TOELICHTING
Algemeen
1. Inleiding
Deze regeling tot wijziging van de Omgevingsregeling (hierna: wijzigingsregeling)
strekt ertoe dat door middel van het toepassen van de omgevingsDNA1-methode en de bijbehorende werkwijze wordt voldaan aan de specifieke zorgplicht ten
aanzien van flora- en fauna-activiteiten (hierna: specifieke zorgplicht) 2 waar bedrijven en woningeigenaren aan moeten voldoen bij het na-isoleren van de spouwmuur
van grondgebonden woningen.3
Een ieder die een activiteit verricht met mogelijke nadelige gevolgen voor van nature
in het wild levende dieren of planten (flora- en faun-activiteit), is onder meer verplicht
tot het voorkomen, beperken of ongedaan maken van mogelijke gevolgen van die flora-
en fauna-activiteiten op grond van de specifieke zorgplicht van artikel 11.27 van
het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Dit speelt onder andere bij het na-isoleren
van grondgebonden woningen. Deze wijzigingsregeling voorziet door het opnemen van
de omgevingsDNA-methode als erkende maatregel in de Omgevingsregeling, in een invulling
van het vereiste voorafgaand aan de activiteit na te gaan of er aanwijzingen zijn
van de aanwezigheid van vleermuizen.4
In deze toelichting wordt eerst ingegaan op de achtergrond, de probleembeschrijving
en het doel van deze wijzigingsregeling (paragraaf 2) en een toelichting op de onderzoeken
m.b.t. de omgevingsDNA-methode (paragraaf 3). Daarna wordt de relatie van de omgevingsDNA-methode
tot andere methoden toegelicht (paragraaf 4) en wordt het juridisch kader achter de
omgevingsDNA-methode als invulling van de specifieke zorgplicht beschreven (paragraaf
5). Daarna wordt de omgevingsDNA-methode in de uitvoering middels een beoordelingsrichtlijn
toegelicht (paragraaf 6). De algemene toelichting wordt afgesloten met de effecten
van deze wijzigingsregeling (paragraaf 7), een beschrijving van de belanghebbenden
(paragraaf 8) en de uitkomsten van de consultatie (paragraaf 9). Tot slot is een artikelsgewijze
toelichting opgenomen.
2. Achtergrond, probleembeschrijving en doel van de regeling
2.1. Achtergrond
In het kader van de energietransitie is er sprake van een enorme opgave om te voldoen
aan de afspraken die voortkomen uit het Klimaatakkoord. Richting 2025 is het doel
om klimaatneutraal te zijn. Het kabinet heeft het doel voor 2030 aangescherpt om tot
tenminste 55% CO2-reductie te komen.5 Eén van de manieren om dit te behalen is de isolatieaanpak. Met het Nationaal Isolatieprogramma
(NIP) is het doel gesteld om tot en met 2030 2,5 miljoen woningen te isoleren. De
nadruk daarbij ligt op 1,5 miljoen slecht geïsoleerde woningen.6 Veel mensen die leven in woningen met de slechtste labels hebben te maken met energiearmoede,
dit zijn ongeveer zo’n 600.000 huishoudens.7 Het kabinet heeft onlangs het noodfonds8 opengesteld voor mensen met lagere inkomens die moeite hebben om hun energierekening
te betalen. Het is daarom belangrijk dat deze maatregelen doorgang kunnen vinden,
zodat we op grote schaal woningen en gebouwen kunnen verduurzamen, met oog voor de
natuur. Medeoverheden, burgers en bedrijven staan aan de lat voor de uitvoering hiervan.
Hierbij wordt actief ingezet op het na-isoleren van grondgebonden woningen. Op dit
moment is dat één van de makkelijkste methoden om versneld te verduurzamen.
Naast de isolatieopgave, is er ook een opgave met betrekking tot de bescherming van
diersoorten. Bij het na-isoleren van grondgebonden woningen, kunnen beschermde soorten
worden verstoord, gedood, of kan hun verblijfplaatsen worden aangetast. Dat is niet
goed voor natuur en biodiversiteit. Het is in beginsel verboden om schadelijke handelingen
te verrichten ten aanzien van vleermuizen zonder omgevingsvergunning.9 Daarnaast geldt er een specifieke zorgplicht, op grond waarvan bij het verrichten
van flora- en fauna-activiteiten moet worden nagegaan of er aanwijzingen zijn van
de aanwezigheid van beschermde diersoorten.10
Momenteel wordt in de praktijk het aantonen van aanwijzingen uit de specifieke zorgplicht,
ingevuld door het uitvoeren van tijdrovend en kostbaar (jaarrond) ecologisch onderzoek
volgens het zogeheten vleermuisprotocol11, voorafgaand aan na-isolatie werkzaamheden. Daarbij moet er een omgevingsvergunning
worden aangevraagd bij het bevoegd gezag, de gedeputeerde staten. Vanwege de hoge
kosten en lange doorlooptijd die een dergelijk traject voor woningeigenaren met zich
meebrengt, is in mei 2024 de landelijke aanpak natuurvriendelijk isoleren (NVI) aangekondigd
in samenwerking met provincies, het Interprovinciaal Overleg (IPO) en de Vereniging
Nederlandse Gemeenten (VNG).12 Door gebruik te maken van de landelijke aanpak NVI kunnen burgers isoleren zonder
vooraf ecologisch onderzoek te doen en zonder het aanvragen van een omgevingsvergunning
bij het bevoegd gezag, mits er een isolatiebedrijf wordt ingeschakeld dat natuurvriendelijk
isoleert (zie paragraaf 4.1).
Voor een groot deel van de isolatiebedrijven wordt deze werkwijze echter gezien als
te uitdagend en te vertragend. Hierom wordt, aanvullend op NVI, ingezet op de innovatieve
methode ‘environmental DNA’ ook wel ‘eDna’ (hierna: omgevingsDNA). Op basis van DNA-onderzoek
is het mogelijk om de aan- en afwezigheid van vleermuizen in spouwmuren aan te tonen.
Het idee achter deze methode is dat wanneer het onderzoek de aanwezigheid van vleermuizen
uitsluit, er geïsoleerd kan worden zonder dat er een omgevingsvergunning aangevraagd
hoeft te worden of ecologisch onderzoek moet worden gedaan. Op deze manier kan er
op een effectieve manier gewerkt worden, met oog voor de beschermde soorten.
2.2. Probleembeschrijving
In Nederland worden grondgebonden woningen steeds vaker gerenoveerd als onderdeel
van de energietransitie. Deze spouwmuren kunnen een rust- en voortplantingsplaats
vormen voor dieren van beschermde soorten, in het bijzonder de vleermuis. Het probleem
ontstaat wanneer isolatiewerkzaamheden zonder voorafgaande controle van de spouwmuur
worden uitgevoerd, wat kan leiden tot het verstoren of vernielen van de rust- en voortplantingsplaats
óf, in sommige gevallen, het doden van deze beschermde diersoorten.
Doordat bij het na-isoleren een potentieel verblijf van een beschermde diersoort verstoord
kan worden, kan het voorkomen dat er in strijd wordt gehandeld met de specifieke zorgplicht
en de verboden ten aanzien van soorten beschermd door de Habitatrichtlijn in het Bal.13 In de huidige praktijk wordt hieraan invulling gegeven door een tijdrovend en kostbaar
(jaarrond) ecologisch onderzoek te doen als woningeigenaar, en daarnaast een omgevingsvergunning
aan te vragen bij het bevoegd gezag, de provincie, alvorens een omgevingsvergunning
kan worden verleend door bevoegd gezagen om een grondgebonden woning te mogen isoleren.
Dit leidt tot vertraging en oplopende kosten.
Dit is één van de oorzaken van het niet-behalen van de nationale doelstelling om 2,5
miljoen huizen en 120.000 gebouwen in 2030 geïsoleerd te hebben. Isolatiebedrijven
krijgen hierdoor minder opdrachten en kunnen niet voldoen aan de vertragende en uitdagende
elementen uit de bestaande onderzoeksmethoden. Gevolg op de lange termijn is dat isolatiebedrijven
failliet gaan en woningeigenaren hun huis niet (kunnen) isoleren. Dit geeft vertraging
bij het realiseren van nationale14 en Europese doelstellingen op het gebied van het verduurzamen van de gebouwde omgeving15 en het besparen van energie16 die door Nederland gehaald moeten worden.
