Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2025, 10319 | advies Raad van State |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap | Staatscourant 2025, 10319 | advies Raad van State |
Den Haag, 10 maart 2025
Nr. WJZ/50265667(ID26284)
Aan de Koning
Nader rapport inzake het voorstel van wet tot wijziging van wetten op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in verband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrijvingen
Blijkens de mededeling van de Directeur van Uw kabinet van 19 december 2024, nr. 2024002928, machtigde Uwe Majesteit de Afdeling advisering van de Raad van State haar advies inzake het bovenvermelde voorstel van wet rechtstreeks aan mij te doen toekomen.
Dit advies, gedateerd 29 januari 2025, nr. WO5.24.0034/I, bied ik U hierbij aan.
De tekst van het advies treft u hieronder aan, voorzien van mijn reactie.
Bij Kabinetsmissive van 19 december 2024, no.2024002928, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voorstel van wet houdende wijziging van wetten op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in verband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrijvingen (Reparatiewet OCW 20##), met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.
De vice-president van de Raad van State,
Th.C. de Graaf
Het voorstel geeft de Afdeling advisering van de Raad van State geen aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om bij het wetsvoorstel Reparatiewet OCW 20## II enkele redactionele verbeteringen door te voeren. Daarnaast is een samenloopbepaling toegevoegd.
Ik verzoek U het hierbij gevoegde gewijzigde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, E.E.W. Bruins.
No. W05.24.00347/I
’s-Gravenhage, 29 januari 2025
Aan de Koning
Bij Kabinetsmissive van 19 december 2024, no.2024002928, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt een voorstel van wet houdende wijziging van wetten op het terrein van onderwijs, cultuur en wetenschap in verband met het repareren van wetstechnische en redactionele vergissingen en verschrijvingen (Reparatiewet OCW 20##), met memorie van toelichting.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft geen opmerkingen bij het voorstel en adviseert het voorstel bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal in te dienen.
De vice-president van de Raad van State, Th.C. de Graaf.
Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.
Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is om op gebundelde wijze diverse wetstechnische en redactionele verbeteringen aan te brengen in wetten die onder de verantwoordelijkheid vallen van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
Zo is het, dat Wij, de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:
De Les- en cursusgeldwet wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 1 komt te luiden:
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt, voor zover niet anders bepaald, verstaan onder:
het orgaan dat als zodanig wordt aangeduid in de wettelijke regeling op grond waarvan de desbetreffende instelling of cursus wordt bekostigd;
1°. een cursus in de zin van de Wet voortgezet onderwijs 2020;
2°. onderwijs aan een instelling voor voortgezet onderwijs als bedoeld in artikel 2.86 van de Wet voortgezet onderwijs 2020, voor zover het geen volledig onderwijs betreft;
3°. een op grond van de Experimentenwet onderwijs uit de openbare kas bekostigde cursus, voor zover het voortgezet onderwijs betreft;
4°. een beroepsopleiding of een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, die aan een regionaal opleidingencentrum of beroepscollege als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs ten laste van ’s Rijks kas wordt verzorgd, niet gevolgd aan een instelling;
een instelling als bedoeld in de Wet educatie en beroepsonderwijs, voor zover het betreft een beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg als bedoeld in die wet of een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs die voldoet aan artikel 2.17 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten;
degene die is toegelaten tot het onderwijs aan een instelling of cursus als bedoeld in artikel 2;
het door Onze Minister uitgegeven persoonsgebonden nummer, toegekend aan een persoon aan wie niet van overheidswege een burgerservicenummer is verstrekt;
Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap;
het tijdvak van 1 augustus tot en met 31 juli daaropvolgend.
B
In de artikelen 2, 3, eerste lid, en 9, eerste lid, wordt ‘dagschool’ vervangen door ‘instelling’.
C
In de artikelen 3, eerste en tweede lid, 4, eerste, tweede en derde lid, 5a en 6, zesde lid, wordt ‘leerling’ vervangen door ‘onderwijsdeelnemer’.
D
In de artikelen 3, eerste en tweede lid, 4, eerste en derde lid, 6, tweede lid, en 9, eerste en tweede lid, wordt ‘cursusjaar’ vervangen door ‘studiejaar’.
E
In artikel 7 vervalt de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid.
F
In artikel 8 wordt ‘een bijzondere of gemeentelijke school’ vervangen door ‘een bijzondere of openbare instelling’.
G
Artikel 9b wordt als volgt gewijzigd:
1. ‘voorzover’ wordt vervangen door ‘voor zover’.
2. Na ‘de wet’ wordt ingevoegd ‘en de daarop berustende bepalingen’.
De Mediawet 2008 wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 2.88 wordt het laatste lid vernummerd tot zesde lid.
B
In artikel 4.2, eerste lid, wordt ‘artikel 4.1, tweede lid’ vervangen door ‘artikel 4.1, eerste lid’.
Artikel XXIII van de Reparatiewet OCW 2024 wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel B vervalt subonderdeel 2.
2. Onderdeel K vervalt.
De Wet educatie en beroepsonderwijs wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1.1.1 wordt in de alfabetische volgorde de volgende begripsbepaling ingevoegd:
met het gezag over de student of vavo-student belaste ouders, voogden of verzorgers;.
B
In het opschrift van Hoofdstuk I, Titel 3, wordt ‘Bekostigde instellingen voor educatie en beroepsonderwijs’ vervangen door ‘Bekostigde instellingen’.
