Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2006-2007nr. 36, pagina 1079-1092

Aan de orde is de behandeling van:

de brief van de minister van Economische Zaken van 7 juni 2007 betreffende de splitsing van energiebedrijven (30212, L).

De beraadslaging wordt geopend.

Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Voorzitter. Ik hoop dat ik hier de komende periode van vier jaar niet vaak sta om het woord te voeren terwijl dat eigenlijk niet nodig is. Mijn fractie vindt de argumentatie van de minister in haar brief van 7 juni jongstleden helder, en steunt haar daarin. Het risico dat overwinsten van de energiebedrijven op hun netwerken worden gebruikt voor risicovolle commerciële buitenlandse activiteiten is volgens de minister te groot om ongesplitst door te gaan. Het Europees Parlement heeft op 19 juni jongstleden besloten dat de lidstaten van de Europese Unie op termijn de splitsing van hun energiebedrijven moeten doorzetten. Deze week werd tevens bekend dat de diplomatieke druk op de Europese Commissie wordt opgevoerd. Acht landen, te weten het Verenigd Koninkrijk, Spanje, Zweden, België, Nederland, Denemarken, Finland en Roemenië, zijn voor splitsing. Het argument dat splitsing vanuit Europa niet aan de orde is, gaat dus ook niet meer op. Wij worden keurig bediend!

Daarbij zou ik het willen laten. De minister heeft haar belofte ingelost om in overleg te treden met de Tweede Kamer en de Eerste Kamer, en de beslissing is nu aan haar. Wij willen de minister de bevoegdheid en de verantwoordelijkheid om zelf een risico-inschatting te maken niet ontnemen. De Eerste Kamer speelt geen rol bij de totstandkoming van KB's. De Eerste Kamer toetst wetsvoorstellen. Dat hebben wij gedaan, en het wetsvoorstel is aangenomen.

Ik wil twee dingen zeggen over de brief die de LME de leden van de Eerste Kamer heeft gestuurd, waarin juridische stappen tegen de minister of de staat worden aangekondigd, en waarin ons wordt verzocht dit juridische element mee te nemen bij onze afweging om wel of niet akkoord te gaan met het voorgenomen KB. In de eerste plaats hebben wij niet begrepen dat wij ja of nee hebben te zeggen of kunnen zeggen. Zoals gezegd, speelt de Eerste Kamer geen rol bij de totstandkoming van KB's. Eerste Kamerleden hebben dus met de aangekondigde procedure niets van doen. In de tweede plaats merk ik op dat de rechter niet toets of de Staten-Generaal al dan niet een verstandig besluit hebben genomen. De rechter heeft tot taak, aan de wet te toetsen. Zo'n juridische stap is dus kansloos.

De heer Doek (CDA):

U bent kort en krachtig, maar daarmee wel erg kort door de bocht. U hebt het over overwinsten op het netbedrijf, die gebruikt kunnen worden voor commerciële activiteiten. De overwinsten van het netbedrijf komen echter uitsluitend tot stand op grond van wettelijke regulering en niet meer dan dat. Ik weet dat er een discussie gaande is over de gerealiseerde 400 mln., maar de minister heeft al laten weten dat door het aanpassen van de regelgeving de overwinsten in de toekomst tot het verleden zullen behoren.

U hebt het zo stoer over brieven van acht landen van de Europese Unie aan de Commissie en over een standpunt van de Commissie, maar ik mag u er misschien aan herinneren dat het daarbij uitsluitend gaat over het transportnet in Europa, ondanks dat de pers in Nederland dit verkeerd opvat. Dit is al geregeld doordat de Wet onafhankelijk netbeheer is aangenomen. Het gaat niet over het distributienet.

In de derde plaats zegt u dat de Eerste Kamer geen enkele rol speelt bij de totstandkoming van het KB, maar dan vraag ik mij in gemoede af waarom de vorige VVD-fractie de motie heeft meeondertekend en er ook voor heeft gestemd. Doet de VVD dat zomaar? Ik begrijp er niets van. Dit is een draai die u wel even moet uitleggen. Ik heb zelfs gezegd dat het in deze zeer specifieke situatie gaat om een procedure die eigenlijk nog sterker is dan een voorhangprocedure, omdat het een unieke kwestie betreft.

Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

De minister heeft toegezegd overleg te zullen plegen met de Eerste Kamer. Welnu, dat is gebeurd. De beslissing is nu aan de minister. Ik heb daar verder niets aan toe te voegen.

De heer Doek (CDA):

Volgens mij geldt dan voor de VVD-fractie dat een kinderhand gauw is gevuld. Ik weet niet wat u onder overleg verstaat: het zenden van een brief?

Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Ik heb gezegd wat mijn fractie ervan vindt. De beslissing is nu aan de minister. Het is sneu voor u dat het KB nu wordt gebruikt om iets te bewerkstelligen wat u eigenlijk wilde tegenhouden. Misschien bent u daarover teleurgesteld.

De heer Doek (CDA):

Het is volstrekt helder dat de VVD-fractie achteraf gezien op volkomen onjuiste gronden op 14 november 2006 de motie heeft meeondertekend en vervolgens op 21 november heeft voorgestemd. Uw fractie heeft dat gedaan zonder dat zij een middel in handen wilde krijgen om er nog een keer over te kunnen oordelen. Dat constateer ik dan.

Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Er zijn daarna dingen gebeurd die op dat moment niet bekend waren.

De heer Doek (CDA):

Ik zal er in mijn bijdrage naar verwijzen.

Mevrouw Kneppers-Heijnert (VVD):

Dat is goed, misschien kan ik u dan ook interrumperen.

De heer Schouw (D66):

Voorzitter. Het gaat over energie en dan stijgen gelijk de temperaturen een beetje.

Wij zijn hier bij elkaar om een debat voort te zetten dat wij een halfjaar geleden hebben gevoerd. Eén element van de wet die in deze Kamer op 21 november 2006 is aangenomen, is niet in werking getreden, namelijk het groepsverbod, dat bepaalt dat netbeheerders en producenten niet tot dezelfde groep of hetzelfde bedrijf mogen behoren. Dit groepsverbod of, populair gezegd, de splitsing, is boven de markt blijven hangen. Na ruim honderd dagen denken en een aantal nieuwe feiten is de minister tot de conclusie gekomen dat er toch snel gesplitst moet worden.

Vandaag is hier de kernvraag aan de orde of de keuze van de minister legitiem genoeg is, indachtig de motie die de Eerste Kamer hierover heeft aangenomen. Ik wil daarover zeven opmerkingen maken. In de eerste plaats merk ik op dat deze wet een uitwerking is van een motie van het zeer gewaardeerde Tweede Kamerlid Crone van de PvdA. Het is dus een mooi progressief initiatief uit 2001, dat verder wordt gebracht. Het is natuurlijk bijzonder dat een minister van D66 en twee ministers van het CDA het wetsvoorstel hebben uitgewerkt en te vuur en te zwaard hebben verdedigd in beide Kamers.

In de tweede plaats maken de fracties van D66 en OSF de minister complimenten met het feit dat zij zo verstandig is om snel met dit dossier aan de slag te gaan en haar verantwoordelijkheid te nemen. Sommigen dachten: van uitstel komt afstel. Maar dat is een misrekening geweest. Het zal misschien niet zijn meegevallen om als nieuwe minister op dit dossier overeind te blijven staan in de storm van de machtige energielobby. De afgelopen weken vallen de reclamespotjes op de radio en in de kranten als hagelslag uit de lucht. Het beïnvloedingscircuit draait op volle toeren, en dat mag kennelijk wat kosten. Deze minister is hiertegen bestand en geeft er blijk van, sterk in haar schoenen te staan en eigenstandig beslissingen te nemen. Hulde voor haar doortastendheid!

Een derde opmerking betreft de positie van de D66-fractie en de OSF-fractie met betrekking tot dit dossier. Het zal geen geheim zijn dat wat ons betreft het splitsingsbesluit al in november genomen had kunnen worden. Maar zoals goed gebruik is in deze Kamer, hebben wij geluisterd naar de twijfels, bezwaren en opmerkingen van andere fracties in de Kamer. Met het uiteindelijke resultaat waren wij tevreden, te weten het wetsvoorstel aanvaarden, het groepsverbod in principe accepteren en het groepsverbod op een later tijdstip invoeren. Mijn vierde opmerking gaat over de noodzaak van dat groepsverbod. Wij waren en zijn daar nog steeds groot voorstander van. De netten hebben een publiek karakter. En dat is natuurlijk ook de essentie van deze wet: het borgen van het publiek belang, niets meer en niets minder. Daarmee is de beste leveringsgarantie te bieden. Netten moeten voor iedereen toegankelijk zijn, juist ook voor kleine producenten van duurzame energie. Én, voorzitter, het kan naar de mening van onze fracties niet zo zijn dat de energiereuzen hun buitenlandse avonturen financieren uit de winsten van die netten.

De vijfde opmerking gaat over de ontwikkelingen sinds het debat verleden jaar in de Eerste Kamer. Wie dat debat op 14 november jongstleden heeft meegemaakt, weet dat een aantal mensen van hun stoel viel toen een toen nog geheime brief van vier betrokken geïntegreerde energiebedrijven van 16 oktober 2006, gericht aan de toenmalige minister van EZ, in het debat aan de orde kwam. De heren Blom, Boersma, Boerma en Van Halderen beloofden daarin plechtig om in elk geval in de komende jaren de energiedistributiesector te laten opereren binnen het nationaal publieke domein. Deze brief oogstte in deze Kamer ongeloof omdat de bedrijven in de tijd daarvoor het woord internationalisering van de daken schreeuwden. Waren zij echt tot een ander inzicht gekomen of was het een laatste poging om deze Kamer te beïnvloeden?

Op 13 november van dat jaar kreeg deze Kamer weer een brief van het viertal. Zij stelden daarin dat hun eerdere opstellingen niet goed waren. Die opstellingen hadden te maken met de strijd tussen enerzijds de minister van EZ en anderzijds de belangen van de energiesector. Zij gaven daarin toe dat zij te weinig op samenwerking gericht waren. Het was ook een brief waarin beterschap werd beloofd. Men kan zich wel herinneren dat deze brief samen met de voorgaande brief een grote invloed op het debat hadden. De energiebedrijven zouden immers meer nationaal gaan samenwerken en hun internationale ambities daarbij achterstellen.

Inmiddels weten wij wat dit soort beloften per brief waard zijn. De minister heeft daar ook nog een reactie op gegeven die eigenlijk niets aan twijfel overlaat op basis van de vragen die de SP-fractie daarover verleden week gesteld heeft. Delta wil een Europese speler worden in de afvalbranche en Essent en Nuon willen fuseren om beter op het Europese toneel te acteren. Zij geven aan, een beetje schaamteloos in het licht van de twee brieven, dit te willen doen als geïntegreerd bedrijf. Zij lijken daarmee een lange neus te maken naar de wetgever. Wij, zo is mijn opvatting, zijn daarmee wel een beetje op het verkeerde been gezet. Ik vind dat zeer kwalijk, mede vanwege het maatschappelijk karakter van deze bedrijven.