Naast de nationale isolatiedoelstelling komen de naar schatting 600.000 energiearme
huishoudens in de problemen. Er zijn verschillende subsidieregelingen en uitvoeringsmiddelen
voor gemeenten beschikbaar gesteld om deze huishoudens te ondersteunen en te helpen
om uit deze situatie te komen, onder andere door isolatiemaatregelen.
2.3. Doel
Het doel van de regeling is de toepassing van een opsporingsmethode waarbij de isolatieopgave
en soortenbescherming samen kunnen gaan. Deze wijzigingsregeling komt voort uit twee
wensen.
De eerste wens is het versnellen van de energietransitie door middel van het na-isoleren
van grondgebonden woningen. Deze wijzigingsregeling is een reactie op de toegenomen
zorgen rondom het vertragende en uitdagende karakter van de onderzoeken en methoden
die momenteel uitgevoerd moeten worden, voordat er daadwerkelijk overgegaan mag worden
tot het na-isoleren van grondgebonden woningen.
Ten tweede zijn er grote zorgen rondom biodiversiteitsverlies als gevolg van de isolatieopgave
en de noodzaak om beschermde diersoorten te beschermen tegen onbedoelde schadelijke
effecten van de isolatieopgave. De omgevingsDNA-methode biedt een snelle, effectieve
en kostenefficiënte manier om deze beschermde diersoorten te detecteren zonder schade
aan de dieren of hun rust- en voortplantingsplaatsen te veroorzaken. Met de landelijke
aanpak NVI en nu de omgevingsDNA-methode wordt er voor de korte termijn veel meer
rekening gehouden met de soorten dan de voorgaande situatie, waarbij het aanvragen
van een vergunning voor het isoleren van de spouwmuur en het uitvoeren van ecologisch
onderzoek, door met name huiseigenaren, met regelmaat niet gedaan werd. De soortenmanagementplannen17 (SMP’s) (zie paragraaf 4.2) zijn voor de lange termijn aanpak cruciaal, dit is onderdeel
van de landelijke aanpak NVI.
Door de Minister van Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening (VRO) en de Staatssecretaris
van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur (LVVN) is een brief aan de Tweede
Kamer gestuurd waarin is aangekondigd een verkenning te doen naar het opnemen van
de omgevingsDNA-methode in de Omgevingsregeling.18 Deze verkenning is uitgevoerd en het resultaat was positief. Naar aanleiding van
de conclusies uit de uitgevoerde onderzoeken naar de omgevingsDNA methode, wordt door
middel van deze wijzigingsregeling omgevingsDNA opgenomen als erkende maatregel.
Met het opnemen van de omgevingsDNA-methode als erkende maatregel wordt invulling
gegeven aan de specifieke zorgplicht van artikel 11.27, tweede lid, onder a, onder
2°, van het Bal. Dit artikel vereist dat de initiatiefnemer van een flora- en fauna-activiteit,
zoals het isoleren van woningen, voorafgaand aan het verrichten van de activiteit
nagaat of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit
wordt verricht, of in de directe nabijheid van die locatie, van beschermde soorten
zoals de vleermuis.
Door de omgevingsDNA-methode als erkende maatregel op te nemen wordt zekerheid geschapen
over de toelaatbaarheid van deze methode bij de opsporing van vleermuizen in de spouwmuur.
3. OmgevingsDNA-methode
3.1 OmgevingsDNA
OmgevingsDNA (eDNA) is DNA dat door vleermuizen wordt achtergelaten in hun omgeving,
zoals in spouwmuren. Dit DNA kan gebruikt worden om vleermuizen in spouwmuren te detecteren.
De omgevingsDNA-methode maakt gebruik van spons- of rollermethoden om sporen te verzamelen
en deze te analyseren.19
,
20
3.2 Onderzoeken
3.2.1. Wetenschappelijke validiteit
Het onderzoek naar de wetenschappelijke validiteit van de omgevingsDNA-methode van
Datura21 vergelijkt de omgevingsDNA-methode onder andere met het traditionele vleermuisprotocol.
De omgevingsDNA-methode bleek de meest gevoelige techniek, waarbij 62% meer locaties
gedetecteerd werden met de omgevingsDNA-methode dan bij het vleermuisprotocol. Dit
is ook bevestigd in het onderzoek van Unitura c.s. naar deze methode 22. De omgevingsDNA-methode vond bij dit onderzoek tot wel twee keer zoveel rust- en
voortplantingsplaatsen als bij het vleermuisprotocol.
De onderzoekers adviseren protocollen op te stellen en training te bieden voor het
gebruik van deze methode.23
,
24 De effectiviteit voor het detecteren van zeldzame vleermuizen en de afbraaksnelheid
(detectietijd) van het DNA moet volgens de onderzoeken verder onderzocht worden. Deze
onderzoeken zijn hierna door Unitura c.s. uitgevoerd.25
,
26
3.2.2 Zeldzame soorten
Uit het onderzoek naar de detectie van zeldzame vleermuissoorten blijkt dat de omgevingsDNA-methode
zeer effectief is voor het opsporen van vleermuizen, zelfs voor zeldzamere soorten.
Vleermuizen zoals de laatvlieger, rosse vleermuis en meervleermuis werden succesvol
gedetecteerd. Het onderzoek benadrukt dat de omgevingsDNA-methode potentieel heeft
om alle vleermuissoorten die zich in spouwmuren bevinden effectief te detecteren,
inclusief de zeldzamere soorten, en daarmee een belangrijke aanvulling vormt op de
bestaande detectiemethoden.27
3.2.3 Detectietijd van omgevingsDNA
Uit een onderzoek naar de detectietijd van omgevingsDNA blijkt dat vleermuizen tot
wel 9 tot 13 maanden na hun vertrek uit een spouwmuur nog met de omgevingsDNA-methode
gedetecteerd kunnen worden.28 Dit wordt ook in andere onderzoeken naar DNA in verschillende weersomstandigheden
of andere invloeden bevestigd.29
,
30
,
31
,
32 Dit maakt de detectietijd jaarrond toepasbaar, aangezien het DNA van de vleermuizen
in de spouwmuren goed bewaard blijft, zelfs na lange tijd.
4. OmgevingsDNA-methode in relatie tot andere methoden
Er zijn momenteel verschillende methoden met betrekking tot soortenbescherming bij
het isoleren van woningen of gebouwen. Hierbij is het belangrijk om onderscheid te
maken tussen de onderzoeksmethoden (omgevingsDNA en vleermuisprotocol), waarmee onderzocht wordt of vleermuizen wel
of niet aanwezig zijn, en werkwijzen (NVI), waarmee door het treffen van bepaalde voorzorgsmaatregelen onder voorwaarden
geïsoleerd kan worden. De twee belangrijkste alternatieven voor de omgevingsDNA-methode
waarmee nu gewerkt wordt zijn ecologisch onderzoek volgens het vleermuisprotocol en
de werkwijze volgens de landelijke lijn NVI.
De omgevingsDNA-methode biedt de initiatiefnemer bij het isoleren van zijn woning
een nieuwe optie. De omgevingsDNA-methode, NVI en het vleermuisprotocol zijn drie
verschillende mogelijkheden, om te kunnen isoleren met inachtneming van de bescherming
van de diersoorten.
Met het aanwijzen van omgevingsDNA als erkende maatregel kunnen isolatiebedrijven
bij een negatieve DNA-test, isoleren zonder daarvoor ecologisch onderzoek te doen
of extra maatregelen te treffen. Daar waar een positieve omgevingsDNA test volgt,
en dus aanwijzingen zijn dat er vleermuizen aanwezig zijn in de woning, kan gebruik
gemaakt worden van de landelijke aanpak NVI, waarbij extra voorzorgsmaatregelen worden
getroffen.
4.1. Landelijke lijn natuurvriendelijk isoleren (NVI)
De landelijke aanpak natuurvriendelijk isoleren is in mei 2024 aangekondigd. Deze
afspraken zijn gemaakt tussen provincies, IPO, VNG, de Minister van BZK (thans VRO)
en de Minister van Natuur en Stikstof (thans Staatssecretaris LVVN). In de landelijke
aanpak is onderscheid gemaakt tussen drie sporen, te weten: 1) tussentijdse oplossing
NVI door isolatiebedrijven; 2) (middel)lange termijn spoor: (pre)soortenmanagementplannen
en 3) inzet op innovatieve opsporingsmethoden zoals omgevingsDNA.