C
In artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef, wordt ‘Het eerste lid’ vervangen door ‘De eerste volzin van het eerste lid’.
D
In artikel 2.2.4, eerste lid, vervalt ‘en vermeldt daarbij afzonderlijk het bedrag voor studenten met een handicap of chronische ziekte alsmede het bedrag voor de entreeopleiding, bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdeel a’.
E
In de artikelen 2.5.5a, eerste lid, 7.1.5, 7.5.4, vijfde lid, 8.0.3, eerste lid, 8.1.1, eerste lid, aanhef, en lid 1c, 8.1.1a, eerste en derde lid, 8.1.7c, tweede lid, en 8.1.7d, tweede lid, wordt ‘ouders, voogden of verzorgers’ vervangen door ‘ouders’.
F
Artikel 8.1.7d wordt als volgt gewijzigd:
1. In de derde volzin van het derde lid wordt ‘daaraan’ vervangen door ‘aan de beslissing tot verwijdering’.
2. Het vierde lid, laatste volzin, komt te luiden:
Indien de student of vavo-student jonger dan 18 jaar is, komen deze rechten ook toe aan diens ouders.
G
In artikel 8.4.3, derde lid, en artikel 8.5.3, derde lid, wordt na ‘Titel 8.5a’ ingevoegd ‘is’.
H
Artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel f, vervalt.
In artikel 146, tweede lid, van de Wet op de expertisecentra wordt ‘2.58, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020’ vervangen door ‘artikel 2.58, derde lid, van de Wet voortgezet onderwijs 2020’.
De Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 7.5d, onderdeel c, wordt ‘in bijzondere, door het instellingsbestuur vast te stellen en toe te lichten gevallen’ vervangen door ‘in bijzondere, door het instellingsbestuur vast te stellen en toe te lichten, gevallen’.
B
In artikel 7.10a, eerste lid, wordt na ‘en de graad Master aan degene die’ ingevoegd ‘met goed gevolg’.
C
In artikel 7.13, tweede lid, onderdeel y, wordt ‘artikel 7.9a, derde lid, tweede volzin’ vervangen door ‘artikel 7.5d, onderdeel c’.
D
In artikel 7.51k, eerste lid, wordt ‘een van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid uitgaande politieke jongerenorganisatie van enige omvang’ vervangen door ‘een politieke jongerenorganisatie van enige omvang die uitgaat van een rechtspersoon met volledige rechtsbevoegdheid’.
E
In artikel 7.53, zevende lid, onderdeel b, wordt ‘gegadigde’ vervangen door ‘aspirant-student’.
F
In artikel 9.9a, zesde lid, wordt ‘vierde lid’ vervangen door ‘vijfde lid’.
G
In artikel 10.3a wordt ‘bij bestuursreglement’ vervangen door ‘in het bestuurs- en beheersreglement’.
H
Artikel 10.20, eerste lid, onderdeel d, komt te luiden:
d. het bestuurs- en beheersreglement,.
I
Artikel 15.7 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het eerste lid, aanhef, wordt na ‘te verlenen’ ingevoegd ‘of in het vooruitzicht te stellen’.
2. Aan het tweede lid wordt toegevoegd ‘of in het vooruitzicht te stellen’.
J
De bijlage behorende bij de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek wordt als volgt gewijzigd:
1. In onderdeel g wordt ‘Fontys Hogescholen’ vervangen door ‘Fontys Hogeschool’.
2. In onderdeel i wordt ‘Theologische Universiteit van de Gereformeerde Kerken in Nederland, te Kampen, uitgaande van de Gereformeerde Kerken in Nederland (vrijgemaakt).’ vervangen door ‘Theologische Universiteit van de Nederlandse Gereformeerde Kerken, te Utrecht, uitgaande van de Nederlandse Gereformeerde Kerken.’
De Wet op het primair onderwijs wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 8, tiende lid, wordt ‘het negende lid, onderdeel b’ vervangen door ‘het zevende lid, onderdeel b’.
B
In artikel 74, tweede lid, onderdeel b, onder 4° wordt ‘artikel 8, negende lid’ vervangen door ‘artikel 8, zevende lid’.
C
In artikel 116, derde lid, wordt ‘Het bedrag per school kan’ vervangen door ‘Het bedrag per school en het bedrag per leerling kunnen’.
D
Artikel 182, tiende lid, vervalt.
De Wet primair onderwijs BES wordt als volgt gewijzigd:
A
In artikel 1 wordt in de begripsomschrijving van ‘Vroegschoolse educatie’ ‘artikel 1.1 van de Wet kinderopvang Caribisch Nederland’ vervangen door ‘artikel 1.1 van de Wet kinderopvang BES’.
B
Aan Hoofdstuk I, Titel II, wordt een afdeling toegevoegd, luidende:
Het bevoegd gezag neemt deel aan het overleg over de organisatie van een doorlopende ontwikkel- en leerlijn als bedoeld in artikel 2.16 van de Wet kinderopvang BES. Het bevoegd gezag werkt mee aan de totstandkoming van afspraken tijdens dit overleg en draagt zorg voor de naleving van die afspraken.
C
Hoofdstuk I, Titel III, Afdeling 8a, vervalt.
