Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Sociale Zaken en WerkgelegenheidStaatsblad 1998, 300Wet

Wet van 14 mei 1998, houdende wijziging van het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en van enige andere wetten (Flexibiliteit en zekerheid)

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:

Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat het wenselijk is de flexibiliteit in het arbeidsbestel te vergroten met handhaving van een adequaat beschermingsniveau voor werknemers, alsmede de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming voor de opzegging van een arbeidsverhouding toe te kennen aan de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie en in verband daarmee het Burgerlijk Wetboek, het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en enige andere wetten te wijzigen;

Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

ARTIKEL I

Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek1 wordt als volgt gewijzigd:

A

Na artikel 610 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 610a

Hij die ten behoeve van een ander tegen beloning door die ander gedurende drie opeenvolgende maanden, wekelijks dan wel gedurende tenminste twintig uren per maand arbeid verricht, wordt vermoed deze arbeid te verrichten krachtens arbeidsovereenkomst.

Artikel 610b

Indien een arbeidsovereenkomst tenminste drie maanden heeft geduurd, wordt de bedongen arbeid in enige maand vermoed een omvang te hebben gelijk aan de gemiddelde omvang van de arbeid per maand in de drie voorafgaande maanden.

B

Artikel 628 lid 5 wordt vervangen door drie leden, luidende:

  • 5. Van de leden 1 tot en met 4 kan voor de eerste zes maanden van de arbeidsovereenkomst slechts ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement.

  • 6. In geval van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten in de zin van artikel 668a kan een afwijking als bedoeld in lid 5 in totaal voor ten hoogste zes maanden worden overeengekomen.

  • 7. Na het verstrijken van de termijn, bedoeld in lid 5, kan van dit artikel slechts ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.

C

Na artikel 628 wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 628a

Indien een arbeidsomvang van minder dan 15 uur per week is overeengekomen en de tijdstippen waarop de arbeid moet worden verricht niet zijn vastgelegd, dan wel indien de omvang van de arbeid niet of niet eenduidig is vastgelegd, heeft de werknemer voor iedere periode van minder dan drie uur waarin hij arbeid heeft verricht, recht op het loon waarop hij aanspraak zou hebben indien hij drie uur arbeid zou hebben verricht.

D

Artikel 643 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het slot van lid 2 wordt toegevoegd: De beschikking van de rechter is uitvoerbaar bij voorraad.

2. Lid 3 vervalt.

3. De leden 4 en 5 worden vernummerd tot 3 en 4.

4. In het nieuwe lid 3 wordt de zinsnede «, 2 en 3» vervangen door: en 2.

E

In artikel 646 lid 1 wordt het woord «beëindiging» vervangen door: opzegging.

F

Artikel 647 wordt als volgt gewijzigd:

1. Lid 1 komt te luiden:

  • 1. De opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever in strijd met artikel 646 lid 1 of wegens de omstandigheid dat de werknemer in of buiten rechte een beroep heeft gedaan op artikel 646 lid 1 is vernietigbaar.

2. In lid 2 wordt het woord «beëindiging» vervangen door: opzegging.

3. In lid 3 worden de woorden «waarop de arbeidsovereenkomst geëindigd is» vervangen door: waartegen is opgezegd.

4. In lid 4 wordt «beëindiging» vervangen door: opzegging.

G

Artikel 648 wordt als volgt gewijzigd:

Na lid 2 wordt, onder vernummering van lid 3 tot lid 4, een nieuw lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De opzegging, bedoeld in de eerste zin van lid 1, maakt de werkgever niet schadeplichtig.

H

Artikel 652 wordt als volgt gewijzigd:

1. Lid 1 komt te luiden:

  • 1. Indien partijen een proeftijd overeenkomen, is deze voor beide partijen gelijk.

2. Na lid 1 worden, onder vernummering van lid 2 tot lid 7, de volgende nieuwe leden ingevoegd:

  • 2. De proeftijd wordt schriftelijk overeengekomen.

  • 3. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste twee maanden.

  • 4. Bij het aangaan van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste:

    a. een maand, indien de overeenkomst is aangegaan voor korter dan twee jaren;

    b. twee maanden, indien de overeenkomst is aangegaan voor twee jaren of langer.

  • 5. Indien het einde van een overeenkomst voor bepaalde tijd niet op een kalenderdatum is gesteld, kan een proeftijd worden overeengekomen van ten hoogste een maand.

  • 6. Van de leden 4 en 5 kan slechts ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.

I

Aan artikel 655 lid 1 wordt een nieuw onderdeel toegevoegd, luidende:

m. of de arbeidsovereenkomst een uitzendovereenkomst is als bedoeld in artikel 690.

