Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische Zaken en KlimaatStaatscourant 2019, 9735Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken en Klimaat van 13 februari 2019, nr. WJZ / 18319237, houdende aanwijzing van categorieën van productie-installaties voor de stimulering van duurzame energieproductie in het voorjaar van 2019 (Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2019)

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Gelet op de artikelen 1, tweede lid, 2, tweede, derde, vierde en vijfde lid, 3, eerste lid, onderdelen a en c, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel c, vierde en zesde lid, 7, 8, 10, eerste en derde lid, 11, eerste lid, 12, eerste lid, 14, vijfde lid, 15, derde, vierde, vijfde en zesde lid, 25, 27, eerste en derde lid, 28, eerste lid, 29, eerste lid, 31, vijfde lid, 32, derde, vierde, vijfde, zesde en zevende lid, 42, 43a, eerste en derde lid, 44, eerste lid, 45, eerste lid, 47, vijfde lid, 48, derde, vierde, vijfde en zevende lid, 56, eerste en derde lid, 59, tweede lid, 61, eerste en derde lid, en 62, vierde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie;

Besluit:

§ 1. Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

algemene uitvoeringsregeling:

Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie;

allesvergisting:

biologische afbraakreacties van biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van de nummers 400, 410, 420, 500, 550 tot en met 559, waarvan de biogasopbrengst van de ingaande stroom ten minste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt;

beschermingszone:

beschermingszone als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

besluit:

Besluit stimulering duurzame energieproductie;

biosyngas;

mengsel van gassen dat is geproduceerd door vergassing van biomassa en dat geen nadere bewerking tot methaan heeft ondergaan;

doublet:

combinatie van twee naast elkaar liggende diepboringen die ten minste bestaat uit één productieput en één injectieput;

gebouw:

bouwwerk als bedoeld in artikel 1 van de Woningwet niet zijnde een tijdelijk bouwwerk als bedoeld in artikel 2a van het Bouwbesluit;

zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2:

harde zeewering en zachte zeewering van Maasvlakte 2 als bedoeld in bijlage 1 van de concessie aan het Havenbedrijf Rotterdam N.V. te Rotterdam, bij Koninklijk Besluit van 23 mei 2008, nr. 08.001524;

hernieuwbaar gas hub:

verzameling van productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas waarvoor voor de invoeding van het hernieuwbaar gas op een gasnet gezamenlijk een of meerdere aansluitingen worden gebruikt, waarmee gezamenlijk hernieuwbare warmte wordt geproduceerd die nuttig wordt gebruikt of waarmee gezamenlijk hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd die op een elektriciteitsnet of installatie wordt ingevoed;

hernieuwbare warmte:

nuttig aangewende warmte als bedoeld in artikel 1 van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit;

ketel:

installatie waarin brandstof wordt verstookt waarbij de verbrandingswarmte met behulp van een warmtewisselaar wordt overgedragen aan een vloeistof;

Minister:

Minister van Economische Zaken en Klimaat;

netto P50-waarde vollasturen:

aantal vollasturen waarbij de verwachte jaarlijkse energieproductie voor een gegeven combinatie van locatie en productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie dient te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van 50%;

nominaal elektrisch rendement:

quotiënt van het nominaal elektrisch vermogen en:

  • a. de som van het nominaal elektrisch vermogen en nominaal warmtevermogen in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een verbrandingsmotor, en

  • b. het nominaal warmtevermogen van de ketel in het geval van gecombineerde opwekking met behulp van een stoomturbine of een organische rankinecyclus;

nominaal vermogen:

maximale vermogen van de productie-installatie dat onder nominale condities benut kan worden voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare warmte of hernieuwbaar gas en wat door de leverancier gegarandeerd wordt bij continu gebruik. In het geval van geothermische productie-installaties dient het nominaal vermogen te zijn bepaald met een waarschijnlijkheid van ten minste 50%;

NTA 8003: 2017:

Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2017;

primaire waterkering:

primaire waterkering als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

richtlijn hernieuwbare energie:

richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);

stadsverwarming:

warmtelevering aan een warmtenet als bedoeld in artikel 1, onderdeel c, van de Warmtewet, waarbij de warmte door een producent wordt geleverd ten behoeve van ruimteverwarming en warmtapwatervoorzieningen van gebouwen.

thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa:

omzetting van vaste of vloeibare biomassa door middel van:

  • a. verbranding;

  • b. een andere thermische behandeling dan bedoeld onder a ingeval de producten daarvan vervolgens worden verbrand; of

  • c. de verbranding van producten die voortkomen uit thermische behandeling;

valhoogte:

verschil in waterpeil voor en achter de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit door middel van waterkracht waarbij het nominaal vermogen wordt benut;

monovergisting:

biologische afbraakreacties van uitsluitend vaste en vloeibare uitwerpselen van dieren;

voorliggende waterkering:

voorliggende waterkering als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017;

waterstaatswerk:

waterstaatswerk als bedoeld in appendix b bij bijlage I van de Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017.

§ 2. Algemene bepalingen

Artikel 2

  • 1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en hernieuwbare warmte op grond van de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 16, 18, eerste lid, 20, 22, eerste lid, 24, eerste lid, 26, 28, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, die wordt aangevraagd in de periode van 12 maart 2019, 09:00 uur, tot 4 april 2019, 17:00 uur, bedraagt € 5.000.000.000.

  • 2. De Minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen.

  • 3. Per categorie productie-installaties kan in de periode, genoemd in het eerste lid, per adres waarop een productie-installatie wordt geplaatst maximaal één aanvraag worden ingediend.

  • 4. De Minister beslist afwijzend op een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, indien de toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie, noch een gedoogplichtbeschikking op grond van artikel 2, vijfde lid, of artikel 3, tweede lid, van de Belemmeringenwet Privaatrecht ten aanzien van de beoogde locatie voor het plaatsen van de productie-installatie kan worden overgelegd.

  • 5. Een subsidie als bedoeld in het eerste lid van meer dan € 400.000.000,– wordt verleend onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van deze beschikking een uitvoeringsovereenkomst overeenkomstig de overeenkomst opgenomen in bijlage 1 tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger en onder de opschortende voorwaarde dat de subsidieontvanger binnen vier weken na afgifte van de beschikking heeft aangetoond dat een bankgarantie als bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de uitvoeringsovereenkomst is afgegeven.

  • 6. Het vijfde lid is niet van toepassing op een productie-installatie als bedoeld in artikel 9b, eerste lid, onderdeel a, van de Elektriciteitswet 1998.

  • 7. Indien voor dezelfde periode, of gedeeltelijk voor dezelfde periode, meer beschikkingen zijn afgegeven voor dezelfde productie-installatie en dezelfde soort hernieuwbare energie, worden voor de toepassing van het vijfde lid de subsidies die de subsidieontvanger ontvangt, bedoeld in artikel 48 van het besluit, van de beschikkingen waarvan de periode waarover subsidie wordt verstrekt nog niet zijn aangevangen bij elkaar opgeteld.

Artikel 3

  • 1. Productie-installaties als bedoeld in artikel 4, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel c, en derde lid, onderdeel c, van het besluit.

  • 2. Productie-installaties als bedoeld in artikel 32, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel a, van het besluit.

  • 3. Productie-installaties als bedoeld in artikel 26, onderdeel c, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, van het besluit.

  • 4. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, onderdeel c, 16, 18, eerste lid, 20, 26, onderdelen b en c, 28, 30, eerste lid, en 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 3, vierde lid, van het besluit.

  • 5. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, en 12, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 6. Productie-installaties als bedoeld in artikel 14, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 15, derde, vierde en zesde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 15, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt en dat bij de benutting van de opgetelde kWh, bedoeld in artikel 15, vierde lid van het besluit, geldt dat de productie wordt verdeeld in een deel netlevering en een deel niet-netlevering op basis van de verhouding tussen de geproduceerde energie die aan het net geleverd is en de energie die niet aan het net geleverd is in het voorgaande jaar.