Mijn zesde opmerking gaat over geld. Wij vinden net als de minister dat opbrengsten van de netten als publieke voorziening, tot de publieke middelen behoren. Die opbrengsten kunnen dus niet worden gezien als een vrij besteedbare winst voor een energiebedrijf. Commerciële avonturen moeten ergens anders uit worden betaald. Het zou echt de omgekeerde wereld zijn als NMa/DTe keer op keer bij energiebedrijven moest gaan beoordelen of er al dan niet sprake is van kruisbestuiving en zo ja, in welke mate. Dat is nu echt overbodige bureaucratie.

Mijn zevende opmerking betreft de duiding van dit debat en een eindoordeel in het licht van de motie. Dit debat is een logisch vervolg op de motie. Daarin wordt de minister gevraagd om, alvorens een KB te slaan, met beide Kamers te overleggen. Daarover wil ik drie opmerkingen maken:

  • 1. De Tweede Kamer heeft verleden week naar ik heb begrepen met grote meerderheid dit beleid en het slaan van het KB omarmd;

  • 2. Het slaan van een KB is een aangelegenheid van het kabinet en behoeft dus niet de instemming van deze Kamer; overleg is prima, maar instemming is niet nodig;

  • 3. Het kabinet kan, gehoord beide Kamers, zijn eigen verantwoordelijkheid nemen.

Ik stel vast dat de motie van 14 november 2006 zich uitspreekt voor een publiek en onafhankelijk netbeheer en dat de voorgenomen fusie en de overduidelijke buitenlandse ambities van energiebedrijven dit onafhankelijke netbeheer in gevaar brengen. De minister volgt wat onze fracties betreft de motie dan ook consequent uit. Zij doet wat deze Kamer met het kabinet heeft afgesproken: splitsing realiseren.

De heer Doek (CDA):

Ook de heer Schouw heeft de mening dat deze Kamer geen rol heeft bij het Koninklijk Besluit. Ook al is het slaan van een Koninklijk Besluit de bevoegdheid van het kabinet, de regering, dan betekent dit nog wel dat dit gebeurt binnen de ministeriële verantwoordelijkheid van het kabinet. Daarover zouden wij wel een oordeel mogen hebben, dus over hoe die verantwoordelijkheid gebruikt wordt. Het feit dat de Kamer geen enkele rol heeft bij het slaan van een KB, ontslaat een volksvertegenwoordiger nog niet van de verplichting om daarover een oordeel te hebben.

De heer Schouw (D66):

Dat oordeel heb ik en dat heeft de heer Doek uit mijn bijdrage kunnen afleiden. Ik zal het nog even samenvatten. De minister heeft keurig gedaan wat wij wensten: overleg met beide Kamers. Ter voorbereiding van dat overleg is er een brief naar beide Kamers gestuurd waarin de motieven zijn uiteengezet. Ik heb aangegeven dat ik die motieven van de minister ten volle deel, als het gaat over de ministeriële verantwoordelijkheid. Ik vind dat die verantwoordelijkheid zeer adequaat en zeer juist is ingevuld. Het is vandaag aan deze Kamer om daarover te praten. Ik voeg hieraan toe dat de regering natuurlijk de verantwoordelijkheid heeft om al dan niet het pad op te gaan van een Koninklijk Besluit. Ik hoef de heer Doek er niet aan te herinneren dat hij als lid van een regeringspartij ook via andere lijnen dan deze Kamer invloed op de regering kan hebben, als zijn verzet zo hoog is als ik vermoed.

De heer Doek (CDA):

Voorzitter. In november 2006 vond in deze Kamer het debat plaats over de Wet onafhankelijk netbeheer, ook wel splitsingswet genoemd. Deze wet bevat in hoofdzaak drie zaken:

  • 1. de overdracht van het beheer van het hoogspanningsnet aan TenneT, een 100% staatsonderneming;

  • 2. het creëren van "vette netbeheerders", zodat de netbeheerders ook het economische eigendom van de distributienetten zullen hebben;

  • 3. het introduceren van het groepsverbod, de eigenlijke splitsing.

In deze Kamer bestond volledige instemming met de eerste twee genoemde zaken. Omtrent het groepsverbod bestond bij vele fracties evenwel grote twijfel. Deze twijfel vond neerslag in de door mij en mevrouw Sylvester ingediende en door alle fracties, met uitzondering van die van de Socialistische Partij, ondertekende motie.

Op 21 november 2006 werd deze motie, nadat de minister van Economische Zaken bij brief van 17 november had bevestigd, overeenkomstig het dictum van de motie te zullen handelen, door de hele Kamer aangenomen. In zijn brief van 21 november 2006 drukt de minister dat nog eens als volgt uit: Gelieve deze brief te zien als de schriftelijke bevestiging van de volledige uitvoering naar letter en geest. Vervolgens werd de Wet onafhankelijk netbeheer met alleen de stem van de leden van de SP-fractie tegen, aangenomen.

Vandaag bespreken wij de brief van de minister waarin deze het besluit toelicht om met ingang van 1 augustus 2007 het KB te slaan.

Namens de CDA-fractie wil ik achtereenvolgens ingaan op de volgende onderwerpen:

  • 1. de door de minister gevolgde procedure;

  • 2. de voor het CDA essentiële zaken;

  • 3. de onderbouwing van het besluit;

  • 4. de gevolgen van het besluit.

Allereerst de procedure. Het slaan van een KB is de verantwoordelijkheid van de regering. Daarover is bij niemand in dit huis, ook niet bij onze fractie, enig misverstand mogelijk. De onderhavige situatie wijkt daar naar het oordeel van de CDA-fractie echter van af vanwege de toezegging die de regering zowel in het plenaire debat als in de schriftelijke bevestiging heeft gedaan. Het toegezegde overleg dient immers volgens het dictum van de motie plaats te vinden, voorafgaand aan een besluit tot inwerkingstelling van de relevante splitsingsbepalingen.

De situatie zoals die is beschreven in de brief van de minister van EZ van 21 november jongstleden op grond van een vraag van de VVD-fractie is onzes inziens niet aan de orde. Die vraag viel meer in de categorie dijkbewaking. De voorganger van de minister voegde er in zijn brief van 17 november 2006 nog aan toe: "Vanzelfsprekend zal dit tijdig geschieden." De verrassing was dan ook groot toen deze Kamer uit de krant moest vernemen dat de minister in een algemeen overleg van 3 april jongstleden in de Tweede Kamer het voornemen bekend maakte om het KB tot inwerkingstelling van het groepsverbod nog voor de zomer in beide Kamers voor te hangen en af te handelen. Dit klemt te meer daar de motie in deze Kamer was aangenomen. De toezegging was ook aan deze Kamer gedaan. Zeker gelet op de unieke situatie bij deze motie, waarmee de inwerkingstelling van een belangrijk onderdeel van de wet werd opgeschort, had deze Kamer toch op zijn minst mogen verwachten dat de minister haar vóór of ten tijde van dat overleg met de Tweede Kamer zou hebben geïnformeerd over haar voornemen.

Vervolgens verschijnt de brief van 7 juni, waarin de minister eenzijdig de termijn van behandeling fixeert op vier weken en reeds een concept-KB met als datum 1 augustus 2007 als bijlage bijvoegt. De CDA-fractie is van mening dat de minister de motie niet naar behoren heeft uitgevoerd. De minister zal ongetwijfeld zeggen dat de motie naar de letterlijke tekst is uitgevoerd. Voorzitter, wij doen in dit huis niet aan letterknechterij. De geest van de motie was klip en klaar, de minister en haar voorganger hebben alles buitengewoon goed begrepen, maar er niet naar gehandeld. Het behoeft geen betoog dat de reactie van de minister hierop voor mijn fractie nauw luistert.

Een aantal voor de CDA-fractie essentiële zaken. Op 13 november 2007 heb ik aangegeven dat onze fractie deze problematiek in een breed kader wil bezien, omdat zowel de voorzieningszekerheid als de leveringszekerheid van energie voor onze samenleving van vitaal belang is. Om die reden hebben wij ook volledig onderschreven dat de netten te allen tijde in handen van de overheid moeten blijven. Daarnaast hebben wij vraagtekens gezet bij de proportionaliteit en de opportuniteit van het voorgestelde groepsverbod. Voor de CDA-fractie was het essentieel, hoe de relevante markt in Europa eruit zou gaan zien en of de toekomst aan geïntegreerde bedrijven of aan gesplitste bedrijven zou zijn, dit laatste in verband met het nagestreefde level playing field op de markt van Noordwest Europa. Ook menen wij dat de CBL-problematiek nog steeds vele onzekerheden vertoont.

Dan de onderbouwing van het besluit. In de genoemde brief wordt een aantal ontwikkelingen sinds 14 november 2006 aangegeven. Er zijn drie rapporten van de DTe verschenen, die betrekking hebben op de vier grote, geïntegreerde bedrijven in Nederland. Ik loop ze even langs. Het eerste is het onderzoeksrapport van 2 mei 2007 inzake de verrekenprijzen. De DTe komt tot de conclusie dat er bij de bedrijven sprake is van een transparant en adequaat opgezet intern verrekenprijssysteem. Voorts acht de DTe de kans op financiële bevoordeling via kruissubsidies gering. Het tweede is het onderzoeksrapport van 2 mei 2007 over de winsten van de energiemaatschappijen. De DTe concludeert: "De energiemaatschappijen behalen met de gereguleerde activiteiten meer rendement dan het normrendement dat in het kader van de regulering is vastgesteld. Dit rendementsverschil wordt veroorzaakt door vijf factoren. Al deze factoren zijn toegestaan binnen de wettelijk kaders en de huidige reguleringssystematiek. Het rendementsverschil is dus rechtmatig behaald." Het derde is het onderzoeksrapport van 4 juni 2007 – het houdt niet op – inzake publiek en onafhankelijk netbeheer, dus eigenlijk een rapport over de voortgang sinds november. Ook hierbij komt de DTe tot conclusies die gunstig zijn voor de verticaal geïntegreerde energiebedrijven. Wel doet de dienst enige voorstellen voor nadere regelgeving ten behoeve van enige aanpassingen die waarschijnlijk anders ook zouden moeten worden doorgevoerd. Al deze conclusies verbazen de CDA-fractie geenszins, daar zij op verschillende momenten tijdens de behandeling van deze wet reeds vraagtekens had gezet bij de in de memorie van toelichting en in de memorie van antwoord ingenomen stellingen en gedane beweringen.

Vervolgens wordt in de brief de overname van lndaver door Delta besproken; daarover heeft de DTe op 30 mei 2007 een rapport uitgebracht. De conclusie van de dienst is dat de overname van lndaver op dit moment geen gevaar oplevert voor een publiek en onafhankelijk netbeheer, omdat de overname geen invloed heeft gehad op de financiële situatie, het eigendom of de contractuele situatie van het netwerkbedrijf voor de transactie. Wel wijst de DTe op mogelijke risico's voor het netbeheer als Delta Holding of holdings in het algemeen, mede door te veel overnames van bedrijven waarbij in risicovolle activiteiten is belegd, onvoldoende financieel solide blijkt te zijn. Alle voorbehouden die ik noem, zijn letterlijk in het rapport van de DTe genoemd.

