Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 7 juli 2021, nr. WJZ/ 21133744, houdende de aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de productie van duurzame energie en klimaattransitie in 2021 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021)

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op artikel 3, tweede lid, van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies en de artikelen 1, eerste lid, onderdeel o, tweede en derde lid, 2, tweede, derde, vierde, vijfde lid en zevende lid, 3, eerste lid, onderdelen a, c en d, tweede lid, onderdelen a en c, derde lid, onderdelen a, c en d, vierde en zesde lid, 6, derde lid, 7, eerste lid, 8, 10, eerste en derde lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, 14, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid, 15, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 25, 27, eerste en derde lid, 28, eerste lid, 29, eerste lid, 31, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid, 32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 42, 43a, eerste en derde lid, 44, eerste lid, 45, eerste lid, 47, eerste lid, onderdeel c, en vijfde lid, 48, derde, vierde, vijfde en zevende lid, 55c, 55e, eerste en derde lid, 55f, eerste lid, 55g, eerste lid, 55i, vierde lid, 55j, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 56, tweede, derde, vijfde, zesde en zevende lid, 57, eerste lid, onderdeel b, 59, tweede en derde lid, 61, eerste, derde en vierde lid, en 62, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

algemene uitvoeringsregeling:

Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

allesvergisting:

biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017, met uitzondering van de nummers 400, 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;

beschermingszone:

beschermingszone als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

besluit:

Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie;

Besluit SDE:

Besluit stimulering duurzame energieproductie, zoals dit luidde op 31 oktober 2020;

biosyngas:

mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;

COP-waarde:

coëfficiënt van prestatie uitgedrukt in de hoeveelheid afgegeven warmte aan de condensorzijde per hoeveelheid opgenomen elektriciteit;

doublet:

combinatie van naast elkaar liggende diepboringen die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;

geavanceerde hernieuwbare brandstof:

biobrandstof als bedoeld in artikel 2, onderdeel 33, van richtlijn (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328) en geproduceerd uit grondstoffen als bedoeld in deel A van bijlage IX bij die richtlijn;

gebouw:

bouwwerk dat een voor mensen toegankelijke overdekte geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt, niet zijnde een bouwwerk dat bedoeld is om voor een periode van ten hoogste vijftien jaar op een bepaalde plaats aanwezig te zijn;

ketel:

installatie waarin brandstof wordt verstookt waarbij de verbrandingswarmte met een warmtewisselaar wordt overgedragen aan een vloeistof;

monomestvergisting:

biologische afbraakreacties van uitsluitend vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren;

minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

netto P50-waarde vollasturen:

aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie moet zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;

nominaal elektrisch rendement:

uitkomst van de deling van het nominaal elektrisch vermogen en;

  • a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor; en

  • b. het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;

nominaal vermogen:

maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte, nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte of hernieuwbaar gas en dat door de leverancier wordt gegarandeerd bij continu gebruik, waarbij in het geval van geothermische productie-installaties het nominaal vermogen moet zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;

NTA 8003:2017:

Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 30 november 2017;

nuttig aangewende warmte:

nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong en certificaten van oorsprong;

nuttig aangewende koolstofdioxide:

nuttig aangewende koolstofdioxide als bedoeld in artikel 1 van de algemene uitvoeringsregeling;

nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte:

nuttig aangewende koolstofdioxide-arme warmte als bedoeld in artikel 1 van de algemene uitvoeringsregeling;

primaire waterkering:

primaire waterkering als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

restwarmte:

onvermijdelijke thermische energie die als bijproduct in de bedrijfsvoering van een onderneming wordt opgewekt en die zonder nuttige aanwending ongebruikt terecht zou komen in lucht of water en die op het moment van indienen van de aanvraag niet nuttig wordt aangewend;

richtlijn (EU) 2018/2001:

richtlijn nr. (EU) 2018/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PbEU 2018, L 328);

SBI-code:

code, opgenomen in de Standaard Bedrijfs Indeling 2008, Versie 2018, Update 2021;

stadsverwarming:

warmtelevering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Warmtewet, waarbij door een producent de warmte voor ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen van gebouwen wordt geleverd;

thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa:

omzetting van vaste of vloeibare biomassa door:

  • a. verbranding;

  • b. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a in het geval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of

  • c. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;

valhoogte:

verschil in waterpeil voor en achter een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door waterkracht waarbij het nominaal vermogen wordt benut;

verwarming van gebouwde omgeving:

stadsverwarming of ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen in een gebouw, niet zijnde een kas, waarbij de producent de warmte rechtstreeks levert aan dat gebouw;

voorliggende waterkering:

voorliggende waterkeringen als genoemd in de paragrafen 5.2.4 tot en met 5.7.4 van bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

waterstaatswerk:

waterstaatswerk als bedoeld in appendix B bij bijlage I bij de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2:

harde zeewering en zachte zeewering van Maasvlakte 2 als bedoeld in bijlage 1 bij de concessie aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te Rotterdam, bij Koninklijk Besluit van 23 mei 2008, nr. 08.001524.

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

  • 1. Het subsidieplafond bedraagt € 5.000.000.000 voor het verlenen van subsidies die worden aangevraagd in de periode van 5 oktober 2021, 09:00 uur, tot 11 november 2021, 17:00 uur, voor:

    • a. de productie van hernieuwbare elektriciteit op grond van artikel 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, of 23, eerste lid;

    • b. de productie van hernieuwbaar gas op grond van artikel 25, 27, 29, eerste lid, 31 of 33;

    • c. de productie van hernieuwbare warmte of al dan niet gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte op grond van artikel 35, eerste lid, 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid, 59, eerste lid, of 61; of

    • d. de vermindering van broeikasgas op grond van artikel 63, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 73, eerste lid, 75, eerste lid, 77, eerste lid, 79, eerste lid, 81, eerste lid, 83, eerste lid, of 85, eerste lid.

  • 2. De minister verdeelt het subsidieplafond op volgorde van ontvangst van de aanvragen.

  • 3. Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.

Artikel 3

  • 1. De maximale vermindering van broeikasgas in kg die in aanmerking komt voor subsidies voor de afvang en permanente opslag van koolstofdioxide op grond van artikel 83, eerste lid, die worden aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 2, eerste lid, bedraagt, gerekend voor de hele looptijd van die subsidies:

    • a. 70.500.000.000 kg voor de koolstofdioxide afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 35.2, 35.3 of 38: en

    • b. 45.000.000.000 kg voor de koolstofdioxide afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 35.1; of voor de koolstofdioxide afkomstig van economische activiteiten met SBI-code 35.1 die vrijkomt bij de verbranding van een bijproduct afkomstig van door subsidieontvangers uitgevoerde economische activiteiten met SBI-code 06, 08 tot en met 33, 35.2, 35.3 of 38.

  • 2. Indien bij een subsidie als bedoeld in het eerste lid, de koolstofdioxide deels afkomstig is als bijproduct van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en deels van een activiteit als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, wordt alle koolstofdioxide toegerekend:

    • a. aan de maximale vermindering van broeikasgas in kg, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b; en vervolgens

    • b. aan de maximale vermindering van broeikasgas, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a.

  • 3. De maximale vermindering van broeikasgas die in aanmerking komt voor subsidies voor de productie van geavanceerde hernieuwbare brandstof op grond van artikel 81, eerste lid, die worden aangevraagd in de periode, genoemd in artikel 2, eerste lid, komt overeen met 7.400.000.000 kWh, gerekend voor de hele looptijd van de subsidies.

Artikel 4

  • 1. De minister beslist afwijzend op een aanvraag, indien:

    • a. geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie kan worden overgelegd met gebruikmaking van het middel dat door de minister beschikbaar wordt gesteld;

    • b. geen gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht voor de beoogde locatie voor het plaatsen van de productie-installatie kan worden overgelegd;

    • c. de subsidie-aanvrager voor de investering in de productie-installatie beschikt over een verklaring van de minister dat sprake is van energie-investeringen op grond van artikel 3.42, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001;

    • d. voor dezelfde productie-installatie reeds subsidie is verstrekt op grond van de Subsidieregeling coöperatieve energieopwekking.

Artikel 5

  • 1. Een subsidie als bedoeld in de artikelen 83, eerste lid, onderdelen e tot met n, en 85, eerste lid, onderdelen a, b, c, en f tot en met m, of een subsidie van meer dan € 400.000.000,- wordt verleend onder de volgende opschortende voorwaarden:

    • a. binnen twee weken na afgifte van de betreffende beschikking tot subsidieverlening een uitvoeringsovereenkomst is tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger;

    • b. de subsidieontvanger heeft binnen vier weken na afgifte van de beschikking tot subsidieverlening aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.

  • 2. Voor het opstellen van de uitvoeringsovereenkomst als bedoeld in het eerste lid wordt gebruik gemaakt van het in bijlage 1 opgenomen model.

  • 3. Het eerste lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.

  • 4. Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het eerste lid bij elkaar opgeteld de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 48, eerste lid, van het besluit of het Besluit SDE, van die beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt, nog niet is aangevangen.

Artikel 6

  • 1. Als te renoveren productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verstrekt als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 11, onderdeel c.

  • 2. Als productie-installaties die als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit worden aangewezen:

    • a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas door biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 27;

    • b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 39; en

    • c. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biomassa wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 43 en 57, eerste lid.

  • 3. Als productie-installaties waarvoor subsidie wordt verstrekt indien deze geheel of deels bestaat uit gebruikte materialen als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit worden aangewezen:

    • a. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, 31 en 33;

    • b. productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51 eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid en 61, onderdeel f;

    • c. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 77, eerste lid;

    • d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in artikel 83, eerste lid; en

    • e. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.

Artikel 7

  • 1. Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, en 21, eerste lid. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 2. Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 15, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikel 23, eerste lid. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt. Bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid van het besluit, wordt de productie verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.

  • 3. Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, 31 en 33. Het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 4. Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 35, eerste lid, 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55 en 57, eerste lid, 59, eerste lid en 61.

  • 5. Voor de productie-installaties, bedoeld in het vierde lid, wordt het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 6. Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 55j, derde en vierde lid, van het besluit worden aangewezen:

    • a. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 63, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 75, eerste lid, en 77, eerste lid;

    • b. productie-installaties waarmee geavanceerde hernieuwbare brandstof wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 81, eerste lid;

    • c. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in artikel 83, eerste lid; en

    • d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.

