Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2026, 22907 | ander besluit van algemene strekking |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Buitenlandse Zaken | Staatscourant 2026, 22907 | ander besluit van algemene strekking |
De Minister van Buitenlandse Zaken,
Gelet op de artikelen 6 en 7 van het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken;
Gelet op artikel 8.4 van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006;
Besluit:
Het Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 november 2025, nr. BZ2521269 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030) wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2 komt te luiden:
1. Aanvragen voor subsidie in het kader van de eerste openstelling van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 worden ingediend vanaf 1 september 2026, 12:00 uur Nederlandse tijd, tot en met 2 november 2026, 17:00 uur Nederlandse tijd.
2. Aanvragen voor subsidie in het kader van de tweede openstelling van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 worden ingediend vanaf 1 oktober 2026, 12:00 uur Nederlandse tijd, tot en met 11 januari 2027, 17:00 uur Nederlandse tijd.
3. Voor aanvragen voor subsidie in volgende openstellingen van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 gelden nader bekend te maken openstellingsperiodes.
4. Aanvragen voor subsidie in het kader van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 worden ingediend aan de hand van een door de minister beschikbaar gesteld aanvraagformulier en voorzien van de op het aanvraagformulier gevraagde bescheiden1.
B
Artikel 3 komt te luiden:
1. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 geldt voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 december 2030 een totaal subsidieplafond van € 28 miljoen.
2. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een subsidieplafond van € 1,5 miljoen, waarbij uitsluitend aanvragen in aanmerking komen die zijn gericht op projecten die zien op de financiering van natuurlijke personen door een maatschappelijke organisatie als bedoeld in paragraaf 7 van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen beleidsregels.
3. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 geldt voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, tweede lid, een subsidieplafond van € 5,5 miljoen, waarbij uitsluitend aanvragen in aanmerking komen die zijn gericht op projecten die zien op maatschappelijke activiteiten als bedoeld in paragraaf 6 van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen beleidsregels.
4. Voor subsidieverlening in het kader van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 gelden voor aanvragen als bedoeld in artikel 2, derde lid, nader bekend te maken subsidieplafonds.
5. Als na toepassing van het tweede lid een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dit toegevoegd aan het subsidieplafond van het derde lid.
6. Als na toepassing van het derde lid een deel van het subsidieplafond resteert, wordt dit toegevoegd aan het subsidieplafond voor de eerstvolgende openstelling.
De bijlage bij het Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 november 2025, nr. BZ2521269 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030) wordt vervangen door de bijlage behorende bij dit besluit.
Dit besluit zal met de toelichting en de bijlage in de Staatscourant worden geplaatst.
De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen
Op 19 november 2025 is in de Staatscourant het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–20302 gepubliceerd. In deze publicatie is een eerste inzicht gegeven in de vormgeving van het Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030. Met onderhavig besluit wordt de bijlage bij het besluit van november 2025 vervangen door een nieuwe bijlage, waarin alle definitieve informatie over (de eerste openstellingsronde van) het subsidieprogramma bekend wordt gemaakt.
De Minister van Buitenlandse Zaken, T.B.W. Berendsen
Op 19 december 2022 bood toenmalig Minister-President Rutte namens de Nederlandse regering excuses aan voor het handelen van de Nederlandse staat in het verleden met betrekking tot het slavernijverleden: postuum aan alle tot slaaf gemaakten die wereldwijd onder dat handelen hebben geleden, aan hun dochters en zonen, en aan al hun nazaten tot in het hier en nu.
Op dezelfde dag reageerde het kabinet3 op het rapport ‘Ketenen van het verleden’4 van de Dialooggroep Slavernijverleden. De Dialooggroep adviseerde onder andere om het bewustzijn over de trans-Atlantische slavernij te vergroten en het slavernijverleden beter zichtbaar te maken. Het kabinet concludeerde dat erkenning van en excuses voor dit verleden de basis vormen voor maatschappelijk herstel.
Het kabinet heeft voor het omgaan met het slavernijverleden drie doelen opgesteld:
– meer kennis en bewustwording over het slavernijverleden;
– erkennen en herdenken van het slavernijverleden;
– een beter begrip van de doorwerking van het slavernijverleden en de verwerking daarvan.
Het kabinet heeft hiervoor € 200 miljoen beschikbaar gesteld. Hiervan is € 100 miljoen bestemd voor subsidies voor maatschappelijke initiatieven die zich richten op het trans-Atlantisch slavernijverleden in het Koninkrijk der Nederlanden en Suriname.5 Dit bedrag is gelijk verdeeld over Europees Nederland, het Caribisch deel van het Koninkrijk en Suriname.6
Voor elk van de drie gebieden is een eigen subsidie-instrument ontwikkeld, om recht te doen aan de specifieke behoeften van de verschillende gebieden. De instrumenten voor Europees Nederland en het Caribisch deel van het Koninkrijk vallen onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties.7
Dit Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030 (hierna: subsidieprogramma) betreft de subsidiëring van maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden in Suriname en valt onder de verantwoordelijkheid van de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: minister).