  • 7. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, 20 en 22, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 32, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 8. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 16, artikel 18, eerste lid, 20 en 22, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zesde lid, van het besluit.

  • 9. Productie-installaties als bedoeld in de artikel 28 en artikel 30, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 32, zevende lid van het besluit.

  • 10. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 24, eerste lid, 26, 28, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, derde en vierde lid, van het besluit met dien verstande dat het verschil in kWh dat bij het aantal geproduceerde kWh van het volgende jaar kan worden opgeteld, bedoeld in artikel 48, vierde lid, van het besluit, wordt gemaximeerd op 25% van het aantal kWh dat het desbetreffende jaar voor subsidie in aanmerking komt.

  • 11. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 28, onderdelen b, d en f, 30, eerste lid, onderdeel b, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 48, zevende lid van het besluit.

  • 12. Productie-installaties als bedoeld in de artikelen 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 16, en 28, worden aangewezen als productie-installaties als bedoeld in artikel 56, tweede lid, van het besluit.

§ 3. Categorieën

§ 3.1. Hernieuwbare elektriciteit

§ 3.1.1. Waterkracht
Artikel 4

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee door middel van hydro-mechanisch-elektrische omzetting hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd uit potentiële dan wel kinetische energie van stromend water dat niet specifiek ten behoeve van de elektriciteitsproductie omhoog is gepompt:

  • a. in installaties met een valhoogte kleiner dan 50 centimeter;

  • b. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter; of

  • c. in installaties met een valhoogte gelijk aan of groter dan 50 centimeter, die ingrijpend zijn gerenoveerd en waarbij ten minste de turbines nieuw zijn.

Artikel 5
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 4 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 4, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.2. Osmose
Artikel 6

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit wordt gegenereerd door middel van het verschil in zoutconcentratie tussen twee watermassa’s.

Artikel 7
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 6 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 6, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

Artikel 8
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, niet zijnde een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie als bedoeld in de artikelen 10 of 12, die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2018, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

    • a. ≥ 8,0 m/s;

    • b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

    • c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

    • d. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

    • e. < 6,75 m/s.

  • 2. De productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, is niet opgericht in de territoriale zee of in de Nederlandse exclusieve economische zone.

  • 3. Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

    • a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

    • b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

Artikel 9
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 8, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 8, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.3. Wind op waterkering
Artikel 10
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie die is opgericht binnen het waterstaatswerk of een beschermingszone van een voorliggende waterkering, dan wel binnen het waterstaatswerk of de zeewaartsgerichte beschermingszone van een primaire waterkering grenzend aan de Noordzee, de Westerschelde, de Oosterschelde, de Waddenzee, de Dollard of de Eems, dan wel in de harde zeewering of zachte zeewering van Maasvlakte 2, en die wordt gerealiseerd op een locatie die overeenkomstig de lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling op 31 december 2018, bedoeld in bijlage 2, een windsnelheid heeft van:

    • a. ≥ 8,0 m/s;

    • b. ≥ 7,5 en < 8,0 m/s;

    • c. ≥ 7,0 en < 7,5 m/s;

    • d. ≥ 6,75 en < 7,0 m/s; of

    • e. < 6,75 m/s.

  • 2. Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

    • a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

    • b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

Artikel 11
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 10, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 10, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.4. Wind in meer
Artikel 12
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit met behulp van windenergie, en waarvan de fundering volledig in het water van een meer van minimaal één vierkante kilometer staat, waarbij het hart van de fundering op een afstand van ten minste 25 meter van de waterkant staat.

