Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2020, 29548Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 28 mei 2020, nr. WJZ/ 20154102, houdende wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 in verband met de invoering en openstelling van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op de artikelen 2, 4, 5, eerste en tweede lid, 7, tweede lid, 16, 17, eerste, vierde, zesde en zevende lid, 19, 25, 30, vierde en vijfde lid, 32, derde lid, 34, eerste lid, van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies;

Besluit:

ARTIKEL I

De Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 1.8, zevende lid, wordt ‘onderdeel 44’ vervangen door ‘onderdeel 86’.

B

Na titel 3.24 wordt een titel toegevoegd, luidende:

Titel 3.25 Garantie Klein Krediet Corona

Artikel 3.25.1 Begripsomschrijvingen
  • 1. Voor de toepassing van deze titel wordt als financier aangewezen een bank en een ingevolge artikel 3.11.1, eerste lid, door de minister aangewezen kredietverstrekker.

  • 2. Voor de toepassing van artikel 3.25.2, vierde lid, wordt als financier aangewezen een kredietinstelling in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd is in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen en een door de minister ingevolge artikel 3.11.1, tweede lid, aangewezen, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde, kredietverstrekker.

  • 3. In deze titel wordt verstaan onder:

    financier-gelieerde:

    een rechtspersoon waaraan een financier direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of voor het handelen waarvan een financier volledig aansprakelijk is;

    winst:

    winst uit een onderneming, zijnde het bedrag van de gezamenlijke voordelen die, onder welke naam en in welke vorm ook, worden verkregen uit een onderneming.

Artikel 3.25.2. Subsidieverstrekking
  • 1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een financier voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers.

  • 2. De subsidie wordt verstrekt in de vorm van een garantstelling voor de terugbetaling van een krediet, bestaande uit de hoofdsom van dat krediet, de verschuldigde achterstallige rente en de voor dat krediet gemaakte kosten, waaronder kosten voor de uitwinning, dat de financier op grond van een kredietovereenkomst aan een MKB-ondernemer heeft verstrekt voor de duur van de kredietovereenkomst.

  • 3. De garantstelling heeft uitsluitend betrekking op een kredietovereenkomst in de vorm van een geldlening of een krediet in rekening-courant, niet zijnde een achtergestelde of een converteerbare lening:

    • a. met een reguliere looptijd van maximaal 5 jaar;

    • b. waarbij het kredietbedrag dat wordt verleend aan de MKB-ondernemer ten minste € 10.000,– maar niet meer dan € 50.000,– bedraagt;

    • c. waarbij de kosten die de financier per jaar aan de MKB-ondernemer in rekening brengt, maximaal 4% van het kredietbedrag voor de gehele looptijd van het krediet bedragen;

    • d. waarbij het krediet dient ter financiering van door de MKB-ondernemer geleden of te verwachten verlies aan inkomsten dat is ontstaan of naar verwachting ontstaat tussen 19 maart 2020 en 31 december 2020, als gevolg van het coronavirus;

    • e. die voldoet aan de voorwaarden en verplichtingen ten aanzien van het krediet zoals opgenomen in het model voor een garantstellingsovereenkomst, opgenomen in bijlage 3.25.1.

  • 4. In aanvulling op het eerste lid kan de minister ook subsidie verstrekken aan een financier voor het sluiten van kredietovereenkomsten met MKB-ondernemers die gevestigd zijn in het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba.

Artikel 3.25.3. Afwijzingsgronden
  • 1. Voor subsidie komt niet in aanmerking een financier die een kredietovereenkomst sluit met een MKB-ondernemer die:

    • a. een onderneming in stand houdt waarvan de activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op;

      • 1°. onroerende zaken voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerende zaken zonder dat er sprake is van een significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten;

      • 2°. de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft;

    • b. een onderneming in stand houdt die een aanbieder als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg is;

    • c. een onderneming in stand houdt die actief is in:

      • 1°. de sector visserij en aquacultuur;

      • 2°. de primaire productie van landbouwproducten, of

      • 3°. de sector verwerking en afzet van landbouwproducten;

    • d. een onderneming in stand houdt waarvoor de totale ontvangen steun die wordt gerechtvaardigd door paragraaf 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I) na toepassing van deze titel meer bedraagt dan € 800.000,– waarbij uit wordt gegaan van bruto bedragen;

    • e. gelijktijdig met een kredietovereenkomst als bedoeld in artikel 3.25.2. eerste lid, een andere kredietovereenkomst met dezelfde financier heeft gesloten of dit voorzienbaar op korte termijn zal doen;

    • f. een onderneming in stand houdt waarbij het uitstaand obligo bij financiers en financier-gelieerden na verstrekking van het krediet meer is dan € 250.000,– waarbij alle zakelijke financieringen, met uitzondering van een zakelijke hypotheek, worden meegenomen;

    • g. een onderneming in stand houdt waarmee een kredietovereenkomst is gesloten of waaraan een lening is verstrekt met toepassing van de titels 2.5, 3.11, 3.13, 3.13a, 3.13b of 3.25;

    • h. een onderneming in stand houdt die geen winst heeft gemaakt in 2019 of gemiddeld genomen over minimaal de laatste twee boekjaren;

    • i. een onderneming in stand houdt:

      • 1°. die al op 31 december 2019 kwalificeerde als een onderneming in moeilijkheden zoals bedoeld in artikel 2, punt 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

      • 2°. waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt, of

      • 3°. die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen.

  • 2. In aanvulling op het eerste lid beslist de minister tevens afwijzend op een aanvraag voor een garantstelling indien:

    • a. de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten;

    • b. de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst.

Artikel 3.25.4. Provisie

Voor een kredietovereenkomst met MKB-ondernemer bedraagt het tarief, bedoeld in artikel 32, derde lid, van het besluit, eenmalig 2% van het kredietbedrag.

Artikel 3.25.5. Subsidiemaximum en verdeling van het subsidieplafond
  • 1. De minister verdeelt het subsidieplafond door vaststelling van een maximumbedrag per financier die zich bij de minister heeft aangemeld.

  • 2. De minister stelt het maximumbedrag per financier, als bedoeld in het eerste lid, ambtshalve vast.

Artikel 3.25.6. Omvang garantstelling

Er wordt garant gestaan voor 95 procent van het kredietbedrag, bestaande uit de hoofdsom van dat krediet, de verschuldigde achterstallige rente en de voor dat krediet gemaakte kosten, waaronder kosten voor de uitwinning.

Artikel 3.25.7. Garantstellingsovereenkomst

Het model voor de garantstellingsovereenkomst voor een financier is opgenomen in bijlage 3.25.1.

Artikel 3.25.8. Informatieverplichtingen

Een aanvraag voor een garantstelling als bedoeld in artikel 3.25.2, eerste en vierde lid, bevat in ieder geval:

  • a. gegevens over de aanvrager, waaronder de naam van de organisatie, het nummer waarmee de onderneming is geregistreerd bij de Kamer van Koophandel, het post- en bezoekadres en het rekeningnummer;

  • b. gegevens over de contactpersoon bij de aanvrager, waaronder de naam, het telefoonnummer en het e-mailadres.

Artikel 3.25.9 Staatssteun

De subsidie, bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, bevat staatssteun en wordt gerechtvaardigd door staatssteunmaatregel SA.57397 (2020/N).

Artikel 3.25.10 Vervaltermijn

Deze titel en de bijlage 3.25.1 vervallen met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat deze van toepassing blijven op subsidies die voor die datum zijn verleend.

C

Na bijlage 3.22.1 wordt een bijlage ingevoegd, luidende:

BIJLAGE 3.25.1. BEHORENDE BIJ ARTIKEL 3.25.7 VAN DE REGELING NATIONALE EZK- EN LNV-SUBSIDIES

Model garantstellingsovereenkomst

Overeenkomst tussen:

De Staat der Nederlanden, hierna te noemen: de Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat;

......, hierna noemen: de Financier,

Partijen zijn het volgende overeengekomen:

Artikel 1. Definitiebepalingen
  • 1. De begrippen die in het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en artikel 1.1 en paragraaf 3.25 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies zijn gedefinieerd hebben in deze overeenkomst de in deze regelingen gegeven betekenis.

  • 2. Voorts wordt in deze overeenkomst verstaan onder:

    • a. financier-gelieerde: een rechtspersoon waaraan de Financier direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of voor het handelen waarvan de Financier volledig aansprakelijk is, en die als Financier-gelieerde is vermeld in artikel 18 van deze overeenkomst;

    • b. garantstellingskrediet: krediet of een deel van een krediet dat overeenkomstig artikel 5 is gemeld;

    • c. krediet: bedrag dat de Financier uit hoofde van een kredietovereenkomst verstrekt of zal verstrekken;

    • d. kredietovereenkomst: overeenkomst uit hoofde waarvan:

      • 1°. de Financier aan een MKB-ondernemer geld ter leen verstrekt of zal verstrekken, of

      • 2°. de MKB-ondernemer tot een bepaald bedrag trekt of zal kunnen trekken op de Financier, of

      • 3°. de Financier tegenover een derde, niet zijnde een rechtspersoon waarmee de Financier in een groep verbonden is of een Financier-gelieerde, onherroepelijk een verplichting is aangegaan om ten laste van de MKB-ondernemer aan de derde een of meer betalingen te doen, welke verplichting niet afhankelijk is van voorwaarden op de vervulling waarvan het handelen van de Financier van invloed is;

    • e. minister: de Minister van Economische Zaken en Klimaat;

    • f. uitwinning:

      • 1°. uitwinning door de Financier, naar normaal bankgebruik, van de door de MKB-ondernemer aan de Financier verstrekte zekerheden;

      • 2°. onderhandse verkoop met toestemming van de Financier door de MKB-ondernemer van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer, inning van vorderingen daaronder begrepen; en

      • 3°. executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer;

      • 4°. indien het faillissement van de MKB-ondernemer is uitgesproken of aan hem surseance van betaling is verleend (of een andere insolventieprocedure onder de Faillissementswet op hem wordt toegepast), de onderhandse of executoriale verkoop van de vermogensbestanddelen van de MKB-ondernemer door of met medewerking van de curator of de bewindvoerder.