J

Aan artikel 658 wordt een nieuw lid toegevoegd, luidende:

  • 4. Hij die in de uitoefening van zijn beroep of bedrijf arbeid laat verrichten door een persoon met wie hij geen arbeidsovereenkomst heeft, is overeenkomstig de leden 1 tot en met 3 aansprakelijk voor de schade die deze persoon in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. De kantonrechter is bevoegd kennis te nemen van vorderingen op grond van de eerste zin van dit lid.

K

In artikel 667 worden, onder vernummering van de leden 3 en 4 tot 5 en 6, na lid 2 twee nieuwe leden ingevoegd, luidende:

  • 3. Een arbeidsovereenkomst als bedoeld in lid 1 kan slechts tussentijds worden opgezegd indien voor ieder der partijen dat recht schriftelijk is overeengekomen.

  • 4. Voor de beëindiging van een voor onbepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst is voorafgaande opzegging nodig.

L

De leden 3, 4 en 5 van artikel 668 vervallen.

M

Na artikel 668 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 668a

  • 1. Vanaf het moment dat tussen dezelfde partijen:

    a. voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd in een periode van 36 maanden of langer met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden;

    b. meer dan 3 voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomsten elkaar hebben opgevolgd met tussenpozen van niet meer dan 3 maanden, geldt de laatste arbeidsovereenkomst als aangegaan voor onbepaalde tijd.

  • 2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen een werknemer en verschillende werkgevers, die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn.

  • 3. Lid 1, onderdeel a en laatste zinsnede, is niet van toepassing op een arbeidsovereenkomst aangegaan voor niet meer dan 3 maanden die onmiddellijk volgt op een tussen dezelfde partijen aangegane arbeidsovereenkomst voor 36 maanden of langer.

  • 4. De termijn van opzegging wordt berekend vanaf het tijdstip van totstandkoming van de eerste arbeidsovereenkomst als bedoeld onder a of b van lid 1.

  • 5. Van de leden 1 tot en met 4 kan slechts ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.

N

Artikel 669 komt te luiden:

Artikel 669

Degene die de arbeidsovereenkomst opzegt, geeft de andere partij op diens verzoek schriftelijk opgave van de reden van opzegging.

O

Artikel 670 komt te luiden:

Artikel 670

  • 1. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, tenzij de ongeschiktheid:

    a. ten minste twee jaren heeft geduurd, of

    b. een aanvang heeft genomen nadat een verzoek om toestemming als bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 door de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is ontvangen.

  • 2. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met een werkneemster niet opzeggen gedurende de zwangerschap. De werkgever kan ter staving van de zwangerschap een verklaring van een geneeskundige of van een verloskundige verlangen.

    Voorts kan de werkgever de arbeidsovereenkomst van de werkneemster niet opzeggen gedurende de periode waarin zij ingevolge de artikelen 29a, eerste lid, van de Ziektewet of 22, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen recht op ziekengeld of recht op een uitkering heeft in verband met haar bevalling en na werkhervatting, gedurende het tijdvak van zes weken aansluitend op die periode dan wel aansluitend op de periode, bedoeld in artikel 29a, zevende lid, van de Ziektewet of op de periode die aanvangt na een periode van ongeschiktheid tot het verrichten van arbeid die haar oorzaak vindt in de bevalling of de daaraan voorafgaande zwangerschap aansluitend op de dag, bedoeld in artikel 22, vierde lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

  • 3. De werkgever kan niet opzeggen gedurende de tijd dat de werknemer verhinderd is de bedongen arbeid te verrichten, omdat hij als dienstplichtige is opgeroepen ter vervulling van zijn militaire dienst of vervangende dienst.

  • 4. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met de werknemer die lid is van een ondernemingsraad, van een centrale ondernemingsraad, van een groepsondernemingsraad, van een vaste commissie van die raden of van een onderdeelcommissie van de ondernemingsraad, van een personeelsvertegenwoordiging, van een arbocommissie of van een bijzondere onderhandelingsgroep of een Europese ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de Europese ondernemingsraden, dan wel die krachtens die wet optreedt als vertegenwoordiger bij een andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging van werknemers, niet opzeggen.

  • 5. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens het lidmaatschap van de werknemer van een vereniging van werknemers die krachtens haar statuten ten doel heeft de belangen van de leden als werknemer te behartigen dan wel wegens het verrichten van of deelnemen aan activiteiten ten behoeve van die vereniging, tenzij die activiteiten in de arbeidstijd van de werknemer worden verricht zonder toestemming van de werkgever.

  • 6. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst met de werknemer die daarvoor verlof heeft, niet opzeggen wegens het bijwonen van vergaderingen als bedoeld in artikel 643. Hetzelfde geldt indien tussen partijen geen overeenstemming over het verlof bestaat zolang de rechter omtrent het verlof niet heeft beschikt.

  • 7. De werkgever kan de arbeidsovereenkomst niet opzeggen wegens de omstandigheid dat de werknemer zijn recht op ouderschapsverlof geldend maakt.

