Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatsblad 2020, 340AMvB

Besluit van 31 augustus 2020 tot wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie in verband met de stimulering van aanvullende maatregelen ter vermindering van broeikasgas

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 12 februari 2020, nr. WJZ / 20028115;

Gelet op de artikelen 2 en 3 van de Kaderwet EZK- en LNV-subsidies;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 1 april 2020, nr. W18.20.0032/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Economische Zaken en Klimaat van 27 augustus 2020, nr. WJZ/20164067;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit stimulering duurzame energieproductie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel h komt de begripsomschrijving van productie-installatie te luiden «een samenstel van voorzieningen waarmee hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, dan wel broeikasgas wordt verminderd, waarbij onder een samenstel van voorzieningen wordt verstaan alle aanwezige middelen die onderling met elkaar zijn verbonden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte dan wel vermindering van broeikasgas».

2. Onder vervanging van de punt door een puntkomma aan het eind van onderdeel t worden vijf onderdelen toegevoegd, luidende:

u. broeikasgas:

koolstofdioxide en andere gascomponenten van zowel menselijke als natuurlijke oorsprong die warmtestraling van de aarde en de wolken naar de atmosfeer absorberen of terugkaatsen en daarmee bijdragen aan opwarming van de aarde gecorrigeerd naar koolstofdioxide-equivalenten;

v. primair product:

meetbare eenheid die de productie-installatie ter vermindering van broeikasgas produceert die daarbij een bron van opbrengsten is voor de producent;

w. rangschikkingsbedrag:

bedrag bestaande uit het verschil tussen, afhankelijk van de aanvraag, het fasebedrag of basisbedrag en, afhankelijk van de categorie productie-installaties, de langetermijnenergieprijs of basisenergieprijs dan wel het langetermijnbroeikasgasbedrag of basisbroeikasgasbedrag;

x. subsidiabele productie:

de meetbare prestatie waarvoor aan de subsidie-ontvanger subsidie wordt verstrekt;

y. vermindering van broeikasgas:

vermindering van broeikasgas in de atmosfeer door middel van de afvang en opslag, afvang en hergebruik dan wel vermindering of vermijding van de uitstoot van broeikasgas.

B

In de titel van paragraaf 2 wordt «en hernieuwbare warmte» vervangen door «, hernieuwbare warmte en vermindering van broeikasgas» .

C

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Aan het eerste lid, wordt onder vervanging van de punt aan het eind van onderdeel c door een puntkomma een onderdeel toegevoegd, luidende:

  • d. de vermindering van broeikasgas aan een producent die een productie-installatie voor de vermindering van broeikasgas in stand houdt, om gedurende een bepaalde periode het verschil tussen de gemiddelde kostprijs van deze vermindering van broeikasgas en de gemiddelde kostprijs van uitstoot van broeikasgas geheel of gedeeltelijk te compenseren.

2. In het tweede lid wordt na «hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte» ingevoegd «, dan wel de vermindering van broeikasgas».

3. In het vijfde lid wordt telkens na «maximale productie in kWh» ingevoegd «dan wel maximale vermindering van broeikasgas in kg.»

4. Na het zesde lid worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 7. Bij ministeriële regeling kunnen onder meer voor de wijze van rangschikking van aanvragen, de wijze van vergelijking van verschillende productie-installaties ten behoeve van de rangschikking of de berekening van de subsidiabele productie omrekenfactoren worden vastgesteld:

    • a. voor andere broeikasgassen dan koolstofdioxide naar koolstofdioxide-equivalenten;

    • b. van kWh naar kg broeikasgas;

    • c. naar de productie van duurzame energie of vermindering van broeikasgas in Nederland;

    • d. voor andere eenheden die van invloed zijn op de berekening van de vermindering van broeikasgas.

  • 8. De vaststelling van de omrekenfactoren, bedoeld in het zevende lid, kan verschillen per categorie productie-installaties.

D

In artikel 3, derde lid, onderdeel a, wordt na «hernieuwbare energiebronnen» ingevoegd «of die voor het eerst dient ter vermindering van broeikasgas».

E

In de aanhef van artikel 4, tweede lid, wordt na «250 MW» ingevoegd «, dan wel voor een productie-installatie voor de vermindering van broeikasgas».

F

In artikel 5 wordt na «en hernieuwbare warmte» ingevoegd «, dan wel de vermindering van broeikasgas» en na «extra is geproduceerd» ingevoegd «respectievelijk is gerealiseerd».

G

Artikel 5a komt te luiden:

Artikel 5a

Indien sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, en er daardoor voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, twee of meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie of dezelfde vorm van vermindering van broeikasgas, wordt in een kalenderjaar de hernieuwbare elektriciteit, het hernieuwbare gas of de hernieuwbare warmte dan wel de vermindering van broeikasgas die onder een later afgegeven beschikking extra wordt geproduceerd respectievelijk is verminderd, subsidiabel indien de subsidiabele productie van de eerder afgegeven beschikking of beschikkingen volledig is benut.

H

In artikel 6, eerste lid, wordt na «de productie-installatie» ingevoegd «, in voorkomend geval na uitbreiding of renovatie,».

I

Artikel 7 wordt als gewijzigd:

1. De derde volzin vervalt.

2. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

3. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Indien een categorie productie-installaties bij ministeriële regeling is aangewezen als een categorie productie-installaties als bedoeld in de artikelen 15, derde lid, 23, derde lid, 32, derde lid, 40, derde lid, 48, derde lid, 55, derde lid, 55j, derde lid, of 55q, derde lid, kan Onze Minister op verzoek van de subsidie-ontvanger de periode waarover subsidie wordt verstrekt met ten hoogste een jaar verlengen om het ongebruikte aantal kWh of kg broeikasgas dat voor subsidie in aanmerking komt, te produceren onderscheidenlijk te verminderen.

J

Na artikel 55b wordt een paragraaf ingevoegd, luidende:

§ 5b. Subsidie voor vermindering broeikasgas

§ 5b.1. Algemeen
Artikel 55c

Aan de producent die broeikasgas vermindert door een bij regeling van Onze Minister aan te wijzen categorie productie-installaties, kan subsidie worden verleend.

§ 5b.2. Subsidie volgorde binnenkomst
Artikel 55d

De bepalingen in deze paragraaf gelden indien ingevolge artikel 2, derde lid, wordt gekozen voor verdeling op volgorde van binnenkomst.

Artikel 55e
  • 1. Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën, wordt per fase een fasebedrag per 1000 kg broeikasgasvermindering vastgesteld voor de subsidie voor de vermindering van broeikasgas.

  • 2. Voor de subsidie voor de vermindering van broeikasgas geldt het fasebedrag per 1000 kg broeikasgasvermindering dat is vastgesteld voor de fase waarin de subsidie-aanvrager zijn aanvraag indient, tenzij dat fasebedrag hoger is dan het basisbedrag vastgesteld voor de desbetreffende categorie productie-installaties, bedoeld in artikel 55f, in welk geval dit basisbedrag geldt.

  • 3. Bij regeling van Onze Minister kan voor een categorie productie-installaties een fasebedrag worden vastgesteld dat afwijkt van het fasebedrag vastgesteld op grond van het eerste lid.

Artikel 55f
  • 1. Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën, wordt per categorie productie-installaties een basisbedrag per 1000 kg broeikasgas vastgesteld voor de subsidie voor de vermindering van broeikasgas.

  • 2. Het basisbedrag bedraagt ten hoogste de gemiddelde kosten per 1000 kg verminderde broeikasgas per categorie van productie-installaties.

  • 3. Voor de subsidiabele productie kunnen verschillende basisbedragen gelden die zijn gerelateerd aan:

    • a. de hoeveelheid verminderde kg broeikasgas in Nederland;

    • b. het aantal vollasturen van de productie-installatie;

    • c. het rendement van de productie-installatie.

Artikel 55g
  • 1. Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën, wordt ten behoeve van de correctie van het fasebedrag of basisbedrag, bedoeld in artikel 55i en de vaststelling van het bedrag dat de subsidie ten hoogste bedraagt, bedoeld in artikel 55k, een basisbroeikasgasbedrag per 1000kg broeikasgas vastgesteld dat kan verschillen per categorie productie-installaties.

