Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 36, pagina 1101-1111

Aan de orde is de voortzetting van de behandeling van:

de brief van de minister van Economische Zaken van 7 juni 2007 betreffende de splitsing van energiebedrijven (30212, L).

De beraadslaging wordt hervat.

Minister Van der Hoeven:

Voorzitter. Ik bedank de woordvoerders voor hun uitgebreide bijdrage in eerste termijn. Diepgaande behandeling in zowel de Eerste als de Tweede Kamer is gepast, gezien het belang van dit laatste stukje van de Wet onafhankelijk netbeheer. Het debat van vandaag heeft bovendien een extra dimensie, omdat de aanleiding een motie van deze Kamer is.

Ik heb mijn betoog als volgt opgebouwd:

  • - de procedure;

  • - de motie-Doek/Sylvester;

  • - de Europese dimensie;

  • - de cross border lease;

  • - de overdracht van de netten;

  • - de DTe;

  • - de vragen over de regiegroep en de samenloop van uitvoeringsbeslissingen.

Op 7 juni jongstleden heb ik in een brief aan de Eerste Kamer mijn voornemen aangekondigd om het groepsverbod in werking te laten treden. In die brief heb ik tevens aangegeven welke overwegingen daaraan ten grondslag liggen. Over deze brief voeren wij vandaag terecht plenair overleg, want hij is een direct uitvloeisel van de motie-Doek/Sylvester. Dit overleg voeren wij in een tweeledig kader. Op de eerste plaats is dat de door de Eerste en Tweede Kamer aangenomen Wet onafhankelijk netbeheer. In de tekst van deze wet is namelijk het resultaat neergelegd van de belangenafweging van de wetgever. De uitvoerige parlementaire voorgeschiedenis van deze wet, alle onderzoeken en het overgangsrecht om rekening te houden met specifieke belangen van bedrijven laten zien hoe zorgvuldig die belangafweging was. Niet voor niets is deze wet met een ruime meerderheid goedgekeurd en is er niet om een novelle gevraagd.

Op de tweede plaats is er de motie-Doek/Sylvester waarin de regering wordt gevraagd om af te wijken van de algemene regel dat een wet in werking treedt na het contraseign van de Koningin. De motie vraagt meer specifiek om het groepsverbod voor de regionale energiebedrijven slechts onder bepaalde omstandigheden in werking te laten treden en dan alleen nadat over de voorgenomen inwerkingtreding overleg is gevoerd met beide Kamers. Dat overleg voeren wij vandaag. De motie vraagt dat ook in politieke zin van mij. Ik zeg "in politieke zin", omdat een motie naar haar aard een politiek instrument is. Zij werkt immers in de relatie tussen Kamer en minister en is geen extern werkend juridisch instrument.

Het overleg van vandaag is een herhaling van het overleg dat ik vorige week met de Tweede Kamer heb gevoerd. In dat debat moest de Tweede Kamer zich uitspreken over een voorstel waarmee zij eerder al met een ruime meerderheid had ingestemd. Dat is bijzonder, want mevrouw Kneppers en de heer Schouw merkten terecht op dat het een klein KB betreft. Dit Koninklijk Besluit geeft immers geen algemeen verbindende voorschriften. Bovendien machtigt de wet de minister hier al voor, is er geen formele verplichting voor een voorhangprocedure en is het niet onderworpen aan ministerraadsbehandeling of advisering door de Raad van State. Ik heb dit KB overigens wel twee keer in de ministerraad aan de orde gesteld, de eerste keer om mijn voornemen aan te kondigen en de tweede keer als voorbereiding op de debatten die ik met de Eerste Kamer en de Tweede Kamer hierover zou moeten gaan voeren.

Een en ander laat onverlet dat ik vandaag graag met de Kamer spreek over de belangafweging die ten grondslag ligt aan die voorgenomen inwerkingtreding en de stappen die ik nu ga zetten. Ik ga een Koninklijk Besluit slaan. Dat kan ik morgen doen, maar dat is wel iets anders dan de datum vaststellen waarop de wet in werking treedt. Ik benadruk dat, omdat hierover vragen zijn gesteld. Vanaf de datum van de inwerkingtreding gaat de wettelijke termijn van twee en een half jaar in.

Het is belangrijk om bedrijven duidelijkheid te geven over de vervolgstappen, maar het overleg met de betrokken bedrijven is er niet voor niets. Het moet ergens toe leiden. Doet het dat niet, dan is het een wassen neus. Ik kom hierop terug als ik aan het einde van mijn betoog een dilemma aan de Kamer voorleg. Ik verbind daaraan een oplossing en vervolgens is het aan de Kamer om daarover in tweede termijn te oordelen.

Voorzitter. De procedure. Ik heb mij bij elke stap afgevraagd of die in lijn is met de afspraken die daarover naar aanleiding van de motie zijn gemaakt. Mijn voorganger heeft het volgende afgesproken: "...zodra ik zie dat dat gevaar zich voordoet, onverwijld met de Kamer in overleg te treden en het KB te slaan. Ik zal dat volgaarne doen en ik zal een en ander ook schriftelijk bevestigen. Bij de bevestiging dat het kabinet de motie overneemt, zal ik aangeven dat ik ervan uitga dat het volgende kabinet deze toezegging gestand doet." Oud-minister Wijn heeft die toezegging in twee brieven bevestigd. Hij heeft die toezegging verder expliciet onder de aandacht van zijn opvolger gebracht.

Ik heb eerst zelf de balans willen opmaken; ook dat hoort bij zorgvuldig handelen.

Op 24 januari van dit jaar heeft de vaste commissie voor Economische Zaken van de Tweede Kamer tijdens een procedurevergadering besloten dat er een algemeen overleg moest worden gevoerd met de nieuwe bewindspersoon. Toen was nog niet bekend wie dat zou worden. De vaste commissie heeft toen verzocht om tot de desbetreffende datum geen onomkeerbare stappen te zetten. Welnu, dat is ook niet gebeurd; er zijn tot op dit moment geen onomkeerbare stappen gezet. Op 3 april is er op verzoek van de Tweede Kamer gesproken over de relevante ontwikkelingen bij de vier betrokken bedrijven. In dat verband heb ik gesproken over een nog te verschijnen DTe-rapportage en heb ik aangegeven dat deze van een politiek oordeel zou worden voorzien. Zoals afgesproken met de Eerste Kamer, wordt dit oordeel aan de Tweede Kamer en aan de Eerste Kamer kenbaar gemaakt. Ik heb dit inderdaad naar voren gehaald. De voorzitter van de vaste commissie van de Tweede Kamer heeft op basis van de discussie geconcludeerd dat de minister ruim voor het zomerreces zou terugkomen op het KB. Zo staat het ook in de besluitenlijst. Ik heb vervolgens de brief, met het concept-KB, naar beide Kamers gestuurd, voorzien van mijn afwegingen. Ik hecht eraan, te benadrukken dat het om een concept-KB ging. In de motie wordt de regering ertoe opgeroepen om, voorafgaand aan het besluit tot inwerkingtreding van de bepalingen van de wet met betrekking tot een splitsingsbesluit – ik hecht aan het verschil tussen de datum van het slaan van het KB en de datum van inwerkingtreding – in overleg te treden met beide Kamers der Staten-Generaal. Dat doen wij nu.

De Kamer weet net zo goed als ik dat er geen sprake is van een formele voorhangprocedure. In een dergelijke procedure geldt een termijn van vier weken. Ik heb die termijn genoemd, omdat er een kader moet zijn waarbinnen mijn voorstel past. Ik vind het erg belangrijk om de Kamer serieus te nemen en serieus over een onderwerp van gedachten te wisselen. Dit betekent dat ik over het ontwerp-KB met de Kamer spreek met inachtneming van de mogelijkheid dat daarin iets verandert of dat er een andere afspraak over wordt gemaakt. Ik betreur het werkelijk dat er misverstanden zijn gerezen en dat mij verwijten zijn gemaakt. Ik trek mij die aan. Ik moet het echter wel kenbaar maken, want wij moeten vooruit. U hebt tegen mij gezegd dat ik het anders had moeten doen, maar ik heb aangegeven waarom ik denk dat ik het zo moet doen. Wij moeten echter wel vooruit.

Twee belangrijke afwegingen liggen ten grondslag aan mijn argumentatie. In de eerste plaats is dat het volledig afschermen van het netbeheer van de groepsactiviteiten. Dit is inderdaad niet gebaseerd op individuele gevallen, maar de bedrijven geven onmiskenbaar vorm aan een internationale strategie, met de netten. Ik constateer dat de gereguleerde cashflow uit het netbeheer daarmee onlosmakelijk is verbonden. De bedrijven beamen dat ook. De netten verschaffen de middelen voor expansies. Naarmate de commerciële activiteiten toenemen, worden ook de risico's groter. De risico's zijn concreet. Ongeacht beperkingen in regelgeving en uitbreiding van het toezicht, zijn deze niet uit te sluiten. De verslechtering van de financiële situatie van het concern kan leiden tot onmiddellijke opeisbaarheid van de leningen van het concern en dus tot verhaal van de opbrengsten van de netten.