Voorts wordt er in de brief van 7 juli jongstleden de aankondiging op 1 februari 2007 van de voorgenomen fusie van Nuon en Essent genoemd. Er is sprake van een Europese strategie waarbij deze fusie een eerste stap is. En voorts wijst de minister er in de brief op dat beide bedrijven meermalen hebben aangegeven, als geïntegreerde bedrijven, dus inclusief de netwerken, een sterke speler te willen worden op de markt van Noordwest Europa en daarom op zoek te willen gaan naar een internationale partner om verder te kunnen groeien. De CDA-fractie juicht deze ontwikkeling op zichzelf toe, mits het onafhankelijk netbeheer niet in gevaar komt, zoals wij altijd hebben gesteld. Voor de minister is voldoende gebleken dat de vermelde ontwikkelingen risico's voor het publiek en onafhankelijk netbeheer met zich mee kunnen brengen. Overigens heeft de minister volgens de brief haar besluit niet gebaseerd op individuele casussen. Dit is op zichzelf voor ons ook niet verrassend, daar zowel de voorgenomen acquisitie door Delta als de voorgenomen fusie van Nuon en Essent op 14 november 2006 reeds bekend was. Minister Wijn heeft indertijd deze aangekondigde fusie zelfs in het debat genoemd. Maar als de minister stelt dat haar besluit niet is gebaseerd op individuele casussen, dan zijn wij weer terug bij de algemene problematiek op grond waarvan deze Kamer unaniem de inwerkingstelling van de gedwongen splitsing opschortte. Is de minister het met deze analyse eens?

De heer Schouw (D66):

U loopt er even overheen, maar ik vind in dit hele dossier de twee brieven van de energiebedrijven toch ook wel saillant. Die zijn van grote invloed op het debat in deze Kamer geweest. Ze hebben toen de vertegenwoordigers van de fracties van VVD, D66 en OSF ertoe gebracht, mee te denken over de motie waartoe u toen dat mooie initiatief had genomen. U laat deze twee brieven nu helemaal weg, terwijl het toch ook wel relevant is om te weten hoe u hier tegenover staat.

De heer Doek (CDA):

Wij hebben op zichzelf helemaal geen probleem met internationale activiteiten van bedrijven. Het zou bekrompen zijn om te denken dat een afvalbedrijf 30 km over de grens bij Sluis gevaarlijker zou zijn dan eenzelfde bedrijf in Delfzijl, 300 km noordelijker. Als u mij kunt uitleggen dat dit toch zo is, dan ben ik gaarne bereid om te luisteren naar wat meer risico's met zich meebrengt. Het ging ons om handelen naar de geest van de motie, wij doen niet aan letterknechterij. Activiteiten moeten het onafhankelijk netbeheer niet in gevaar kunnen brengen. Minister Wijn had dit goed begrepen, want hij zei letterlijk dat je dit misschien zelfs relatief zou moeten zien, dat een bepaalde acquisitie door een klein bedrijf misschien meer risico oplevert dan eenzelfde of zelfs grotere acquisitie door een grote onderneming. Dit is toen dus onderkend. Rekening houden met het publieke domein betekent op zichzelf helemaal niet dat je niets in het buitenland kan doen. Toen de brief geschreven werd, wisten wij allen dat Nuon, Essent en de andere bedrijven ook heel andere activiteiten ontplooien dan energielevering. Er zijn grotere providers bij, telecombedrijven, afvalbedrijven enzovoorts. En wij wisten ook dat ze op het ogenblik behoorlijk omvangrijke activiteiten in het buitenland ondernemen. Maar dit geldt ook voor ons staatsbedrijf TenneT; ik heb hier indertijd met instemming van de VVD-fractie tegen gefulmineerd.

De heer Schouw (D66):

De grote vier gaven in de brieven aan dat zij hun internationale ambities zouden temporiseren en dat zij aandacht zouden besteden aan de borging van het publieke domein. Dit bracht een kentering in het debat teweeg, maar de bedrijven hebben zich niet gehouden aan de afspraken die zij via die brieven zelf met deze Kamer hadden gemaakt. Vandaar dat de redenering van de minister logisch is.

De heer Doek (CDA):

Mijnheer Schouw, u zegt: daar hebben zij zich niet aan gehouden. Er wordt door de minister gesproken over een voorgenomen fusie. Men citeert uit persberichten, en dat zou de reden moeten zijn om een Koninklijk Besluit te slaan? Dat gaat naar ons oordeel erg ver.

Mevrouw de voorzitter. De minister geeft in haar brief aan dat zij zich realiseert dat dit besluit vergaande consequenties heeft voor de Nederlandse energiebedrijven en zij voegt daaraan toe dat zij bereid is om met de bedrijven na te gaan op welke wijze zij een goede start kunnen maken op de Europese energiemarkt. Tevens kondigt de minister aan, dit ook met de aandeelhouders te bespreken. Mag ik de minister vragen om in haar antwoord uitgebreid in te gaan op de vergaande consequenties die zij ziet en welke acties haar voor ogen staan om de desbetreffende energiemaatschappijen bij te staan? Met name de verlaging van de zogenaamde credit ratings als gevolg van het verbreken van de groepsstructuur zal vergaande gevolgen hebben voor de concurrentiepositie van de Nederlandse energiesector. Hoe denkt de minister hier soelaas te bieden?

Tevens verzoek ik de minister om in te gaan op een punt waarover de woordvoerder van de VVD de vorige keer uitvoerig heeft gesproken, namelijk haar besprekingen met de aandeelhouders. Wil zij daarbij betrekken de Wet Fido? Het is toch op zijn minst tegenstrijdig om enerzijds de geïntegreerde bedrijven gedwongen te splitsen wegens vermeende risico's van commerciële activiteiten en anderzijds deze aandeelhouders op te roepen om nog meerdere jaren aandeelhouder te blijven?

Een ander aspect dat tot nu toe onderbelicht is gebleven, betreft de vraag of de provinciale en de gemeentelijke aandeelhouders in de straks gesplitste maatschappijen enige relevante zeggenschap zullen hebben om het publieke belang te waarborgen. Immers, gelet op hun omvang in kapitaal en aantal werknemers zal op die vennootschappen het structuurregime van toepassing zijn.

De CDA-fractie is verontrust vanwege de aankondiging van het besluit om op dit moment over te gaan tot het in werking stellen van de groepsverbodsbepalingen. De door de minister gegeven onderbouwing heeft een wel erg theoretisch gehalte. Nederland kent al meer dan honderd jaar geïntegreerde energiebedrijven met provincies en gemeenten als aandeelhouders, die er samen met de directies en werknemers voor gezorgd hebben dat Nederland een uiterst betrouwbare energievoorziening kent met een zeer gering aantal storingsminuten per jaar. De door de minister gegeven argumenten waren alle bekend op 14 november 2006 en de rapporten van DTe geven hooguit aanleiding tot wat verfijningen van de regelgeving, die overigens misschien ook zonder splitsing hadden moeten worden overwogen.

De CDA fractie vreest dat door de aangekondigde splitsing processen zullen worden losgemaakt die niet in het belang van Nederland zijn. Ik noem de onvermijdelijke verkoop van de productie en de handelstakken van de nu nog geïntegreerde bedrijven aan buitenlandse geïntegreerde bedrijven. Het is toch cynisch dat het Deense geïntegreerde overheidsbedrijf Dong zich al uitdrukkelijk heeft gemeld, zie het interview in de NRC van 23 juni jongstleden. De minister kan het toch niet wenselijk vinden dat buitenlandse geïntegreerde bedrijven hier energie gaan leveren, terwijl onze bedrijven aan slagkracht inboeten? Graag een reactie van de minister op mijn opmerkingen over deze scheve situatie.

Hier wreekt zich dat er ondanks ons pleidooi en dat van anderen geen sprake is van wederkerigheid in de Europese Unie op dit vlak. Veel mensen zijn momenteel bezorgd over de verkoop en opsplitsing van bijvoorbeeld ABN AMRO. Daar kunnen wij echter als wetgever niets aan doen, maar juist bij een voor de Nederlandse positie op de internationale energiemarkt belangrijke sector creëert de minister van Economische Zaken willens en wetens het levensgrote risico dat Nederland binnenkort geen eigen energiesector meer heeft.

De CDA-fractie mist node een brede visie van de minister op de internationale ontwikkelingen op energiegebied en de mogelijke rol van een sterke Nederlandse sector, waarin de terechte zorg voor het publieke belang haar plaats heeft. Gaarne krijg ik hierop een reactie van de minister. En dat alles tegen de achtergrond dat Nederland voldoet aan alle richtlijnen van de EU op dit terrein en het naar onze inschatting nog jaren kan duren voordat het ook in de andere EU-landen komt tot een gedwongen afsplitsing van de distributienetten. Let wel, ik heb het over distributienetten. Wij hebben het niet over transportnetten. Daarvoor hebben wij als een van de weinige landen in de EU met deze wet een regeling getroffen.

De CDA-fractie wil nog eens benadrukken dat zij niet tegen de splitsing op termijn is, maar zij wil die niet nu. In dit verband vraagt de CDA-fractie aandacht voor het volgende en ik sluit daarmee aan bij de slotwoorden van minister Wijn aan het eind van zijn eerste termijn op 14 november 2006. Hij zei: "Ik ben altijd bereid om met de Kamer van gedachten te wisselen voor een zorgvuldige inwerkingtreding van deze wet. Voor ideeën sta ik altijd open."

Bij de behandeling van de I&I-wet in 2004 is de inwerkingstelling van de bepalingen met betrekking tot het creëren van de "vette" netbeheerder uitgesteld tot de aanname van de Wet onafhankelijk netbeheer. Dit gebeurde om de volstrekt logische reden dat men de bedrijven niet met twee reorganisaties achter elkaar wilde opzadelen. Doordat de splitsing is uitgesteld tot een later tijdstip gaat zich nu ongewild voordoen wat toen, in 2004, expliciet niet werd gewild, namelijk twee opeenvolgende reorganisaties. De CDA-fractie pleit ervoor om het tijdstip van het creëren van de vette netbeheerder te koppelen aan de datum van effectuering van het groepsverbod. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister.

De fractie ziet grote risico's bij de inwerkingtreding per 1 februari 2010. Deze risico's betreffen de directe gevolgen voor de credit rating van de energiemaatschappijen, die daardoor op het gebied van investeringen en op het gebied van de verwerving van grondstoffen op de internationale markt direct op achterstand worden gezet ten opzichte van hun geïntegreerde buitenlandse collega's. Tevens dienen de bedrijven met CBL-contracten te voldoen aan afgesproken credit ratings. Niet voldoen aan deze credit ratings zal leiden tot gedwongen aanpassing van deze contracten met het risico van voortijdige beëindiging met alle gevolgen van dien. Bij mijn weten is deze problematiek bekend bij het departement.

Door iets meer tijd te nemen voor de gedwongen splitsing kan het proces van splitsing beter verlopen. Het is bepaald geen sinecure om bedrijven die in de loop van tientallen jaren zijn ontstaan, te ontvlechten. Door langer de tijd te nemen, wordt de problematiek van de credit ratings overzichtelijker en krijgen de bedrijven de gelegenheid om op verantwoorde wijze de CBL-problematiek af te wikkelen.

