Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2024, 6823 | pensioenen |
Zoals vergunningen, bouwplannen en lokale regelgeving.
Adressen en contactpersonen van overheidsorganisaties.
U bent hier:
| Datum publicatie | Organisatie | Jaargang en nummer | Rubriek |
|---|---|---|---|
| Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid | Staatscourant 2024, 6823 | pensioenen |
Ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Gezien de aanvraag van de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid namens Bouwend Nederland, De Aannemersfederatie Nederland (AFNL) (namens Bond van Aannemers van Tegelwerken in Nederland (Bovatin), de Vereniging van Steiger-, Hoogwerk- en Betonbekistingbedrijven (VSB), de Vereniging van Infrabedrijven MKB INFRA, de Boorinfo Branche Vereniging, de Ondernemersorganisatie MBK Bouw, de Vereniging Wapeningsstaal Nederland (VWN), de Vereniging voor aannemers in de sloop (VERAS), de Noordelijke Vereniging Burgerlijke- en Utiliteitsbouw(NVBU), Straatwerk Nederland en de Vereniging Gebouwschil Nederland, secties Metselen en Voegen), Woningbouwers NL, Nederlandse Ondernemersvereniging voor Afbouwbedrijven (NOA), de Vereniging Dakbedekkingsbranche Nederland (VEBIDAK), FNV en CNV Vakmensen.nl, daartoe strekkende dat de verplichtstelling tot deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid, ingevolge de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000, wordt gewijzigd voor de in de aanvraag bedoelde groepen van personen in de bedrijfstakken voor het Bouw- en Infrabedrijf, de Afbouw en de Bitumineuze en Kunststofdakbedekkingsbedrijven.
Overwegende,
dat tegen de aanvraag tot wijziging van de verplichtstelling van de bedrijfstakken Bouw- en Infrabedrijf en Afbouw zienswijzen zijn ingebracht door Stichting Pensioenfonds voor Personeelsdiensten (hierna: StiPP).
Deze zienswijzen kunnen als volgt worden samengevat.
De zienswijzen ten aanzien van de bedrijfstak Bouw- en Infrabedrijf zien op de beoogde wijziging van de definitie van uitzendondernemingen (artikel A2 sub a onderdeel 3). Doordat de aangepaste definitie een algemene verwijzing bevat naar ondernemingen zoals bedoeld in A2 sub a, ontstaat werkingssfeeroverlap met de werkingssfeer van het bedrijfstakpensioenfonds voor Personeelsdiensten (hierna: Bpf StiPP).
De zienswijzen ten aanzien van de bedrijfstak Afbouw richten zich op de voorgestelde toevoeging van het zinsdeel” en op alle werknemers, werkzaam in ondernemingen die ondersteunende werkzaamheden verrichten” (artikel A2 sub c). Deze voorgestelde uitbreiding zorgt volgens StiPP voor werkingssfeeroverlap.
Naar aanleiding van bovengenoemde zienswijzen hebben sociale partners in de bedrijfstakken Bouw- en Infrabedrijf en Afbouw de definitie van uitzendondernemingen in de bedrijfstak Bouw- en Infrabedrijf aangepast en het zinsdeel in de bedrijfstak Afbouw verwijderd. Hiermee is de werkingssfeeroverlap weggenomen. Hierop heeft StiPP haar zienswijzen ingetrokken.
Gelet op de artikelen 10, eerste lid, en 16 van de Wet verplichte deelneming in een bedrijfstakpensioenfonds 2000;
Gezien het overleg met De Nederlandsche Bank;
BESLUIT:
Wijzigt het besluit van 21 juni 1951, nr. 1091, Stcrt. 1951, nr. 121 (laatstelijk gewijzigd bij besluit van 15 december 2022, Stcrt. 2022, nr. 31036) waarin werd overgegaan tot het verplicht stellen van de deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid.
De verplichtstelling tot deelneming komt na wijziging te luiden als volgt:
De deelneming in de Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid is verplicht gesteld voor:
A
1. werknemers die werkzaam zijn in ondernemingen, waaronder begrepen instellingen en verenigingen ten algemenen nutte, als hierna omschreven tot de eerste dag van de maand waarin zij de 67-jarige leeftijd bereiken voor het ouderdoms- en het arbeidsongeschiktheidspensioen.
2. De onder 1 bedoelde ondernemingen zijn:
a. de ondernemingen op het gebied van de bouw & infra. Hieronder worden verstaan:
− bouw- en infraondernemingen, zoals bedoeld in A, 2 sub a onder 1,
− ondernemingen die bouwen in eigen beheer, zoals bedoeld in A, 2 sub a onder 2,
− uitzendondernemingen, zoals bedoeld in A, 2 sub a onder 3 en
− opleidingsbedrijven, zoals bedoeld in A, 2 sub a onder 4.
1. Bouw- en infraondernemingen.
Bouw- en infraondernemingen zijn ondernemingen waarvan het bedrijf is gericht op productie voor en/of dienstverlening aan derden op het gebied van:
– het geheel of gedeeltelijk uitvoeren van bouw- en infrawerken/-activiteiten.