De Wet studiefinanciering 2000 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 4.10 wordt als volgt gewijzigd:
1. In het vierde lid, vervalt ‘of een afsluitend examen van een specialistenopleiding’.
2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:
6. Het eerste, tweede en derde lid zijn van overeenkomstige toepassing op een mbo-student die binnen de diplomatermijn beroepsonderwijs het afsluitend examen van een vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, onderdelen c, d en e, WEB in de beroepsbegeleidende leerweg, bedoeld in artikel 7.2.7, vierde lid, WEB met goed gevolg heeft afgelegd, voor zover de mbo-student eerder een prestatiebeurs beroepsonderwijs heeft ontvangen.
B
In artikel 11.5 vervalt de aanduiding ‘1’ voor het eerste lid.
Artikel 11.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten wordt als volgt gewijzigd:
1. De aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervalt.
2. ‘voorzover’ wordt vervangen door ‘voor zover’.
Artikel VA van de Wet van 4 juli 1996 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen inzake vereenvoudiging van het bekostigingsstelsel voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs (vereenvoudiging Londo) (Stb. 1996, 403) vervalt.
De Wet voortgezet onderwijs 2020 wordt als volgt gewijzigd:
A
Artikel 2.33, tweede lid, komt als volgt te luiden:
2. Het voortgezet onderwijs in lichamelijke opvoeding heeft per schoolsoort een minimaal aantal klokuren:
a. voor het vmbo: 268;
b. voor de havo: 305;
c. voor het vwo: 340.
B
In artikel 2.55, tweede lid, vervalt ‘in een vak waarin ook centraal examen wordt afgelegd,’.
C
Artikel 8.17, achtste lid, vervalt.
Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren die zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Dit wetsvoorstel beoogt diverse wetten op het terrein van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap te wijzigen. Het gaat om wijzigingen die technisch van aard zijn. Concreet gaat het om de correctie van verschrijvingen, verwijzingen en andere wetstechnische omissies, wetstechnische verbeteringen en herformuleringen, wetgeving in lijn brengen met de evidente bedoeling van een eerdere wetswijziging en het schrappen van ‘dode letters’. Het wetsvoorstel heeft als doel de technische kwaliteit van de wetgeving te verbeteren.
In het artikelsgewijze deel van de memorie van toelichting wordt nader ingegaan op de verschillende wijzigingsvoorstellen.
Aangezien dit wetsvoorstel ook wijzigingen bevat van wetten die betrekking hebben op het funderend onderwijs, wordt het medeondertekend door de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap.
De voorgestelde wijzigingen zijn wetstechnisch van aard en hebben daarom geen gevolgen voor de verschillende doelgroepen.
Met deze wetswijzigingen worden geen nieuwe handelingen van burgers gevraagd. De wijzigingsvoorstellen hebben dan ook geen impact op het doenvermogen van burgers.
Het wetsvoorstel heeft geen financiële gevolgen.
Het onderhavige wetsvoorstel heeft geen kwantificeerbare gevolgen voor de regeldruk, aangezien de wijzigingen wetstechnisch van aard zijn. Wel kunnen verschillende wijzigingen bijdragen aan een vermindering van de ervaren regeldruk. Zo kunnen het helderder formuleren van voorschriften, maar vooral ook het intrekken van oude bepalingen daaraan een bijdrage leveren.
Het Adviescollege toetsing regeldruk (ATR) heeft het dossier niet geselecteerd voor een formeel advies, omdat het geen gevolgen voor de regeldruk heeft.
De impact van dit wetsvoorstel voor Caribisch Nederland beperkt zich tot enkele wetstechnische wijzigingen van de Wet voortgezet onderwijs 2020 (hierna: WVO 2020), die ook van toepassing is op Caribisch Nederland. Het wetsvoorstel heeft geen gevolgen voor de openbare lichamen in de BES.
Het wetsvoorstel is voorgelegd aan DUO met het verzoek een uitvoeringstoets te doen. DUO heeft geconstateerd dat het wetsvoorstel niet leidt tot extra uitvoeringsgevolgen.
In het kader van het geïntegreerde toezicht is de uitvoeringstoets ook uitgezet bij de Inspectie van het Onderwijs en de ADR. De ADR heeft geen reactie gegeven. De inspectie had enkele opmerkingen en aanvullingen bij het wetsvoorstel.
Een ontwerp van deze wet is van 25 maart tot en met 22 april 2024 ter consultatie aangeboden via de website voor openbare internetconsultatie. Er zijn vier reacties ontvangen. Geen van de reacties heeft tot een wijziging van het voorstel geleid.
In één van de reacties is voorgesteld om de grondslag voor de bekostiging van lichamelijke oefening voor SO/VSO-scholen in de Wet op de expertisecentra te repareren. Deze grondslag is echter reeds gerepareerd met artikel XI, onderdeel E, van de Reparatiewet OCW 2024.1
In twee reacties is voorgesteld om de wetgeving rondom ouderbetrokkenheid bij de mbo-student te verbeteren. Tot slot is voorgesteld om de Mediawet BES te repareren. Deze reacties hebben betrekking op beleidsinhoudelijke wijzigingen die niet passen bij het karakter van de reparatiewet.
Het oogmerk is het wetsvoorstel zo spoedig mogelijk na vaststelling in werking te laten treden. Uitgangspunt bij de inwerkingtreding is het rijksbeleid inzake de vaste verandermomenten.