Waarom kan het tijdstip van de realisatie van de gedwongen splitsing niet verschoven worden naar een latere datum en wordt niet eerst de met de motie afgedwongen rapportage door de DTe per 1 november aanstaande afgewacht? Door een latere datum te kiezen voor het slaan van het KB en het ingaan van de wet krijgt de minister de ruimte om met de sector en haar aandeelhouders tot een goede afstemming te komen over een adequaat implementatietraject. Graag krijg ik hierop een reactie van de minister. Bijkomend voordeel is dat door verschuiving in de tijd waarschijnlijk, zoals de optimisten zullen zeggen, splitsing van distributienetten in EU-verband dichterbij komt.

De CDA fractie kijkt met meer dan gewone belangstelling uit naar het antwoord van de minister.

De heer Schouw (D66):

Mevrouw de voorzitter. Om meer duidelijkheid te krijgen over de politieke positie van de grootste fractie van dit land, wil ik de heer Doek nog twee vragen stellen. Klopt het dat de CDA-fractie in de Tweede Kamer als één blok achter het voorstel van deze minister staat om direct over te gaan tot splitsing? Klopt het dat het CDA-smaldeel in dit kabinet als één blok achter deze minister staat om terstond over te gaan tot splitsing?

De heer Doek (CDA):

Over de positie van de CDA-fractie aan de overkant merk ik het volgende op. Ik heb het desbetreffende AO gevolgd, weliswaar niet in de zaal, maar gelukkig kon ik dat via internet volgen. Ik herinner mij dat onze collega's aan de overkant de minister met name hebben opgeroepen om met grote zorgvuldigheid om te gaan met de motie en om de criteria die daarin genoemd worden, in aanmerking te nemen. Zij hebben de minister gevraagd daarover overleg te plegen met de gehele Eerste Kamer en uiteraard met de fractie van het CDA in de Eerste Kamer.

Wat uw tweede vraag betreft: ik ben niet in staat om daarop antwoord te geven.

De heer Schouw (D66):

Dank u wel. Ik zal deze twee vragen ook aan de minister stellen.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Reuten, die zijn maidenspeech zal houden.

De heer Reuten (SP):

Voorzitter. Ik dank de minister van Economische Zaken voor haar antwoord op de door de SP-fractie schriftelijk gestelde vragen naar aanleiding van haar brief aan de Kamer van 7 juni 2007 aangaande de Nederlandse energievoorziening, in het bijzonder het voorgenomen in werking stellen van de splitsing van het energienetbeheer en de energieproductie en -levering.

De antwoorden van de minister nemen niet weg dat ik in haar genoemde brief geen overtuigende argumenten zie om haar te ontheffen van de ministeriële toezegging de splitsing c.q. het groepsverbod niet in werking te stellen. Die toezegging is gedaan naar aanleiding van de in deze Kamer op 21 november 2006 Kamerbreed, dus ook door de SP, aanvaarde motie-Doek/Sylvester c.s.; een motie die, in de woorden destijds van mijn fractievoorzitter, de splitsingswet veranderde in geen splitsingswet. Overigens is het goed te memoreren dat mijn fractie als enige tegen de wet stemde, omdat zij van mening bleef dat met de motie weliswaar de angel uit de wet gehaald leek te worden, maar de wet als zodanig een slechte wet bleef.

Het vervolg van mijn betoog begint algemeen, gaat dan naar een aantal specifieke zaken en eindigt wederom algemeen en concluderend. Ik bespreek vijf punten.

Net als de minister dit op bladzijde 2 en 3 van haar brief doet, wil ik eerst ingaan op de brede context van het beleidsvoornemen. Op bladzijde 2 van de brief stelt de minister: "Het groepsverbod, splitsing dus, is geen op zichzelf staand beleidsinitiatief. Het moet worden gezien in de context van het brede energiebeleid." Vervolgens geeft de minister, zoals zij het zelf noemt, vier kernelementen c.q. kernargumenten van dit beleid aan. Ik ga in op de eerste drie daarvan.

Het eerste betreft de randvoorwaarden voor de stimulering van duurzame energie. De minister stelt: "Voorts zal de inzet op duurzame energie de afhankelijkheid van het buitenland verder terugbrengen." Ik wil graag van de minister weten of onafhankelijkheid van het buitenland inderdaad deel uitmaakt van "het brede energiebeleid" zoals zij stelt. Graag willen wij ook weten of dergelijke onafhankelijkheid deel uitmaakt van het beleid van Economische Zaken in het algemeen. Het komt ons voor dat dit, om het zacht te stellen, op gespannen voet staat met het beleidsoogmerk van internationaal vrij verkeer van goederen en kapitaal dat wij elders in het beleid menen te kunnen ontwaren. Met andere woorden, het beleid lijkt te zijn: vrij internationaal verkeer, dus afhankelijkheid van het buitenland, maar toch liever niet. Het komt ons voor dat dit inconsistent is. Graag horen wij de reactie van de minister hierop.

Bij het tweede kernelement geeft de minister aan: "In de geliberaliseerde markt zorgen marktpartijen voor investeringen in productiecapaciteit. Deze investeringen komen tot stand in een goed functionerende markt en een aantrekkelijk investeringsklimaat. Inwerkingtreding van het groepsverbod realiseert dit." De minister vervolgt dan: "Het feit dat circa 50% van de Nederlandse elektriciteitsproductie reeds door buitenlandse bedrijven geschiedt, draagt bij aan de leveringszekerheid voor Nederland." Ik neem aan dat de minister net als ik ziet dat dit tweede kernargument van haar beleid in tegenspraak is met het eerste, dat op zichzelf al inconsistent was. Immers, waar de minister zich eerst positief uitlaat over onafhankelijkheid van het buitenland, hanteert zij hier de afhankelijkheid van buitenlandse bedrijven als aanbeveling. Graag wil ik van de minister weten hoe zij deze inconsistente argumentatie verenigt.

Het derde kernelement van het beleid – wij wezen daar reeds op in onze schriftelijke vragen – plaatst het geheel in een opmerkelijk perspectief. Waar er in het tweede kernargument nog sprake is van een geliberaliseerde markt, suggereert het derde kernargument het samen optrekken van de staat en de bedrijven van de ene natie tegen dat van de staat en de bedrijven van een andere natie. Hier lijkt de minister zich te bekennen tot een beleid dat veel weg heeft van een achttiende-eeuws mercantilisme. De minister spreekt hier immers van"onze relaties met de energieproducerende landen", waarbij zij vermoedelijk toch doelt op de staat c.q. de regering. Graag wil ik van de minister weten of zij zich inderdaad bekent tot een natie-economische politiek, waarin de Nederlandse Staat en bedrijven samen optrekken tegenover de energieproducerende staten of wellicht buitenlandse staten in het algemeen. Vervolgens wil ik graag weten hoe dit zich verhoudt tot neoliberale beleidsideeën over vrij internationaal verkeer van goederen en kapitaal waarachter een anationale politiek lijkt te schuilen.

Voor de volledigheid constateer ik dat bij het vierde en laatste kernelement van het beleid gemeld wordt dat de onderhavige splitsing geenszins gedwongen is op grond van EU-regels en dat de minister dus eigenstandig voor dit beleid kiest.

Samenvattend op dit punt van de context van het brede energiebeleid: het spreekt voor zichzelf dat het ingewikkeld is om oppositie te voeren dan wel medestand te betuigen ten opzichte van een inconsistent gefundeerd beleid. Wij roepen de minister dan ook op om haar beleidsargumentatie te herzien; het gaat hier om zeer elementaire zaken. Het spijt ons dat deze oproep nodig is in deze fase van een dergelijk omvangrijk en voor de Nederlandse bevolking belangrijk dossier.

Ik kom tot mijn tweede punt. Hoofdkwesties voor de inwerkingstelling zijn enerzijds de internationale aspiraties van een aantal betrokkenen, waarop ik straks indirect inga en anderzijds die van het zogenoemde "gelijke speelveld". De voetbalmetafoor van Economische Zaken spreekt mij overigens in dit verband wat minder aan. Ik ga kort in op deze laatste kwestie, waarop wij in de schriftelijke uitwisseling geen afdoende antwoord kregen. Op bladzijde 2 van haar brief stelt de minister: "De wet garandeert een gelijk speelveld voor alle energieaanbieders in Nederland. Het groepsverbod biedt buitenlandse leveranciers de mogelijkheid om op gelijke voorwaarden de Nederlandse afnemer te bedienen." Uit deze passage maken wij op dat er thans, bij geïntegreerde bedrijfsvoering door de bekende vier, geen gelijk speelveld is. Niettemin opereren er thans overige aanbieders op de leveranciersmarkt. In de huidige situatie zijn er dan drie mogelijkheden.

  • 1. De huidige situatie levert geen ongelijk speelveld. De minister lijkt

  • dan verkeerd geïnformeerd te zijn.

  • 2. De vier geïntegreerde bedrijven opereren relatief gezien dermate inefficiënt dat andere, eventueel buitenlandse, bedrijven zelfs bij het "ongelijke speelveld" de concurrentie gemakkelijk aankunnen.

  • 3. De genoemde vier opereren ongeveer gelijkwaardig efficiënt ten opzichte van de andere, eventueel buitenlandse, aanbieders, doch er is een, eventueel impliciet, prijsleiderschap of er zijn kartel- c.q. kartelachtige afspraken tussen de aanbieders.

Graag willen wij van de minister weten welke van deze drie mogelijkheden zij het meest aannemelijk acht. Vervolgens willen wij graag weten of deze aanleiding geeft tot beleidsherziening.

Ik kom tot mijn derde punt en ga in op de oligopolide en kartelachtige marktvorm van de sector en op de rol van publiek eigendom. Gezien het feit dat, technisch gezien, er slechts zo'n 20% aan elektriciteit geïmporteerd kan worden en gezien het kaliber van de technisch optimale omvang van elektriciteitsopwekkingcentrales in het binnenland, zal het aantal producenten dat gewichtgevend opereert in de Nederlandse energieproductiesector zo beperkt zijn dat de markt nu en in de toekomst een oligopolide karakter heeft. Er zal van de vrije concurrentie uit de elementaire economieboeken dan nooit sprake kunnen zijn. Hetzelfde geldt, doch in mindere mate, voor de distributie van energie. Wat wij zullen gaan zien, is net zoiets als in de huidige benzinemarkt, namelijk dat een prijsleider – ik zal de u bekende naam niet noemen – de prijs en daarmee de winst vaststelt. Gezien dit oligopolide karakter van de Nederlandse elektriciteits- en gasmarkt, gezien het eminente belang van energie voor bedrijven en consumenten en gezien het aandeel van energie in het budget, is de SP-fractie van mening dat de desbetreffende bedrijven publiek eigendom zouden moeten zijn. Indien er dan marktmacht in het spel is en er overwinsten gegenereerd worden, vallen deze overwinsten tenminste toe aan de gemeenschap. Dit is de principiële positie van de SP-fractie.