Onder spoor 1 valt de tussentijdse werkwijze NVI. Deze is opgesteld naar voorbeeld
van de Utrechtse methodiek, die onder het pre-soortenmanagementplan (pre-SMP)33 geldt. De NVI methode geldt sinds mei 2024 landelijk34, zodat huiseigenaren geen ecologisch onderzoek hoeven te doen of een omgevingsvergunning
aan hoeven te vragen bij de provincie. Huiseigenaren kunnen isolatiemaatregelen treffen
mits er een isolatiebedrijf ingeschakeld wordt dat natuurvriendelijk isoleert. Zij
volgen hiervoor een training. Voorafgaand aan het isoleren worden er uitvliegmogelijkheden
voor de vleermuizen gerealiseerd, dit gebeurt door middel van flapjes die voor de
kieren en gaten van een woning worden geplaatst. Er gelden wel een aantal voorwaarden
aan de aanpak:
-
• Een landelijk maximum percentage van 6% (3% in 2024, 2% in 2025 en 1% in 2026) waaronder
geïsoleerd mag worden, dit geldt per CBS buurt. Het percentage geldt op deze manier
om het risico op aantasting van (kraamverblijven van) de beschermde diersoorten zo
laag mogelijk te houden. zodat de staat van instandhouding van de beschermde diersoorten
niet wordt geschaad.
-
• Compensatieopgave: realiseren van alternatieve verblijfplaatsen op gemeenteniveau
voor de verblijven die verloren gaan bij het na-isoleren.
-
• Natuurkalender: isolatiebedrijven mogen tijdens de kraam- en broedperiode geen werkzaamheden
verrichten, mits zij van tevoren maatregelen hebben getroffen
Daarnaast gelden ook andere voorwaarden.35
4.2 Toekomst: pré-soortenmanagementplannen en soortenmanagementplannen (SMP)
Met een SMP wordt door een gemeente op basis van uitgebreid ecologisch onderzoek,
een biodiversiteitsplan gemaakt. ’Een SMP voorziet niet alleen in wettelijke bescherming
van kwetsbare dieren, maar ook in een ‘plus’ voor duurzame bescherming van populaties.
Door middel van dit onderzoek wordt in kaart gebracht welke beschermde soorten in
een gemeente aanwezig zijn, en welke gevolgen specifieke handelingen hebben voor deze
soorten. Vervolgens wordt in het SMP opgenomen welke mitigerende en compenserende
maatregelen nodig zijn voor het voorkomen, dan wel beperken, van negatieve effecten
op de beschermde soorten. Hiermee kan een gemeente voor haar woonkernen een gebiedsgerichte
omgevingsvergunning aanvragen bij de provincie. Het SMP blijft de meest robuuste vorm
van omgaan met de soortenbescherming in relatie tot isolatie. Ook met de methoden
eDNA en NVI blijft het SMP belangrijk. De NVI en eDNA werkwijzen kunnen namelijk alleen
gebruikt worden voor grondgebonden woningen, als tussenoplossing waardoor huiseigenaren
snel aan de slag kunnen gaan, daar waar bijvoorbeeld geen SMP is. Met het SMP kunnen
alle gebouwen in het onderzochte gebied (dus ook huiseigenaren) gebruik maken van
de vergunning, zo ook VvE’s, woningcorporaties, appartementencomplexen, portiekflats.
Het SMP blijft dus van groot belang om een heel gebied in een keer te voorzien van
een gebiedsvergunning.
Als basis voor het SMP-onderzoek wordt in de huidige praktijk het vleermuisprotocol
gebruikt. Het vleermuisprotocol bevat richtlijnen en beschrijft hoe onderzoek naar
beschermde vleermuizen en essentiële functies van vleermuizen moet worden uitgevoerd.
Met het vleermuisprotocol kunnen het netwerk en de essentiële functies van vleermuizen
in een gebieds- en gebouwfunctie in kaart gebracht worden. Het protocol is gericht
op het waarnemen van vleermuizen en het vastleggen van hun gedrag. Omdat vleermuizen
een netwerk aan rust- en voortplantingsplaatsen gebruiken en regelmatig verhuizen
is het vaak nodig een pand op diverse momenten in het jaar te onderzoeken. Dit maakt
het onderzoek tijdrovend en kostbaar. Ook betreft het een steekproef waardoor soorten
gemist kunnen worden. Dit blijkt ook uit de onderzoeken van Datura36 en Unitura c.s.37
,
38
,
39 waarin duidelijk beschreven staat dat de huidige werkwijze volgens het vleermuisprotocol
voor de detectie van vleermuizen in spouwmuren niet de meest nauwkeurige en betrouwbare
methode is, daar waar de omgevingsDNA-methode dat wel is. Voor gebiedsgerichte omgevingsvergunningen
onder het (pre)SMP blijft het protocol van belang.
5. Juridisch kader OmgevingsDNA
5.1 Bescherming van vleermuizen
Vleermuizen zijn beschermde soorten.40 Voor activiteiten die mogelijk nadelige gevolgen hebben voor beschermde soorten en
hun leefgebied, is een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit verplicht
in de gevallen die in het Bal worden aangewezen.41
Vergunningplichtige activiteiten zijn aangewezen in de artikelen 11.46 tot en met
11.48 voor beschermde soorten op grond van de Habitatrichtlijn, zoals vleermuizen.
Het gaat dan onder meer om handelingen zoals het opzettelijk doden of vangen van soorten,
het beschadigen van nesten en vaste voortplantings-, rust- of groeiplaatsen van beschermde
dieren en planten. Deze handelingen zijn in beginsel verboden op grond van de artikelen
12, eerste lid, 13, eerste lid, aanhef en onder a en b, en artikel 15 van de Habitatrichtlijn.
Dit kader is opgenomen in de artikel 8.74k van het Besluit kwaliteit leefomgeving.
Door middel van een omgevingsvergunning voor een flora- en fauna-activiteit kunnen
dergelijke handelingen, onder voorwaarden, alsnog worden toegestaan.
Naast de verbodsbepalingen, dus ook wanneer er geen verbodsbepaling wordt overtreden,
geldt de specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten op grond van artikel
11.27 van het Bal. De specifieke zorgplicht heeft daarmee een breder toepassingsbereik
dan de verbodsbepalingen.
Artikel 11.27 Bal strekt tot de implementatie van internationaalrechtelijke verplichtingen
die voortvloeien uit het Verdrag van Rio de Janeiro en het Verdrag van Bern.42 Uit deze verdragsbepalingen vloeien – kort weergegeven – verplichtingen voort voor
lidstaten om maatregelen te nemen ten einde (bedreigde) diersoorten te beschermen.
Het vaststellen van omgevingsDNA als methode om voor het na-isoleren onderzoek te
doen naar de aanwezigheid van beschermde diersoorten past in dit kader.
Het eerste lid van artikel 11.27 verplicht degene die een flora- en fauna-activiteit
uitvoert, zoals het isoleren van woningen, tot het voorkomen, beperken of ongedaan
maken van mogelijke negatieve gevolgen ten gevolge van flora- en fauna-activiteiten.
Voor degene die de flora- en fauna-activiteiten uitvoert, geldt dat hij in ieder geval
verplicht is om voorafgaand aan het verrichten van de activiteit na te gaan of er
aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt verricht
of in de directe nabijheid van die locatie van soorten beschermd onder de Habitatrichtlijn.43
5.2 Erkende maatregel ter invulling van de specifieke zorgplicht
De specifieke zorgplicht is een in de Omgevingswet beschreven doel, waarbij dat doel
kwalitatief is geformuleerd, zodat op de initiatiefnemer van de activiteit de zorg
rust om het doel zo nodig voor zijn specifieke situatie nader te concretiseren.44
Op grond van artikel 4.3, vierde lid, van de Omgevingswet kunnen bij ministeriële
regeling regels worden gesteld over in het Bal opgenomen regels als deze uitvoeringstechnische,
administratieve en meet- of rekenvoorschriften inhouden. Middels deze regeling wordt
een uitvoeringstechnisch voorschrift opgenomen dat ziet op het nader concretiseren
van de specifieke zorgplicht met betrekking tot het isoleren van de spouwmuur bij
grondgebonden woningen.
Door te werken conform de omgevingsDNA-methode voldoet de uitvoerder aan de specifieke
zorgplicht ten aanzien van vleermuizen in spouwmuren. OmgevingsDNA biedt daarom een
oplossing voor het aantonen van de aan- of afwezigheid van vleermuizen in spouwmuren
doordat deze soorten nauwkeurig gedetecteerd kunnen worden. Bij de afwezigheid van
DNA kan de spouwmuur van de woning geïsoleerd worden. Bij het aantreffen van DNA kan
de landelijke lijn NVI worden gevolgd (zie ook paragraaf 4).
