Tweede Kamer der Staten-Generaal

36 100 B Jaarverslag en slotwet gemeentefonds 2021

Nr. 1 JAARVERSLAG VAN HET GEMEENTEFONDS (B)

Ontvangen 18 mei 2022

Vergaderjaar 2021–2022

GEREALISEERDE UITGAVEN EN ONTVANGSTEN

Figuur 1 Gerealiseerde uitgaven verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x €1 mln.). Totaal € 35.028.123.000

Figuur 2 Gerealiseerde ontvangsten verdeeld over beleidsartikelen en niet-beleidsartikelen (x €1 mln.). Totaal € 35.028.123.000

A. ALGEMEEN

1 1. Aanbieding van het jaarverslag en verzoek tot dechargeverlening

AAN de voorzitters van de Eerste en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal.

Hierbij bieden wij het jaarverslag van het gemeentefonds (B) over het jaar 2021 aan.

Onder verwijzing naar de artikelen 2.37 en 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verzoeken wij de beide Kamers van de Staten-Generaal de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties én de Staatssecretaris van Financiën decharge te verlenen over het in het jaar 2021 gevoerde financiële beheer.

Voor de oordeelsvorming van de Staten-Generaal over dit verzoek tot dechargeverlening stelt de Algemene Rekenkamer als externe controleur op grond van artikel 7.14 van de Comptabiliteitswet 2016 een rapport op. Dit rapport wordt op grond van artikel 7.15 van de Comptabiliteitswet 2016 door de Algemene Rekenkamer aan de Staten-Generaal aangeboden. Het rapport bevat de bevindingen en het oordeel van de Algemene Rekenkamer over:

  • 1. het gevoerde begrotingsbeheer, financieel beheer, materiële bedrijfsvoering en de daartoe bijgehouden administraties van het Rijk;

  • 2. de centrale administratie van de schatkist van het Rijk van het Ministerie van Financiën;

  • 3. de financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 4. de totstandkoming van de niet-financiële verantwoordingsinformatie in de jaarverslagen;

  • 5. de financiële verantwoordingsinformatie in het Financieel jaarverslag van het Rijk.

Bij het besluit tot dechargeverlening worden verder de volgende, wettelijk voorgeschreven, stukken betrokken:

  • 1. het Financieel jaarverslag van het Rijk over 2021;

  • 2. het voorstel van de slotwet dat met het onderhavige jaarverslag samenhangt;

  • 3. het rapport van de Algemene Rekenkamer over het onderzoek van de centrale administratie van de schatkist van het Rijk en van het Financieel jaarverslag van het Rijk;

  • 4. de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer over de in het Financieel jaarverslag van het Rijk, over 2021 opgenomen rekening van uitgaven en ontvangsten over 2021, alsmede over de saldibalans over 2021 (de verklaring van goedkeuring, bedoeld in artikel 7.14, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016).

Het besluit tot dechargeverlening kan niet worden genomen, voordat de betrokken slotwet is aangenomen en voordat de verklaring van goedkeuring van de Algemene Rekenkamer is ontvangen.

De Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties,H.G.J. Bruins Slot

De Staatssecretaris van Financiën,M.L.A. van Rij

Dechargeverlening door de Tweede Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal dat de Tweede Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Tweede Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40, derde lid, van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, ter behandeling doorgezonden aan de voorzitter van de Eerste Kamer.

Dechargeverlening door de Eerste Kamer

Onder verwijzing naar artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 verklaart de Voorzitter van de Eerste Kamer der Staten-Generaal dat de Eerste Kamer aan het hiervoor gedane verzoek tot dechargeverlening tegemoet is gekomen door een daartoe strekkend besluit, genomen in de vergadering van

De Voorzitter van de Eerste Kamer,

Handtekening:

Datum:

Op grond van artikel 2.40 van de Comptabiliteitswet 2016 wordt dit originele exemplaar van het onderhavige jaarverslag, na ondertekening van de hierboven opgenomen verklaring, doorgezonden aan de Minister van Financiën.

2. Leeswijzer

Algemeen

Voor u ligt het jaarverslag 2021 van het gemeentefonds.

Gemeentefonds

Het jaarverslag van het gemeentefonds maakt onderdeel uit van de financiële verantwoording van het Rijk, maar heeft daarbinnen een eigen bijzonder karakter. Het jaarverslag van het gemeentefonds kent in tegenstelling tot een departementaal jaarverslag slechts één beleidsartikel: het gemeentefonds. Het beleid dat wordt gevoerd ter realisatie van de algemene beleidsdoelstelling is direct verbonden met dit ene beleidsartikel. De apparaatuitgaven in de zin van materiële en personele uitgaven van de medewerkers bij de Ministeries van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en van Financiën die betrokken zijn bij het fondsbeheer, zijn niet in de tabel Budgettaire gevolgen van beleid opgenomen. Deze kosten worden in de respectievelijke departementale begrotingen verantwoord. Dit geldt eveneens voor het algemene beleid inzake decentrale overheden, waarbij deze uitgaven zijn terug te vinden in de begroting van het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (VII).

Toelichting verschillen

Dit jaarverslag zal de eerdere, op 2021 betrekking hebbende, begrotingen van het gemeentefonds (de oorspronkelijk vastgestelde begroting 2021 en de eerste en tweede suppletoire begrotingen 2021) als uitgangspunt nemen. Terugkijkend op de beleidsprioriteiten zal hierbij de ontwerpbegroting 2021 van het gemeentefonds van belang zijn. De gehanteerde norm voor de toelichting bij verschillen tussen de budgettaire raming en de realisatie in het verslagjaar, is dat alle verschillen worden toegelicht. De toelichting is op hoofdlijnen met verwijzingen naar de relevante suppletoire begrotingen.

Incidentele Suppletoire Begrotingen

In de loop van 2021 zijn drie incidentele suppletoire begrotingen (ISB) gepubliceerd (Kamerstukken II 2020/21, 35679, nr. 1, Kamerstukken II 2020/21, 35731, nr. 1 en Kamerstukken II, 2020/21, 35767, nr. 1). De mutaties uit deze ISB's zijn verwerkt in de standen van de eerste suppletoire begroting.