De minister heeft de uitvoering van het subsidieprogramma opgedragen aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO), agentschap van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat. RVO zal het subsidieprogramma uitvoeren namens de minister op grond van een aan RVO verleend mandaat.
In dit subsidieprogramma wordt verstaan onder:
het versterken van de organisatorische capaciteit en duurzaamheid van organisaties, bijvoorbeeld door kennisopbouw, netwerkvorming en technische ondersteuning;
de nazaten van tot slaaf gemaakten en de groep mensen met wie ze op basis van gedeelde kenmerken, belangen of een gevoel van saamhorigheid verbonden zijn;
een organisatie die niet op winst is gericht, niet statutair of feitelijk aan een overheidsinstantie is verbonden, beschikt over rechtspersoonlijkheid naar Surinaams burgerlijk recht, en die op lokaal niveau geworteld is in de gemeenschap en zich ten goede van de gemeenschap inzet voor het aanpakken van kwesties rondom het slavernijverleden (bijvoorbeeld een gemeenschaps- of belangenorganisatie);
een organisatie die niet op winst is gericht, niet statutair of feitelijk aan een overheidsinstantie is verbonden, beschikt over rechtspersoonlijkheid naar Surinaams burgerlijk recht, en die zich richt op het ontwikkelen, verzamelen, verspreiden en toepassen van kennis over het slavernijverleden (bijvoorbeeld een universiteit, hogeschool of onderzoeksinstituut);
een organisatie die niet op winst is gericht, niet statutair of feitelijk aan een overheidsinstantie is verbonden, beschikt over rechtspersoonlijkheid naar Surinaams burgerlijk recht, en die zich richt op maatschappelijke kwesties rondom het slavernijverleden (bijvoorbeeld een herdenkingsorganisatie, museum of culturele instelling);
de Minister van Buitenlandse Zaken;
nazaten van de generaties Afrikaanse mensen, Inheemsen uit de Amerika’s en Marrons, die vanaf ongeveer 1528 tot 1863/1873 tot slaaf waren gemaakt tijdens de trans-Atlantische slavernij;
een organisatie die namens een samenwerkingsverband een aanvraag indient;
een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkend contractueel samenwerkingsverband bestaande uit partners met eigen private rechtspersoonlijkheid gericht op de realisering van gezamenlijk onderschreven doelstellingen door uitvoering van activiteiten op een zodanige wijze dat elk van de partners een deel van de daartoe benodigde inspanningen levert en een deel van de daarmee gepaard gaande risico’s draagt;
het historische tijdperk vanaf begin 16e tot eind 19e eeuw waarin miljoenen mensen, voornamelijk uit Afrika, werden ontvoerd, verhandeld en tot slaaf gemaakt, en vervolgens gedwongen werden te werken op plantages, in mijnen en in andere sectoren, met name in Noord- en Zuid-Amerika, Afrika en delen van Europa.
Dit subsidieprogramma stimuleert activiteiten die plaatsvinden in Suriname ten behoeve van de nazaten van tot slaaf gemaakten, Marron en Inheemse bevolking, met als doel:
• het beter begrijpen van de doorwerking van het slavernijverleden in het heden;
• het tegengaan van de gevolgen van de doorwerking van het slavernijverleden in het heden en de toekomst;
• het verwerken van het slavernijverleden;
• het bevorderen van kennis en bewustwording over het slavernijverleden; en/of
• het herdenken van het slavernijverleden.
Subsidies in het kader van dit subsidieprogramma zijn bedoeld voor maatschappelijke organisaties, kennisinstellingen en grassroots organisaties, die zelfstandig of in een samenwerkingsverband een aanvraag kunnen indienen.
Bij een zelfstandige aanvraag moet de aanvrager statutair gevestigd zijn in Suriname.
Bij een samenwerkingsverband moet de penvoerder, die namens het samenwerkingsverband de aanvraag indient, statutair gevestigd zijn in Suriname. Alle andere partners in het samenwerkingsverband moeten statutair gevestigd zijn in Suriname, het Caribisch deel van het Koninkrijk (Aruba, Curaçao, Sint Maarten, Bonaire, Sint Eustatius en Saba) of Europees Nederland. Als de aanvraag wordt gehonoreerd is de penvoerder jegens de minister verantwoordelijk voor de uitvoering van de gesubsidieerde activiteiten en de naleving van de subsidieverplichtingen. De penvoerder en zijn partners zijn jegens elkaar verantwoordelijk voor de nakoming van de door hen gemaakte contractuele afspraken.
Voor een subsidie voor een project gericht op financiering van activiteiten van natuurlijke personen kunnen alleen maatschappelijke organisaties in aanmerking komen (zie paragraaf 7).