Ik denk ook aan langjarige financiële verplichtingen in geval van internationale allianties. In het ergste geval kan een buitenlandse partij beslag leggen op de dividenden van het netbeheer. De netten zullen materieel deel uitmaken van de allianties. Dit betekent dat de publieke aandeelhouder zijn greep op de opbrengsten van de netten kwijt is.

De heer Doek (CDA):

Ik geloof toch dat deze weergave onjuist is. U zegt dat de cashflow ter beschikking staat van de aandeelhouders, en daarmee eventueel ook van degenen die geld geleend hebben aan de houdstermaatschappijen. Daarvoor is echter altijd een verpanding of een beleningsovereenkomst of iets dergelijks nodig. Dat is reeds op grond van de Implementatie- en interventiewet, die wij hier in 2004 hebben behandeld, volstrekt uitgesloten.

Geen enkele aandeelhouder zal op het bewuste moment het besluit nemen om dividend uit te keren. Niemand kan daartoe gedwongen worden. De raad van bestuur kan als bevoegd orgaan van de houdstermaatschappij het besluit nemen om als aandeelhouder in het netwerkbedrijf al dan niet dividend uit te keren, maar er is geen enkel automatisme. U gebruikt dit argument in uw brief en in het algemeen overleg met de Tweede Kamer noemde u het ook, maar het is naar mijn oordeel volstrekt onjuist en niet op de wet gebaseerd.

Minister Van der Hoeven:

Ik ben het daarmee niet eens. Ik denk overigens wel dat u vanuit uw invalshoek een geldig punt aanhaalt. Dit neemt niet weg dat de verslechtering van de financiële situatie van het concern leidt tot verhaal op de opbrengsten van de netten. De bedrijven hebben vanaf het begin aangegeven dat zij de netten nodig hebben, omdat dit hun de middelen verschaft voor expansie. Daarin schuilt het risico.

De heer Doek (CDA):

De cashflow van de huidige netwerkbedrijven komt volledig onder supervisie van de DTe tot stand, want deze bepaalt de transporttarieven. De cashflow speelt een rol bij de zogenaamde creditratio's, omdat dan op groepsniveau wordt bezien of er voldoende cashflow is. Daaruit volgt niet noodzakelijkerwijs dat het geld ook beschikbaar moet zijn voor de houdstermaatschappij. Het gaat om groepen, dat wil zeggen een holdingmaatschappij met werkmaatschappijen. Het kan een operationele vennootschap zijn, of een netwerkbedrijf. Daarvoor is de cashflow van belang. Deze is echter niet nodig voor de houdsters als zodanig.

Minister Van der Hoeven:

Daarmee ben ik het dus niet eens. De bedrijven hebben mij heel duidelijk laten weten dat alles wat met de cashflow uit het netbeheer te maken heeft onlosmakelijk verbonden is met, inderdaad, de credit rating – daarin geef ik u gelijk – maar ook met de middelen die daaruit voortvloeien voor expansies. Het ene is niet met het andere in tegenspraak, maar u legt met name het accent op het ene aspect. Daarnaast zeg ik dat het risico wel degelijk aanwezig is, en dat kan ik niet op een andere manier afdekken.

De heer Doek (CDA):

Ik probeer het nog één keer. Op basis van de creditratio's is een houdstermaatschappij in staat om geld aan te trekken. Daarvoor hebben zij de kasstromen van de dochtermaatschappij niet nodig. Er is geen enkele verbinding binnen de kredietarrangementen van de maatschappijen met de cashflow. Het punt is iedere keer aangehaald als argument, maar het is niet valide.

Minister Van der Hoeven:

Als men niet aan zijn verplichtingen kan voldoen en het concern dus te maken heeft met een verslechtering van zijn financiële situatie, leidt dit tot onmiddellijke opeisbaarheid van de leningen van het concern en dus tot verhaal van de opbrengsten van de netten. Daarop komen wij telkens terug. Ik ben er zeer van overtuigd dat het zo in elkaar zit. Ik vind dan ook dat wij niet moeten wachten totdat het risico zich inderdaad voordoet. Ik weet niet of de heer Doek het echt zo gezegd heeft, maar in de krant stond dat hij wil dat men eerst door het rode licht moet rijden voordat er moet worden ingegrepen. Wat ik in ieder geval niet wil, is dat er door het rode licht wordt gereden en dat er inderdaad sprake is van internationale allianties met problemen, want dan biedt inwerkingtreding van het groepsverbod geen uitkomst; dan zijn wij te laat. Om die redenen denk ik dat wij deze stap nu moeten zetten.

Voorzitter. Er is nog een tweede groep redenen. Deze hebben te maken met het netbeheer als zodanig. Het netbeheer is een publieke onderneming. Dit betekent dat de opbrengsten publieke middelen zijn. Deze middelen, ook door u en mij opgebracht via de vaste tarieven, verdwijnen anders deels naar commerciële activiteiten, ook in het buitenland. Ik denk dat dit niet de bedoeling is. Ten principale dienen de publieke middelen beschikbaar te zijn voor investeringen in het publieke net of voor aanverwante activiteiten.

De vraag is gesteld: waarom nu? Ik heb teruggelezen wat er bij de behandeling van het wetsvoorstel in de Eerste Kamer is gewisseld. De Kamer en mijn voorganger gingen er toen terecht vanuit dat bedrijven voorlopig niet actief zouden worden over de grens. Ik refereer aan de brief waar met name de heer Schouw op gedoeld heeft. Ik denk dat ik die niet hoef te herhalen, want de brief is toegevoegd aan de Handelingen van de Eerste Kamer. Hoe je het ook wendt of keert, maar sinds 14 november moet je toch constateren dat bedrijven, overigens met uitzondering van Eneco, wel in hun gedrag gedraaid zijn. Over de voorgenomen acquisitie kan weliswaar gezegd worden dat die informeel bekend was, maar daarover zijn wij op 12 december 2006 geïnformeerd. Op 1 februari hebben Nuon en Essent tijdens de presentatie van hun jaarverslag publiekelijk hun internationale ambities aangegeven. Daar is ook niets mis mee, maar die ambities zijn wel aangegeven.

Sinds 3 april heb ik meermalen met die bedrijven gesproken. Daarbij hebben zij andermaal hun internationale ambities bevestigd. Zij hebben mij ook gezegd dat daarvoor de netten van belang zijn.

De heer Doek (CDA):

Wat de acquisitie van Delta betreft, wijs ik erop dat deze is voorgelegd aan een democratisch instituut in Nederland, namelijk de staten van de provincie Zeeland. Dit is gebeurd, op grond van de statuten van de vennootschap, reeds in september 2006. De Vennootschap Delta NV zou toen dus een bindend – let wel! – bod uitbrengen. Dat is unaniem goedgekeurd door de staten van Zeeland, nogmaals, in hun vergadering van september 2006. Dat zijn publieke bronnen. Het departement was dus op de hoogte. Ik heb bovendien begrepen dat het directoraat-generaal Energie van het ministerie permanent op de hoogte is gehouden van de transacties. Het is dan ook absoluut onjuist om te zeggen dat dit niet bekend was en dat dit pas later, weliswaar misschien formeel, gemeld is. Ik herhaal dat de transactie bij alle betrokkenen in dit debat meer dan bekend was.

Minister Van der Hoeven:

Weet u wat zo moeilijk is? In de staten van Zeeland is gesproken over het rapport. Daarbij is echter niet aangegeven waar het precies over ging; dat is namelijk later gebeurd. Wat ik zo moeilijk vind, is dat iets informeel horen en weten iets anders is dan formeel ergens van op de hoogte zijn. Ook vind ik het moeilijk dat mijn voorganger aan Delta uitdrukkelijk gevraagd heeft om de keus opnieuw te overwegen. Het heeft heel veel moeite gekost om antwoord te krijgen. Het antwoord was dat men dat niet van plan was. Dit is wat Delta betreft.

Dit neemt echter niet weg dat Nuon en Essent zeer regelmatig uitdrukkelijk hebben aangegeven dat er internationale ambities zijn. Ik herhaal dat iedereen een eigen strategie kiest. Die bedrijven hebben aangegeven dat zij een bepaalde rol willen spelen in Noordwest-Europa, dat zij zelf op overnamepad willen gaan en dat zij verder willen groeien op de Noordwest-Europese markt.

Dit was wat de motie-Doek/Sylvester toch niet beoogde. Ik kan die motie althans niet in die zin uitleggen dat dit de bedoeling was. Op dit moment staan wij aan de vooravond van een internationalisering van de Nederlandse energiesector. Dit bracht mij tot het versturen van de brief met het concept Koninklijk Besluit. Daarmee wilde ik de netten veilig stellen voor de toekomst.