  • 2. Voor het basisbroeikasgasbedrag kunnen de marktprijs van het primaire product dat de productie-installatie produceert of de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidie-ontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer afzonderlijk vastgesteld worden.

  • 3. De hoogte van het basisbroeikasgasbedrag bedraagt tweederde van het langetermijnbroeikasgasbedrag voor de van toepassing zijnde categorie productie-installaties.

Artikel 55h

Het fasebedrag, bedoeld in artikel 55e, of het basisbedrag, bedoeld in artikel 55f, en het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55g, die gelden op het moment van aanvraag van de subsidie, gelden gedurende de gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt.

Artikel 55i
  • 1. Voor elke subsidie-ontvanger geldt dat het fasebedrag of basisbedrag in elk kalenderjaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt wordt gecorrigeerd met:

    • a. de prijs van het primaire product dat door de productie-installatie wordt geproduceerd;

    • b. de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidie-ontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer;

    • c. andere bij ministeriële regeling vast te stellen correcties die een substantiële invloed hebben op het verschil tussen de gemiddelde kostprijs van de vermindering broeikasgas en de relevante gemiddelde marktprijs van de vermindering van broeikasgas en die voortvloeien uit maatregelen van de overheid.

  • 2. Indien de som van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde correcties lager is dan het in artikel 55g, eerste lid, bedoelde basisbroeikasgasbedrag, dan geldt het in dat artikellid bedoelde basisbroeikasgasbedrag.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 april de in het eerste lid bedoelde correcties vastgesteld, die kunnen verschillen per categorie productie-installaties.

  • 4. Ten behoeve van de voorschotverlening worden bij ministeriële regeling jaarlijks voor 1 november de in het eerste lid bedoelde correcties voor het volgende kalenderjaar vastgesteld, die kunnen verschillen per categorie productie-installaties, en waarbij voor de kostprijs van de vermindering van broeikasgas de gemiddelde waarde in de periode 1 september tot en met 31 augustus, of in een bij ministeriële regeling te bepalen periode, voorafgaand aan het kalenderjaar wordt gehanteerd. Indien na 1 november bij ministeriële regeling een andere categorie productie-installaties wordt aangewezen waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, worden de in het eerste lid bedoelde correcties ten behoeve van de voorschotverlening voor die categorie productie-installaties bij die ministeriële regeling vastgesteld.

  • 5. Indien een productie-installatie geheel of gedeeltelijk bestaat uit gebruikte materialen, kan Onze Minister in de beschikking tot subsidieverlening een correctie op het ingevolge het eerste lid geldende subsidiebedrag vaststellen.

  • 6. Indien een productie-installatie ingrijpend wordt gerenoveerd, kan Onze Minister in de beschikking tot subsidieverlening een correctie op het ingevolge het eerste lid geldende subsidiebedrag vaststellen.

  • 7. Indien het ingevolge het eerste, vijfde of zesde lid geldende bedrag negatief is, bedraagt het bedrag nul.

Artikel 55j
  • 1. De subsidie die een subsidie-ontvanger ontvangt wordt bepaald door:

    • a. met elkaar te vermenigvuldigen:

      • 1°. het aantal kg verminderde broeikasgas dat in elk kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, met

      • 2°. het voor het desbetreffende kalenderjaar op basis van artikel 55i geldende gecorrigeerde fasebedrag of basisbedrag; en

    • b. de overeenkomstig onderdeel a berekende bedragen voor ieder kalenderjaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt bij elkaar op te tellen.

  • 2. Het aantal kg verminderde broeikasgas dat jaarlijks voor subsidie in aanmerking komt bedraagt ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vastgestelde maximum aantal kg broeikasgas dat per jaar kan verschillen en dat gebaseerd is op de capaciteit, het rendement en het aantal vollasturen van de installatie.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan voor een categorie productie-installaties worden bepaald dat indien in een jaar minder kg broeikasgas is verminderd dan het aantal kg dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt, het verschil in kg bij het aantal kg dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt wordt opgeteld. Bij ministeriële regeling kan een maximum, dat per jaar kan verschillen, worden gesteld aan het aantal kg broeikasgas dat opgeteld wordt bij het aantal kg broeikasgas dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 4. Bij ministeriële regeling kan voor een categorie productie-installaties worden bepaald dat indien in een jaar meer kg broeikasgas is verminderd of uit vorige jaren is overgebracht dan het aantal kg verminderde broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt, waarbij het verschil in kg broeikasgas dat in een vorig jaar minder is verminderd ingevolge het derde lid reeds is opgeteld, het verschil in kg bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar wordt opgeteld. Bij ministeriële regeling kan een maximum, dat per jaar kan verschillen, worden gesteld aan het aantal verminderde kg broeikasgas dat opgeteld wordt bij het aantal kg broeikasgas dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 5. Bij ministeriële regeling kan ten behoeve van de berekening van het maximum aantal kg broeikasgas, bedoeld in het tweede lid, per categorie productie-installaties een maximum aantal vollasturen worden bepaald.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het aantal kg verminderde broeikasgas moet worden vastgesteld of berekend.

Artikel 55k

De subsidie bedraagt ten hoogste het verschil tussen het fasebedrag, bedoeld in artikel 55e, of het basisbedrag, bedoeld in artikel 55f, en het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55g, vermenigvuldigd met het in de beschikking tot subsidieverlening voor de gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt bepaald maximum aantal kg verminderde broeikasgas.

§ 5b.3. Subsidie volgorde rangschikking
Artikel 55l

De bepalingen in deze paragraaf gelden indien ingevolge artikel 2, derde lid, wordt gekozen voor verdeling op volgorde van rangschikking.

Artikel 55m
  • 1. Bij de aanvraag tot subsidieverlening wordt door de producent een tenderbedrag per 1000 kg vermindering van broeikasgas opgegeven. Bij een gebundelde aanvraag is het door de producent opgegeven tenderbedrag van toepassing op alle aanvragen die deel uitmaken van de gebundelde aanvraag.

  • 2. Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën, wordt per categorie productie-installaties een maximum tenderbedrag per verminderde kg broeikasgas bepaald.

  • 3. Het tenderbedrag bedraagt ten hoogste de gemiddelde kosten per 1000 kg vermindering van broeikasgas per categorie van productie-installaties.

Artikel 55n
  • 1. Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën, wordt ten behoeve van de correctie van het tenderbedrag, bedoeld in artikel 55p, en de vaststelling van het bedrag dat de subsidie ten hoogste bedraagt, bedoeld in artikel 55r, een basisbroeikasgasbedrag per 1000 kg broeikasgas vastgesteld dat kan verschillen voor verschillende categorieën productie-installaties.

  • 2. Voor het basisbroeikasgasbedrag kunnen de marktprijs van het primaire product dat de productie-installatie produceert of de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidie-ontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer afzonderlijk vastgesteld worden.

  • 3. Binnen een categorie productie-installaties kunnen verschillende basisbroeikasgasbedragen als bedoeld in het eerste lid, gelden die gerelateerd zijn aan de hoeveelheid verminderde broeikasgas die voor subsidie in aanmerking komt.

  • 4. De hoogte van het basisbroeikasgasbedrag bedraagt tweederde van het langetermijnbroeikasgasbedrag.

Artikel 55o
  • 1. Het door de producent opgegeven tenderbedrag, bedoeld in artikel 55m, geldt gedurende de gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt.

  • 2. Het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55n, dat geldt op het moment van aanvraag van de subsidie, geldt gedurende de gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt.

Artikel 55p
  • 1. Voor elke subsidie-ontvanger geldt dat het tenderbedrag in elk kalenderjaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt wordt gecorrigeerd met:

    • a. de prijs van het primaire product dat door de productie-installatie wordt geproduceerd;

    • b. de opbrengsten of vermeden kosten die voor de subsidie-ontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer;

    • c. andere bij ministeriële regeling vast te stellen correcties die een substantiële invloed hebben op het verschil tussen de gemiddelde kostprijs van de vermindering broeikasgas en de relevante gemiddelde marktprijs van de vermindering van broeikasgas en die voortvloeien uit maatregelen van de overheid.