Artikel 2. Garantstelling

De Staat stelt zich garant ten behoeve van de Financier voor de terugbetaling van garantstellingskredieten die met inachtneming van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en paragraaf 3.25 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en deze overeenkomst door de Financier worden verstrekt, met dien verstande dat deze garantstelling wordt aangegaan onder de navolgende bedingen.

Artikel 3. Voorwaarden en verplichtingen krediet
  • 1. De Financier draagt er zorg voor dat:

    • a. het krediet voldoet aan de volgende voorwaarden:

      • 1°. het kredietbedrag dat wordt verleend aan de MKB-ondernemer bedraagt ten minste € 10.000,– maar niet meer dan € 50.000,–;

      • 2°. het krediet heeft een maximale reguliere looptijd van 5 jaar, met de mogelijkheid tot opschorting met een periode van maximaal 8 kwartalen, waarbij de opschorting gepaard gaat met een verlenging van de looptijd met dezelfde periode;

      • 3°. het tarief, dat de Financier per jaar aan de MKB-ondernemer in rekening brengt, bedraagt maximaal 4% van het kredietbedrag voor de gehele looptijd van het krediet;

      • 4°. de verstrekking van het krediet dient niet ter vervanging van aan een ondernemer verschaft krediet of risicokapitaal door dezelfde financier of door een financier die deel uitmaakt van de groep van dezelfde financier, tenzij het krediet dient ter vervanging van een krediet dat is verstrekt of aangeboden vanaf 7 mei 2020 tot en met het tijdstip waarop de regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 28 mei 2020, nr. WJZ/20154102, houdende wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 in verband met de invoering en openstelling van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona in werking treedt;

      • 5°. het krediet dient, na een eventuele aflossingsvrije periode van maximaal 12 maanden na verstrekking van het krediet, op annuïtaire of lineaire basis te worden afgelost, althans de rekening-courant verhouding dient te wordt gereduceerd, tot een nulstand aan het einde van de looptijd;

    • b. het krediet is gemeld overeenkomstig artikel 5;

    • c. de door de minister op grond van artikel 3.25.4 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies vastgestelde eenmalige provisie, bedoeld in dat artikel, door de Financier aan de Staat is betaald binnen 35 dagen na het verstrekken van het krediet;

    • d. de kredietovereenkomst in schriftelijke vorm of langs elektronische weg tot stand is gekomen;

      • 6°. de relaties tussen de Financier en de bij zijn onderneming betrokkenen enerzijds, en de ondernemers aan wie kapitaal wordt verschaft anderzijds, transparant zijn.

  • 2. De toepasselijkheid van deze garantstellingsovereenkomst kan slechts worden ingeroepen indien en voor zover door de melding, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, de som van de in een kalenderjaar gemelde kredieten of delen daarvan de door de minister op grond van artikel 3.25.5, tweede lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies met betrekking tot dat kalenderjaar vastgestelde maximumbedrag per financier niet is overschreden.

  • 3. Indien de MKB-ondernemer een rechtspersoon is of een personenvennootschap met een rechtspersoon als vennoot, geldt een persoonlijke borgstelling van 10% van de hoofdsom van het garantstellingskrediet.

  • 4. De MKB-ondernemer kan het garantstellingskrediet slechts zonder vergoeding aflossen wanneer de hoofdsom in zijn geheel wordt afgelost.

  • 5. De MKB-ondernemer kan het garantstellingskrediet tussentijds aanvullend aflossen onder voorwaarde dat dit eenmaal per jaar gebeurt voor minimaal 20% van de hoofdsom van het garantstellingskrediet (of openstaand saldo bij krediet in rekening-courant) of volgens een andere afspraak conform de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering zoals toegepast door de Financier.

  • 6. Het garantstellingskrediet heeft niet als doel de afwenteling van bestaande risico’s op de Staat.

  • 7. Het garantstellingskrediet wordt niet later aangevraagd dan 15 december 2020 en wordt verstrekt uiterlijk tot en met 31 december 2020.

  • 8. De opschorting, bedoeld in artikel 3, lid 1, onderdeel a, onder 2, vereist niet de voorafgaande goedkeuring van de Staat.

Artikel 4. Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken garantstellingskrediet

Ten tijde van het sluiten van een kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een garantstellingskrediet aan een MKB-ondernemer wordt verstrekt, moet aan de volgende criteria zijn voldaan:

  • a. de MKB-ondernemer heeft verklaard:

    • 1°. dat het krediet dient ter financiering van het door de MKB-onderneming geleden of te verwachten verlies aan inkomsten dat is ontstaan of naar verwachting ontstaat tussen 19 maart 2020 en 31 december 2020, als gevolg van het coronavirus;

    • 2°. in Nederland te zijn gevestigd en daar een substantieel deel van de activiteiten van de onderneming uit te voeren;

    • 3°. te zijn opgenomen in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel, waarbij de registratie is terug te voeren naar een datum vóór 1 januari 2019;

    • 4°. geen aanbieder te zijn als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg;

    • 5°. geen onderneming in stand te houden waarvan de activiteiten in overwegende mate betrekking hebben op;

      • onroerende zaken voor zover de activiteiten gericht zijn op het behalen van resultaten door waardestijging van onroerende zaken zonder dat sprake is van een significante waardetoevoeging door eigen productieve activiteiten;

      • de financiële sector voor zover de ondernemer het bank-, verzekerings- of beleggingsbedrijf uitoefent, of een participatiemaatschappij heeft;

    • 6°. geen onderneming in stand te houden die actief is in:

      • de sector visserij en aquacultuur;

      • de primaire productie van landbouwproducten;

      • de sector verwerking en afzet van landbouwproducten;

    • 7°. geen onderneming in stand te houden waarvoor de ontvangen steun die wordt gerechtvaardigd door paragraaf 3.1 van de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I) meer is dan € 800.000,–, waarbij wordt uitgegaan van bruto bedragen;

    • 8°. niet gelijktijdig met een kredietovereenkomst als bedoeld in artikel 3.25.2, eerste lid, van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies een andere kredietovereenkomst met dezelfde financier te hebben gesloten of dit voorzienbaar op korte termijn te zullen doen;

    • 9°. geen onderneming in stand te houden:

      • die al op 31 december 2019 kwalificeerde als een onderneming in moeilijkheden als bedoeld in artikel 2, punt 18, van de algemene groepsvrijstellingsverordening;

      • waartegen een collectieve insolventieprocedure loopt; of

      • die voldoet aan de criteria om op verzoek van zijn schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen;

    • 10°. winst te hebben gemaakt in 2019 of gemiddeld genomen over minimaal de laatste twee boekjaren;

    • 11°. geen onderneming in stand te houden waarmee een kredietovereenkomst is gesloten of waaraan een lening is verstrekt met toepassing van de titels 2.5, 3.11, 3.13, 3.13a, 3.13b of 3.25;

    • 12°. geen onderneming in stand te houden waarbij het uitstaand obligo bij financiers en financier-gelieerden na verstrekking van het krediet meer is dan € 250.000,– waarbij alle zakelijke financieringen, met uitzondering van een zakelijke hypotheek, worden meegenomen.

Artikel 5. Kredietmelding
  • 1. De Financier meldt ten minste eens per kwartaal aan de Staat de in dat kwartaal verstrekte kredieten waarop deze garantstellingsovereenkomst van toepassing is, onder de gelijktijdige verstrekking van de door de minister gevraagde informatie.

  • 2. De minister bevestigt de ontvangst van een melding binnen 35 dagen na ontvangst.

  • 3. Voor de toepassing van artikel 3, tweede lid, is de volgorde van ontvangst van de meldingen door de minister bepalend.

Artikel 6. Provisie
  • 1. Het tarief van de provisie bedraagt voor een kredietovereenkomst met een MKB-ondernemer eenmalig 2% van het kredietbedrag.

  • 2. Indien overeenkomstig artikel 3, eerste lid, onderdeel c, een provisie is betaald met betrekking tot een kredietovereenkomst en indien het desbetreffende krediet niet is opgenomen vanwege omstandigheden die niet zijn toe te rekenen aan de kredietnemer of aan de Financier, wordt de provisie door de Staat terugbetaald aan de Financier mits de Financier binnen een jaar na het sluiten van de kredietovereenkomst daartoe een verzoek aan de Staat heeft gedaan.

Artikel 7. Verzoek om betaling uit hoofde van de garantstellingsovereenkomst
  • 1. De Staat stelt zich garant voor 95 procent van ieder garantstellingskrediet, bestaande uit de hoofdsom van dat krediet, de verschuldigde achterstallige rente en de voor dat krediet gemaakte kosten, waaronder kosten voor de uitwinning.