  • 8. Van de leden 1 en 3 kan slechts worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.

P

Na artikel 670 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 670a

  • 1. De werkgever kan zonder voorafgaande toestemming van de kantonrechter de arbeidsovereenkomst niet opzeggen met een werknemer die:

    a. geplaatst is op een kandidatenlijst voor een ondernemingsraad dan wel een personeelsvertegenwoordiging of korter dan twee jaar geleden lid is geweest van een ondernemingsraad, van een centrale ondernemingsraad, van een groepsondernemingsraad of van een commissie van die raden, van een personeelsvertegenwoordiging of van een bijzondere onderhandelingsgroep of een Europese ondernemingsraad als bedoeld in de Wet op de Europese ondernemingsraden dan wel die korter dan twee jaar geleden krachtens die wet is opgetreden als vertegenwoordiger bij een andere wijze van informatieverstrekking en raadpleging van werknemers;

    b. lid is van een voorbereidingscommissie van een ondernemingsraad, van een centrale ondernemingsraad of van een groepsondernemingsraad;

    c. korter dan twee jaar geleden lid is geweest van de arbocommissie;

    d. als mentor of als deskundige werknemer als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, onderscheidenlijk 17, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet werkzaam is.

  • 2. De toestemming van de kantonrechter wordt gevraagd bij verzoekschrift. De kantonrechter verleent de toestemming slechts indien de werkgever aannemelijk heeft gemaakt dat opzegging geen verband houdt met een omstandigheid als bedoeld in lid 1. Van de uitspraak staat geen hoger beroep of beroep in cassatie open.

Artikel 670b

  • 1. De artikelen 670 en 670a zijn niet van toepassing bij een opzegging gedurende de proeftijd of wegens een dringende reden.

  • 2. De leden 1 tot en met 7 van artikel 670 en artikel 670a zijn niet van toepassing indien de werknemer schriftelijk in de opzegging toestemt of indien de opzegging geschiedt wegens de beëindiging van de werkzaamheden van de onderneming of van het onderdeel van de onderneming, waarin de werknemer uitsluitend of in hoofdzaak werkzaam is. De opzegging wegens beëindiging van de werkzaamheden kan evenwel niet betreffen de werkneemster die recht heeft op ziekengeld in de periode als bedoeld in de artikelen 29a, eerste lid, van de Ziektewet of 22, eerste lid, van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen.

O

Artikel 671 vervalt.

R

Artikel 672 komt te luiden:

Artikel 672

  • 1. Opzegging geschiedt tegen het einde van de maand, tenzij bij schriftelijke overeenkomst, reglement of door het gebruik een andere dag daarvoor is aangewezen.

  • 2. De door de werkgever in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt bij een arbeidsovereenkomst die op de dag van opzegging:

    a. korter dan vijf jaar heeft geduurd: één maand;

    b. vijf jaar of langer, maar korter dan tien jaar heeft geduurd: twee maanden;

    c. tien jaar of langer, maar korter dan vijftien jaar heeft geduurd: drie maanden;

    d. vijftien jaar of langer heeft geduurd: vier maanden.

  • 3. De door de werknemer in acht te nemen termijn van opzegging bedraagt één maand.

  • 4. Indien de toestemming bedoeld in artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 is verleend, wordt de termijn van opzegging, bedoeld in lid 2, verkort met één maand, met dien verstande dat de resterende termijn van opzegging tenminste één maand bedraagt.

  • 5. De termijn, bedoeld in lid 2, kan slechts worden verkort bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan. De termijn kan schriftelijk worden verlengd.

  • 6. Van de termijn, bedoeld in lid 3, kan schriftelijk worden afgeweken. De termijn van opzegging voor de werknemer mag bij verlenging niet langer zijn dan zes maanden en voor de werkgever niet korter dan het dubbele van die voor de werknemer.

  • 7. Van lid 4 kan, voor zover het betreft de resterende termijn van opzegging van één maand, slechts ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.

  • 8. Bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan, mag de termijn van opzegging, bedoeld in lid 6, tweede volzin, voor de werkgever worden verkort, mits de termijn niet korter is dan die voor de werknemer.

  • 9. Voor de toepassing van lid 2 worden arbeidsovereenkomsten geacht eenzelfde, niet onderbroken arbeidsovereenkomst te vormen in geval van herstel van de arbeidsovereenkomst ingevolge artikel 682.

S

Artikel 673 vervalt.

T

In de tweede volzin van artikel 675 wordt «door opzegging met inachtneming van de artikelen 670, 671 en 672 te doen eindigen» vervangen door: op te zeggen met inachtneming van de artikelen 670, 670a en 672.

U

Artikel 676 wordt als volgt gewijzigd:

1. In lid 1 wordt de zinsnede «zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te doen eindigen» vervangen door: met onmiddellijke ingang op te zeggen.