In het kader van dit subsidieprogramma kan subsidie worden verstrekt voor één van de volgende projectsoorten:
– capaciteitsversterking (zie paragraaf 5);
– maatschappelijke activiteiten (zie paragraaf 6);
– de financiering van activiteiten van natuurlijke personen door een maatschappelijke organisatie (zie paragraaf 7).
Elk project moet bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1.
In ieder geval wordt geen subsidie verleend voor:
– proselitisme;
– politieke activiteiten;
– commerciële activiteiten.
Voor het bepalen van (de omvang van) de kosten die in aanmerking kunnen worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de te verlenen subsidie gelden de volgende uitgangspunten:
– kosten moeten aantoonbaar redelijk, logisch en noodzakelijk zijn; daarbij wordt de mate waarin de subsidie in evenredige verhouding staat tot de aard, omvang en beoogde resultaten van de activiteiten in acht genomen;
– kosten moeten naar hun aard passend zijn bij de betreffende aanvrager/partner in het samenwerkingsverband die de kosten maakt;
– kosten moeten direct gerelateerd zijn aan de uitvoering van de activiteiten en mogen geen onvoorziene kosten zijn;
– kosten moeten worden gemaakt na de indiening van de aanvraag.
De subsidiabele kosten per projectsoort worden beschreven in de paragrafen 5, 6 en 7.
Niet subsidiabel zijn in ieder geval de volgende kosten:
– kosten voor het ontwikkelen van de aanvraag, het aanvragen van subsidie en andere kosten die voor indiening van de aanvraag zijn gemaakt;
– kosten voor activiteiten die reeds zijn gestart voor de datum waarop de aanvraag wordt ingediend;
– kosten ter dekking van tekorten na afloop van de activiteiten;
– omzetbelasting (btw) voor zover dit geen kostenpost is;
– financieringskosten en rentevergoedingen;
– kosten veroorzaakt door inflatie en wisselkoersschommelingen;
– licentiekosten;
– investeringskosten en afschrijvingen die geen verband houden met de subsidiabele activiteiten;
– kosten voor de aankoop van grond en bestaande gebouwen;
– kosten van tenaamstelling en instandhouding van rechten van intellectueel eigendom.
Aanvragen moeten worden ingediend binnen het aanvraagtijdvak dat geldt voor de betreffende projectsoort. Voor elk aanvraagtijdvak geldt dat aanvragen die worden ingediend na de sluitingsdatum niet in behandeling worden genomen.
Aanvragen moeten worden ingediend met een aanvraagformulier dat beschikbaar wordt gesteld op de RVO-website. De vereiste bijlagen worden bij de aanvraag gevoegd.
De aanvrager is volledig verantwoordelijk voor het tijdig en compleet indienen van een aanvraag. Aanvragen dienen volledig en zonder voorbehoud te worden ingediend. De aanvraag moet rechtsgeldig zijn ondertekend door de daartoe bevoegde persoon namens de aanvrager, met vermelding van diens naam en functie. In het geval van een samenwerkingsverband moet de aanvraag ondertekend zijn door de penvoerder en alle partners met vermelding van ieders naam en functie.
Het verwijzen naar andere onderdelen of bijlagen is bij de subsidieaanvraag alleen toegestaan als dit expliciet is vermeld in het aanvraagformulier. Onvolledig ingevulde onderdelen of bijlagen kunnen leiden tot afwijzing van de aanvraag. Het is niet mogelijk om een voorlopige aanvraag in te dienen.
Mocht een aanvraag incompleet worden ingediend, dan kan de aanvrager de gelegenheid krijgen om het verzuim te herstellen en daarmee de aanvraag compleet te maken, conform artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht. Als de aanvrager niet of niet afdoende binnen de gegeven termijn het verzuim herstelt, wordt de aanvraag definitief niet in behandeling genomen. In geval van verzuimherstel, geldt als moment van ontvangst van de aanvraag de datum waarop de aanvulling is ontvangen.
Verzuimherstel moet plaatsvinden binnen het aanvraagtijdvak waarin de oorspronkelijke aanvraag is ingediend. Blijkt pas kort voor of na het verstrijken van een aanvraagtijdvak dat er sprake is van verzuim, dan is er geen gelegenheid meer om een mogelijkheid tot herstel van verzuim te bieden en wordt de aanvraag beoordeeld zoals deze binnen het aanvraagtijdvak is ingediend.
De aanvraag moet in het Nederlands worden opgesteld. Bijlagen in een andere taal moeten vergezeld zijn van een Nederlandse vertaling. Extra informatie, zoals illustratieve presentaties/brochures/boeken of USB-sticks, wordt niet meegenomen in de beoordeling van een aanvraag.