  • 2. De Financier kan, zodra er sprake is van een wanbetaling onder een garantstellingskrediet, een verzoek doen aan de Staat tot betaling van het verwachte verlies, bedoeld in artikel 8. Dit verzoek wordt ingediend in ieder geval binnen negen maanden na de datum waartegen het garantstellingskrediet is opgeëist of, indien dit eerder is, na de datum van het faillissement.

  • 3. Voor de toepassing van het tweede lid is sprake van wanbetaling wanneer een MKB-ondernemer een achterstand heeft van meer dan 90 kalenderdagen in de betaling van een verplichting onder het krediet.

  • 4. Het verzoek wordt ingediend onder gelijktijdige verstrekking van de door de minister gevraagde informatie.

  • 5. De minister geeft binnen 35 dagen na de ontvangst uitvoering aan het verzoek aan de Financier.

Artikel 8. Berekening verlies

De omvang van het verwachte verlies bedraagt per krediet 95 procent van hetgeen de MKB-ondernemer ten tijde van het overeenkomstig artikel 7 ingediende verzoek uit hoofde van het garantstellingskrediet pro resto verschuldigd is van het krediet, bestaande uit de hoofdsom van dat krediet, de verschuldigde rente en voor dat krediet gemaakte kosten, waaronder kosten voor de uitwinning.

Artikel 9. Betaling door de Staat
  • 1. De minister betaalt hetgeen de Staat uit hoofde van deze overeenkomst met het oog op de door de Financier in haar verzoek bedoelde garantstellingskrediet verschuldigd is.

  • 2. De Staat is niet verplicht tot betaling op het verzoek van de Financier, indien:

    • a. niet voldaan is aan de artikelen 3 en 4;

    • b. de Financier in het kader van het verzoek gegevens heeft verstrekt, waarvan zij wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op het verzoek heeft geleid;

    • c. de Financier niet heeft voldaan aan zijn informatieverplichting als bedoeld in artikel 13.

  • 3. De Staat en de Financier betalen op het door de ontvangende partij opgegeven rekeningnummer.

  • 4. Er zal door de Staat geen regres of subrogatie plaatsvinden.

  • 5. De Financier is niet gehouden een vordering op de MKB-ondernemer in te stellen voordat de Staat tot betaling over zal gaan.

Artikel 10. Herstructurering en uitwinning
  • 1. In het geval van wanbetaling, als bedoeld in artikel 7, derde lid, is het de verantwoordelijkheid van de Financier om naar normaal bancair gebruik in samenspraak met de MKB-ondernemer te bezien op welke wijze deze zo veel als mogelijk aan zijn verplichtingen jegens de Financier kan voldoen.

  • 2. Indien een uitwinningsproces wordt gestart komen de opbrengsten daarvan ten gunste aan de aflossing voor eerder verstrekte reguliere financieringen. De persoonlijke borgtocht verstrekt ten behoeve van het garantstellingskrediet en resterende opbrengsten uit zekerheden komen ten gunste van de aflossing van het garantstellingskrediet.

  • 3. De Financier zal geen restvorderingen uit hoofde van het garantstellingskrediet verkopen aan derde partijen.

  • 4. Financier en Staat delen naar rato van garantiepercentage in de uitwinning van zekerheden

    (indien van toepassing). Dit is inclusief persoonlijke borgtocht verstrekt ten behoeve van het garantstellingskrediet voor deze lening en met inachtneming van de volgorde bij meerdere financieringen zoals bedoeld in het tweede lid.

  • 5. Indien na de uitwinning van zekerheden en de persoonlijke borgtocht sprake is van een restschuld kan conform beleid van de Financier een betalingsregeling getroffen worden met een maximale looptijd van drie jaar. Individuele omstandigheden kunnen aanleiding zijn voor kwijtschelding.

  • 6. De Financier kan de restschuld van de borg (max. 10%) herfinancieren door omzetting in consumptief of hypothecaire krediet, waarbij de looptijd van de restschuldregeling in acht wordt genomen en het nieuwe krediet moet passen binnen de geldende leennormen. Kosten van herstructurering en uitwinning kunnen conform regulier beleid van de Financier worden verhaald op de MKB-ondernemer. Dit is inclusief de kosten die zijn gemaakt door inschakeling van een derde partij. Hierbij geldt ook de reguliere incassovergoeding (provisie) van 20%.

  • 7. De BKR registratie in het geval van wanbetaling wordt gedaan conform bancair gebruik.

Artikel 11. Eindafrekening
  • 1. Uiterlijk het tweede kwartaal na de maximale looptijd van het laatste verstrekte krediet wordt het totale verlies vastgesteld. Het totale verlies wordt gebaseerd op de uit hoofde van de garantstellingskredieten pro resto verschuldigde hoofdsommen, de verschuldigde achterstallige rentes en de voor die kredieten gemaakte kosten, waaronder de kosten voor de uitwinning, minus de opbrengsten van de uitwinning, met inachtneming van de omvang van de garantstelling door de Staat als bepaald in artikel 7, eerste lid, en de verdeling van de uitwinningsopbrengsten conform artikel 10, vierde lid. Op basis daarvan vindt verrekening plaats met de reeds betaalde verwachte verliezen met betrekking tot de garantstellingskredieten.

  • 2. Afhankelijk van het resultaat van de in het eerste lid genoemde verrekening, betaalt de Staat of de Financier hetgeen zij uit hoofde daarvan aan de andere partij verschuldigd is op het door die partij opgegeven rekeningnummer.

Artikel 12. Procedure bij aanleveren onjuiste gegevens door Financier

Reeds uitgekeerde bedragen zijn terstond en zonder enige ingebrekestelling opeisbaar zodra de minister blijkt dat de Financier zodanig onjuiste of onvolledige informatie heeft verschaft dat hij op een verzoek om betaling een andere beslissing zou hebben genomen, indien hem de juiste gegevens volledig waren verschaft, terwijl de Financier wist of behoorde te weten dat deze onjuist of onvolledig waren en dat de verstrekking van deze gegevens tot een onjuiste beslissing op het verzoek zou leiden.

Artikel 13. Informatieverplichting
  • 1. De Financier draagt er zorg voor dat een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerde leningen en van ander kapitaal dat zij aan dezelfde ondernemer heeft verstrekt. Deze administratie moet ten minste tien jaar na het verstrekken van de lening worden bewaard.

  • 2. De Financier doet aan de minister onverwijld mededeling van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surseance van betaling aan hem, een verzoek tot faillietverklaring van hem of een verzoek om ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing te verklaren

  • 3. De Financier stelt de minister eenmaal per kwartaal via batch levering voor alle door hem onder deze garantstellingsovereenkomst gesloten kredietovereenkomsten op de hoogte van de door de minister gevraagde informatie, waaronder in ieder geval bij het verstrekken van het krediet:

    • a. de naam van de onderneming;

    • b. de naam van de ondernemer;

    • c. het nummer van inschrijving bij Kamer van Koophandel;

    • d. de SBI-code;

    • e. het kredietbedrag;

    • f. de looptijd van de kredietovereenkomst;

    • g. de eventuele aflossingsvrije periode.

  • 4. De Financier stelt de minister eenmaal per kwartaal via batch levering op de hoogte van de door de minister gevraagde informatie, waaronder gedurende de looptijd en afwikkeling van het krediet:

    • a. de vervroegde volledige aflossing van het garantstellingskrediet;

    • b. het door de afdeling bijzonder beheer of een vergelijkbare afdeling van de Financier in beheer nemen van het garantstellingskrediet;

    • c. de opeising van het garantstellingskrediet;

    • d. de omvang van de opschorting van het garantstellingskrediet;

    • e. de omvang van de gedeeltelijke aflossing van het garantstellingskrediet;

    • f. de wanbetaling en het resterende kredietbedrag;

    • g. het verzoek om betaling met resterende hoofdsom, verschuldigde rente en gemaakte kosten;

    • h. de restschuldregeling met het bedrag en de looptijd;

    • i. het einde van de restschuldregeling, opbrengsten en gemaakte kosten.

  • 5. Aan de hand van een steekproef wordt getoetst of de Financier conform deze garantstellingsovereenkomst handelt. Bij ernstige afwijkingen daarvan kan de garantstellingsovereenkomst met de Financier worden opgezegd. De minister kan ten behoeve van de steekproef om informatie verzoeken, welke de financier conform verzoek dient te verstrekken, bijvoorbeeld aangaande het kredietbeoordelings- en uitwinningsproces.

Artikel 14. Beheer
  • 1. Tijdens de looptijd van de kredietovereenkomst uit hoofde waarvan een garantstellingskrediet wordt verstrekt en tijdens de uitwinning zal de Financier waken over de belangen van de Staat als garant.

  • 2. De Financier zal er voor zorg dragen dat het garantstellingskrediet niet wordt gebruikt voor de nakoming van verplichtingen van de MKB-ondernemer aan de Financier die het garantstellingskrediet verstrekt, aan een financier-gelieerde. Dit verhindert de Financier echter niet om in het geval het garantstellingskrediet wordt verstrekt in de vorm van een rekening-courant krediet, de verschuldigde rente van de rekening-courant incasseren.

