Aanhangsel van de Handelingen

Datum publicatieOrganisatieVergaderjaarNummerDatum ontvangst
Tweede Kamer der Staten-Generaal2014-20152337

Vragen van de leden Siderius en Karabulut (beiden SP) aan de Staatssecretarissen van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van Sociale Zaken en Werkgelegenheid en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport over de toekomst van leerlingen die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen (ingezonden 10 april 2015).

Antwoord van Staatssecretaris Dekker (Onderwijs, Cultuur en Wetenschap) mede namens de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (ontvangen 22 mei 2015).

Vraag 1, 2

Bent u ermee bekend dat leerlingen, die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen, slechts zeer beperkt kunnen doorstromen naar een opleiding op mbo niveau 2, omdat de verplichte taal- en rekentoets voor een zeer groot deel van deze leerlingen een obstakel vormt en zij daardoor een diploma op mbo-niveau 2 nooit kunnen behalen? Zo ja, welk effect heeft dit op de succesvolle uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs en het aantal leerlingen dat in Nederland na het doorlopen van het praktijkonderwijs werkloos thuis komt te zitten?1 2

Bent u ermee bekend dat leerlingen, die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen, met een entreeopleiding op mbo niveau 1 weinig geholpen zijn, omdat er bij dit type onderwijs ook geen startkwalificatie kan worden behaald? Zo ja, welk effect heeft dit op de succesvolle uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs en het aantal leerlingen dat in Nederland na het doorlopen van het praktijkonderwijs werkloos thuis komt te zitten?

Antwoord 1, 2

Het praktijkonderwijs (pro) is bedoeld voor leerlingen die niet in staat zijn een diploma in het vmbo te halen. Het heeft de wettelijke taak om leerlingen voor te bereiden op functies op de regionale arbeidsmarkt op een niveau dat ligt onder het niveau van de entreeopleiding. Uit de jaarlijkse zelfrapportage van pro-scholen blijkt dat 41 procent van de leerlingen uitstroomt naar een baan (eventueel in combinatie met leren), 29 procent naar het mbo, 17 procent naar een andere school en 11 procent naar dagbesteding of anders.3 Er zijn dus leerlingen die na het doorlopen van het pro toch nog een mbo-diploma willen en kunnen behalen. Sinds 1 augustus 2014 is het echter niet meer mogelijk om drempelloos, dus zonder diploma, in te stromen op mbo-niveau 2. Drempelloze instroom is alleen nog maar mogelijk in de entreeopleiding. Deze mogelijkheid blijft ook bestaan nu de komende jaren de resultaten voor Nederlandse taal en rekenen gaan meetellen voor het behalen van een diploma. Voor studenten in de entreeopleiding die moeite hebben met rekenen komt er een centraal examen 2A, dat makkelijker is dan het centraal examen 2F. Daarmee kunnen deze studenten ook doorstromen naar mbo-niveau 2. Studenten die in mbo-niveau 2 het centraal examen 2A behalen, krijgen een vakdiploma. Met dat diploma kunnen zij niet doorstromen naar mbo-niveau 3. Studenten die in mbo-niveau 2 zowel voor Nederlandse taal als voor rekenen het referentieniveau 2F behalen, kunnen wel doorstromen naar mbo-niveau 3.

Leerlingen uit het pro kunnen drempelloos instromen in de entreeopleiding en daarna eventueel doorstromen naar mbo-niveau 2. De entreeopleiding blijft toegankelijk voor leerlingen zonder vmbo-diploma. Deze studenten kunnen in de entreeopleiding hun diploma halen, zonder de eisen voor de generieke onderdelen Nederlandse taal en rekenen te behalen. Met een diploma op mbo-niveau 1 maakt de student meer kans op een passende positie op de arbeidsmarkt dan zonder diploma. Uit de eerder genoemde uitstroommonitor blijkt niet dat leerlingen die het pro verlaten werkloos thuis komen te zitten. Integendeel, het overgrote deel stroomt uit naar een baan of stroomt door naar het mbo.