  • 7. Voor de productie-installatie, bedoeld in het zesde lid, wordt het verschil in kg verminderde broeikasgas dat bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 55j, vierde lid, van het besluit, gemaximeerd op 25% van het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 8. Als productie-installaties waarvoor het verschil in kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 55j, derde lid, van het besluit worden aangewezen:

    • a. productie-installaties waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 73, eerste lid; en

    • b. productie-installaties waarmee waterstof wordt geproduceerd als bedoeld in artikel 79, eerste lid.

Artikel 8

  • 1. Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit worden aangewezen productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25, 27, 29, eerste lid, 31 en 33.

  • 2. Als productie-installaties waarvoor de producent kan aantonen dat hij hernieuwbaar gas heeft geproduceerd waarmee hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit is geproduceerd, als bedoeld in artikel 32, zevende lid, van het besluit worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, 39 en 41, eerste lid.

Artikel 9

  • 1. Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 15, zesde lid, van het besluit worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt opgewekt als bedoeld in de artikelen 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, en 23, eerste lid.

  • 2. Als productie-installaties waarvoor het aantal kWh kan worden opgeteld waarvoor garanties van oorsprong voor niet-netlevering zijn verstrekt als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit worden productie-installaties aangewezen waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37, onderdelen b, d en f, 39, onderdelen b en d, 41, eerste lid, onderdeel b, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55 en 57, eerste lid.

Artikel 10

Als productie-installaties waarvoor een gebundelde aanvraag kan worden ingediend als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit worden aangewezen:

  • a. productie-installaties waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid en 21, eerste lid;

  • b. productie-installaties waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 25 en 27;

  • c. productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd als bedoeld in de artikelen 37 en 39;

  • d. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en permanent opgeslagen als bedoeld in artikel 83, eerste lid; en

  • e. productie-installaties waarmee koolstofdioxide wordt afgevangen en gebruikt als bedoeld in artikel 85, eerste lid.

§ 3 Categorieën

§ 3.1 Hernieuwbare elektriciteit

§ 3.1.1. Waterkracht
Artikel 11

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële of kinetische energie van stromend water, dat niet specifiek voor de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:

  • a. in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter;

  • b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter; of

  • c. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.

Artikel 12
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 11, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.2. Osmose
Artikel 13

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.

Artikel 14
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 13, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.3. Wind op land
Artikel 15
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie:

    • a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 17, 19 en 21;

    • b. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en

    • c. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

      • 1°. ≥ 8,5 m/s;

      • 2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;

      • 3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

      • 4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

      • 5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

      • 6°. < 6,75 m/s.

  • 2. De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

  • 3. Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

    • a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

    • b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van het indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

Artikel 16
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 15, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.4. Wind op land met hoogtebeperking
Artikel 17
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie:

    • a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie;

    • b. met een tiphoogte kleiner dan of gelijk aan 150 meter;

    • c. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en

    • d. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

      • 1°. ≥ 8,5 m/s;

      • 2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;

      • 3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

      • 4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

      • 5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

      • 6°. < 6,75 m/s.

  • 2. De productie-installatie is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

  • 3. Op de locatie van de productie-installatie is sprake van een hoogterestrictie bij of krachtens landelijke wet- en regelgeving in verband met de aanwezigheid van een luchthaven in de omgeving waardoor de windturbine een tiphoogte heeft van kleiner dan of gelijk aan 150 meter.

  • 4. Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van een aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

    • a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

    • b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

Artikel 18
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 17, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.5. Wind op waterkering
Artikel 19
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie:

    • a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie;

    • b. die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, dan wel in de harde zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2;

    • c. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A; en

    • d. die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2019, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

      • 1°. ≥ 8,5 m/s;

      • 2°. ≥ 8,0 en < 8,5 m/s;

      • 3°. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

      • 4°. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

      • 5°. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

      • 6°. < 6,75 m/s.

  • 2. Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van het indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

    • a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

    • b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

Artikel 20
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 19, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.6. Wind in meer
Artikel 21
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie:

    • a. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie;

    • b. waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat; en

    • c. die is aangesloten op een elektriciteitsnet met een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A.

  • 2. Indien de productie-installatie wordt opgericht op een locatie waar op het moment van indienen van de aanvraag een windturbine staat of heeft gestaan, verstrekt de minister de subsidie uitsluitend indien:

    • a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

    • b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging ten minste vijftien jaar op die locatie in gebruik is geweest en op het moment van indienen van de aanvraag ten minste dertien jaar geleden in gebruik is genomen.

Artikel 22
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 21, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.7. Fotovoltaïsche zonnepanelen
Artikel 23
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A:

    • a. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht;

    • b. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 15 kWp en kleiner dan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan of op water drijven;

    • c. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht;

    • d. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan;

    • e. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen, niet met een gebouw verbonden, op land staan, en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem;

    • f. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op water drijven; of

    • g. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op water drijven en automatisch met de stand van de zon meebewegen door middel van een zonvolgsysteem.

  • 2. Voor de werking van dit artikel wordt onder gebouw tevens verstaan een aan de grond gebonden overkapping ten behoeve van het tegen weersinvloeden beschermd parkeren van voertuigen.

Artikel 24
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen a en b, binnen twee jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdeel c, binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 4. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen d, e, f en g, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 5. Artikel 3, eerste lid, van de algemene uitvoeringsregeling is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 23, eerste lid, onderdelen a en b.

§ 3.2. Hernieuwbaar gas

§ 3.2.1. Biomassavergisting
Artikel 25

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:

  • a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

  • b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een productie-installatie met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

  • c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een productie-installatie met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is.

Artikel 26
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 25, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.2.2. Biomassavergisting, verlengde levensduur
Artikel 27

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie waarmee:

  • a. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd met een productie-installatie waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;

  • b. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;

  • c. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen; of

  • d. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbaar gas wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt als productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.

Artikel 28
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 27, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. Een subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.2.3. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties
Artikel 29
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib:

    • a. waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering; en

    • b. waarbij ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie van biogas nieuw zijn.

  • 2. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

Artikel 30
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 29, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer hij minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in de productie-installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.2.4. Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting
Artikel 31

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is.

Artikel 32
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 31, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in de productie-installatie met een totaal nominaal thermisch uitgangsvermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.2.5. Biomassavergassing
Artikel 33

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas door middel van vergassing, waarbij ten minste de vergasser nieuw is, uit:

  • a. biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017; of

  • b. biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van B-Hout als bedoeld in nummers 100, 150, 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017.

Artikel 34
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 33, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch vermogen van de gasopwaardeerinstallatie gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte overige biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

§ 3.3.1. Zonthermie voor hernieuwbare warmte
Artikel 35
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie die uitsluitend voorziet in de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, en waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van kassen of fotovoltaïsche zonnepanelen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een totaal thermisch vermogen:

    • a. groter dan of gelijk aan 140 kWth en kleiner dan 1 MWth; of

    • b. groter dan of gelijk aan 1 MWth.

  • 2. Het vermogen in kWth van de productie-installatie wordt berekend door de apertuuroppervlakte in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.

  • 3. De subsidie wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies subsidie is verstrekt.

Artikel 36
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 35, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen drie jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

§ 3.3.2. Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 37

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:

  • a. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

  • b. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

  • c. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

  • d. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

  • e. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

  • f. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt.

Artikel 38
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 37, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.3.3. Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking, verlengde levensduur
Artikel 39

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee:

  • a. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;

  • b. uitsluitend door middel van allesvergisting hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen;

  • c. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen; of

  • d. uitsluitend door middel van monomestvergisting met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.

Artikel 40
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 39, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/200.

§ 3.3.4. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 41
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering:

    • a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn; of

    • b. waarmee hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn.

  • 2. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

Artikel 42
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 41, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 4. De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

  • 5. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie voor de opwekking van warmte of gecombineerde opwekking van warmte en elektriciteit met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 2 MW gebruikte biomassa voldoet aan het broeikasgasemissiereductiecriterium, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/200.

§ 3.3.5. Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 43

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa als bedoeld in de nummers 512, 514, 517, 518, 543, 545, 550 tot en met 579, 587, 594, 595 en 800 tot en met 809 van de NTA 8003: 2017, met een brander in een ketel.

Artikel 44
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 43, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

§ 3.3.6. Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 45
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en kleiner dan 5 MWth waarbij ten minste de ketel nieuw is.

  • 2. Een productie-installatie met een vermogen kleiner dan 1 MWth stoot per normaal kubieke meter minder dan 15 milligram stof, minder dan 275 milligram stikstofoxiden en minder dan 60 milligram zwaveldioxiden uit.

  • 3. Een productie-installatie met een groter dan of gelijk aan 1 MWth stoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 145 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak bij toepassing van selectieve katalytische reductie of minder dan 10 milligram ammoniak bij toepassing van selectieve niet-katalytische reductie.

Artikel 46
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 45, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 5. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

  • 6. Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017 nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003: 2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

§ 3.3.7. Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 47
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:

    • a. ten hoogste 4.500 vollasturen per jaar bedraagt;

    • b. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt;

    • c. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt;

    • d. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt;

    • e. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt;

    • f. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt;

    • g. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt;

    • h. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of

    • i. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.

  • 2. De productie-installatie stoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.

Artikel 48
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 47, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 5. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

  • 6. Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017 nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003: 2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

§ 3.3.8. Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 49
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van biomassa als bedoeld in NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.

  • 2. De productie-installatie stoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.

Artikel 50
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 49, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 5. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

  • 6. Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017 nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003: 2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

§ 3.3.9. Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor verwarming van gebouwde omgeving
Artikel 51
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 10 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is waarin:

    • a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

    • b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of

    • c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.

  • 2. De productie-installatiestoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.

Artikel 52
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 51, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 5. De subsidieontvanger levert de warmte uitsluitend ten behoeve van de verwarming van gebouwde omgeving.

  • 6. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.

  • 7. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

§ 3.3.10. Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 53
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin:

    • a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

    • b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of

    • c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.