Door het vaststellen van een erkende maatregel wordt aangegeven dat een burger die
op de voorgeschreven wijze handelt voldoet aan de verplichting die volgt uit de zorgplicht
zoals volgt uit artikel 11.27, tweede lid, onder a. Hiermee is echter niet beoogd
voor te schrijven dat dit de enige geschikte handelingswijze is om, in de gevallen
waar erkende maatregel op ziet, aan deze bepaling te voldoen. Burgers en bedrijven
kunnen eveneens gebruik maken van andere geschikte methodes om te bepalen of er beschermde
vleermuizen aanwezig zijn.
6. De uitvoering van de omgevingsDNA-methode
De omgevingsDNA-methode dient uitgevoerd te worden overeenkomstig de Beoordelingsrichtlijn
(Brl).45 De Brl is opgesteld door Insula Certificatie. De beoordelingsrichtlijn is een bindende
richtlijn, bedoeld om een consistente en betrouwbare werkwijze te waarborgen voor
het verzamelen van vleermuis-DNA-monsters. Wanneer niet overeenkomstig de Brl wordt
gewerkt, wordt niet conform de omgevingsDNA-methode gehandeld, dus kan niet met zekerheid
worden vastgesteld dat aan de eisen uit de specifieke zorgplicht wordt voldaan.
Bij de uitvoering van de oppervlaktebemonstering volgens de omgevingsDNA-methode wordt
een steriele spons of roller gebruikt om DNA te verzamelen van gevels en openingen,
zoals de spouwmuurnaden, waar vleermuizen mogelijk zijn geweest. Om verontreiniging
van de monsters te voorkomen, moeten de medewerkers altijd schone handschoenen dragen,
apparatuur grondig reinigen tussen monsterafname en twijfels over vervuilde monsters
vermijden door deze weg te gooien en opnieuw te nemen. De bemonstering moet zorgvuldig
en systematisch worden uitgevoerd om ervoor te zorgen dat alle potentiële vleermuisopeningen
goed worden bemonsterd zonder dat er ‘vreemd’ DNA in het monster komt.46
Afhankelijk van het type grondgebonden woning worden de monsters op verschillende
manieren verzameld: bij grondgebonden woningen wordt één monster per opening per adres
genomen. Alle mogelijke toegangspunten voor vleermuizen, zoals open stootvoegen, spleten
bij vensterbanken of beschadigd metselwerk, moeten bemonsterd worden. Na de monstername
worden de monsters goed verpakt en binnen dezelfde dag naar het laboratorium gestuurd
voor DNA-analyse.47
Indien uit de analyse een positieve test volgt, betekent dit dat er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid van vleermuizen.48 Dan kunnen woningeigenaren hun woning isoleren door een isolatiebedrijf in te schakelen
dat natuurvriendelijk isoleert. Indien een negatieve test volgt, zijn er verder geen
specifieke maatregelen nodig om over te gaan tot isolatie van de woning, aangezien
dan is aangetoond dat er geen vleermuizen aanwezig zijn in de spouwmuur.
7. Effecten van de regeling
7.1 Regeldruk
Het opnemen van de omgevingsDNA-methode heeft gevolgen voor de regeldruk. In deze
paragraaf wordt kwalitatief en kwantitatief beschreven welke investeringen en (tijds)inspanningen
bedrijven of burgers moeten doen om zich aan de betrokken verplichtingen of wijzigingen
te houden. Dit zal aan de hand van drie concrete vragen worden beantwoord.
7.1.1 Welke verplichting is nieuw, vervalt of wijzigt en wat moet een burger, bedrijf
of professional anders, meer of minder doen als gevolg van deze wijziging?
Met het aanwijzen van de omgevingsDNA-methode als erkende maatregel wordt geregeld
dat, bij het juist toepassen van deze methode aan de hand van een uniforme werkwijze,
er wordt voldaan aan de eisen die voorvloeien uit artikel 11.27, tweede lid, onder
a, in het Bal.
Door deze methode als erkende maatregel aan te merken is de verwachting dat de regeldruk
voor bedrijven afneemt en zij sneller zullen kunnen isoleren als er geen vleermuizen
worden aangetroffen. Daarnaast is er door deze uniforme werkwijze een eenvoudig kader
waarop bevoegd gezagen kunnen handhaven op de specifieke zorgplicht. De methode voorziet
in een duidelijke werkwijze op hoe het bemonsteren van deze methodiek in de praktijk
uitgevoerd dient te worden.
Als er wel vleermuis(rust- en voortplantingsplaatsen)DNA worden aangetroffen, dan
moeten er maatregelen worden getroffen door bijvoorbeeld verdiepend ecologisch onderzoek
te laten doen of te werken volgens de landelijke lijn NVI. Als er geen vleermuizen
DNA wordt aangetroffen, kan overgegaan worden tot isolatie zonder extra maatregelen
ter bescherming van de vleermuis.
7.1.2 Hoeveel tijd of euro’s kost het of bespaart het burgers en bedrijven?
Uit onderzoek van Datura voor de kosten van drie verschillende onderzoeksmethoden
is gebleken dat het detecteren van beschermde diersoorten in spouwmuren volgens de
omgevingsDNA-methode aanzienlijk goedkoper is dan andere onderzoeksmethoden. Zeker
in vergelijking met de reguliere werkwijze, waarbij er ecologisch onderzoek volgens
het vleermuisprotocol uitgevoerd wordt en een omgevingsvergunning moet worden aangevraagd.
Dit maakt dat de omgevingsDNA-methode voor woningeigenaren, isolatiebedrijven en ecologen
een goedkopere, efficiënte en schaalbare methode is. Onderstaand een indicatie van
de verschillen uit het onderzoek van Datura49:
‘Protocolonderzoek: We zijn uitgegaan van 5 bezoeken van 4 uur en 2 uur reistijd per
bezoek (totaal 30 uur veldonderzoek). Daarnaast rekenen we met 16 uur voor dataverwerking,
rapportage, overleg en projectmanagement. Totaal 46 uur * € 100,– is € 4600,–. (Score
0,8)
eDNA spons: Veldwerk van 5 locaties kost gemiddeld 2,7 uur (€ 270). De verwachting
is dat voor het aantonen van afwezigheid met name qPCR ingezet zal worden (circa € 180,–
per analyse). In deze berekening zijn we echter uitgegaan van een metabarcoding analyse
(circa € 300,– per analyse). Daarnaast zijn er verzendkosten monstermaterialen en
de genomen monsters (€ 10,– per monster). Totale kosten voor 5 locaties is € 1 820,–.
(Score: 6,4)
Keutelonderzoek: Bij het berekenen van de prijs van keutelonderzoek is rekening gehouden
met de huur van een P260 autohoogwerker (€ 500,– voor één dag). In de praktijk is
soms een duurdere verreiker nodig. We zijn uitgegaan van 16 uur voor het onderzoeken
van 5 locaties (€ 1 600,–). Daarnaast is uitgegaan van 5 DNA barcoding analyses om
een identificatie te verkrijgen van gevonden keutels (€ 700,– voor 5 monsters). Totale
kosten voor 5 locaties bedragen € 2800,–. (Score 4,4).’
|
Uit hetzelfde onderzoek is ook gebleken dat de doorlooptijd van de verschillende methodieken
sterk van elkaar verschilt. Onderstaand een indicatie van de verschillen in doorlooptijd
uit het onderzoek van Datura50:
‘Protocolonderzoek: Voor een onderzoek volgens vleermuisprotocol dienen minimaal tussen
15 mei en 15 juli 2-3 bezoeken en tussen 15 augustus en 15 oktober 2 bezoeken gebracht
te worden. Daarmee is de doorlooptijd minimaal 180 dagen. (Score 5,1)
eDNA spons: De doorlooptijd van eDNA analyse is in deze berekening op 18 dagen gesteld.