(Wijziging van de artikelen 1, 2, 3, eerste en tweede lid, 4, eerste, tweede en derde lid, 5a, 6, tweede en zesde lid, 8 en artikel 9, eerste en tweede lid, Les- en cursusgeldwet (hierna: LCW))
Met deze voorgestelde wijzigingen worden de in artikel 1 opgenomen begrippen in alfabetische volgorde geplaatst. Op deze manier is het in de toekomst mogelijk om begrippen toe te voegen zonder dat daardoor verlettering van de opsommingstekens nodig is. Daarnaast worden er vier begripsbepalingen technisch/redactioneel aangepast.
In onderdeel 4° van het begrip ‘cursus’ zijn enkele verwijzingen aangepast. De verwijzingen naar artikel 7.2.2, eerste lid, en artikel 7.3.1, eerste lid, onder a, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB) zijn vervangen. Deze artikelen verwijzen naar een beroepsopleiding en een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs, die beiden in de begripsbepalingen van de WEB staan. Daarnaast is de verwijzing naar onderdeel e aangepast, omdat dit onderdeel door het op alfabetische volgorde plaatsen van de begripsbepalingen niet meer bestaat. In onderdeel e werd het begrip ‘dagschool’ bepaald, dat met voorgestelde wijziging wordt vervangen door het begrip ‘instelling’. In de voorgestelde wijziging van de begripsbepaling ‘cursus’ wordt daarom de verwijzing naar onderdeel e vervangen door het begrip instelling. De strekking van onderdeel 4° is dat een cursus een beroepsopleiding of een opleiding voortgezet algemeen volwassenenonderwijs is, die aan een instelling als bedoeld in de WEB wordt gevolgd, maar geen opleiding die wordt genoemd in het begrip instelling van de LCW. Dit onderscheid is belangrijk, omdat een onderwijsdeelnemer die een opleiding aan een instelling als bedoeld in de LCW volgt lesgeld verschuldigd is, terwijl een onderwijsdeelnemer die een cursus volgt cursusgeld verschuldigd is.
Het begrip ‘dagschool’ is vervangen door het begrip ‘instelling’. Het begrip dagschool is een verouderde term. Het begrip ‘instelling’ is gekozen om aan te sluiten op de WEB. Daarnaast is in deze begripsbepaling de verwijzing naar artikel 7.2.7, derde lid, WEB aangepast, omdat het begrip beroepsopleiding in de beroepsopleidende leerweg ook in de begripsbepalingen van de WEB staat.
Het begrip ‘leerling’ is vervangen door het begrip ‘onderwijsdeelnemer’. Het begrip leerling geeft geen compleet beeld van alle onderwijsdeelnemers die onder de LCW vallen. Zo vallen naast leerlingen ook mbo-studenten, vavo-studenten, deelnemers en extranei onder de LCW. Daarom wordt het begrip aangepast naar onderwijsdeelnemer.
Het begrip ‘cursusjaar’ is vervangen door het begrip ‘studiejaar’. Het begrip studiejaar sluit aan op de WEB. Het Uitvoeringsbesluit Les- en cursusgeldwet 2000 zal overeenkomstig worden aangepast. In de WVO 2020 wordt het begrip ‘schooljaar’ gebruikt. Dit betreft dezelfde periode.
Tot slot is het begrip ‘school’ uit de begripsbepalingen gehaald. Met het begrip school wordt momenteel een dagschool, als bedoeld in de LCW, bedoeld. Het begrip dagschool is vervangen door het begrip instelling, dat reeds in de begripsbepaling is gedefinieerd. Dit begrip is daarmee overbodig.
(Wijziging van artikel 7 LCW)
Bij het vervallen van het tweede lid van artikel 7 door de Wet van 11 april 2001, houdende aanpassing van een aantal wetten op het beleidsterrein van onderwijs, cultuur en wetenschappen aan de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht en enkele andere aanpassingen aan de Algemene wet bestuursrecht (Aanpassing onderwijswetgeving aan derde tranche Awb) (Stb. 2001, 207) is abusievelijk de aanduiding van het eerste lid niet komen te vervallen. Met de wijziging wordt deze redactionele fout hersteld.
(Wijziging van artikel 9b LCW)
De schrijfwijze van ‘voor zover’ wordt aangepast, zodat het artikel op dit punt in overeenstemming is met het model van de hardheidsclausule in de Aanwijzingen voor de regelgeving.2
Daarnaast wordt ter verduidelijking toegevoegd dat de hardheidsclausule ook ziet op de op de LCW berustende bepalingen. Hiermee wordt aangesloten bij de formulering van de hardheidsclausules in bijvoorbeeld artikel 11.5 van de Wet studiefinanciering 2000, artikel 8.3 van de Wet studiefinanciering BES en artikel 11.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten.
(Wijziging van artikel 2.88 van de Mediawet 2008)
Artikel 2.88 heeft op dit moment twee keer een vijfde lid. Het lid dat is toegevoegd door artikel I, onderdeel Oa, van de Wet van 9 december 2020 tot wijziging van de Mediawet 2008 met het oog op de versterking van het toekomstperspectief van de publieke omroep (Stb. 2020, 517) wordt nu vernummerd tot zesde lid. De foutieve dubbele nummering wordt daarmee hersteld.
(Wijziging van artikel 4.2 van de Mediawet 2008)
Artikel 4.2 bevat een foutieve verwijzing naar het tweede lid van artikel 4.1. Artikel 4.1 is gewijzigd met de wijzigingswet waarmee de Richtlijn audiovisuele mediadiensten is geïmplementeerd.3 In die wet is nagelaten de verwijzing in artikel 4.2 aan te passen van het tweede naar het eerste lid van artikel 4.1. De foutieve verwijzing wordt nu hersteld.