In verband met de motie-Doek/Sylvester vroeg de heer Van den Berg: er zijn toch voldoende waarborgen om privatisering te voorkomen en daardoor kan er toch geen gevaar zijn voor publiek en onafhankelijk netbeheer? Het is toch zo dat bedrijven naar de letter en de geest van de regelgeving handelen? Het is juist dat het nu wegens het privatiseringsverbod wettelijk niet is toegestaan om de netten te verkopen. Dat helpt, want dit verbod stelt veilig dat de aandelen van de netten in publieke handen blijven. Daarmee is het gevaar van publiek en onafhankelijk netbeheer echter niet afgewend. Tegen deze achtergrond heb ik zojuist gezegd wat ik heb gezegd. De dreigingen zijn de internationale expansie, de risico's daarvan en het geld uit het netbeheer dat als basis voor de expansie dient. Dit risico is concreet en onomkeerbaar als wij nu niet handelen. Ik ben het dan ook niet eens met de uitspraak dat de bedrijven een goede invulling geven aan de motie.

De heer Reuten heeft gevraagd of onafhankelijkheid van het buitenland deel uitmaakt van het bredere energiebeleid. Het gaat erom dat je binnen het energiebeleid in Nederland onder andere de conditie schept om vol vooruit te kunnen met duurzame en decentraal opgewekte energie. Ik noem onder andere windenergie. Een onafhankelijk netbeheer zonder commerciële activiteiten zal dat bevorderen. Import is een vorm van elektriciteitsproductie van elders die naar binnen wordt gehaald. Natuurlijk wil ik graag meer duurzame elektriciteit opwekken in Nederland, zodat wij minder elektriciteit uit Duitsland hoeven te importeren.

Ik heb dus gezegd dat ik meer en vooral duurzame productie in Nederland wil. De heer Reuten heeft gevraagd of dat niet inconsistent is. Ik heb er geen bezwaar tegen dat een buitenlands bedrijf in Nederland investeert in een schone centrale of in duurzame energie. Dat gebeurt overigens ook al op de Maasvlakte. Daar komt een kolencentrale met CO2-opslag. Elektrabel is bezig met voorbereidingen voor het produceren van schone energie. Dat is ook goed. Dit kan niet als inconsistent aangeduid worden.

De heer Reuten (SP):

De minister sprak zojuist over buitenlandse activiteiten. Het gaat evenwel allereerst over risicovolle dan wel onzekere activiteiten. De vraag of dat al dan niet in het buitenland gebeurt, is van een tweede orde. In de motie-Doek/Sylvester wordt een aantal indicaties gegeven. Duitse energiebedrijven vinden ook niet dat wat er in Duitsland gebeurt bijzonder risicovol c.q. onzeker zal zijn. Het gaat er dus niet om of iets in het binnenland of het buitenland gebeurt, maar het gaat om risico's dan wel onzekerheid. Daarop moet de aandacht geconcentreerd worden.

Minister Van der Hoeven:

Dit heb ik ook juist al tegen de heer Doek gezegd. Dat is dus een risico. Dit geldt ook voor de betekenis van een onafhankelijk netbeheer. U stelde mij evenwel een aantal andere vragen.

De heer Reuten (SP):

Daarvoor is het buitenland toch niet relevant? De risico's en gevaren kunnen zich toch ook voordoen, als bedrijven binnen Nederland bepaalde activiteiten ontplooien?

Minister Van der Hoeven:

Ik denk dat dit anders in elkaar zit. Ik weet overigens niet of u op een specifiek geval doelt.

De heer Reuten (SP):

In zoverre dat er wordt gesproken over activiteiten van een bedrijf aangaande straatlantaarns in Berlijn. Is dat een risicovolle activiteit?

Minister Van der Hoeven:

Ik denk dat ik weet wat u bedoelt. Op het moment dat de netten nodig zijn om de positie in het buitenland veilig te stellen en om een buitenlandse alliantie aan te gaan, is er sprake van een risicovolle activiteit. Daar gaat het nu over. Ik begrijp evenwel dat uw vraag op een aantal andere zaken sloeg. Dit geldt ook voor uw vraag of onafhankelijkheid van het buitenland nodig is. U hebt nog een vraag over duurzame energie gesteld. Vervolgens had u een vraag over de verhouding van de economische politiek tot het neoliberale beleidsidee van vrij verkeer van kapitaal. Wij hebben zelf wel gas, maar voor de toekomst zullen wij brandstof uit alle delen van de wereld naar Nederland moeten halen om de levering van energie veilig te stellen.

In de wereld van de bodemschatten, zoals gas en olie, heeft de overheid vaak een speciale rol. De heer Reuten vroeg hoe dat precies zit. Welnu, er zijn goede relaties tussen regeringen nodig. Die zullen het onderling eens moeten zijn, wat het internationaal zaken doen bevordert.

De heer Reuten stelde vervolgens een vraag over het gelijke speelveld, waarbij hij doelde op de kleinverbruikersmarkt. Hij gaf aan dat hij de uitdrukking "gelijke speelveld" niet juist vond. Tja, ik ben berispt omdat ik te veel Engelse termen gebruikte, zoals level playing field, dus ik heb een Nederlandse term verzonnen en ik kwam bij "gelijk speelveld" uit. Door de inwerkingtreding van het groepsverbod zal er in ieder geval een gelijk speelveld op de markt voor de levering van energie ontstaan, omdat nieuwe leveranciers niet meer behoeven te concurreren met partijen die ook netten voor elektriciteitstransport bezitten. Daar draait het om. Wij praten dus over een gelijk speelveld op de Nederlandse markt en over het risico met buitenlandse allianties, het zijn inderdaad twee verschillende zaken.

De heer Reuten (SP):

Het gaat mij om de inconsistentie van enerzijds een geliberaliseerde markt – die schijnt toch een belangrijk onderdeel te vormen van de gedachte achter het beleid van in ieder geval uw voorganger, dus staatsrechtelijk is het ook de gedachte achter de wet – en anderzijds een gereguleerde markt, terwijl Nederland over het internationale aspect echt dubbele gedachten heeft. Mijn vraag is dus of een geliberaliseerde markt nu de gedachte is die aan dit wetsvoorstel ten grondslag ligt. De specifieke problematiek waarom het gaat, hangt hiermee samen.

Minister Van der Hoeven:

Het gaat om onafhankelijk netbeheer als onderdeel van de leveringszekerheid voor Nederlandse klanten en bedrijven. Dat is de gedachte die erachter zit.

Dit brengt mij tot een aantal opmerkingen over Europa, ook daarover heeft de Kamer uitvoerig gesproken. De heer Van den Berg vroeg of het klopt dat de regering aan de Europese Commissie heeft gemeld dat Nederland een voorstander van splitsing is, en of wij daarmee dan niet vooruit zouden lopen op het debat dat hierover nog met de Kamer zal worden gevoerd. Het is waar dat de regering bij de Europese Commissie pleit voor splitsing van energiebedrijven op Europees niveau. Daarbij gaat het om afsplitsing van landelijke netbeheerders. Die is in Nederland ook al geregeld, het beheer is afgescheiden van levering en productie. Ook hierbij gaat het om wetten die zijn aangenomen, dus ik loop verder nergens op vooruit. De discussie in Nederland over het groepsverbod, waarover wij nu spreken, staat los van de Europese ontwikkelingen. Ik denk dus dat wij op dit punt niet op de zaken vooruitlopen.

De heer Doek (CDA):

U doet nu gelukkig een heel mooie uitspraak, die ik nog een keer zou willen horen. U zegt dat het binnen de Europese Unie niet gaat om een groepsverbod voor distributiemaatschappijen, want ik neem aan dat u wel pleit voor een groepsverbod voor transportnetten. Daar zou ik mij iets bij kunnen voorstellen, maar u zegt dus dat er in de Europese Unie op geen enkel niveau, ook niet in de Commissie, wordt gepleit voor een gedwongen splitsing van de distributienetten. Hiervan zou ik graag nog een bevestiging horen.

Minister Van der Hoeven:

In de Europese Unie gaat het op dit moment om de afscheiding van de landelijke netbeheerders, om het splitsen van levering en productie. Dit hebben wij in Nederland al geregeld. En de discussie in Nederland over het groepsverbod staat dus in feite los van de ontwikkelingen in de Europese Unie. Als u dit nog eens van mij wilde horen, dan heb ik dit nu graag herhaald.

De heer Van Driel (PvdA):

Voor alle duidelijkheid zou ik nog even van u willen horen dat Europa in ieder geval niet doet wat wij nu met de splitsing willen bereiken.

Minister Van der Hoeven:

Dat zeg ik niet.

De heer Van Driel (PvdA):

Voorshands niet. Althans, er is geen zicht op.