Voor een eDNA analyse is geen (omvangrijke) voorbereiding nodig, deze kan direct uitgevoerd
worden. Een bemonstering & qPCR-analyse (aan-of afwezigheid van eDNA) heeft een doorlooptijd
van 2–4 werkdagen. Totale doorlooptijd van bemonstering tot metabarcoding analyse
(soortsamenstelling) is circa 18 dagen. (Score 9,5)
Keutelonderzoek: Bij keutelonderzoek moet circa één week van te voren een hoogwerker
geregeld worden, maar zijn na het uitvoeren van het veldwerk de resultaten van aan-
of afwezigheid direct beschikbaar. Indien gevonden keutels op soort geïdentificeerd
worden door DNA barcoding dan komt er nog één week bovenop. Totale doorlooptijd van
reserveren hoogwerker tot uitkomst DNA-barcoding analyse is circa 25 dagen. (Score
9,3)’
|
Uit de MCA volgen dus de volgende (gemiddelde) kosten en doorlooptijd per woning51:
Onderzoeksmethode
|
Kosten per woning
|
Doorlooptijd
|
Vleermuisprotocol
|
€ 4.600,–
|
180 dagen
|
Keutelonderzoek
|
€ 560,–
|
25 dagen
|
OmgevingsDNA (eDNA)
|
€ 364,–
|
18 dagen
|
7.1.3 Wat zijn de gevolgen voor bedrijven, burgers en het bevoegd gezag als gevolg
van het aanwijzen van de omgevingsDNA-methode als erkende maatregel?
Het betreft een uniforme werkwijze waarop gehandhaafd kan worden zoals dat nu ook
gebeurt op bijvoorbeeld natuurvriendelijk isoleren of ecologisch onderzoek volgens
het vleermuisprotocol. In de Brl is een bemonsteringsprotocol toegevoegd voor de toepassing
van de omgevingsDNA-methode voor de bemonstering van in- en uitvliegopeningen voor
het detecteren van vleermuizen in spouwmuren.
Bedrijven die na-isolatie plaatsen in spouwmuren zullen rekening moeten houden met
de geldende wet- en regelgeving. Door deze methode aan te wijzen als erkende maatregel
wordt er een duidelijk kader geboden voor welke technieken voldoende zijn bij het
na-isoleren van de spouwmuren van grondgebonden woningen om te voldoen aan de specifieke
zorgplicht.
De isolatiebranche is betrokken geweest bij het onderzoek naar de eDNA-methodiek.
Verschillende partijen die actief zijn in de isolatiebranche zijn er voorstander van
dat deze regeling zo snel mogelijk wordt ingevoerd. Uit de consultatiereacties bleek
dat zij zich kunnen vinden in de manier waarop zij praktisch uitvoering dienen te
geven aan de aan de in de consultatie voorgestelde werkwijze.
Voor burgers geldt dat ook zij perspectief krijgen op welke techniek als geschikt
wordt geacht voor het voldoen aan de specifieke zorgplicht bij het na-isoleren van
de spouwmuren van grondgebonden woningen.
7.2 ATR Advies
In het advies van de ATR is aangegeven deze regeling niet door te zetten tenzij er
verduidelijking zou komen op de omgevingsDNA-methode in verhouding tot de huidige
praktijk, hoe er omgegaan wordt met onafhankelijke monsterafname, welke waarborgen
er zijn als er in de winter geen aanvullend keutelonderzoek plaatsvindt en welke belanghebbenden
zijn geraadpleegd zijn.
Deze adviezen zijn opgevolgd doordat er aandacht is besteed aan de verhoudingen tussen
eDNA en anderen methoden zoals NVI en SMP’s. Ook is een van de voorwaarden het werken
volgens een duidelijk bemonsteringsprotocol, gevat in een BRL. De consultatie en de
verwerking hiervan hebben als input gediend voor deze regeling.
De waarborg voor de winter middels keutelonderzoek lijkt te suggereren dat dit een
methode is die nu veelvuldig wordt toegepast, echter is dat niet het geval. Dit is
een hele kostbare en tijdrovende methode in vergelijking met omgevingsDNA en het vleermuisprotocol.
Daarom zal hier nu niet verder op ingegaan worden.
8. Gevolgen voor belanghebbenden, uitvoering en handhaving
Gedeputeerde staten zijn bevoegd gezag op flora- en fauna-activiteiten die samenhangen
met de na-isolatie van woningen.52 Hieruit volgt dat zij bevoegd zijn te handhaven op overtreding van de specifieke
zorgplicht.
Doordat er gewerkt wordt middels een beoordelingsrichtlijn met bijbehorende certificering
kunnen gedeputeerde staten handhaven op de methode door na te gaan of er aan de voorwaarde
van de certificering door initiatiefnemer wordt voldaan.
Ook gemeenten hebben een belang bij het sneller kunnen isoleren van woningen, onder
andere vanwege het NIP en de gelden hieruit. Bij het maken van hun aanpakken voor
de lokale aanpak subsidie53, lopen veel gemeenten aan tegen de uitdagende en tijdrovende voorwaarden die gelden
onder de bestaande werkwijzen. Daarbij speelt het ecologentekort een grote rol. Het
opstellen van SMP’s kan tot 3 jaar duren, vanwege de krapte op de ecologenmarkt loopt
dit op. Hierdoor kan er in de tussentijd veel minder (met name spouwmuur) geïsoleerd
worden. Gemeenten komen in de knel en kunnen hun aanpakken niet volbrengen. Gemeenten
zijn verantwoordelijk voor het dragen van zorg voor inwoners die te kampen hebben
met energiearmoede. Dit kan bijvoorbeeld tegengegaan worden door de grondgebonden
woningen van deze mensen versneld te isoleren. Isolatiebedrijven zetten zich in om
woningen in Nederland van onder andere spouwmuurisolatie te voorzien. De omgevingsDNA-methode
kan helpen bij het sneller isoleren van spouwmuren.
Woningeigenaren hebben te kampen met stijgende prijzen voor energie en verplichtingen
om woningen langzaam te gaan verduurzamen.54 De omgevingsDNA-methode kan een versnelde en kostenefficiënte methode zijn voor hen
om de woning te voorzien van na-isolatie.
Soortenorganisaties staan voor het beschermen van beschermde diersoorten en beschikken
over kennis van vleermuizen. De omgevingsDNA-methode kan zorgen voor betere bescherming
van diersoorten die een beschermde status genieten. Samen met ecologische onderzoeksbureaus
hebben zij de kennis en kunde om in te schatten en (wetenschappelijk) aannemelijk
te maken of een methode als omgevingsDNA goed werkt voor het detecteren van bijvoorbeeld
vleermuizen in spouwmuren. Ook voeren zij onderzoeken uit middels het vleermuisprotocol
of via deze nieuwe omgevingsDNA-methode.
9. Consultatie
Een concept van deze wijzigingsregeling heeft opengestaan voor consultatie op http://www.internetconsultatie.nl.55 Van 16 december 2024 tot en met 17 januari 2025 heeft de internetconsultatie plaatsgevonden.
Van een verscheidenheid aan particulieren en organisaties zijn reacties op de internetconsultatie
ontvangen.
De consultatieversie van de wijzigingsregeling is door een deel van de indieners positief
ontvangen, maar er zijn ook kritische geluiden. Deze reacties hebben geleid tot verduidelijking
van de artikelen, de toelichting en de Brl. Een deel van de reacties ziet overigens
niet op de inhoud en strekking van de regeling zelf, maar op andere achterliggende
politiek-bestuurlijke keuzes met betrekking tot de omgevingsDNA-methode als instrument.
9.1 Betrouwbaarheid onderzoeken
Reacties met betrekking tot de betrouwbaarheid van de onderzoeken die ten grondslag
liggen aan erkende regeling richten zich hoofdzakelijk op drie elementen, namelijk
de validatie van de methode, de detectietijd van het DNA en het kunnen detecteren
van alle vleermuissoorten met deze methode. Hierover zijn verschillende zienswijzen
ingebracht. De onderzoeken en inzichten vanuit de consultatie zijn voldoende gebleken
om te kunnen vaststellen dat de eventuele bezwaren die bestaan over de onderzoeken
ter harte worden genomen, maar niet dermate zwaar zijn dat de onderzoeken weggezet
kunnen worden als onbetrouwbaar. De reden hiervoor is dat het Rijk op basis van de
verscheidene onderzoeken van Unitura c.s.56
,
57
,
58 en Datura59 voldoende aanknopingspunten ziet om aan te nemen dat de methode voldoende robuust
genoeg is zodat jaarrond DNA getraceerd kan worden, elke vleermuissoort kan worden
aangetroffen en de methode gevalideerd is ten opzichte van andere geldende methoden
uit de praktijk.