Indeling

Het jaarverslag is verdeeld in twee onderdelen: het beleidsverslag en de jaarrekening. Het beleidsverslag is een terugblik op het gevoerde beleid in 2021. Hierin komt de realisatie van de beleidsprioriteiten aan bod, worden de budgettaire gevolgen van het gevoerde beleid in beeld gebracht en worden beleidsmatige conclusies ten aanzien van de beleidsprioriteiten getrokken. Hier wordt ook de toelichting gegeven op het verschil tussen de oorspronkelijke vastgestelde begroting en realisatie. De verschillen worden daarbij absoluut weergegeven en toegelicht. Daarna volgt in de bedrijfsvoeringsparagraaf informatie over de rechtmatigheid. De jaarrekening geeft het financiële beeld van het begrotingsjaar 2021 wat betreft het gemeentefonds. In dit onderdeel worden de verantwoordingsstaat en de saldibalans gepresenteerd.

Groeiparagraaf

Ten opzichte van het jaarverslag 2020 zijn geen wijzigingen doorgevoerd.

Grondslagen voor de vastlegging en de waardering

De verslaggevingsregels en waarderingsgrondslagen die van toepassing zijn op de in dit jaarverslag opgenomen financiële overzichten zijn ontleend aan de Comptabiliteitswet 2016 en de daaruit voortvloeiende regelgeving, waaronder de Regeling rijksbegrotingsvoorschriften 2022 en de Regeling agentschappen. Voor de begrotingsadministratie van het gemeentefonds wordt het verplichtingen-kasstelsel toegepast.

Focusonderwerp

De Tweede Kamer heeft voor de verantwoording 2021 verzocht aandacht te besteden aan bekostigingssystemen van uitvoeringsorganisaties bij het Rijk, die problemen ervaren als gevolg van de coronapandemie. De begroting van het gemeentefonds bevat geen uitvoeringsorganisaties, die hiermee problemen ervaren (Kamerstukken II 2020/21, 31490, nr. 296).

Slotopmerking

Als gevolg van afronding wijkt in sommige tabellen het totaal af van de som der delen.

B. BELEIDSVERSLAG

3. Beleidsprioriteiten

Dit jaarverslag gaat in op de in 2021 gerealiseerde beleidsprioriteiten. Uitgangspunt daarbij is in de eerste plaats de oorspronkelijk in de begroting 2021 geformuleerde beleidsprioriteiten.

Eerst wordt de realisatie van de beleidsprioriteiten in 2021 beschreven. Vervolgens is een overzicht van steunmaatregelen ten aanzien van de coronapandemie opgenomen. Tot slot worden de budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten weergegeven.

De tabel realisatie beleidsdoorlichtingen en het overzicht risicoregelingen zijn voor het gemeentefonds niet van toepassing.

Realisatie van de beleidsprioriteiten 2021

Herzien financiële verhoudingen

Naar aanleiding van diverse moties uit de Tweede Kamer voert het Ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) het gesprek met gemeenten en provincies over het herzien van de financiële verhoudingen. In 2021 is op verschillende onderdelen voortgang gerealiseerd.

Herijking gemeentefonds

Op 2 februari 2021 publiceerden de fondsbeheerders het eerste integrale verdeelvoorstel voor de nieuwe verdeling van het gemeentefonds (Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 16). Dit voorstel is ter consultatie voorgelegd aan de Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB). Naar aanleiding van een tussenbericht van de ROB is het verdeelvoorstel op onderdelen herzien. Dit herziene voorstel is op 9 juli aan de ROB voorgelegd en is tevens met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 25). Daarnaast is het ter consultatie aangeboden aan de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG). De consultatie van de ROB leidde op 19 oktober tot een eindadvies. Een eerste reactie daarop van de fondsbeheerders, naar aanleiding van een verzoek daartoe van de VNG, is op 13 december 2021 aan de VNG gestuurd en met de Tweede Kamer gedeeld (Kamerstukken II 2021/22, 35925 B, nr. 16). In 2022 zal een besluit worden genomen over het verdere traject van de invoering van het nieuwe verdeelmodel voor de algemene uitkering van het gemeentefonds.

Hervormen gemeentelijk belastinggebied

In mei 2020 is het rapport Bouwstenen voor een beter belastingstelsel van de ambtelijke werkgroep Herziening gemeentelijk belastinggebied aan de Tweede Kamer aangeboden - als onderdeel van het bouwstenentraject voor een beter belastingstelsel (geïnitieerd door de Staatssecretaris van Financiën) (Kamerstukken II 2019/20, 32140, nr. 71). Met het verschijnen van het coalitieakkoord in 2021 is besloten dit rapport als bouwsteen mee te nemen bij de uitwerking van de nieuwe financieringssystematiek voor 2026 en verder.

Evaluatie normeringssystematiek

In 2021 is de ROB gevraagd om middels een briefadvies zijn zienswijze te geven op de afweging tussen actualiteit enerzijds en stabiliteit anderzijds binnen de normeringssystematiek. Het advies van de ROB, getiteld Toepassing normeringssytematiek, is op 6 juli 2021 aan de Tweede Kamer aangeboden (bijlage bij Kamerstukken II 2020/21, 29362, nr. 296). In dit advies wordt aangegeven dat meer stabiliteit in de financiële verhoudingen gewenst is.

Herziening uitkeringsstelsel

In 2020 is een wetsvoorstel voor de herziening van onder andere het uitkeringsstelsel in consultatie gegaan. In 2021 is een combinatie van universitaire instituten in opdracht van de fondsbeheerders een onderzoek gestart naar het uitkeringsstelsel. Afronding van het onderzoek wordt in 2022 verwacht.