2. In lid 2 wordt «beëindiging» vervangen door: opzegging.

V

Artikel 677 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 677 lid 1 komt te luiden:

  • 1. Ieder der partijen is bevoegd de arbeidsovereenkomst onverwijld op te zeggen om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij. De partij die dit zonder een dergelijke reden doet, is schadeplichtig.

2. Lid 2 komt te luiden:

  • 2. De partij die opzegt tegen een eerdere dag dan tussen partijen geldt, is schadeplichtig.

3. In lid 3 wordt de zinsnede «zonder opzegging of zonder inachtneming van de voor opzegging geldende bepalingen te doen eindigen» vervangen door: onverwijld op te zeggen. De woorden «ontbonden heeft verklaard» worden vervangen door: heeft ontbonden.

4. Lid 5 komt te luiden:

  • 5. Het niet in acht nemen van artikel 670 leden 1 tot en met 7, of van artikel 670a maakt de werkgever niet schadeplichtig.

    De werknemer kan in die gevallen gedurende twee maanden na de opzegging van de arbeidsovereenkomst een beroep doen op de vernietigingsgrond. Het beroep op de vernietigingsgrond geschiedt door kennisgeving aan de werkgever. Artikel 55 van Boek 3 is niet van toepassing.

W

Artikel 680 wordt als volgt gewijzigd:

1. In lid 1 wordt «beëindiging» vervangen door: opzegging.

2. In lid 5 vervalt «, 671».

X

Na artikel 680 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 680a

De rechter is bevoegd een vordering tot doorbetaling van loon die gegrond is op de vernietigbaarheid van de opzegging van de arbeidsovereenkomst te matigen, indien toewijzing in de gegeven omstandigheden tot onaanvaardbare gevolgen zou leiden, doch op niet minder dan het in geld vastgestelde loon voor de duur van de opzegtermijn ingevolge artikel 672 noch op minder dan het in geld vastgestelde loon voor drie maanden.

Y

Artikel 681 wordt als volgt gewijzigd:

1. In lid 1 wordt «beëindiging» vervangen door: opzegging en wordt «doet eindigen» vervangen door: opzegt.

2. In lid 2, onderdeel c, wordt «artikel 670 lid 5» vervangen door: artikel 670 lid 3.

3. In de leden 2 en 3 wordt het woord «beëindiging» telkens vervangen door: opzegging.

4. In lid 4 wordt «beëindigd» vervangen door: opgezegd.

Z

Artikel 682 wordt als volgt gewijzigd:

1. In lid 1 wordt «de partij» vervangen door: de werkgever en wordt «doet eindigen» vervangen door: opzegt.

2. «Arbeidsverhouding» wordt telkens vervangen door: arbeidsovereenkomst.

3. De tweede en derde zin van lid 3 komen te luiden:

Is in het vonnis geen afkoopsom vastgesteld, dan zal de rechter deze op verzoek van de werkgever alsnog vaststellen. Een zodanig verzoek schorst de tenuitvoerlegging van het vonnis, voor zover het betreft de veroordeling tot herstel van de arbeidsovereenkomst, totdat op het verzoek is beslist, met dien verstande dat de werkgever in ieder geval verplicht blijft gedurende de schorsing het loon te betalen.

AA

In lid 2 van artikel 683 wordt «beëindiging» vervangen door: opzegging.

AB

Artikel 685 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan lid 1 worden de volgende zinnen toegevoegd:

De kantonrechter kan het verzoek slechts inwilligen indien hij zich ervan heeft vergewist of het verzoek verband houdt met het bestaan van een opzegverbod als bedoeld in de artikelen 647, 648, 670 en 670a of enig ander verbod tot opzegging van de arbeidsovereenkomst. Indien het verzoek een werknemer betreft die ongeschikt is tot het verrichten van zijn arbeid wegens ziekte, verklaart de rechter verzoeker niet ontvankelijk indien bij het verzoek geen reïntegratieplan als bedoeld in artikel 71a van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering is gevoegd, dat is getoetst door het Landelijk instituut sociale verzekeringen.

2. In lid 2 wordt «beëindigd» vervangen door: opgezegd.

AC

In de artikelen 629a lid 7, 634 lid 3, 638 lid 1, 639 lid 2, 644 lid 7, 655 lid 1, onderdeel l, en de leden 2 en 3, wordt «een bevoegd publiekrechtelijk orgaan» telkens vervangen door: een daartoe bevoegd bestuursorgaan.

AD

Na afdeling 10 wordt een nieuwe afdeling opgenomen, luidende:

AFDELING 11. BIJZONDERE BEPALINGEN TER ZAKE VAN DE UITZENDOVEREENKOMST

Artikel 690

De uitzendovereenkomst is de arbeidsovereenkomst waarbij de werknemer door de werkgever, in het kader van de uitoefening van het beroep of bedrijf van de werkgever ter beschikking wordt gesteld van een derde om krachtens een door deze aan de werkgever verstrekte opdracht arbeid te verrichten onder toezicht en leiding van de derde.