9.2 Beoordelingsrichtlijn en werkwijze
Over hoe de methode toegepast dient te worden, wie deze methode mag uitvoeren en aan
welke voorwaarde de methode dient te voldoen, kwam in de reacties naar voren dat dit
in ieder geval middels een gelijk speelveld moet zijn en voor het bevoegd gezag herleidbaar
dient te zijn. Hier is gehoor aan gegeven door een verwijzing naar de beoordelingsrichtlijn
op te nemen in bijlage II van de Omgevingsregeling.60 Immers dienen alle gebruikers van de omgevingsDNA-methode gecertificeerd te zijn
om te voorkomen dat er bedrijven of personen gebruik gaan maken van de methode zonder
enige voorkennis.
Eenieder die met de omgevingsDNA-methode werkt dient gecertificeerd te zijn en volgt
hiervoor een training. Zonder certificaat mag deze methode dan ook niet uitgevoerd
worden. Daarnaast zal de certificerende instelling zelf ook zorg dragen voor controles
op het certificaat door gebruik te maken van een ecoloog en onderzoek in het veld.
De Brl zelf zal getoetst worden door het College van Deskundigen die invloed kunnen
hebben op wat er in de Brl staat.61
9.3 Interferentie omgevingsDNA met de landelijke lijn NVI
Uit de consultatiereacties komt duidelijk naar voren dat er een mogelijke interferentie
lijkt te bestaan tussen de landelijke lijn NVI en omgevingsDNA. Er bestaan zorgen
over de compensatieopgave die onderdeel is van NVI, alsmede over NVI in relatie tot
het SMP en dan met name over het toepassingsbereik van de regeling namelijk voor omgevingsDNA
in gebieden waar een SMP van toepassing is. De compensatieopgave zou vermeerderen
als de groep van woningen die vallen onder NVI lager zou worden door de toepassing
van de omgevingsDNA methode, echter heeft het Rijk hier de volgende zienswijze op
aan de hand van onderstaand voorbeeld:
‘Situatie vanuit met toepassing omgevingsDNA bij een voorbeeld met 100 woningen, 10%
isoleren en 10 kraamverblijven in een groep van 100 grondgebonden woningen:
• Je kunt 50 van de 100 woningen uitsluiten met eDNA, dus 50 woningen en 10 kraamverblijven.
• De kans dat een willekeurige woning een kraamverblijf is, is 10/50 = 0,2 (20%).
De trefkans is dus hoger.
• Er wordt gewerkt met een maximaal isolatiepercentage van 10%, immers is deze berekend
op basis van de totale woningvoorraad binnen een gemeentegrens. In dit geval is 10%
van 50 woningen dus 5 woningen.
• Als je 10% van de woningen mag isoleren, is de kans dat je per ongeluk een kraamverblijf
vernielt 10/50 * 5 = 1 kraamverblijven per isolatie van 5 woningen (10%).’
|
Het gaat dus om een verschil van inzicht over de trefkans, echter maakt de trefkans
niet uit als het isolatiepercentage niet wordt aangepast. Kortom het aantal te compenseren
kraamverblijven blijft gelijk, immers is de preSMP/NVI methode tweeledig:
-
1. Compensatieberekening op basis van de totale woningvoorraad en het aantal geschatte
kraamverblijven in die voorraad.
-
2. Een percentage van isolatie waarbij de grens acceptabel is voor de staat van instandhouding.
In dit voorbeeld wordt aangehouden 10% van 100 en dat is hetzelfde als 10% van 50
als deze wordt afgezet tegen het aantal te compenseren kraamverblijven want die blijft
in de totale groep gelijk. Zolang er dus niet gesleuteld wordt aan het percentage
te isoleren woningen verandert er niets aan het aantal te compenseren kraamverblijven
door gemeenten. Daarom kan NVI naast omgevingsDNA als methode blijven gelden. Daarbij
is ook, gelet op de ecologische implicaties, het wenselijk om eerder NVI toe te passen
dan terug te vallen op onderzoek doen volgens het vleermuisprotocol. De combinatie
omgevingsDNA-test in samenhang met NVI is een betrouwbaardere werkwijze, in vergelijking
met enkel onderzoek volgens het vleermuisprotocol.
9.4 Onderscheid specifieke zorgplicht en doelvoorschrift
In de consultatie is er op gewezen dat er in de geconsulteerde versie werd gesteld
dat de erkende maatregel omgevingsDNA dient als middelvoorschrift ter concretisering
van een doelvoorschrift. Hierbij zou ten onrechte worden verwezen naar de specifieke
zorgplicht als een doelvoorschrift. Daarbij wordt verwezen naar de Nota van Toelichting
bij het Bal, waarin het volgende is opgenomen: ‘Daarmee worden doelvoorschriften onderscheiden van specifieke zorgplichten die ook
een doel omschrijven, maar waarbij dat doel kwalitatief is geformuleerd, zodat op
degene die de activiteit verricht de zorg rust om het doel zo nodig voor zijn specifieke
situatie nader te concretiseren.’62 Er wordt hierom gesteld dat er geen juridische grondslag is om deze regeling vast
te stellen.
De toelichting is op basis van deze reactie aangepast. In lijn met de Nota van toelichting
bij het Bal, die het begrip doelvoorschrift gebruikt voor kwantificeerbare voorschriften,
wordt niet langer voor de specifieke zorgplicht het begrip doelvoorschrift gebruikt.
De specifieke zorgplicht voldoet wel aan de in de memorie van toelichting van de wet
gegeven omschrijving van een doelvoorschrift, maar gebruikt kwalitatieve termen. Voor
dergelijke kwalitatieve doelen met een hoger abstractieniveau wordt in de nota van
toelichting van het Bal het begrip specifieke zorgplicht gebruikt, die daarmee, zoals
in de reactie wordt betoogd, te onderscheiden is van kwantificeerbare doelvoorschriften.
De conclusie dat er geen juridische grondslag is om deze regeling vast te stellen
wordt echter niet gevolgd. Artikel 4.3, derde lid, van de Omgevingswet biedt blijkens
de memorie van toelichting immers grondslag voor ‘de mogelijkheid om in een ministeriële
regeling de voorschriften uit de algemene maatregel van bestuur (nader) uit te werken,
voor zover het gaat om uitvoeringstechnische, administratieve en meet- of rekenvoorschriften.’63 Middels deze ministeriële regeling wordt met gebruik van uitvoeringstechnische voorschriften
de specifieke zorgplicht in bepaalde gevallen geconcretiseerd.
9.5 Overige aanpassingen
Uit meerdere consultatiereacties kwam naar voren dat onvoldoende geregeld was op welk
type gebouw, wat voor onderdeel van dat gebouw, en voor welke soorten, de erkende
maatregel van toepassing zou zijn. De regeling is aangepast op de volgende onderdelen:
-
− De regeling is uitsluitend van toepassing op spouwmuren, in plaats van de gehele thermische
schil.
-
− De regeling is uitsluitend van toepassing op de detectie van vleermuizen, in plaats
van alle diersoorten.
-
− De regeling is uitsluitend van toepassing op grondgebonden woningen, in plaats van
alle gebouwen.
9.6 Samenhang met (pre-)SMP
In de consultatie is aangegeven dat de omgevingsDNA-methode interfereert met het pre-SMP.
Dit heeft met name te maken met de berekening van de compenserende maatregelen die
getroffen moeten worden waaronder geïsoleerd mag worden bij het pre-SMP. Hier ligt
dezelfde compensatieberekening aan ten grondslag als onder paragraaf 9.3. Dit betekent
dat de compensatieopgave niet in het geding komt bij de toepassing van omgevingsDNA
onder een pre-SMP zolang het isolatiepercentage niet wordt aangepast.
Wel is de regeling aangepast om duidelijk te maken dat indien burgers gebruik kunnen
maken van een omgevingsvergunning verleend op basis van een soortenmanagementplan,
de erkende maatregel omgevingsDNA niet van toepassing is. In dat geval zijn er immers
voorschriften en werkwijzen vastgesteld die specifiek zijn toegesneden op de lokale
omstandigheden. In dat geval verdient het de voorkeur dat burgers conform die methode
werken.
9.7 Handelingsperspectief door omgevingsDNA
Vanuit meerdere partijen actief in de isolatiesector is de nadrukkelijke oproep in
de consultatie geweest om handelingsperspectief voor de sector te bieden door de omgevingsDNA-methode
als erkende maatregel aan te wijzen. Met het aanwijzen van deze methode als erkende
maatregel, zou het ertoe kunnen leiden dat er een cruciale slag geslagen wordt in
het versnellen van de energietransitie. Hiermee biedt het op korte termijn verlichting
voor de druk op de isolatiesector en zorgt het voor de snelheid die de sector nodig
heeft om uit de positie van vele faillissementen te komen waarin de sector zich nu
bevindt. Dit heeft alles te maken met de gevolgen van de huidige kaders waarbinnen
isoleren van grondgebonden woningen vaak tijdrovend en kostbaar is. De kansen van
deze regeling zitten volgens partijen die actief zijn in de isolatiesector niet alleen
in het versnellen en goedkoper maken van isoleren, maar ook in het beter samenbrengen
van natuurbescherming en de energietransitie.