Nieuw verdeelmodel beschermd wonen

De herijking van de verdeling van het gemeentefonds omvat ook een voorstel voor een nieuw objectief verdeelmodel voor beschermd wonen, met bijbehorend ingroeipad. De taak en de bijbehorende middelen gaan, conform de afspraken die Rijk en VNG hebben gemaakt, over van centrumgemeenten naar alle gemeenten. Er is sprake van een geleidelijke invoering; de doordecentralisering beperkt zich tot nieuwe cliënten en er is sprake van een ingroeipad van 10 jaar. Het verdeelvoorstel voor beschermd wonen is – samen met het verdeelvoorstel voor de rest van het gemeentefonds - formeel op 9 juli 2021 ter consultatie aangeboden aan de ROB en de VNG (Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 25). Bij brief van 10 december 2021 heeft de VNG een positief advies gegeven (Gemeenten geven positief advies over nieuw verdeelmodel BW | VNG). De ROB zag geen aanleiding tot het maken van opmerkingen over het verdeelmodel beschermd wonen in zijn eindadvies van 19 oktober 2021 (Briefadvies Herverdeling gemeentefonds | Nieuwsbericht | Raad voor het Openbaar Bestuur (raadopenbaarbestuur.nl). Over de invoering van het nieuwe verdeelmodel voor beschermd wonen zal in 2022 worden besloten.

Onderzoek structurele middelen jeugd

Naar aanleiding van het door Andersson Elffers Felix (AEF) in 2020 verrichte onderzoek naar het structureel benodigde budget voor jeugdzorg heeft een stuurgroep van Rijk en gemeenten een reeks maatregelen in kaart gebracht die moeten leiden tot een toekomstbestendig jeugdstelsel (Kamerstukken II 2020/21, 31839 nr. 775).

Op verzoek van de VNG heeft een onafhankelijke Commissie van Wijzen zich gebogen over het structureel benodigde budget voor jeugdzorg en de te treffen maatregelen om het jeugdstelsel toekomstbestendig te maken. Naar aanleiding van het rapport van deze commissie (Kamerstukken II 2020/21, 31839, nr. 777) stelde het kabinet Rutte III voor de jeugdzorg in 2022 € 1,3 mld. extra beschikbaar aan gemeenten. Dat komt bovenop de € 300 mln. die eerder beschikbaar was gesteld. Tevens heeft het Rijk in april 2021 € 613 mln. incidentele middelen beschikbaar gesteld voor 2021 voor het aanpakken van acute problematiek. Samen met eerder verstrekte middelen hadden gemeenten in 2021 ca. € 1 mld. extra te besteden voor Jeugdzorg.

Het Rijk en de VNG, in samenwerking met andere betrokken partijen (onder andere cliënten, aanbieders en professionals), hebben zich in 2021 gecommitteerd aan het opstellen van een Hervormingsagenda, die bestaat uit een combinatie van een set van maatregelen en een financieel kader waarmee een structureel houdbaarder van het jeugdstelsel wordt gerealiseerd. Deze hervormingsagenda omvat zowel afspraken over maatregelen die passen binnen het huidige stelsel, als het starten met de voorbereiding van aanpassing in nationale wet- en regelgeving. Bij het verschijnen van het coalitieakkoord in 2021 is een extra bezuiniging ingeboekt, op de in de hervormingsagenda gemaakte afspraken, die nog nader moet worden ingevuld met maatregelen.

Coronasteunmaatregelen

Ook in 2021 heeft het Rijk maatregelen getroffen om medeoverheden tegemoet te komen voor extra uitgaven en/of gederfde inkomsten als gevolg van de coronapandemie. Deze maatregelen zijn, voor zover ze betrekking hebben op het gemeentefonds, verwerkt in de verschillende begrotingen van het gemeentefonds (zie tabel 1 hieronder).

Overzicht coronasteunmaatregelen

Tabel 1 Overzicht coronasteunmaatregelen (bedragen x € 1 mln.)

Maatregel

Verplichtingen 2021

Uitgaven 2021

Relevante Kamerstukken

Opschalingskorting

160

160

Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104 en Kamerstukken II 2020/21, 35544, nr. 2

Bijzondere bijstand

10

10

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 12

Gemeentelijk schuldenbeleid

30

30

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 12

Crisisdienstverlening

48

48

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 12

Aanvullend pakket re-integratie

88

88

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 12

Additionele impuls re-integratie

48

48

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 12

Ondersteunen lokale culturele infrastructuur

150

150

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 12

Verkiezingen 2021

22

22

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35570 B, nr. 12

Perspectief jeugd

19

19

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35679, nr. 2

Afvalverwerking 2020

28

28

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2020/21, 35731, nr. 2

Tijdelijke ondersteuning noodzakelijke kosten

65

65

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 420 en Kamerstukken II 2020/21, 35731, nr. 2

Peuteropvang

5

5

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 217 en Kamerstukken II 2020/21, 35731, nr. 2

Sociaal en mentaal welzijn Jeugd

34

34

Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 988 en Kamerstukken II 2020/21, 35767, nr. 2

Sociaal en mentaal welzijn Kwetsbare groepen

84

84

Kamerstukken II 2020/21, 25295, nr. 988 en Kamerstukken II 2020/21, 35767, nr. 2

Jeugd aan zet

3

3

Kamerstukken II 2021/22, 35925 B, nr. 2

Herorientatie zelfstandigen

6

6

Kamerstukken II 2021/22, 35925 B, nr. 2

Lokale culturele voorzieningen

60

60

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 217 en Kamerstukken II 2021/22, 35925 B, nr. 2

Tijdelijke ondersteuning noodzakelijke kosten

195

195

Kamerstukken II 2021/22, 35420, nr. 420 en Kamerstukken II 2021/22, 35925 B, nr. 2

Handhaving quarantaine

3

3

Kamerstukken II 2021/22, 35925 B, nr. 2

Sociale Werkbedrijven

45

45

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 365 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2

Inkomstenderving 2020

84

84

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2

Continuïteit van zorg

136

89

Kamerstukken II 2020/21, 35420, nr. 207 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2

Lokaal cultuuraanbod

42

0

Kamerstukken II 2021/22, 35420, nr. 458 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2

Budgettaire en financiële consequenties van de beleidsprioriteiten 2021

Naast de vele steunmaatregelen voor gemeenten ter bestrijding van de financiële gevolgen van de coronapandemie zijn voor 2021 nog enkele concrete afspraken gemaakt die van invloed zijn op de financiële positie van gemeenten.