Artikel 691
  • 1. Op de uitzendovereenkomst is artikel 668a eerst van toepassing zodra de werknemer in meer dan 26 weken arbeid heeft verricht.

  • 2. In de uitzendovereenkomst kan schriftelijk worden bedongen dat die overeenkomst van rechtswege eindigt doordat de terbeschikkingstelling van de werknemer door de werkgever aan de derde als bedoeld in artikel 690 op verzoek van die derde ten einde komt. Indien een beding als bedoeld in de vorige volzin in de uitzendovereenkomst is opgenomen, kan de werknemer die overeenkomst onverwijld opzeggen.

  • 3. Een beding als bedoeld in lid 2 verliest zijn kracht indien de werknemer in meer dan 26 weken arbeid voor de werkgever heeft verricht. Na het verstrijken van deze termijn vervalt de bevoegdheid van de werknemer tot opzegging als bedoeld in lid 2.

  • 4. Voor de berekening van de termijnen, bedoeld in de leden 1 en 3, worden perioden waarin arbeid wordt verricht die elkaar opvolgen met tussenpozen van minder dan een jaar mede in aanmerking genomen.

  • 5. Voor de berekening van de termijnen, bedoeld in de leden 1 en 3, worden perioden waarin voor verschillende werkgevers arbeid wordt verricht die ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn mede in aanmerking genomen.

  • 6. Dit artikel is niet van toepassing op de uitzendovereenkomst waarbij de werkgever en de derde in een groep zijn verbonden als bedoeld in artikel 24b van Boek 2 dan wel de één een dochtermaatschappij is van de ander als bedoeld in artikel 24a van Boek 2.

  • 7. Van de termijnen bedoeld in de leden 1, 3 en 4 en van lid 5 kan slechts ten nadele van de werknemer worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.

ARTIKEL II

Het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 19452 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel f, komt te luiden:

f. dringende reden voor de werkgever: daden, eigenschappen of gedragingen van de werknemer, welke ten gevolge hebben dat van de werkgever redelijkerwijze niet kan worden gevergd de arbeidsverhouding te laten voortduren.

B

Artikel 6 wordt vervangen door:

Artikel 6

  • 1. De werkgever behoeft voor de opzegging van de arbeidsverhouding voorafgaande toestemming van de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie.

  • 2. De werkgever behoeft deze toestemming niet:

    a. indien de opzegging onverwijld geschiedt om een dringende reden, onder gelijktijdige mededeling van die reden aan de wederpartij ;

    b. tijdens de proeftijd;

    c. indien de opzegging geschiedt ten gevolge van faillissement van de werkgever.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld met betrekking tot de toestemming als bedoeld in het eerste lid.

  • 4. Alvorens een beslissing inzake het verlenen van toestemming krachtens het eerste lid wordt genomen, hoort de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie vertegenwoordigers van de in aanmerking komende organisaties van werkgevers en werknemers, behoudens in bij ministeriële regeling bepaalde gevallen.

  • 5. Onze Minister kan een Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie aanwijzingen geven met betrekking tot de uitoefening van de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming als bedoeld in het eerste lid. Hij treedt daarbij niet in de besluitvorming in individuele gevallen.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen voorzieningen worden getroffen voor het geval een Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie zijn uit dit artikel voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt.

  • 7. De Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie brengt aan Onze Minister verslag uit over de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend. Bij ministeriële regeling worden hieromtrent nadere regels gesteld.

  • 8. De Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie is verplicht aan Onze Minister desgevraagd binnen een daartoe gestelde termijn en op de aangegeven wijze kosteloos alle opgaven te verstrekken betreffende de wijze waarop de bevoegdheid tot het verlenen van de toestemming is uitgeoefend.

  • 9. Van het eerste lid kan bij ministeriële regeling voor bepaalde werknemers of groepen van werknemers voorwaardelijk of onvoorwaardelijk ontheffing of vrijstelling worden verleend.

  • 10. Tegen beslissingen van de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie inzake het verlenen van toestemming op grond van het eerste lid staat geen beroep open bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven.

C

Artikel 9 wordt vervangen door:

Artikel 9

  • 1. Een opzegging zonder de op grond van artikel 6 vereiste toestemming is vernietigbaar.

  • 2. Handelingen in strijd met artikel 8, eerste lid, zijn vernietigbaar.

  • 3. De werknemer kan gedurende zes maanden een beroep op deze vernietigingsgrond doen.

D

In artikel 10, eerste lid, wordt «goedkeuring» vervangen door: toestemming.

E

Artikel 27 vervalt.

F

Artikel 32 wordt vervangen door:

Artikel 32

Onze Minister kan bevoegdheden, welke krachtens dit besluit aan hem of aan de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie toekomen, overdragen aan organisaties uit het bedrijfsleven.