Bouw- en infrawerken/-activiteiten zijn of met bouw- en infrawerken/-activiteiten worden gelijkgesteld:
a. aanleg, montage en onderhoud van ondergrondse kabels en buisleidingen, alsmede aanleg, montage en onderhoud van bovengrondse kabels en buisleidingen ten behoeve van de te verrichten bouw- en infra-activiteiten (voor zover niet vallend onder de verplichtstellingsbeschikkingen van de Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (besluit van 23 april 2015 (Stcrt. 2015, nr. 11859)) en de Stichting Pensioenfonds voor de Metalektro (besluit van 7 mei 2018 (Stcrt. 2018, nr. 26934), gerectificeerd bij besluit van 16 mei 2018 (Stcrt. 2018, nr. 26934-n1));
b. afgraven van verontreinigde grond;
c. asbestverwijdering;
d. asfaltproductie;
e. betonbekisting, betonboren en vlechtwerk;
f. betonreparatie van constructieve aard en betoninjectering;
g. bouwkundige voorzieningen voor land-, water- en luchtverkeer;
h. dakbedekkingen;
i. droge zandwinning;
j. egalisatie van terreinen, bouwrijp maken, funderingen;
k. funderingswerkzaamheden;
l. grondborings -, bronbemalings-, sondeer- en buizenlegwerken;
m. grondwerken ten behoeve van civieltechnische bestemmingen;
n. heiwerkzaamheden: het in de grond storten of indrijven respectievelijk uittrekken van palen en damwanden en/of het uitvoeren van drainerings-, grondverdichtings- en grondinjecteringswerken;
o. industriële bouw: het overwegend met gebruikmaking van grote, fabrieksmatig vervaardigde elementen van beton, steen of kunststof bouwwerken tot stand brengen;
p. kust- en oeverwerken;
q. metsel-, voeg-, en lijmwerk;
r. ontwerpen, aanleggen, veranderen, herstellen, onderhouden of ontstoppen en/of bedrijfsvaardig opleveren van de openbare riolering vanaf het overnamepunt van het waterkwaliteitsbeheer tot aan de perceelgrens alsmede hierbij opgedragen werkzaamheden aan de buitenriolering vanaf de perceelgrens tot 0,5 meter buiten de gevel;
s. opbouwen en/of plaatsen van verplaatsbare verblijfsruimten (units bedoeld voor tijdelijke behuizing), voor zover het plaatsen gemeten naar de loonsom niet slechts een uitvloeisel is van de fabricage van deze verblijfsruimten;
t. ovenbouw en schoorsteenbouw;
u. riolerings- en kabelnetten;
v. sloopwerken;
w. spoorwerken;
x. steigerbouw: monteren/construeren en demonteren van steigerelementen;
y. steigerbouw, industriële: steigerbouw ten behoeve van het onderhoud aan industriële fabrieksinstallaties;
z. tegel- en kitwerk;
aa. waterbouwkundige (kunst)werken;
bb. wegenbouw en bestratingswerkzaamheden, waaronder het aanbrengen van wegmarkeringen en aanleg, montage, onderhoud en sloop van geluidsweringen en voorzieningen ter bevordering van de verkeersveiligheid;
cc. woningen, gebruiks- of bedrijfsgebouwen dan wel andere constructies van bouwkundige aard;
dd. zinkers, doorpersingen en regeninstallaties;
ee. overige werken/activiteiten die naar hun aard tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend;
ff. grondverzetwerken ten behoeve van een van de hiervoor genoemde bouw- en infrawerken/-activiteiten.
− het op de bouwplaats uitvoeren van onderdelen van bouw- en infrawerken; het elders vervaardigen van deze onderdelen wordt hiermee gelijkgesteld, indien de onderneming die de onderdelen vervaardigt tevens zorg draagt voor de verwerking daarvan in het bouw- en infrawerk;
− het uitvoeren van verbouwingen en/of onderhoudswerk aan (onderdelen van) bouw- en infrawerken;
− het verlenen van diensten op bouwplaatsen;
− elders dan op de bouwplaats verrichte werkzaamheden ter voorbereiding van de bouw, indien zij worden verricht door de onderneming die het bouw- en infrawerk op de bouwplaats tot stand brengt;
− het verhuren van machines met bedienend personeel voor het verrichten van werkzaamheden bij de uitvoering van hierboven genoemde werken.
Met dien verstande dat onder bouwplaats wordt verstaan elke plaats waar bouw- en infrawerken/-activiteiten worden uitgevoerd en/of tot stand worden gebracht.
2. Bouwen in eigen beheer.
Ondernemingen die bouwen in eigen beheer zijn ondernemingen die:
– voor eigen rekening bouwen met het doel het gebouwde aan derden te verkopen, te verhuren of op andere wijze ter beschikking te stellen;
– bouw- en infrawerken of verbouwingen in eigen beheer doen uitvoeren met het doel het gebouwde voor zichzelf of voor de eigen onderneming in gebruik te nemen, dan wel ter beschikking te stellen van personeelsleden;
– verbouwingen en onderhoudswerken in eigen beheer doen uitvoeren aan gebouwen die zij in eigendom bezitten of in beheer hebben.
In de twee laatstgenoemde gevallen geldt de verplichtstelling niet voor werknemers op wie een andere verplichtstelling van toepassing is.
3. Uitzendondernemingen.
1a. Uitzendondernemingen die voor meer dan 50% van de Nederlandse loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen (in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300) en/of 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219)) aan ondernemingen zoals bedoeld in A, 2 sub a onder 1, 2 en 4 en die geen lid zijn van de ABU of de NBBU.
1b. Uitzendondernemingen die voor meer dan 50% van de Nederlandse loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen (in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300) en/of 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219)) aan ondernemingen zoals bedoeld in A, 2 sub a onder 1, 2 en 4 en die lid zijn van de ABU of de NBBU.
1c. Uitzendondernemingen die voor 50% of minder van de Nederlandse loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen (in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300) en/of 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219)) aan ondernemingen zoals bedoeld in A, 2 sub a onder 1, 2 en 4.
Met “Nederlandse loonsom” onder 1a, 1b en 1c wordt bedoeld de loonsom van de arbeidskrachten van de uitzendonderneming, voor zover die in Nederland arbeid verrichten.
Onder uitzendonderneming wordt in dit verband verstaan de werkgever in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300) en/of 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219), ongeacht wat de aard van de bedrijfsactiviteiten van de werkgever is.
De verplichtstelling is voor de onder 1a genoemde uitzendondernemingen van toepassing op al hun werknemers (waaronder mede begrepen hun uitzendkrachten en payrollkrachten).
De verplichtstelling is voor de onder 1b en 1c genoemde uitzendondernemingen alleen van toepassing op:
– hun payrollkrachten die ter beschikking worden gesteld aan ondernemingen zoals bedoeld in A, 2 sub a en
– hun uitzendkrachten die ter beschikking worden gesteld aan ondernemingen zoals bedoeld in A, 2 sub a én vakkracht zijn én
• voorafgaand aan de uitzendarbeid deelnemer in Stichting Bedrijfstakpensioenfonds voor de Bouwnijverheid waren en/of
• langer dan 12 maanden als vakkracht werkzaam zijn (geweest).
Een onder 1c genoemde uitzendonderneming kan gelijktijdig een van de andere ondernemingen zijn als genoemd in A, 2. Hetgeen in deze verplichtstelling is bepaald voor die andere onderneming wordt niet beperkt door hetgeen is bepaald voor de onder 1c genoemde uitzendonderneming.