Minister Van der Hoeven:

Op dit moment gaat de discussie in Europa over de splitsing van de energiebedrijven en de landelijke netbeheerders.

De heer Van Driel (PvdA):

Maar daarmee zegt u impliciet dat het geen Europees thema is.

Minister Van der Hoeven:

Ik denk dat het uiteindelijk wel een Europees thema wordt.

De heer Van Driel (PvdA):

Maar nu nog niet, en u kunt evenmin als ik de toekomst voorspellen, dus wellicht komt het daar niet van.

Minister Van der Hoeven:

Maar het gaat nu wel om het borgen van de Nederlandse publieke belangen, de netten, in het licht van de Europese ontwikkelingen.

De heer Doek vroeg ook nog naar de reciprociteit. Hij vindt het onwenselijk dat buitenlandse niet-gesplitste ondernemingen aandelen kunnen kopen in de afgesplitste commerciële takken in Nederland. Hij vroeg zich af of deze ongewenste ontwikkeling niet wordt veroorzaakt door het gebrek aan wederkerigheid in de Europese Unie. Provincies en gemeenten blijven eigenaar van de energiebedrijven zolang zij hun aandelen niet verkopen. Zij zijn dus straks ook eigenaar van de aandelen van de afgesplitste commerciële takken en zij zijn vrij om te besluiten, hun aandelen te verkopen. Daarbij kunnen zij er rekening mee houden of de koper afkomstig is uit een lidstaat waar de zaak nog niet gesplitst is. Het Gemeenschapsrecht verplicht de overheden van de lidstaten niet tot volledige privatisering, die kunnen hierover zelf beslissen. Maar het Gemeenschapsrecht verzet zich wel tegen het wettelijk verankeren van een dergelijke wederkerigheid in nationale regelgeving, want dat zou een ongeoorloofde belemmering van het vrije kapitaalverkeer zijn vanwege discriminatie van investeerders, afhankelijk van de lidstaat waar zij gevestigd zijn. Ik ben zeker bereid om mij bij de discussies en de onderhandelingen over een nieuw pakket aan Europese energieregelgeving in te zetten voor het vastleggen van een vorm van reciprociteit, maar dit moet echt op Europees niveau; je kunt het niet in nationale wetten verankeren zonder dat het Europees geregeld is.

De heer Doek (CDA):

Ik denk dat ik dit zelfs met u eens ben, maar dit lijkt mij dan reden te meer om in Nederland juist geen ongelijk speelveld te creëren op de markt voor Noordwest-Europa. U kunt er blijkbaar op grond van het EU-recht niets aan doen, maar wij zorgen nu zelf voor zo'n ongelijk speelveld. Als wij niets doen, ontstaat er een gelijk speelveld op de markt voor Noordwest-Europa. Dat zouden wij graag zien, zodat wij niets zouden moeten doen. U zou op mijn verzoek kunnen proberen om het speelveld gelijk te maken door de situatie in andere landen gelijk te maken aan die in Nederland, maar daar verzet het EU-recht zich tegen. Het is allemaal niet zo ingewikkeld.

Minister Van der Hoeven:

Maar het zit toch een beetje anders in elkaar. Als ik niets doe, kunnen de netten wel degelijk in gevaar komen. U bent het daar niet mee eens, maar ik zie dit risico toch wel. U vraagt mij nu of ik er niet voor kan zorgen of er voor de toekomst iets op het punt van die reciprociteit wordt vastgelegd. Ik heb toegezegd dat ik mij daar graag voor zal inzetten, omdat ik inzie wat het punt is.

De heer Van Driel (PvdA):

U zegt dus eigenlijk: eerst splitsen en dan bekijken of de reciprociteit binnengehaald kan worden.

Minister Van der Hoeven:

Nee, wij splitsen om een andere reden, namelijk omdat de netten anders gevaar lopen bij buitenlandse allianties. Dit risico is anders niet af te dekken. En daarnaast staat het na de splitsing provincies en gemeenten helemaal vrij, aan wie zij hun aandelen verkopen en welke eisen zij daarbij stellen.

De heer Van Driel (PvdA):

U zeg het niet, maar het komt er eigenlijk wel op neer. U gaat voor wederkerigheid pleiten en dat zal nog wel een aantal jaren duren, maar wij wachten dat allemaal niet af. Dat zegt u dus.

Minister Van der Hoeven:

Nee, ik zeg dat wij bij deze wet het onafhankelijke netbeheer en de commerciële productie en distributie splitsen. Ik vind dat wij dit ook moeten doen, omdat wij anders echt onverantwoorde risico's lopen met internationale allianties. En bij de situatie na de splitsing gaat het om de eventuele verkoop van aandelen. Ik kom hierop nog terug, want er is nog meer over te zeggen.

De heer Reuten (SP):

Het uitgangspunt van het beleid is volgens de brief het realiseren van een gelijk speelveld.

Minister Van der Hoeven:

Binnen Nederland.

De heer Reuten (SP):

Dat kunt u wel zeggen, maar Nederland kan niet meer los gezien worden van de wereld. Met het in werking stellen van het KB ontstaat er op Europese schaal een ongelijk speelveld. De grote vier komen op een ongelijk speelveld terecht, terwijl het uitgangspunt van uw beleid toch een gelijk speelveld is. Dat klopt mijns inziens niet.

Minister Van der Hoeven:

Ik ben het daar niet mee eens. Het ging om het publieke belang van de netten, waarbij wij op geen enkele manier risico willen lopen. Dat was het uitgangspunt van de wet.

De heer Reuten (SP):

Dat is in de rest van Europa toch ook niet zo?

Minister Van der Hoeven:

Wij hebben het nu over Nederlandse wetgeving die hier overigens ook is aangenomen. Laat ik dat ook constateren.

De heer Doek (CDA):

Nu triggert u mij echt, minister. Wij hebben de wet hier aangenomen. Ik ben in mijn bijdrage uitvoerig ingegaan op de totstandkoming van het aannemen van de wet hier. De motie is niet zomaar een motie. Het is niet zomaar een KB. Het gaat om zeer serieuze zaken. Deze Kamer wist verdraaid goed wat zij deed in de omstandigheden waarin zij toen verkeerde. Dat begreep ook uw voorganger heel goed. Ik kan zo de Handelingen pakken en hem uitvoerig citeren. Dat is een ander geluid dan u nu laat horen. Hij omarmde het et cetera. U mag nog terugkomen op mijn analyse dat uw besluit niet gebaseerd is op casussen en dat wij terug zijn in de situatie van 16 november. Toen wisten wij ook precies wat er aan de hand was. Toen wisten wij ook exact hoeveel risico's er zouden kunnen zijn. In de motie worden als voorbeeld eventuele buitenlandse allianties genoemd die een gevaar kunnen vormen. Uw ambtsvoorganger Wijn is er ook heel nadrukkelijk op ingegaan door te zeggen dat hij zich zelfs kon voorstellen dat de risico's bij een grote onderneming anders liggen dan bij een kleine onderneming. Daarom heeft de CDA-fractie aan de overkant de minister nog eens gevraagd om nog eens te praten over criteria waaraan zou moeten worden voldaan. In de brief is de minister daarop niet ingegaan. Zij wist toen nog niet dat het overleg er was.

Minister Van der Hoeven:

Nee, ik kan moeilijk in een brief iets schrijven wat later in een overleg aan de orde komt. Dat is lastig, zelfs voor mij. Daar gaat het nu echter niet om. Ik heb geen zin om op deze manier te antwoorden. Ik doe dat ook niet meer. Ik ga er serieus op in.

De motie, die een aantal overwegingen bevatte, is aangenomen. De motie is geformuleerd zoals zij is geformuleerd. Het gaat om het "tenzij het publiek en onafhankelijk netbeheer in gevaar komt". Daarbij zijn voorbeelden genoemd. Ik denk dat het publiek en onafhankelijk netbeheer wel in gevaar komt. Ik heb dat ook aangegeven. Tegelijkertijd heb ik ook aangegeven dat er overleg moet volgen met de Kamer. Daarmee zijn wij bezig.

De heer Doek (CDA):

Wij hebben overleg, maar hebben wij ook een overleg waarin wij elkaar kunnen overtuigen of er al dan niet sprake is van risico? Ik heb de indruk dat u zo geharnast bent dat u als het ware die vraag voor het overleg al voor uzelf hebt beantwoord. De vraag is of dat risico wel degelijk bestaat. Uw analyse is dat het publieke belang dat meebrengt, omdat de netten theoretisch in gevaar kunnen komen. De vraag is of dat risico werkelijk opweegt tegen alle andere nadelen.

Minister Van der Hoeven:

Volgens mij wel. Dat is ook de reden dat ik het ontwerp-KB aan de Kamer heb doen toekomen. Dat is ook precies de reden dat wij nu met elkaar in discussie zijn. Dat is ook precies de reden dat wij kijken waar wij elkaar kunnen overtuigen en kunnen vinden. Anders stonden wij hier niet.