  • 2. Indien de som van de in het eerste lid, onderdelen a en b, bedoelde correcties lager is dan het in artikel 55n, eerste lid, bedoelde basisbroeikasgasbedrag, dan geldt het in dat lid bedoelde basisbroeikasgasbedrag.

  • 3. Bij ministeriële regeling worden jaarlijks voor 1 april de in het eerste en derde lid bedoelde correcties vastgesteld, die kunnen verschillen per categorie productie-installaties.

  • 4. Ten behoeve van de voorschotverlening worden bij ministeriële regeling jaarlijks voor 1 november de in het eerste lid bedoelde correcties voor het volgende kalenderjaar vastgesteld, die kunnen verschillen per categorie productie-installaties, en waarbij voor de kostprijs broeikasgas de gemiddelde waarde in de periode 1 september tot en met 31 augustus, of in een bij ministeriële regeling te bepalen periode, voorafgaand aan het kalenderjaar wordt gehanteerd. Indien na 1 november bij ministeriële regeling een andere categorie productie-installaties wordt aangewezen waarvoor subsidie kan worden aangevraagd, worden de in het eerste lid bedoelde correcties ten behoeve van de voorschotverlening voor die categorie productie-installaties bij die ministeriële regeling vastgesteld.

  • 5. Indien het ingevolge het eerste lid geldende bedrag negatief is, bedraagt het bedrag nul.

Artikel 55q
  • 1. De subsidie die een subsidie-ontvanger ontvangt wordt bepaald door:

    • a. met elkaar te vermenigvuldigen:

      • 1°. het aantal kg verminderde broeikasgas dat in elk kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, met

      • 2°. het voor het betreffende kalenderjaar op basis van artikel 55p geldende gecorrigeerde tenderbedrag, en

    • b. de overeenkomstig onderdeel a berekende bedragen voor ieder kalenderjaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt bij elkaar op te tellen.

  • 2. Het aantal kg verminderde broeikasgas dat jaarlijks voor subsidie in aanmerking komt bedraagt ten hoogste het in de beschikking tot subsidieverlening vastgestelde maximum aantal kg broeikasgas dat per jaar wordt verminderd en dat gebaseerd is op de capaciteit, het rendement en het aantal vollasturen van de installatie.

  • 3. Bij ministeriële regeling kan voor een categorie productie-installaties worden bepaald dat indien in een jaar minder kg broeikasgas is verminderd dan het aantal kg dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt, het verschil in kg bij het aantal kg dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt wordt opgeteld. Bij ministeriële regeling kan een maximum, dat per jaar kan verschillen, worden gesteld aan het aantal kg broeikasgas dat opgeteld wordt bij het aantal kg broeikasgas dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt

  • 4. Bij ministeriële regeling kan voor een categorie productie-installaties worden bepaald dat indien in een jaar meer kg broeikasgas is verminderd of uit vorige jaren is overgebracht dan het aantal kg broeikasgas dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt, waarbij het verschil in kg broeikasgas dat in een vorig jaar minder is verminderd ingevolge het derde lid reeds is opgeteld, het verschil in kg bij het aantal kg verminderde broeikasgas van het volgende jaar wordt opgeteld. Bij ministeriële regeling kan een maximum, dat per jaar kan verschillen, worden gesteld aan het aantal verminderde kg broeikasgas dat opgeteld wordt bij het aantal kg broeikasgas dat het volgende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 5. Bij ministeriële regeling kan ten behoeve van de berekening van het maximum aantal kg broeikasgas, bedoeld in het tweede lid, per categorie productie-installaties een maximum aantal vollasturen worden bepaald.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen regels worden gesteld over de wijze waarop het aantal kg verminderde broeikasgas moet worden vastgesteld of berekend.

Artikel 55r

De subsidie bedraagt ten hoogste het verschil tussen het tenderbedrag, bedoeld in artikel 55m, en het basisbroeikasgasbedrag, bedoeld in artikel 55n, vermenigvuldigd met het in de beschikking tot subsidieverlening voor de gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt bepaald maximum aantal kg verminderde broeikasgas.

K

In artikel 56, vierde lid, onderdeel e, wordt na «in te voeden kWh» ingevoegd «, dan wel in Nederland te verminderen kg broeikasgas,».

L

In artikel 57, eerste lid, onderdelen a en b wordt na «of hernieuwbare warmte» ingevoegd «dan wel de vermindering van broeikasgas».

M

Artikel 58 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare subsidieplafond, of de maximale productie in kWh, of de maximale vermindering van broeikasgas in kg zou worden overschreden, worden steeds de aanvragen om subsidie met het laagste rangschikkingsbedrag, uitgedrukt in euro per 1000 kg vermindering van broeikasgas geacht eerder te zijn ontvangen. Indien honorering van alle aanvragen om subsidie met het laagste rangschikkingsbedrag, uitgedrukt in euro per 1000 kg vermindering van broeikasgas die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare subsidieplafond, of de maximale productie in kWh of de maximale vermindering van broeikasgas in kg zou worden overschreden, stelt Onze Minister de volgorde van ontvangst van deze aanvragen vast door middel van loting.

2. Het vierde lid komt te luiden:

  • 4. Bij de toepassing van het tweede lid:

    • a. wordt een gebundelde aanvraag behandeld als één aanvraag, waarbij als rangschikkingsbedrag geldt het rangschikkingsbedrag van de aanvraag met het hoogste rangschikkingsbedrag van de bundel;

    • b. worden bij de loting alle op de desbetreffende dag ontvangen aanvragen met hetzelfde rangschikkingsbedrag betrokken.

N

Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Onze Minister rangschikt de aanvragen waarop niet met toepassing van artikel 59 afwijzend wordt beslist zodanig dat een aanvraag hoger wordt gerangschikt indien:

    • a. voor hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte het tenderbedrag per kWh lager is;

    • b. voor hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte of vermindering van broeikasgas het tenderbedrag per kg vermindering broeikasgas lager is;

    • c. voor hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas, hernieuwbare warmte of vermindering van broeikasgas het verschil tussen tenderbedrag en langetermijnenergieprijs of langetermijnbroeikasgasbedrag lager is.

2. In het tweede lid wordt onder verlettering van de onderdelen a en b tot b en c een onderdeel ingevoegd, luidende:

  • a. de uitwerking van de criteria, bedoeld in het eerste lid;.

O

In artikel 63a, eerste lid, wordt «en de volledigheid van de krachtens artikel 11a.2 van de Wet milieubeheer benodigde conformiteitsbeoordelingsverklaringen» vervangen door «en de volledigheid van de vereiste, krachtens artikel 11a.2 van de Wet milieubeheer afgegeven conformiteitsbeoordelingsverklaringen».

P

Na artikel 63a wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 63b

  • 1. In de beschikking tot subsidieverlening kan aan de subsidieontvanger de verplichting worden opgelegd een verklaring te overleggen over de opbrengsten en vermeden kosten die voor de subsidie-ontvanger voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten, bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer.

  • 2. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over de verklaring, bedoeld in het eerste lid.

Q

Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het vierde en vijfde lid tot het vijfde en zesde lid wordt een lid ingevoegd, luidende:

  • 4. Een voorschot aan een subsidie-ontvanger die broeikasgas vermindert bedraagt het product van:

    • a. het in de beschikking tot subsidieverlening per kalenderjaar vastgestelde maximum aantal kg broeikasgas, waar op verzoek van de producent het aantal kg broeikasgas, bedoeld in artikel 55j, derde of vierde lid, of 55q, derde of vierde lid, bij opgeteld kan worden; en

    • b. het fasebedrag of basisbedrag dan wel het tenderbedrag verminderd met de op grond van artikel 55i, vierde lid, dan wel artikel 55p, vierde lid, vastgestelde correcties,

    met dien verstande dat in het daaropvolgende kalenderjaar de hoogte van het voorschot wordt vastgesteld op basis van het in het voorgaande kalenderjaar feitelijk geproduceerde en voor subsidie in aanmerking komend aantal kg broeikasgas en het gecorrigeerde bedrag, bedoeld in artikel 55i, derde lid, dan wel artikel 55p, derde lid.