Onder vakkracht wordt in dit verband verstaan de uitzendkracht die:
− binnen een periode van twee jaar in totaal twaalf maanden werkzaamheden in de zin van de cao Bouw & Infra (besluit van 9 november 2022 (Stcrt. 2022, nr. 25866), laatstelijk gewijzigd bij besluit van 12 december 2022 (Stcrt. 2022, nr. 31104) heeft verricht, als werknemer en/of uitzendkracht, direct voorafgaand aan en/of tijdens de uitzendarbeid voor een onderneming zoals bedoeld in A, 2 sub a; of
− werkzaam is als uitzendkracht in een bouwplaatsfunctie en een bbl 2 of bbl 3 opleiding volgt in het domein:
• Bouw en infra,
• Afbouw, hout en onderhoud of
• Techniek en procesindustrie,
• dan wel die opleiding met een diploma of praktijkcertificaat heeft afgerond; of
– werkzaam is als uitzendkracht in een uta-functie en een diploma heeft behaald voor een bouwtechnische opleiding op niveau 2 of hoger van de beroepsopleidende leerweg.
Onder uitzendkracht wordt in dit verband verstaan de werknemer in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300), niet zijnde de werknemer in de zin van artikel 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219).
Onder payrollkracht wordt in dit verband verstaan de werknemer in de zin van artikel 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219).
2. uitzendondernemingen die arbeidskrachten ter beschikking stellen in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300) en/of 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219), die onderdeel zijn van een concern dat tevens bestaat uit een of meer ondernemingen zoals bedoeld in A, 2 sub a;
3. paritair afgesproken arbeidspools die arbeidskrachten ter beschikking stellen aan ondernemingen zoals bedoeld in A, 2 sub a.
4. Opleidingsbedrijven.
Een opleidingsbedrijf is een door meerdere werkgevers opgerichte, landelijk of regionaal werkende rechtspersoon zonder winstoogmerk die:
− met leerlingwerknemers een beroepspraktijkvormingsovereenkomst en een arbeidsovereenkomst sluit,
− daarbij optreedt als leerbedrijf overeenkomstig de Wet educatie en beroepsonderwijs (Web) (Wet van 31 oktober 1995 (Staatsblad 1995, 501), laatstelijk gewijzigd bij wet van 23 februari 2022 (Staatsblad 2022, 134)) en
− een opleidingswerkplaats heeft ingericht en onderhoudt voor de uitvoering van het praktijkdeel van de beroepsopleiding in het domein Bouw en infra.
b. Onder ondernemingen op het gebied van de bouw & infra worden niet verstaan ondernemingen, waarvan het bedrijf in overwegende mate is gericht op productie voor en/of dienstverlening aan derden op de hieronder genoemde gebieden.
Of sprake is van ‘in overwegende mate’, wordt bepaald door een vergelijking van de in elke productie en/of dienstverlening verloonde bedragen.
1. baggerwerken;
2. betonmortel en betonmorteltransport;
3. betonwaren;
4. centrale verwarmingsinstallaties;
5. cultuurtechnische werkzaamheden die vallen binnen de werkingssfeer van de verplichtstelling tot deelneming in het bedrijfstakpensioenfonds voor de Landbouw (besluit van 25 april 2022 (Stcrt. 2022, nr. 11892));
6. dakbedekkingen, zijnde bitumineuze of van aluminium, kunststof, zink, lood of koper;
7. elektrotechnische verbindingen tussen kabels van kabelnetten maken;
8. fabrieksmatig timmerwerk;
9. interieurbetimmeringen;
10. isolatiebedrijf, waaronder wordt verstaan het door de onderneming zelf aanbrengen, herstellen, bekleden, afwerken en/of onderhouden van isolerende materialen ter voorkoming of beperking van warmte- of koudeverlies en/of tegen vuur, vocht, geluid en/of vibratie, bij industrieën, aan technische installaties en aan boord van schepen, zoals apparaten, kanalen, leidingen, tanks en dergelijke, voorts in ruimten, zoals koel- en vriescellen, ketel- en machineruimten, studio′s en dergelijke;
11. loodgieters- en fittersbedrijf;
12. natuursteen;
13. ovenbouw en schoorsteenbouw, voor zover onderdeel van isolatiewerkzaamheden;
14. parketvloeren;
15. railinfrastructurele werkzaamheden die vallen binnen de werkingssfeer van de cao Railinfrastructuur, zoals omschreven in het besluit tot algemeenverbindendverklaring van de bepalingen van de cao Railinfrastructuur (besluit van 30 augustus 2021, Stcrt. 2021, nr. 37423);
16. schilderen en afwerken;
17. sloop van objecten die (nagenoeg) geheel bestaan uit metaal, waarbij het aantal arbeidsuren van de in dienst zijnde werknemers die bij de werkzaamheden worden ingezet groter is dan het aantal overeengekomen arbeidsuren bij de overige te verrichten werkzaamheden van alle in dienst zijnde werknemers gemeten over de periode van een kalenderjaar;
18. staalskeletbouw en het uitvoeren van werken geheel of nagenoeg geheel in staal;
19. steen, houtgraniet en kunststeen;
20. stukadoors-, afbouw- en terrazzo-/vloerenbedrijf;
21. verhuren van mobiele kranen;
22. overige werken die naar hun aard niet tot het bouwbedrijf moeten worden gerekend.
De verplichtstelling is niet van toepassing op een afzonderlijke afdeling, waarvan het bedrijf in overwegende mate is gericht op productie voor en/of dienstverlening aan derden op de in A, 2 sub b genoemde gebieden.
Een afzonderlijke afdeling wordt geacht aanwezig te zijn als de bedrijfsuitoefening feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd. Of sprake is van ‘in overwegende mate’, wordt bepaald door een vergelijking van de in elke productie en/of dienstverlening verloonde bedragen.
c. de ondernemingen op het gebied van het stukadoors-afbouwbedrijf, het plafond- en wandbedrijf, het terrazzobedrijf, het vloerenbedrijf, het blokkenstellersbedrijf en het natuursteenbedrijf, en ondernemingen die hieraan ondersteunende werkzaamheden verrichten.