De afgelopen jaren hebben schommelingen in het accres, en de doorwerking hiervan op de gemeentelijke en provinciale begrotingen onrust veroorzaakt bij de medeoverheden. Het kabinet vond het belangrijk in deze bijzondere tijd de schommelingen voor medeoverheden te dempen; hoe stabieler de inkomsten, hoe minder verstoringen van het gemeentelijke en provinciale begrotingsproces. In overleg met de VNG en het Interprovinciaal Overleg (IPO) is daarom besloten om de stand van het accres (volume en loon- en prijsontwikkeling) zoals gepresenteerd in de Voorjaarsnota 2020 te bevriezen voor de jaren 2020 en 2021.

Gezien de toegenomen financiële druk bij gemeenten door corona heeft het kabinet tevens besloten de oploop in de opschalingskorting voor gemeenten in de jaren 2020 en 2021 incidenteel te schrappen. Dit leidde tot een verhoging van de algemene uitkering van het gemeentefonds van € 70 mln. in 2020 en € 160 mln. in 2021(Kamerstukken II 2019/20, 35420, nr. 104). Zie ook de eerste regel in tabel 1.

4. Beleidsartikelen

Artikel 1 Gemeentefonds

A. Algemene doelstelling

Via het gemeentefonds wordt bewerkstelligd dat de gemeenten middelen krijgen toebedeeld om hun taken naar behoren uit te voeren. Deze doelstelling valt uiteen in twee beleidsthema’s:

1. gemeenten via het gemeentefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor de uitvoering van hun taken;

2. een verdeling van de beschikbare financiële middelen over gemeenten die elk van de gemeenten in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren.

B. Rol en verantwoordelijkheid

De fondsbeheerders, de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijks-relaties en de Minister van Financiën, namens deze de Staatssecretaris van Financiën - Fiscaliteit en Belastingdienst, hebben een regisserende en financierende rol ten aanzien van het gemeentefonds. De fondsbeheerders zijn op basis van de Financiële-verhoudingswet verantwoordelijk voor de financiële verhoudingen tussen Rijk en gemeenten. Zij dragen daarbij zorg voor een adequate omvang alsmede een goede werking van de verdeelsystematiek van het gemeentefonds. Tevens zorgen zij voor een adequate uitbetaling en vaststelling van de algemene uitkering, de integratie-uitkeringen en decentralisatie-uitkeringen aan de verschillende gemeenten.

Van tijd tot tijd kunnen vragen opkomen of gemeenten als collectiviteit andere prioriteiten zouden kunnen stellen, bijvoorbeeld ter ondersteuning van gezamenlijk onderschreven maatschappelijke opgaven. In een dergelijk geval kunnen het Rijk en de gemeenten bestuurlijke afspraken maken over de accenten in de bestedingsrichting van de gemeenten. Naast de fondsbeheerders hebben hierbij ook de desbetreffende vakministers een rol.

In het regeerakkoord Rutte III zijn ambitieuze beleidsvoornemens geformuleerd. Maatschappelijke opgaven spelen steeds vaker op meerdere schaalniveaus tegelijk en oplossingen liggen niet in het bereik van één overheidslaag. Een toenemend aantal maatschappelijke opgaven is alleen op te lossen wanneer gemeenten, provincies, waterschappen en Rijk als één overheid samenwerken richting partners. Samenwerking vindt ook in toenemende mate plaats op regionaal niveau. Vrijwel overal in Nederland zijn regionale coalities van overheden en andere partijen op zoek naar passende governance arrangementen om aan te sluiten op hun regionale opgaven. In de uitvoering van overheidstaken spelen medeoverheden een steeds belangrijkere rol. Daarom heeft het kabinet extra geld beschikbaar gesteld aan gemeenten.

Voor de realisatie van de beschreven beleidsthema’s wordt een aantal instrumenten en activiteiten ingezet.

Beleidsthema 1: gemeenten via het gemeentefonds voorzien van voldoende financiële middelen voor de uitvoering van hun taken.

A) Normeringssystematiek

De jaarlijkse ontwikkeling van de omvang van de algemene uitkering van het gemeentefonds wordt – naast taakmutaties – bepaald door de normeringssystematiek. De normeringssystematiek houdt in dat de ontwikkeling van het fonds gekoppeld is aan de ontwikkeling van de accres-relevante uitgaven van het Rijk (ARU), dit wordt ook wel aangeduid als het principe «samen de trap op, samen de trap af». De jaarlijkse toe- of afname van het gemeentefonds die voortvloeit uit de koppeling aan de rijksuitgaven, wordt het accres genoemd. De normeringssystematiek is in werking sinds 1995 en berust op een bestuurlijke afspraak tussen het Rijk, de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Interprovinciaal Overleg (IPO). Met ingang van 2018 is de basis van de normeringssystematiek verbreed. Naast de uitgaven onder het kader rijksbegroting worden nu ook de uitgaven onder de kaders zorg en sociale zekerheid meegenomen in de normeringssystematiek.

B) Artikel 2 Financiële-verhoudingswet

Er zijn jaarlijks diverse specifieke taakmutaties die tot toevoegingen en/of onttrekkingen aan het gemeentefonds kunnen leiden. Uitgangspunt hierbij is artikel 2 van de Financiële-verhoudingswet. Dit artikel geeft aan dat indien beleidsvoornemens van het Rijk leiden tot een wijziging van de uitoefening van taken of activiteiten door gemeenten, in een afzonderlijk onderdeel van de bijbehorende toelichting met redenen wordt omkleed en met kwantitatieve gegevens wordt gestaafd, welke de financiële gevolgen van deze wijziging voor de gemeenten zijn. Tevens wordt aangegeven via welke bekostigingswijze de financiële gevolgen voor de gemeenten kunnen worden opgevangen.

C) Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen

Het Bestuurlijk overleg financiële verhoudingen (Bofv) tussen de fondsbeheerders, de VNG, het IPO en de Unie van Waterschappen (UvW) vindt minimaal twee keer per jaar plaats, rond het verschijnen van de Voorjaarsnota en de Miljoenennota. Iedere partij kan agendapunten inbrengen. Zo nodig kunnen ook andere bewindspersonen dan de fondsbeheerders aan het overleg deelnemen. De uitkomst van de normeringsystematiek (vgl. A) kan – indien bekend – in het Bofv bestuurlijk worden gewogen.

D) Macronorm Onroerend Zaak Belasting (OZB)/benchmark woonlasten

De OZB-opbrengst van gemeenten werd tot en met 2019 op macroniveau gemaximeerd door jaarlijks een percentage vast te stellen waarmee de som van de OZB-opbrengsten van alle gemeenten mocht groeien. Met ingang van 2020 is een benchmark woonlasten geïntroduceerd ter vervanging van de macronorm OZB.

E) Artikel 12 gemeenten

Een indicator voor de financiële positie van gemeenten is het aantal gemeenten dat een beroep doet op artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet. Dat aantal is de laatste jaren beperkt gebleven tot twee.

F) Monitoring nieuwe middelen sociaal domein

Het college van burgemeester en wethouders legt over de besteding van de middelen sociaal domein uitsluitend financiële verantwoording af aan de gemeenteraad. Het Rijk vraagt geen verantwoording over de rechtmatigheid van de besteding door gemeenten. Wel monitort het Rijk de uitvoering van de taken van het sociaal domein, om de systeemverantwoordelijkheid van vakministers en fondsbeheerders te kunnen borgen.

Het Rijk ontvangt daartoe via het informatiesysteem Informatie voor derden (Iv3) per gemeente informatie over de uitgaven in het sociaal domein. Iv3 is geen verantwoordingsinformatie en op basis van Iv3 kan niet worden teruggevorderd.

Beleidsthema 2: een verdeling van de beschikbare financiële middelen over gemeenten die elk van de gemeenten in staat stelt om hun inwoners een gelijkwaardig voorzieningenpakket tegen globaal gelijke lastendruk te kunnen leveren.

G) Verdeelmaatstaven

Het budget van de algemene uitkering van het gemeentefonds wordt over de gemeenten verdeeld via een systeem van verdeelmaatstaven. De fondsbeheerders zijn verantwoordelijk voor ontwikkeling en onderhoud van het systeem van verdeelmaatstaven dat de verdeling tot stand brengt. Dit verdeelsysteem heeft als doel gemeenten in staat te stellen hun voorzieningen op een onderling gelijkwaardig niveau te brengen tegen globaal gelijke lastendruk en rekening houdend met de structuurkenmerken van de gemeenten. Zolang voor een uitkeringsjaar de voor de verdeelmaatstaven noodzakelijke statistische gegevens nog niet bekend of definitief zijn, worden de gemeenten bevoorschot op basis van voorlopige cijfers. Hierbij wordt ernaar gestreefd de voorschotten zo goed mogelijk aan te laten sluiten op de algemene uitkering waarop een gemeente uiteindelijk recht heeft, zoals deze vastgesteld wordt nadat de statistische gegevens definitief zijn geworden. Dit streven geldt ook voor integratie- en decentralisatie-uitkeringen. Als er gedurende en na afloop van het uitkeringsjaar definitieve volumegegevens beschikbaar komen, leidt dit tot bijstellingen in de bevoorschotting. Aangezien voor het gemeentefonds de verplichtingen leidend zijn, zullen deze altijd tot uitkering komen.

H) Periodiek onderhoudsrapport

Voor de verdeling van de financiële middelen is het Periodiek onderhoudsrapport (POR) de belangrijkste indicator. Daarin wordt door de fondsbeheerders bijgehouden of de verdeling nog adequaat is. De verdeling is adequaat als deze nog voldoende aansluit bij de daadwerkelijke uitgaven zoals blijkt uit de gemeentelijke begrotingen. Het POR verschijnt jaarlijks als bijlage bij de begroting.

C. Beleidsconclusies

Vanuit het gemeentefonds hebben gemeenten in 2021 middelen toebedeeld gekregen om hun taken uit te voeren. Daarbij hebben de fondsbeheerders uiteraard het bestaande verdeelmodel toegepast voor de algemene uitkering.

Door de fondsbeheerders wordt gewerkt aan een nieuw verdeelmodel (zie ook de paragraaf Beleidsprioriteiten). Een nieuw verdeelmodel is nodig om de verdeling van de middelen over de gemeenten beter te laten aansluiten op de huidige taken en kosten van gemeenten. Deze taken en kosten zijn, onder meer door de decentralisaties in het sociaal domein, de afgelopen jaren gewijzigd. Ook moet een nieuw model eenvoudiger worden. Het huidige model is namelijk door alle wijzigingen in de loop der jaren behoorlijk ingewikkeld geworden.

Het kabinet was zich ervan bewust dat de financiële positie van gemeenten onder druk stond. De gevolgen van de coronapandemie hebben deze druk verder vergroot. Afgelopen periode heeft het kabinet zich ingespannen om gemeenten financieel te ondersteunen door middel van het compenseren van de financiële gevolgen van de coronapandemie. Ook heeft het kabinet besloten het accres tijdelijk te bevriezen en de oploop in de opschalingskorting incidenteel te schrappen voor 2020 en 2021. Verder heeft het kabinet in 2021 incidenteel extra geld beschikbaar gesteld voor de kosten van de Jeugdzorg.

D. Budgettaire gevolgen van beleid

In onderstaande tabel worden de budgettaire gevolgen van beleid weergegeven.