  • 2. De productie-installatiestoot per normaal kubieke meter minder dan 5 milligram stof, minder dan 100 milligram stikstofoxiden, minder dan 60 milligram zwaveldioxiden en minder dan 5 milligram ammoniak uit.

Artikel 54
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 53, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat ten minste 97% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 5. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.

§ 3.3.11. Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 55

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MWth waarin:

  • a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

  • b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt; of

  • c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld in onderdelen a en b.

Artikel 56
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 55, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de algemene uitvoeringsregeling.

§ 3.3.12. Verlengde levensduur voor ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 57
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarvoor reeds subsidie op grond van het Besluit SDE is verstrekt en waarvoor op het moment van aanvraag ten minste negen jaar voordien de subsidieperiode is aangevangen.

  • 2. De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.

Artikel 58
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 57, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

  • 4. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa, dan wel de in een installatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen gelijk aan of groter dan 20 MW gebruikte vaste biomassa, voldoet aan de duurzaamheids- en broeikasgasemissiereductiecriteria, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2018/2001.

  • 5. Als gebruik wordt gemaakt van houtige biomassa als bedoeld in de NTA 8003:2017 nummers 100 tot en met 199 van de NTA 8003: 2017, draagt de subsidieontvanger er zorg voor dat de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

§ 3.3.13. Composteringsinstallatie op champost voor hernieuwbare warmte
Artikel 59
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte die vrijkomt bij het composteren van uitsluitend biomassa als bedoeld in nummer 256 van de NTA 8003: 2017 in een gesloten ruimte onder geconditioneerde omstandigheden, met een vermogen van ten minste 500 kWth.

  • 2. De biomassa die in de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt toegepast, is voor ten minste 97% van de energetische waarde biogeen.

Artikel 60
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 59, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

§ 3.3.14. Geothermie voor hernieuwbare warmte
Artikel 61

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:

  • a. een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter;

  • b. een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter;

  • c. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 1.500 meter hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die wordt aangewend voor verwarming van gebouwde omgeving;

  • d. een productie-installatie met een vermogen tot 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van ten minste 1.500 meter;

  • e. een productie-installatie met een vermogen van ten minste 20 MW, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van tenminste 1.500 meter;

  • f. een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a, b, d of e, waarvoor op het moment van aanvragen reeds een subsidie is verleend op grond van het besluit of het Besluit SDE, die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put met een diepte van ten minste 1.500 meter; of

  • g. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 4.000 meter.

Artikel 62
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 61, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 54, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger draagt er zorg voor dat de opgewekte hernieuwbare warmte, die voor subsidie in aanmerking komt, wordt aangewend als nuttig aangewende warmte.

§ 3.4. Andere technieken ter vermindering van broeikasgas

§ 3.4.1. Geothermie voor koolstofdioxide-arme warmte
Artikel 63

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door:

  • a. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter en kleiner dan 1.500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth; of

  • b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee koolstofdioxide-arme warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter en kleiner dan 1.500 meter, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth en de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving.

Artikel 64
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 63, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.2. Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater
Artikel 65

De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit drinkwater of oppervlaktewater die niet wordt gebruikt voor koudelevering, waarbij de warmte wordt opgewaardeerd door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth, met een seizoensopslag van warmte en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:

  • a. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving;

  • b. ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt en de productie-installatie uitsluitend warmte levert voor verwarming van gebouwde omgeving; of

  • c. ten hoogste 3.500 vollasturen per jaar bedraagt.

Artikel 66
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 65, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.3. Thermische energie uit afvalwater
Artikel 67
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte onttrokken uit afvalwater door middel van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 3,0 en met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

  • 2. De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, levert uitsluitend warmte aan gebouwde omgeving en wordt niet gebruikt voor koudelevering.

Artikel 68
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 67, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.4. Zonthermie voor warmte met toepassing in daglichtkas
Artikel 69
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte uit zonne-energie die integraal onderdeel uitmaakt van een nieuwe tuinbouwkas.

  • 2. De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid:

    • a. maakt gebruik van een optisch en zonvolgend systeem waarbij zonlicht wordt geconcentreerd op collectorbuizen met een thermisch vermogen dat ten minste vier keer het nominaal thermisch vermogen van de warmtepomp bedraagt;

    • b. heeft een seizoensopslag van warmte;

    • c. wordt niet gebruikt voor koudelevering; en

    • d. maakt gebruik van een warmtepomp met een COP-waarde van ten minste 5,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

Artikel 70
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 69, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.5. Zonthermie voor warmte door middel van pvt-collectoren
Artikel 71
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie die voorziet in de productie van warmte uit zonne-energie en buitenluchtwarmte door middel van zonnecollectoren die warmte en stroom produceren, waarbij de warmte wordt aangewend voor de verwarming van gebouwde omgeving.

  • 2. De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, maakt gebruik van een water-water-warmtepomp van minimaal 500 kWth en een COP-waarde van ten minste 3.0, waarbij de oppervlakte aan fotovoltaïsch-thermische panelen minimaal 1,2 m2 per kWth aan vermogen van de warmtepomp bedraagt.

Artikel 72
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 71, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.6. Elektroboiler voor warmte
Artikel 73
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van elektriciteit in een ketel.

  • 2. De productie-installatie heeft een nominaal thermisch vermogen van ten minste 5 MWth, waarbij de geproduceerde warmte wordt toegepast in een verwarmingssysteem met een aanvoertemperatuur aan de gebruikerszijde van ten minste 100 °C in het stookseizoen of in een stoomsysteem.

  • 3. Het vermogen van de aansluiting op het elektriciteitsnet is ten minste even groot als het vermogen van de elektroboiler.

  • 4. Het vermogen van de elektroboiler is niet groter dan het thermisch vermogen van de op de locatie aanwezige boilers die gestookt worden op fossiele brandstoffen en het maximale thermische vermogen dat zij gelijktijdig kunnen leveren.

Artikel 74
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 73, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.7. Industriële warmtepomp
Artikel 75
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte door middel van:

    • a. een gesloten warmtepomp of compressiewarmtepomp met een COP-waarde van ten minste 2,3 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth; of

    • b. een open warmtepomp of mechanische damprecompressie-installatie met een COP-waarde van ten minste 2,3 en ten hoogste 12,0 en een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth.

  • 2. De productie-installatie produceert warmte die op dezelfde locatie wordt gebruikt voor een industriële toepassing en levert geen koude.

Artikel 76
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 75, eerste lid, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.8. Restwarmtebenutting
Artikel 77
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van koolstofdioxide-arme warmte geproduceerd door een productie-installatie waarmee restwarmte wordt uitgekoppeld met een thermisch vermogen van ten minste 2 MWth en naar een andere locatie wordt getransporteerd waar deze warmte nuttig wordt aangewend en waarbij ten minste de warmtewisselaar bij de uitkoppeling nieuw is, waarbij transport plaatsvindt met behulp van een transportleiding:

    • a. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,20 en < 0,30;

    • b. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,30 en < 0,40;

    • c. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,40 en < 0,50;

    • d. met een verhouding van kilometer nieuw aan te leggen transportleiding per MWth outputvermogen van de productie-installatie en andere op de transportleiding invoedende installaties van ≥ 0,50; of

    • e. waarbij de warmte wordt opgewaardeerd met een nieuwe warmtepomp met een nominaal thermisch vermogen van ten minste 500 kWth en een COP-waarde van ten minste 3,0.

  • 2. De levering van stoom wordt uitgesloten van subsidie.

Artikel 78
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 77, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.9. Waterstof uit elektrolyse
Artikel 79
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van waterstof geproduceerd door een productie-installatie die waterstof produceert met behulp van elektrolyse met een nominale capaciteit van ten minste 500 kW.

  • 2. De productie-installatie is in staat om, terwijl deze gereed is voor gebruik, minder dan 1% elektriciteit te verbruiken van het maximale vermogen van de productie-installatie.

Artikel 80
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 79, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.10. Geavanceerde hernieuwbare brandstof
Artikel 81
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van geavanceerde hernieuwbare brandstof, die in Nederland worden geleverd aan wegvoertuigen of binnenvaartschepen en wordt ingeboekt in het register hernieuwbare energie vervoer, bedoeld in paragraaf 9.7.5 van de Wet milieubeheer, en die wordt geproduceerd door een productie-installatie waarmee:

    • a. bioethanol wordt geproduceerd uit vaste lignocellulosehoudende biomassa, waarvan maximaal 50% B-Hout is als bedoeld in nummers 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017;

    • b. bioLNG wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting;

    • c. bioLNG wordt geproduceerd door middel van allesvergisting, of

    • d. diesel- en benzinevervangers worden geproduceerd uit gehydrogeneerde pyrolyse-olie uit vaste lignocellulosehoudende biomassa, waarvan maximaal 50% B-Hout is als bedoeld in nummers 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017.

  • 2. De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdelen b en c, maakt uitsluitend gebruik van grondstoffen bedoeld in deel A van bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.

  • 3. De productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, onderdeel a en d, maakt uitsluitend gebruik van vaste grondstoffen bedoeld onder o) met uitzondering van zwart residuloog, bruin residuloog, vezelslib, lignine en tallolie, en q) van deel A van Bijlage IX bij de richtlijn (EU) 2018/2001.

Artikel 82
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdelen a en d, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidie, bedoeld in artikel 81, eerste lid, onderdelen b en c, wordt voor een periode van twaalf jaar verstrekt.

  • 3. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vier jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.11. Vermindering broeikasgas door afvang en permanente opslag van koolstofdioxide
Artikel 83
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en permanent opslaat of doet opslaan door een vergunninghouder als bedoeld in artikel 16.5 van de Wet milieubeheer, in een ondergronds opslagvoorkomen voor koolstofdioxide waarbij:

    • a. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de compressor nieuw is;

    • b. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de compressor nieuw is;

    • c. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 4.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide;

    • d. het aantal subsidiabele vollasturen ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt, de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is;

    • e. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn.

    • f. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

    • g. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat bij een op het moment van indienen bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

    • h. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat bij een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

    • i. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, waarbij de producent valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

    • j. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide, waarbij de producent niet valt onder het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

    • k. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

    • l. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

    • m. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een nieuw verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn; of

    • n. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een nieuw verbrandingsproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn.