Artikel 15. Hardheidsclausule

Indien naar het oordeel van de minister de kans dat de toepasselijkheid van deze overeenkomst op een garantstellingskrediet of een deel van een garantstellingskrediet wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verkleind of indien naar het oordeel van de minister aannemelijk is dat daardoor het bedrag waarvoor de toepasselijkheid van deze overeenkomst wordt ingeroepen in belangrijke mate wordt verlaagd, kan de minister voor de toepassing van deze overeenkomst met betrekking tot dat krediet instemmen met een gemotiveerd verzoek van de Financier om afwijking van deze overeenkomst.

Artikel 16. Communicatie

Waar in deze overeenkomst sprake is van een vorm van communicatie geschiedt deze langs elektronische weg. De aanlevering door de Financier kan in afwijking en bij wijze van alternatief en ter keuze van de Financier ook geschieden in schriftelijke vorm en door aanlevering van een fysieke gegevensdrager.

Artikel 17. Overige bepalingen
  • 1. De inwerkingtreding van een wijziging van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies of paragraaf 3.25 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies leidt te zelfder tijd tot een gelijke wijziging van deze overeenkomst.

  • 2. Deze overeenkomst kan worden gewijzigd door een schriftelijke mededeling van de minister aan de Financier.

  • 3. Deze overeenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd en kan door de minister en de Financier schriftelijk worden opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van drie hele kalendermaanden.

  • 4. In afwijking van het derde lid kan deze overeenkomst door de minister met onmiddellijke ingang worden ontbonden, indien de Financier in strijd heeft gehandeld met het gestelde in deze overeenkomst.

  • 5. In afwijking van het derde lid kan de Financier deze overeenkomst met onmiddellijke ingang opzeggen binnen een termijn van een maand na publicatie in het Staatsblad van een wijziging van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies, publicatie in de Staatscourant van een wijziging van paragraaf 3.25 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies of een schriftelijke mededeling van de minister, inhoudende een wijziging van deze overeenkomst.

  • 6. Deze overeenkomst eindigt van rechtswege door de intrekking van het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies of door intrekking van artikel 3.25.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies.

  • 7. Wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging van deze overeenkomst heeft geen gevolg ten aanzien van garantstellingskredieten, welke ten tijde van de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging overeenkomstig artikel 5 zijn gemeld en ten aanzien van garantstellingskredieten die zijn of zullen worden verstrekt uit hoofde van een kredietovereenkomst die is aangegaan voor de inwerkingtreding van de wijziging, opzegging, ontbinding of beëindiging.

  • 8. Als het Kaderbesluit nationale EZ-subsidies en artikel 3.25.2 van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies gelijktijdig worden ingetrokken en vervangen door materieel identieke wettelijke voorschriften in een andere algemene maatregel van bestuur of ministeriële regeling dan is het zesde lid niet van toepassing.

Artikel 18. Financier-gelieerde

Financier-gelieerde in de zin van artikel 1, tweede lid, onder a, van deze overeenkomst is (zijn):

  • a. (...) ....................

  • b. (...enz.)

Getekend te ’s-Gravenhage op .....

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

(naam en functie vertegenwoordigers Financier)

ARTIKEL II

In de tabel van artikel 1 van de Regeling openstelling EZK-en LNV-subsidies 2020 wordt onder de rij van titel 3.24 een rij ingevoegd, luidende:

Titel 3.25: Garantie Klein Krediet Corona

3.25.2

   

datum waarop de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 28 mei 2020, nr. WJZ/ 20154102 houdende wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies en de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 in verband met de invoering en openstelling van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona in werking treedt t/m 15 december 2020

€ 713.000.000

ARTIKEL III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 28 mei 2020

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer

TOELICHTING

I. Algemeen

1. Aanleiding en doel

Met de onderhavige regeling wordt de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies (hierna: RNES) gewijzigd. Er wordt een nieuwe subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona geïntroduceerd en opengesteld. De wijziging houdt verband met steun aan bedrijven die getroffen zijn door de uitbraak van het coronavirus en is aangekondigd in de brief aan de Tweede Kamer van 8 mei 2020.1

De uitbraak van het COVID-19 virus zorgt voor een breed scala aan negatieve economische effecten. Bedrijven die in de kern gezond waren voor de uitbraak kunnen hierdoor in liquiditeitsproblemen komen. Met de verruiming van de subsidiemodules borgstelling MKB-kredieten (BMKB, Kamerbrief 15 maart jl.2) en Garantie ondernemingsfinanciering (GO, Kamerbrief 17 maart jl.3 en 7 april jl.4) en de financiële ondersteuning aan andere initiatieven zoals de tijdelijke crisismaatregel van Qredits (de hiervoor genoemde Kamerbrieven van 17 maart jl. en 7 april jl.) en het recent opgestarte Programma Corona-OverbruggingsLening (COL), primair gericht op de verschaffing van overbruggingskrediet vanaf € 50.000,– aan bedrijven zonder een bancaire kredietrelatie, waaronder start- en scale-ups (hiervoor genoemde Kamerbrief 7 april jl.), heeft het kabinet de markt van extra liquiditeit voorzien.

Hiernaast hebben de banken in totaal inmiddels meer dan € 7 miljard aan liquiditeit in de markt gecreëerd door het verlenen van uitstel voor aflossingen en het verstrekken van leningen of meer kredietruimte aan bedrijven. Het kabinet en de banken willen de toegang tot liquiditeit voor MKB-ondernemingen echter verder vergemakkelijken. Het gaat specifiek om ondernemingen met een relatief kleine financieringsbehoefte tussen de € 10.000,– en € 50.000,–. Dit betreft naar schatting enkele tienduizenden ondernemingen in Nederland. De relatief kleine financieringsomvang waar deze ondernemingen naar op zoek zijn, in verhouding tot de handelingskosten maakt dat dit type ondernemingen een extra zetje nodig heeft. Het doel van de nieuwe subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona is om op een verantwoorde wijze een zo breed mogelijke groep MKB-ondernemingen tegen relatief gunstige voorwaarden in hun financieringsbehoefte tot € 50.000 te voorzien.

2. Staatssteunaspecten

De onderhavige module is getoetst op mogelijke staatssteun. Geconcludeerd is dat er sprake is van staatssteun in de zin van artikel 107, eerste lid, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU). Conform artikel 108, derde lid, van het VWEU is deze steunmaatregel ter voorafgaande goedkeuring bij de Europese Commissie aangemeld. Om geoorloofd steun te kunnen verstrekken op basis van deze module is gebruik gemaakt van de

Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 91 I) (hierna: tijdelijke kaderregeling).5

In deze tijdelijke kaderregeling zet de Europese Commissie uiteen onder welke voorwaarden staatssteun voor maatregelen ter bestrijding van de gevolgen van de COVID-19 uitbraak gerechtvaardigd is op grond van artikel 107, derde lid, onder b, van het VWEU. Op grond van deze tijdelijke kaderregeling kan steun worden verleend, onder meer, in de vorm van garanties voor leningen. De voorwaarden hiervan zijn opgenomen in paragraaf 3.1. en 3.4. van de tijdelijke kaderregeling.

De onderhavige module, die voorziet in garanties op leningen, past binnen de voorwaarden van de tijdelijke kaderregeling en is om die reden op 27 mei 2020 goedgekeurd door de Europese Commissie (SA.57397 [2020/N]). In de onderhavige regeling zijn de voorwaarden van de tijdelijke kaderregeling verwerkt. Om eenvoudig terug te kunnen vinden op welke wijze de bepalingen uit de tijdelijke kaderregeling zijn omgezet en daarmee derhalve aan de tijdelijke kaderregeling is voldaan, is in deze toelichting een transponeringstabel opgenomen.

3. Hoofdlijnen regeling en openstelling

Met inachtneming van de voorwaarden die de tijdelijke kaderregeling stelt, zijn hieronder de belangrijkste uitgangspunten van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona opgenomen:

  • De staat garandeert 95% van ieder individueel krediet onder de regeling bestaande uit de hoofdsom van dat krediet, de verschuldigde achterstallige rente en de voor dat krediet gemaakte kosten, waaronder kosten voor de uitwinning.

  • Het krediet bedraagt minstens € 10.000,– en niet meer dan € 50.000,– en wordt verstrekt aan een MKB-ondernemer. De financier mag als vergoeding voor de kosten jaarlijks maximaal 4% rente rekenen.

  • Er geldt een eenmalige provisie van 2% over de hoofdsom die de MKB-ondernemer aan de Staat betaalt.

  • Het krediet kan worden verstrekt door alle partijen (bancair/non-bancair) die geaccrediteerd zijn onder de BMKB-C.

  • Het krediet heeft een maximale reguliere looptijd van 5 jaar. Het is mogelijk de looptijd op te schorten met een periode van maximaal 8 kwartalen (hetgeen gepaard gaat met verlenging van de looptijd met dezelfde periode. In geval van een restschuld kan conform beleid van de financier een betalingsregeling getroffen worden met een maximale looptijd van drie jaar. Het portfolio voor deze kredieten eindigt daarmee uiterlijk 10 jaar na het laatst verstrekte krediet.

  • Het staat de financier vrij het krediet de eerste 12 maanden aflossingsvrij aan te bieden.

  • De MKB-ondernemer kan het krediet zonder vergoeding aflossen wanneer de hoofdsom in zijn geheel wordt afgelost;

  • Tussentijds aanvullend aflossen is éénmaal per jaar toegestaan voor minimaal 20% van de hoofdsom (of openstaand saldo bij krediet in rekening-courant) of anderszins conform de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering zoals toegepast door de financier.