2. Het vijfde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 5 Onze Minister verstrekt per jaar slechts een voorschot tot ten hoogste in de beschikking tot subsidieverlening per kalenderjaar vastgestelde maximum aantal kWh dan wel kg broeikasgas waar op verzoek van de producent, het aantal kWh, bedoeld in artikel 15, derde of vierde lid, 23, derde of vierde lid, 32, derde of vierde lid, 40, derde of vierde lid, 48, derde of vierde lid, of 55, derde of vierde lid, dan wel kg broeikasgas als bedoeld in artikel 55j, derde of vierde lid of artikel 55q, derde of vierde lid, bij opgeteld kan worden.

R

Artikel 68, eerste lid, komt als volgt te luiden:

  • 1. Onze Minister verstrekt de in artikel 67, eerste, tweede, derde en vierde lid, bedoelde voorschotten in maandelijkse bedragen, tenzij bij ministeriële regeling is bepaald dat voor een bepaalde categorie productie-installaties het voorschot in een jaarlijks bedrag wordt verstrekt. De som van de maandelijkse bedragen of van het jaarlijkse bedrag bedraagt niet meer dan 80% van het product van:

    • a. het in de beschikking tot subsidieverlening per kalenderjaar vastgestelde maximum aantal kWh dan wel maximum aantal kg broeikasgas, waar op verzoek van de producent, het aantal kWh, bedoeld in artikel 15, derde of vierde lid, 23, derde of vierde lid, 32, derde of vierde lid, 40, derde of vierde lid, 48, derde of vierde lid, of 55, derde of vierde lid, respectievelijk het aantal kg broeikasgas, bedoeld in artikel 55j, derde of vierde lid, of 55q, derde of vierde lid, bij opgeteld kan worden; en

    • b. het basisbedrag dan wel het tenderbedrag verminderd met de op grond van de artikelen 14, vijfde lid, 31, vijfde lid, of 47, vijfde lid, of artikel 55i, vierde lid, dan wel de artikelen 22, vijfde lid, 39, vijfde lid, of 54, vijfde lid, of 55p, vierde lid, vastgestelde correcties.

S

In artikel 71, tweede lid, wordt «of artikel 54, vierde lid» vervangen door «artikel 54, vierde lid, artikel 55i, derde lid, of artikel 55p, derde lid».

T

Aan artikel 74 wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. Op aanvragen om subsidie die in de periode tussen 1 januari 2015 en 1 november 2020 zijn ingediend, op subsidies die in de periode tussen 1 januari 2015 en 1 juli 2020 zijn verleend en op subsidies die in de periode tussen 1 januari 2015 en 1 november 2020 zijn vastgesteld blijft het recht van toepassing zoals dat luidde onmiddellijk vóór 1 november 2020.

U

In artikel 76 wordt «Besluit stimulering duurzame energie» vervangen door «Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie».

Artikel II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 november 2020.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 31 augustus 2020

Willem-Alexander

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

Uitgegeven de tweeëntwintigste september 2020

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel en aanleiding

Onderhavig besluit wijzigt het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: Besluit SDE). Ingevolge het Besluit SDE kon uitsluitend ter stimulering van duurzame energie subsidie worden verleend voor maatregelen die betrekking hadden op productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of hernieuwbare warmte (hernieuwbare energie). Dit wijzigingsbesluit maakt het mogelijk dat voortaan ook subsidie kan worden verleend voor broeikasgasreducerende maatregelen. Om die reden wordt met dit wijzigingsbesluit ook de citeertitel veranderd: voortaan wordt het aangeduid als Besluit stimulering duurzame energieproductie en klimaattransitie (hierna: Besluit SDEK).

Dit wijzigingsbesluit vloeit voort uit het streven van het kabinet om ten opzichte van 1990 een reductie van koolstofdioxide-emissie op Nederlands grondgebied van 49 procent te bereiken in 2030. Dit is afgesproken in het Regeerakkoord van oktober 2017 (Kamerstukken II 2017/2018 34 700, nr. 34) en het Klimaatakkoord van juni 2019 (Kamerstukken II 2018/2019 32 813, nr. 342). In het Regeerakkoord is afgesproken dat het Besluit SDE wordt verbreed om andere emissie reducerende technologieën, waaronder de afvang en opslag van koolstofdioxide te stimuleren. Op deze wijze kan met de verbreding een belangrijke bijdrage geleverd worden aan het terugdringen van emissies, en dus het aanpakken van de klimaatopgaven van verschillende sectoren.

Het Besluit SDE was het belangrijkste instrument ter stimulering van de productie van hernieuwbare energie tegen zo laag mogelijke kosten en is uit onderzoek in de afgelopen jaren een effectieve stimuleringsregeling gebleken (Evaluatie SDE+-regeling, SEO en CE Delft, november 2016). Hierdoor is het wenselijk om de kernkenmerken van het Besluit SDE te behouden (techniekneutraliteit, onderlinge concurrentie en meerjarige zekerheid voor investeerders) en te voorzien in uitbreiding met subsidiemogelijkheden voor nieuwe technieken die CO2 emissies reduceren, naast de reeds bestaande die gekoppeld zijn aan de productie van hernieuwbare energie. Daarnaast blijven ook de volgende kenmerken van het Besluit SDE behouden: het mogelijk maken van een versnelde uitrol van technieken door de onrendabele top van projecten te vergoeden door middel van een exploitatiesubsidie, een gefaseerde openstelling om de subsidie zo kostenefficiënt mogelijk te besteden, en een maximering van het basisbedrag om een kosteneffectieve uitrol van technieken te realiseren.

Hieronder worden de wijzigingen op grond van dit wijzigingsbesluit toegelicht.

2. Wijzigingen

2.1 Verbreding van subsidiedoelstellingen: nieuwe categorieën

De werking van de subsidieverlening onder het Besluit SDE – het besluit zoals dat luidde tot de inwerkingtreding van onderhavig wijzigingsbesluit – is toegelicht bij de inwerkingtreding van het besluit en voor de SDE+ met name de wijziging ervan in 2011 (Stb 2007, nr. 410 en Stb. 2011, nr. 548). Als gevolg van dit wijzigingsbesluit kan de Minister van Economische Zaken en Klimaat (hierna: Minister van EZK) op grond van het Besluit SDEK tevens subsidie verlenen voor andere productie-installaties voor de vermindering van broeikasgas, dan de productie-installaties voor de productie van duurzame energie. Het gaat dan om productie-installaties voor de afvang en de opslag, de afvang en het hergebruik, alsmede de vermindering of vermijding van de uitstoot van broeikasgas. Deze uitbreiding geeft de mogelijkheid subsidie te verlenen voor technieken zoals de benutting van restwarmte (uit de industrie en datacentra), warmtepompen in de industrie, elektrische boilers, waterstofproductie, energiebesparingstechnieken, en technieken voor de afvang en opslag van broeikasgas (CCS) of afvang en gebruik van broeikasgas (CCU). Zodoende wordt mogelijk gemaakt dat op zichzelf (thans nog) onrendabele investeringen in installaties die leiden tot de productie van hernieuwbare energie (gas, warmte of elektriciteit, of een combinatie daarvan) of tot de vermindering van broeikasgassen in de atmosfeer bijdragen aan de doelstelling uit het regeerakkoord van 49% emissiereductie in Nederland in 2030 ten opzichte van 1990. Ook andere gascomponenten dan koolstofdioxide kunnen bijdragen aan de opwarming van de aarde. Waar sprake is van andere gascomponenten dan koolstofdioxide zal binnen het Besluit SDEK daarom worden omgerekend naar koolstofdioxide-equivalenten. Koolstofdioxide-equivalent is een maat om aan te geven hoeveel een gegeven hoeveelheid broeikasgas bijdraagt aan de opwarming van de aarde, gebruikmakend van een equivalente concentratie CO2. Het wijzigingsbesluit voorziet in een grondslag voor de vaststelling van een omrekenfactor voor de equivalenten van koolstofdioxide.