Onder stukadoors-afbouwbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als:
1. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van raapwerk aan wanden, plafonds of gevels met bijvoorbeeld de volgende materialen: kalk; zand; cement; natuurlijke en chemische handgipsen; natuurlijke en chemische spuitgipsen en alle andere soorten bindmiddelen;
2. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van pleisterwerk aan wanden, plafonds of gevels met een samenstelling van bijvoorbeeld de volgende materialen: kalk; gips; bindmiddel op basis van kunstharsen; cement; krijtwit; marmermeel; kwartsmeel; cellulose; kunsthars; steenslag en soortgelijke toeslagen;
3. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van schuurwerk aan wanden, plafonds of gevels met bijvoorbeeld de volgende materialen: fijn-zand; kalk; gips; cement; bindmiddel op basis van kunstharsen; krijtwit; marmermeel; kwartsmeel; cellulose; kunsthars; steenslag en soortgelijke toeslagen;
4. het met de hand dan wel mechanisch plaatsen dan wel aanbrengen van alle soorten gipskartonplaten, stucanet, riet of rietmatten, steengaas, ribbenstrekmateriaal, profielen, houtwol-cementplaten, kunststofschuimplaten, minerale en soortgelijke materialen die eventueel een ondergrond kunnen vormen voor verdere afwerking;
5. het met de hand dan wel mechanisch behandelen van plafonds, wanden, vloeren of gevels met een samenstelling van bijvoorbeeld de volgende materialen: kalk; natuurlijke of chemisch handgips; natuurlijke of chemisch spuitgips; zand en/of andere vulstoffen; gedolven, gebroken en/of gemalen steengruis; steen of kwartspoeder of soortgelijke materialen met cement, kalk, gips of andere bindmiddelen; marmermeel en/of soortgelijke vulstoffen met bindmiddelen;
6. het met de hand dan wel mechanisch behandelen van gevels met bijvoorbeeld de volgende materialen: kunststofschuimplaten; minerale dan wel mineraalgebonden platen; lijm; wapeningsweefsel en profielen; zand; cement; bindmiddelen;
7. het met de hand dan wel mechanisch behandelen c.q. herstellen van betonvlakken waarin al dan niet een wapening is opgenomen, met species bestaande uit cement of andere bindmiddelen en zand of andere vulstoffen, daaronder mede begrepen een of meer componenten kunststof reparatiespecies al dan niet onder toevoeging van andere stoffen;
8. het met de hand dan wel mechanisch vervaardigen of aanbrengen van ornamenten, lijstwerken of soortgelijke versieringen van bijvoorbeeld gips, zand, cement, kalk, kunststof of soortgelijke materialen;
9. het met de hand dan wel mechanisch verrichten van wit-, saus-, silicaat-, of soortgelijk werk;
10. het met de hand dan wel mechanisch verwerken c.q. herstellen van ondergronden met bijvoorbeeld de volgende materialen: cement; gips of andere bindmiddelen; zand of andere vulstoffen al dan niet onder toevoeging van andere stoffen;
11. bij ieder van de hiervoor bij A, 2 sub c onder 1 tot en met 10 beschreven handelingen dient te worden gelezen: dan wel elk ander materiaal, dat kan worden toegepast ook als dat een andere verwerkingsmethode tot gevolg heeft;
12. het vervaardigen van vloeren van cement of andere bindmiddelen en zand of andere vulstoffen al dan niet onder toevoeging van andere stoffen voor zover een en ander geschiedt in samenhang met het verrichten van de hiervoor bij A, 2 sub c onder 1 tot en met 11 beschreven handelingen;
13. het aanbrengen van: keramische, glazen, natuurstenen en/of kunststenen tegels; mineraal gebonden en/of kunststof gebonden producten, voor zover een en ander geschiedt in samenhang met het verrichten van de hiervoor bij A, 2 sub c onder 1 tot en met 11 beschreven handelingen;
14. het verrichten van onderhouds- en reparatiewerkzaamheden van niet constructieve bouwkundige aard, die rechtstreeks voortvloeien uit, althans op gronden van praktische aard moeten worden beschouwd als nauw samen te hangen met, de hiervoor bij A, 2 sub c onder 1 tot en met 11 beschreven handelingen, indien de onderhouds- en reparatiewerkzaamheden van niet constructieve bouwkundige aard een ondergeschikt bestanddeel vormen van de totale bedrijfsuitvoering in een bepaalde onderneming;
15. het al dan niet systeemmatig verwerken van riet of rietmatten dan wel houtwol-, gips, gipskarton-, steenwol-, kunststofschuim- of soortgelijke platen tot een hechtgrond voor raap-, en pleister- of schuurwerk;
16. het stellen van steengaas, metaalgaas, kunststofgaas of soortgelijke materialen tot een hechtgrond voor raap-, pleister- of schuurwerk;
17. het aanbrengen van raaplagen op wanden, muren en gevels;
18. het vertinnen van wanden, muren en gevels;
19. het vervaardigen van sgrafitto’s;
20. het vervaardigen van fresco’s.
21. het aanbrengen en/of het verwerken van stucmarmer;
22. het aanbrengen en/of verwerken van decoratieve pleisters.
Onder plafond- en wandbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als het met de hand, mechanisch dan wel op enigerlei andere wijze plaatsen dan wel aanbrengen dan wel monteren – ter vervaardiging – van al dan niet vrij hangende systeemplafonds, systeemwanden, mobiele systeemwanden en/of (verhoogde) systeemvloeren, waarbij worden verwerkt metalen en/of minerale producten, kunststof of enigerlei ander materiaal, inclusief alle bijkomende werkzaamheden, zoals daar onder meer zijn het aanbrengen van een raamwerk dan wel bevestigingselementen, het aanbrengen van profielen/strips en het aanbrengen van armaturen.
Onder terrazzobedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als:
1. het vervaardigen van kunstgraniet, terrazzo, sierbeton en andere soortgelijke door menging van zand, grint, steenslag (grof en gemalen) al dan niet uitsluitend met cement of andere bindmiddelen verkregen producten;
2. het bewerken en/of afwerken van terrazzoproducten en -vloeren met de bedoeling het oppervlak de beoogde structuur, samenstelling of gebruikseigenschappen te geven door middel van verdichten, slijpen, schuren, boucharderen, polijsten en/of soortgelijke werkzaamheden.
Onder vloerenbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als:
1. het vervaardigen of bewerken dan wel afwerken van vloeren door menging van grint, steenslag of zand of mengsels daarvan al dan niet met andere vulstoffen en/of vezels met cement of andere bindmiddelen en/of toeslagstoffen;
2. het monolithisch afwerken van vloeren door middel van het aanbrengen van een dunne pleisterlaag;
3. het vervaardigen of bewerken van vloeren door menging van korrels, poeder of vezelachtige vulstoffen hetzij van organische hetzij van anorganische aard met bindmiddelen dan wel componenten welke tezamen met bindmiddel vormen;
4. het in het werk uit een pasteuze of vloeibare massa vervaardigen en aanbrengen, of het bewerken van kunststof vloeren, slijtlagen, beschermlagen of andere afwerklagen al dan niet naadloos;
5. het prepareren, bewerken of afwerken van niet constructieve cementgeboden of kunststof vloeren door middel van vlinderen, frezen, stralen, schuren en/of andere soortgelijke werkzaamheden, inclusief alle bijkomende werkzaamheden zoals het aanbrengen van isolatiematerialen.