  • Ten aanzien van de kredietbeoordeling geldt de aanname dat de omstandigheden per 1 januari 2021 weer genormaliseerd zijn. Het aanvragende bedrijf heeft winst gemaakt in 2019 of gemiddeld genomen over minimaal de laatste twee boekjaren, heeft een maximaal uitstaand obligo van € 250.000,–, heeft gelijktijdig met het krediet geen ander krediet afgesloten en zal dat op korte termijn ook niet doen en heeft geen ander krediet ten aanzien waarvan de Staat borg of garant staat.

  • Indien het MKB-bedrijf een rechtspersoon is of een personenvennootschap met een rechtspersoon als vennoot, dan geldt een persoonlijke borgstelling van 10% van de hoofdsom van de lening. De financier heeft een inspanningsverplichting om deze zekerheid zo goed mogelijk te borgen.

  • Alleen kredieten voor ondernemingen die op 31 december 2019 niet al in moeilijkheden waren, komen in aanmerking.

De regeling vervalt met ingang van 1 januari 2021, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend.

Voor het jaar 2020 kunnen aanvragen worden ingediend vanaf de datum van inwerkingtreding van de regeling tot en met 15 december 2020. Deze periode is iets korter dan de looptijd van de regeling, zodat er voldoende tijd is om de ingediende aanvragen te kunnen beoordelen en – in overeenstemming met de tijdelijke kaderregeling – uiterlijk op 31 december 2020 daarover te kunnen besluiten. Evenwel is het mogelijk dat het subsidieplafond in deze periode eerder wordt bereikt dan op 15 december 2020 en dat er om die reden in dat jaar geen subsidie meer verstrekt kan worden. Dit plafond is opgenomen in artikel II, waarmee de Regeling openstelling EZK- en LNV-subsidies 2020 wordt gewijzigd.

4. Uitvoering van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona

Gezien de relatief lage kredietbehoefte en de relatief hoge handlingskosten voor deze kredieten is in de algemene systematiek van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona gekozen voor uitvoering door middel van een (deels) geautomatiseerd proces. De MKB-ondernemer moet verklaren over de verschillende afwijzingsgronden en de financier gaat in beginsel uit van de verklaring van de ondernemer. Dit geldt niet voor de criteria waar de financier zelf geautomatiseerde gegevens over heeft en die ook geautomatiseerd getoetst kunnen worden. Hiermee wordt op een redelijke wijze invulling gegeven aan een controle die de snelheid van het proces niet in de weg staat. De financier moet er echter wel voor waken dat geen evident onjuiste gegevens worden verstrekt, zoals ook terug te zien in artikel 12 van de bij deze subsidiemodule behorende modelovereenkomst.

Om de snelheid van de kredietverstrekking te garanderen richten financiers een eigen (gedeeltelijk) digitale omgeving in. Binnen deze digitale omgeving moet het mogelijk zijn om op basis van de aangeleverde gegevens geheel of gedeeltelijk geautomatiseerde verwerking en beoordeling te bewerkstelligen. Daarbij streven financiers ernaar om tussen het indienen van de aanvraag en de uitbetaling van het krediet maximaal vijf werkdagen te laten zitten. Uitgangspunt hierbij is dat er sprake is van een complete aanvraag en er geen aanvullende onderzoeken of een Customer Due Diligence-toets nodig zijn.

Voor de uitvoering van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona wordt in grote mate aangesloten bij het vigerende beleid van financiers en bij de bestaande gedragscodes, als de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering. Voor het kredietbeoordelingsproces geldt dat financiers zelf het proces invullen. Zoals eerder aangegeven wordt van de financier verwacht dat dit proces deels geautomatiseerd verloopt.

Voorafgaand aan de individuele kredietverstrekking vindt geen melding aan RVO noch controle door RVO plaats. Direct na verstrekking van het eerste krediet, en daarmee bij het openen van een Klein Krediet Corona portfolio, kan wel een controle plaatsvinden. De controle op de Garantie Klein Krediet Corona zal voor de minister door RVO steekproefsgewijs worden uitgevoerd. Met de steekproef wordt getoetst of de financier conform de procesafspraken en normaal bancair gebruik heeft gehandeld. In het geval er ernstige afwijkingen worden geconstateerd bij de steekproef kan de overeenkomst met de financier worden opgezegd. Deze opzegging heeft geen gevolgen voor de bestaande uitstaande leningen en de daarbij behorende garantie. Zie hiervoor ook artikel 13 van de modelovereenkomst.

Gedurende de looptijd van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona bouwt de financier een portfolio op met betrekking tot de Garantie Klein Krediet Corona. Deze portfolio bestaat uit kredietovereenkomsten waarvoor een garantstelling is verleend door de Staat op grond van de onderhavige subsidiemodule. De portfolio eindigt, gelet op de looptijd en eventuele opschorting en restschuldregeling, maximaal 10 jaar na de laatst verstrekte kredietovereenkomst onder de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona. Na afloop van deze periode vindt een eindafrekening plaats.

5. Regeldruk

Op basis van input van de Nederlandse Vereniging van Banken is hieronder een schatting gemaakt van de kosten die voort komen uit het opzetten van een digitale kredietbeoordelingsomgeving. Deze kosten zijn per verstrekkende financier aangezien elke verstrekkende financier een eigen digitale kredietbeoordelingsomgeving dient op te zetten.

Eenmalige regeldrukkosten

Bij het inschatten van de onderstaande kosten is er vanuit gegaan dat de gemaakte kosten bestaan uit het inzetten van interne medewerkers. In de praktijk kan het echter ook zijn dat deze kosten worden uitbesteed of dat met een kleine aanpassing een al bestaande digitale omgeving kan worden ingezet. Uit de navraag bij de Nederlandse Vereniging van Banken (hierna: de NVB) blijkt dat het opzetten van een digitaal kredietbeoordelingsproces ten behoeve van deze regeling wordt ingeschat op 1.500 uur. In dit urenaantal zijn alle kosten opgenomen die benodigd zijn voor het opzetten van een dergelijke digitale kredietbeoordelingsomgeving. Om deze uren om te zetten in een kostenplaatje wordt uitgegaan van het tarief voor een hoogopgeleide medewerker uit het handboek meting regeldrukkosten. Dit tarief bedraagt € 54 euro. Daaruit volgt de volgende berekening:

Eenmalige regeldrukkosten: 1.500 x € 54 euro = € 81.000 euro per financier.

Vijf grootbanken hebben zich gecommitteerd aan deze regeling (ABN Amro, ING, Rabobank, Triodos en de Volksbank). Daarnaast wordt bij schatting er van uitgegaan dat nog eens 20 financiers zich zullen melden voor deze regeling. Daarmee komen de totale kosten voor het opzetten van de digitale omgeving in elk geval op:

Totale eenmalige kosten digitale omgeving: € 81.000 euro x 25 = € 2.025.000 euro.

Kredietbeoordelingsproces

Met het opzetten van een digitale kredietbeoordelingsomgeving worden ook kosten bespaard. Normaliter dient een normaal kredietbeoordelingsproces te worden doorlopen. Hierbij dient vooral gecontroleerd te worden of de aangeleverde gegevens correct zijn. In dit geval gaat de financier in beginsel uit van de verklaring van de ondernemer (zie ook paragraaf 4). Aangeleverde gegevens hoeven niet te worden gecontroleerd op juistheid tenzij reeds aanwezige gegevens binnen de financiers geautomatiseerd aanwezig zijn en gebruikt kunnen worden voor toetsing. Deze zeer lichte vorm van controle levert een aanzienlijke besparing op per aanvraag. Navraag bij de NVB levert de schatting op dat dit digitale proces per aanvraag 30 uur scheelt ten opzichte van een normaal proces.

Het is hierbij lastig om een schatting te maken van het aantal aanvragen dat per financier gedaan zal worden. Wel is het mogelijk om een inschatting te geven van het totale aantal aanvragen dat verwacht wordt bij deze regeling. Op basis van gegevens van het CBS kan een inschatting worden gemaakt van de potentiële doelgroep. Het gaat hierbij om de totale bedrijfspopulatie in het microsegment. Dit zijn grofweg 235.000 bedrijven. De verwachting is dat 25 procent hiervan een volledige financieringsaanvraag zal doen. Deze schatting is gemaakt op basis van welke bedrijven bereid zijn om financiering aan te vragen en het proces te doorlopen. Daarmee komt het totale bereik op afgerond 60.000 aanvragen.

Structurele regeldrukkosten

Het totale aantal uren dat bespaard wordt met het aanleggen van de digitale omgevingen wordt daarmee geschat op 60.000 maal 30. Ook hier geldt het standaardurentarief van € 54 euro. Daarmee komt de totale berekening voor de structurele besparing van de regeldrukkosten op:

Structurele besparing regeldrukkosten (digitale omgeving): 60.000 x 30 x € 54 euro = € 97.200.000 euro.