De bepalingen van de Algemene wet bestuursrecht, het Subsidiebesluit Ministerie van Buitenlandse Zaken en de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 zijn onverkort van toepassing op de beoordeling van aanvragen en de uiteindelijke subsidieverstrekking in het kader van dit subsidieprogramma. De aanvragen worden beoordeeld met inachtneming van deze regelgeving en overeenkomstig de criteria die in dit subsidieprogramma zijn neergelegd.
Binnen 13 weken na ontvangst van een aanvraag neemt RVO een besluit over de aanvraag. De aanvrager ontvangt een subsidieverleningsbeschikking of een afwijzingsbeschikking.
De beoordelingsprocedure en verdeelmethode wordt per projectsoort beschreven in de paragrafen 5, 6 en 7.
Voor de projectsoort gericht op de financiering van activiteiten van natuurlijke personen door een maatschappelijke organisatie onder paragraaf 7 geldt een éénmalige tenderprocedure.
De activiteiten in een project gericht op capaciteitsversterking moeten bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1.
Dit omvat in ieder geval de volgende activiteiten:
– kennisopbouw;
– netwerkvorming; en/of
– technische ondersteuning om als organisatie professioneler te kunnen opereren, bijvoorbeeld het vergroten van technische mogelijkheden binnen de organisatie die het bereik en de impact van de organisatie vergroten.
Een project gericht op capaciteitsversterking heeft een looptijd van maximaal één jaar en moet binnen drie maanden na subsidieverlening starten.
De subsidie voor een project gericht op capaciteitsversterking bedraagt per aanvraag tussen de € 5.000 en € 25.000.
Een aanvrager kan in één indieningstijdvak voor niet meer dan twee subsidies in aanmerking komen voor activiteiten gericht op capaciteitsversterking (deze paragraaf) en/of maatschappelijke activiteiten (paragraaf 6) onder dit subsidieprogramma.
Subsidiabele kosten zijn de volgende door de subsidieontvanger(s) zelf te maken kosten:
a. Personeelskosten: kosten voor zover deze kosten betrekking hebben op personen die direct betrokken zijn bij de uitvoering van de activiteiten. Voor zover de kosten redelijk, noodzakelijk en proportioneel zijn in verhouding tot de aard, omvang en beoogde resultaten van het project. De aanvrager onderbouwt in de begroting het aantal uren, de werkzaamheden en het gehanteerde tarief. Het tarief dient passend te zijn bij de lokale context, de aard van de werkzaamheden, de ervaring van de betrokken persoon en de gebruikelijke beloning binnen de organisatie of sector. In het tarief zijn zowel de directe loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten opgenomen.
b. Aan derden verschuldigde kosten voor zover deze kosten direct verband houden met de uitvoering van de subsidiabele activiteit, redelijk zijn, in de begroting zijn opgenomen en aantoonbaar zijn (bijvoorbeeld waarvoor een factuur wordt ontvangen gedurende de looptijd van de activiteiten).
Samenwerkingsverband
In geval van een samenwerkingsverband kunnen kosten van partners in het Caribisch deel van het Koninkrijk of Europees Nederland als subsidiabele kosten worden opgevoerd voor zover deze kosten:
– noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten;
– passen bij de rol van de betreffende partner;
– zijn opgenomen in de begroting; en
– aantoonbaar en controleerbaar zijn.
Dit betekent in ieder geval dat reis- en verblijfkosten van partners buiten Suriname uitsluitend subsidiabel zijn voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten in Suriname en doelmatig zijn begroot. Dit houdt in dat vliegreizen slechts subsidiabel zijn op basis van economy class en reis- en verblijfkosten van partners maximaal 8% bedragen van de totale subsidiabele kosten.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld aanvraagformulier op de RVO-website. De aanvraag bevat naast het aanvraagformulier ook alle daarin genoemde bijlagen.
De aanvraag bevat in ieder geval:
– een volledig ingevuld aanvraagformulier;
– een projectplan, met daarin een beschrijving van de activiteiten, de aanvrager en eventuele partners;
– een begroting, die duidelijk laat zien wat de verwachte kosten zijn voor de geplande activiteiten, van de aanvrager en eventuele partners;
– de statuten van de aanvrager en eventuele partners en bewijs van inschrijving van de kamer van koophandel van de aanvrager/penvoerder;
– een bankrekeningnummer, samen met een bewijs dat dit rekeningnummer op naam van de aanvrager/penvoerder staat.
Aanvragen voor een project gericht op capaciteitsversterking worden beoordeeld op volgorde van ontvangst. Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de beschikbare middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen aanvragen aangehouden. Als blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, op volgorde van ontvangst.
Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet de aanvraag voldoen aan de in de paragrafen 4 en 5 opgenomen vereisten. Als aan één of meer van de vereisten niet wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen.
De activiteiten in een project gericht op maatschappelijke activiteiten moeten bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1.
Dit omvat in ieder geval de volgende activiteiten:
– onderzoeks- en documentatieprojecten;
– lokale bijeenkomsten en ceremonies;
– culturele en educatieve uitingen; en/of
– workshops en lezingen.