  • 2. Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, i, j, k, l of m.

  • 3. Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel c, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 85, eerste lid, aanhef en onderdeel b, g, j of m.

Artikel 84
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 83, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.4.12. Vermindering broeikasgas door afvang en gebruik van koolstofdioxide
Artikel 85
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent die met een productie-installatie koolstofdioxide afvangt en gebruikt of doet gebruiken ter vermindering van broeikasgas door middel van nuttig aangewende koolstofdioxide en:

    • a. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

    • b. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

    • c. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide, de compressor en de transportleiding nieuw zijn;

    • d. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de vervloeiingsinstallatie nieuw is;

    • e. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaand productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de compressor en de transportleiding nieuw zijn;

    • f. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

    • g. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

    • h. de afvang van koolstofdioxide gebeurt in een nieuw productieproces, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide, de compressor en de transportleiding nieuw zijn;

    • i. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de compressor nieuw zijn;

    • j. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn;

    • k. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande afvalverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een transportleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide, de compressor en de transportleiding nieuw zijn;

    • l. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande biomassaverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van gasvormig transport van koolstofdioxide door een buisleiding en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide nieuw is; of

    • m. de afvang van koolstofdioxide die ontstaat door een verbrandingsproces gebeurt in een op het moment van indienen van de aanvraag bestaande biomassaverbrandingsinstallatie, gebruik wordt gemaakt van vloeibaar transport van koolstofdioxide en ten minste de installatie voor de afvang van koolstofdioxide en de vervloeiingsinstallatie nieuw zijn.

  • 2. Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel a, b, c, f, g, h, i, j, k, l of m, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 83, aanhef en onderdeel a.

  • 3. Een productie-installatie als bedoeld in het eerste lid, aanhef en onderdeel b, g, j of m, kan worden gecombineerd met een productie-installatie als bedoeld in artikel 83, aanhef en onderdeel c.

Artikel 86
  • 1. De subsidie, bedoeld in artikel 85, eerste lid, wordt voor een periode van vijftien jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie binnen vijf jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 4. Fasebedragen

Artikel 87

  • 1. Voor de fase, genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel, wordt:

    • a. de periode waarbinnen de aanvragen ontvangen moeten zijn, vastgesteld van de datum, genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum, genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase; de vierde fase sluit op 11 november 2021, 17:00 uur;

    • b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, 27, eerste lid, 43a, eerste lid, en 55e, eerste lid, van het besluit, per respectieve fase vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.

    1

    2

    3

    fase

    periode openstelling

    fasebedrag in euro/1.000 kg broeikasgas

    1

    Van 5 oktober 2021, 9:00 uur tot 11 oktober 2021, 17:00 uur

    60

    2

    Van 11 oktober 2021, 17:00 uur tot 25 oktober 2021, 17:00 uur

    80

    3

    Van 25 oktober 2021, 17:00 uur tot 8 november 2021 17:00 uur

    115

    4

    8 november 2021 17:00 uur tot 11 november 2021 17:00 uur

    300

  • 2. Voor de fase 1 tot en met 4, bedoeld in het eerste lid, wordt in afwijking van het fasebedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid, het omgerekende fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, artikel 27, eerste lid en 43a, eerste lid en 55e, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking en vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het respectievelijk in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van onderstaande tabellen genoemde bedrag.

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    Artikel regeling

    Categorie

    Fasebedrag in euro/kWh

    Fase 1

    Fase 2

    Fase 3

    Fase 4

    Artikel 11, onderdeel a

    Waterkracht, valhoogte < 50 cm

    0,0579

    0,0622

    0,0697

    0,1097

    Artikel 11, onderdeel b

    Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm

    0,0579

    0,0622

    0,0697

    0,1097

    Artikel 11, onderdeel c

    Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie

    0,0579

    0,0622

    0,0697

    0,0975

    Artikel 13

    Osmose

    0,0579

    0,0622

    0,0697

    0,1097

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1⁰

    Wind op land, ≥ 8,5 m/s

    0,0390

    0,0390

    0,0390

    0,0390

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2⁰

    Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s

    0,0406

    0,0406

    0,0406

    0,0406

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3⁰

    Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

    0,0435

    0,0435

    0,0435

    0,0435

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4⁰

    Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

    0,0439

    0,0475

    0,0475

    0,0475

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5⁰

    Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

    0,0439

    0,0482

    0,0501

    0,0501

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6⁰

    Wind op land, < 6,75 m/s

    0,0439

    0,0482

    0,0543

    0,0543

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1⁰

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s

    0,0439

    0,0444

    0,0444

    0,0444

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2⁰

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s

    0,0439

    0,0467

    0,0467

    0,0467

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3⁰

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

    0,0439

    0,0482

    0,0505

    0,0505

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4⁰

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

    0,0439

    0,0482

    0,0550

    0,0550

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5⁰

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

    0,0439

    0,0482

    0,0557

    0,0583

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6⁰

    Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s

    0,0439

    0,0482

    0,0557

    0,0627

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1⁰

    Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s

    0,0424

    0,0424

    0,0424

    0,0424

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2⁰

    Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s

    0,0439

    0,0442

    0,0442

    0,0442

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3⁰

    Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

    0,0439

    0,0472

    0,0472

    0,0472

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4⁰

    Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

    0,0439

    0,0482

    0,0514

    0,0514

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5⁰

    Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

    0,0439

    0,0482

    0,0548

    0,0548

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6⁰

    Wind op waterkering, < 6,75 m/s

    0,0439

    0,0482

    0,0557

    0,0592

    Artikel 21, eerste lid

    Wind in meer, water ≥ 1 km2

    0,0439

    0,0482

    0,0557

    0,0590

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel a

    Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden

    0,0704

    0,0724

    0,0724

    0,0724

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel b

    Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land of drijvend op water

    0,0660

    0,0685

    0,0685

    0,0685

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel c

    Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden

    0,0588

    0,0631

    0,0655

    0,0655

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel d

    Zon-PV ≥ 1 MWp, op land

    0,0503

    0,0546

    0,0590

    0,0590

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel e

    Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water

    0,0503

    0,0546

    0,0621

    0,0693

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel f

    Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op land

    0,0503

    0,0546

    0,0590

    0,0590

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel g

    Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water

    0,0503

    0,0546

    0,0621

    0,0693

    Artikel 25, onderdeel a

    Allesvergisting, gas

    0,0313

    0,0349

    0,0413

    0,0661

    Artikel 25, onderdeel b

    Monomestvergisting > 400 kW, gas

    0,0404

    0,0472

    0,0589

    0,0722

    Artikel 25, onderdeel c

    Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas

    0,0404

    0,0472

    0,0589

    0,0930

    Artikel 27, onderdeel a

    Allesvergisting verlengde levensduur, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

    0,0313

    0,0349

    0,0413

    0,0575

    Artikel 27, onderdeel b

    Allesvergisting verlengde levensduur, gas

    0,0313

    0,0349

    0,0413

    0,0543

    Artikel 27, onderdeel c

    Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

    0,0404

    0,0472

    0,0589

    0,0794

    Artikel 27, onderdeel d

    Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas

    0,0404

    0,0472

    0,0589

    0,0722

    Artikel 29, eerste lid

    RWZI verbeterde slibgisting, gas

    0,0313

    0,0349

    0,0413

    0,0752

    Artikel 31

    RWZI bestaande slibgisting (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

    0,0313

    0,0319

    0,0319

    0,0319

    Artikel 33, onderdeel a

    Biomassavergassing (inclusief B-hout)

    0,0313

    0,0349

    0,0413

    0,0680

    Artikel 33, onderdeel b

    Biomassavergassing (exclusief B-hout)

    0,0313

    0,0349

    0,0413

    0,0752

    Artikel 35, eerste lid, onderdeel a

    Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth

    0,0495

    0,0540

    0,0619

    0,0938

    Artikel 35, eerste lid, onderdeel b

    Zonthermie ≥ 1 MWth

    0,0443

    0,0488

    0,0567

    0,0800

    Artikel 37, onderdeel a

    Allesvergisting, warmte

    0,0443

    0,0488

    0,0567

    0,0624

    Artikel 37, onderdeel b

    Allesvergisting, gecombineerde opwekking

    0,0508

    0,0552

    0,0629

    0,0696

    Artikel 37, onderdeel c

    Monomestvergisting, warmte > 400 kW

    0,0534

    0,0610

    0,0674

    0,0674

    Artikel 37, onderdeel d

    Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW

    0,0602

    0,0677

    0,0789

    0,0789

    Artikel 37, onderdeel e

    Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW

    0,0534

    0,0610

    0,0743

    0,1061

    Artikel 37, onderdeel f

    Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW

    0,0833

    0,0908

    0,1039

    0,1310

    Artikel 39, onderdeel a

    Allesvergisting verlengde levensduur, warmte

    0,0443

    0,0488

    0,0534

    0,0534

    Artikel 39, onderdeel b

    Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking

    0,0508

    0,0552

    0,0589

    0,0589

    Artikel 39, onderdeel c

    Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 400 kW

    0,0534

    0,0610

    0,0743

    0,0764

    Artikel 39, onderdeel d

    Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW

    0,0833

    0,0908

    0,0959

    0,0959

    Artikel 41, eerste lid, onderdeel a

    RWZI verbeterde slibgisting, warmte

    0,0443

    0,0488

    0,0567

    0,0682

    Artikel 41, eerste lid, onderdeel b

    RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking

    0,0545

    0,0589

    0,0666

    0,0932

    Artikel 43

    Ketel op vloeibare biomassa

    0,0443

    0,0488

    0,0567

    0,0665

    Artikel 45, eerste lid

    Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa

    0,0443

    0,0488

    0,0567

    0,0586

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel a

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen)

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0508

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel b

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen)

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0499

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel c

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen)

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0491

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel d

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen)

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0484

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel e

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen)

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0478

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel f

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen)

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0473

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel g

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen)

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0469

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel h

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen)

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0465

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel i

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen)