Meer aansluitend bij de huidige situatie van mengeling van publieke en private bedrijven is de SP-fractie van mening dat deze mengeling gehandhaafd moet worden. De reden is dat dit het de mededingingsautoriteit in beginsel eenvoudiger maakt om kartels of kartelachtige situaties op te sporen, mits de eigenaren van de publieke bedrijven controlerend optreden met betrekking tot de prijspolitiek van het publieke bedrijf. Het publieke bedrijf zou zo fungeren als kartelbreker.

In dit verband ben ik blij met de bereidheid van de minister, aangegeven op blz. 2 van haar brief, om een regiegroep in te stellen die het belang van publiek eigendom van energiebedrijven bij de betrokken provincies en gemeentes entameert. Onze fractie vraagt de minister verder te gaan dan een "bereidheid", en de Kamer toe te zeggen dat zij dit op korte termijn, binnen een spanne van enige maanden, inderdaad onderneemt.

Vervolgens wil ik voorstellen dat de minister op dezelfde korte termijn met de betrokken provincies en gemeentes een overeenkomst sluit waarin zij zich verplichten om bij een voornemen tot vervreemding van de desbetreffende aandelen, een voorkeursrecht te gunnen aan andere Nederlandse publieke organen. In het verlengde hiervan verzoekt de SP-fractie de minister om na te gaan of Nederlandse pensioenfondsen, binnen hun eigen autonomie, in dit geval de bereidheid hebben om de desbetreffende publieke organen hiertoe leningen te verstrekken.

Ik kom op mijn vierde punt, de vermeende urgentie van het voorliggende voornemen van de minister. Gegeven de huidige wet, en de huidige beperkte inwerkingstelling, mogen de netten niet zonder haar instemming vervreemd worden, dus ook niet aan buitenlandse publieke of private bedrijven. Hier ligt dus geen urgentie. Blijft het argument dat de huidige laagnetbeheerders onvoldoende in het net zouden investeren of zouden gaan investeren. Echter, dit zou niet slechts tegen hun eigen belang ingaan, maar wij vinden ook in de NMa/DTe-rapportages geen harde aanwijzingen dat dit het geval zou zijn. Sterker nog, het Nederlandse net is een van de betrouwbaarste in Europa. Voorts is het aan de minister om met betrekking tot netinvesteringen, zo nodig, harde afspraken te maken met de betrokken bedrijven. Uit aan de minister gerichte schriftelijke toezeggingen van betrokkenen blijkt dat dit mogelijk is.

Ten vijfde wil ik kort ingaan op de potentiële schadeclaims die ingesteld kunnen worden indien de volledige splitsingswet in werking wordt gesteld en waarvan er een aantal reeds aangekondigd zijn. In deze kwestie is het door Nederland vooruitlopen op EU-regels cruciaal. Immers, zou in de huidige omstandigheden het groepsverbod door Nederland in werking worden gesteld, dan kunnen betrokkenen vorderingen instellen op grond van huidige EU-regels en -verdragen. Terzijde: wij vermoeden dat de kwestie van mogelijke schadeclaims een rol zal gaan spelen bij de specifieke toekomstige inrichting van de EU-regels, maar dat is nu niet aan de orde. Met het thans instellen van het groepsverbod hangen de minister en daarmee de Nederlandse belastingbetaler enorme onzekerheden boven het hoofd. Ik zeg "onzekerheden". In diverse documenten die wij van de minister ontvingen, wordt steeds gesproken over risico's, maar dat is wat anders. "Risico's" zijn statistisch berekenbaar en in beginsel verzekerbaar. "Onzekerheden" zijn niet statistisch berekenbaar en verzekerbaar, zo heeft Keynes ons 70 jaar geleden al uitgelegd. Indien de minister vol vertrouwen is over de adviezen die haar ambtsvoorgangers inwonnen met betrekking tot schadeclaims en indien het inderdaad om risico's zou gaan, dan zou zij deze risico's moeten kunnen afdekken bij verzekeringsinstellingen. Maar omdat het niet om risico's doch onzekerheden gaat, vermoed ik dat de minister er niet in zal slagen om de vermeende risico's af te dekken tegen zelfs 150% van de door haar adviseurs aangegeven maximale claims. Ik wil de minister daarom vragen of zij bereid is, op korte termijn bij verzekerings­instellingen na te gaan tegen welke prijs zij de potentiële schadeclaims willen afdekken. De minister komt zo de marktprijs te weten van het vermeende risico dat zij aangaat, of zij komt te weten dat het om onzekerheden gaat waar nauwelijks een peil op te trekken valt. Verder zijn er nog de grote onzekerheden waarmee werknemers potentieel geconfronteerd worden en waarvan het de vraag is of schade rechtens geclaimd kan worden, maar waarvan de potentiële gevolgen uiteindelijk vele malen groter zijn dan die voor financiers.

Ik sluit af. Onze fractie had en heeft aanzienlijke bedenkingen bij de inhoud en consistentie van de wet waarover wij thans discussiëren. Echter, gegeven deze wet realiseert de motie-Doek/Sylvester een aantal van de praktische kortetermijndoelstellingen van de SP-fractie op het vlak van publiek eigendom zoals onder mijn derde punt aangegeven. Bovendien vermijdt deze motie de aanzienlijke onzekerheden waarover ik zojuist uitweidde. Wij verzoeken de minister derhalve om de motie-Doek/Sylvester voor onbepaalde tijd gestand te doen en op korte termijn in overleg te treden met de betrokken vier bedrijven teneinde met hen een convenant te sluiten waarin geformuleerd is welke activiteiten als risicovol c.q. onzeker gelden. In dit convenant legt ieder van de vier bedrijven zich dan vast om indien het dergelijke activiteiten niettemin wenst te ondernemen het bedrijf vrijwillig te splitsen. Graag hoor ik de reactie van de minister hierop.

Met belangstelling zie ik uit naar de antwoorden van de minister op de in totaal twaalf vragen of voorstellen die ik heb voorgelegd.

De voorzitter:

Mijnheer Reuten, een onderwerp als de splitsing van energiebedrijven, dat vandaag aan de orde is, vraagt om een gedegen kennis van de materie en politiek inzicht. Dit geldt te meer omdat dit dossier, zoals in het debat tot nu toe is gebleken, een voorgeschiedenis heeft, zeker in deze Kamer. Uw inbreng laat zien dat dit alles voor u geen obstakel is geweest. Ik wil u dan ook graag van harte feliciteren met uw eerste plenaire optreden in deze Kamer.

U studeerde economie en sociologische economie aan de Erasmus Universiteit in Rotterdam en aan het Birkbeck College van de University of London. U promoveerde aan de Universiteit van Amsterdam. Het is deze laatste universiteit waar u werkzaam was en bleef. Eerst als docent, later als hoofddocent macro-economie, wetenschapsfilosofie, economie, geschiedenis van de economische theorie en politieke economie. In uw dagelijks leven bent u directeur van de mastersopleiding economie van diezelfde universiteit. Zoals het een goed wetenschapper betaamt, heeft u veel, ook internationale, publicaties op uw naam staan.

U staat op de website van de SP te boek als internationaal erkend Marxexpert. U heeft tevens al enige jaren ervaring in de politiek opgedaan als economisch adviseur van de Tweede Kamerfractie van uw partij. Dat kan u hier goed van pas komen, niet alleen als lid van uw fractie en lid van deze Kamer, maar ook als vicevoorzitter van de vaste commissie voor Economische Zaken in deze Kamer.

Mijnheer Reuten, in uw omgeving karakteriseert men u als zeer serieus en principieel. Ik heb gemeend die toon ook te kunnen ontwaren in uw bijdrage. U wordt beschouwd als een stevige denker die niet gauw tevreden is. Als ik goed ben ingelicht, is een van de theses van Marx, die u inspireert, dat wij de wereld niet alleen moeten interpreteren, maar ook moeten veranderen.

De heer Reuten (SP):

Absoluut!

De voorzitter:

Daaraan, mijnheer Reuten, kunt u vanaf vandaag als politicus zeker vier jaar lang daadwerkelijk bijdragen. Ik wens u daarbij van harte succes.

Ik geef de collega's de gelegenheid om u te feliciteren met uw maidenspeech.

De heer Reuten (SP):

Mevrouw de voorzitter. Dank u zeer voor deze mooie woorden. De komende periode zal ik die elfde these voor ogen houden.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De voorzitter:

Het woord is aan de heer Laurier, die ook zijn maidenspeech zal houden.

De heer Laurier (GroenLinks):

Mevrouw de voorzitter. Toen ik vorige week op het centraal station van de gemeente Den Haag aankwam, werd ik, en met mij vele medereizigers, opgevangen door een aantal in rood t-shirt geklede jongeren die mij een al even rood gekleurd pamflet in de handen drukten. In dat pamflet werd ik opgeroepen om tegen de splitsing te stemmen. Eerlijk gezegd, weet ik niet hoeveel van mijn medereizigers zich op dat moment realiseerden dat het hier om een actie ging van energiebedrijven naar aanleiding van de brief van de minister van Economische Zaken van 7 juni jongstleden, waarin zij aankondigt dat zij het moment gekomen acht, om het zogenoemde groepsverbod – het derde element van de Wet onafhankelijk netbeheer dat bepaalt dat netbeheerders aan de ene kant en producenten, handelaren en leveranciers van elektriciteit aan de andere kant niet tot één en dezelfde groep mogen behoren – in werking te laten treden. Ik vraag me zelfs af hoeveel van mijn medereizigers zich ondanks de rampspoed die het pamflet voorspelde, realiseerden dat het een actie betrof.

De jonge mensen die de pamfletten uitdeelden, waren voorbeeldig, vriendelijk, drongen niet aan, wilden niet in discussie en leken meer geïnteresseerd in samen op de foto gaan met een geüniformeerde en gedecoreerde veteraan die een stand van het Rode Kruis bemenste, dan de aanwezigen te overtuigen van het eventuele ongelijk van de minister en de consequenties voor de Nederlandse energievoorziening. Eerlijk gezegd, bekroop mijzelf het gevoel dat het hier ging om ingehuurde actievoerders die op deze manier een deel van hun vakantie – om de woorden van de heer Kox te citeren – in Madrid, Berlijn of Moskou verdienen. Ik kan het niet helpen, maar in plat Hollands denk ik dan wel: dat is van mijn energierekening.

Wandelend naar het gebouw van de Eerste Kamer, een en ander overdenkend, bekroop mij ook het gevoel van een déjà vu, maar dan met omgekeerde posities. Ooit was ik commissaris van één van de verre voorlopers van de Nuon. In die tijd heb ik mij met mijn toenmalige collega, de heer Pechtold, fel verzet tegen het aangaan van een zogenoemde cross border leaseconstructie. Als een door overheden gedomineerd bedrijf vonden wij het niet passen om gebruik te maken van een maas in de belastingwetgeving, ook als was het van een ander land. Bovendien konden wij niet overzien wat de invloed van een dergelijke constructie zou zijn op de toekomstige ontwikkeling van de positie van de Nederlandse energiebedrijven en de belangen in dat kader van de Nederlandse doelstellingen op dat punt. We hebben het toen, nog net niet overladen met pek en veren, afgelegd tegen onze collega-bestuurders van lokale overheden, die het belang van de financiële inbreng in het oorspronkelijke bedrijf en uiteindelijk in de eigen begroting hoger achtten dan onze afweging. Het is op zijn zachtst gezegd cynisch om nu juist de eventuele gevolgen van de aangegane cross border leaseconstructies als argument te horen gebruiken om vooralsnog niet over te gaan tot het feitelijk effectueren van het groepsverbod.