Een project gericht op maatschappelijke activiteiten heeft een looptijd van maximaal twee jaar en moet binnen drie maanden na subsidieverlening starten.
Er zijn twee soorten subsidie voor een project gericht op maatschappelijke activiteiten:
Kleine subsidies: Het subsidiebedrag is tussen € 5.000 en € 25.000.
Grote subsidies: Het subsidiebedrag is tussen € 25.000 en € 500.000.
Een aanvrager kan in één indieningstijdvak voor niet meer dan twee subsidies in aanmerking komen voor activiteiten gericht op capaciteitsversterking (paragraaf 5) en/of maatschappelijke activiteiten (deze paragraaf) onder dit subsidieprogramma.
Subsidiabele kosten zijn de volgende door de subsidieontvanger(s) zelf te maken kosten:
a. Personeelskosten: kosten voor zover deze kosten betrekking hebben op personen die direct betrokken zijn bij de uitvoering van de activiteiten. Voor zover de kosten redelijk, noodzakelijk en proportioneel zijn in verhouding tot de aard, omvang en beoogde resultaten van het project. De aanvrager onderbouwt in de begroting het aantal uren, de werkzaamheden en het gehanteerde tarief. Het tarief dient passend te zijn bij de lokale context, de aard van de werkzaamheden, de ervaring van de betrokken persoon en de gebruikelijke beloning binnen de organisatie of sector. In het tarief zijn zowel de directe loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten opgenomen.
b. Aan derden verschuldigde kosten voor zover deze kosten direct verband houden met de uitvoering van de subsidiabele activiteit, redelijk zijn, in de begroting zijn opgenomen en aantoonbaar zijn (bijvoorbeeld waarvoor een factuur wordt ontvangen gedurende de looptijd van de activiteiten).
Samenwerkingsverband
In geval van een samenwerkingsverband kunnen kosten van partners in het Caribisch deel van het Koninkrijk of Europees Nederland als subsidiabele kosten worden opgevoerd voor zover deze kosten:
– noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten;
– passen bij de rol van de betreffende partner;
– zijn opgenomen in de begroting; en
– aantoonbaar en controleerbaar zijn.
Dit betekent in ieder geval dat reis- en verblijfkosten van partners buiten Suriname uitsluitend subsidiabel zijn voor zover deze noodzakelijk zijn voor de uitvoering van de activiteiten in Suriname en doelmatig zijn begroot. Vliegreizen zijn slechts subsidiabel op basis van economy class. Reis- en verblijfkosten bij projecten waarvan de omvang van subsidie tussen € 5.000 en
€ 25.000 bedraagt, bedragen maximaal 8% van de totale subsidiabele kosten. Bij projecten waarvan de omvang van subsidie tussen € 25.000 en € 500.000 bedraagt, bedragen reis- en verblijfkosten maximaal 8% van de totale subsidiabele kosten, tenzij in de aanvraag toereikend wordt gemotiveerd waarom een hoger percentage noodzakelijk en proportioneel is.
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld aanvraagformulier op de RVO-website. De aanvraag bevat naast het aanvraagformulier ook alle daarin genoemde bijlagen.
De aanvraag bevat in ieder geval:
– een volledig ingevuld aanvraagformulier;
– een projectplan, met daarin een beschrijving van geplande activiteiten, de aanvrager en eventuele partners;
– een begroting, die duidelijk laat zien wat de verwachte kosten en opbrengsten zijn voor de geplande activiteiten, van de aanvrager en eventuele partners;
– de statuten van de aanvrager/penvoerder en eventuele partners en een bewijs van inschrijving van de kamer van koophandel van de aanvrager/penvoerder;
– een bankrekeningnummer, samen met een bewijs dat dit rekeningnummer op naam van de aanvrager/penvoerder staat;
– in geval van aanvragen voor onderzoeks- en documentatieprojecten: een onderzoeksplan waarin de onderzoeksvraag is opgenomen, inclusief methode en verwachte resultaten.
Aanvragen voor een project gericht op maatschappelijke activiteiten worden beoordeeld op volgorde van ontvangst. Vanaf het moment dat aannemelijk is dat de beschikbare middelen op basis van de beoordeling van eerder binnengekomen aanvragen zullen worden uitgeput, wordt de behandeling van later binnengekomen aanvragen aangehouden. Als blijkt dat eerdere aanvragen worden afgewezen, zullen de latere aanvragen in behandeling worden genomen, op volgorde van ontvangst.
Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet de aanvraag voldoen aan de in de paragrafen 4 en 6 opgenomen vereisten. Als aan één of meer van de vereisten niet wordt voldaan, wordt de aanvraag afgewezen.