Onder blokkenstelbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van werkzaamheden als het met de hand dan wel mechanisch plaatsen dan wel aanbrengen van binnenwanden van: gips- en cellenbeton-, kalkzandsteenblokken of elementen en andere soorten bouwblokken.
Onder het natuursteenbedrijf wordt verstaan het ten behoeve van derden verrichten of doen verrichten van activiteiten bestaan uit het be- of verwerken van natuursteen of het plaatsen van blokken, platen (ongeacht hun maat), halfproducten, eindproducten of tegels van natuursteen. Onder het natuursteenbedrijf worden ook ondernemingen gerekend die de hiervoor genoemde zaken (doen) leveren en stellen op bouw- en begraafplaatsen. Onder ‘bewerken van natuursteen’ valt ook het kristalliseren, polijsten, schuren en slijpen van natuursteen, het onderhoud, repareren en restaureren van natuursteen, het aanbrengen, reinigen en restaureren van inscripties evenals het onderhoud van grafwerk. Kunststeen wordt gelijkgesteld aan natuursteen.
Onder ondernemingen die hieraan ondersteunende werkzaamheden verrichten wordt verstaan: ondernemingen die voor minimaal 70% van hun omzet gericht zijn op ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van ondernemingen als hiervoor onder A, 2 sub c bedoeld.
Onder ondersteunende werkzaamheden worden onder meer verstaan: financiële, administratieve, logistieke, verzorgende, technische, commerciële, leidinggevende en/of organisatorische werkzaamheden.
d. Met ondernemingen die werkzaamheden uitvoeren als hiervoor onder c genoemd, worden gelijkgesteld:
1a. uitzendondernemingen die voor meer dan 50% van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen (in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300)) aan ondernemingen als bedoeld in A, 2 sub c, met uitzondering van uitzendondernemingen die lid zijn van de ABU of de NBBU, en die hun arbeidskrachten ter beschikking stellen aan ondernemingen als bedoeld in A, 2 sub c;
1b. uitzendondernemingen die voor 50% of minder van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen (in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300)) aan ondernemingen als bedoeld in A, 2 sub c en/of lid zijn van de ABU of NBBU. De verplichtstelling is voor deze uitzendondernemingen van toepassing op hun payrollkrachten die ter beschikking zijn gesteld van ondernemingen als bedoeld in A, 2, sub c en op hun uitzendkrachten die ter beschikking zijn gesteld van ondernemingen als bedoeld in A, 2 sub c én vakkracht zijn én
– voorafgaand aan de uitzendarbeid deelnemer in het fonds waren, of
– langer dan 12 maanden als vakkracht werkzaam zijn (geweest).
Onder vakkracht wordt in dit verband verstaan:
1. de uitzendkracht, niet behorende tot het uitvoerend, technisch en administratief personeel, die:
− ingevolge een beroepspraktijkvormingsovereenkomst (BPVO) een opleiding volgt als bedoeld in artikel 45 en artikel 48 van de CAO Afbouw (besluit van 1 februari 2007 (Stcrt. 2007, nr. 25)), of
− in het bezit is van een diploma of praktijkcertificaat van een opleiding als bedoeld in artikel 45 of 45a van de CAO Afbouw, of
− als vakvolwassene een beroepsopleiding in de afbouw volgt, of
− binnen een periode van twee jaar in totaal twaalf maanden werkzaamheden in de zin van de CAO Afbouw heeft verricht (direct voorafgaande aan de aanvang van de uitzendarbeid of – zodra dit het geval is – gedurende het verrichten van de uitzendarbeid voor een onderneming als bedoeld onder A, 2 sub c);
2. de uitzendkracht, behorend tot het uitvoerend, technisch en administratief personeel, die:
– in het bezit is van een diploma op ten minste niveau 2 van de beroepsopleidende leerweg (BOL) in een bouwtechnische richting, of
– binnen een periode van twee jaar in totaal twaalf maanden werkzaamheden als uitvoerend, technisch en administratief werknemer in de zin van de CAO Afbouw heeft verricht (direct voorafgaande aan de aanvang van de uitzendarbeid of – zodra dit het geval is – gedurende het verrichten van de uitzendarbeid voor een onderneming als bedoeld onder A, 2 sub c);
e. de ondernemingen op het gebied van timmerfabrieken. Hieronder worden verstaan:
1. de ondernemingen waarin het bedrijf gericht is op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden op het gebied van
a. het met gemechaniseerde productiemiddelen vervaardigen van timmerwerk van hout of kunststof/composiet.
b. de vervaardiging van timmerwerk, maar waarin tevens de activiteiten zijn gericht op verhuur en lease.
c. het verrichten van loon-, zaag en/of schaafwerk, direct ten behoeve van de vervaardiging van timmerwerk.
d. de vervaardiging van kunststof/composiet timmerwerk.
Onder timmerwerk wordt onder meer verstaan:
− het vervaardigen van (kunststof/composiet) kozijnen, ramen, trappen, deuren, gevelvullende elementen, andere houtconstructies zoals haspels en betonmallen alsmede decoratieve producten van hout voor de particuliere tuin.
− de producten in het kader van de lijm- en/of houtbouw, zoals gelijmde dragende houtconstructies, kapelementen, uit elementen opgebouwde demontabele keten, hallen, scholen, zomerhuisjes en dergelijke alsmede onderdelen van bouwsystemen zoals bijvoorbeeld scheidingswanden.
Onder het vervaardigen van timmerwerk wordt onder meer verstaan:
− het op de bouwplaats stellen en afwerken van in eigen fabriek gereed gemaakte producten.
Onder houtbouw wordt onder meer verstaan:
− het vervaardigen en toeleveren van alle ‘verplaatsbare houten verblijfsruimten’ als verzamelnaam van twee soorten producten te weten:
− de ruimten die in een onderneming geheel gebruiksklaar gemaakt worden en waarvoor op de plaats van bestemming geen of zo goed als geen verdere bewerking meer nodig is.