ARTIKEL III

De Wet op de ondernemingsraden3 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 21 vervallen: de aanduiding «1» voor het eerste lid en het tweede tot en met zesde lid.

B

In artikel 36 vervallen in het derde lid de woorden: , met uitzondering van artikel 21, derde en vijfde lid.

ARTIKEL IV

De Arbeidsomstandighedenwet4 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 8, vijfde lid, vervalt het gedeelte na de eerste zin.

B

Artikel 15, achtste lid, komt te luiden:

  • 8. Ten aanzien van de leden en de gewezen leden van een arbocommissie is artikel 21 van de Wet op de ondernemingsraden van overeenkomstige toepassing.

C

In artikel 15, negende lid, vervallen na de woorden «het zevende lid en» de woorden: de eerste zin van. Na «21» vervallen de woorden: , eerste lid, tweede volzin,.

ARTIKEL V

De Wet melding collectief ontslag5 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, onderdeel c, komt te luiden:

c. bevoegd gezag: de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie dan wel een organisatie uit het bedrijfsleven waaraan door Onze Minister op grond van artikel 32 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming krachtens artikel 6, eerste lid, van dat Besluit is overgedragen.

B

Na artikel 6 wordt een nieuw artikel toegevoegd, luidende:

Artikel 6a

Indien de melding wordt ondersteund door een verklaring van de belanghebbende verenigingen van werknemers dat zij zijn geraadpleegd, worden de verzoeken onmiddellijk in behandeling genomen.

C

Artikel 7, vierde lid, komt te luiden:

  • 4. Artikel 6, tweede, derde en vierde lid, en artikel 6a zijn van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL VI

De Werkloosheidswet6 wordt gewijzigd als volgt:

A

In artikel 16 worden een nieuw derde en vierde lid ingevoegd, luidende:

  • 3. Met het recht op onverminderde doorbetaling van zijn loon, bedoeld in het eerste lid, worden gelijkgesteld de inkomsten waarop de werknemer recht heeft in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking, tot aan het bedrag aan loon dat de werknemer zou hebben ontvangen indien de dienstbetrekking door opzegging met inachtneming van de voor de werkgever geldende termijn zou zijn geëindigd. Onder inkomsten als bedoeld in de eerste zin wordt niet verstaan een door de rechter toegewezen vergoeding van proceskosten.

    Het hiervoor bedoelde bedrag wordt:

    a. indien de dienstbetrekking door opzegging is geëindigd, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de dienstbetrekking door de werkgever is opgezegd;

    b. indien de dienstbetrekking is geëindigd door ontbinding, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum van de beschikking tot ontbinding;

    c. indien de dienstbetrekking is geëindigd met wederzijds goedvinden, toegerekend aan de periode onmiddellijk volgend op de datum waarop de beëindiging schriftelijk is overeengekomen, dan wel, bij gebrek aan een schriftelijke beëindigingsovereenkomst, aan de periode onmiddellijk volgend op het tijdstip waarop de dienstbetrekking is geëindigd.

    In de situatie, bedoeld onder b, wordt onder de voor de werkgever geldende termijn verstaan de termijn bedoeld in de leden 2 en 4 van artikel 672 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek.

  • 4. Het derde lid vindt geen toepassing indien de werkgever na het einde van dienstbetrekking verkeert in een toestand als bedoeld in artikel 61, eerste lid, en voorzover de werknemer als gevolg van die toestand de in het derde lid bedoelde inkomsten niet ontvangt.

B

Na artikel 24, tweede lid, van de Werkloosheidswet wordt, onder vernummering van het derde tot en met zesde lid tot vierde tot en met zevende lid een nieuw derde lid ingevoegd, luidende:

  • 3. De werknemer is niet verwijtbaar werkloos geworden, indien voor de opzegging van de dienstbetrekking toestemming is verleend krachtens artikel 6 van het Buitengewoon Besluit Arbeidsverhoudingen 1945 en die toestemming uitsluitend is gemotiveerd door bedrijfseconomische omstandigheden.

ARTIKEL VII

De Wet van 2 december 1982, houdende bepalingen ter uitvoering van het Europees Verdrag inzake de rechtspositie van migrerende werknemers, alsmede met betrekking tot de arbeidsvoorwaarden van buitenlandse werknemers (Stb. 1982, 679) wordt als volgt gewijzigd:

1. Boven artikel 1 vervallen de woorden «par. 1 Uitvoering van het Verdrag».

2. Boven artikel 5 vervallen de woorden «par. 2 Arbeidsvoorwaarden van buitenlandse werknemers».

3. Artikel 5 vervalt.

ARTIKEL VIII

De artikelen II en III van de Wet van 14 september 1995 houdende bijzondere bepalingen voor handelsvertegenwoordigers (Stb. 506) vervallen.