Met artikel XXIII, onderdeel B, onder 2, van de Reparatiewet OCW 2024 is beoogd de geldende urennorm voor lichamelijke opvoeding op te nemen in artikel 2.34, tweede lid, WVO 2020. In verband met een onvolledige berekening is het daarin opgenomen totaal aantal uren lichamelijke opvoeding in het voortgezet onderwijs echter significant meer dan momenteel wordt gehanteerd. De aangenomen bepaling is daarom niet in werking getreden en vervalt bij dezen. Met de wijziging van artikel 2.33, tweede lid, WVO 2020 in artikel XIII, onderdeel A, van het onderhavige wetsvoorstel wordt alsnog voorzien in het vastleggen van het verplicht aantal uren lichamelijke opvoeding dat scholen dienen te geven.
De in artikel XXIII, onderdeel K, van de Reparatiewet OCW 2024 opgenomen herformulering van artikel 4.25, tweede en derde lid, WVO 2020 had onvoorziene uitvoeringsconsequenties voor nieuwe scholen die met meerdere leerjaren tegelijkertijd starten. Omdat de herformulering slechts ter verduidelijking was bedoeld, is ervoor gekozen deze niet in werking te laten treden. Een nadere herformulering van artikel 4.25 WVO 2020 wordt betrokken in een ander wetsvoorstel.
(Wijziging van de artikelen 1.1.1, 2.5.5a, eerste lid, 7.1.5, 7.5.4, vijfde lid, 8.0.3, eerste lid, 8.1.1, eerste lid, aanhef, en lid 1c, 8.1.1a, eerste en derde lid, 8.1.7c, tweede lid, en 8.1.7d, tweede lid, WEB)
In de WEB worden voor degenen die met het gezag over de minderjarige student of vavo-student zijn belast verschillende termen gebruikt. De WEB spreekt in sommige gevallen over ouders en in andere gevallen over ouders, voogden of verzorgers. In het kader van consistentie wordt voorgesteld om voortaan steeds dezelfde term te gebruiken en deze te definiëren in een begripsbepaling. Er is voor de term ouders gekozen, overeenkomstig de WVO 2020.
(Wijziging van het opschrift van hoofdstuk 1, titel 3, WEB)
Hoofdstuk I, Titel 3, heeft slechts betrekking op regionale opleidingscentra en beroepscolleges. Regionale opleidingscentra kunnen zowel beroepsonderwijs als voortgezet algemeen volwassenenonderwijs verzorgen. Beroepscolleges verzorgen alleen beroepsonderwijs. Er zijn geen bekostigde instellingen die overige educatie verzorgen. Voorgestelde wijziging verduidelijkt dit.
(Wijziging van artikel 2.1.3, tweede lid, aanhef, WEB)
Voorgestelde wijziging is ter verduidelijking. De tweede volzin van het eerste lid is namelijk wel van toepassing ten aanzien van de instellingen genoemd in het tweede lid.
(Wijziging van artikel 2.2.4, eerste lid, WEB)
In artikel 2.2.4, eerste lid, is een algemene verplichting opgenomen om inzichtelijk te maken hoe de rijksbijdrage is berekend. Daarnaast is in het eerste lid opgenomen dat het bedrag voor studenten met een handicap of chronische ziekte en het bedrag voor de entreeopleiding afzonderlijk worden vermeld. Dit laatste is overbodig, gelet op de algemene verplichting om de berekening van de rijksbijdrage inzichtelijk te maken en het motiveringsbeginsel, zoals neergelegd in afdeling 3.7 van de Awb. Bovendien suggereert dit ten onrechte een uitputtende opsomming.
Voorgesteld wordt daarom om dit deel van het eerste lid te laten vervallen. DUO behoudt hiermee, gelet op het voorgaande, de mogelijkheid om de desbetreffende bedragen afzonderlijk in de beschikking te vermelden.
(Wijziging van artikel 8.1.7d, derde en vierde lid, WEB)
Met deze wijziging wordt het begrip ouders, voogden of verzorgers vervangen door ouders (zie toelichting bij de onderdelen A en E). Verder wordt er een redactionele fout hersteld.
(Wijziging van de artikelen 8.4.3, derde lid, en 8.5.3, derde lid, WEB)
Per abuis ontbreekt in deze artikelen een werkwoord. Met de voorgestelde wijziging wordt dit hersteld.
(Wijziging van artikel 8a.2.2, derde lid, onderdeel f, WEB)
In 2007 heeft de MBO Raad een verenigingsafspraak gemaakt om stagefondsen af te schaffen. In de praktijk komen stagefondsen ook niet meer voor. Een instemmingsbevoegdheid van de studentenraad ten aanzien van de besteding van stagefondsen is dus niet meer aan de orde en kan daarom worden geschrapt.
Abusievelijk is de aanduiding ‘artikel’ voorafgaand aan het artikelnummer weggevallen. Met deze wijziging wordt dit gerepareerd.
(Wijziging van artikel 7.5d, onderdeel c, van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek (hierna: WHW)
In artikel 7.5d, onderdeel c, ontbreekt een komma, waardoor ‘bijzondere’ lijkt te slaan op ‘de studielast’. Het gaat om bijzondere gevallen, die door het instellingsbestuur dienen te worden vastgesteld en toegelicht. Door toevoeging van de komma, klopt de zin weer.