− de systeembouw: dat is het procédé en alle variaties daarop waarbij bouwelementen van hout en kunststof/composiet in de fabriek worden gemaakt maar op de plaats van bestemming worden gemonteerd.
− wagenbouw voor zover de wagens naar bestemming niet mobiel zijn en de vervoersfunctie ondergeschikt is, zoals houten stacaravans, keet-, schaft- en woonwagens en casco-opbouw waaronder wordt verstaan: de houten opbouw van casco’s van beton en/of staal met als eindproduct het woonschip.
− het op de bouwplaats stellen en afwerken van in eigen fabriek gereed gemaakte producten.
2. Onder onderneming op het gebied van timmerfabrieken wordt eveneens verstaan een samenwerkingsverband welke is opgericht met het doel om met een (jeugdige) werknemer een arbeidsovereenkomst te sluiten en deze een opleiding te geven volgens de richtlijnen van de landelijke organen zoals genoemd in de Wet Educatie en Beroepsonderwijs (Staatsblad 2004, 353).
3. De voorgaande bepalingen onder A, 2 sub e onder 1 en 2 gelden niet voor ondernemingen die in hoofdzaak- gemeten naar de loonsom – zijn gericht op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden in andere dan onder A, 2 sub e onder 1 en 2 genoemde gebieden.
4. De voorgaande bepalingen onder A, 2 sub e onder 1 en 2 gelden niet voor een afzonderlijke afdeling, welke afdeling in hoofdzaak – gemeten naar de loonsom – is gericht op productie (respectievelijk dienstverlening) voor of aan derden in andere dan onder A, 2 sub e onder 1 en 2 genoemde gebieden. Afzonderlijke afdelingen worden aanwezig geacht indien iedere bedrijfsuitoefening feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd.
f. de ondernemingen die in Nederland het betonpompbedrijf uitoefenen en die niet vallen onder de werkingssfeer van de sector Bouw & Infra als omschreven in artikel A, 2, sub a. Hieronder worden verstaan ondernemingen die zich bezighouden met:
a. het verpompen (en transporteren) van betonmortel met gebruikmaking van mixer- of aanhanger-, stationaire en/of giekpompen;
b. het leveren, samenstellen, verpompen, storten en afwerken van schuimbeton;
c. het leveren, samenstellen, verpompen, storten en afwerken van vloeispecie;
d. het bij derden inzetten van betonpompmachinisten die bij de onderneming in dienstbetrekking zijn, inclusief huurmaterieel of
e. een combinatie van de hierboven van 1 t/m 4 genoemde werkzaamheden,
en die bij deze werkzaamheden in overwegende mate gericht zijn op dienstverlening voor of aan derden op het gebied van betonmortel of betonmorteltransport respectievelijk productie van schuimbeton of vloeispecie voor of aan derden, waarbij:
− de hoofdactiviteit van de onderneming het verpompen van betonmortel, schuimbeton of vloeispecie door betonpompmachinisten betreft, met gebruikmaking van leidingen/ slangen en/of (rond)verdeelgieken, gemeten in kubieke meters;
− het transport van natte betonmortel of basisspecie met betonmixers of betonpompen wordt gezien als uitvloeisel van de dienstverlening;
− het samenstellen van schuimbeton of vloeispecie wordt gezien als productie voor of aan derden.
a. Onder betonmortel wordt verstaan fabrieksmatig vervaardigde betonspecie, zijnde een mengsel van gelijkmatige samenstelling, bestaande uit het bindmiddel cement, de toeslagmaterialen zand, grind en/of steenslag en/of zware toeslagmaterialen en water en eventueel hulpstoffen dan wel vulstoffen ter beïnvloeding van bepaalde eigenschappen ter verkrijging van een gevraagde kwaliteit.
b. Onder schuimbeton wordt verstaan een al dan niet fabrieksmatig vervaardigde basisspecie, zijnde een mengsel van gelijkmatige samenstelling, bestaande uit het bindmiddel cement, de toeslagmaterialen fijn zand, en/of fijne toeslagmaterialen en water en eventueel hulpstoffen dan wel vulstoffen ter beïnvloeding van bepaalde eigenschappen ter verkrijging van een gevraagde kwaliteit. Ten behoeve van de specifieke toepassing wordt hier nadien schuimmiddel of polystyreen aan toegevoegd.
c. Een vloeispecie is een vloeibare, zelf nivellerende zandcement specie met een laag soortgelijk gewicht ter vervaardiging van een werkvloer waarop een betonwapening kan worden gesteld.
Als de onderneming naast het betonpompbedrijf andere werkzaamheden uitoefent, die niet vallen onder de werkingssfeer van de sector Bouw & Infra als omschreven in artikel A, 2, sub a, geldt het volgende:
a. Als er geen zelfstandige bedrijfsonderdelen zijn en de werkzaamheden van de onderneming bestaan hoofdzakelijk uit het betonpompbedrijf, dan is de onderneming een werkgever in de zin van deze afdeling.
b. Als in een zelfstandig bedrijfsonderdeel naast het betonpompbedrijf andere werkzaamheden worden uitgeoefend en de werkzaamheden van het bedrijfsonderdeel bestaan hoofdzakelijk uit het betonpompbedrijf, dan geldt het zelfstandig bedrijfsonderdeel als werkgever in de zin van deze afdeling. Een zelfstandig bedrijfsonderdeel waarin niet hoofdzakelijk het betonpompbedrijf wordt uitgeoefend, geldt niet als werkgever in de zin van deze afdeling.
c. Als in ieder zelfstandig bedrijfsonderdeel andere werkzaamheden worden uitgeoefend, dan geldt het zelfstandig bedrijfsonderdeel waarin het betonpompbedrijf wordt uitgeoefend als werkgever in de zin van deze afdeling.
Zelfstandige bedrijfsonderdelen worden aanwezig geacht als iedere bedrijfsuitoefening feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd.
Of in een onderneming of in een zelfstandig bedrijfsonderdeel hoofdzakelijk het betonpompbedrijf wordt uitgeoefend, wordt bepaald door een vergelijking van de verloonde bedragen in de uitoefening van het betonpompbedrijf respectievelijk de uitoefening van de andere werkzaamheden.
g. de ondernemingen op het gebied van de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingen. Hieronder worden verstaan:
1. de ondernemingen die werkzaamheden verrichten dan wel doen verrichten in de zin van of verband houdende met het aanbrengen, onderhouden (waaronder begrepen reinigen) of herstellen van dakbedekkingen van bitumen en/of kunststof materialen, waaronder tevens begrepen het leveren, plaatsen en zogenaamde inwerken of anderszins waterdicht aanbrengen van permanente veiligheidsvoorzieningen.