    0,0339

    0,0384

    0,0462

    0,0462

    Artikel 49, eerste lid

    Grote ketel op B-hout

    0,0277

    0,0277

    0,0277

    0,0277

    Artikel 51, eerste lid

    Grote ketel op houtpellets voor gebouwde omgeving

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0687

    Artikel 53, eerste lid

    Grote stoomketel op houtpellets

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0664

    Artikel 55

    Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen

    0,0412

    0,0457

    0,0519

    0,0519

    Artikel 57, eerste lid

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur

    0,0339

    0,0352

    0,0352

    0,0352

    Artikel 59, eerste lid

    Composteringsinstallatie champost

    0,0443

    0,0461

    0,0461

    0,0461

    Artikel 61, onderdelen a en d

    Diepe geothermie < 20MWth, basislast

    0,0333

    0,0376

    0,0452

    0,0518

    Artikel 61, onderdelen b en e

    Diepe geothermie ≥ 20MWth, basislast

    0,0332

    0,0375

    0,0451

    0,0455

    Artikel 61, onderdeel c

    Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0329

    0,0371

    0,0445

    0,0833

    Artikel 61, onderdeel f

    Diepe geothermie, basislast, aanvullende put

    0,0331

    0,0331

    0,0331

    0,0331

    Artikel 61, onderdeel g

    Ultradiepe geothermie, basislast

    0,0333

    0,0376

    0,0451

    0,0694

    Artikel 63, onderdeel a

    Ondiepe geothermie, basislast

    0,0408

    0,0441

    0,0500

    0,0705

    Artikel 63, onderdeel b

    Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving

    0,0408

    0,0441

    0,0500

    0,0810

    Artikel 65, onderdeel a

    Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0296

    0,0327

    0,0381

    0,0667

    Artikel 65, onderdeel b

    Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0452

    0,0483

    0,0537

    0,0823

    Artikel 65, onderdeel c

    Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, directe toepassing

    0,0306

    0,0341

    0,0401

    0,0584

    Artikel 67, eerste lid

    Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0301

    0,0334

    0,0391

    0,0678

    Artikel 69, eerste lid

    Daglichtkas

    0,0310

    0,0346

    0,0408

    0,0738

    Artikel 71, eerste lid

    Zon-PVT systeem

    0,0442

    0,0442

    0,0442

    0,0442

    Artikel 73, eerste lid

    Elektroboiler

    0,0339

    0,0384

    0,0463

    0,0492

    Artikel 75, eerste lid, onderdeel a

    Industriële warmtepomp (gesloten)

    0,0302

    0,0334

    0,0365

    0,0365

    Artikel 75, eerste lid, onderdeel b

    Industriële warmtepomp (open)

    0,0320

    0,0359

    0,0360

    0,0360

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel a

    Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth

    0,0188

    0,0188

    0,0188

    0,0188

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel b

    Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth

    0,0238

    0,0238

    0,0238

    0,0238

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel c

    Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,40 en < 0,50 km/MWth

    0,0287

    0,0287

    0,0287

    0,0287

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel d

    Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,50 km/MWth

    0,0322

    0,0337

    0,0337

    0,0337

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel e

    Restwarmtebenutting (met warmtepomp)

    0,0283

    0,0309

    0,0356

    0,0391

    Artikel 79, eerste lid

    Waterstof uit elektrolyse

    0,0463

    0,0509

    0,0589

    0,1013

    Artikel 81, eerste lid, onderdeel a

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa

    0,0931

    0,0991

    0,1096

    0,1222

    Artikel 81 eerste lid, onderdeel b

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting

    0,0469

    0,0547

    0,0683

    0,0880

    Artikel 81, eerste lid, onderdeel c

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting

    0,0375

    0,0421

    0,0503

    0,0814

    Artikel 81, eerste lid, onderdeel d

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit hydropyrolyse-olie uit vaste lignocellulose houdende biomassa

    0,0890

    0,0939

    0,1027

    0,1106

    Artikel regeling

    Categorie

    Fasebedrag in euro/1.000 kg CO2

       

    Fase 1

    Fase 2

    Fase 3

    Fase 4

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel a

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport

    98,2454

    98,2454

    98,2454

    98,2454

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel b

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gasvormig transport

    61,5061

    61,5061

    61,5061

    61,5061

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel c

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport

    71,6077

    71,6077

    71,6077

    71,6077

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel d

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, vloeibaar transport

    91,7963

    91,7963

    91,7963

    91,7963

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel e

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport

    93,3886

    97,7752

    97,7752

    97,7752

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel f

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport

    92,9091

    110,5785

    124,7259

    124,7259

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel g

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport

    88,5477

    104,7633

    130,2545

    130,2545

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel h

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf

    48,6468

    64,8624

    93,2397

    130,2545

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel i

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport

    88,0682

    104,1239

    132,2215

    156,5234

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel j

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf

    48,1673

    64,2230

    92,3206

    156,5234

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel k

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport

    89,7870

    89,7870

    89,7870

    89,7870

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel l

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport

    93,2752

    111,0667

    114,6757

    114,6757

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel m

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport

    89,4969

    106,0289

    114,2829

    114,2829

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel n

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport

    89,0174

    105,3895

    134,0408

    138,8041

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel a

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding

    74,1442

    74,1442

    74,1442

    74,1442

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel b

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport

    104,8245

    122,4961

    133,3971

    133,3971

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel c

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    105,3040

    123,1355

    127,0015

    127,0015

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel d

    CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, vloeibaar transport

    84,2550

    84,2550

    84,2550

    84,2550

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel e

    CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    63,1832

    63,1832

    63,1832

    63,1832

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel f

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding

    67,7699

    67,7699

    67,7699

    67,7699

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel g

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport

    105,1784

    122,9680

    127,0228

    127,0228

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel h

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    105,6579

    120,6271

    120,6271

    120,6271

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel i

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, bestaande transportleiding

    100,4563

    116,6719

    142,2112

    142,2112

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel j

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, vloeibaar transport

    99,9768

    116,0325

    144,1301

    201,4640

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel k

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    100,4563

    116,6719

    145,0492

    195,0684

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel l

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig

    62,5419

    62,5419

    62,5419

    62,5419

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel m

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar

    100,1971

    104,9962

    104,9962

    104,9962

  • 3. In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde en zesde kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 11, 13, 15, eerste lid, 17, eerste lid, 19, eerste lid, 21, eerste lid, 23, eerste lid, 25, 27, 29, eerste lid, 31, 33, 35, eerste lid, 37, 39, 41, eerste lid, 43, 45, eerste lid, 47, eerste lid, 49, eerste lid, 51, eerste lid, 53, eerste lid, 55, 57, eerste lid, 59, eerste lid, 61, 63, 65, 67, eerste lid, 69, eerste lid, 71, eerste lid, 73 eerste lid, 75, eerste lid, 77, eerste lid, 79, eerste lid, en 81, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.

  • 4. In afwijking van de fasebedragen, genoemd in de derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid, geldt voor de productie-installaties, bedoeld in de artikelen 83, eerste lid en 85, eerste lid, het fasebedrag in euro per 1.000 kg broeikasgas in vier decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, indien dat bedrag per 1.000 kg broeikasgas lager is dan het fasebedrag, genoemd in de respectievelijke derde, vierde, vijfde of zesde kolom van de tabel in het tweede lid,dat van toepassing is voor de fase waarin de aanvraag is ingediend.

Artikel 88

  • 1. Het rangschikkingsbedrag, bedoeld voor de vergelijking van de fasebedragen op grond van artikel 58, tweede lid, van het besluit, wordt berekend volgens de formule in het tweede lid en voor de uitdrukking in euro per 1.000 kg vermindering van broeikasgas vermenigvuldigd met de factor 1.000 en afgerond op drie decimalen.

  • 2. De formule voor de berekening van het rangschikkingsbedrag luidt:

    • a. voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte of hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en de langetermijnenergieprijs als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel;

    • b. voor productie-installaties voor vermindering van broeikasgas: het quotiënt van het verschil tussen het fasebedrag waarvoor de aanvrager de aanvraag heeft ingediend en het langetermijnbroeikasgasbedrag als vastgesteld in de derde kolom van de in dit lid opgenomen tabel, en de omrekenfactor vastgesteld in de vierde kolom van de in dit lid opgenomen tabel.

    1

    2

    3

    4

    Artikel regeling

    Categorie

    Langetermijn energieprijs of langetermijn broeikasgasbedrag in euro/kWh

    Omrekenfactor in kg CO2/kWh

    Artikel 11, onderdeel a

    Waterkracht, valhoogte < 50 cm

    0,0449

    0,2160

    Artikel 11, onderdeel b

    Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm

    0,0449

    0,2160

    Artikel 11, onderdeel c

    Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie

    0,0449

    0,2160

    Artikel 13

    Osmose

    0,0449

    0,2160

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1°

    Wind op land, ≥ 8,5 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2°

    Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3°

    Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°

    Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5°

    Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6°

    Wind op land, < 6,75 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1°

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2°

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4°

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5°

    Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6°

    Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1°

    Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2°

    Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°

    Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4°

    Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5°

    Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6°

    Wind op waterkering, < 6,75 m/s

    0,0309

    0,2160

    Artikel 21, eerste lid

    Wind in meer, water ≥ 1 km2

    0,0309

    0,2160

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel a

    Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden

    0,0574

    0,2160

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel b

    Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land of drijvend op water

    0,0530

    0,2160

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel c

    Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden

    0,0458

    0,2160

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel d

    Zon-PV ≥ 1 MWp, op land

    0,0373

    0,2160

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel e

    Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water

    0,0373

    0,2160

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel f

    Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op land

    0,0373

    0,2160

    Artikel 23, eerste lid, onderdeel g

    Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water

    0,0373

    0,2160

    Artikel 25, onderdeel a

    Allesvergisting, gas

    0,0203

    0,1830

    Artikel 25, onderdeel b

    Monomestvergisting > 400 kW, gas

    0,0203

    0,3358

    Artikel 25, onderdeel c

    Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas

    0,0203

    0,3358

    Artikel 27, onderdeel a

    Allesvergisting verlengde levensduur, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

    0,0203

    0,1830

    Artikel 27, onderdeel b

    Allesvergisting verlengde levensduur, gas

    0,0203

    0,1830

    Artikel 27, onderdeel c

    Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

    0,0203

    0,3358

    Artikel 27, onderdeel d

    Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas

    0,0203

    0,3358

    Artikel 29, eerste lid

    RWZI verbeterde slibgisting, gas

    0,0203

    0,1830

    Artikel 31

    RWZI bestaande slibgisting (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