Vandaag spreken we niet over nieuwe of oude emoties. Aan de orde is een brief van de minister van Economische Zaken, waarin zij aankondigt dat dit het moment is om het groepsverbod te effectueren. De brief komt iets meer dan een halfjaar na de behandeling van het wetsvoorstel in deze Kamer. Er is indringend over het wetsvoorstel gediscussieerd en één van de uitkomsten was een motie, namelijk de motie-Doek/Sylvester. Met deze motie spreekt deze Kamer zich niet tegen een groepsverbod uit, maar zegt zij dit pas in werking te willen laten treden wanneer duidelijk is dat de Europese Unie zal overgaan tot het vaststellen van een richtlijn die tot een dergelijk verbod verplicht en wanneer is voorzien in de risico's van de cross border leasecontracten bij een dergelijk verbod. De motie spreekt in dat verband ook een tenzij uit. Het groepsverbod zou eerder van kracht moeten worden wanneer het publiek en onafhankelijk netbeheer in gevaar komt. Bijvoorbeeld bij het verrichten van buitenlandse activiteiten van de bedrijven en/of bij het aangaan van grensoverschrijdende allianties, bij het verstoren van evenwichtige marktverhoudingen en niet transparante financiële verhoudingen en bij het ontbreken van gelijke toegang tot de netten zou het groepsverbod eerder van kracht kunnen worden. Bovendien vraagt de motie jaarlijks te rapporteren.

De motie is met algemene stemmen aanvaard. Zelfs de toenmalige minister was er lovend over. Aan het eind van het debat zei hij: "Ik kan deze motie omarmen (...). Er hoeft geen reden voor gedwongen splitsing te zijn, als dat publieke en onafhankelijke netbeheer niet in gevaar komt." Het is juist deze eensgezindheid aan het eind van het debat die het noodzakelijk maakt om te bekijken welke nieuwe elementen in de brief van de minister worden genoemd. Wat zijn de constanten en wat de veranderingen die tussen toen en nu zijn opgetreden?

Twee zaken zijn in ieder geval niet veranderd. Uit de brief van de staatssecretaris van Economische Zaken aan de Tweede Kamer van 26 juni jongstleden blijkt dat er op Europees niveau nog altijd blokkerende minderheden bestaan als het gaat om de ontvlechting van de distributienetwerken voor elektriciteit en gas. In die zin valt op korte termijn geen richtlijn te verwachten. Het is de vraag of de ontvlechting van de Nederlandse bedrijven, zoals de minister thans voorstelt, zal leiden tot een verandering van die situatie. In de tweede plaats heeft ons – voor zover mij bekend – geen nieuwe informatie bereikt over de risico's van de cross border leases. Op beide punten is de argumentatie van de motie blijkbaar nog van kracht.

Wat is er dan wel veranderd? In de eerste plaats is er een nieuw kabinet aangetreden en heeft deze Kamer een nieuwe samenstelling gekregen. Dit kan tot hernieuwde inzichten leiden, maar daar zullen – zeker als een motie met een dergelijk draagvlak is aanvaard – goede argumenten aan ten grondslag moeten liggen.

In de tweede plaats is de minister op 12 december van het vorig jaar vertrouwelijk geïnformeerd over de voorgenomen aankoop van het Belgische afvalbedrijf Indaver door Delta. Er is sprake van buitenlandse activiteiten – waar de motie over rept – en dit zou een aanleiding kunnen zijn om het groepsverbod in te stellen. Echter, uit onderzoek naar de overname blijkt dat er geen aanleiding is om te veronderstellen dat er risico's zijn voor het publieke belang van het net.

In de derde plaats hebben Nuon en Essent op 1 februari jongstleden aangekondigd te fuseren. Daarbij spelen strategische afwegingen een rol in het licht van de Noordwest-Europese markt. Overigens besteden beide bedrijven expliciet aandacht aan het netbeheer in de bekendmaking van deze fusie. Zij spreken daarbij uit dat in de nieuwe combinatie een onafhankelijke en transparante netbeheerder zal worden gecreëerd.

In de vierde plaats blijkt uit het onderzoeksrapport van de NMa/Dte van 4 juni jongstleden dat de bedrijven – op een enkel punt na – voldoen aan de tot nu toe gestelde eisen. Verdere versterking kan bereikt worden door additionele eisen te stellen. In vergelijking met omringende landen is het met het publiek en onafhankelijk netbeheer in Nederland relatief goed gesteld. Bovendien concludeert de NMa/DTe dat erop dit moment geen aanwijzingen zijn die verdergaand onderzoek naar kruissubsidies of intern in rekening gebrachte tarieven noodzakelijk maken.

Ten slotte meldt de minister in haar brief dat om adequaat toezicht te houden – zoals in de motie wordt gevraagd – een stijging van 30% van het budget van DTe noodzakelijk zal zijn.

Mijn voorganger in deze Kamer, de heer Van der Lans, sprak in zijn bijdrage in november openlijk over zijn twijfel. Mijn fractie kan deze twijfel ook in de nieuwe samenstelling invoelen. Immers, de redenering achter het groepsverbod is consistent als je de weg volgt die nu eenmaal is ingeslagen. De heer Van der Lans heeft terecht gerefereerd aan het zogenaamde KPN-syndroom dat als een geest boven het debat zweefde. Tegelijkertijd is het de vraag wat de consequenties zullen zijn, met name in Europees verband, als Nederland, vooruitlopend op beslissingen elders, het groepsverbod nu van kracht laat worden. Het onderzoek van de NMa/DTe zegt klip en klaar dat er geen scenario's zijn zonder risico's. De motie-Doek/Sylvester laat in het licht van de risico's van beide scenario's in feite de beslissing over het groepsverbod boven de markt hangen. Het verwerpt het groepsverbod niet, maar stelt het uit. Nu is het tijd om een einde te maken aan het uitstel, schrijft de minister en zij voert daar een aantal argumenten voor aan.

Hoewel mijn fractie in principe voorstander is van deze laatste stap in de ontvlechting, zijn wij op dit moment nog niet geheel overtuigd door de argumenten die de minister aanvoert voor haar overtuiging dat dit nu het moment is. Wij verzoeken haar nader toe te lichten waarom de twee meest prangende feiten, namelijk de aangekondigde fusie van Nuon en Essent en de overname van Indavor, het op dit moment noodzakelijk maken om het groepsverbod feitelijk te effectueren.

De voorzitter:

Mijnheer Laurier, van harte gefeliciteerd met uw maidenspeech over de splitsing van de energiebedrijven. Het is een thematiek waarover u al kennis hebt opgebouwd en waarmee u al ervaring hebt opgedaan in uw eerdere functie als wethouder, want uit dien hoofde was u lid van de raad van commissarissen van Energie- en watervoorziening Rijnland.

Van huis uit bent u socioloog. U studeerde in uw geboorte- en woonplaats Leiden en aan de Rijksuniversiteit Leiden bent u verbonden geweest als docent sociologie en als coördinator derdegeldstroomonderzoek. Tussen 1983 en 1993 werkte u als onderzoeker bij het Onderzoekscentrum Ruimtelijke Ontwikkeling en Volkshuisvesting en bij het Leids Instituut voor Sociaal Wetenschappelijk Onderzoek.

U bent bij elkaar tussen de vijftien en zestien jaar actief geweest in de Leidse politiek, ongeveer zes jaar als raadslid waarvan drie jaar als fractievoorzitter van GroenLinks en zo'n negen jaar als wethouder met onder meer in uw portefeuille sociale zaken, werkgelegenheid en vluchtelingen. Daarmee trok u niet alleen lokaal, maar ook nationaal de aandacht. Onder andere door de Leidse cao voor banenpoolers met functieloon, een aparte regeling voor asielzoekers zonder status, uw verzet tegen de Koppelingswet en het categorale minimabeleid.

Momenteel bent u werkzaam als zelfstandig adviseur en trainer voor overheid en semi-overheid. Daarnaast bent u ook nog voorzitter van de Woonbond en van de Landelijke Cliëntenraad Sociale Zekerheid.

Mensen uit uw omgeving typeren u als iemand die er uitgesproken standpunten op na houdt. Mede daardoor wordt u gezien als een markante persoon. Een persoon bovendien die brede wetenschappelijke beschouwingen combineert met praktische oplossingen. Uit uw mond heb ik opgetekend: "De verhouding tussen overheid en burger is de laatste decennia enorm veranderd. (...) Er is minder behoefte aan een overheid als moeder-overste en meer behoefte aan ruimte. Ik vind het een fascinerend proces hoe die nieuwe relatie tussen burger en overheid vorm krijgt."

Mijnheer Laurier, de komende jaren bent u in deze Kamer een actor in dat proces. Ik wens u daar van harte alle goeds mee.

Ik geef de leden graag de gelegenheid om u te feliciteren met uw maidenspeech.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.

De heer Van den Berg (SGP):

Voorzitter. Mijn bijdrage is namens de fracties van de SGP en van de ChristenUnie.

De splitsingswet blijft de politiek, maar ook het bedrijfsleven nogal beroeren. Dat is opmerkelijk, omdat bij de behandeling in de Eerste Kamer van het gevoelige en complexe wetsvoorstel over belangrijke uitgangspunten eensgezindheid bestond. Het ging daarbij over het borgen van publieke belangen zoals betaalbare, betrouwbare en schone energievoorziening. Uiteindelijk kwam de wet tot stand, mede doordat de motie-Doek/Sylvester de splitsing voorwaardelijk maakte: de energiebedrijven zouden alleen gesplitst worden als de Europese richtlijnen daarom vragen of als de energiebedrijven de netwerken in gevaar brengen door risicovolle buitenlandse activiteiten te starten.

Door in te grijpen gaat de minister nu geheel voorbij aan de criteria van de motie. Het ingrijpen van de minister gaat naar onze mening uit van de veronderstelling dat de energiebedrijven met hun internationale ambities de randen van de wet opzoeken; althans zo merkte de minister volgens enige persberichten op in de Tweede Kamer. Wij vragen de minister waarop zij dit baseert. Onze waarneming is totaal anders, namelijk dat de energiebedrijven op basis van wederzijdse overeenstemming hebben gewerkt aan voorstellen die ruimschoots voldoen aan de wettelijke eisen van de Wet onafhankelijk netbeheer, de WON. Ook geven de bedrijven invulling aan de criteria van de motie. Het is duidelijk dat de bedrijven zich willen inzetten om het publieke en het onafhankelijke netbeheer optimaal te waarborgen. Waarom is de minister van mening dat de bedrijven niet handelen naar de letter en de bedoeling van de betreffende wet- en regelgeving?

Nu heeft het energiebedrijf Delta recentelijk een buitenlands afvalbedrijf overgenomen. Daarmee rijst de vraag of hiermee die randen van de wet zijn opgezocht. Maar het is ook van belang om te weten of aan de voorwaarden van de motie is voldaan. In het door de DTe verrichte onderzoek kwam naar voren dat er thans geen sprake is van gevaren voor het publieke en onafhankelijke netbeheer. Naar onze mening zijn er ten aanzien van het publieke netbeheer voldoende waarborgen om privatisering van netbeheerders te voorkomen. Wij wijzen naar de artikelen 93 Elektriciteitswet en 85 Gaswet, door de splitsingswet gewijzigd. Een concrete bedreiging van het publieke en onafhankelijke netbeheer, zoals opgenomen in de motie, is naar de mening van onze fracties dus niet aan de orde.

Een analyse van de brief van de minister van 7 juni 2007 leert dat de minister slechts volstaat met enkele algemeen geformuleerde stellingnamen omtrent bedreigingen van het publieke en onafhankelijke netbeheer. In essentie zijn deze argumenten niet anders dan die tijdens de behandeling van de splitsingswet in deze Kamer; naar onze mening is dan ook geen sprake van een nieuw feit. Dat roept de vraag op naar de grondslag voor de inwerkingtreding van het groepsverbod dat is opgenomen in de splitsingswet. Op basis van deze feiten en de motie kan worden geconstateerd dat hiervoor thans elke grondslag ontbreekt.

Is het overigens juist dat de regering aan de Europese Commissie ter kennis heeft gebracht dat de Nederlandse staat vóór splitsing van de energiebedrijven is? Als dit juist is, hoe verhoudt deze stellingname van de regering zich dan met hetgeen op dit moment in deze Kamer naar aanleiding van de brief wordt bediscussieerd over het al dan niet doorvoeren van de splitsing? Loopt de minister met haar stellingname dan niet vooruit op het debat in de Eerste Kamer?

Ik zal verder nog iets zeggen over de overdracht van de hoogspanningsnetten in samenhang met problematiek rond de cross border leases, de CBL. In de memorie van antwoord heeft de minister aangegeven dat de energiebedrijven ruimhartig en actief moeten meewerken aan de tijdige totstandkoming van de noodzakelijke aanpassingen en instemmingen in de CBL-contracten in verband met de overdracht van de HS-netten. Graag worden wij gedetailleerd geïnformeerd over de stand van zaken per netbeheerder. Hoeveel instemmingen zijn inmiddels verleend door de buitenlandse investeerders? In hoeveel gevallen heeft overleg tussen energiebedrijven en buitenlandse investeerders geleid tot aanpassing van de CBL-contracten? Hoeveel CBL-contracten staan thans een overdracht van de HS-netten geheel of gedeeltelijk in de weg? Is het juist dat regionale netbeheerders van oordeel zijn dat het beheer over de transformatoren die zich bevinden tussen het HS-net en netten met lagere spanningsniveaus noodzakelijk is voor een veilig en betrouwbaar beheer van de door hen beheerde elektriciteitsnetten? Hoe beziet de minister deze problematiek? Is het een correcte inschatting dat het beheer over de bedoelde transformatoren niet behoeft te worden overgedragen in het kader van de overdracht van de HS-netten?

Blijkens artikel 10, lid 1 van de Elektriciteitswet – zoals dit artikel komt te luiden na invoering van de splitsingswet – geldt dat alleen netten die worden bedreven als landelijk hoogspanningsnet vallen onder het door TenneT uitgevoerde beheer van het landelijke hoogspanningsnet. Wanneer is sprake van een net dat niet wordt bedreven als het landelijk hoogspanningsnet in de zin van artikel 10, lid 1?

Nog een enkele opmerking over het effectieve toezicht. Een belangrijk onderdeel van de mede door de SGP en ChristenUnie ondertekende motie betreft het toezicht door de DTe. Blijkens de motie is het de taak van de DTe om door toezicht een goed functionerende energiemarkt tot stand te brengen. In het licht van de huidige feiten is het zeer de vraag of de DTe tegen deze taak is opgewassen; ter toelichting verwijzen wij naar de tariefregulering van de DTe. De eerste tariefregulering door de DTe heeft geresulteerd in chaos. Wij verwijzen in dit verband naar de vernietiging van de tariefbesluiten door het College van Beroep voor het bedrijfsleven, in de uitspraak van 13 november 2002. Er was ad-hocwetgeving nodig om het falen van de DTe te corrigeren. Bij de Gaswet is het al niet beter. Wij wijzen in dit verband op de recente vernietiging door het CBb van het door de DTe vastgestelde Methodebesluit flexibiliteitsdiensten; zulks in de uitspraak van 30 november 2006. Daarbovenop komt de mededeling van de NMa dat uit onderzoek is gebleken dat de jaarlijkse overwinst 400 mln. bedraagt. De NMa zegt dat 300 mln. daarvan excessieve winst is. De oorzaak van de overwinst is het onvermogen van de DTe om de tariefregulering in de vorm van methodebesluiten correct vorm te geven.

Dit alles geeft ons weinig vertrouwen in het functioneren van de DTe. Wij betwijfelen daarom sterk of de DTe in staat is de taken uit te voeren die in de motie-Doek/Sylvester worden genoemd. De fracties van de SGP en de ChristenUnie zijn van oordeel dat het toezicht op orde moet zijn, voordat overgegaan kan worden tot splitsing. Wij verzoeken de minister dan ook aan te geven welke concrete maatregelen zij gaat nemen om het functioneren van de DTe te verbeteren.

Onze fracties benadrukken dat de overheid betrouwbaar moet zijn. Er zijn onder uw voorganger gesprekken gevoerd met de bedrijven. Uit de stukken heb ik begrepen dat die gesprekken in een goede sfeer zijn gehouden. Ik dacht dan ook dat het ministerie en de bedrijven er wel uit zouden komen. Na de brief van de minister vragen wij ons echter af of het constructieve overleg met de bedrijven in een spanningsveld is terechtgekomen. Wij kunnen ons dan ook vinden in de opmerking van de heer Doek om alle betrokken partijen nog even de tijd te geven en daarom het tijdstip van de splitsing uit te stellen. Met de bedrijven moeten goede afspraken worden gemaakt om resterende onzekerheden weg te nemen.

Voorzitter. Ik wacht met belangstelling op de beantwoording door de minister.

De heer Van Driel (PvdA):

Voorzitter. De Kamer heeft in november 2006 de wet aangenomen die de splitsing van de energiebedrijven regelt in enerzijds de productiebedrijven en de commerciële kant en anderzijds de netten. De minister wil deze splitsing met een Koninklijk Besluit alsnog werkelijkheid maken. De splitsing was namelijk aangehouden na de motie-Doek/Sylvester.

De motie-Doek/Sylvester roept de regering op een besluit tot effectuering niet te nemen, dan nadat de Europese Unie een richtlijn heeft vastgesteld die de lidstaten dwingt om hun energiebedrijven te splitsen. Verder moet er eerst meer duidelijkheid zijn over de grote risico's die kleven aan cross border lease. Daarvan kan alleen worden afgeweken als het onafhankelijke en publieke netbeheer in gevaar komt. Daarvan kan sprake zijn in het geval van buitenlandse activiteiten, grensoverschrijdende allianties, verstoring van evenwichtige marktverhoudingen en niet transparante non-discriminatoire financiële verhoudingen of het ontbreken van gelijke toegang tot de netten.

De minister wil niet wachten tot de DTe in november komt met de door haar gevraagde rapportage, maar al deze zomer het Koninklijk Besluit slaan. Daarmee probeert zij de splitsing in de komende tijd alsnog snel door te voeren. Wat is er veranderd sinds november 2006 en waarom wacht de minister niet op de rapportage die voor november is voorzien? De fusieplannen van Essent en Nuon waren namelijk al bekend, evenals het voornemen van het Zeeuwse Energiebedrijf Delta om een afvalverwerkingsbedrijf in Belgisch Vlaanderen te kopen. Volgens mij is er niet veel nieuws onder de zon.

De minister redeneert andersom. Zij stelt zich op het standpunt dat de motie-Doek/Sylvester een signaal had moeten zijn voor de energiesector om voorgenomen buitenlandse investeringen af te gelasten. Zij denkt daarbij aan de investeringen van Nuon in een energiecentrale in Duitsland, de verplaatsing van de trading floor van Essent naar Genève en het plan van Delta om haar activiteiten in de afvalverwerking uit te breiden. Volgens de minister moeten de energiebedrijven, nu zij het politieke signaal niet hebben opgepikt, maar voelen wat het gevolg daarvan is: splitsing.

Voor beide redeneringen is iets te zeggen, maar laten wij eerst nog eens kijken naar de gevolgen van splitsing. Mijn fractie hanteert drie uitgangspunten bij het energiebeleid: leveringszekerheid voor bedrijven en consumenten, een redelijke prijs en een zo milieuvriendelijk mogelijke productie. Ik kan mij niet aan de indruk onttrekken dat wij sinds het begin van de privatiserings­operatie vijftien jaar geleden anders tegen het eerste en laatste uitgangspunt zijn gaan aankijken.

Vijftien jaar geleden richtten wij ons vooral op concurrentie, marktbewerking en een lage prijs. Wij dachten deze doelen door privatisering te kunnen bereiken. Leveringszekerheid stond niet hoog op de agenda, omdat wij over grote aardgas- en olievoorraden beschikten en wij energie vooral importeerden uit stabiele landen. Daardoor was de leveringszekerheid toen geen enkel probleem. Het milieu speelde vijftien jaar geleden ook een veel bescheidener rol. EI Gore was nog vicepresident! Nu storen wij ons aan het feit dat energiebedrijven niet alles op alles zetten om milieuvriendelijk energie op te wekken. Wij kunnen ons niet aan de indruk onttrekken dat op dit punt niet één, maar wel vijf tandjes bijgeschakeld moeten worden.

Zo ziet bijvoorbeeld Nuon niets in investeringen in stadsverwarming in Amsterdam, omdat het rendement slechts 10% bedraagt. Nuon vindt dat zij haar geld beter kan investeren in Duitsland waar het een hoger rendement kan realiseren. Vanuit bedrijfseconomisch oogpunt is dat misschien logisch, maar vanuit milieuoogpunt is het zeker niet wenselijk. Mijns inziens hebben bedrijfseconomische uitgangspunten de laatste jaren ten onrechte de overhand gekregen. Dit roept de vraag op of wij wel op de goede weg zijn.

Waarom zijn commerciële rendementseisen en de laagste prijs de enige criteria voor deze bedrijven? En dan nog blijkt dat de consument de laatste jaren een paar miljoen te veel heeft betaald. Voor de gebruiker is een lage energieprijs heel prettig. Voor sommige investeringen is een lage prijs zelfs absoluut noodzakelijk en bovendien is de koopkracht ermee gediend. Maar als het de realisatie van onze milieudoelstellingen niet dichterbij brengt en het geen bijdrage levert aan leveringszekerheid en duurzaamheid, is het de vraag wat de samenleving er eigenlijk mee opschiet als bedrijfseconomische criteria de overhand hebben.

De voorgenomen splitsing van de energiebedrijven, waarbij de netten in overheidshanden komen, kan er gemakkelijk toe leiden dat de productiebedrijven en de commerciële onderdelen in handen komen van grote buitenlandse energiebedrijven. Het is immers heel verleidelijk voor bedrijven om tot verkoop over te gaan. De opbrengsten van zo'n verkoop kunnen namelijk van enkele tientallen miljoenen tot een paar miljard lopen. Bovendien is de zeggenschap van de aandeelhouders door de inrichting van het structuurregime beperkt. Lang niet alle aandeelhouders zijn of voelen zich in staat om hun rol goed in te vullen. Het maakt daarbij niet uit of dat een subjectieve of een objectieve oorzaak heeft. Kortom, nog sterker dan voor de splitsing geldt dat tegenover de risico's voor de huidige aandeelhouders onvoldoende zeggenschap staat. Overigens is er wel dividend.

De vraag wel of niet te splitsen ligt opnieuw voor. Wij moeten ons daarbij realiseren dat wij hiertoe door het aannemen van de wet in november ten principale hebben besloten. Toch is mijn fractie er nog niet van overtuigd dat splitsing op dit moment een goede zaak. Wij kijken daarbij vooral naar de te verwachten ontwikkelingen. Zoals ik al zei, is er bijvoorbeeld het levensgrote risico dat de commerciële tak en de productiebedrijven in handen komen van grote buitenlandse concerns, voor zover ze dat overigens al niet zijn. De criteria, leveringszekerheid, een lage prijs en milieuvriendelijke productie zijn niet hun eerste zorg. Hun grote zorgen betreffen de bedrijfseconomische criteria, het rendement voor aandeelhouders en de continuïteit van de onderneming. Dat is overigens heel begrijpelijk.

In het licht van bovenstaande zorgen kunnen wij ons het volgende scenario voorstellen:

  • 1. Wij splitsen de netten af;

  • 2. De centrale overheid neemt de regie in handen en stelt de kleine aandeelhouders in de gelegenheid om hun aandelen desgewenst over te dragen aan een grotere aandeelhouder. Ik denk dan bijvoorbeeld aan de gemeente Renkum die haar aandelen kan verkopen aan de provincie Gelderland. Als de grote aandeelhouder dat niet wenst, kunnen de aandelen tegen een faire prijs aan de Staat worden overgedragen;

  • 3. Het structuurregime in deze sector wordt zodanig aangepast dat de aandeelhouders meer invloed krijgen;

  • 4. Investeringen worden vooral bekeken vanuit milieuoogpunt en vanuit het oogpunt van leveringszekerheid. Een return van 2% à 3% boven de Vastrentende Waarde (VRW) moet daarbij genoeg zijn;

  • 5. Bedrijven worden gestimuleerd internationale allianties aan te gaan, maar dan niet om zoveel mogelijk winst te maken maar om de volgende prioriteiten te realiseren: leveringszekerheid, investeringen die het milieu zo min mogelijk belasten en een zo laag mogelijke prijs voor zowel consumenten als bedrijven.

Hoe staat de minister hier tegenover? Ik kan mij voorstellen dat zij deze lijn gaat bestuderen. Mijn vraag is dan: is het wel nodig het koninklijk besluit nu te slaan, hangende deze studie, of is het ook mogelijk om, als het koninklijk besluit nu wordt geslagen, de ingangsdatum enige tijd op te schuiven? Wij kunnen ons voorstellen en achten het zelfs noodzakelijk dat, hangende deze studie, het standstillbeginsel wordt gehanteerd ten aanzien van investeringen in het buitenland en het eventueel aantrekken van buitenlands kapitaal. Het voordeel van deze lijn zou zijn dat wij de splitsingswet van 2006 uitvoeren, zij het met nog meer vertraging, en dat wij, door de tijd wijs geworden, de koers wat wijzigen. De verkoop van de commerciële tak en de productiebedrijven aan buitenlandse ondernemingen, een situatie waarvoor veel mensen bang zijn omdat Nederland dan te veel afhankelijk wordt van die bedrijven, gaat dan niet door. Het voordeel zou ook zijn dat het ons tijd geeft ons te bezinnen. Het geeft de minister ook de gelegenheid om met de aandeelhouders aan tafel te gaan zitten. Dan wordt ook door de tijd de cross border lease wat minder riskant. In het dossier worden tamelijk geruststellende uitspraken gedaan over deze lease. Wij zouden graag van de minister nog eens horen dat zij ervoor instaat dat deze lease niet tot enige miljarden verlies in rechtszaken leidt. De suggestie van de SP-fractie om te bezien of de leases kunnen worden herverzekerd, lijkt mij prima. Als herverzekeraars een hoge prijs vragen, weten wij dat het niet goed zit. Als zij bereid zijn om tegen een lage prijs te herverzekeren, is er niet veel aan de hand.

De heer Schouw (D66):

De lijn die u schetst, is dat de productie een wat meer publiek karakter krijgt. Daarnaast is splitsing van de netten volgens u dan eigenlijk altijd noodzakelijk. Leeft de gedachte die u oppert breder binnen de politieke stroming die u vertegenwoordigt? Ik vraag dat, om te meten hoe zwaar dit weegt. Stel dat wij een studie naar het vergroten van het publieke karakter van de productie zouden bevorderen, heeft het kabinet dan instrumenten in handen om internationale avonturen tegen te gaan? Of is het meer een gentlemen's agreement? Welke gedachten heeft de PvdA-fractie op dat punt ontwikkeld?

De heer Van Driel (PvdA):

Ik kan u verzekeren dat deze inbreng in goed overleg met mijn fractie tot stand is gekomen, als dat u geruststelt.

De heer Schouw (D66):

Ik bedoelde het niet flauw.

De heer Van Driel (PvdA):

Neen, neen, maar u vroeg of ik de enige was die er zo over denkt in mijn fractie. Welnu, een paar anderen denken er ook zo over. Thans zijn de aandelen van de productiebedrijven ook in overheidshanden, zij het niet in handen van het Rijk. Bij mijn weten hebben de gemeentelijke en de provinciale overheid de aandelen in handen. De helft van de productie is overigens in handen van buitenlandse concerns. De bedrijven blijven in mijn beeld in publieke handen; zij worden alleen van de ene naar de andere overheid overgedragen. Omdat de netten afgesplitst moeten worden, is het proces een stuk eenvoudiger. Je kunt het inderdaad ook doen zonder afsplitsing van de netten, maar het maakt het proces wel inzichtelijker, en eenvoudiger te managen. Het is een heel gecompliceerd proces, maar het is in elk geval de moeite waard om de zaak een aantal maanden te bestuderen. Wij hebben grote aarzelingen of het allemaal wel goed loopt.

Voorzitter. Wij realiseren ons dat het geen gemakkelijke weg is. Er is veel geld nodig om lagere overheden uit te kopen. De commerciële tak en de productiebedrijven zijn een stuk riskanter, waardoor banken en investeerders niet, zoals nu het geval is, met hun koffertje bij die overheden langs zullen gaan om hen te wijzen op de voordelen van verkoop. De Goldman Sachsen en Merill Lynchen van deze wereld hebben een target minder. De overheden krijgen het rustiger met het ontvangen van deze snelle jongens. Maar wij zijn ervan overtuigd dat er wel investeerders gevonden kunnen worden. Feitelijk zal dat ook leiden tot verdergaande samenwerking, misschien wel tot een feitelijke fusie tussen die onderdelen – de productiebedrijven en de commerciële onderdelen – die in overheidshanden komen, met minderheidsposities van institutionele beleggers. Dat is ongeveer het beeld dat wij voor ogen hebben.

Deze lijn betekent dat wij niet meer in de "kopgroep" zitten in Europa en dat wij niet meer als kippen zonder kop achter mevrouw Kroes aanlopen. Zij moet nu eerst maar eens op het energiedossier laten zien dat zij de Europese landen op één lijn krijgt. Tot die tijd hoeven wij geen voortrekkersrol te spelen. Rustig in het peloton zitten spaart energie, zoals elke wielrenner weet.

De werknemers hoeven in deze variant niet voor hun baan te vrezen. De productiebedrijven en de commerciële onderdelen zullen immers eerder sterker dan zwakker worden, en zeker niet buiten Nederland worden geplaatst, zoals nu met de "trading floor" van Essent is gebeurd. Verder blijven er andere mogelijkheden tot versterking over. In ieder geval wordt de kans om in buitenlandse handen te komen gering. Als wij deze kant opgaan, is het de vraag of de afgelopen periode van vijftien jaar ons dan helemaal niets heeft opgeleverd. Welnu, die heeft wel wat opgeleverd. De lokale en regionale energiebedrijven zijn op een verantwoorde wijze gefuseerd en afgeslankt, zonder dat het personeel er de dupe van werd. Het is een zeer complex proces geweest, waarbij fouten zijn gemaakt, maar dat toch over het algemeen zeer goed is verlopen. Dit proces was hoe dan ook toch nodig. Zoals altijd, zijn wij benieuwd naar het antwoord van de minister.

De heer Koffeman (PvdD):

Voorzitter. Het doet mij als nieuwkomer deugd om te horen hoe onafhankelijk van kabinet en Tweede Kamer dit huis zich opstelt in een belangrijke kwestie als de onderhavige. Splitsing van energiebedrijven is op dit moment geen goed idee. Dat ben ik eens met de meerderheid van de voorgaande sprekers. Er is breed verzet tegen gedwongen splitsing. De vermeende voordelen zijn weinig overtuigend. De algemene argumenten voor verdergaande privatisering worden aangevoerd, maar wij zijn van mening dat aan de commercialisering van onze nutsvoorzieningen een halt zou moeten worden toegeroepen. Uitverkoop van Nederlandse nutsbedrijven aan buitenlandse partijen verkleint de kans op zeggenschap over waar wij onze energie vandaan halen en wat wij daarvoor betalen. De mogelijkheid om gedwongen te worden meer kernenergie of energie uit kolencentrales af te nemen, is geen prettig vooruitzicht, net zo min als het uit handen geven van elke mogelijke invloed op de prijsvorming.

Voor zover wij weten is splitsing, zoals voorgesteld, elders in Europa nog niet aan de orde. De gevolgen voor de werkgelegenheid zijn onduidelijk. De extra kosten van splitsing zijn substantieel, en de gevolgen voor cross border leases zijn onvoorspelbaar. Het in vergaande mate uit handen geven van onze energiesector kan grote gevolgen hebben voor de energieprijzen voor burgers. Wij spreken over een onomkeerbaar besluit. Onafhankelijk netbeheer zou in goede handen kunnen zijn bij overheden. Een herverdeling tussen overheden zou op dit moment de moeite waard kunnen zijn.

Alleen de wens tot privatisering ligt ten grondslag aan de wens tot splitsing. Volgens deskundigen is het zeer de vraag of er na splitsing nog mogelijkheden zullen zijn voor zelfstandige energiebedrijven in ons land. Nu er geen inventarisatie is verricht van andere instrumenten dan splitsing, is het te vroeg voor het zetten van onomkeerbare stappen. Er is discussie over de vraag of het aan dit huis is om al dan niet akkoord te gaan met nadere regels voor onafhankelijk netbeheer, maar als en waar de gelegenheid zich voordoet, zullen wij ons verzetten tegen de voorgenomen splitsing.

De beraadslaging wordt geschorst.

De vergadering wordt enkele ogenblikken geschorst.