Vraag 3, 4, 5

In hoeverre kunnen leerlingen, die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen, vanwege de Participatiewet geen aanvraag meer doen voor een jonggehandicaptenuitkering, omdat deze leerlingen niet in de categorie 80 tot 100 procent arbeidsongeschikt vallen en zij hierdoor ook geen aanspraak kunnen maken op voorzieningen via het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV) zoals een jobcoach of andere hulpmiddelen? Welk effect heeft dit op de succesvolle uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs en het aantal leerlingen dat in Nederland na het doorlopen van het praktijkonderwijs werkloos thuis komt te zitten?4 5

Bent u ermee bekend dat leerlingen, die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen, vanwege de Participatiewet vaak geen aanvraag kunnen doen voor een bijstandsuitkering, omdat deze leerlingen in de meeste situaties nog woonachtig zijn bij de ouders? Zo ja, welk effect heeft dit op de succesvolle uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs en het aantal leerlingen dat in Nederland na het doorlopen van het praktijkonderwijs werkloos thuis komt te zitten?6

Bent u ermee bekend dat leerlingen, die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen, vanwege de Participatiewet geen toegang meer hebben tot de sociale werkplaats (Wet sociale werkvoorziening-indicatie), omdat de toegang tot de sociale werkplaatsen per 1 januari 2015 is afgesneden en de sociale werkplaatsen op termijn worden gesloten? Zo ja, welk effect heeft dit op de succesvolle uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs en het aantal leerlingen dat in Nederland na het doorlopen van het praktijkonderwijs werkloos thuis komt te zitten?7

Antwoord 3, 4, 5

Veel leerlingen die succesvol het pro hebben doorlopen, verkrijgen na uitstroom uit school een reguliere baan en functioneren zelfstandig op de arbeidsmarkt. Gemeenten zijn vanaf 1 januari 2015 verantwoordelijk voor mensen met een arbeidsbeperking die arbeidsvermogen hebben. Dit geldt ook voor personen van 18 jaar en ouder die bij hun ouders wonen en zelf niet in de noodzakelijke kosten van bestaan kunnen voorzien; ook dan kan recht op bijstand bestaan. Ook mensen die geen recht hebben op een bijstandsuitkering, kunnen als niet-uitkeringsgerechtigde aanspraak maken op ondersteuning bij de gemeente. Het kabinet verwacht geen negatief effect van de Participatiewet op de succesvolle uitstroom van leerlingen uit het pro. Voor deze jongeren bieden de Participatiewet en de banenafspraak meer kansen op de arbeidsmarkt.

Met de Participatiewet is de instroom in de Wet sociale werkvoorziening afgesloten. Gelijktijdig biedt deze wet gemeenten (deels nieuwe) instrumenten om deze groep aan een baan te helpen, zoals nieuwe vormen van loonkostensubsidie, beschut werk en voorzieningen zoals een jobcoach. Ook de banenafspraak met werkgevers over 100.000 extra banen in de marktsector en 25.000 extra banen bij de overheid voor mensen met een arbeidsbeperking biedt kansen voor deze groep.

Het is van belang dat ouders en leraren voorlichting krijgen over de Participatiewet. Het Landelijk Expertisecentrum Speciaal Onderwijs en het Landelijk Werkverband Praktijkonderwijs verzorgen deze voorlichting met financiële ondersteuning van het Ministerie van SZW.

Overigens blijven jongeren die duurzaam geen arbeidsvermogen hebben in aanmerking komen voor een uitkering op basis van de Wajong.

Vraag 6

Bent u ermee bekend dat leerlingen, die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen, grote moeite hebben met het vinden van een plek op de arbeidsmarkt, vanwege het ontbreken van een startkwalificatie? Zo ja, welk effect heeft dit op de succesvolle uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs en het aantal leerlingen dat in Nederland na het doorlopen van het praktijkonderwijs werkloos thuis komt te zitten?