    0,0203

    0,1830

    Artikel 33, onderdeel a

    Biomassavergassing (inclusief B-hout)

    0,0203

    0,1830

    Artikel 33, onderdeel b

    Biomassavergassing (exclusief B-hout)

    0,0203

    0,1830

    Artikel 35, eerste lid, onderdeel a

    Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth

    0,0359

    0,2260

    Artikel 35, eerste lid, onderdeel b

    Zonthermie ≥ 1 MWth

    0,0307

    0,2260

    Artikel 37, onderdeel a

    Allesvergisting, warmte

    0,0307

    0,2260

    Artikel 37, onderdeel b

    Allesvergisting, gecombineerde opwekking

    0,0375

    0,2212

    Artikel 37, onderdeel c

    Monomestvergisting, warmte > 400 kW

    0,0307

    0,3788

    Artikel 37, onderdeel d

    Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW

    0,0378

    0,3738

    Artikel 37, onderdeel e

    Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW

    0,0307

    0,3788

    Artikel 37, onderdeel f

    Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW

    0,0609

    0,3738

    Artikel 39, onderdeel a

    Allesvergisting verlengde levensduur, warmte

    0,0307

    0,2260

    Artikel 39, onderdeel b

    Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking

    0,0375

    0,2212

    Artikel 39, onderdeel c

    Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 400 kW

    0,0307

    0,3788

    Artikel 39, onderdeel d

    Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW

    0,0609

    0,3738

    Artikel 41, eerste lid, onderdeel a

    RWZI verbeterde slibgisting, warmte

    0,0307

    0,2260

    Artikel 41, eerste lid, onderdeel b

    RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking

    0,0413

    0,2200

    Artikel 43

    Ketel op vloeibare biomassa

    0,0307

    0,2260

    Artikel 45, eerste lid

    Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa

    0,0307

    0,2260

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel a

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen)

    0,0203

    0,2260

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel b

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen)

    0,0203

    0,2260

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel c

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen)

    0,0203

    0,2260

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel d

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen)

    0,0203

    0,2260

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel e

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen)

    0,0203

    0,2260

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel f

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen)

    0,0203

    0,2260

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel g

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen)

    0,0203

    0,2260

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel h

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen)

    0,0203

    0,2260

    Artikel 47, eerste lid, onderdeel i

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen)

    0,0203

    0,2260

    Artikel 49, eerste lid

    Grote ketel op B-hout

    0,0203

    0,2260

    Artikel 51, eerste lid

    Grote ketel op houtpellets voor gebouwde omgeving

    0,0203

    0,2260

    Artikel 53, eerste lid

    Grote stoomketel op houtpellets

    0,0203

    0,2260

    Artikel 55

    Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen

    0,0276

    0,2260

    Artikel 57, eerste lid

    Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur

    0,0203

    0,2260

    Artikel 59, eerste lid

    Composteringsinstallatie champost

    0,0307

    0,2260

    Artikel 61, onderdelen a en d

    Diepe geothermie < 20MWth, basislast

    0,0203

    0,2163

    Artikel 61, onderdelen b en e

    Diepe geothermie ≥ 20MWth, basislast

    0,0203

    0,2153

    Artikel 61, onderdeel c

    Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0203

    0,2101

    Artikel 61, onderdeel f

    Diepe geothermie, basislast, aanvullende put

    0,0203

    0,2163

    Artikel 61, onderdeel g

    Ultradiepe geothermie, basislast

    0,0203

    0,2159

    Artikel 63, onderdeel a

    Ondiepe geothermie, basislast

    0,0307

    0,1676

    Artikel 63, onderdeel b

    Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving

    0,0307

    0,1676

    Artikel 65, onderdeel a

    Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0203

    0,1545

    Artikel 65, onderdeel b

    Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0359

    0,1545

    Artikel 65, onderdeel c

    Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, directe toepassing

    0,0203

    0,1720

    Artikel 67, eerste lid

    Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0203

    0,1632

    Artikel 69, eerste lid

    Daglichtkas

    0,0203

    0,1785

    Artikel 71, eerste lid

    Zon-PVT systeem

    0,0359

    0,1941

    Artikel 73, eerste lid

    Elektroboiler

    0,0203

    0,2260

    Artikel 75, eerste lid, onderdeel a

    Industriële warmtepomp (gesloten)

    0,0203

    0,1643

    Artikel 75, eerste lid, onderdeel b

    Industriële warmtepomp (open)

    0,0203

    0,1951

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel a

    Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth

    0,0203

    0,2011

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel b

    Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth

    0,0203

    0,2003

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel c

    Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,40 en < 0,50 km/MWth

    0,0203

    0,1995

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel d

    Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,50 km/MWth

    0,0203

    0,1987

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel e

    Restwarmtebenutting (met warmtepomp)

    0,0203

    0,1329

    Artikel 79, eerste lid

    Waterstof uit elektrolyse

    0,0326

    0,2290

    Artikel 81, eerste lid, onderdeel a

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa

    0,0750

    0,3012

    Artikel 81 eerste lid, onderdeel b

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting

    0,0235

    0,3894

    Artikel 81, eerste lid, onderdeel c

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting

    0,0235

    0,2328

    Artikel 81, eerste lid, onderdeel d

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit hydropyrolyse-olie uit vaste lignocellulose houdende biomassa

    0,0740

    0,2493

    Artikel regeling

    Categorie

    Langetermijn broeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2

    Emissiefactor in kg CO2/1.000 kg CO2

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel a

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport

    39,9009

    973,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel b

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gasvormig transport

    39,9009

    973,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel c

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport

    39,9009

    965,0080

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel d

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, vloeibaar transport

    39,9009

    965,0080

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel e

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport

    39,9009

    891,4620

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel f

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport

    39,9009

    883,4700

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel g

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport

    39,9009

    810,7800

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel h

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf

    0,0000

    810,7800

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel i

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport

    39,9009

    802,7880

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel j

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf

    0,0000

    802,7880

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel k

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport

    39,9009

    897,5640

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel l

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport

    39,9009

    889,5720

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel m

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport

    39,9009

    826,6000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel n

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport

    39,9009

    818,6080

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel a

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding

    51,8095

    891,5750

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel b

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport

    51,8095

    883,5830

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel c

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    51,8095

    891,5750

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel d

    CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, vloeibaar transport

    51,8095

    883,5830

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel e

    CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    51,8095

    918,5750

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel f

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding

    51,8095

    897,4736

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel g

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport

    51,8095

    889,4816

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel h

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    51,8095

    897,4736

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel i

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, bestaande transportleiding

    51,8095

    810,7800

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel j

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, vloeibaar transport

    51,8095

    802,7880

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel k

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    51,8095

    810,7800

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel l

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig

    51,8095

    839,9014

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel m

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar

    51,8095

    806,4600

§ 5. Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen

§ 5.1. Hernieuwbare elektriciteit

Artikel 89

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

  • a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag;

  • b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 15, vijfde lid, van het besluit vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

  • c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

  • d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2021 vastgesteld op:

    • 1°. voor de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom genoemde bedrag;

    • 2°. voor de waarde van de garanties van oorsprong, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel b, van het besluit, het in de zevende kolom genoemde bedrag; en

    • voor de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel c, van het besluit op € 0 per kWh.

1

2

3

4

5

6

7

Artikel regeling

Categorie

Basisbedrag in euro/kWh

Vollasturen

Basiselektriciteits-prijs in euro/kWh

Voorlopige correctie elektriciteitsprijs in 2.021 euro/kWh

Voorlopige correctie waarde garanties van oorsprong in 2.021 euro/kWh

Artikel 11, onderdeel a

Waterkracht, valhoogte < 50 cm

0,1097

3700

0,0299

0,0312

0,0000

Artikel 11, onderdeel b

Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm

0,1097

5700

0,0299

0,0312

0,0000

Artikel 11, onderdeel c

Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie

0,0975

2600

0,0299

0,0312

0,0000

Artikel 13

Osmose

0,1097

8000

0,0299

0,0312

0,0000

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1°

Wind op land, ≥ 8,5 m/s

0,0390

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 2°

Wind op land, ≥ 8 en < 8,5 m/s

0,0406

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3°

Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

0,0435

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 4°

Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

0,0475

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 5°

Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

0,0501

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 15, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 6°

Wind op land, < 6,75 m/s

0,0543

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8,5 m/s

0,0444

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 8 en < 8,5 m/s

0,0467

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

0,0505

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

0,0550

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5°

Wind op land, hoogtebeperkt ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

0,0583

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 17, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6°

Wind op land, hoogtebeperkt < 6,75 m/s

0,0627

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 1°

Wind op waterkering, ≥ 8,5 m/s

0,0424

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 2°

Wind op waterkering, ≥ 8 en < 8,5 m/s

0,0442

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 3°

Wind op waterkering, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

0,0472

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 4°

Wind op waterkering, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

0,0514

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 5°

Wind op waterkering, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

0,0548

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 19, eerste lid, onderdeel d, subonderdeel 6°

Wind op waterkering, < 6,75 m/s

0,0592

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 21, eerste lid

Wind in meer, water ≥ 1 km2

0,0590

P50

0,0206

0,0284

0,0040

Artikel 23, eerste lid, onderdeel a

Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, gebouwgebonden

0,0724

900

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0672

Niet-netlevering: 0,0706

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel b

Zon-PV ≥ 15 kWp en < 1 MWp aansluiting > 3*80 A, op land of drijvend op water

0,0685

950

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0672

Niet-netlevering: 0,0706

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel c

Zon-PV ≥ 1 MWp, gebouwgebonden

0,0655

900

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel d

Zon-PV ≥ 1 MWp, op land

0,0590

950

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel e

Zon-PV ≥ 1 MWp, drijvend op water

0,0693

950

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel f

Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op land

0,0590

1045

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

Artikel 23, eerste lid, onderdeel g

Zon-PV ≥ 1 MWp, zonvolgend op water

0,0693

1190

Netlevering: 0,0238

Netlevering: 0,0272

Netlevering: 0,0040

Niet-netlevering: 0,0578

Niet-netlevering: 0,0612

Niet-netlevering: 0,0000

§ 5.2. Hernieuwbaar gas

Artikel 90

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

  • a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

  • b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 32, vijfde lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

  • c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

  • d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2021 vastgesteld op:

    • 1°. voor de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

    • 2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.