De verbreding van de subsidiedoelstellingen is ook de aanleiding om in dit wijzigingsbesluit een aantal nieuwe begrippen te introduceren. Deze begrippen zijn deels equivalenten van de gebruikte begrippen inzake de subsidiëring van de productie van duurzame energie voor de subsidiëring van broeikasgasvermindering. Het broeikasgasbedrag is het equivalent van de basisenergieprijs en het langetermijnbroeikasgasbedrag is het equivalent van de langetermijnenergieprijs.

2.2 Volgorde verlening van subsidies

Voor de nieuwe categorieën die in verband met de vermindering van broeikasgas zijn opgenomen worden de twee gebruikelijke mogelijkheden voor het bepalen van de volgorde van verlening van subsidie geregeld. Dit betreft de verdeling op volgorde van binnenkomst van de aanvraag of verdeling op volgorde van rangschikking. Voor de nieuwe – én reeds bestaande – categorieën geldt dat wanneer op grond van het Besluit SDEK bij ministeriële regeling wordt gekozen voor de verlening bij volgorde van binnenkomst, de aanvrager per productie-installatie in een van de opengestelde fases een aanvraag kan indienen tegen het in die fase geldende fasebedrag.

Een openstellingsronde bestaat uit twee of meer fases, waarbij het fasebedrag in de eerste fase het laagste is en in de laatste fase het hoogste. Daardoor zullen producenten in een eerdere fase een aanvraag indienen voor hun productie-installaties naar mate de onrendabele top lager is, en later naarmate deze onrendabele top hoger is. Met de fases wordt derhalve beoogd om de meest kosteneffectieve projecten eerst aan bod te laten komen voor subsidie om zo de meeste broeikasgasreductie te realiseren voor het subsidieplafond.

De subsidie kan worden verleend in volgorde van binnenkomst van de aanvraag tot op de dag waar het subsidieplafond, of indien van toepassing het deelplafond of productieplafond, dreigt te worden overschreden. Onderhavig wijzigingsbesluit beoogt hierin geen wijziging ten opzichte van de eerdere situatie waarin alleen subsidie voor de productie van duurzame energie werd verleend. In het geval dat een plafond dreigt te worden overschreden, vindt voor die aanvragen die zijn ingediend op die dag wanneer het subsidieplafond, productieplafond of deelplafond wordt overschreden, een rangschikking plaats. Voor de rangschikking in het geval van verlening op volgorde binnenkomst wordt met dit wijzigingsbesluit het begrip rangschikkingsbedrag geïntroduceerd. Dit begrip beoogt de leesbaarheid te bevorderen en is alleen van toepassing indien rangschikking van aanvragen noodzakelijk is bij de verdeling op volgorde van binnenkomst.

Indien op grond van het Besluit SDEK wordt bepaald dat de verlening plaatsvindt op volgorde van rangschikking dient de aanvrager voor subsidie in plaats van een fasebedrag of basisbedrag een tenderbedrag in op basis waarvan de hoogte van de subsidie wordt berekend. Bij ministeriële regeling wordt bepaald op basis waarvan de rangschikking van aanvragen plaatsvindt. Ingevolge dit wijzigingsbesluit kan worden gekozen uit een aantal opties: het tenderbedrag in euro per kWh, het tenderbedrag in euro per 1000 kg vermindering broeikasgas, de verwachte subsidiebehoefte (het verschil tussen tenderbedrag en de langetermijnenergieprijs of langetermijnbroeikasgasbedrag). Op deze wijze biedt het Besluit SDEK ruimte voor verschillende soorten tenders, afhankelijk van het specifieke doel van een openstellingsronde.

2.3 Berekening hoogte van de subsidie en voorschotten

Op grond van het Besluit SDEK wordt ten hoogste de onrendabele top van de investeringen en de exploitatie van productie-installaties voor de vermindering van broeikasgas gesubsidieerd. De onrendabele top betreft het verschil tussen het basisbedrag en het correctiebedrag.

Het basisbedrag is de integrale kostprijs per eenheid meetbare prestatie van productie duurzame energie of vermindering broeikasgas. Deze wordt zodanig gekozen dat het maximaal de gemiddelde kosten per 1000 kg broeikasgasvermindering reflecteert. Dit gebeurt op basis van een deskundigenadvies, dat in overleg met de marktpartijen tot stand komt. Onder de gemiddelde kosten wordt verstaan het gemiddelde van de kosten van de binnen de desbetreffende categorie gangbare (nieuwe) productie-installaties, waarbij in de kosten een factor voor het door de producent te behalen rendement, waaronder het primaire product dat wordt geproduceerd, is verdisconteerd. Met het primaire product wordt bedoeld de meetbare eenheid die de productie-installatie ter vermindering van broeikasgas produceert en die een bron van opbrengsten is voor de aanvrager, bijvoorbeeld het aantal kg waterstof bij de categorie groene waterstof of het aantal kg geproduceerd gerecycled plastic. Hierbij gaat het om het belangrijkste product, dat bepalend is voor de onrendabele top ten opzichte van de fossiele referentie. Het rendement zal nooit hoger worden vastgesteld dan de staatssteunregels van de Europese Unie toestaan. Indien ten behoeve van de volgorde van de verlening van de subsidies wordt gekozen voor de tendersystematiek wordt geen basisbedrag vastgesteld. De subsidie-aanvrager dient in dat geval aan te geven voor welk bedrag hij een productie-installatie wil exploiteren. Wel wordt een maximumbedrag vastgesteld. Het bedrag wordt dan tenderbedrag genoemd. Het basisbedrag en het door de producent opgegeven tenderbedrag gelden voor de gehele voor subsidieperiode.

Voor het correctiebedrag wordt net als voor hernieuwbare energie ook voor de vermindering van broeikasgas bij ministeriële regeling basisprijzen vastgesteld, in dit geval basisbroeikasbedragen genoemd. Het basisbroeikasgasbedrag bedraagt twee derde van het langetermijnbroeikasgasbedrag. In het bedrag worden – waar van toepassing – de opbrengsten van het primaire product dat met een productie-installatie wordt geproduceerd, alsmede de ETS-prijs voor broeikasgas verdisconteerd.

Als de opbrengst van vermindering van broeikasgas onder het basisbroeikasgasbedrag zakt, dan stijgt de subsidie niet langer mee om het verschil te vergoeden. Dit voorkomt dat voor een project veel meer middelen gereserveerd moeten worden dan er waarschijnlijk tijdens de looptijd uitgekeerd zou worden. De basisbroeikasgasbedragen gelden voor de gehele periode waarover subsidie wordt verleend. Bij het vaststellen van deze bedragen zal de expertise van deskundigen worden ingeschakeld.

Ten behoeve van de voorschotverlening worden jaarlijks in het najaar de voorlopige correctiebedragen vastgesteld. Deze zijn gebaseerd op de werkelijke ontwikkelingen van de primaire producten die in productie-installaties worden geproduceerd (zie hierboven) en van de ETS-prijzen. In het voorjaar worden de definitieve correcties vastgesteld voor het voorafgaande jaar. Bij het vaststellen van de correctiebedragen kunnen, voor wat betreft de productie van duurzame energie ook garanties van oorsprong een waarde krijgen. Tot slot kunnen andere correcties worden vastgesteld die een significante invloed hebben op het verschil tussen de gemiddelde kostprijs van vermindering van broeikasgas en de opbrengsten van de productie-installatie en van de vermindering van broeikasgas. Hierbij kan worden gedacht aan de gevolgen van de invoering van een CO2-belasting.

De basisbedragen en de correctiebedragen voor de nieuwe categorieën productie-installaties ter vermindering van broeikasgas worden vastgesteld in euro per 1000 kg vermindering broeikasgas. De subsidie per kalenderjaar is het verschil tussen basisbedrag (of als tegen een fasebedrag is aangevraagd, het fasebedrag) en correctiebedrag vermenigvuldigd met de daadwerkelijke productie. In het geval van vermindering broeikasgas is deze productie de hoeveelheid broeikasgas in kilogrammen die in Nederland is verminderd of waarvan de uitstoot in de atmosfeer is vermeden.