Natuurlijke personen kunnen niet in aanmerking komen voor een subsidie van de minister. Er kan wel subsidie verleend worden aan een maatschappelijke organisatie die daardoor in staat wordt gesteld activiteiten van natuurlijke personen in Suriname, die bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1, financieel te steunen.
Om in aanmerking te kunnen komen voor een subsidie voor een project gericht op de financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen, bevat het project in ieder geval de volgende, door een maatschappelijke organisatie uit te voeren, activiteiten:
– publicatie en promotie van de mogelijkheid voor natuurlijke personen om financiële ondersteuning te vragen aan een maatschappelijke organisatie, voor capaciteitsversterking en/of maatschappelijke activiteiten die relevant zijn voor het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1;
– beoordeling van de verzoeken om financiële ondersteuning;
– communicatie met natuurlijke personen over de uitkomst van het financieringsverzoek;
– financieel beheer van het verstrekken van financiering aan natuurlijke personen.
De aanvrager waarborgt dat de subsidie alleen wordt aangewend voor financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen woonachtig in Suriname; het kan daarbij onder andere, maar niet uitsluitend, gaan om:
– een vereniging die nog niet statutair is opgericht;
– individuele onderzoekers;
– individuele nazaten van tot slaaf gemaakten.
De aanvrager verstrekt financiële ondersteuning aan natuurlijke personen. Het is aan de aanvrager om, met inachtneming van dit subsidieprogramma, criteria op te stellen en te hanteren voor de selectie, en een passende vorm te vinden voor de relaties die hij aangaat met de door hem geselecteerde natuurlijke personen.
In de subsidieverleningsbeschikking zullen verplichtingen worden opgenomen die waarborgen dat de subsidieontvanger de besteding van de subsidiemiddelen naar behoren zal verantwoorden jegens de minister. Dit houdt in dat alle kosten die in verband met de financiële ondersteuning worden gemaakt, moeten worden gedocumenteerd en verantwoord. Kosten in verband met financiële ondersteuning die niet kunnen worden geverifieerd, komen niet in aanmerking. Ten einde deze verantwoordelijkheid voor de besteding van de subsidiemiddelen jegens de minister waar te maken, is het van belang dat de subsidieontvanger borgt dat de ontvanger van de financiële ondersteuning hem daartoe in staat stelt.
Een project gericht op de financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen door een maatschappelijke organisatie heeft een looptijd van maximaal vier jaar en moet binnen drie maanden na subsidieverlening starten.
De subsidie voor een project gericht op de financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen bedraagt maximaal € 1.500.000.
Van dit bedrag mag een beperkt gedeelte worden aangewend voor de uitvoeringskosten van de maatschappelijke organisatie. Onder uitvoeringskosten worden verstaan de kosten die de maatschappelijke organisatie maakt voor de uitvoering van het project, waaronder kosten voor publicatie en promotie van de financieringsmogelijkheid/financieringsoproep, beoordeling van verzoeken, communicatie met verzoekers, financieel beheer, monitoring, administratie en verantwoording. Het kan hierbij gaan om zowel personeelskosten als aan derden verschuldigde kosten zoals omschreven in paragraaf 7.4.
Subsidiabele kosten zijn de volgende door de subsidieontvanger zelf te maken kosten:
a. Financiële ondersteuning aan natuurlijke personen: verifieerbare kosten die ten goede komen aan de natuurlijke personen in het kader van financiële ondersteuning.
b. Personeelskosten: kosten voor zover deze kosten betrekking hebben op personen die direct betrokken zijn bij de uitvoering van de activiteiten. Voor zover de kosten redelijk, noodzakelijk en proportioneel zijn in verhouding tot de aard, omvang en beoogde resultaten van het project. De aanvrager onderbouwt in de begroting het aantal uren, de werkzaamheden en het gehanteerde tarief. Het tarief dient passend te zijn bij de lokale context, de aard van de werkzaamheden, de ervaring van de betrokken persoon en de gebruikelijke beloning binnen de organisatie of sector. In het tarief zijn zowel de directe loonkosten als de daaraan toegerekende indirecte kosten opgenomen.
c. Aan derden verschuldigde kosten voor zover deze kosten direct verband houden met de uitvoering van de subsidiabele activiteit, redelijk zijn, in de begroting zijn opgenomen en aantoonbaar zijn (bijvoorbeeld waarvoor een factuur wordt ontvangen gedurende de looptijd van de activiteiten).
De aanvraag wordt ingediend met gebruikmaking van een daartoe door RVO beschikbaar gesteld aanvraagformulier op de RVO-website. De aanvraag bevat naast het aanvraagformulier ook alle daarin genoemde bijlagen.