2. de ondernemingen die uitsluitend of in hoofdzaak gericht zijn op ondersteunende werkzaamheden ten behoeve van ondernemingen als bedoeld in A, 2 sub g onder 1. Onder ondersteunende werkzaamheden worden financiële, administratieve, logistieke, leidinggevende en/of organisatorische werkzaamheden verstaan.
3. Onder onderneming op het gebied van de Bitumineuze en Kunststof Dakbedekkingen wordt niet verstaan:
− de onderneming die in hoofdzaak andere activiteiten verricht dan de uitvoering van bitumineuze en/of kunststof dakbedekkingen(met dien verstande dat het aandeel van de loonsom voor de uitoefening van bitumineuze en/of kunststof dakbedekkingen niet overweegt);
− de onderneming of gedeelten van een onderneming waarin in hoofdzaak tevens bitumineuze en/of kunststof dakbedekkingsmaterialen worden vervaardigd voor levering aan derden.
4. Met ondernemingen die werkzaamheden uitvoeren als hiervoor onder A, 2 sub g onder 1 en 2 genoemd, worden gelijkgesteld:
1a. uitzendondernemingen die voor meer dan 50% van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen (in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300) en/of 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219)) aan ondernemingen als bedoeld in A, 2 sub g onder 1 en 2 en die geen lid zijn van de ABU of de NBBU;
1b. uitzendondernemingen die voor meer dan 50% van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen (in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300) en/of 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219)) aan ondernemingen als bedoeld in A, 2 sub g onder 1 en 2 en die lid zijn van de ABU of de NBBU;
1c. uitzendondernemingen die voor 50% of minder van de loonsom op jaarbasis arbeidskrachten ter beschikking stellen (in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300) en/of 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219)) aan ondernemingen als bedoeld in A, 2 sub g onder 1 en 2.
Onder uitzendonderneming wordt in dit verband verstaan de werkgever in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300) en/of 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219), ongeacht wat de aard van de bedrijfsactiviteiten van de werkgever is.
De verplichtstelling is voor de onder 1a genoemde uitzendondernemingen van toepassing op al hun werknemers (waaronder mede begrepen hun uitzendkrachten en payrollkrachten).
De verplichtstelling is voor de onder 1b en 1c genoemde uitzendondernemingen alleen van toepassing op hun payrollkrachten die ter beschikking worden gesteld aan ondernemingen als bedoeld in A, 2 sub g onder 1 en 2.
Een onder 1c genoemde uitzendonderneming kan gelijktijdig een van de andere ondernemingen zijn als genoemd in A, 2. Hetgeen in deze verplichtstelling is bepaald voor die andere onderneming wordt niet beperkt door hetgeen is bepaald voor de onder 1c genoemde uitzendonderneming.
Onder uitzendkracht wordt in dit verband verstaan de werknemer in de zin van artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300), niet zijnde de werknemer in de zin van artikel 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219).
Onder payrollkracht wordt in dit verband verstaan de werknemer in de zin van artikel 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219).
h. de ondernemingen op het gebied van de baksteenindustrie. Hieronder worden verstaan de ondernemingen of een onderdeel daarvan die baksteen vervaardigen, waaronder te rekenen zowel metselsteen als straatsteen of daaruit samengestelde elementen, in welke productiestadia, formaten en soorten ook, doch met uitzondering van zuur- en vuurvaste steen.
3. Indien een onderneming, die naast het bedrijf als bedoeld in A, 2 sub c, d en/of h, tevens een ander bedrijf (andere productie voor derden) uitoefent, geldt voor de toepasselijkheid van deze verplichtstelling het volgende.
a. Indien er geen afzonderlijke afdelingen zijn en de productie van het bedrijf als bedoeld in A, 2 sub c, d en/of h overweegt, geldt deze verplichtstelling voor alle werknemers van de onderneming.
b. Indien in een afzonderlijke afdeling zowel het bedrijf als bedoeld onder A, 2 sub c, d en/of h als een ander bedrijf wordt uitgeoefend en de productie van het bedrijf als bedoeld onder A, 2 sub c, d en/of h overweegt, geldt deze verplichtstelling voor alle werknemers als bedoeld onder A, 1 met uitzondering van de werknemers van de afdeling waar het andere bedrijf wordt uitgeoefend.
c. Indien elk afzonderlijk bedrijf in een afzonderlijke afdeling wordt uitgeoefend, geldt deze verplichtstelling ten aanzien van alle werknemers in de afdeling waar de bij A, 2 sub c, d en/of h bedoelde werkzaamheden worden uitgeoefend.
Afzonderlijke afdelingen worden aanwezig geacht indien iedere bedrijfsuitoefening feitelijk als zelfstandige eenheid is georganiseerd. De overwegende productie wordt bepaald door vergelijking van de in elke productie verloonde bedragen.
4. Met dien verstande dat hierboven onder ‘werknemer’ wordt verstaan een ieder die werkzaam is:
a. ingevolge een arbeidsovereenkomst als bedoeld in artikel 7:610 BW (Staatsblad 1997, 37). Voor personen werkzaam in een onderneming als bedoeld onder A. 2. onderdeel h geldt de aanvullende voorwaarde dat de functie gewaardeerd is, dan wel gezien de aard van de functie gewaardeerd kan worden, met 192 punten ORBA of minder;
b. ingevolge een overeenkomst tot aanneming van werk, tenzij hij/zij zelf ondernemer is;
c. als hulp van de aannemer van werk, als bedoeld in b;
d. als uitzendkracht als bedoeld in artikel 7:690 BW (Staatsblad 1998, 300), niet zijnde de payrollkracht in de zin van 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219);
e. als payrollkracht in de zin van 7:692 BW (Staatsblad 2019, 219) en die ter beschikking is gesteld aan een onderneming als bedoeld in A, 2 sub a, c, d of g.
Van het bepaalde onder A, 4 sub a en d is uitgezonderd de ter beschikking gestelde werknemer, die tijdelijk in Nederland arbeid verricht en wiens arbeidsovereenkomst wordt beheerst door een ander recht van de EU dan het Nederlandse recht. Onder ter beschikking gestelde werknemer wordt in dit verband verstaan iedere werknemer die gedurende een bepaalde periode werkt in Nederland, dat niet de EU-lidstaat is waar die werknemer gewoonlijk werkt.