Controle

In tegenstelling tot een gewone lening vindt er controle door de overheid op de verstrekte lening plaats. Hierbij wordt gekeken of de regeling op een correcte wijze is ingezet. De controle hierop vindt plaats door RVO. De opzet van de controle is, gezien de verstrekte kredieten, gering van omvang en vindt steekproefsgewijs plaats. Financier dient hiervoor alleen RVO toegang te geven tot de gegevens. Voor de controle dienen ten opzichte van een normale lening geen extra gegevens bewaard te worden. Deze dienen volgens de geldende voorschriften, zoals onder andere de interne controle en de CRR-voorschriften, al bewaard te worden. Daarom gaat het bij de inschatting om gemiddeld 10 minuten per dossier om de gegevens op te halen. Om deze vervolgens in gereedheid te brengen voor RVO wordt naar een ruime schatting nogmaals 30 minuten per dossier gerekend. Hiermee komt de totale tijdsduur op 40 minuten per dossier. Per financier zullen in beginsel ongeveer 20 dossiers worden nagevraagd. Indien er ernstige afwijkingen worden geconstateerd kan dit aantal oplopen. Daar wordt hier niet van uit gegaan. Per financier gaat het dus om 13 uur en 20 minuten. Uitgaande van 25 in totaal 25 verstrekkende financiers komen de kosten voor controle daarmee op:

13,33 uur x € 54 euro x 25 financiers = € 17.995,50 euro.

Totale Berekening regeldrukkosten

Met de hierboven genoemde elementen is het mogelijk om een inschatting te geven van de regeldrukkosten van deze regeling ten opzichte van een lening zonder overheidsgarantie. De bovenstaande elementen zijn hieronder nogmaals herhaald.

Eenmalige kosten

  • 1) Kosten eventuele accreditatie: € 8.100 euro

  • 2) Bouwen van een digitale kredietbeoordelingsomgeving: € 2.025.000 euro.

Structurele Regeldrukkosten

  • 3) Kosten controle: € 17.995,50 euro

Totaal kosten: € 2.051.095,50 euro.

Structurele regeldrukbesparing

  • 1) Besparing door digitale kredietbeoordelingsomgeving: € 97.200.000 euro.

Totaal besparing: € 97.200.000 euro.

II Artikelsgewijs

De artikelen in deze regeling worden hieronder waar nodig toegelicht.

Artikel I, onderdeel A

Artikel 1.8, zevende lid (Transparantie steun)

Op 8 mei 2020 heeft de Europese Commissie voorzien in een tweede uitbreiding van de tijdelijke kaderregeling. Deze tweede uitbreiding heeft er toe geleid dat enkele vereisten omtrent de monitoring en verslaglegging van de toegekende steun die eerder in paragraaf 4, onderdeel 44 van de tijdelijke kaderregeling waren opgenomen, na de tweede uitbreiding zijn opgenomen in onderdeel 86 van paragraaf 4 van de tijdelijke kaderregeling. Met deze wijziging wordt de verwijzing naar dit onderdeel in artikel 1.8, zevende lid van de RNES aangepast.

Artikel I, onderdeel B

Met dit onderdeel wordt de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona geïntroduceerd. Voor de vormgeving van deze module is aansluiting gezocht bij de BMKB (titel 3.11 RNES), omdat dit een voor de MKB-ondernemers bekende module van de RNES is. Bij de onderhavige module is daarentegen wel voor een eenvoudiger opzet gekozen vanwege onder andere de lagere kredietbedragen en het aanhaken bij de accreditatie van de BMKB-module.

Artikel 3.25.1

In dit artikel wordt voor de verstrekking van het krediet bepaald dat als financier worden aangewezen zowel banken als (andere) kredietverstrekkers die geaccrediteerd zijn onder de module BMKB van de RNES (welke module is uitgebreid met de Regeling van de Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat van 19 maart 2020, tot wijziging van de Regeling nationale EZK- en LNV-subsidies in verband met de tijdelijke uitbreiding van BMKB vanwege de uitbraak van het coronavirus (Stcrt. 2020, 17289) (hierna: BMKB-C)). Voor financiers die niet geaccrediteerd zijn bestaat de mogelijkheid om alsnog de BMKB(-C) accreditatie aan te vragen. Met deze waarborg zijn er afdoende garanties ingebouwd dat alleen betrouwbare financiers kredieten verstrekken.

Ook kredieten die worden verstrekt in Caribisch Nederland vallen onder deze subsidiemodule. Deze kredieten mogen verstrekt worden door kredietinstellingen in de zin van de Wet financiële markten BES die op grond van die wet bevoegd zijn in Bonaire, Sint Eustatius of Saba het bedrijf van kredietinstelling uit te oefenen en onder de BMKB geaccrediteerde, op Bonaire, Sint Eustatius of Saba gevestigde, kredietverstrekkers.

Voor de definitie van het begrip winst is aangesloten bij het begrip winst zoals gedefinieerd in artikel 3.8 van de Wet inkomstenbelasting 2001.

Artikel 3.25.2, eerste lid

Van belang bij het sluiten van de kredietovereenkomsten, het verstrekken van het krediet en de toekenning van de bijbehorende subsidie voor de financier is dat deze handelingen ingevolge de tijdelijke kaderregeling niet later mogen worden plaatsvinden dan 31 december 2020.

Artikel 3.25.2, tweede lid

Belangrijk uitgangspunt van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona is dat de overheid garant staat voor 95 procent van de hoofdsom van het krediet, de verschuldigde achterstallige rente en voor dat krediet gemaakte kosten, waaronder de kosten voor de uitwinning.

Zowel in het geval van een verstrekking in de vorm van een geldlening als in het geval van een verstrekking in de vorm van krediet in rekening-courant geldt dat de door de MKB-ondernemer verschuldigde rente wordt berekend vanaf de datum van het verstrekken van het Klein Krediet Corona.

Artikel 3.25.2, derde lid

Dit lid bevat de voorwaarden waaraan de kredietovereenkomst, en daarmee het krediet, moet voldoen. De kredietovereenkomst die door een financier met een MKB-ondernemer wordt gesloten kan zowel de vorm krijgen van een geldlening als de vorm van krediet in rekening-courant. Het mag hierbij niet gaan om een achtergestelde of een converteerbare lening.

Onderdeel a

De reguliere maximale looptijd van de kredietovereenkomst voor de subsidiemodule is vastgesteld op vijf jaar. De financier heeft de mogelijkheid om de terugbetalingsverplichting van het krediet op te schorten met een periode van maximaal acht kwartalen. De looptijd van de kredietovereenkomst wordt hierbij met eenzelfde periode verlengd. Hierna en na de eventuele uitwinning van de zekerheden is het voor de financier mogelijk om een restschuldregeling van maximaal drie jaar af te sluiten. Bij inzet van alle hierboven genoemde mogelijkheden komt de totale maximale looptijd van kredieten onder de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona uit op tien jaar.

Onderdeel b

Het kredietbedrag dat wordt verleend aan de MKB-ondernemer bedraagt ten minste € 10.000,– en maximaal € 50.000,–. Hiermee wordt geborgd dat het krediet wordt verleend voor MKB-ondernemingen met een beperkte kredietbehoefte tot maximaal € 50.000,–.

Onderdeel c

Het maximale tarief van 4% van het kredietbedrag per jaar geldt alleen gedurende de reguliere looptijd van het krediet. Hierbij gaat het alleen om kosten die naar normaal bancair gebruik gemaakt worden voor de verstrekking van het krediet. Specifieke diensten die niet zijn te scharen onder (kosten voor) het krediet dienen te worden gezien als een apart product waarvoor in de vorm van een opslag, conform normaal bancair gebruik, extra kosten in rekening kunnen worden gebracht.

Onderdeel d

Met dit onderdeel wordt verder verhelderd dat de Garantie Klein Krediet Corona alleen dient te worden verstrekt indien er sprake is van een door de MKB-ondernemer geleden of te verwachten verlies aan inkomsten dat is ontstaan als gevolg van de uitbraak van het coronavirus. Het moet gaan om verliezen in de periode tussen 19 maart 2020 en 31 december 2020. Dit vloeit voort uit de tijdelijke kaderregeling.

Onderdeel e

Hier is geregeld dat de overeenkomst moet voldoen aan de voorwaarden en verplichtingen ten aanzien van het krediet die zijn opgenomen in het model voor een garantstellingsovereenkomst, behorend bij deze subsidiemodule en opgenomen in bijlage 3.25.1 bij de RNES.

Artikel 3.25.3

In dit artikel is geregeld in welke gevallen een aanvraag om subsidie voor een garantstelling wordt afgewezen. Het eerste lid bevat gronden die betrekking hebben op de ondernemer waaraan het krediet wordt verstrekt. De gronden in het tweede lid hebben betrekking op het handelen van de financier.

Het begrip MKB-ondernemer is reeds gedefinieerd in artikel 1.1. van de RNES. In dit artikel wordt in de definitie van kleine onderneming en middelgrote onderneming verwezen naar hoe deze begrippen worden gebruikt in de algemene groepsvrijstellingsverordening6. Zie hiervoor artikel 2, onderdeel 2, en bijlage I van deze verordening. Volgens bijlage I van deze verordening wordt daar onder verstaan ondernemingen waar minder dan 250 personen werkzaam zijn en waarvan de jaaromzet 50 miljoen EUR of het jaarlijkse balanstotaal 43 miljoen EUR niet overschrijdt.