Antwoord 6

Zoals ik heb aangegeven in het antwoord op vraag 1 en 2, is het pro bedoeld voor leerlingen die niet in staat zijn een diploma in het vmbo te halen. Het gaat hier dus om leerlingen die (over het algemeen) geen startkwalificatie kúnnen halen. Het pro is bedoeld om deze leerlingen toch zo goed mogelijk voor te bereiden op de arbeidsmarkt, en zo hun kansen op het vinden en behouden van een baan te vergroten. De scholen zijn hierin ook succesvol: 41 procent van de leerlingen stroomt uit naar een baan. Van de overige groep volgt het overgrote deel nog een opleiding. Het ontbreken van een startkwalificatie hoeft voor deze jongeren dus geen belemmering te zijn voor het vinden van een plek op de arbeidsmarkt. Wel gaat het hier om jongeren die zich vaak in een kwetsbare positie bevinden, en die extra aandacht nodig hebben om zich goed voor te kunnen bereiden op de toenemende eisen die de samenleving, het onderwijs en de arbeidsmarkt aan hen stellen. Voor deze groep heeft het kabinet daarom extra aandacht, zoals de Minister mede namens mij heeft toegelicht in de brief over extra kansen voor jongeren in een kwetsbare positie.8

Vraag 7

Bent u ermee bekend dat leerlingen, die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen, door de bezuinigingen op de Wet Maatschappelijke Ondersteuning en de Jeugdwet per 1 januari 2015 niet meer in aanmerking komen voor dagbesteding? Zo ja, welk effect heeft dit op de succesvolle uitstroom van leerlingen uit het praktijkonderwijs en het aantal leerlingen dat in Nederland na het doorlopen van het praktijkonderwijs werkloos thuis komt te zitten?9 10

Antwoord 7

Het overgrote deel van de leerlingen uit het pro stroomt uit naar een baan of naar een vervolgopleiding. De afgelopen jaren stroomde slechts 3 á 4 procent van de leerlingen uit naar dagbesteding. Jongeren waarvoor dagbesteding het meest passend is, blijven in aanmerking komen voor dagbesteding.

Gemeenten zijn op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) 2015 verplicht, na een melding van een behoefte aan maatschappelijke ondersteuning, onderzoek te doen naar de behoeften, wensen en mogelijkheden van de betrokkene. Indien dit leidt tot een aanvraag voor maatschappelijk ondersteuning besluit de gemeente tot het treffen van een passende voorziening die de betrokkene in staat stelt te participeren en zelfredzaam te zijn. Afhankelijk van de individuele situatie kan dagbesteding passend zijn. Dit geldt ook voor de jeugdhulpplicht op grond van de Jeugdwet als ze jonger zijn dan 18 jaar. De bezuinigingen zijn voor gemeenten geen reden om niet aan deze wettelijke verantwoordelijkheden te voldoen. In november vorig jaar is de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een cliëntentafel Hlz (Hervorming Langdurige Zorg) gestart: een landelijk platform waar cliëntorganisaties signalen en casuïstiek over de toegang tot en de continuïteit van zorg en ondersteuning kunnen inbrengen. Dit onderwerp is op de cliënttafel tot op heden niet aan de orde gekomen. Dat geldt ook voor de cliëntmonitor jeugd en de cliëntentafel jeugd.

Vraag 8

Kunt u nauwkeurig uiteenzetten welke mogelijkheden er zijn op de arbeidsmarkt in gesubsidieerde banen of dagbesteding voor leerlingen die het praktijkonderwijs succesvol doorlopen hebben en een getuigschrift ontvangen hebben? Welke maatregelen neemt de u om te voorkomen dat deze leerlingen duurzaam thuis komen te zitten?

