten.

De vergadering wordt van 20.05 uur tot 20.45 uur geschorst.

Voorzitter: Putters

De voorzitter:

Ik heropen de vergadering en wil iedereen dankzeggen voor de snelheid waarmee iedereen zich hierheen begeven heeft. Ik dank de indienster en de staatssecretaris voor hun komst hierheen en ook de Dienst Verslag en Redactie. Buiten adem, maar dank je wel!