(Wijziging van artikel 7.10a, eerste lid, van de WHW)
In het eerste lid van dit artikel is expliciet opgenomen dat de graad Bachelor ‘aan diegene wordt verleend die in het wetenschappelijk onderwijs met goed gevolg het afsluitend examen van een bacheloropleiding heeft afgelegd’. Per abuis is dit niet gesteld in het geval van ‘degene die het afsluitend examen van een masteropleiding of een postinitiële opleiding als bedoeld in artikel 7.3b, onderdeel a, heeft afgelegd’. Deze omissie wordt met de voorgestelde wijziging hersteld.
(Wijziging van artikel 7.13, tweede lid, onderdeel y, WHW)
In artikel 7.13, tweede lid, onderdeel y, wordt thans verwezen naar ‘de regeling, bedoeld in artikel 7.9a, derde lid, tweede volzin’. Dit artikellid is met de invoering van de Variawet hoger onderwijs (Stb. 2021, 263) in zijn geheel komen te vervallen, als gevolg van het feit dat met deze wet de eerste volzin van het toenmalige artikel 7.9a, derde lid, is opgenomen in het huidige artikel 7.5b, tweede lid, en de tweede volzin in het huidige artikel 7.5d, onderdeel c. Abusievelijk is de verwijzing in artikel 7.13, tweede lid, onderdeel y, naar artikel 7.9a, derde lid, tweede volzin, niet gewijzigd in artikel 7.5d, onderdeel c.
(Wijziging van artikel 7.51k, eerste lid, WHW)
Met dit voorstel wordt een verbetering van de leesbaarheid van artikel 7.51k, eerste lid, voorgesteld.
(Wijziging van artikel 7.53, zevende lid, onderdeel b, WHW)
De term ‘gegadigde’ is verouderd. Nu uit de overige bepalingen van het betreffende artikel volgt dat met ‘gegadigde’ wordt gedoeld op de aspirant-student, wordt met de voorgestelde wijziging het betreffende onderdeel geherformuleerd en is de term ‘gegadigde’ daarom in dit onderdeel vervangen door de term ‘aspirant-student’.
(Wijziging van artikel 9.9a, zesde lid, WHW)
Met deze wijziging wordt een redactionele fout hersteld.
(Wijziging van artikel 10.3a WHW)
Met deze wijziging wordt de verwijzing naar de oude term ‘bestuursreglement’ gecorrigeerd.
(Wijziging van artikel 10.20, eerste lid, onderdeel d, WHW)
Met de Wet versterking besturing (Stb. 2010, 119) is artikel 10.8a WHW komen te vervallen.4 Daarnaast is met deze wet het bestuursreglement als bedoeld in artikel 10.3b WHW gewijzigd naar het bestuurs- en beheersreglement. Abusievelijk zijn de verwijzing naar artikel 10.8a WHW en de term bestuursreglement niet aangepast. Dat wordt met dit voorstel hersteld.
(Wijziging van artikel 15.7 van de WHW)
Uit de memorie van toelichting bij de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs volgt dat het sanctiestelsel ziet op organisaties die ‘ten onrechte de naam universiteit of hogeschool voeren of ten onrechte graden verlenen, dan wel in het vooruitzicht stellen’.5 In de wettekst is dit laatste echter niet expliciet tot uitdrukking gekomen. Met deze wijziging wordt beoogd de wetgeving in lijn te brengen met de evidente bedoeling van de Wet bescherming namen en graden hoger onderwijs (Stb. 2017, 97). Het is van belang om hier te noemen dat per 1 augustus 2023 met de Wet uitbreiding bestuurlijk instrumentarium onderwijs (Stb. 2023, 212) in artikel 11.2 WEB reeds is opgenomen dat het in het vooruitzicht stellen van een diploma, certificaat of mbo-verklaring verboden is.
Zie toelichting onder onderdeel 1. Deze redenatie geldt eveneens voor het in het vooruitzicht stellen van titels.
(Wijziging van de bijlage behorende bij de WHW)
De naamvoering van de hogeschool van Fontys is op 3 maart 2023 in de Registratie instellingen en opleidingen (RIO) gewijzigd, van Fontys Hogescholen naar Fontys Hogeschool. Met voorgestelde wijziging wordt de naam van Fontys in de bijlage in overeenstemming gebracht met de RIO.
De naam van het stichtende kerkgenootschap ‘de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt)’ is wegens hereniging met de Nederlands Gereformeerde kerken tot de Nederlandse Gereformeerde Kerken per 28 januari 2023 statutair gewijzigd.