5. In afwijking van het hierboven bepaalde, geldt de verplichtstelling niet voor:
a. de directeur-grootaandeelhouder van de naamloze vennootschappen en/of besloten vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid;
met dien verstande dat onder ‘directeur-grootaandeelhouder’ wordt verstaan:
− de persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen; of
− de indirect persoonlijk houder van aandelen welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap van de werkgever vertegenwoordigen; of
− houder van certificaten van aandelen, uitgegeven door tussenkomst van een administratiekantoor waarvan hij voor ten minste een tiende deel in het bestuur vertegenwoordigd is, welke ten minste een tiende deel van het geplaatste kapitaal van de vennootschap vertegenwoordigen.
b. praktikanten/(deelnemer-)stagiair(e)s aan wie geen loon wordt betaald, vakantiewerkers en daarmee gelijk te stellen personen.
B
zelfstandigen, die werkzaamheden verrichten op het gebied van het stukadoors-afbouwbedrijf, het plafond- en wandbedrijf, het terrazzobedrijf, het vloerenbedrijf, het blokkenstellersbedrijf en het natuursteenbedrijf als hiervoor bedoeld onder A, 2 sub c tot de eerste dag van de maand waarin zij de 67-jarige leeftijd bereiken voor het ouderdomspensioen. Met dien verstande dat onder ‘zelfstandige’ wordt verstaan iedere natuurlijke persoon, die als ondernemer werkzaamheden verricht en/of doet verrichten.
BIJLAGE
Uitgangspunten voor de indeling en de overgang van ondernemingen door de Commissie Werkingssfeer
• Werkzaamheden uitgevoerd binnen de sectoren Hoveniers en Bos en Natuur van de Landbouw kunnen raken aan de werkingssfeer van de Bouwnijverheid.
• De huidige besluiten tot verplichtstelling van beide bedrijfstakpensioenfondsen kennen ieder voor zich een adequate afbakening van werkingssferen, zij het dat die afbakening niet expliciet is toegeschreven op in gang gezette en naar verwachting voortschrijdende ontwikkelingen in de sectoren Bos en Natuur en Hoveniers.
• Tegen die achtergrond hebben partijen bij de Landbouw en de Bouwnijverheid besloten tot
• gezamenlijke inrichting van een Commissie Werkingssfeer, die aan de hand van onderstaande criteria verantwoordelijk is voor en beslist over de indeling en overgang van ondernemingen in de sectoren Hoveniers en Bos en Natuur.
• De raakvlakken tussen de sector Hoveniers, waaronder tevens begrepen groenvoorzienings- en greenkeeperswerkzaamheden, en de Bouwnijverheid betreffen de werkzaamheden die in samenhang worden uitgevoerd met het “al dan niet voor derden aanleggen en/of onderhouden van tuinen, parken, plantsoenen, groenstroken, terreinen en begraafplaatsen”, te weten de onderdelen “een en ander met de daartoe behorende wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen”. Tussen partijen bij de Landbouw en de Bouwnijverheid bestaat eensgezindheid over de opvatting dat de voorbereidende grondwerkzaamheden behoren tot de greenkeeperswerkzaamheden maar alleen daar waar het de grondbewerking c.q. profilering van de toplaag betreft en niet het grove grondverzet bijvoorbeeld in het kader van de aanleg van terreinen. Eveneens bestaat eensgezindheid over de opvatting dat de werkzaamheden met betrekking tot wegen, paden en pleinen in al hun onderdelen, in het kader van het Hoveniersbedrijf van ondergeschikt belang zijn. Als afbakeningscriterium daarvoor geldt dat indien die werkzaamheden minder dan 50% van de loonsom uitmaken, de onderneming behoort tot de Landbouw en indien dat voor meer dan 50% is, de onderneming behoort tot de Bouwnijverheid.
• De raakvlakken tussen de sectoren Bos en Natuur en de Bouwnijverheid betreffen de werkzaamheden in het kader van het terreinbeheersbedrijf, voor zover deze activiteiten worden uitgevoerd in het kader van droge en natte natuurterreinen alsmede het aannemingsbedrijf voor zover deze activiteiten worden uitgevoerd op het terrein van de weg- en waterbouw, kust- en oeverwerken en grondverzetwerkzaamheden. Tussen partijen bij de Landbouw en de Bouwnijverheid bestaat eensgezindheid over de opvatting dat voormelde werkzaamheden met betrekking tot het terreinbeheersbedrijf en het aannemingsbedrijf in het kader van de Landbouw van ondergeschikt belang zijn. Als afbakeningscriterium daarvoor geldt dat indien die werkzaamheden minder dan 50% van de loonsom uitmaken, de onderneming behoort tot de Landbouw en indien dat voor meer dan 50% is, de onderneming behoort tot de Bouwnijverheid.
• Gelet op de aard van de onderhavige arbeidsvoorwaarde, waarbij stabiliteit van essentieel belang is, geldt een overgangsregeling voor die situatie dat een onderneming in het Hoveniersbedrijf of het bedrijf van Bos en Natuur in enig jaar voor meer dan 50% van de loonsom activiteiten heeft ontwikkeld op die gebieden die raken aan de Bouwnijverheid. Indien deze onderneming gedurende een periode van twee achtereenvolgende jaren met zijn loonsom uitstijgt boven de 50%-grens voor de aan de Bouwnijverheid rakende activiteiten, wordt de onderneming definitief bij de Bouwnijverheid ingedeeld. In dat geval wordt aangenomen dat de onderneming structureel meer Bouwnijverheid- dan Landbouw- gerelateerd is.
Kopieer de link naar uw clipboard
https://zoek.officielebekendmakingen.nl/stcrt-2024-6823.html
De hier aangeboden pdf-bestanden van het Staatsblad, Staatscourant, Tractatenblad, provinciaal blad, gemeenteblad, waterschapsblad en blad gemeenschappelijke regeling vormen de formele bekendmakingen in de zin van de Bekendmakingswet en de Rijkswet goedkeuring en bekendmaking verdragen voor zover ze na 1 juli 2009 zijn uitgegeven. Voor pdf-publicaties van vóór deze datum geldt dat alleen de in papieren vorm uitgegeven bladen formele status hebben; de hier aangeboden elektronische versies daarvan worden bij wijze van service aangeboden.