De aanvraag bevat in ieder geval:
a. een volledig ingevuld aanvraagformulier;
b. een projectplan, met daarin een beschrijving van de aanvragende organisatie en de geplande activiteiten;
c. een begroting die duidelijk laat zien wat de verwachte kosten zijn voor de geplande activiteiten. In de begroting wordt beschreven welk deel van de subsidie wordt aangewend voor financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen en welk deel onder de uitvoeringskosten valt;
d. de statuten van de aanvrager;
e. een bewijs van inschrijving van de aanvrager bij de relevante Kamer van Koophandel of registratieautoriteit;
f. een bankrekeningnummer, samen met een bewijs dat dit rekeningnummer op naam van de aanvrager staat;
g. overzicht van eerdere projecten (track record) waaruit blijkt dat de aanvrager aantoonbare ervaring heeft met het financieren van activiteiten uitgevoerd door natuurlijke personen of van maatschappelijke initiatieven, bijvoorbeeld met een overzicht van relevante projecten of programma’s in de acht jaar voorafgaande aan de indiening van de aanvraag en tezamen optellend tot twee jaar ervaring, inclusief de aard en omvang van de activiteiten, het beheerde budget, de doelgroep, de gehanteerde selectie- of beoordelingsmethode en de behaalde resultaten. De aanvrager kan de relevante ervaring onderbouwen met bijvoorbeeld jaarverslagen, evaluaties, referenties of andere stukken.
h. beschrijving van de organisatiestructuur, inclusief organogram en personeelscapaciteit;
i. beschrijving van het integriteitsbeleid en bijbehorende procedures;
j. jaarrekeningen of financiële overzichten over de periode 2023-2025 om de financieel economische continuïteit van de aanvrager aan te tonen;
k. bewijs financieel beheersysteem zoals een controleverklaring van een accountant of financiële richtlijnen;
l. beschrijving van interne controlemechanismen en risicobeheersystemen;
m. toetsingskader dat de aanvrager zal hanteren bij de toetsing van verzoeken van natuurlijke personen om financiële ondersteuning van door hen uit te voeren activiteiten.
De verdeling van de beschikbare middelen voor een project gericht op de financiële ondersteuning van activiteiten van natuurlijke personen vindt plaats via een tender, dat wil zeggen aan de hand van een rangschikking op basis van kwaliteit van de tijdig ingediende aanvragen. Na sluiting van de indieningsperiode worden alle tijdig ontvangen aanvragen in behandeling genomen; de beoordeling wordt voor elke aanvraag gedaan op basis van de informatie die voor sluiting van de aanvraagtermijn is ontvangen.
Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet allereerst aan de in paragrafen 4 en 7.6.1 opgenomen vereisten worden voldaan; wordt aan een of meer vereisten niet voldaan, dan wordt de aanvraag afgewezen.
De aanvragen die aan deze vereisten voldoen worden inhoudelijk beoordeeld op kwaliteit aan de hand van de criteria in paragraaf 7.6.2. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet een aanvraag tenminste van voldoende kwaliteit zijn. De uitkomst van de beoordeling leidt tot een rangorde van de aanvragen op basis van kwaliteit. Aanvragen die niet van ten minste voldoende kwaliteit zijn, worden niet meegenomen in deze rangschikking.
Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie moet aan alle volgende vereisten worden voldaan:
a. de aanvraag is gericht op het financieel ondersteunen van capaciteitsversterkingsactiviteiten en/of maatschappelijke activiteiten uitgevoerd door natuurlijke personen;
b. de aanvrager borgt dat de activiteiten van natuurlijke personen die financieel worden ondersteund, worden uitgevoerd in Suriname;
c. de aanvrager borgt dat activiteiten van natuurlijke personen die financieel worden ondersteund, ten goede komen aan de nazaten van tot slaaf gemaakten, Marron of Inheemse bevolking en bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1;
d. de aanvrager is een maatschappelijke organisatie die statutair gevestigd is in Suriname;
e. de aanvrager heeft in de acht jaar voorafgaand aan de aanvraag aantoonbare ervaring van in totaal twee jaar met het opzetten van programma’s en met het beheren, beoordelen of financieel ondersteunen van activiteiten van natuurlijke personen of maatschappelijke initiatieven;
f. de aanvrager is in staat tot een adequaat financieel beheer, inclusief risicomanagement en kan door ervaringsdeskundigheid met betrekking tot de activiteiten als die waarvoor subsidie wordt gevraagd een doelgerichte en doelmatige uitvoering van de activiteiten waarborgen;
g. de aanvrager is in staat tot het voeren van nauwkeurige registratie en rapportage van financiële transacties;
h. de aanvrager beschikt over of beschrijft interne controlemechanismen en een risicobeheersysteem om (seksueel) grensoverschrijdend gedrag, misbruik, fraude en andere risico’s in de dagelijkse praktijk te mitigeren.