Tevens biedt het aanwijzen van omgevingsDNA als erkende maatregel op korte termijn
de gewenste positieve effecten voor huishoudens in energiearmoede. Immers, kunnen
zij sneller en goedkoper geholpen worden. De doelgroep van huishoudens die het hardst
getroffen worden door het vertragen van de isolatieopgave, en daarmee de energietransitie,
zijn vaak huishoudens die in woningen met de slechtste energielabels wonen.
Naast het meewegen van bovenstaande redenen, heeft het Rijk zich ook te houden aan
de nationale64 en Europese verplichtingen op het gebied van energiebesparing65 en verduurzaming van de gebouwde omgeving66, evenals de verplichtingen op het gebied van soortenbescherming67. Vanwege de enorme verduurzamingsopgave waar we voor staan, en met name de nationale
doelstelling om 2,5 miljoen woningen te isoleren voor 2030, is ervoor gekozen om in
te zetten op de omgevingsDNA-methode. Op deze manier kan de isolatieopgave samengaan
met de bescherming van soorten.
10. Gegevens en gegevensbescherming
De Beoordelingsrichtlijn omgevingsDNA-methode (hierna: beoordelingsrichtlijn) wordt
middels deze wijzigingsregeling aangemerkt als erkende maatregel ter concretisering
van artikel 11.27, tweede lid, onderdeel a, van het Bal . In de beoordelingsrichtlijn
die is aangemerkt als erkende maatregel is omschreven welke handelingen worden verricht
bij omgevingsDNA-onderzoek.
In deze beoordelingsrichtlijn is onder andere opgenomen dat er sprake moet zijn van
een werkmelding. De certificaathouder is verplicht om ieder object waar omgevingsDNA-onderzoek
uitgevoerd wordt uiterlijk de vrijdag voorafgaand aan de week waarin het onderzoek
plaats vindt te melden aan certificerende instelling. Deze melding is noodzakelijk
voor de certificerende instelling om steekproefsgewijs te kunnen controleren of de
methode correct wordt toegepast. De werkmelding moet in ieder geval de postcode en
het huisnummer bevatten. Aangezien deze gegevens herleidbaar kunnen zijn tot een persoon,
kan hier sprake zijn van persoonsgegevensverwerking. Daarnaast moeten ook ‘eventuele
bijzonderheden waarmee de certificerende instelling rekening dient te houden’ worden
gemeld. In voorkomende gevallen kunnen dit persoonsgegevens zijn.
Daarnaast wordt er bij de toepassing van omgevingsDNA een rapportage opgesteld met
foto’s van de voor de toepassing van omgevingsDNA relevante delen van het huis. Het
betreft hier foto’s zonder herkenbare personen. Deze foto’s moeten zijn voorzien van
GPS-data, zodat ze kunnen worden herleid tot het object waar het onderzoek is uitgevoerd.
Dit maakt dat deze foto’s ook persoonsgegevens kunnen zijn. Deze rapportages worden
in een daarvoor bedoeld softwareprogramma geüpload en zijn daarmee toegankelijk voor
de certificerende instelling.
Persoonsgegevens behoren tot de persoonlijke levenssfeer en worden daarom beschermd
door onder meer de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG), de Grondwet en
het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM).
Indien er sprake is van de verwerking van persoonsgegevens, dus als de benodigde gegevens
leiden tot identificatie van een natuurlijk persoon, dient te worden voldaan aan de
beginselen en vereisten van de Algemene verordening gegevensbescherming (AVG). Op
grond van artikel 5, eerste lid, onderdeel a, van de AVG moet de verwerking van persoonsgegevens
onder meer rechtmatig, behoorlijk en transparant zijn. De verwerking is noodzakelijk
om te voldoen aan een wettelijke verplichting die op de verwerkingsverantwoordelijke
rust, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid, onderdeel c, van de AVG. Op basis van
deze rapportages kan namelijk inzichtelijk worden gemaakt dat is voldaan aan de erkende
maatregel, en daarmee aan artikel 11.26, tweede lid, onderdeel a, van het Bal.
In de BRL wordt op enkele plaatsen verwezen naar het feit dat deze gegevens beschikbaar
kunnen worden gesteld aan het bevoegd gezag. In het kader van haar toezichts- en handhavingstaak
kan het immers voorkomen dat het college van gedeputeerde staten op basis van bestaande
bevoegdheden inzicht verlangt in de verzamelde gegevens.
De omvang van de inperking die het verwerken van gegevens bij de toepassing van de
BRL is proportioneel, wat betekent dat de inperking in verhouding staat tot het belang
van het steekproefsgewijs controleren of de werkwijze correct wordt toegepast. Hiermee
wordt een belangrijk publiek belang gediend, namelijk soortenbescherming. Daarnaast
levert de toepassing van de BRL een bijdrage aan het kunnen isoleren van woningen,
waarmee eveneens een belangrijk publiek belang wordt gediend. Voor het vereiste van
proportionaliteit geldt dat deze belangen ook in verhouding moeten staan tot de inbreuk
op de persoonlijke levenssfeer. Dat is het geval. Het gaat uitsluitend om gegevens
die noodzakelijk zijn voor het kunnen uitvoeren van steekproeven bij de toepassing
van omgevingsDNA. Daarbij wordt voorkomen dat er onnodig persoonsgegevens worden verwerkt,
door er voor te zorgen dat er geen herkenbare personen op de foto’s staan.
De maatregel is eveneens subsidiair, omdat er geen minder ingrijpende wijze is om
het doel te verwezenlijken. Het doel is om te borgen dat de omgevingsDNA-methode op
een correcte wijze wordt toegepast, en in het verlengde daarvan, dat de aanwezigheid
van aanwijzingen van beschermde soorten vleermuizen op een correcte wijze kan worden
onderzocht. Er is geen alternatief waarbij, alhoewel op een minder belastende wijze,
op een eveneens vergelijkbaar adequaat niveau kan worden bepaald of een certificaathouder
de methode correct toepast.
Op basis van de fotorapportage kan bij steekproeven worden vastgesteld dat de omgevingsDNA-bemonstering
plaats heeft gevonden op een zekere tijd, datum en locatie. Hiermee kan worden vastgesteld
dat de bemonstering inderdaad heeft plaatsgevonden op de aangegeven tijd, datum en
locatie. Het is de verantwoordelijkheid van de verwerkingsverantwoordelijken om deze
gegevens niet langer te bewaren dan noodzakelijk is. Een alternatief zou zijn om alleen
te werken met een werkmelding, en geen fotorapportage te maken. Echter is de fotorapportage
van groot belang om na te kunnen gaan of de methode goed is toegepast, en of de vastgestelde
resultaten van het onderzoek inderdaad terugslaan op de aangegeven locatie en het
aangegeven tijdstip. Daarnaast is de werkwijze waarbij de uitvoerder de werkmelding
doet en de rapportage upload ook passend. Een denkbaar alternatief zou zijn dat burgers
deze gegevens zelf aanleveren bij de certificerende instelling. Dit zou echter leiden
tot onnodige administratieve lasten voor burgers.
De verwerking van persoonsgegevens in het kader van omgevingsDNA kan eveneens een
inmenging zijn in de persoonlijke levenssfeer (‘private life’), zodat de maatregel
aan het EVRM moet worden getoetst. Het EVRM vereist dat de maatregel bij wet is voorzien,
de betreffende wet voldoende toegankelijk is en de maatregel voldoende voorzienbaar
is.
De maatregel voldoet hieraan omdat hij wordt opgenomen in een ministeriële regeling
die zijn grondslag vindt in de Omgevingswet. Daarnaast is duidelijk omschreven om
welke gegevens het gaat en zijn deze gegevens beperkt tot die gegevens die strikt
noodzakelijk zijn voor het borgen van een correcte toepassing van omgevingsDNA. Daarnaast
moet de maatregelen noodzakelijk, proportioneel en subsidiair zijn. Dat hiervan sprake
is, is reeds toegelicht.