De heer Schouw (D66):

Ik heb een vraag aan de heer Doek die mij op de lippen brandt. Waarom vergeet hij elke keer heel consequent de brieven die wij op 16 oktober en 13 november van de energiebedrijven hebben gehad, waarin zij schrijven dat zij het wat rustiger aan zullen doen met de internationalisering, indachtig de wensen van deze Kamer? Ik hoor de heer Doek er niet meer over, alsof die brieven niet hebben bestaan, terwijl zij een grote invloed hebben gehad op dit debat. Wil de heer Doek ingaan op het kernpunt van het verder vormgeven van de internationale en commerciële activiteiten van de grote energiebedrijven, met medeweten en zekerheidstelling van de netten? Als zij op overnamepad gaan of verder met hun commerciële activiteiten aan de gang zijn, willen zij kennelijk de splitsing niet accepteren. Willens en wetens nemen zij dat mee. Wat is uw politieke opvatting daarover?

De heer Doek (CDA):

De brief van 21 november is een aanvulling op de brief van de 17de. De achtergrond van de brief van 21 november is uitsluitend en alleen de vraag van het voormalig lid Ketting. Die ging niet over Europa en niet over buitenlandse allianties. Die vraag ging over transparantie, geen discriminatie en evenwichtige marktverhoudingen. Het ging over de discriminatoire toegang tot de netten. Daarover heeft de voorganger van de minister gezegd, na een vraag van de VVD-fractie, dat hij onverwijld met de Kamer in overleg zou treden om het KB te slaan als hij dat gevaar zag opdoemen. Dat was het gevaar van discriminatoir handelen, niet toegang verlenen, waarover het mkb en de Consumentenbond zich zorgen maakten. Ik heb zelf de motie geschreven en ik weet echt wel wat er staat. De tweede brief gaat uitsluitend en alleen over dit stukje: de niet-juiste toegang tot de netten.

De heer Schouw (D66):

Het is fijn dat wij met elkaar overleggen. Niet alleen de data die de heer Doek noemt, zijn fout. Het is een brief van 16 oktober. Misschien moeten wij de brief maar verspreiden, opdat de heer Doek en de rest van zijn fractie die kunnen lezen. De brief gaat ook over heel andere zaken dan de heer Doek nu inbrengt. De energiebedrijven geven daarin aan dat zij misschien een beetje te ver zijn gegaan met liberalisering en privatisering en dat zij in de toekomst, in het licht van dit debat, veel meer aandacht zullen besteden aan de publieke belangen. In die context hebben wij toen met elkaar een debat gevoerd.

Overigens bent u nog een antwoord schuldig op mijn tweede vraag.

De heer Doek (CDA):

Mijn excuses, want ik heb op dit punt de heer Schouw verkeerd begrepen. Ik dacht dat het ging over de briefwisseling tussen de minister en deze Kamer.

Ik heb trouwens in eerste termijn al geantwoord op de vraag van de heer Schouw wat ik van die brief vind. Ik vind het niet opportuun om het nog een keer te zeggen. Het vervolg is er wel degelijk, afgezien van wat persberichten. Het is mij en dus ook de minister bekend, dat er zeer constructief wordt meegedacht door alle maatschappijen om de naleving van deze wet en de borging van de publieke belangen, wat het parlement wil, zo goed mogelijk te secureren, waarbij de risico's tot een minimum verkleind worden.

De heer Schouw (D66):

Ik begrijp van de minister en uit andere informatie dat zij een eventueel commercieel bod zullen doen met zekerheidstelling van de netten, dus inclusief de netten. Dat staat haaks op de wet die hier is aangenomen.

De heer Doek (CDA):

Dit kan de minister snel via haar ambtenaren uit de wereld helpen. Er is geen enkel bod gedaan waarbij de netten worden verbonden, want dat is gewoon in strijd met de I&I-wet die wij in 2004 hebben aangenomen.

Minister Van der Hoeven:

De heer Schouw heeft gelijk. Als een bod wordt gedaan, hebben wij ook te maken met de kredietwaardigheidsbeoordeling. Dat speelt gewoon een rol. De bedrijven hebben ook aangegeven dat zij dit zo zien. Dat is ook de reden dat zij de netten willen houden. Laten wij daar geen doekjes om winden.

Voorzitter. Ik wil overgaan tot de behandeling van een ander onderdeel, een onderdeel dat te maken heeft met de CBL-problematiek. Ten principale wil ik erop wijzen dat het heel verkeerd zou zijn als privaatrechtelijke CBL-contracten, contracten die bijvoorbeeld met u en met mij worden gesloten, het onmogelijk maken om de publieke belangen te borgen. CBL's zijn echter privaatrechtelijke overeenkomsten en de overheid speelt bij het sluiten van die overeenkomsten geen rol. Er is voor de Staat dan ook geen aanleiding om te zorgen voor een verzekering. De betrokken bedrijven hebben goed verdiend aan de CBL-contracten, en dan heb je het over een miljard.

De heer Van Driel (PvdA):

U hebt mij verkeerd begrepen. Ik heb niet gevraagd de Staat voor een verzekering te laten zorgen. Ik heb gevraagd of de Staat in overleg met de bedrijven bereid zou zijn om herverzekeraars te vragen op dit punt een taak te vervullen. Als zij dat willen, kunnen de risico's in beeld komen. U bent namelijk op het punt van de omvang van de risico's veel optimistischer dan ik.

Minister Van der Hoeven:

Ik vind dat de bedrijven op dit punt zelf een rol hebben te vervullen. Hierbij is geen rol voor de Staat weggelegd. Het zijn namelijk privaatrechtelijke overeenkomsten.

De heer Van Driel (PvdA):

Maar de vraag is: wilt u het inschakelen van herverzekeraars bevorderen? U voert namelijk overleg met de betrokken bedrijven. Als u dit niet wilt, neem ik daar nota van. Dat zou mij teleurstellen. Dan ben ik nog wantrouwiger en vraag ik mij af of deze constructie wel goed is. Daar bent u niet verantwoordelijk voor, maar wij zitten wel in hetzelfde schuitje.

Minister Van der Hoeven:

Geen misverstand: de Staat is niet verantwoordelijk voor de CBL's. Ik vind ook niet dat de Staat daarvoor de verantwoordelijkheid moet nemen. De Staat moet de bedrijven ook niet de illusie geven dat wij op dit punt inspraak hebben. De verzekering aan de orde stellen, is iets anders. Dat is geen probleem, maar de Staat kan niet partner worden bij CBL-constructies.

De heer Van Driel (PvdA):

Dat vraag ik ook niet. Ik wijs er alleen op dat het gaat om een risico van 2, 3 mld. Dat risico draagt niet de Staat, maar de bedrijven en daarmee de consumenten en de lagere overheden. Als er iets misgaat, moet het geld ergens vandaan komen. Er wordt dan dividend gebruikt, de prijs gaat omhoog of men doet iets anders. Daarom zeg ik: je moet zodanige maatregelen nemen dat je dat risico tot het uiterste verkleint c.q. uitsluit. Op dat punt heeft u wel een rol te vervullen.

Minister Van der Hoeven:

Mag ik daar later op terugkomen? Later in mijn betoog kan ik mijn standpunt beter beargumenteren en hoef ik het niet alleen te koppelen aan de CBL's.

De voorzitter:

Dat is prima.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. De minister zegt: ik heb niet veel te maken met CBL's; ik heb te maken met publieke belangen. Misschien interpreteren wij "publiek" verschillend, want de aandelen van die bedrijven zijn eigendom van provincies en gemeenten. Daarbij gaat het dus om publieke belangen.

Minister Van der Hoeven:

Maar dat wil nog niet zeggen dat de Staat de verantwoordelijkheid voor de CBL-constructies moet nemen.

De heer Reuten (SP):

Maar de Staat heeft rekening te houden met de publieke belangen van de lagere overheden.

Minister Van der Hoeven:

Die verantwoordelijkheid heeft de Staat wel op zich genomen. Daartoe heeft zij een uitgebreid overgangsrecht in de Wet onafhankelijk netbeheer opgenomen. Het overgangsrecht gaat ook ver. Bij de totstandkoming van het overgangsrecht is bovendien onderzoek verricht door Nederlandse en Amerikaanse CBL-adviseurs. Er is nagegaan wat mogelijk is met de doelstellingen van de WON en er wordt maximaal rekening gehouden met de rechten van investeerders. Het overgangsrecht is besproken en extern gevalideerd. Je hebt niet 100% zekerheid dat geen enkele investeerder zal proberen om zijn schade te verhalen. Die zekerheid kan ik natuurlijk niet geven en dat konden mijn voorgangers ook niet. Nogmaals, de bedrijven en de aandeelhouders hebben het meest geprofiteerd van de CBL's en zij spelen bij deze kwestie een rol. Over het mitigeren van de problematiek, waarbij je kunt denk aan het schuiven in de tijd, kom ik later te spreken.