Indien bij de berekening van het voorschot blijkt dat de subsidieontvanger nog recht heeft op een deel van zijn voorschot of dat de som van de maandelijkse bedragen juist meer is dan hij recht op heeft, kan de Minister van EZK dit verrekenen met nog te verstrekken maandelijkse bedragen. De wijze waarop de hoogte van de termijnen wordt vastgesteld wordt bij ministeriële regeling bepaald.

3. Regeldruk

Voor het realiseren van het CO2 reductie doel van 49% in 2030 ten opzichte van 1990 te bereiken heeft de Rijksoverheid verschillende maatregelen beschikbaar. Zo verplicht het Activiteitenbesluit milieubeheer ondernemingen om energiebesparende maatregelen te treffen die een terugverdientijd van minder dan 5 jaar hebben. Deze investeringen worden rendabel geacht. Veel CO2 reducerende maatregelen hebben echter een (iets) langere terugverdientijd dan 5 jaar en worden daarom door ondernemingen onrendabel geacht en veelal niet uitgevoerd. Zo blijft hier veel relatief kosteneffectief potentieel voor CO2 reductie liggen. Een deel van deze maatregelen wordt overigens wel via de EnergieInvesteringsAftrek (EIA) gestimuleerd, maar de business case blijft in veel gevallen nog steeds (ruim) boven 5 jaar.

Het Besluit SDE was al jarenlang een beproefd instrument voor het stimuleren van grootschalige hernieuwbare energieproductie. Door alle CO2 reducerende technieken onder één, uitgebreid, Besluit SDEK te vatten, stimuleert het kabinet CO2 reducerende maatregelen die het meest kostenefficiënt zijn. Zo zal een potentieel nieuw windpark of zonnepark voor hetzelfde subsidiebudget concurreren als een Carbon Capture and Storage (CCS) project. Doel hiervan is het CO2 reductie doel met zo weinig mogelijk middelen te realiseren.

Voor de bestaande duurzame energie technieken is de verandering minimaal. Onder het Besluit SDEK wordt nog steeds de onrendabele top vergoed en de subsidie-uitkering blijft onveranderd. Het elektronisch loket van RVO waar de aanvragen worden ingediend rekent per techniek vervolgens het rangschikkingsbedrag om in €/ton CO2 reductie. Dit is nodig omdat de fasering van de indiening en rangschikking onder het Besluit SDEK niet meer in €/kWh gebeurt maar op basis van €/ton CO2 reductie (bijv. fase 1: 100 €/ton CO2 reductie, fase 2: 200 €/ton CO2 reductie, etc.). De omrekenfactoren die daarbij gehanteerd worden, worden opgenomen in een regeling aanwijzing categorieën van de desbetreffende openstellingsronde onder het Besluit SDEK. Bovendien draagt het uitbreiden (van de SDE+) onder het Besluit SDEK, voor hernieuwbare energieproductie naar overige CO2 reducerende maatregelen bij aan de toekomstbestendigheid van de regeling. Zo verwacht het kabinet dat hernieuwbare energieproductie (in eerste instantie voor hernieuwbare elektriciteit) op termijn zonder subsidie gerealiseerd kan worden. In dat geval blijft het Besluit SDEK beschikbaar voor die technieken die nog wel een onrendabele top kennen.

Ook heeft het zoveel mogelijk behouden van de systematiek uit het Besluit SDE in het Besluit SDEK als voordeel dat veel ondernemingen reeds bekend zijn met de werkwijze van deze regeling en de continuïteit op hoofdlijnen van de regeling waarderen. Dit verlaagt de regeldruk voor ondernemingen die reeds een eerdere aanvraag voor SDE+ subsidie hebben gedaan wanneer zij subsidie krachtens het Besluit SDEK zouden aanvragen.

Het Besluit SDEK bouwt grotendeels voort op het Besluit SDE en zal daardoor een werkbaar instrument zijn. Deze regeling zal – net als de huidige SDE+ regeling – door RVO worden uitgevoerd. Voor projecten waarbij hernieuwbare energie geproduceerd wordt, zal het Besluit SDEK nauwelijks verschillen qua aanvraagprocedure en lastendruk. Daarnaast is het mogelijk dat de totale administratieve lasten onder het Besluit SDEK zullen afnemen doordat verwacht wordt dat het absolute aantal projecten dat subsidie op grond van het Besluit SDEK krijgt zal afnemen vanaf 2020. Het is de verwachting dat voor sommige nieuwe broeikasgasemissiereducerende technieken er uitsluitend projecten van zeer grote schaal (en met bijbehorend hoge budget claim) een aanvraag voor subsidie zullen indienen.

Om een vergelijking te maken van de effecten op regeldruk is de wijziging van het onderhavige besluit in samenhang bekeken met de bepalingen uit de overige regelingen die voortvloeien uit het Besluit SDE, zoals de regelingen aanwijzing categorieën duurzame energieproductie die per openstellingsronde worden vastgesteld, alsmede de algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

Op grond van dit wijzigingsbesluit en de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie zullen subsidieaanvragen worden ingediend voor in complexiteit en investeringsbedrag zeer uiteenlopende projecten. Het bepalen van de administratieve lasten verbonden aan deze regeling is alleen mogelijk door van in omvang gemiddelde projecten uit te gaan.

Kenmerkend is dat er voor een lange periode subsidie (veelal voor 15 jaar) wordt verleend. Een producent doet eenmaal een subsidieaanvraag en ontvangt vervolgens voor vele jaren subsidie. De administratieve lasten zullen zich concentreren in het jaar van aanvraag van de subsidie.

De wijzigingen die met het onderhavige besluit worden doorgevoerd, hebben geen gevolgen voor de administratieve lasten voor burgers omdat zij naar verwachting geen projecten met subsidie krachtens het Besluit SDEK zullen uitvoeren. Voor de regeldruk voor bedrijven verandert het volgende naar aanleiding van de wijzigingen die met het onderhavige besluit worden doorgevoerd.

Het Besluit SDEK is naar aanleiding van het (ontwerp) Klimaatakkoord een uitbreiding (ten opzichte van het Besluit SDE) met een hoofdstuk voor CO2-reducerende technieken (broeikasgasemissie reductie). In de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie zijn de administratieve lasten als percentage van het opengestelde subsidiebudget berekend waarbij rekening is gehouden met alle administratieve lasten die samenhangen met de onderliggende regelgeving van het Besluit SDEK. Verwezen wordt naar de verantwoording en berekening van administratieve lasten in de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie. Bij de bepaling van de hoogte van de administratieve lasten is hierbij onderscheid gemaakt tussen zon-pv, andere hernieuwbare energie categorieën en overige niet-hernieuwbare energie CO2-emissiereductiecategorieën.

De administratieve lasten bestaan uit eenmalige kosten die gemaakt worden voor het indienen van een subsidieaanvraag en uit jaarlijkse kosten gedurende de subsidieperiode.

De kosten voor het indienen voor een subsidieaanvraag bestaan uit het invullen van een digitaal aanvraagformulier en het verzamelen van de benodigde verplichte bijlagen, zoals verleende vergunningen en een haalbaarheidsstudie. De bijlagen zelf zijn vaak niet alleen benodigd voor het indienen van de subsidieaanvraag, maar behoren ook bij de projectvoorbereiding zelf en zijn noodzakelijk om een project te kunnen realiseren. Ook een haalbaarheidsstudie is gangbaar bij een goede voorbereiding van een project. In die zin is er voor de haalbaarheidsstudie vooral sprake van meerkosten om te checken of alle verplichte onderdelen van de haalbaarheidsstudie die zijn vereist, aanwezig zijn. Om dit te vergemakkelijken biedt RVO een standaard format aan.

RVO stuurt jaarlijks een onderbouwde berekening over voorschot en bijstelling. In de lastenberekening is tijd opgenomen voor partijen om hiervan kennis te nemen.