Antwoord 8

Zoals hiervoor aangegeven verkrijgen veel leerlingen uit het pro na uitstroom uit school een reguliere baan en functioneren zij zelfstandig op de arbeidsmarkt. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor die jongeren die ondersteuning nodig hebben. Zij kunnen op basis van de Participatiewet en de Wmo op basis van maatwerk tal van instrumenten (zoals loonkostensubsidie, beschut werk en dagbesteding) inzetten om te voorkomen dat jongeren duurzaam thuis komen te zitten. De decentralisaties bieden gemeenten de beleidsvrijheid om hierbij een integrale aanpak te realiseren. Voor de maatregelen die het kabinet neemt om te voorkomen dat deze jongeren thuis komen te zitten verwijs ik naar het antwoord op vraag 14.

Vraag 9

Hoeveel van de 125.000 garantiebanen zijn tot op heden (eerste kwartaal 2015) ingevuld door arbeidskrachten die het praktijkonderwijs succesvol hebben doorlopen? Welk deel van deze garantiebanen zijn bedoeld voor leerlingen die van het praktijkonderwijs af komen? Wat is de doelstelling?11

Antwoord 9

Leerlingen uit het vso en pro behoren niet per definitie tot de doelgroep van de banenafspraak. Hiervoor is nodig dat UWV eerst beoordeelt of zij niet het wettelijk minimumloon kunnen verdienen. De Staatssecretaris van SZW heeft in de brief aan uw Kamer van 8 mei 2015 over indicaties doelgroep banenafspraak laten weten dat leerlingen uit het vso en pro, evenals leerlingen van de entreeopleiding, zich voortaan rechtstreeks bij UWV kunnen aanmelden voor de doelgroepbeoordeling voor de banenafspraak.12 Dit vooruitlopend op een uitvoeringsbesluit Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten waarin deze indicatie door UWV wordt geregeld. Dit draagt bij aan het optimaal in beeld houden van deze groep en aan een goede vulling van het banenregister.

Met de organisaties in de Werkkamer, het overlegorgaan van gemeenten en sociale partners, waar ook UWV en SZW als adviserend lid aan deelnemen, heeft de Staatssecretaris van SZW op 30 april jongstleden gesproken over de beoordeling van de doelgroep van de banenafspraak. Met betrokken organisaties houdt de Staatssecretaris van SZW regelmatig de ontwikkelingen in de gaten en voert daarover overleg. In dit overleg zal in het najaar ook nagegaan worden of het gegeven dat (ex-)leerlingen afkomstig zijn uit het vso-, pro- of mbo (entreeopleiding) een afdoende voorspeller is voor het behoren tot de doelgroep, met inachtneming van de voorwaarde dat een significant aantal beoordelingen van deze leerlingen moet zijn afgerond om dit te kunnen beoordelen. Indien dit het geval is zal nader overleg plaatsvinden en zal het Ministerie van SZW bezien welke nadere maatregelen nodig zijn om onnodige beoordelingen te voorkomen.

Het is niet mogelijk aan te geven hoeveel van de reeds gecreëerde extra banen van de banenafspraak ingevuld worden door voormalig pro-leerlingen. Iedere persoon uit de doelgroep banenafspraak die aan het werk gaat, draagt namelijk bij aan de realisatie van de banenafspraak. Hoeveel extra banen er bij komen, volgt de regering jaarlijks. De eerste meting die inzicht geeft in de voortgang van de banenafspraak is de meting van het aantal banen op 1 januari 2015. Deze meting is rond de zomer 2015 gereed. De eerste meting van de voortgang van de banenafspraak waarbij ook de vraag op tafel ligt of de quotumheffing moet worden geactiveerd, is de meting over het jaar 2015. Deze meting vindt plaats in 2016.