Er zijn afzonderlijke vragen gesteld over TenneT en de overdracht van het beheer van 110 kV. Met name de heer Van den Berg vroeg om gedetailleerde informatie over de overdracht van het beheer van de hoogspanningsnetten aan TenneT en over de CBL's. Ik kan alleen maar een algemeen antwoord geven, want de CBL-overeenkomsten zijn vertrouwelijk. Dat zijn contracten tussen de bedrijven en de Amerikaanse investeerders. Zoals ik al zei, zijn wij daarbij geen partij. Gedetailleerde informatie heb ik dus niet. Bovendien zou het verstrekken van dergelijke informatie de belangen van energiebedrijven kunnen schaden. Ik kan wel zeggen dat mij geen gevallen bekend zijn waarbij CBL-contracten iedere vorm van beheersoverdracht verhinderen. Een bepaalde vorm van beheersoverdracht lijkt in ieder geval mogelijk. Het lijkt mij goed dat de energiebedrijven en TenneT met inachtneming van de kaders van de wet de beheersoverdracht regelen. Ik behoud uiteraard het overzicht, maar het sluiten van de beheersovereenkomsten zelf is een zaak van de energiebedrijven en TenneT. Zij gaan daarover en DTe houdt toezicht.

De geachte afgevaardigde vroeg wat de stand van zaken is bij de overdracht van de netten en wat de plek van de transformatoren is. Daarbij doet zich een probleem voor. Er wordt nogal gesproken tussen TenneT en de energiebedrijven. De partijen staan lijnrecht tegenover elkaar. Voor de standpunten van beide partijen is iets te zeggen. Er worden thans twee onderzoeken uitgevoerd, een in opdracht van de regionale netbeheerders en een in opdracht van TenneT. Die onderzoeken worden binnenkort afgerond. Ik heb DTe gevraagd om de onderzoeken te valideren en om advies uit te brengen. Het is een gevoelige kwestie en het lijkt mij goed dat ik zeg dat zorgvuldigheid vooropstaat. Ik kan nu niet zeggen hoe de beheersoverdracht er zal uitzien. Zoals ik al zei, hebben beide partijen een verhaal. Op een gegeven moment zullen wij de knoop moeten doorhakken. De partij die buiten de boot valt, zul je ook een vorm van zekerheid moeten bieden, maar als wij zover zijn, wil ik daar de Kamer graag schriftelijk over informeren.

Er zijn verder met name door de heer Van den Berg vragen gesteld over DTe en de rapportages. Natuurlijk zijn er in de eerste periode problemen geweest. De heer Van den Berg wees daar terecht op. Er zijn behoorlijk wat rechtszaken geweest. Daarna is er wel verandering opgetreden. De tarifering van de netwerken heeft geleid tot een besparing op het transport van 1,9 mld. Daardoor hebben de consumenten minder hoeven te betalen. De DTe concludeert dat een deel van de winst op gereguleerde activiteiten niet beoogd was, maar het is waar dat men zich aan de regels heeft gehouden. Die moeten dan ook aangescherpt worden. Ook het functioneren van DTe is geëvalueerd. Bij de evaluatie van de Energiewet en de Gaswet heb ik dat de Tweede Kamer laten weten. Uit die evaluatie blijkt dat DTe op een aantal punten goed scoort. Ik noem: onafhankelijkheid, toegankelijkheid, zorgvuldigheid en professionaliteit. De geachte afgevaardigde heeft gelijk dat er ook verbeteringen nodig zijn. Daaraan wordt gewerkt. Ik meen dat het goed is om te melden dat DTe recentelijk is uitgebreid met de benodigde mensen en dat het meer middelen heeft gekregen om de taken op grond van de Wet onafhankelijk netbeheer goed te kunnen uitvoeren. Met de evaluaties wordt dus duidelijkheid geboden. Daaruit blijkt wat goed gaat en wat niet goed gaat. Op die manier kunnen wij de vinger aan de pols houden.

Hoe nu verder? Om die vraag draait het toch vooral in dit debat. Elke twee jaar wordt het energierapport gepubliceerd. Dat zal nu weer in het begin van 2008 verschijnen. Daarmee wordt ingegaan op alles wat met de Noordwest-Europese energiemarkt te maken heeft. Ik zal daarmee ook iets zeggen over de rol van het publiek aandeelhouderschap, want dat heeft te maken met de leveringszekerheid. Over het publiek aandeelhouderschap wil ik echter nu al iets zeggen. Ik zal in samenspraak met de aandeelhouders een regiegroep instellen om invulling te geven aan hun publieke rol bij een aantal thema's. Ik noem in dit verband verduurzaming, leveringszekerheid, voorzieningszekerheid, Noordwest-Europese markt, toezicht en het op peil houden van de credit ratings. Het lijkt mij erg belangrijk dat wij met een regiegroep het publiek aandeelhouderschap professionaliseren en behouden. Je merkt dat de aandeelhouders op het gebied van de voorzienings- en leveringszekerheid een belangrijke rol kunnen spelen. Overigens is vorige week bij het debat in de Tweede Kamer uitdrukkelijk gevraagd of ook de Bank Nederlandse Gemeenten publiek aandeelhouder kan zijn. Het antwoord daarop is ja. Het verzoek was gedaan door de PvdA, ondersteund door het CDA en andere fracties. Ik meen ook dat het belangrijk is omdat je op die manier een oplossing kunt vinden voor de kleine aandeelhouderschappen. Als aan mij wordt gevraagd hoe het zit met de pensioenfondsen, is mijn antwoord dat dit een private aangelegenheid is. Wat wel kan, zijn leenconstructies, maar aandelenconstructies zijn niet mogelijk. Verder is van belang op welke manier aandelen worden verkocht en welke eisen worden gesteld aan degenen aan wie je verkoopt en wat de optimale schaalgrootte van netbeheerders moet zijn. Dat zijn allemaal zaken die in dat publieke aandeelhouderschap aan de orde moeten komen. Dit najaar is de eerste aandeelhoudersdag gepland. Als er zaken zijn waarvan deze Kamer vindt dat die daar ook aan de orde moeten komen dan hoor ik dat graag. Los van wat er met het Koninklijk Besluit gaat gebeuren, is dat publieke aandeelhouderschap sowieso een goede zaak om in te investeren omdat het nodig is om er verder over na te denken.

De heer Van Driel heeft vragen gesteld over de wereld nadat het KB geslagen is. Hij heeft daarbij gevraagd of het niet goed zou zijn als de Staat de aandelen verwierf. Dat is een oude wens van de PvdA, maar op dit moment is dat niet aan de orde. Ik zie overigens wel een toegevoegde waarde in het opschalen van het aandeelhouderschap van kleiner naar groter en de rol die de BNG daarin zou kunnen spelen.

De heer Van Driel (PvdA):

U zegt dat het niet aan de orde is, maar stel dat de grotere aandeelhouder dat stukje niet wil hebben. De gemeente Renkum wil het aanbieden aan Gelderland, maar Gelderland zegt daarop: wij hebben al genoeg aandelen Essent, dus laat maar zitten. Waarom zou het dan niet aan de Staat aangeboden kunnen worden?

Minister Van der Hoeven:

Wij praten over twee soorten aandelen, namelijk de aandelen in de commerciële bedrijven en de aandelen in de netten. Als het gaat over de aandelen in de netten hebben wij het over het publiek aandeelhouderschap. Echter, aandelen in commerciële bedrijven kunnen sowieso nooit verkocht worden aan de Staat. Dat lijkt mij erg onverstandig want dan gaat de Staat commerciële activiteiten ontplooien. Dat lijkt mij toch wel een probleem. Daarom heb ik het uit elkaar gehaald.

De heer Van Driel (PvdA):

Wat is daar mis mee?

Minister Van der Hoeven:

Ik denk dat dat niet de bedoeling is geweest van de Wet onafhankelijk netbeheer en het is zeker niet de bedoeling van dit kabinet. Dus u zult van mij geen voorstellen op dat punt ontvangen.

De heer Van Driel (PvdA):

Het alternatief is dat het vervreemd wordt en terechtkomt in vreemde handen. Daar heeft u dan meer vrede mee?

Minister Van der Hoeven:

Wij praten over twee soorten aandelen. De aandelen die te maken hebben met de netten blijven in publieke handen. Op dat punt is er door de PvdA gevraagd of het niet goed zijn om na te denken in de toekomst over de vraag of je die als Staat niet zou moeten overnemen. Daarvan heb ik gezegd dat dit mij op dit moment een brug te ver lijkt. Maar het denken moet natuurlijk nooit stil staan. Daarnaast is er sprake van aandelen in het bedrijf dat de commerciële activiteiten ontplooit. Het is dan aan de aandeelhouders zelf om te verkopen, maar de Staat zal zeker niet van plan zijn die aandelen over te nemen.