ARTIKEL IX

Artikel II van de Wet van 11 september 1991 tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de ontslagbescherming van buitenlandse werknemers (Stb. 1991, 473) wordt als volgt gewijzigd:

1. De aanduiding «1» voor het eerste lid vervalt.

2. Het tweede lid vervalt.

ARTIKEL X

Artikel VI van de Wet van 23 december 1992, houdende enkele correcties in de Pensioen- en spaarfondsenwet en in enige andere wetten (Stb. 1993, 15) vervalt.

ARTIKEL XI

De Wet op de Europese ondernemingsraden7 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3, tweede lid, wordt «4, negende lid» vervangen door: 4, achtste lid.

B

Artikel 4 wordt gewijzigd als volgt:

1. In het eerste lid wordt «het tweede tot en met het achtste lid» vervangen door: het tweede tot en met het zevende lid.

2. Het achtste lid vervalt.

3. Het negende en tiende lid worden vernummerd tot achtste en negende lid.

C

In artikel 5 wordt «artikel 4, eerste tot en met achtste lid» vervangen door: artikel 4, eerste tot en met zevende lid.

ARTIKEL XII

De Faillissementswet8 wordt als volgt gewijzigd:

1. Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt na «wettelijke termijnen» toegevoegd: , met dien verstande echter dat in elk geval de arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd door opzegging met een termijn van zes weken.

b. Het tweede en derde lid vervallen.

c. Het vierde en vijfde lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

2. Artikel 239 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «artikel 672, eerste en tweede lid, » vervangen door: artikel 672 lid 2.

b. In het tweede lid wordt «artikel 672, eerste lid, » vervangen door: artikel 672 lid 3.

ARTIKEL XIII

Aan artikel 12 van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag9 wordt een nieuw lid toegevoegd, dat luidt:

  • 4 Voorzover het loon niet naar tijdruimte is vastgesteld maar afhankelijk is van de uitkomsten van de verrichte arbeid, wordt voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde als arbeidsduur aangemerkt: de tijd, die redelijkerwijs met de uitvoering van de verrichte arbeid is gemoeid.

ARTIKEL XIV

Indien het bij koninklijke boodschap van 19 februari 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Wet op de ondernemingsraden, kamerstukken II 1995/96, nr. 24 61510, tot wet is verheven en in werking is getreden:

A

vervalt in artikel I, onderdeel B: of bij reglement en in onderdeel P: , reglement.

B

wordt aan artikel 670, vierde lid, de volgende zin toegevoegd: Indien de werkgever aan de ondernemingsraad of de personeelsvertegenwoordiging een secretaris heeft toegevoegd, is de eerste volzin op die secretaris van overeenkomstige toepassing.

ARTIKEL XV

Indien het bij koninklijke boodschap van 3 september 1996 ingediende voorstel van wet tot wijziging van titel 7. 10 (arbeidsovereenkomst) van het Burgerlijk Wetboek met betrekking tot het ouderschapsverlof, kamerstukken II 1995/96, nr. 24 86911, tot wet is verheven en in werking is getreden, wordt:

A

Artikel 644, Boek 7, van het Burgerlijk Wetboek als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van lid 8 tot lid 9 wordt een nieuw lid 8 ingevoegd, luidende:

  • 8. Op de berekening van de in lid 2, eerste volzin, bedoelde termijn zijn de artikelen 668a leden 1 en 2, en 672 lid 9 van overeenkomstige toepassing.

2. In het nieuwe lid 9 wordt «en lid 7 » vervangen door: de leden 7 en 8.

3. In het nieuwe lid 9 wordt «bevoegd publiekrechtelijk orgaan» vervangen door: daartoe bevoegd bestuursorgaan.

B

In artikel II, eerste lid, van de Wet op het ouderschapsverlof12 wordt «de artikelen 644, 645 en 673 voor zover de laatste twee artikelen betrekking hebben op artikel 644» vervangen door: artikel 644 alsmede artikel 645 voor zover dit artikel betrekking heeft op artikel 644.

ARTIKEL XVI

  • 1. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen 3 jaar na de inwerkingtreding van deze wet aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van deze wet in de praktijk.

  • 2. Onze Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt na 2 jaar na de inwerkingtreding van deze wet en vervolgens telkens na 4 jaar aan de Staten-Generaal een verslag over de wijze waarop de Regionaal Directeur van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie de bevoegdheid tot het verlenen van toestemming voor de opzegging van de arbeidsverhouding, bedoeld in artikel II, onderdeel B, heeft uitgevoerd.

    OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN

ARTIKEL XVII

Artikel 16, derde en vierde lid, van de Werkloosheidswet zoals deze leden luiden na de inwerkingtreding van artikel VI, onderdeel A, van deze wet, zijn niet van toepassing indien de dienstbetrekking is beëindigd vóór de dag van inwerkingtreding van dit onderdeel.