Vraag 10

Bent u bereid om de leerlingen, die het praktijkonderwijs verlaten, niet slechts twee jaar te volgen, maar vijf jaar, zodat er serieus geconcludeerd kan worden of leerlingen een duurzame uitstroom hebben gerealiseerd en niet na allerlei tijdelijke voorzieningen alsnog thuis zijn komen te zitten?13

Antwoord 10

De pro-scholen volgen hun leerlingen tot twee jaar na uitstroom, zodat de inspectie kan nagaan of de scholen een duurzame uitstroom realiseren. Ik wil dit niet verlengen naar vijf jaar, omdat dit niet reëel zou zijn om te vragen van deze scholen. De scholen hebben de verantwoordelijkheid de leerlingen zo goed mogelijk voor te bereiden op de arbeidsmarkt. Ik kan de scholen er niet verantwoordelijk voor stellen als een jongere na 4 of 5 jaar geen baan meer heeft. Na uitstroom van de leerlingen zijn niet de scholen maar werkgevers en de gemeenten aan zet om deze jongeren duurzaam aan werk te helpen. Ik vind het wel belangrijk dat deze jongeren goed in beeld zijn. In het kader van de vervolgaanpak voortijdig schoolverlaten en de aanpak «kansen voor jongeren in een kwetsbare positie» wordt bekeken hoe dit kan worden gerealiseerd.

Vraag 11

Hoe beoordeelt u het feit dat het aantal leerlingen zonder werk of zonder opleiding binnen twee jaar bijna is verdubbeld nadat zij het praktijkonderwijs hebben doorlopen?14

Antwoord 11

Uit de zelfrapportage van de pro-scholen blijkt dat van de leerlingen die zijn uitgestroomd in het schooljaar 2011–2012, 11 procent na twee jaar geen werk of school had. Dat is bijna een verdubbeling ten opzichte van twee jaar daarvoor (6 procent). Uit die gegevens blijkt ook dat bijna de helft (47 procent) van de leerlingen na twee jaar een baan heeft (eventueel in combinatie met leren), en 26 procent nog een opleiding volgt. Het percentage dat geen werk of school heeft, is dus nog altijd een klein percentage, zeker gezien de doelgroep. Zoals ook aangegeven bij vraag 6, heeft het kabinet wel extra aandacht voor de groep jongeren in een kwetsbare positie, en zijn er maatregelen ingezet om hen zo goed mogelijk voor te bereiden op een passende plek in de samenleving.

Vraag 12

Welke maatregelen neemt u om ervoor te zorgen dat leerlingen, die na het praktijkonderwijs thuis komen te zitten en geen inkomensvoorziening ontvangen, uit beeld verdwijnen bij gemeenten?

Antwoord 12

Ook jongeren die thuis komen te zitten en geen recht hebben op een uitkering, kunnen zich op basis van de Participatiewet bij hun gemeente melden voor ondersteuning. Om te voorkomen dat deze leerlingen uit beeld verdwijnen is regionale samenwerking tussen scholen en gemeenten van belang. In veel regio’s wordt al geïnvesteerd in netwerken waarin scholen, gemeenten en werkgevers samenwerken om jongeren naar een baan toe te leiden. Recent heeft de VNG gemeenten opgeroepen om goede afspraken te maken met pro-scholen en vso-scholen over de ondersteuning aan en het begeleiden van schoolverlaters die zich niet kunnen redden op de arbeidsmarkt. Het gaat hierbij om het actief oppakken van de rol die UWV nu speelt in de Wajongnetwerken met scholen. De Programmaraad, waarin Divosa, VNG, UWV en Cedris samenwerken, ondersteunt partijen actief bij de overdracht van deze netwerken, onder meer via bijeenkomsten met de betrokken partijen. Ook heeft de VNG de oproep gedaan aan gemeenten om actieve voorlichting te geven op scholen over de mogelijkheden van de Participatiewet en de dienstverlening van gemeenten aan schoolverlaters en werkgevers.

Vraag 13

Welk effect heeft het thuiszitten van leerlingen na het praktijkonderwijs op het aantal tienerzwangerschappen onder deze groep, het ontplooien van criminele activiteiten van deze ex-leerlingen en het slachtoffer worden van uitbuiting? Bent u bereid om hier onafhankelijk onderzoek naar te verrichten?