De heer Van Driel (PvdA):

Eigenlijk zegt u dus: wij hebben er vrede mee als de aandelen verkocht worden aan buitenlandse bedrijven, investeerders of wat dan ook?

Minister Van der Hoeven:

Wat ik zeg is dat aandeelhouders niet behoeven te verkopen.

De heer Van Driel (PvdA):

Nee, maar u wilt ook niet helpen. U behoeft wat mij betreft niet actief op pad te gaan. Echter, ik doel op een situatie waarin een gemeente de aandelen veel liever aan een ander publiek orgaan zou willen verkopen maar dat publiek orgaan te kennen geeft dat niet te willen. Het is een soort last resort, want anders gaat het meer om een ministerie van uitverkoop dan om een ministerie van Economische Zaken. En dat zou ik jammer vinden.

Minister Van der Hoeven:

Ik wil graag een hand helpen bij de invulling van het publieke aandeelhouderschap. Dat is ook de reden waarom wij de aandeelhoudersdag gaan organiseren. Dat is echter iets anders dan dat wij als Staat de aandelen overnemen.

De heer Doek (CDA):

Ik hoor de minister zeggen dat de Staat niet is geïnteresseerd in commerciële activiteiten. Dat hoor ik toch goed?

Minister Van der Hoeven:

Dat hoort u niet goed. Ik heb dat niet zo gezegd. Ik heb aangegeven dat het publieke aandeelhouderschap over de netten gaat. Ik kan mij heel goed voorstellen dat je opschaalt en dat je de BNG als aandeelhouder erbij haalt. Dat gaan wij ook regelen op verzoek van de Tweede Kamer. Dat is iets anders dan de aandelen in het commerciële bedrijf.

De heer Doek (CDA):

Wellicht hebt u wat dat betreft een aversie van het risico. Ik zou in dit verband dan nog wel willen wijzen op het feit dat TenneT, een 100% staatsonderneming, een kabel aanlegt, BritNed geheten, in samenwerking met een commerciële partij. Dat was een kabel die op de commerciële markt niet te financieren was omdat het risico te groot was. Nu heeft TenneT toestemming gekregen van DTe om die investering toch te plegen. TenneT zelf heeft aandelen in Apx, een doodordinair maatschappijtje dat alle risico's van de wereld loopt. Als daar de apparatuur het een keer niet doet, kunnen er gigantische claims komen. Die claims zijn echt veel hoger dan het theoretische risico dat u nu loopt in verband met de splitsing van de distributienetten.

Minister Van der Hoeven:

Nu lopen er twee zaken door elkaar. Als het gaat over TenneT begrijp ik best wel de opmerking die u maakt. Er is inderdaad toestemming voor gegeven, hetgeen ook te maken heeft met zekerheid over en weer. Ik denk ook dat het van belang is dat je het op die manier doet. Dat staat los van hetgeen zo-even door de heer Van Driel werd gevraagd. Ik heb al aangegeven wat ik in ieder geval voorsta, namelijk dat gekeken wordt op welke manier je invulling kunt geven aan de publieke rol als aandeelhouder. Daar liggen een aantal zaken voor op tafel en er zijn een aantal suggesties voor gedaan. Het moet nog van start gaan maar je moet natuurlijk wel kijken welke onderwerpen aan de orde gesteld kunnen worden om de situatie na splitsing zo goed mogelijk te laten zijn. Dus de suggesties die gedaan zijn, worden aan de orde gesteld, maar dat is nog iets anders dan dat ik nu ga uitspreken dat de Staat aandelen van de commerciële bedrijven gaat kopen.

De heer Reuten (SP):

Als ik het goed peil, is de overgrote meerderheid van deze Kamer het volledig met u eens dat het publieke eigendom van de netten gewaarborgd moet worden. De discussie gaat over het publiek eigendom van de producenten c.q. de leveranciers, met name de vier die thans het netbeheer verzorgen. Ik zou u de SP-variant van het PvdA-voorstel willen voorleggen. Bent u bereid op korte termijn een overeenkomst te sluiten met de desbetreffende provincies en gemeenten waarin is afgesproken dat zij bij een voornemen tot vervreemding van de desbetreffende aandelen een voorkeursrecht zouden willen gunnen aan de andere Nederlandse publieke organen?

Minister Van der Hoeven:

Ik ben niet bereid tot het tekenen van een overeenkomst. Wel ben ik graag bereid die variant te bespreken in de regiegroep waar de aandeelhouders bij zitten.

Het gemis aan zeggenschap van aandeelhouders door de structuur-NV betreft een van de vragen die zijn overgebleven. De huidige energiebedrijven zijn structuur-NV's. Dat betekent dat de raad van commissarissen het bestuur benoemt en ontslaat. Sinds 2004 kunnen aandeelhouders hun rol versterken via het verzwakte structuurregime, waarbij de algemene vergadering van aandeelhouders het bestuur benoemt en ontslaat. Dat is vooralsnog niet gedaan. Ik weet dat dit lastig is, aangezien er unanimiteit nodig is en het geagendeerd moet worden in de AVA. Men heeft ook wel andere mogelijkheden, zoals het informatierecht en het recht om in voorkomende gevallen belangrijke investeringen goed te keuren. Dat kan in de statuten worden opgenomen. Dat soort zaken wil ik in ieder geval ook aan de orde stellen op de aandeelhoudersbijeenkomst. Het is immers een zeer terecht punt: je moet bekijken wat je kunt doen om de positie van de aandeelhouders te versterken.

De heer Doek maakte nog een opmerking over de Wet financiering decentrale overheden (Wet Fido). Deze wet dwingt niet tot het afstoten van commerciële deelnemingen die overheden al hebben. De wet geeft decentrale overheden wel mogelijkheden om zelf te bepalen of publieke taken gemoeid zijn met het houden van aandelen in commerciële delen van energiebedrijven. Als de achtergrond van de vraag is dat ik dit aan de orde moet stellen in de aandeelhoudersvergadering, doe ik dat graag.

De heer Doek (CDA):

Mijn vraag was gericht op het dubbele. De overkant doet een beroep op de aandeelhouders om niet voorshands te gaan vervreemden; dat wordt door de minister niet weersproken. Ik begrijp ook dat je bestaande deelnemingen op grond van de Wet Fido niet hoeft te vervreemden. Toen het wetsvoorstel Fido wet werd naar aanleiding van de zaak in Zuid-Holland, speelde dit allemaal nog geen rol. Het rare is dat wij het publieke belang willen borgen door te splitsen – naar mijn oordeel is dit een risico dat niet bestaat, maar goed – maar vervolgens dezelfde overheden oproepen om in de risicodragende ondernemingen te blijven zitten. Dat wil een aantal mensen. Het beste is dan natuurlijk om maar gewoon niet te splitsen. De minister zegt dat het verlichte structuurregime een oplossing kan zijn, maar als de wetgever de borging van de publieke belangen werkelijk zo belangrijk vindt, dan moet het toch aan de wetgever zijn om een voorstel te doen om in de structuurwet te bepalen dat dit niet geldt voor bijvoorbeeld netwerkbedrijven waarvan de overheid 100% van de aandelen heeft. Toen ik eenvoudig gedeputeerde in Gelderland was, stonden bij mij de camera's te draaien als er iets bij Nuon gebeurde. Ik moest altijd zeggen: ik ben maar een kleine eenvoudige gedeputeerde, u moet niet bij mij zijn want ik heb er niets over te vertellen.

Als wij het publieke belang zo belangrijk vinden, dan verwacht ik van de wetgever niet de passieve houding van nu, maar een voorstel voor een wijziging van het structuurregime. Nee, ik had verwacht dat de minister zou zeggen: ik zal dat eens gauw met mijn collega van Justitie opnemen om te vragen of wij hierover een notitie naar het parlement moeten sturen waaruit blijkt hoe wij moeten omgaan met de structuurvennootschap versus borging publieke belangen. Daar gaat het om, mevrouw de minister.

Minister Van der Hoeven:

Die uitdaging neem ik graag aan. Zij past bij wat ik net heb gezegd. Die handschoen neem ik op.

De heer Doek (CDA):

De minister zal zich realiseren dat, als dat goed wordt geregeld, er geen enkele noodzaak meer is om te splitsen.

Minister Van der Hoeven:

Dat ben ik niet met u eens. Dan komen wij weer terug op het vorige verhaal. Mijn opmerking dat ik de handschoen graag oppak is natuurlijk wel gemaakt binnen het kader van deze wet, niet daarbuiten.