Tabel 2 Budgettaire gevolgen van beleid artikel 1 gemeentefonds (bedragen x € 1.000)
 

Realisatie

Vastgestelde begroting1

Verschil

 

2017

2018

2019

2020

2021

2021

2021

Verplichtingen

27.871.247

29.371.165

31.075.999

33.482.207

35.128.367

33.215.875

1.912.492

        

Uitgaven

27.906.247

29.083.134

31.297.982

33.436.400

35.028.123

33.215.875

1.812.248

        

Financiering gemeenten

       

Bijdrage aan medeoverheden

27.813.483

29.081.532

31.294.711

33.434.423

35.026.970

33.214.364

1.812.606

Algemene uitkering en de aanvullende uitkeringen

15.555.457

16.494.393

25.116.658

26.817.031

29.139.098

27.727.260

1.411.838

Decentralisatie-uitkeringen

1.136.719

1.228.909

1.678.685

1.807.676

1.645.290

1.322.481

322.809

Integratie-uitkering Voogdij 18+

  

680.360

704.592

731.492

723.378

8.114

Integratie-uitkering Beschermd wonen

  

1.809.397

1.938.274

1.488.899

1.501.271

‒ 12.372

Integratie-uitkering Participatie

  

1.999.848

2.122.682

1.982.603

1.903.278

79.325

Integratie-uitkeringen Overig

  

9.763

44.168

39.588

36.696

2.892

Niet meer bestaand

11.121.307

11.358.230

     
        

Kosten Financiële verhoudingswet

       

Opdrachten

1.530

1.507

2.943

1.208

456

1.511

‒ 1.055

Onderzoeken verdeelsystematiek

1.530

1.507

2.943

1.208

456

1.511

‒ 1.055

Bijdragen aan ZBO's/RWT's

 

95

328

769

697

0

697

Onderzoeken verdeelsystematiek

 

95

328

769

697

0

697

        

Overig

       

Niet meer bestaand

91.234

      
        

Ontvangsten

27.906.247

29.083.134

31.297.982

33.436.400

35.028.123

33.215.875

1.812.248

X Noot
1

De stand zoals gepresenteerd onder de stand vastgestelde begroting wijkt af van de stand vastgestelde begroting bij de eerste suppletoire begroting, tweede suppletoire begroting, incidentele suppletoire begroting(en) en de slotwet. De reden hiervoor is dat in het jaarverslag de ISB(s) die zijn ingediend tussen de vaststelling van de ontwerpbegroting en de vaststelling van de eerste suppletoire begroting zijn opgeteld bij realisatie.

E. Toelichting op de instrumenten

Verplichtingen

Ten opzichte van de oorspronkelijk vastgestelde begroting zijn de verplichtingen met € 1.912,5 mln. opwaarts bijgesteld. Dit bedrag is het saldo van de mutaties die bij eerste suppletoire begroting 2021 (€ 1.010 mln.) en tweede suppletoire begroting 2021 (€ 903 mln.) zijn aangebracht. In de slotwet vindt een mutatie plaats van € -0,5 mln. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memorie van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2020/21, 35850 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2) en in de slotwet 2021.

Uitgaven

Bijdragen aan medeoverheden

Algemene uitkering

De uitgaven van de algemene uitkering van het gemeentefonds worden ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting bijgesteld met € 1.412 mln. en komen daarmee in totaal op € 29.139 mln. De hogere uitgaven hangen onder meer samen met de extra toegekende middelen voor corona. Bij de eerste en tweede suppletoire begroting 2021 hebben eerdere mutaties plaatsgevonden van respectievelijk € 977 mln. en € 686 mln. In de slotwet 2021 vindt een mutatie plaats van € -251 mln., vanwege overlopende betalingen naar 2022. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memorie van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2020/21, 35850 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2) en in de slotwet 2021.

Decentralisatie-uitkeringen

De uitgaven van de decentralisatie-uitkeringen van het gemeentefonds worden ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting bijgesteld met € 323 mln. en komen daarmee in totaal op € 1.645 mln. De hogere uitgaven zijn vooral een gevolg van het toevoegen van nieuwe decentralisatie-uitkeringen in de loop van 2021, onder meer ter compensatie van extra uitgaven en gederfde inkomsten als gevolg van de coronacrisis. Bij de eerste en tweede suppletoire begroting 2021 hebben eerdere mutaties plaatsgevonden van respectievelijk € 121 mln. en € 212 mln. en in de slotwet van € -10 mln., vanwege overlopende betalingen naar 2022. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memorie van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2020/21, 35850 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2) en in de slotwet 2021.

Integratie-uitkering Voogdij 18+

De uitgaven van de integratie-uitkering Voogdij 18+ worden ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting bijgesteld met € 8,1 mln. en komen daarmee in totaal op € 731,5 mln. Bij de eerste en tweede suppletoire begroting 2021 hebben eerdere mutaties plaatsgevonden van respectievelijk € 7,0 mln. en € 1,1 mln. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memorie van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2020/21, 35850 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2) en in de slotwet 2021.

Integratie-uitkering Beschermd wonen

De uitgaven van de integratie-uitkering Beschermd wonen worden ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting bijgesteld met € -12,4 mln. en komen daarmee in totaal op € 1.488,9 mln. Bij de eerste en tweede suppletoire begroting 2021 hebben eerdere mutaties plaatsgevonden van respectievelijk € 29,6 mln. en € -42 mln. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memorie van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2020/21, 35850 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2) en in de slotwet 2021.

Integratie-uitkering Participatie

De uitgaven van de integratie-uitkering Participatie worden ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting bijgesteld met € 79,3 mln. en komen daarmee in totaal op € 1.982,6 mln. Bij de eerste en tweede suppletoire begroting 2021 hebben eerdere mutaties plaatsgevonden van respectievelijk € 39,8 mln. en € 39,5 mln. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memorie van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2020/21, 35850 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2) en in de slotwet 2021.

Integratie-uitkeringen Overig

De uitgaven van de integratie-uitkeringen Overig van het gemeentefonds worden ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting bijgesteld met € 2,9 mln. en komen daarmee in totaal op € 39,6 mln. Bij de eerste en tweede suppletoire begroting 2021 hebben eerdere mutaties plaatsgevonden van respectievelijk € -3,1 mln. en € 6 mln. Een toelichting op deze mutaties is te vinden in de memorie van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2020/21, 35850 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2) en in de slotwet 2021.