Onderdeel a en b

Ondernemingen waarvan de activiteiten betrekking hebben op onroerend goed en de financiële sector zijn uitgesloten. Dat geldt ook voor aanbieders als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Wet marktordening gezondheidszorg. Ook onder artikel 3.11.3 van de BMKB zijn dergelijke ondernemingen (grotendeels) uitgesloten. Daarnaast is in punt 20 bis van de tijdelijke kaderregeling, waar voor deze subsidiemodule gebruik van wordt gemaakt, expliciet opgenomen dat steun aan financiële instellingen niet onder de tijdelijke kaderregeling dient te worden beoordeeld.

Onderdeel c

Ondernemingen die actief zijn in de sector visserij en aquacultuur, de primaire productie van landbouwproducten en de sector verwerking en afzet van landbouwproducten, zijn uitgesloten van deze subsidiemodule in verband met de diverse steunregelingen die voor dergelijke ondernemingen reeds in het leven zijn geroepen, waaronder de subsidiemodule Borgstelling MKB-landbouwkredieten en tijdelijke borgstelling MKB-visserij- en aquacultuurkredieten (titel 2.5 van de RNES)en de verruiming daarvan in verband met Corona (BL-C). Deze uitsluiting geldt ook voor ondernemingen die gedeeltelijk actief zijn in de hiervoor genoemde sectoren. Daarnaast is de kredietbehoefte bij MKB-ondernemingen in de sector visserij en aquacultuur, de primaire productie van landbouwproducten en de sector verwerking en afzet van landbouwproducten vaak groter dan het maximumbedrag van deze subsidiemodule.

Onderdeel d

Deze afwijzingsgrond is overgenomen uit punt 22, onder a, van de tijdelijke kaderregeling. De bedragen die voor dit maximumbedrag in acht dienen te worden genomen, moeten brutobedragen zijn, dat wil zeggen de bedragen vóór aftrek van belastingen of andere heffingen.

Onderdeel e

Deze afwijzingsgrond is opgenomen om te voorkomen dat er meerdere kredieten worden afgesloten bij dezelfde financier. De Garantie Klein Krediet Corona is bedoeld voor MKB-ondernemers met een maximale kredietbehoefte van € 50.000,–. De voorzienbaarheid moet hier nader ingekleurd worden naar wat voorzienbaar is voor de financier.

Onderdeel f

Hier is geregeld dat de openstaande betalingsverplichtingen die een MKB-ondernemer mag hebben na verstrekking van het krediet niet meer mag zijn dan € 250.000,–, waarbij alle zakelijke financieringen, met uitzondering van een zakelijke hypotheek, worden meegenomen. Het gaat hierbij om betalingsverplichtingen bij financiers en financier-gelieerden (een rechtspersoon waaraan de een financier direct of indirect meer dan de helft van het geplaatste kapitaal verschaft of voor het handelen waarvan de een financier volledig aansprakelijk is).

Onderdeel g

Deze afwijzingsgrond is opgenomen ter voorkoming dat er enige vorm van overlap bestaat tussen de verschillende subsidiemodules uit de RNES. De onderhavige subsidiemodule dient specifiek voor MKB-ondernemingen die bij de andere subsidiemodules buiten de boot vallen vanwege de geringe omvang van het kredietbedrag en de hoge handlingskosten die hiermee gepaard gaan. Een aanvraag om subsidie wordt daarom afgewezen als de mkb-ondernemer al een kredietovereenkomst of lening heeft waarvoor met toepassing van de titels 2.5, 3.11, 3.13, 3.13a, 3.13b of 3.25 subsidie is verstrekt. Het is niet bedoeld hier uit te sluiten dat een MKB-ondernemer die nu gebruik maakt van de onderhavige regeling in de toekomst gebruik kan maken van de andere genoemde modules onder de RNES.

Artikel 3.25.3, tweede lid

Buiten de hierboven nader toegelichte afwijzingsgronden beslist de minister tevens afwijzend op een aanvraag voor een garantstelling in de gevallen waarin de financier geen garantstellingsovereenkomst met de Staat heeft gesloten of de aanvrager eerder tekort is geschoten bij de naleving van verplichtingen op grond van de garantstellingsovereenkomst. Deze tweede afwijzingsgrond wordt toegepast indien er sprake is van een ernstige tekortkoming.

Artikel 3.25.4

Anders dan bij de BMKB is voor de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona de provisie die door de MKB-ondernemer eenmalig via de financier aan de Staat dient te worden betaald vastgesteld op 2% van het kredietbedrag. De provisie is daarnaast opgenomen in artikel 6 van het model van de garantstellingsovereenkomst. In artikel 6, tweede lid van de garantstellingsovereenkomst is vastgelegd in welk geval de provisie door de Staat wordt terugbetaald aan de Financier mits daartoe een verzoek aan de Staat is gedaan.

Artikel 3.25.5

Per financier wordt door de minister een maximumbedrag aan subsidie vastgesteld. De garantstelling wordt verleend op volgorde van binnenkomst totdat het maximumbedrag van de financier is bereikt. Dit maximumbedrag kan door de minister worden bijgesteld. In artikel 3, tweede lid van de garantstellingsovereenkomst is verder verduidelijkt dat de toepasselijkheid van de garantstellingsovereenkomst slechts kan worden ingeroepen indien en voor zover door de melding van het krediet het voor dat kalenderjaar vastgestelde maximumbedrag per financier niet is overschreden. Een verlaging van het subsidieplafond heeft geen invloed op al verleende subsidies (garantstellingen) met betrekking tot aan MKB-ondernemers verstrekte kredieten.

Artikel 3.25.6

Er wordt door de Staat garant gestaan voor 95 procent van het kredietbedrag, bestaande uit de hoofdsom van dat krediet, de verschuldigde achterstallige rente en de voor dat krediet gemaakte kosten, waaronder kosten voor de uitwinning. Voor wat betreft de garantstelling voor de 95 procent van het kredietbedrag gaat het hierbij om het nog uitstaande kredietbedrag.

Artikel 3.25.10

In dit artikel is de vervaltermijn van de module opgenomen. Deze is gesteld op 1 januari 2021, met dien verstande dat deze van toepassing blijft op subsidies die voor die datum zijn verleend. Na deze datum is het derhalve niet langer mogelijk om nieuwe garantstellingen te verlenen. Voor de goede orde wordt opgemerkt dat ook de reeds voor die datum gesloten garantstellingsovereenkomsten (zoals opgenomen in bijlage 3.25.1) na die datum geen grondslag meer bieden voor het verlenen van nieuwe garantstellingen. De overeenkomsten blijven wel gelden voor reeds verleende garantstellingen.

Hiermee is de looptijd van deze subsidiemodule gelijk aan de looptijd van de tijdelijke kaderregeling (tot en met 31 december 2020) op grond waarvan deze steunmaatregel is goedgekeurd door de Europese Commissie. Hiermee wordt tevens gehandeld overeenkomstig artikel 4.10, tweede lid, van de Comptabiliteitswet 2016.

Artikel I, onderdeel C

Bijlage 3.25.1. (model garantstellingsovereenkomst)

De inhoud van enkele van de hierboven genoemde artikelen komt ook terug in de modelovereenkomst. Voor een toelichting op die onderdelen van de modelovereenkomst wordt verwezen naar de hierboven gegeven toelichting op deze artikelen. In aanvulling daarop wordt de volgende toelichting gegeven.

Artikel 3. Voorwaarden en verplichtingen krediet

Gelet op de aard van de problematiek waarmee de ondernemingen als gevolg van de uitbraak van het coronavirus worden geconfronteerd, is gebleken dat het voor financiers in sommige gevallen noodzakelijk was om reeds vooruitlopend op de inwerkingtreding van deze regeling de benodigde kredieten te verstrekken. Om die reden is ervoor gekozen dat de garantstelling door de Staat ook kan worden ingeroepen voor een kredietovereenkomst die is aangegaan voor inwerkintreding van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona, namelijk voor een kredietovereenkomst die is verstrekt of aangeboden vanaf 7 mei 2020. Voor deze datum is aansluiting gezocht bij de datum waarop de Kamerbrief met daarin de uitgangspunten voor de Garantie Klein Krediet Corona openbaar is geworden. De toepassing van deze bepaling leidt tot het volgende. Het krediet dat onder de garantstelling wordt gebracht is een nieuw krediet: de overeenkomst is nog niet gesloten. Alleen dient de kredietovereenkomst in dit geval ter vervanging van financiering die de bank al heeft verstrekt omdat de nood hoog was. Het gaat hier dus uitdrukkelijk om een herfinanciering van reeds verleende kredieten. Het nieuwe krediet en de in de kredietovereenkomst op te nemen voorwaarden zullen moeten voldoen aan deze subsidiemodule, inclusief de bepalingen uit de modelovereenkomst. De financier heeft een inspanningsverplichting ten aanzien van het zeker stellen van de persoonlijke borgstelling naar normaal bancair gebruik. Gezien de beoogde snelheid van verwerking van de kredietaanvraag en gezien het feit dat het gaat om beperkte zekerheden, kan het lastig zijn om de borgstelling zeker te stellen naar normaal bancair gebruik. Om die reden is er ten aanzien van de persoonlijke borgstelling sprake van een inspanningsverplichting.

In het zesde lid van dit artikel is expliciet gemaakt dat het garantstellingskrediet niet is bedoeld om bijvoorbeeld door middel van de herfinanciering van lopende leningen het risico van de bestaande leningen neer te leggen bij de Staat.