De aanvragen die aan alle hiervoor in de paragrafen 4 en 7.6.1 genoemde vereisten voldoen, worden beoordeeld op basis van de volgende kwalitatieve beoordelingscriteria. De beoordelingscriteria waar de meeste punten voor kunnen worden gehaald staan als eerste opgesomd. Het precieze aantal punten dat per beoordelingscriterium kan worden toegekend wordt bekendgemaakt bij het aanvraagformulier. Alle aanvragen die kwalitatief beoordeeld zijn worden vervolgens gerangschikt op basis van kwaliteit van de aanvraag. Om in aanmerking te kunnen komen voor subsidie dient een aanvraag ten minste van voldoende kwaliteit te zijn: het aanvraagformulier zal inzicht verschaffen in het minimaal benodigde puntenaantal.
De kwalitatieve beoordelingscriteria zijn:
a. de mate waarin de aanvrager aantoonbare en voldoende ervaring heeft met het opzetten en uitvoeren van soortgelijke financieringsprojecten;
b. de mate waarin de aanvrager aantoonbare en voldoende ervaring heeft in samenwerken met partners in Suriname, bij voorkeur met inbegrip van natuurlijke personen;
c. de mate waarin de aanvraag bijdraagt aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1;
d. de mate waarin de aanvraag een helder verband laat zien tussen de operationele doelen, de voorgenomen activiteiten, de beoogde en te bereiken resultaten en de daarvoor benodigde middelen;
e. de mate waarin het budget en het projectplan zo zijn vormgegeven dat er zoveel mogelijk middelen worden aangewend voor het financieren van activiteiten van natuurlijke personen in Suriname, die bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1;
f. de mate waarin de aanvrager communiceert over de beschikbaarheid van financiering voor activiteiten van natuurlijke personen in Suriname en zo bijdraagt aan de bekendheid van het programma onder de doelgroep in Suriname;
g. de mate waarin de aanvrager blijkens het door hem te hanteren toetsingskader borgt dat de verzoeken van natuurlijke personen om een financiële bijdrage worden getoetst op een zorgvuldige, transparante en objectieve wijze;
h. de mate waarin uit het projectplan blijkt dat het aantal financieringsronden dat wordt gehouden, de hoeveelheid middelen die maximaal beschikbaar zijn voor deze ronden en hoe de beschikbare middelen worden verdeeld, bijdragen aan het doel zoals omschreven in paragraaf 4.1;
i. de mate waarin sprake is van garantie van de voor de uitvoering van het voorstel benodigde menskracht en middelen.
Naast het bepaalde in artikel 4:35 van de Algemene wet bestuursrecht wordt een aanvraag voor subsidie afgewezen als er niet voldaan wordt aan het bepaalde in dit subsidieprogramma of als
de beschikbare subsidiemiddelen ontoereikend zijn.
Aan de subsidieverlening worden verplichtingen verbonden, die worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking. Deze verplichtingen hebben onder andere betrekking op een meldingsplicht ten aanzien van feiten en omstandigheden die van belang kunnen zijn voor de subsidie, zoals het niet (geheel of tijdig) kunnen uitvoeren van de gesubsidieerde activiteiten. Ook verplichtingen ten aanzien van de vaststelling, zoals het aanleveren van rapportages en verantwoording, worden opgenomen in de subsidieverleningsbeschikking.
RVO zal een steekproefsgewijze controle uitvoeren op het correcte gebruik van de subsidie waarbij op grond van de afgegeven beschikkingen wordt gecontroleerd op rechtmatigheid en doelmatigheid.
Ter verantwoording van de administratieve lasten waarmee de subsidieaanvrager te maken krijgt is een toets uitgevoerd volgens een standaard kostenmodel. Daarbij is rekening gehouden met de indiening van een aanvraag voor subsidie, de beheerfase, de vaststelling van de subsidie en eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Uit de berekening blijkt dat het totale percentage administratieve lasten ten opzichte van het totaal beschikbare subsidiebudget 4% bedraagt.
https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/maatschappelijke-initiatieven-slavernijverleden-suriname
Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 november 2025, nr. BZ2521269 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030), Stcrt. 2025, 39224.
Stcrt. 2024, nr. 21866 (gewijzigd met Stcrt. 2025, nr. 22399) en Stcrt. 2024, nr. 21888 (gewijzigd met Stcrt. 2025, nr. 22437).
https://www.rvo.nl/subsidies-financiering/maatschappelijke-initiatieven-slavernijverleden-suriname
Besluit van de Minister van Buitenlandse Zaken van 11 november 2025, nr. BZ2521269 tot vaststelling van beleidsregels en een subsidieplafond voor subsidiëring op grond van de Subsidieregeling Ministerie van Buitenlandse Zaken 2006 (Subsidieprogramma Maatschappelijke initiatieven trans-Atlantisch slavernijverleden voor Suriname 2026–2030), Stcrt. 2025, 39224.
Stcrt. 2024, nr. 21866 (gewijzigd met Stcrt. 2025, nr. 22399) en Stcrt. 2024, nr. 21888 (gewijzigd met Stcrt. 2025, nr. 22437).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2026-22907.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.