Handeling

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarVergadernummerDatum vergadering
Eerste Kamer der Staten-Generaal2002-2003nr. 8, pagina 250-251

Noot 1 (zie blz. 210)

Interpellatievragen van Geertje Lycklama à Nijeholt (PvdA) in de Eerste Kamer op 26 november 2002.

Vragen aan de minister-president:

1

Kan de minister-president aangeven waar, in het licht van onze staatkundige geschiedenis, de grenzen liggen voor het aanvoeren van het landsbelang als argument om als demissionair kabinet door te regeren alsof er niets aan de hand is?

2

Kan de minister-president duidelijk maken dat het in de huidige situatie om het landsbelang gaat en niet om politieke motieven?

3

Kan de minister-president vervolgens met voorbeelden aangeven waar in het licht van het voorgaande de grens ligt tussen lopende zaken en controversialiteit? De grens van wat niet meer kan?

4

Dit kabinet geniet niet langer het vertrouwen van onze volksvertegenwoordigers. Intussen regeert het kabinet zonder terughoudendheid door zonder daartoe democratisch gelegitimeerd te zijn. Kan de minister-president aangeven waaruit blijkt dat het kabinet zich bewust is van het niet langer beschikken over deze voor onze democratie zo essentiële democratische legitimiteit?

5

Waarom ondergraaft dit kabinet, dat ons voortdurend wijst op het belang van het handhaven van waarden en normen, deze belangrijke democratische waarde?

6

Wil het kabinet met doorregeren alsof er niets aan de hand is de kiezer duidelijk maken dat zijn of haar stem op 22 januari 2003 er eigenlijk niet toe doet?

Interpellatievragen door het lid De Boer (GroenLinks) in de Eerste Kamer op 26 november 2002.

1

Kan de minister-president kort en duidelijk aangeven welke invulling zijn kabinet geeft aan het begrip demissionair?

2

Is het juist dat de minister-president van mening is dat het opzeggen van het vertrouwen in zijn kabinet niet de inhoud van het beleid betreft maar uitsluitend veroorzaakt wordt door de handel en wandel van één van de coalitiepartijen?

3

Is het juist dat de minister-president aan die opvatting de ruimte ontleent om nagenoeg ongewijzigd door te regeren alsof het kabinet niet is gevallen?

4

Realiseert de minister-president zich dat hij daarmee een nieuwe invulling van het begrip «politiek vertrouwen» introduceert, te weten vertrouwen in het door het kabinet voorgestelde beleid naast vertrouwen in de door coalitiepartijen aan het kabinet geleverde ministers?

5

Waaruit blijkt dat het kabinet zich realiseert niet meer te beschikken over de vanzelfsprekende steun voor het voorgestelde beleid in beide kamers der Staten Generaal?

6

Wat voor merkbare gevolgen verbindt het kabinet aan het staatsrechtelijk gegeven dat in een demissionaire situatie noch het parlement noch de bewindslieden over machtsmiddelen (onaanvaardbaar verklaren, bij motie beleidswijziging vragen, een motie van afkeuring kunnen gebruiken) beschikken om de andere partij tot een bepaalde beslissing te motiveren?

7

Is de minister-president het nog eens met de tot nu toe gepraktiseerde gedragslijn dat een demissionaire situatie vraagt om behoedzaam handelen?

Vindt hij ook dat – zeker als er verkiezingen zijn uitgeschreven – nieuw beleid niet doorgedrukt behoort te worden tegen de wens van een substantiële minderheid in?

Deelt hij de opvatting dat in een demissionaire situatie een kabinet de politieke profilering ondergeschikt behoort te maken aan het zoeken van brede ondersteuning?

En wil hij nog steeds de mores in ere houden dat bij het ontbreken van die brede steun (breder dan de gevallen coalitie dus), respect voor de democratie en bestuurlijke hoffelijkheid vragen om een tijdelijke pas op de plaats?

8

Ziet de minister-president in dat zijn kabinet met de huidige handelwijze op gespannen voet komt te verkeren met de tot nu toe gehanteerde mores rond demissionaire status en controversialiteit?

Als de minister-president dat niet vindt, wil hij dan het bij hem gegroeide voortschrijdende inzicht vandaag zo glashelder beargumenteren dat hij daarmee een bijdrage kan leveren aan het verder ontwikkelen van ons ongeschreven staatsrecht?

9

Ziet de minister-president in de huidige situatie aanleiding om de ongeschreven regels met betrekking tot de demissionaire status van een kabinet om te zetten in bij het aantreden van een kabinet geformuleerde afspraken c.q. wellicht wettelijk vastgelegde mores?

Interpellatievragen van het lid Schuyer (D66) in de Eerste Kamer op 26 november 2002.

1

Wat is volgens de minister-president de definitie van het begrip demissionair?

2

Mag uit het feit dat de minister-president niet heeft gekozen voor een minderheidskabinet om de periode tot de verkiezingen te overbruggen, worden afgeleid dat hij niet voornemens was om wezenlijke beleidskeuzes aan de Staten-Generaal voor te leggen?

3

Als deze vraag bevestigend wordt beantwoord, hoe is dan te rijmen dat zwaarwegende aangelegenheden als bezuinigingen op defensie, een beleidsvisie op het hoger onderwijs, opvattingen over minimumstraffen, een standpuntenbrief over de vijfde nota Ruimtelijke Ordening en het veiligheidsplan door het demissionaire kabinet worden gepresenteerd?

4

Hoe verklaart de minister-president de breuk met het staatsrechtelijk verleden waarbij het huidige kabinet pas echt lijkt te zijn gaan regeren nadat het demissionair is geworden, waar alle voorgaande kabinetten in hun demissionaire status terughoudendheid in acht hebben genomen bij het voorbereiden en uitvoeren van nieuw beleid?

5

Zijn de verkiezingen van 22 januari 2003 in de ogen van de minister-president aldus een hinderlijke onderbreking van de uitvoering van het Strategisch Akkoord?