Op grond van artikel 8 van het EVRM moet een maatregel ook noodzakelijk zijn in een
democratische samenleving en een legitiem, in artikel 8 van het EVRM opgenomen, doel
dienen. De toepassing van omgevingsDNA draagt bij aan de verduurzamingsopgave in
Nederland, en daarmee aan het economisch welzijn. Daarnaast draagt het bij aan het
tegengaan van klimaatverandering, wat raakt aan meerdere legitieme doelen. De noodzakelijkheid
in een democratische samenleving van deze maatregelen volgt uit het feit dat deze
maatregelen proportioneel en subsidiair zijn.
De certificaathouders en certificerende instellingen zijn zelf verwerkingsverantwoordelijke
in de zin van de AVG. De rechtmatigheid van de maatregel volgt verder uit het feit
dat de gegevensverwerking is voorzien in erkende maatregel die is opgenomen in de
Omgevingsregeling. De maatregel is behoorlijk en transparant, omdat deze is neergelegd
in een regeling dat een wettelijke grondslag heeft en is gepubliceerd in de Staatscourant,
waardoor de regel voor eenieder inzichtelijk is. Daarnaast is de beoordelingsrichtlijn
zelf openbaar te raadplegen.
Tot slot worden de gegevens enkel gebruikt voor het doel waarvoor het wordt verkregen.
Zo wordt invulling gegeven aan de vereisten van databeperking en opslagbeperking.
Artikelsgewijs
Artikel I (wijziging Omgevingsregeling)
Artikel I berust op artikel 4.3, vierde lid, van de Omgevingswet. Dit artikel is de
grondslag voor het stellen van uitvoeringstechnische regels bij ministeriële regeling.
Op grond van artikel 4.3, vierde lid, van de Omgevingswet kunnen bij ministeriële
regeling regels worden gesteld over in het Bal opgenomen regels als deze uitvoeringstechnische,
administratieve en meet- of rekenvoorschriften inhouden.
Middels artikel I worden uitvoeringstechnische regels gesteld over een norm vervat
in het Bal, namelijk de specifieke zorgplicht. Voor bepaalde gevallen wordt nader
geconcretiseerd wat deze norm inhoudt.
Door te werken conform de eDNA-methode voldoet de uitvoerder aan artikel 11.27, tweede
lid, onder a, Bal ten aanzien van vleermuizen in spouwmuren.
Onderdeel A (nieuwe paragraaf 4.7.4. Flora- en fauna-activiteiten: erkende maatregel
specifieke zorgplicht)
Artikel 4.31b (toepassingsbereik)
De omgevingsDNA-methode die in deze paragraaf is voorgeschreven, dient ter invulling
van de specifieke zorgplicht voor flora- en fauna-activiteiten (zie paragraaf 5.2
algemene toelichting).
Het eerste lid bepaalt het toepassingsbereik van de eDNA-methode. De erkende maatregel
ter concretisering van de specifieke zorgplicht ten aanzien van flora- en fauna-activiteiten,
geldt ten eerste alleen voor het vaststellen van aanwijzingen van de aanwezigheid
van vleermuizen.
De omgevingsDNA-methode geldt ten tweede alleen voor de spouwmuur, en niet voor de
gehele thermische schil van de woning. De thermische schil van de woning is vergelijkbaar
met een jas. Deze jas zorgt ervoor dat de kou buiten en de warmte binnen blijft. Het
dak, de wanden, de daken, de deuren en de beglazing maken deel uit van de thermische
schil.
Ten derde geldt de omgevingsDNA-methode alleen ten aanzien van situaties voorafgaand
aan de na-isolatie van grondgebonden woningen. Een grondgebonden woning is een woning
die rechtstreeks toegankelijk is op het straatniveau en waarvan één van de woonlagen
aansluit op het maaiveld. Grondgebonden woningen hebben meestal een op de grond gelegen
terras, dan wel tuin. Gestapelde woningen met meer dan vier woonlagen, zoals een flat,
vallen daarmee buiten deze regeling, omdat dit geen grondgebonden woningen zijn.
Artikel 4.31c (erkende maatregel specifieke zorgplicht: omgevingsDNA)
Het voorschrijven van de omgevingsDNA-methode in het eerste lid als erkende maatregel
is ter invulling van artikel 11.27, tweede lid, onder a. Deze bepaling vereist dat
een ieder voorafgaand aan het verrichten van een flora- en fauna-activiteit nagaat
of er aanwijzingen zijn van de aanwezigheid op de locatie waar de activiteit wordt
verricht of in de directe nabijheid van die locatie van van nature in Nederland in
het wild levende dieren of planten van soorten, genoemd in de bijlagen II, IV en V
bij de habitatrichtlijn. Vleermuizen zijn opgenomen in bijlage IV van de Habitatrichtlijn.
Met de zinsnede ‘in ieder geval’ wordt duidelijk gemaakt dat de omgevingsDNA-methode
niet de enige methode is om te voldoen aan de onderzoeksplicht zoals vervat in artikel
11.27, tweede lid, onder a Bal. Ook andere geschikte methoden kunnen worden toegepast,
zoals bijvoorbeeld het vleermuisprotocol (zie paragraaf 4.2) of keutelonderzoek (zie
paragraaf 7.1.2).
De omgevingsDNA-methode moet worden toegepast overeenkomstig de Beoordelingsrichtlijn
omgevingsDNA-methode (zie paragraaf 6). Deze richtlijn zal naar verwachting periodiek
worden aangepast naar aanleiding van nieuwe wetenschappelijke inzichten.
In het tweede lid worden de soorten in een tabel gespecificeerd waarvoor de omgevingsDNA-methode
als erkende maatregel geldt. De omgevingsDNA-methode wordt alleen voorgeschreven voor
deze 13 vleermuizen. Op basis van de onderzoeken is het aannemelijk dat andere vleermuissoorten
niet zullen worden aangetroffen bij het na-isoleren van grondgebonden woningen (zie
paragraaf 3.1)
Met een soortenmanagementplan wordt door een gemeente op basis van uitgebreid ecologisch
onderzoek een biodiversiteitsplan gemaakt. Zo’n plan voorziet niet alleen in de wettelijke
bescherming van kwetsbare dieren, maar biedt ook een aanvulling op de al genomen maatregelen
voor de duurzame bescherming van populaties. Omdat soortenmanagementplannen het doel
op de langere termijn is voor het isoleren van woningen, wordt de omgevingsDNA-methode
uitgesloten in gemeenten waar een soortenmanagementplan van toepassing is (derde lid).
Onderdeel B (wijziging bijlage I Omgevingsregeling)
Met dit onderdeel wordt een definitiebepaling ingevoegd van een soortenmanagementplan.
Onderdeel C (wijziging bijlage II Omgevingsregeling)
Met dit onderdeel wordt de Beoordelingsrichtlijn opgenomen in bijlage II van de Omgevingsregeling.
Bijlage II van de Omgevingsregeling geeft een overzicht van de normen die in de Omgevingswet
zijn aangewezen. In het overzicht staat de versie van de norm die gebruikt moet worden.
Onderdeel D (wijziging bijlage XIV Omgevingsregeling)
Dit onderdeel bevat een wetstechnische reparatie. Bijlage XIV bevat de maatregelen
ter verduurzaming van het energiegebruik met betrekking tot gebouwen. Hierin stond
nog een vermelding van de Wet natuurbescherming. Door middel van dit onderdeel is
dit gewijzigd naar het Besluit activiteiten leefomgeving, waar de Wet natuurbescherming
deels in is opgegaan.
Artikel II (inwerkingtreding)
De inwerkingtreding van artikel I zal plaatsvinden met ingang van de dag na publicatie
in de Staatscourant. Met die datum wordt afgeweken van het kabinetsbeleid inzake de
vaste verandermomenten.68 In het algemeen deel van deze toelichting is uiteengezet waarom het van belang is
dat de omgevingsDNA-methode als erkende maatregel met directe ingang in werking treedt.
Het is ongewenst om dit langer uit te stellen vanwege oplopende nadelige gevolgen
voor de isolatieopgave in de gebouwde omgeving. Daaraan zij toegevoegd dat zowel het
bevoegd gezag als de sectoren die projecten uitvoeren op de hoogte zijn van de wijziging.
Gelet hierop is er aanleiding af te wijken van de vaste verandermomenten en de standaardtermijn
van drie maanden tussen publicatie en inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling.
De Staatssecretaris van Landbouw, Visserij, Voedselzekerheid en Natuur, J.F. Rummenie