De totale eenmalige administratieve lasten voor deze openstelling bedragen € 5.250.000,– voor zon-pv, € 2.385.000,– voor de andere hernieuwbare energiecategorieën en € 530.000,– voor de categorieën voor elektrificatie van de industrie, CO2-afvang en -opslag en benutting van restwarmte, wat gezamenlijk optelt tot € 8.165.000,–. De jaarlijkse administratieve lasten voor deze openstelling bedragen € 240.000,– voor zon-pv, € 43.200,– voor de andere hernieuwbare energiecategorieën en € 96.000,– voor de categorieën voor elektrificatie van de industrie, CO2-afvang en -opslag en benutting van restwarmte, wat gezamenlijk optelt tot € 292.800. De subsidielooptijd betreft voor alle categorieën 15 jaar, met uitzondering van biomassa waarvoor de subsidie een looptijd van 12 jaar heeft. Voor de gehele subsidieperiode tellen de jaarlijkse administratieve lasten voor alle categorieën daardoor op tot € 4.363.200,– in totaal. Wanneer in de jaarlijkse openstellingsronde een subsidiebudget van € 5.000.000.000,– wordt opengesteld, gaat het om 0,25% van het subsidiebudget. Dit percentage regeldruk is daarmee iets lager dan de SDE+ in 2019 (toen was dit 0,30%).

Overigens is windenergie op zee buiten beschouwing gelaten in de berekening van de regeldruk, omdat er op dit moment alleen subsidieloze tenders worden opengesteld.

4. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

De uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het Besluit SDEK wordt met het onderhavige besluit verbeterd. Met het onderhavige besluit wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bestaande meetketen systematiek zoals die nu geldt voor duurzame energie. Dit komt de uitvoerbaarheid voor RVO ten goede. Specifiek moet hier worden gedacht aan bijvoorbeeld: het meten met gecertificeerde meetinrichtingen, het uitlezen van meetdata door toegelaten meetbedrijven, het bestaande dataverkeer via de netbeheerders. Tevens worden momenteel met verschillende garantie-beheerinstanties de mogelijkheden verkend om de meetketen uit te werken voor de nieuwe CO2-reducerende technieken onder het Besluit SDEK. Een objectieve en eenduidige meetketen zal de handhaafbaarheid van het Besluit SDEK ten goede komen.

5. Europese aspecten

De subsidies die krachtens het Besluit SDEK worden verleend moeten door de Europese Commissie als staatssteun verenigbaar worden geacht met de interne markt. De verbrede steunmaatregel is gemeld bij de Europese Commissie ten behoeve van goedkeuring van de steun voor de productie van duurzame energie en vermindering van broeikasgas. In de pre-notificatieprocedure bij Europese Commissie is gebleken dat geen er geen opmerkingen meer zijn die van invloed kunnen zijn op onderhavig besluit. Ten aanzien van de subsidies op grond van het Besluit SDEK is op 23 juli 2020 de formele melding ten behoeve van de goedkeuring van de Europese Commissie gedaan. De goedkeuring volgt naar verwachting voor 1 november 2020. De eerste openstelling van de nieuwe subsidieregeling is voorzien in november van 2020. Het Besluit SDEK maakt het mogelijk dat bij ministeriële regeling de SDEK-subsidie wordt opengesteld. Zonder deze ministeriële regeling kan de Minister van EZK geen subsidie verstrekken. Artikel 4 van het Besluit SDEK voorziet bovendien in de gevolgen van voor de subsidieverlening indien de goedkeuring van de Europese Commissie nog niet is verleend.

6. Consultatie

Tijdens de totstandkoming van het Klimaatakkoord is de verbreding van het Besluit SDE veelvuldig afgestemd met stakeholders in de decentrale overheden en de bedrijfsmatige sectoren van landbouw, industrie, elektriciteit, gebouwde omgeving en mobiliteit. Om deze reden is een internetconsultatie niet opportuun geacht.

II. Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A (artikel 1, eerste lid, van het Besluit SDEK)

In onderdeel A wordt in verband met de uitbreiding van de categorieën productie-installaties waarvoor subsidie kan worden verleend tot andere broeikasgasverminderende productie-installaties dan die voor de productie van duurzame energie, begripsbepalingen aangepast en toegevoegd.

Onderdeel B (opschrift paragraaf 2 van het Besluit SDEK)

In onderdeel A worden in verband met de uitbreiding van de categorieën productie-installaties waarvoor subsidie wordt verleend de titel van paragraaf 2 aangepast.

Onderdeel C (artikel 2 van het Besluit SDEK)

Met de wijziging van artikel 2, eerste lid, worden 3 categorieën activiteiten in verband met de vermindering van broeikasgas in de atmosfeer toegevoegd, waarvoor een producent subsidie kan verkrijgen. Het betreft de afvang en opslag van broeikasgas, de vermijding van uitstoot van broeikasgas of de afvang en het hergebruik van broeikasgas.

De wijzigingen van artikel 2, tweede en vijfde lid, maken het mogelijk dat desbetreffende leden ook toegepast kunnen worden ten aanzien van de subsidieverlening voor vermindering broeikasgas. Daardoor kan bij ministeriële regeling ook voor categorieën productie-installaties ter vermindering van broeikasgas een afzonderlijk subsidieplafond worden ingesteld of een maximale vermindering van broeikasgas in kilogrammen worden vastgesteld.

Aan artikel 2 worden (door onderdeel C, vierde lid) twee nieuwe leden (7 en 8) toegevoegd. Op grond van deze leden kan de Minister van EZK regels vaststellen ten aanzien van omrekenfactoren. Deze kunnen per productie-categorieverschillen. Deze omrekenfactoren zijn noodzakelijk voor de vaststelling van de subsidie per 1000 kg vermindering van broeikasgas mogelijk te maken en om de onderlinge vergelijking van productie-installaties voor vermindering van broeikasgas en de productie van duurzame energie mogelijk te maken. Bij ministeriële kunnen ook ten aanzien van andere factoren omrekenfactoren vastgesteld worden. Daarbij kan gedacht worden aan de bepaling van het aandeel vermindering van broeikasgas in Nederland ten opzichte van de totale vermindering broeikasgas door een categorie productie-installaties.

Onderdeel D (artikel 3, derde lid, van het Besluit SDEK)

Op grond van artikel 3, derde lid, van het Besluit SDEK kan ten aanzien van bepaalde aangewezen categorieën productie-installaties subsidie worden verleend hoewel deze productie-installaties al in gebruik genomen is, voordat de subsidie is aangevraagd. Dit betreft onder meer bestaande installaties die voor het eerst gebruikt worden voor de productie van hernieuwbare energie. Door de wijziging van onderdeel D kunnen bestaande productie-installaties die voor het eerst worden gebruikt voor de vermindering van broeikasgas ook aangewezen worden om in aanmerking van subsidie te komen.

Onderdeel E (artikel 4, tweede lid, van het Besluit SDEK)

Artikel 4, tweede lid, van het Besluit SDEK regelt dat subsidieverleningen voor productie-installaties voor de productie van hernieuwbare energie, met een vermogen van 250 MW of meer onder de opschortende voorwaarde dat een staatssteungoedkeuring wordt verkregen van de Europese Commissie kunnen worden verleend en ter verkrijging van deze goedkeuring kunnen worden gewijzigd. Door de wijziging van onderdeel E geldt dit tevens voor alle subsidieverleningen in verband met de vermindering van broeikasgas. Anders dan voor de productie van hernieuwbare energie dient alle steunverlening voor opslag en hergebruik van broeikasgas te worden gemeld aan de Europese Commissie.

Onderdeel F (artikel 5 van het Besluit SDEK)

Artikel 5 van het Besluit SDEK regelt dat subsidie voor de uitbreiding van reeds bestaande (en gesubsidieerde) productie-installaties slechts wordt berekend ten aanzien van de als gevolg van de uitbreiding aanvullende productie. Door de wijziging van onderdeel F is deze bepaling tevens van toepassing op bestaande productie-installaties voor de vermindering van broeikasgas.