Opdrachten

Kosten Financiële-verhoudingswet

Het gerealiseerde bedrag komt € 1 mln. lager uit dan in de ontwerpbegroting 2021 werd geraamd. Het gerealiseerde bedrag voor de kosten Financiële-verhoudingswet onder opdrachten komt hiermee op € 0,5 mln. Een toelichting is te vinden in de memorie van toelichting van beide suppletoire begrotingen (Kamerstukken II 2020/21, 35850 B, nr. 2 en Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2) en in de slotwet 2021.

Bijdragen aan ZBO’s/RWT’s

Kosten Financiële-verhoudingswet

Het gerealiseerde bedrag komt € 0,7 mln. hoger uit dan in de ontwerpbegroting 2021 werd geraamd, doordat enkele bijdragen zijn verstrekt die als opdracht waren begroot. Een toelichting is te vinden in de memorie van toelichting van tweede suppletoire begroting 2021 (Kamerstukken II 2021/22, 35975 B, nr. 2) en in de slotwet 2021.

Ontvangsten

Sinds de invoering van de Financiële-verhoudingswet zijn de uitgaven en de inkomsten over ieder uitkeringsjaar aan elkaar gelijk. Ten opzichte van de oorspronkelijke vastgestelde begroting van het gemeentefonds voor 2021 worden de ontvangsten met € 1.812 mln. verhoogd tot € 35.028 mln. Deze verhoging is de som van de mutaties die bij eerste suppletoire begroting 2021 (€ 1.172 mln.), tweede suppletoire begroting 2021 (€ 903 mln.) en in de slotwet 2021 ( € -262 mln.) zijn aangebracht.

5. Bedrijfsvoeringsparagraaf

Paragraaf 1 - Uitzonderingsrapportage voor de volgende vier verplichte onderdelen:

Rechtmatigheid

Er hebben zich geen overschrijdingen van de tolerantiegrenzen voorgedaan.

Totstandkoming niet-financiële verantwoordingsinformatie

Er zijn geen bijzonderheden te melden.

Financieel en materieelbeheer

Voor het financieel en materieelbeheer wordt u verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Overige aspecten van de bedrijfsvoering

Voor overige aspecten van de bedrijfsvoering wordt u verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Paragraaf 2 - Rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen

Voor de rijksbrede bedrijfsvoeringsonderwerpen wordt u verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

Paragraaf 3 - Belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering

Voor de belangrijke ontwikkelingen en verbeteringen in de bedrijfsvoering wordt u verwezen naar de bedrijfsvoeringsparagraaf in het jaarverslag van begrotingshoofdstuk VII Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.

C. JAARREKENING

6. Verantwoordingsstaat van het gemeentefonds

Tabel 3 Verantwoordingsstaat 2021 van het gemeentefonds (B) (Bedragen x € 1.000)

Art.

Omschrijving

(1) Vastgestelde begroting1

(2) Realisatie

(3)=(2)-(1) Verschil realisatie en vastgestelde begroting

  

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

Verplichtingen

Uitgaven

Ontvangsten

01

Gemeentefonds

33.215.875

33.215.875

33.215.875

35.128.367

35.028.123

35.028.123

1.912.492

1.812.248

1.812.248

X Noot
1

De stand zoals gepresenteerd onder de stand vastgestelde begroting wijkt af van de stand vastgestelde begroting bij de eerste suppletoire begroting, tweede suppletoire begroting, incidentele suppletoire begroting(en) en de slotwet. De reden hiervoor is dat in het jaarverslag de ISB(s) die zijn ingediend tussen de vaststelling van de ontwerpbegroting en de vaststelling van de eerste suppletoire begroting zijn opgeteld bij realisatie.

7. Saldibalans

Tabel 4 Saldibalans per 31 december 2021 van het gemeentefonds (B) (bedragen x € 1.000)

Activa

31-12-2021

31-12-2020

 

Passiva

31-12-2021

31-12-2020

       

Intra-comptabele posten

      

1) Uitgaven ten laste van de begroting

35.028.123

33.436.400

 

2) Ontvangsten ten gunste van de begroting

35.028.123

33.436.400

3) Liquide middelen

0

0

    

4) Rekening-courant RHB1

0

0

 

4a) Rekening-courant RHB

0

0

5) Rekening-courant RHB Begrotingsreserve

0

0

 

5a) Begrotingsreserves

0

0

6) Vorderingen buiten begrotingsverband

0

0

 

7) Schulden buiten begrotingsverband

0

0

8) Kas-transverschillen

0

0

    

Subtotaal intra-comptabel

35.028.123

33.436.400

 

Subtotaal intra-comptabel

35.028.123

33.436.400

       

Extra-comptabele posten

      

9) Openstaande rechten

0

0

 

9a) Tegenrekening openstaande rechten

0

0

10) Vorderingen

0

0

 

10a) Tegenrekening vorderingen

0

0

11a) Tegenrekening schulden

0

0

 

110 Schulden

0

0

12) Voorschotten

115.975.036

109.323.688

 

12a) Tegenrekening voorschotten

115.975.036

109.323.688

13a) Tegenrekening garantieverplichtingen

0

0

 

13) Garantieverplichtingen

0

0

14a) Tegenrekening andere verplichtingen

262.572

162.328

 

14) Andere verplichtingen

262.572

162.328

15) Deelnemingen

0

0

 

15a) Tegenrekening deelnemingen

0

0

Subtotaal extra-comptabel

116.237.608

109.486.016

 

Subtotaal extra-comptabel

116.237.608

109.486.016

       

Totaal

151.265.731

142.922.416

 

Totaal

151.265.731

142.922.416

X Noot
1

Rijkshoofdboekhouding

Toelichting behorende bij de saldibalans per 31 december 2021 van het gemeentefonds

Hierna worden de saldibalansposten toegelicht. De nummering van de toelichting komt overeen met die van de saldibalansposten.

Ad 1. Uitgaven ten laste van de begroting en Ad 2. Ontvangsten ten gunste van de begroting

Bij de begrotingsuitgaven en -ontvangsten voor 2021 zijn de gerealiseerde uitgaven en ontvangsten opgenomen met betrekking tot het jaar 2021 waarvoor de Rijksrekening nog niet door de Tweede Kamer is goedgekeurd.

Ad 12. Voorschotten

Hieronder zijn de betaalde voorschotten opgenomen voor nog niet definitief vastgestelde uitkeringen aan gemeenten. De gemeenten ontvangen, als gevolg van de wet, voorschotten tot het bedrag waar ze vermoedelijk recht op hebben. Uitkeringen aan de gemeenten worden na afloop van het uitkeringsjaar via beschikkingen of algemene maatregelen van bestuur definitief vastgesteld. Het totaalbedrag van de betaalde voorschotten bestaat met name uit voorschotten aan gemeenten op de algemene uitkering, de integratie-uitkeringen en de decentralisatie-uitkeringen. Het bedrag is in tabel 5 gespecificeerd en daaronder nader toegelicht.

Tabel 5 Specificatie voorschotten gemeentefonds (bedragen x € 1.000)
 

31-12-2021

31-12-2020

   

Onderzoek en bijdragen organisaties

  

2020

188

188

2021

108

0

subtotaal

296

188

   

Algemene uitkering

  

2017

0

15.547.927

2018

16.540.454

16.524.181

2019

25.116.618

25.109.262

2020

26.889.854

26.780.882

2021

29.006.405

0

subtotaal

97.553.331

83.962.252

   

Integratie-uitkeringen / decentralisatie-uitkeringen

  

2018

0

12.824.922

2019

5.953.795

5.953.675

2020

6.589.125

6.582.651

2021

5.878.489

0

subtotaal

18.421.409

25.361.248

   

TOTAAL

115.975.036

109.323.688

Algemene uitkering

Dit onderdeel van de tabel vergelijkt voor de algemene uitkering de voorschotten per 31 december 2021 waarvoor per uitkeringsjaar de beschikking nog niet definitief is opgemaakt met de voorschotten waarvoor geldt dat de definitieve beschikking voor het desbetreffende uitkeringsjaar per 31 december 2020 nog niet was opgemaakt.

Integratie-uitkeringen / decentralisatie-uitkeringen

De voorschotten voor de integratie- en decentralisatie-uitkeringen op de saldibalans van het gemeentefonds hebben veelal een bijzonder karakter. Bij een beperkt aantal uitkeringen staat de hoogte van de uitkering niet vooraf vast of dient over de betaling nog een afrekening plaats te vinden. Bij een groot deel van deze uitkeringen wordt echter vooraf door het beleidsdepartement precies bepaald welke bedragen aan welke begunstigden worden uitbetaald. De begunstigden hoeven ook geen verantwoording af te leggen over de (wijze van) besteding van de uitkering. Het gemeentefonds is hierbij slechts een loket waarlangs de verstrekkingen lopen. Desondanks worden alle betalingen uit hoofde van deze uitkeringen op de saldibalans van het gemeentefonds als voorschot verantwoord tot het moment waarop de verdeling over medeoverheden definitief wordt vastgesteld door middel van een AMvB.

Tabel 6 Mutatieoverzicht voorschotten gemeentefonds (bedragen x € 1.000)

voorschotten per 01-01-2021

109.323.688

  

ontstaan in 2021

35.027.077

afgerekend in 2021

28.375.730

  

voorschotten per 31-12-2021

115.975.036

De stand openstaande voorschotten is toegenomen ten opzichte van de stand ultimo 2020. Ten eerste zijn de voorschotten voor de verschillende uitkeringen over 2021 aan de stand voorschotten toegevoegd. Deze voorschotten zijn ontstaan in 2021 voor een bedrag van € 35 mld. Daar tegenover staat voor een bedrag van € 28 mld. aan afgerekende voorschotten. Deze afrekening hangt samen met de publicatie in 2021 van de algemene maatregel van bestuur (AMvB), waarmee de integratie- en decentralisatie-uitkeringen uit 2018 zijn vastgesteld. Ook zijn in 2021 de beschikkingen verzonden waarmee de algemene uitkeringen 2017 van de gemeenten zijn vastgesteld.

Ad 14. Andere verplichtingen

Onder deze post zijn de openstaande betalingsverplichtingen uit hoofde van de algemene uitkering uit het gemeentefonds, openstaande betalings-verplichtingen uit hoofde van de integratie- en decentralisatie-uitkeringen, en openstaande betalingsverplichtingen uit hoofde van onderzoek en bijdragen organisaties opgenomen. Het bedrag is in tabel 7 gespecificeerd en daaronder nader toegelicht.

Tabel 7 Verloop van de openstaande verplichtingen gemeentefonds (bedragen x € 1.000)

Omschrijving

Openstaande verplichtingen per 1-1-2021

Aangegane verplichtingen in 2021 (excl. positieve bijstellingen)

Tot betaling gekomen in 2021

Bijstellingen van aangegane verplichtingen uit eerdere begrotingsjaren

Openstaande verplichtingen per 31-12-2021

      

Onderzoek en bijdragen organisaties

643

1.632

1.153

0

1.122

Algemene uitkering

151.588

29.238.583

29.139.098

0

251.074

Integratie- en decentralisatie-uitkeringen

10.096

5.888.794

5.887.872

‒ 643

10.376

      

Totaal

162.327

35.129.009

35.028.123

‒ 643

262.572

De stand openstaande verplichtingen is toegenomen ten opzichte van de stand ultimo 2020. Dit is vooral veroorzaakt doordat een groter deel van de algemene uitkering 2021 nog niet is uitgekeerd aan de gemeenten. Bij de integratie- en decentralisatie-uitkeringen is het nog openstaande bedrag licht toegenomen. Een volledig overzicht van de nog niet tot betalingen gekomen bedragen voor de decentralisatie- en integratie-uitkeringen is opgenomen in de slotwet 2021.

De toelichting hieronder heeft betrekking op de negatieve bijstellingen die per saldo een omvang hebben van meer dan 10% en of meer dan € 0,1 mln. ten opzichte van de verplichtingenstand per 31-12-2021.

In 2021 is € 0,6 mln. afgeboekt op de restantverplichting voor enkele afgeronde decentralisatie-uitkeringen uit 2018.

Naar boven