(Wijziging van artikel 8, tiende lid, en artikel 74, tweede lid, onderdeel b, onder 4°, van de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO))
Door de wijzigingswet actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs (Stb. 2020, 235) is artikel 8 WPO zodanig gewijzigd dat het leerling- en onderwijsvolgsysteem niet langer in het zesde en zevende lid worden geregeld, maar alleen in het zevende lid.6 In de wetswijziging met betrekking tot de doorstroomtoetsen is dat zevende lid komen te vervallen en vervangen door artikel 45b WPO.7 Uiteindelijk zijn beide wetten in werking getreden op 1 augustus 2023.8 Per saldo is abusievelijk verzuimd de verwijzingen in de WPO naar artikel 8 aan te passen. Daarin wordt nu met dit voorstel voorzien. De verwijzing in artikel 74, tweede lid, onderdeel b, onder 3°, wordt reeds aangepast met de Wet van 23 oktober 2024 tot wijziging van enkele onderwijswetten in verband met de verplichtstelling van een verklaring omtrent het gedrag in het aanvullend onderwijs.9
(Wijziging van artikel 116, derde lid, WPO)
Artikel 116, derde lid, WPO regelt over de bekostiging voor basisscholen en scholen voor speciaal basisonderwijs dat het bedrag per school in ieder geval verschillend kan worden vastgesteld voor speciale scholen voor basisonderwijs en voor scholen van verschillende grootte. Op grond van het zesde lid worden bij ministeriële regeling de bedragen vastgesteld en worden nadere regels gesteld over de wijze waarop de bekostiging wordt berekend. Bij ministeriële regeling wordt er op grond van het zesde lid in voorzien dat niet alleen het bedrag per school, maar ook het bedrag per leerling verschillend is voor speciale scholen voor basisonderwijs. Gelet op de hogere kosten per leerling op speciale scholen voor basisonderwijs, moet het bekostigingsbedrag per leerling voor speciale scholen voor basisonderwijs hoger zijn dan het bedrag per leerling op basisscholen. Met het oog hierop wordt in artikel 116, derde lid, verduidelijkt dat niet alleen het bedrag per school, maar ook het bedrag per leerling verschillend kan worden vastgesteld voor speciale scholen voor basisonderwijs.
(Wijziging van artikel 182, tiende lid, WPO)
De verwijzing naar een niet meer bestaande bepaling wordt geschrapt.
(Wijziging van artikel 1 van de Wet primair onderwijs BES (hierna: WPO BES)
In de begripsomschrijving van ‘vroegschoolse educatie’ in de WPO BES is de Wet kinderopvang BES (Stb. 2024, 140) abusievelijk aangeduid als ‘Wet kinderopvang Caribisch Nederland’. Met deze wijziging wordt de juiste citeertitel opgenomen.
Door een vernummering van de artikelen in de WPO BES op grond van de Wet vereenvoudiging bekostiging PO sluit de nummering van de artikelen die worden ingevoegd door artikel 6.4, onderdeel D, van de Wet kinderopvang BES (artikel 121a en 121b WPO BES) niet langer aan op de nummering van de in Hoofdstuk I, Titel III, Afdeling 8, van de WPO BES opgenomen artikelen.10 Voorgesteld wordt daarom om de afdeling over onderwijsachterstandenbeleid die op grond van de Wet kinderopvang BES zal worden ingevoegd in de WPO BES te verplaatsen naar het slot van Hoofdstuk I, Titel II, en de artikelen in aansluiting daarop te nummeren. Daarbij wordt een voorstel gedaan voor een taaltechnische aanpassing in de artikelen.
(Wijziging van artikel 4.10 Wet studiefinanciering 2000 (hierna: WSF 2000))
De specialistenopleiding valt op grond van artikel 7.2.2, derde lid, WEB onder niveau 4 van het beroepsonderwijs. Er is geen specifieke reden waarom een afsluitend examen van een specialistenopleiding in artikel 4.10, vierde lid, expliciet benoemd moet worden. Met voorgestelde wijziging wordt deze zinsnede daarom uit dit artikel geschrapt.
Met voorgestelde wijziging wordt geëxpliciteerd dat ook voor mbo-studenten die binnen de diplomatermijn een opleiding in de beroepsbegeleidende leerweg hebben afgerond, de ontvangen prestatiebeurs wordt omgezet in een gift. Dit is van toepassing op mbo-studenten die een opleiding in de beroepsopleidende leerweg zijn gestart, maar deze niet (in de betreffende leerweg) hebben afgerond en vervolgens wel een diploma hebben behaald in de beroepsbegeleidende leerweg. Dit is in lijn met de evidente bedoeling van de wetgever en wordt door DUO in de praktijk reeds toegepast.11 Indien deze mbo-student vervolgens een andere opleiding in de beroepsopleidende leerweg op niveau 3 of 4 aanvangt, wordt de resterende periode van zijn prestatiebeurs eveneens verstrekt in de vorm van een gift.
(Wijziging van artikel 11.5 WSF 2000)
Bij het vervallen van het tweede lid van artikel 11.5 met ingang van 1 augustus 2023 is abusievelijk de aanduiding van het eerste lid niet komen te vervallen.12 Met de wijziging wordt deze redactionele fout hersteld.
(Wijziging van artikel 11.4 van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten)
Bij het vervallen van het tweede lid van artikel 11.4 met ingang van 1 augustus 2023 (Stb. 2023, 147) is abusievelijk de aanduiding van het eerste lid niet komen te vervallen. Met voorgestelde wijziging wordt dit hersteld.