1

2

3

4

5

6

Artikel regeling

Categorie

Basisbedrag in euro/kWh

Vollasturen

Basisenergieprijs in euro/kWh

Voorlopige correctie energieprijs in 2.021 euro/kWh

Artikel 25, onderdeel a

Allesvergisting, gas

0,0661

8000

0,0135

0,0147

Artikel 25, onderdeel b

Monomestvergisting > 400 kW, gas

0,0722

8000

0,0135

0,0147

Artikel 25, onderdeel c

Monomestvergisting ≤ 400 kW, gas

0,0930

8000

0,0135

0,0147

Artikel 27, onderdeel a

Allesvergisting verlengde levensduur, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

0,0575

8000

0,0135

0,0147

Artikel 27, onderdeel b

Allesvergisting verlengde levensduur, gas

0,0543

8000

0,0135

0,0147

Artikel 27, onderdeel c

Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

0,0794

8000

0,0135

0,0147

Artikel 27, onderdeel d

Monomestvergisting verlengde levensduur ≤ 400 kW, gas

0,0722

8000

0,0135

0,0147

Artikel 29, eerste lid

RWZI verbeterde slibgisting, gas

0,0752

8000

0,0135

0,0147

Artikel 31

RWZI bestaande slibgisting (nieuwe gasopwaardeerinstallatie)

0,0319

8000

0,0135

0,0147

Artikel 33, onderdeel a

Biomassavergassing (inclusief B-hout)

0,0680

7500

0,0135

0,0147

Artikel 33, onderdeel b

Biomassavergassing (exclusief B-hout)

0,0752

7500

0,0135

0,0147

§ 5.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

Artikel 91

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

  • a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

  • b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 48, vijfde lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

  • c. de basisenergieprijs, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

  • d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2021 vastgesteld op:

    • 1°. voor de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, of 47, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

    • 2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh; en

    • 3°. voor de correcties, bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel c, van het besluit het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.

1

2

3

4

5

6

7

Artikel regeling

Categorie

Basisbedrag in euro/kWh

Vollasturen

Basisenergieprijs in euro/kWh

Voorlopige correctie energieprijs in 2021 in euro/kWh

Andere correctie in 2021 in euro/kWh

Artikel 35, eerste lid, onderdeel a

Zonthermie ≥ 140 kWth en < 1 MWth

0,0938

600

0,0275

0,0290

0,0054

Artikel 35, eerste lid, onderdeel b

Zonthermie ≥ 1 MWth

0,0800

600

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 37, onderdeel a

Allesvergisting, warmte

0,0624

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 37, onderdeel b

Allesvergisting, gecombineerde opwekking

0,0696

7622

0,0260

0,0274

0,0028

Artikel 37, onderdeel c

Monomestvergisting, warmte > 400 kW

0,0674

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 37, onderdeel d

Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW

0,0789

7353

0,0261

0,0275

0,0027

Artikel 37, onderdeel e

Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW

0,1061

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 37, onderdeel f

Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW

0,1310

6374

0,0492

0,0506

0,0027

Artikel 39, onderdeel a

Allesvergisting verlengde levensduur, warmte

0,0534

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 39, onderdeel b

Allesvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking

0,0589

7622

0,0260

0,0274

0,0028

Artikel 39, onderdeel c

Monomestvergisting verlengde levensduur, warmte ≤ 400 kW

0,0764

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 39, onderdeel d

Monomestvergisting verlengde levensduur, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW

0,0959

6374

0,0492

0,0506

0,0027

Artikel 41, eerste lid, onderdeel a

RWZI verbeterde slibgisting, warmte

0,0682

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 41, eerste lid, onderdeel b

RWZI verbeterde slibgisting, gecombineerde opwekking

0,0932

5729

0,0290

0,0303

0,0021

Artikel 43

Ketel op vloeibare biomassa

0,0665

7000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 45, eerste lid

Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa

0,0586

3000

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel a

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (4.500 vollasturen)

0,0508

4500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel b

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.000 vollasturen)

0,0499

5000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel c

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (5.500 vollasturen)

0,0491

5500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel d

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.000 vollasturen)

0,0484

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel e

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (6.500 vollasturen)

0,0478

6500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel f

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.000 vollasturen)

0,0473

7000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel g

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (7.500 vollasturen)

0,0469

7500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel h

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.000 vollasturen)

0,0465

8000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 47, eerste lid, onderdeel i

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa (8.500 vollasturen)

0,0462

8500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 49, eerste lid

Grote ketel op B-hout

0,0277

7500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 51, eerste lid

Grote ketel op houtpellets voor gebouwde omgeving

0,0687

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 53, eerste lid

Grote stoomketel op houtpellets

0,0664

8500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 55

Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen

0,0519

3000

0,0201

0,0214

0,0054

Artikel 57, eerste lid

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa verlengde levensduur

0,0352

8000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 59, eerste lid

Composteringsinstallatie champost

0,0461

5200

0,0223

0,0238

0,0054

Artikel 61, onderdelen a en d

Diepe geothermie < 20MWth, basislast

0,0518

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 61, onderdelen b en e

Diepe geothermie ≥ 20MWth, basislast

0,0455

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 61, onderdeel c

Diepe geothermie, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving

0,0833

3500

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 61, onderdeel f

Diepe geothermie, basislast, aanvullende put

0,0331

6000

0,0135

0,0147

0,0054

Artikel 61, onderdeel g

Ultradiepe geothermie, basislast

0,0694

7000

0,0135

0,0147

0,0054

§ 5.4. Andere technieken ter vermindering van broeikasgas

Artikel 92
  • 1. Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

    • a. het basisbedrag voor subsidie voor de vermindering van broeikasgas, bedoeld in artikel 55f, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

    • b. voor de vermindering van broeikasgas het maximaal aantal vollasturen, bedoeld in artikel 55j, vijfde lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

    • c. het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55g, eerste lid, van het besluit, voor de vermindering van broeikasgas, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

    • d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2021 vastgesteld op:

      • 1°. voor de prijs van het primaire product, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

      • 2°. voor de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel c, van het besluit op € 0 per kWh; en

      • 3°. voor de correcties, bedoeld in artikel 55i, eerste lid, onderdeel b, van het besluit het in de zevende kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag.

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    7

    8

    Artikel regeling

    Categorie

    Basisbedrag in euro/kWh

    Vollasturen

    Basisbroeikasgasbedrag in euro/kWh

    Voorlopige correctie productprijs in 2021 in euro/kWh

    Voorlopige correctie ETS in 2021 in euro/kWh

    Voorlopige correctie overige correcties in 2021 in euro/kWh

    Artikel 63, onderdeel a

    Ondiepe geothermie, basislast

    0,0705

    6000

    0,0223

    0,0238

    0,0054

    0,0000

    Artikel 63, onderdeel b

    Ondiepe geothermie voor verwarming gebouwde omgeving

    0,0810

    3500

    0,0223

    0,0238

    0,0054

    0,0000

    Artikel 65, onderdeel a

    Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0667

    6000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 65, onderdeel b

    Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, geen basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0823

    3500

    0,0275

    0,0290

    0,0054

    0,0000

    Artikel 65, onderdeel c

    Thermische energie uit drink- of oppervlaktewater, directe toepassing

    0,0584

    3500

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 67, eerste lid

    Thermische energie uit afvalwater, basislast, verwarming gebouwde omgeving

    0,0678

    6000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 69, eerste lid

    Daglichtkas

    0,0738

    3850

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 71, eerste lid

    Zon-PVT systeem

    0,0442

    3500

    0,0275

    0,0290

    0,0054

    0,0000

    Artikel 73, eerste lid

    Elektroboiler

    0,0492

    3000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 75, eerste lid, onderdeel a

    Industriële warmtepomp (gesloten)

    0,0365

    8000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 75, eerste lid, onderdeel b

    Industriële warmtepomp (open)

    0,0360

    8000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel a

    Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,20 en < 0,30 km/MWth

    0,0188

    6000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel b

    Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,30 en < 0,40 km/MWth

    0,0238

    6000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel c

    Restwarmtebenutting, transportleiding ≥ 0,40 en < 0,50 km/MWth

    0,0287

    6000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel d

    Benutting restwarmte, transportleiding ≥ 0,50 km/MWth

    0,0337

    6000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 77, eerste lid, onderdeel e

    Restwarmtebenutting (met warmtepomp)

    0,0391

    7000

    0,0135

    0,0147

    0,0054

    0,0000

    Artikel 79, eerste lid

    Waterstof uit elektrolyse

    0,1013

    3000

    0,0242

    0,0257

    0,0000

    0,0000

    Artikel 81, eerste lid, onderdeel a

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioethanol uit vaste lignocellulosehoudende biomassa

    0,1222

    8000

    0,0500

    0,0577

    0,0000

    0,0936

    Artikel 81 eerste lid, onderdeel b

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit monomestvergisting

    0,0880

    8000

    0,0167

    0,0179

    0,0000

    0,0936

    Artikel 81, eerste lid, onderdeel c

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, bioLNG uit allesvergisting

    0,0814

    8000

    0,0167

    0,0179

    0,0000

    0,0936

    Artikel 81, eerste lid, onderdeel d

    Geavanceerde hernieuwbare transportbrandstoffen, diesel- en benzinevervangers uit hydropyrolyse-olie uit vaste lignocellulose houdende biomassa

    0,1106

    7500

    0,0493

    0,0576

    0,0000

    0,0936

    Artikel regeling

    Categorie

    Basisbedrag in euro/1.000 kg CO2

    Vollasturen

    Basisbroeikasgasbedrag in euro/1.000 kg CO2

    Voorlopige correctie productprijs in 2021 in euro/1.000 kg CO2

    Voorlopige correctie ETS in 2021 in euro/1.000 kg CO2

    Voorlopige correctie overige correcties in 2021 in euro/1.000 kg CO2

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel a

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, gasvormig transport

    98,2454

    4000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel b

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gasvormig transport

    61,5061

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel c

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, gedeeltelijke opslag, vloeibaar transport