Antwoord 13

Ik zie geen reden om hier onderzoek naar te laten verrichten. Zoals ik ook heb aangegeven in het antwoord op vraag 6, verkrijgen veel leerlingen uit het pro na uitstroom uit school een reguliere baan en functioneren zelfstandig op de arbeidsmarkt. Slechts een klein deel uit het pro heeft geen werk of opleiding na uitstroom. Om de uitstroom naar arbeid nog verder te bevorderen is al een aantal maatregelen ingezet, zie daarvoor vraag 14.

Vraag 14

Herkent u de bevindingen van de praktijkscholen dat de belangrijkste voorspeller voor duurzaam thuiszitten de situatie is van leerlingen die van het praktijkonderwijs komen, 18 jaar zijn en werkloos thuis komen te zitten? Welke maatregelen neemt u om het risico op duurzaam thuiszitten te verkleinen voor leerlingen van het praktijkonderwijs?

Antwoord 14

Ook ik vind het belangrijk te voorkomen dat leerlingen uit het pro thuis komen te zitten. Zoals eerder aangegeven bij vraag 6, stroomt een groot deel van de pro-leerlingen al direct uit naar een baan. Om nog meer jongeren naar een baan te leiden is samenwerking tussen de regionale partijen van groot belang. In veel regio’s grijpen deze partijen de decentralisaties ook aan om de aanpak van de groep jongeren in een kwetsbare positie nog verder te versterken. Zo wordt er in verschillende regio’s geïnvesteerd in netwerken waarin gemeenten, scholen en werkgevers samenwerken om zoveel mogelijk jongeren naar een baan te leiden. Het kabinet zet in op het verder bevorderen van de aansluiting tussen onderwijs en arbeidsmarkt door de volgende maatregelen:

  • Plan van aanpak kwetsbare jongeren, met onder andere een werkagenda, waarin OCW, SZW en VWS samen met de VNG en de sectorraden van het onderwijs de regionale samenwerking tussen scholen, gemeenten, werkgevers, UWV en Jeugdzorg stimuleren.

  • Via het project «Boris brengt je bij een baan» wordt de infrastructuur voor het werkend leren in het mbo ingezet om een effectieve route van vso en pro naar de arbeidsmarkt te creëren.

  • Ook maakt het kabinet het mogelijk om middelen Europees Sociaal Fonds (ESF) 2014 – 2020 binnen het thema «actieve inclusie» in te zetten voor de arbeidstoeleiding van (ex-leerlingen) van het vso en het pro. Het gaat om schoolverlaters die geen startkwalificatie kunnen behalen en hulp nodig hebben met het vinden van een werkgever. Van het beschikbare budget voor arbeidsmarktregio’s wordt 30 procent voor dit doel geoormerkt. Alle 35 arbeidsmarktregio’s hebben een aanvraag voor het deel actieve inclusie ingediend. Het gehele beschikbare budget van 114 miljoen euro wordt hiermee benut.

Vraag 15

Ziet u mogelijkheden om – nu de kwalificatieplicht voor leerlingen in het praktijkonderwijs is geschrapt – de leerplicht voor leerlingen op het praktijkonderwijs te verhogen naar 18 jaar, zodat voldoende begeleiding tot het 18 jaar gegarandeerd is?15

Antwoord 15

Leerlingen in het pro zijn vrijgesteld van de kwalificatieplicht, omdat het gaat om leerlingen die veelal niet in staat zijn een kwalificatie te halen. Deze leerlingen worden voorbereid op de arbeidsmarkt en zijn er vaak bij gebaat om al voor het 18e jaar uit te stromen naar een plek op de arbeidsmarkt. De gemiddelde leeftijd waarop leerlingen het pro verlaten ligt op dit moment rond het 17e jaar. Ik wil voor deze leerlingen dan ook geen leerplicht tot 18 jaar opleggen.