Daarnaast wordt de schrijfwijze van ‘voor zover’ aangepast, zodat het artikel op dit punt in overeenstemming is met het model van de hardheidsclausule in de Aanwijzingen voor de regelgeving.13
(Wijziging van artikel VA van de Wet van 4 juli 1996 tot wijziging van de Wet op het basisonderwijs, de Interimwet op het speciaal onderwijs en het voortgezet speciaal onderwijs en de Tijdelijke wet bekostiging nieuwe basisscholen inzake vereenvoudiging van het bekostigingsstelsel voor het basisonderwijs en het (voortgezet) speciaal onderwijs (vereenvoudiging Londo) (Stb. 1996, 403))
Artikel VA van de Wijzigingswet Wet op het basisonderwijs en ISOVO inzake vereenvoudiging Londo (Stb. 1996, 403) vervalt. Dit artikel bevat als overgangsvoorziening een zogeheten verlengde gewenningsregeling die inmiddels is uitgewerkt. Na afloop van de oorspronkelijke gewenningsregeling van 3 jaar op grond van het inmiddels vervallen artikel V, die afliep in 2000, is destijds gekozen voor een verlengde gewenningsregeling met een looptijd van 15 jaar. Daartoe is een nieuw artikel VA ingevoegd bij Wet van 24 april 2002 tot wijziging van de wet van 4 juli 1996 (Stb. 403) ten behoeve van verlenging van de gewenningsregeling, alsmede wijziging van de wet van 2 april 1998 (Stb. 228) ten behoeve van vaststelling van een nieuwe vijfjarige periode voor de programma's van eisen basisonderwijs (Stb. 2002, 218). Omdat de looptijd van de verlengde gewenningsregeling inmiddels ruimschoots is verstreken, kan artikel VA van de eerstgenoemde wet nu vervallen.
(Wijziging van artikel 2.33, tweede lid, WVO 2020)
Het tweede lid van artikel 2.33 bevatte een verwijzing naar de situatie zoals die op 1 augustus 2005 gold. Deze situatie wordt met deze aanpassing uitgeschreven. Het gaat om codificatie van bestaande uitvoeringspraktijk. Het waarborgen van een minimaal aantal uren bewegingsonderwijs was de aanleiding voor het amendement Hamer/Mosterd in 2006, waarop dit artikel gebaseerd is.14 Zie ook de artikelsgewijze toelichting op artikel III van dit wetsvoorstel (met betrekking tot artikel XXIII, onderdeel B. onder 2, van de Reparatiewet OCW 2024).
(Wijziging van artikel 2.55, tweede lid, WVO 2020)
Met deze wijziging van artikel 2.55, tweede lid, WVO 2020 wordt duidelijk dat het volledige schoolexamen afgesloten moet zijn voor het begin van het eerste tijdvak van het centraal examen. Dit was eerder geregeld in het Eindexamenbesluit VO. Deze bepaling is met de inwerkingtreding van de WVO 2020 naar wetsniveau getild, maar daarmee is abusievelijk de tekst veranderd (Stb. 2020, 379). Waardoor nu is geregeld dat alleen het schoolexamen van vakken met ook een centraal examen moet zijn afgesloten voor de start van het eerste tijdvak. Dat klopt niet: het gehele schoolexamen moet zijn afgesloten, ook van vakken zonder centraal examen. Dit volgt ook uit artikel 3.15, eerste lid, onderdelen a en d, van het Uitvoeringsbesluit WVO 2020, waarin is bepaald dat er voorafgaand aan het centraal examen een overzicht van alle behaalde schoolexamenresultaten aan leerlingen moet worden verstrekt. Met deze wijziging wordt deze fout weer rechtgezet.
(Wijziging van artikel 8.17 WVO 2020)
De verwijzing naar een niet meer bestaande bepaling wordt geschrapt.
De inwerkingtreding van deze wet wordt bij koninklijk besluit geregeld. Hierbij wordt de mogelijkheid van gefaseerde inwerkingtreding voor verschillende artikelen en onderdelen van deze wet opgenomen.
De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
De Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,
Wet van 30 september 2020, houdende wijzing van de Mediawet 2008 in verband met de implementatie van Richtlijn 2018/1808 van het Europees Parlement en de Raad van 14 november 2018 tot wijziging van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) in het licht van een veranderende marktsituatie (Stb. 2020, 391).
Wet van 4 februari 2010 tot wijziging van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek en enige andere wetten onder meer in verband met de verbetering van het bestuur bij de instellingen voor hoger onderwijs, de collegegeldsystematiek en de rechtspositie van studenten (versterking besturing) (Stb. 2010, 119).
Wet van 1 juli 2020 tot wijziging van de Wet op het primair onderwijs, de Wet op het voortgezet onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet op het onderwijstoezicht en enkele andere wetten in verband met actualisering van de deugdelijkheidseisen, het daarmee samenhangende onderwijstoezicht en vermindering van administratieve verplichtingen in het funderend onderwijs, alsmede reparatie van wetstechnische gebreken (actualisering deugdelijkheidseisen funderend onderwijs) (Stb. 2020, 235).
Wet van 9 februari 2022 tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met aanpassingen op het gebied van de doorstroom van het basisonderwijs naar het voortgezet onderwijs en wijziging van de stelselinrichting van doorstroomtoetsen en toetsen verbonden aan leerling- en onderwijsvolgsystemen in het basisonderwijs (Stb. 2022, 135).
Zie het koninklijke besluit van 24 juni 2022 (Stb. 2022, 281) in samenhang met dat van 12 november 2020 (Stb. 2020, 469).
Wet van 25 februari 2021 tot wijziging van onder meer de Wet op het primair onderwijs, de Wet op de expertisecentra, de Wet primair onderwijs BES, de Wet op het voortgezet onderwijs en enkele andere wetten vanwege de vereenvoudiging van de bekostiging van de scholen voor primair onderwijs en samenwerkingsverbanden (Stb. 2021, 171).
Wet van 19 april 2023, houdende wijziging van onder andere de Les- en cursusgeldwet in verband met de aanpassing van de indexeringsbepalingen van het lesgeld en cursusgeld en aanpassing van de hardheidsclausule (Stb. 2023, 147).
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2025-10319.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.