    71,6077

    4000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel d

    CCS – Bestaande CO2-afvang bij bestaande installaties, vloeibaar transport

    91,7963

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel e

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport

    97,7752

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel f

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport

    124,7259

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel g

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport

    130,2545

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel h

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, niet-ETS-bedrijf

    130,2545

    8000

    0,0000

    0,0000

    0,0000

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel i

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport

    156,5234

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel j

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport, niet-ETS-bedrijf

    156,5234

    8000

    0,0000

    0,0000

    0,0000

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel k

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport

    89,7870

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel l

    CCS – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport

    114,6757

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel m

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport

    114,2829

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 83, eerste lid, onderdeel n

    CCS – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport

    138,8041

    8000

    26,6006

    0,0000

    26,6006

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel a

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding

    74,1442

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel b

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, vloeibaar transport

    133,3971

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel c

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    127,0015

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel d

    CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, vloeibaar transport

    84,2550

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel e

    CCU – Bijkomende CO2-afvang bij bestaande installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    63,1832

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel f

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, bestaande transportleiding

    67,7699

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel g

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, vloeibaar transport

    127,0228

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel h

    CCU – Nieuwe pre-combustion CO2-afvang, nieuwe installatie, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    120,6271

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel i

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, bestaande transportleiding

    142,2112

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel j

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, vloeibaar transport

    201,4640

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel k

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang bij AVI, gasvormig transport, nieuwe transportleiding

    195,0684

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel l

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, gasvormig

    62,5419

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

    Artikel 85, eerste lid, onderdeel m

    CCU – Nieuwe post-combustion CO2-afvang, bestaande biomassa-installatie tuinbouw, vloeibaar

    104,9962

    4000

    34,5397

    38,9761

    0,0000

    0,0000

  • 2. De feitelijke productie van een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 73, eerste lid, en 79, eerste lid, die in aanmerking komt voor subsidie, bedraagt ten hoogste 5000 vollasturen, tenzij de productie bij het respectievelijke aantal vollasturen, in de onderstaande tabel lager is in een bepaald kalanderjaar, dan geldt dat maximum aantal vollasturen.

    Jaar

    Vollasturen elektroboiler

    Vollasturen waterstof uit elektrolyse

    2021

    4.000

    2.940

    2022

    4.090

    2.530

    2023

    3.540

    2.390

    2024

     

    4.910

    2025

     

    4.930

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 93

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 oktober 2021.

Artikel 94

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

's-Gravenhage, 7 juli 2021

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat – Klimaat en Energie, D. Yeşilgöz-Zegerius

BIJLAGE 1, BEHORENDE BIJ ARTIKEL 5, TWEEDE LID (MODEL UITVOERINGSOVEREENKOMST)

Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de afvang en opslag van koolstofdioxide en van activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie 2021

  • 1. De Staat der Nederlanden, (hierna te noemen: de Staat), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat; en

  • 2. ............, gevestigd te..... (hierna te noemen: Ondernemer);.....

(hierna te samen ook te noemen: Partijen);

overwegen:

  • a. de Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft blijkens een beschikking met kenmerk....., hierna te noemen Beschikking, waarvan een kopie als Bijlage A bij deze overeenkomst is gevoegd aan de Ondernemer een subsidie verleend voor de afvang en opslag van koolstofdioxide / voor de afvang en gebruik van koolstofdioxide van meer dan € 400 miljoen op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie en klimaattransitie.

  • b. de Beschikking bevat de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van de beschikking de onderhavige uitvoeringsovereenkomst, hierna te noemen Uitvoeringsovereenkomst, tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger;

  • c. de Minister van Economische Zaken en Klimaat beoogt door middel van deze Uitvoeringsovereenkomst te verzekeren dat de Ondernemer de productie-installatie bedoeld in de Beschikking tijdig in gebruik zal nemen.

Partijen komen daartoe het volgende overeen:

Artikel 1. Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 61 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.

Artikel 2. Inhoud en omvang van de garantie

De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken nadat de Beschikking is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot 2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model bankgarantie.

Artikel 3. Vrijval van de garantie

  • 1. De verplichting de in artikel 2 bedoelde bankgarantie te blijven stellen vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. De Ondernemer ontvangt een kopie van het bericht van verval.

  • 2. Zodra de verplichting geheel is vervallen zal de Staat de bankgarantie retourneren aan de Ondernemer.

Artikel 4. Boetes

  • 1. Indien de Ondernemer de productie-installatie niet binnen de in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete een bedrag verschuldigd groot 0,2% van het beschikte bedrag enkel door het verloop van die termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

  • 2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het tijdig in gebruik nemen van de productie-installatie is de Ondernemer maandelijks een boete van telkens 0,2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33, 49 en 55k van het Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie, verschuldigd voor zover hij de productie-installatie op de eerste van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.

  • 3. De boetes bedoeld in het eerste en tweede lid, waarvan de som ten hoogste 2% van het beschikte bedrag bedraagt, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

  • 4. Indien komt vast te staan dat de ondernemer de productie-installatie niet in gebruik zal nemen, dan is de Staat gerechtigd het gehele bedrag van de bankgarantie te innen. De Beschikking kan op deze grond worden ingetrokken.

  • 5. De Ondernemer machtigt bij deze de Staat onherroepelijk tot het innen van de boetes door het inroepen van de bankgarantie voor het bedrag van de boete, telkens wanneer er een boete verschuldigd is geworden.

Artikel 5. Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

  • 1. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de Partijen met dien verstande dat de inwerkingtreding wordt opgeschort totdat de Beschikking in werking is getreden en de Staat de Ondernemer daarvan schriftelijk bericht heeft gestuurd.

  • 2. Deze Uitvoeringsovereenkomst eindigt van rechtswege door de teruggave van de bankgarantie door de Staat aan de Ondernemer.

Artikel 6. Domiciliekeuze en berichtgevingen

  • 1. De Staat kiest voor uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst domicilie ten kantore van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Hanzelaan 310, 8017 JK Zwolle.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze uitvoeringsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.

  • 3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan blijven zonder rechtsgevolg.

  • 4. De Staat is bevoegd eenzijdig van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

Artikel 7. Rechtskeuze

  • 1. Op deze Uitvoeringsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

  • 2. Alle geschillen in verband met deze uitvoeringsovereenkomst of met afspraken die daarmee samenhangen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag.

Artikel 8. Citeertitel

Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie en klimaattransitie Staat/.....’.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend

te.....

Ondernemer

te ’s-Gravenhage op.....

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Model bankgarantie

DE ONDERGETEKENDE,

....., gevestigd te....., hierna te noemen de ‘Bank’,

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

  • A. ......, gevestigd te....., (hierna te noemen de Ondernemer) en de STAAT der NEDERLANDEN, (hierna te noemen: Staat), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen vertegenwoordigd door....., hierbij vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat op..... de ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie Staat/.....’ (hierna: uitvoeringsovereenkomst) hebben getekend;

  • B. de Ondernemer volgens artikel 2 van de overeenkomst binnen vier weken nadat een beschikking van de Minister van Economische Zaken en Klimaat met kenmerk.....is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot €.....,– door de afgifte aan de Staat van een door een bank afgegeven bankgarantie;

  • C. de Bank bereid is de desbetreffende bankgarantie ten gunste van de Staat te stellen onder de hierna te noemen voorwaarden.

VERKLAART ALS VOLGT

  • 1. De Bank stelt zich hierbij als zelfstandige verbintenis tegenover de Staat onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant voor al hetgeen de Staat van de Ondernemer op grond van de uitvoeringsovereenkomst te vorderen heeft tot een maximumbedrag van €.....,–.

  • 2. Deze bankgarantie is een abstracte afroepgarantie. De Bank komt in geen geval een beroep toe op de onderliggende rechtsverhouding tussen de Staat en de Ondernemer als vervat in de uitvoeringsovereenkomst.

  • 3. De Bank zal op eerste schriftelijk verzoek van de Staat, zonder opgaaf van redenen te verlangen of nader bewijs te vragen, overgaan tot uitbetaling van al hetgeen de Ondernemer, volgens verklaring van de Staat, verschuldigd is uit hoofde van de Uitvoeringsovereenkomst.

  • 4. Deze bankgarantie vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen.

  • 5. De Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt de bankgarantie zo spoedig mogelijk nadat deze geheel is vervallen retour aan de Bank.

  • 6. Op deze bankgarantie is uitsluitend Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die mochten ontstaan over of naar aanleiding van deze bankgarantie zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage.

  • 7. Indien deze bankgarantie dient te worden geretourneerd geschiedt dat door toezending aan adres:.....

Getekend te

op

De Bank

BIJLAGE 2, BEHORENDE BIJ DE ARTIKELEN 15, 17 EN 19 (LIJST WINDSNELHEDEN PER GEMEENTE)

Gemeentenaam

Provincie

Windcategorie

Ameland

Friesland

≥ 8,5 m/s

Den Helder

Noord-Holland

≥ 8,5 m/s

Schiermonnikoog

Friesland

≥ 8,5 m/s

Terschelling

Friesland

≥ 8,5 m/s

Texel

Noord-Holland

≥ 8,5 m/s

Vlieland

Friesland

≥ 8,5 m/s

Bergen (NH.)

Noord-Holland

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Het Hogeland

Groningen

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Harlingen

Friesland

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Hollands Kroon

Noord-Holland

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Noordeast-Fryslân

Friesland

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Rotterdam Maasvlakte (wijk 23 buurt 8)

Zuid-Holland

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Schagen

Noord-Holland

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Súdwest-Fryslân

Friesland

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Waadhoeke

Friesland

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Zandvoort

Noord-Holland

≥ 8,0 en < 8,5 m/s

Achtkarspelen

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Alkmaar

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Appingedam

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Beemster

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Beverwijk

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Bloemendaal

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Castricum

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Dantumadiel

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

De Fryske Marren

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Delfzijl

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Drechterland

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Edam-Volendam

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Enkhuizen

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Goeree-Overflakkee

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heemskerk

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heerenveen

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heerhugowaard

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heiloo

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hillegom

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hoorn

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Katwijk

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Koggenland

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Langedijk

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Leeuwarden

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Lisse

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Loppersum

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Medemblik

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noord-Beveland

Zeeland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordoostpolder

Flevoland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordwijk

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Oldambt

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s