Artikel 4. Criteria voor MKB-ondernemer bij verstrekken garantstellingskrediet

Een van de criteria is dat een MKB-ondernemer moet verklaren dat het garantstellingskrediet dient ter financiering van de geleden schade of het te verwachten verlies aan inkomsten als gevolg van het Coronavirus. De regeling is expliciet bedoeld voor het opvangen van de economische gevolgen als gevolg van het Coronavirus. Dit wordt in de praktijk door de financier getoetst aan de hand van de winstgevendheid van de onderneming vóór de Corona-crisis. Was er toen sprake van een winstgevende onderneming dan is de conclusie dat de huidige kredietbehoefte van de MKB-onderneming het gevolg is van de economische impact van het Coronavirus. In de praktijk betekent dit dat de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona open staat voor MKB-ondernemingen die in 2019 of gemiddeld genomen over minimaal de afgelopen twee boekjaren winst hebben gemaakt. Indien geen gegevens beschikbaar zijn over het boekjaar 2019, dan kan hierbij ook gekeken worden naar het boekjaar 2018. Het staat de financier hierbij vrij om uit te gaan van de gemiddelde behaalde winst over de afgelopen drie beschikbare boekjaren.

Artikel 7. Verzoek om betaling uit hoofde van de garantstellingsovereenkomst

De garantie is vormgegeven als een eigen, afzonderlijke verplichting van de Staat (geen hoofdelijkheid, geen borgtocht). De kredietovereenkomst verandert niet door een betaling onder de garantie zodat de financier gerechtigd blijft tot uitwinning.

De betaling, zoals die voortkomt uit het in het tweede lid van dit artikel genoemde verzoek, wordt aangemerkt als een voorschot. Dit voorschot wordt in beginsel niet in mindering gebracht op de volledige bij de financier bestaande vordering op het kredietbedrag van de MKB-ondernemer. Uiteindelijk wordt dit voorschot verrekend conform de eindafrekening uit artikel 11 van deze modelovereenkomst.

Artikel 9. Betaling door de Staat

In het tweede lid van dit artikel is vastgelegd dat de Staat niet is verplicht tot betaling op het verzoek van de financier in de onder sub a, sub b en sub c genoemde gevallen.

Artikel 10. Herstructurering en uitwinning

De uitwinning van zekerheden gebeurt door financier. Indachtig enerzijds de zorgplicht richting klanten, gelet op de kwetsbaarheid van de doelgroep, wordt er zorgvuldig uitgewonnen door de financiers waarbij anderzijds gelet wordt op goed rentmeesterschap richting de Staat. Bij uitwinning worden eerst de normale zekerheden (indien van toepassing) en daarna de persoonlijke borgtocht uitgewonnen. De financier kan ook op andere wijze het krediet incasseren. De financier volgt hierin het eigen uitwinningsproces en eigen afweging naar normaal bancair gebruik.

Indien na de uitwinning van de zekerheden (indien van toepassing) en de persoonlijke borgtocht nog een schuld overblijft, kan – conform het eigen beleid van de financier en naar normaal bancair gebruik – een betalingsregeling worden getroffen met een maximale looptijd van 3 jaar. Hierbij geldt eveneens dat individuele omstandigheden aanleiding kunnen zijn voor kwijtschelding naar normaal bancair gebruik.

Het is mogelijk voor een financier om een derde gespecialiseerde partij ten behoeve van uitwinning te betrekken. Het blijft echter de verantwoordelijkheid van de financier dat de Gedragscode Kleinzakelijke Financiering wordt nageleefd. Het is de financier niet toegestaan om eventuele restvorderingen te verkopen aan derde partijen. Mocht het voorkomen dat werkzaamheden in het kader van bijzonder beheer worden uitbesteed aan een derde partij zal de financier de MKB-ondernemer hierover informeren. Daarbij wordt eveneens aangegeven welke gevolgen dit heeft voor het contact met de MKB-ondernemer.

Indien een financier kosten maakt vanaf het ontstaan van een betalingsachterstand en voor herstructurering ofwel uitwinning, mogen deze op de MKB-ondernemer worden verhaald. Dit is inclusief de kosten die zijn gemaakt voor het inschakelen van een derde partij. De financier zal hiervoor eerst een kosten/baten analyse maken en daarnaast de geldende gedragscodes en normen volgen.

De manier waarop de financier de uitwinning in de praktijk vorm geeft wordt nader vormgegeven in een apart document. Dit document bevat tenminste een procesomschrijving en zal worden gedeeld met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Artikel 13. Informatieverplichting

Op grond van artikel 7 van de model garantstellingsovereenkomst draagt de financier er zorg voor dat een administratie wordt gevoerd die zodanig is ingericht, dat daaruit te allen tijde op eenvoudige en duidelijke wijze gegevens kunnen worden afgelezen over de verstrekkingen, het beheer en de vervreemdingen van gegarandeerde leningen en van ander kapitaal dat zij aan dezelfde ondernemer heeft verstrekt. Hieruit zal ook moeten blijken of aan alle voorwaarden die volgen uit de tijdelijke kaderregeling en zoals opgenomen in deze subsidiemodule is voldaan. Aan deze bepaling is toegevoegd dat deze administratie in ieder geval tien jaar moet worden bewaard. Dit gelet op de verplichting die op grond van de tijdelijke kaderregeling op de lidstaten rust om ervoor te zorgen dat gedetailleerde dossiers worden aangelegd inzake de verlening van steun die onder de tijdelijke kaderregeling valt. Deze dossiers, die alle informatie moeten bevatten die nodig is om te kunnen nagaan of aan de vastgestelde voorwaarden is voldaan, moeten tien jaar na de verlening van steun worden bewaard en op verzoek aan de Commissie worden verstrekt. Omdat deze informatie voor deze dossiers ook bij de financiers aanwezig is, wordt deze verplichting in de model garantstellingsovereenkomst opgenomen.

Artikel II

Dit artikel regelt de openstelling en het budget van de subsidiemodule Garantie Klein Krediet Corona. Subsidie kan worden aangevraagd in de periode vanaf inwerkingtreding van de onderhavige regeling tot en met 15 december 2020. Voor deze openstelling is een budget van € 713.000.000 beschikbaar.

Artikel III

Deze regeling treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin zij wordt geplaatst. Met de datum van inwerkingtreding wordt afgeweken van de systematiek van de vaste verandermomenten, inhoudende dat ministeriële regelingen met ingang van de eerste dag van een kwartaal in werking treden en twee maanden voordien bekend worden gemaakt. Dat kan in dit geval worden gerechtvaardigd, omdat de doelgroep gebaat is bij spoedige inwerkingtreding van deze regeling. Op deze wijze wordt de doelgroep de mogelijkheid geboden spoedig subsidieaanvragen in te dienen.

Transponeringstabel

In onderstaande tabel is aangegeven op welke wijze de bepalingen uit de Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak, voor zover relevant voor deze regeling, zijn geïmplementeerd in de regeling.

Bepaling Tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak

Onderhavige regeling

Paragraaf 3.1, onderdeel 22, onder a

Artikel I, onderdelen B (artikel 3.25.3, eerste lid, onderdeel d) en C (artikel 4, onderdeel a, subonderdeel 6°)

Paragraaf 3.1, onderdeel 22, onder b

Artikel I, onderdeel B (artikel 3.25.2) en artikel II

Paragraaf 3.1, onderdeel 22, onder c

Artikel I, onderdelen B (artikel 3.25.3, eerste lid, onderdeel i) en C (artikel 4, onderdeel a, subonderdeel 8°)

Paragraaf 3.1, onderdeel 22, onder d

Artikel I, onderdelen B (artikelen 3.25.10) en C (artikel 3, zevende lid)

Paragraaf 3.1, onderdeel 22, onder e en onderdeel 23bis

Artikel I, onderdelen B (artikelen 3.25.3, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 3°) en C (artikel 4, onderdeel a, subonderdeel 5°) – Ondernemingen actief in verwerking en afzet van landbouwproducten zijn uitgesloten.

Paragraaf 3.1, onderdeel 23, onder a t/m c en onderdeel 23bis

Artikel I, onderdelen B (artikelen 3.25.3, eerste lid, onderdeel c, subonderdeel 1° en 2°) en C (artikel 4, onderdeel a, subonderdeel 5°) – Ondernemingen actief in visserij, aquacultuur of primaire landbouwproductie zijn uitgesloten.

Paragraaf 3.4

Artikel I, onderdelen B (artikel 3.25.2, derde lid, onderdeel c en artikel 3.25.4) en C (artikel 3, eerste lid, onderdeel a, subonderdeel 3° en zesde lid, en artikel 6)

Paragraaf 4, onderdeel 86

Artikel I, onderdeel A (artikel 1.8, zevende lid)

Paragraaf 4, onderdeel 89

Artikel I, onderdeel C (artikel 13, eerste lid)

De Staatssecretaris van Economische Zaken en Klimaat, M.C.G. Keijzer


X Noot
2

Kamerstukken II, 2019/20, 32 637, nr. 413.

X Noot
3

Kamerstukken II, 2019/20, 35 420, nr. 2.

X Noot
4

Kamerstukken II, 2019/20, 35 420, nr. 16.

X Noot
5

Gewijzigd door Wijziging van de tijdelijke kaderregeling inzake staatssteun ter ondersteuning van de economie vanwege de huidige COVID-19-uitbraak (PbEU 2020, C 112 I).

X Noot
6

Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PbEU 2014, L 187)