Onderdeel G (artikel 5a van het Besluit SDEK)

Onderdeel G vervangt het bestaande artikel 5a met het oog op de verbreding van de toepassing van deze bepaling ten behoeve van productie-installaties ter vermindering van broeikasgas. Voor de bij ministeriële regeling aan te wijzen categorieën productie-installaties kunnen aanvullende subsidieverleningen plaatsvinden. Artikel 5a van het Besluit SDEK regelt de volgorde van de benutting van de subsidiebeschikkingen die in dat geval van toepassing is.

Onderdeel H (artikel 6, eerste lid, van het Besluit SDEK)

Artikel 6 betreft de start van de periode waarover subsidie wordt verstrekt. Door deze wijziging wordt verhelderd dat de subsidieperiode ook bij uitbreiding of renovatie van start gaat op het moment van ingebruikname van het uitgebreide dan wel gerenoveerde deel van de productie-installatie.

Onderdeel I (artikel 7 van het Besluit SDEK)

Op grond van artikel 7 van het Besluit SDEK wordt de periode vastgesteld waarvoor een bepaalde productie-installatie voor subsidie in aanmerking komt. Door de wijzigingen van onderdeel H wordt het artikel voor de leesbaarheid in twee leden onderverdeeld. Daarnaast kan door deze wijziging worden geregeld dat de Minister van EZK ook op verzoek van een subsidieontvanger de subsidieperiode met een jaar kan verlengen voor productie-installaties voor de vermindering van broeikasgas indien deze zogenaamde forward banking toepast.

Onderdeel J (§ 5b van het Besluit SDEK)

Door de wijziging van onderdeel I wordt een nieuwe paragraaf «5b. Subsidie voor de vermindering van broeikasgas» ingevoegd in het Besluit SDEK. De opbouw, indeling en inhoud van de paragraaf komt overeen met de paragrafen 3, 4 en 5 inzake de subsidiëring voor de productie van duurzame energie, met dien verstande dat de grootheid bij vermindering broeikasgas massa is en de eenheid waarmee gerekend wordt kg. Voor een uitgebreide toelichting op de subsidiëring van de vermindering van broeikasgas wordt verwezen naar de onderdelen I.2, I.4 en I.5 van deze toelichting.

Onderdeel K (artikel 56, vierde lid, van het Besluit SDEK)

Artikel 56 van het Besluit SDEK stelt regels voor de aanvraag voor subsidie. Deze regels zijn ook van toepassing voor aanvragen voor subsidie op de nieuwe categorieën productie-installaties voor de vermindering van broeikasgas. Door de wijziging van onderdeel K wordt in artikel 56, vierde lid, geregeld dat bij een dergelijke aanvraag informatie wordt overgelegd inzake de hoeveelheid in Nederland te verminderen broeikasgas gedurende subsidieperiode.

Onderdeel L (artikel 57, eerste lid, van het Besluit SDEK)

Artikel 57 van het Besluit SDEK regelt beslistermijnen. Door de wijziging van artikel L zijn de in artikel 57, eerste lid, van het Besluit SDEK opgenomen beslistermijnen ook van toepassing op de subsidie op de nieuwe categorieën productie-installaties voor de vermindering van broeikasgas.

Onderdeel M (artikel 58, tweede en vierde lid, van het Besluit SDEK)

Artikel 58 van het Besluit SDEK regelt de wijze van verdeling van het subsidieplafond indien deze plaatsvindt op volgorde van binnenkomst. Het tweede lid regelt wat er gebeurt als het beschikbare subsidieplafond (of in voorkomend geval de maximale productie in kWh of maximale vermindering broeikasgas in kg) wordt overschreden als alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen zou worden gehonoreerd. Door de wijziging van onderdeel M worden de aanvragen in dat geval gerangschikt op volgorde rangschikkingsbedrag per 1000 kg vermindering van broeikasgas. Indien enig plafond of maximum ook zou worden overschreden als alle aanvragen met hetzelfde, lage, rangschikkingsbedrag per 1000 kg vermindering van broeikasgas, zouden worden gehonoreerd, wordt vervolgens de volgorde van verlening bepaald door middel van loting. In artikel 58, tweede en vierde lid, wordt «het fasebedrag of basisbedrag» vervangen door het begrip rangschikkingsbedrag, dat wordt gedefinieerd in artikel 1, eerste lid, van het Besluit SDEK, zodat de rangschikking plaatsvindt op volgorde van een zo laag mogelijke verwachte subsidiehoogte.

Onderdeel N (artikel 60 van het Besluit SDEK)

Artikel 60 van het Besluit SDEK regelt de wijze van verdeling van het subsidieplafond indien deze plaatsvindt door middel van rangschikking. In het eerste lid worden de rangschikkingscriteria genoemd op basis waarvan rangschikking kan plaatsvinden. Door onderdeel N, eerste lid, worden de criteria genoemd in de onderdelen b en c vervangen door criteria in verband met de hoogte van de subsidie per verminderde kg broeikasgas. Het verschil tussen de onderdelen b en c betreft het rangschikken op de verwachte subsidiebehoefte (b) en de maximale subsidiebehoefte.

In het tweede lid worden de bevoegdheden geregeld inzake de toepassing van de rangschikkingscriteria. Door onderdeel N, tweede lid, wordt de bevoegdheid toegevoegd om de in het eerste lid van artikel 60 van het Besluit SDEK genoemde rangschikkingscriteria nader uit te werken.

Onderdeel O (artikel 63a, eerste lid, van het Besluit SDEK)

De wijziging betreft een technische aanpassing, waardoor artikel 63a, eerste lid, van het Besluit SDEK beter aansluit bij de wijze waarop het systeem private conformiteitsbeoordelingsverklaringen op grond van het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen werkt.

Onderdeel P (artikel 63b van het Besluit SDEK)

In artikel 63b wordt geregeld dat een subsidie-ontvanger kan worden gevraagd een verklaring te overleggen waarin wordt aangegeven welke opbrengsten en vermeden kosten voortvloeien uit het systeem van verhandelbare broeikasgasemissierechten bedoeld in titel 16.2 van de Wet milieubeheer.

Onderdelen Q en R (artikelen 67 en 68 van het Besluit SDEK)

In artikel 67 en 68 van het Besluit SDEK wordt de berekening en de verstrekking van de voorschotten geregeld. Door onderdeel Q worden de artikelen aangepast zodat de desbetreffende regels ook van toepassing zijn op de subsidie-ontvanger aan wie subsidie is verleend ten behoeve van de vermindering van broeikasgas.

Onderdeel S (artikel 71, tweede lid, van het Besluit SDEK)

Artikel 71 van het Besluit SDEK regelt de termijn voor de subsidievaststelling na ontvangst van de aanvraag. De termijn van dertien weken wordt op grond van het tweede lid opgeschort indien de correctiebedragen voor het laatste jaar waarin de subsidie is ontvangen nog niet zijn vastgesteld. Door onderdeel S wijzigt artikel 71, tweede lid, van het Besluit SDEK zodat dit tevens van toepassing is op de subsidies voor de vermindering van broeikasgas.

Onderdeel T

Onderdeel T regelt het overgangsrecht voor onderhavig besluit. In artikel 74, derde lid, van het Besluit SDEK wordt geregeld dat de wijzigingen op grond van onderhavig besluit slechts van toepassing zijn op aanvragen die na 1 november 2020 zijn verricht.

Onderdeel U

Onderdeel U wijzigt artikel 75 van het Besluit SDEK, waarin de citeertitel van het besluit is geregeld. Zie hiertoe nader onderdeel I.1 van deze toelichting.

Artikel II

Artikel II betreft de inwerkingtredingsbepaling. Onderhavig besluit treedt in werking met ingang van 1 november 2020. De inwerkingtredingsdatum wijkt af van de zogenaamde vaste verandermomenten. De afwijking is toegestaan omdat het besluit anders pas per 1 januari 2021 in werking zou kunnen treden, wat zou leiden tot buitensporige private en publieke kosten, omdat de stimulering van nieuwe productie-installaties die de uitstoot van broeikasgas in de atmosfeer beperken dan niet in 2020 kan plaatsvinden. Derhalve is de afwijking in lijn met het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes