Noot 1 (zie blz. 210)
Interpellatievragen van Geertje Lycklama à Nijeholt (PvdA) in de
Eerste Kamer op 26 november 2002.
Vragen aan de minister-president:
1
Kan de minister-president aangeven waar, in het licht van onze staatkundige
geschiedenis, de grenzen liggen voor het aanvoeren van het landsbelang als
argument om als demissionair kabinet door te regeren alsof er niets aan de
hand is?
2
Kan de minister-president duidelijk maken dat het in de huidige situatie
om het landsbelang gaat en niet om politieke motieven?
3
Kan de minister-president vervolgens met voorbeelden aangeven waar in
het licht van het voorgaande de grens ligt tussen lopende zaken en controversialiteit?
De grens van wat niet meer kan?
4
Dit kabinet geniet niet langer het vertrouwen van onze volksvertegenwoordigers.
Intussen regeert het kabinet zonder terughoudendheid door zonder daartoe democratisch
gelegitimeerd te zijn. Kan de minister-president aangeven waaruit blijkt dat
het kabinet zich bewust is van het niet langer beschikken over deze voor onze
democratie zo essentiële democratische legitimiteit?
5
Waarom ondergraaft dit kabinet, dat ons voortdurend wijst op het belang
van het handhaven van waarden en normen, deze belangrijke democratische waarde?
6
Wil het kabinet met doorregeren alsof er niets aan de hand is de kiezer
duidelijk maken dat zijn of haar stem op 22 januari 2003 er eigenlijk niet
toe doet?
Interpellatievragen door het lid De Boer (GroenLinks) in de Eerste Kamer
op 26 november 2002.
1
Kan de minister-president kort en duidelijk aangeven welke invulling zijn
kabinet geeft aan het begrip demissionair?
2
Is het juist dat de minister-president van mening is dat het opzeggen
van het vertrouwen in zijn kabinet niet de inhoud van het beleid betreft maar
uitsluitend veroorzaakt wordt door de handel en wandel van één
van de coalitiepartijen?
3
Is het juist dat de minister-president aan die opvatting de ruimte ontleent
om nagenoeg ongewijzigd door te regeren alsof het kabinet niet is gevallen?
4
Realiseert de minister-president zich dat hij daarmee een nieuwe invulling
van het begrip «politiek vertrouwen» introduceert, te weten vertrouwen
in het door het kabinet voorgestelde beleid naast vertrouwen in de door coalitiepartijen
aan het kabinet geleverde ministers?
5
Waaruit blijkt dat het kabinet zich realiseert niet meer te beschikken
over de vanzelfsprekende steun voor het voorgestelde beleid in beide kamers
der Staten Generaal?
6
Wat voor merkbare gevolgen verbindt het kabinet aan het staatsrechtelijk
gegeven dat in een demissionaire situatie noch het parlement noch de bewindslieden
over machtsmiddelen (onaanvaardbaar verklaren, bij motie beleidswijziging
vragen, een motie van afkeuring kunnen gebruiken) beschikken om de andere
partij tot een bepaalde beslissing te motiveren?
7
Is de minister-president het nog eens met de tot nu toe gepraktiseerde
gedragslijn dat een demissionaire situatie vraagt om behoedzaam handelen?
Vindt hij ook dat – zeker als er verkiezingen zijn uitgeschreven –
nieuw beleid niet doorgedrukt behoort te worden tegen de wens van een substantiële
minderheid in?
Deelt hij de opvatting dat in een demissionaire situatie een kabinet de
politieke profilering ondergeschikt behoort te maken aan het zoeken van brede
ondersteuning?
En wil hij nog steeds de mores in ere houden dat bij het ontbreken van
die brede steun (breder dan de gevallen coalitie dus), respect voor de democratie
en bestuurlijke hoffelijkheid vragen om een tijdelijke pas op de plaats?
8
Ziet de minister-president in dat zijn kabinet met de huidige handelwijze
op gespannen voet komt te verkeren met de tot nu toe gehanteerde mores rond
demissionaire status en controversialiteit?
Als de minister-president dat niet vindt, wil hij dan het bij hem gegroeide
voortschrijdende inzicht vandaag zo glashelder beargumenteren dat hij daarmee
een bijdrage kan leveren aan het verder ontwikkelen van ons ongeschreven staatsrecht?
9
Ziet de minister-president in de huidige situatie aanleiding om de ongeschreven
regels met betrekking tot de demissionaire status van een kabinet om te zetten
in bij het aantreden van een kabinet geformuleerde afspraken c.q. wellicht
wettelijk vastgelegde mores?
Interpellatievragen van het lid Schuyer (D66) in de Eerste Kamer op 26
november 2002.
1
Wat is volgens de minister-president de definitie van het begrip demissionair?
2
Mag uit het feit dat de minister-president niet heeft gekozen voor een
minderheidskabinet om de periode tot de verkiezingen te overbruggen, worden
afgeleid dat hij niet voornemens was om wezenlijke beleidskeuzes aan de Staten-Generaal
voor te leggen?
3
Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe is dan te rijmen dat
zwaarwegende aangelegenheden als bezuinigingen op defensie, een beleidsvisie
op het hoger onderwijs, opvattingen over minimumstraffen, een
standpuntenbrief over de vijfde nota Ruimtelijke Ordening en het veiligheidsplan
door het demissionaire kabinet worden gepresenteerd?
4
Hoe verklaart de minister-president de breuk met het staatsrechtelijk
verleden waarbij het huidige kabinet pas echt lijkt te zijn gaan regeren nadat
het demissionair is geworden, waar alle voorgaande kabinetten in hun demissionaire
status terughoudendheid in acht hebben genomen bij het voorbereiden en uitvoeren
van nieuw beleid?
5
Zijn de verkiezingen van 22 januari 2003 in de ogen van de minister-president
aldus een hinderlijke onderbreking van de uitvoering van het Strategisch Akkoord?