ARTIKEL XVIII

Indien de dienstbetrekking is beëindigd voor het tijdstip van het inwerkingtreden van deze wet, blijven de bepalingen inzake de beëindiging van de dienstbetrekking met inbegrip van de alstoen terzake van die beëindiging geldende verjaringstermijnen, van toepassing zoals zij golden voor dat tijdstip.

ARTIKEL XIX

  • 1. Op arbeidsovereenkomsten die op de datum van inwerkingtreding van deze wet voldoen aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 668a lid 1, is artikel 668a eerst dan van toepassing, indien een volgende arbeidsovereenkomst wordt aangegaan met een tussenpoos van niet meer dan drie maanden.

  • 2. Op een voor bepaalde tijd aangegane arbeidsovereenkomst die is voortgezet voor de datum van inwerkingtreding van deze wet blijven de bepalingen inzake het beëindigen van de arbeidsovereenkomst van toepassing zoals zij golden voor de datum van inwerkingtreding van deze wet.

ARTIKEL XX

  • 1. Voor de beëindiging van de uitzendovereenkomst waarin een beding als bedoeld in artikel 691 lid 2, is opgenomen en die voor de datum van inwerkingtreding van deze wet is voortgezet, is, in afwijking van artikel XIX lid 2, geen voorafgaande opzegging nodig.

  • 2. Voor uitzendovereenkomsten die zijn aangegaan op of na de datum van inwerkingtreding van deze wet en die voor dat tijdstip aangegane uitzendovereenkomsten opvolgen, worden voor de berekening van de termijnen, bedoeld in artikel 691 leden 1 en 3, die perioden in aanmerking genomen waarin gedurende de drie jaren die voorafgaan aan de datum van de inwerkingtreding van deze wet arbeid is verricht.

  • 3. Van de leden 1 en 2 kan slechts worden afgeweken bij collectieve arbeidsovereenkomst of bij regeling door of namens een daartoe bevoegd bestuursorgaan.

ARTIKEL XXI

Voor de werknemer die op het tijdstip van het in werking treden van deze wet 45 jaar of ouder was en voor wie op dat tijdstip een langere termijn voor opzegging gold dan volgens deze wet, blijft de oude termijn gelden zo lang hij bij dezelfde werkgever in dienst blijft.

ARTIKEL XXII

Op een proeftijd welke is overeengekomen maar nog niet is verstreken op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijven de bepalingen terzake van toepassing zoals zij golden voor dat tijdstip.

ARTIKEL XXIII

  • 1. Voor de plaatsing in het Staatsblad kan Onze Minister van Justitie de nummering van de artikelen en afdelingen van de titel Arbeidsovereenkomst in het Burgerlijk Wetboek, zoals deze titel zal luiden op het tijdstip dat deze wet in werking is getreden, opnieuw vaststellen en de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen en afdelingen met de nieuwe nummering in overeenstemming brengen.

  • 2. Hij draagt zorg dat de overeenkomstig het vorige lid bijgewerkte tekst van de titel Arbeidsovereenkomst in het Staatsblad wordt geplaatst.

ARTIKEL XXIV

De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat deze wet in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

histnoot

Gegeven te 's-Gravenhage, 14 mei 1998

Beatrix

De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid,

A. P. W. Melkert

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager

Uitgegeven de tweede juni 1998

De Minister van Justitie,

W. Sorgdrager


XNoot
1

Laatstelijk gewijzigd bij de wet van 12 maart 1998, Stb. 187.

XNoot
2

Stb. 1963, 271, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 24 december 1997, Stb. 789.

XNoot
3

Stb. 1990, 93, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 9 april 1998, Stb. 241.

XNoot
4

Stb. 1996, 133, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 14 februari 1998, Stb. 107.

XNoot
5

Stb. 1976, 223, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 6 november 1997, Stb. 510.

XNoot
6

Stb. 1987, 93, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 23 april 1998, Stb. 290.

XNoot
7

Stb. 1997, 32.

XNoot
8

Stb. 1893, 140, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 december 1997, Stb. 674.

XNoot
9

Stb. 1968, 657, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 4 december 1997, Stb. 760.

XNoot
10

Stb. 1998, 107.

XNoot
11

Stb. 1997, 266.

XNoot
12

Stb. 1990, 562, laatstelijk gewijzigd bij de wet van 11 september 1997, Stb. 465.

XHistnoot

Zie voor de behandeling in de Staten-Generaal:

Kamerstukken II 1996/97, 1997/98, 25 263.

Handelingen II 1997/98, blz. 1101–1134; 1352–1372; 1668–1687; 1912–1915.

Kamerstukken I 1997/98, 25 263 (132, 132a, 132b, 132c, 132d, 132e, 132f, 132g).

Handelingen I 1997/98, zie vergadering d.d. 28 april 1998 en 12 mei 1998.