Vraag 16

Kunt u toelichten welke onderzoeksopdracht er is verstrekt voor het onderzoek naar de verevening van de middelen voor het leerwegondersteunend onderwijs en het praktijkonderwijs én welke criteria en variabelen er worden gehanteerd in dit onderzoek?16

Antwoord 16

Het onderzoek naar de verevening van de middelen voor het leerwegondersteunend onderwijs (lwoo) en het pro maakt deel uit van het onderzoeksprogramma passend onderwijs dat wordt gecoördineerd door het Nationaal Regieorgaan Onderwijsonderzoek (NRO). Het NRO heeft inmiddels een consortium onder leiding van drs. Guuske Ledoux (Kohnstamm Instituut) geselecteerd om dit onderzoeksprogramma uit te voeren.17 Voor het onderzoek naar de verevening van de middelen voor lwoo en pro is gevraagd om scenario’s uit te werken en daarbij tenminste rekening te houden met houdbaarheid en logica van het financiële systeem van passend onderwijs, garantie van kwaliteit van onderwijsondersteuning aan leerlingen, (financiële) positie van scholen en leerlingkenmerken.

Vraag 17

Bent u ermee bekend dat de praktijkscholen sterk last hebben van de verminderde Europees Sociaal Fonds (ESF)-gelden waardoor de nazorgverplichting die de praktijkscholen terecht is opgelegd – en waarvoor praktijkscholen niet vanuit het ministerie worden bekostigd – in het gedrang komt? Ziet u mogelijkheden om de praktijkscholen te compenseren voor deze verminderde ESF-gelden waardoor zij hun nazorgverplichting kunnen nakomen? Kunt u uw antwoord toelichten?

Antwoord 17

Pro-scholen krijgen lumpsumbekostiging voor het uitvoeren van hun wettelijke taak: het voorbereiden van leerlingen op het uitoefenen van functies op de arbeidsmarkt. Binnen die taak wordt van scholen verwacht dat zij enige vorm van nazorg verlenen nadat een leerling de school heeft verlaten, waaronder bijvoorbeeld het volgen van de leerling en het maken van afspraken met de plaatselijke arbeidsmarkt en gemeentelijke instanties. De school heeft niet de opdracht om de leerling na het verlaten van de school nog jaren te begeleiden in de vorm van jobcoaching of arbeidsbemiddeling. Pro-scholen krijgen daar dan ook geen specifieke middelen voor. Voor die verdere ondersteuning van leerlingen na uitstroom uit de school, kunnen de scholen afspraken maken met de gemeenten en werkgevers. Daarbij kan gebruik worden gemaakt van de ESF-middelen, die binnen het huidige programma (2014–2020) aangevraagd zijn via de centrumgemeenten van de arbeidsmarktregio’s.

Het klopt dat er minder ESF-middelen beschikbaar zijn in het huidige programma dan in het programma 2007–2013. Dit zal niet worden gecompenseerd, omdat de scholen al bekostiging ontvangen voor hun wettelijke taken. Er is altijd gecommuniceerd dat ESF-middelen geen structurele geldstroom zijn voor scholen. De middelen worden op projectbasis beschikbaar gesteld om tijdelijk een impuls te geven. Scholen hebben dan ook niet ieder jaar de zekerheid dat zij deze middelen zullen ontvangen. Als de scholen signaleren dat de overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt voor deze groep leerlingen in het nauw komt bij gebrek aan middelen, kunnen zij hier met de gemeenten afspraken over maken.

Vraag 18

Op welke wijze gaat u garanderen dat de gelden die voor het vroegtijdig schoolverlaten vanaf volgend beschikbaar worden gesteld voor kwetsbare leerlingen uit het praktijkonderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs ook daadwerkelijk beschikbaar komen voor deze groep, nu blijkt dat het praktijkonderwijs niet aan tafel zit bij de verdeling van deze gelden?

Antwoord 18

Onderwijsinstellingen kunnen de middelen voor de uitvoering van het regionaal programma voortijdig schoolverlaten vanaf volgend jaar inderdaad ook inzetten voor de leerlingen uit het pro en vso. Om de vervolgaanpak van voortijdig schoolverlaten goed vorm te kunnen geven heeft de Minister besloten om de bestaande aanpak met een jaar te verlengen. De onderwijsinstellingen die binnen de RMC-regio’s samenwerken kunnen dat jaar gebruiken om de bestaande activiteiten voort te zetten, maar ook om vooruitlopend op de vervolgaanpak nieuwe activiteiten op te starten. In diverse regio’s zie ik initiatieven ontstaan die zich richten op de leerlingen uit het pro en vso. Ik juich dat van harte toe.

Aangezien de bestaande aanpak met slechts één jaar verlengd wordt, vinden de Minister en ik het onverstandig om de bestaande samenwerking van onderwijsinstellingen en RMC-contactgemeenten open te breken en hen te verplichten pro- en vso-scholen bij de samenwerking te betrekken. We vinden wel dat deze scholen vanaf de ingang van de vervolgaanpak (schooljaar 2016–2017) bij de regionale overleggen over voortijdig schoolverlaten moeten worden betrokken. Momenteel werkt de Minister haar plannen voor de vervolgaanpak verder uit en neemt dit punt daarin mee. Na de zomer wordt u hier verder over geïnformeerd.

Vraag 19

Hoe beoordeelt u de maatschappelijke betekenis van de praktijkscholen in Nederland? Zou deze maatschappelijke betekenis niet aanleiding voor u moeten zijn om het praktijkonderwijs onafhankelijk te maken van andere onderwijssoorten én deze scholen zelfstandige bekostiging en landelijke criteria ook na 2018 te garanderen? Zo nee, waarom niet?

Antwoord 19

Het pro heeft een belangrijke taak in het opleiden van jongeren die niet in staat zijn een vmbo-diploma te halen, maar die wel kunnen werken in eenvoudige functies op de arbeidsmarkt. Dit kan het pro echter niet alleen. Samenwerking met lokale en regionale werkgevers, de gemeenten, maar ook samenwerking met andere scholen (zoals het vso en het mbo) is hierbij essentieel. Ik neem het pro daarom juist mee in ontwikkelingen zoals passend onderwijs. Dit biedt extra kansen om de regionale samenwerking te versterken. Het ligt voor de hand dat de landelijke criteria voor pro op termijn worden losgelaten, net als in de rest van passend onderwijs. Daarmee is het nog beter mogelijk om een bij de onderwijsbehoeften van de individuele leerlingen passend onderwijsaanbod te leveren. Pro-scholen ontvangen overigens net als alle scholen voor elke ingeschreven leerling een door OCW vastgesteld budget.


X Noot
1

Gesprek met verschillende directeuren van praktijkscholen in Overijssel, Drenthe en Friesland

X Noot
2

Wet referentiesniveau Nederlandse taal en rekenen – Kamerstuk 32 290

X Noot
3

Platform Praktijkonderwijs (2014), Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2013–2014.

X Noot
4

Participatiewet – Kamerstukken 33 161

X Noot
5

Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen

X Noot
6

Participatiewet – Kamerstukken 33 161

X Noot
7

Participatiewet – Kamerstukken 33 161

X Noot
8

Extra kansen voor jongeren in een kwetsbare positie, vergaderjaar 2014–2015, Kamerstuk 30 079 nr.53.

X Noot
9

Wet Maatschappelijke Ondersteuning 2015 – Kamerstukken 33 841

X Noot
10

Jeugdwet – Kamerstukken 33 684

X Noot
11

Wet banenafspraak en quotum arbeidsbeperkten – Kamerstukken 33 981

X Noot
12

Kamerbrief indicaties doelgroep banenafspraak, 8 mei 2015, 2015-0000122970.

X Noot
13

Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2013–2014

X Noot
14

Uitstroommonitor praktijkonderwijs 2013–2014

X Noot
15

Leerplichtwet – artikel 4a, lid 2

X Noot
16

Kamerstukken 33 993 (Integratie lwoo en pro in passend onderwijs)