De bedrijven hebben bezwaar tegen het verlies van de credit rating. De netten zijn immers voor banken een stabiele factor om goedkopere leningen te verstrekken. In noodgevallen kan immers een beroep worden gedaan op de desbetreffende inkomstenstroom. De credit rating is wel afhankelijk van een veelvoud aan factoren: de omvang van het bedrijf, de marktontwikkelingen, reguleringskader, solvabiliteit, fusies, acquisities. Het is primair een zaak tussen aandeelhouders en bedrijven zelf. De hele Europese sector is toe aan een herziening – sommige zeggen verlaging – van de credit rating omdat alle Europese bedrijven steeds meer commerciële activiteiten ontplooien. Dit is primair een zaak tussen aandeelhouders en bedrijven. Er is een aantal mogelijkheden. Ik heb het publiek aandeelhouderschap al genoemd, maar je kunt ook een garantie stellen voor een publiek aandeelhouder. Ik noem ook een verplichting tot bijstorting op aandelen en het opwaarderen van de credit rating van leningen door de bedrijven bij financiële instellingen, enzovoorts. De gevolgen voor de bedrijven zie ik heel goed. Ik ben ook bereid om binnen mijn mogelijkheden de uitgangspositie van bedrijven op de Europese markt te faciliteren. Allereerst wil ik dat doen door ervoor te zorgen dat de discussie rondom credit rating een onderdeel is van de regiegroep en dus ook van de gesprekken rondom het behoud van het publiek aandeelhouderschap, waarbij dan ook wordt gekeken naar de mogelijkheden van aandeelhouders/bedrijven om die credit rating op peil te houden.

Dit brengt mij tot de laatste twee opmerkingen. De eerste opmerking heeft te maken met de vragen van de heer Van Driel van de Partij van de Arbeid. Hij sprak over de standstillinvestering in het buitenland en het aantrekken van kapitaal uit het buitenland voor de einddatum voor het realiseren van de splitsing. Daarmee doelt de heer Van Driel op de situatie dat bedrijven na het besluit tot inwerkingtreding van het groepsverbod nog steeds doorgaan met buitenlandactiviteiten. Formeel zijn zij tot tweeënhalf jaar na inwerkingtreding niet gesplitst. Dat betekent dat zij zich moeten houden aan alle wettelijke bepalingen. De termijn van tweeënhalf jaar na inwerkingtreding is in de wet opgenomen. Ik meen dat die periode nodig is om alles zorgvuldig te regelen. De bedrijven mogen uiteraard activiteiten ontplooien, maar het is wel de bedoeling dat die activiteiten niet zodanig zijn dat de netten in gevaar komen. Ik ga er daarbij van uit dat bedrijven met hun activiteiten anticiperen op de inwerkingtreding.

De heer Van Driel (PvdA):

Ik vroeg het in het kader van het feit dat wij nu het KB zouden slaan en dat de ingangsdatum daarvan voor ons uitgeschoven zou worden. Het sloeg niet op de tussentijd. Dat was de bedoeling. Het is dus iets anders dan de minister het nu interpreteert.

Minister Van der Hoeven:

Oké. Dat brengt mij dan tot de vraag die de heer Doek aan mij heeft voorgelegd.

Aan het begin van mijn betoog heb ik al gezegd dat de datum van het slaan van het KB niet de datum hoeft te zijn van de inwerkingtreding van het KB. De datum van inwerkingtreding is het begin van de overgangstermijn van tweeënhalf jaar, zoals deze in de wet staat. In de periode tussen nu en het moment dat de splitsing moet zijn voltooid, blijft het beleningsverbod bijvoorbeeld intact. Ik geef maar een voorbeeld. Via het handhavingsplan houdt DTe daarop toezicht. Het privatiseringsverbod blijft ook gelden. Ik ben in ieder geval van plan om een AMvB financieel beheer op te stellen met regels omtrent een goed financieel beheer van de netbeheerder. Dat zijn zaken die in de tussenliggende periode kunnen.

Nu terug naar de vraag van de heer Doek. Hij zei dat de bedrijven in feite twee keer moeten reorganiseren. Daarmee heeft hij een terecht punt. 1. De reorganisatie als gevolg van de overdracht van het economisch eigendom en het ontstaan van de vette netbeheerder. Voor dat punt is overigens het KB geslagen op 16 januari van dit jaar. 2. De reorganisatie als gevolg van de splitsing. De heer Doek vroeg of ik er niet voor kan zorgen dat deze zaken gelijktijdig worden ingevoerd, mede in relatie tot de genoemde data. Ik ben best bereid om die gelijktijdigheid te bekijken. Dat vergt 1. een nieuw KB over de vette netbeheerder, maar dat is denk ik het kleinste probleem en 2. het stelt grenzen aan het opschuiven van de datum van de inwerkingtreding. Daar moeten wij dan wel heel goed naar kijken en daarbij moeten wij de redelijkheid in het oog houden. Ik ben best bereid om na te gaan hoe je deze twee zaken parallel aan elkaar kunt laten verlopen.

De heer Doek (CDA):

Ik dank de minister hartelijk omdat zij deze zaken parallel wil laten verlopen, maar ik was verrast toen zij haar zin stopte. Zij legt uit dat er een verschil is tussen de datum van het KB en de inwerkingtreding. Vervolgens gaan de dertig maanden lopen. Ik noteer trouwens met vreugde dat een reeds geslagen KB ook weer zo is terug te slaan. Dat moet de minister ook bij die andere doen.

Minister Van der Hoeven:

Nee, dat vind ik een niet terechte opmerking. Als je een KB slaat, dan doe je dat serieus, niet om dit KB naderhand weer ongedaan te maken. Mijn opmerking dat ik bereid ben om daarnaar te kijken, is een handreiking in uw richting. Maar als u het zo interpreteert, ken ik er ook nog wel een paar.

De heer Doek (CDA):

Mevrouw de minister, dat was een grapje. U moet mij een beetje kennen.

Het andere is natuurlijk serieuzer. Ik verwachtte dat de minister zou zeggen: en daarbij, geachte senaat, heb ik mij gerealiseerd naar welke datum wij dit kunnen opschuiven. Ik nodig de minister uit om haar gedachten op dit punt met ons te delen, opdat wij ons in de fracties goed kunnen voorbereiden op de tweede termijn die zij ongetwijfeld van ons verwacht.

Minister Van der Hoeven:

Ik verwacht zeker een tweede termijn, maar ik zou het liever willen omdraaien. De heer Doek heeft mij iets gevraagd en ik heb gezegd dat ik daar over wil nadenken. Ik wil de Kamer op dit punt tegemoet komen, maar het opschuiven van de datum van het ontstaan van de vette netbeheerder is wezenlijk voor dit geheel. Als wij die datum naar achteren schuiven, moeten wij zorgvuldig bezien hoever wij daarbij kunnen gaan. Daar wil ik eerst over nadenken. Verder moet ik ook nog rekening houden met de Tweede Kamer. In de Tweede Kamer zegt een meerderheid: nu doen, een gedeelte zegt: helemaal niet doen, en een van de fracties heeft gevraagd: maak er wat ruimte in. Ik heb gezegd dat ik bereid ben om wat ruimte te maken, maar ik voeg hieraan toe dat wij het ontstaan van de vette netbeheerder die nu is voorzien voor 1 juli 2008, niet jaren en jaren naar achteren kunnen schuiven. Dit kunnen wij echt niet maken.

De heer Van Driel (PvdA):

Wij hebben straks, net als veel fracties, nog even beraadslaagd. Daarvoor wil ik de dingen scherp hebben. De minister zegt: wij streven naar een gelijk speelveld, maar vooral in Nederland en niet in Europa. Heb ik dit juist begrepen? Zij zegt dat er in de toekomst wel zal worden gewerkt aan dat ongelijke speelveld in Europa, maar ook dat wij daar nu mee te maken hebben en dat wij het daar voorlopig mee moeten doen.

In de tweede plaats zegt zij dat zij in die staat van ongelijkheid niet bereid is om de Staat als "last resort" te laten optreden voor de commerciële kanten hiervan. Is dit een juiste conclusie?

Minister Van der Hoeven:

Nee, dit is niet de juiste conclusie. De reden van deze wet was dat wij niet wilden dat het publieke belang van de netten belast zou kunnen worden met gevolgen die uit buitenlandse allianties zouden kunnen voortvloeien. Dit heeft ook in de motie gestaan. Dan ontstaat er een gelijk speelveld voor wat betreft de toegang tot het net in Nederland. Dit is een ander verhaal. Over de laatste opmerking van de heer Van Driel heb ik al gezegd dat ik deze zaken uiteraard verder bespreek in het aandeelhoudersoverleg. Ik wil die vraag ook best meenemen naar het kabinet, maar ik kan hier niet uitspreken dat de Staat bereid is om deze aandelen over te nemen.

De heer Van Driel (PvdA):

Dan heb ik het toch goed begrepen. Er is sprake van een ongelijk speelveld. Daar moeten wij het mee doen.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt van 18.35 uur tot 19.35 uur geschorst.