  • 2. Indien de productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, bedoeld in het eerste lid, wordt opgericht op een locatie waar op het moment van aanvragen één of meer windturbines staan of hebben gestaan, verstrekt de Minister de subsidie, bedoeld in het eerste lid, uitsluitend indien:

    • a. het nominaal en te realiseren vermogen per windturbine ten opzichte van de te vervangen windturbine ten minste 1 MW toeneemt; of

    • b. de te vervangen windturbine op het moment van vervanging 15 jaar op de desbetreffende locatie in gebruik is geweest en op het moment van aanvragen ten minste 13 jaar voordien in gebruik is genomen.

Artikel 13
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 12, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 12, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.1.5. Fotovoltaïsche zonnepanelen
Artikel 14

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare elektriciteit uit zonlicht uitsluitend door middel van fotovoltaïsche zonnepanelen, die is aangesloten op een elektriciteitsnet via een aansluiting met een totale maximale doorlaatwaarde van meer dan 3*80 A:

  • a. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 kWp en kleiner dan 1 MWp;

  • b. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht;

  • c. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen niet of niet volledig zijn aangebracht op of aan een gebouw; of

  • d. met een totaal nominaal vermogen groter dan of gelijk aan 1 MWp, waarbij de zonnepanelen niet zijn aangebracht op of aan een gebouw en automatisch met de stand van de zon meebewegen middels een zonvolgsysteem.

Artikel 15
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 14 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, binnen 18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 3. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel b, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 4. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdelen c en d, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

  • 5. Op aanvragen van een producent van hernieuwbare elektriciteit geproduceerd door een productie-installatie, bedoeld in artikel 14, onderdeel a, is artikel 3, eerste en tweede lid, van de Algemene uitvoeringsregeling duurzame energieproductie niet van toepassing.

§ 3.2. Hernieuwbaar gas

§ 3.2.1. Biomassavergisting
Artikel 16

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door:

  • a. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd uitsluitend door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

  • b. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

  • c. een productie-installatie waarmee hernieuwbaar gas wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is.

Artikel 17
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 16 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 16, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.2.2. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties
Artikel 18
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering en waarbij ten minste de installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie van biogas nieuw zijn.

  • 2. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de aanvullende productie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

  • 3. De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

Artikel 19
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 18, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 18, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.2.3. Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting
Artikel 20

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib, waarbij ten minste de opwerkinstallatie waarmee biogas op aardgaskwaliteit wordt gebracht nieuw is.

Artikel 21
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 20, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 20, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.2.4. Biomassavergassing
Artikel 22
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbaar gas, niet zijnde biosyngas, geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas uit biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, door middel van vergassing.

  • 2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

Artikel 23
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 22, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 22, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

§ 3.3.1. Zonthermie voor warmte
Artikel 24
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte uit zonne-energie, waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van afgedekte collectoren waarbij de transparante isolerende laag, niet zijnde beglazing van kassen, een geïntegreerd geheel vormt met de collector, met een totaal thermisch vermogen:

    • a. groter dan of gelijk aan 140 kWth en kleiner dan 1 MWth; of

    • b. groter dan of gelijk aan 1 MWth.

  • 2. Het vermogen in kWth van de productie-installatie, bedoeld in het eerste lid, wordt berekend door de apertuuroppervlakte in vierkante meter te vermenigvuldigen met een factor 0,7.

  • 3. Subsidie als bedoeld in het eerste lid wordt niet verstrekt indien reeds op basis van artikel 4.5.2. van de Regeling nationale EZ-subsidies subsidie is verstrekt.

Artikel 25
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 24, eerste lid, wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 24, eerste lid, binnen 3 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.2. Geothermie voor warmte
Artikel 26

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte geproduceerd door:

  • a. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 500 meter;

  • b. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, gebruikmakend van ten minste één olie- of gasput met een diepte van ten minste 500 meter;

  • c. een productie-installatie als bedoeld in de onderdelen a, of b, waarvoor op het moment van aanvragen reeds een subsidie is verleend op grond van het besluit, die wordt uitgebreid met ten minste één aanvullende put met een diepte van ten minste 500 meter;

  • d. een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten, waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd uitsluitend door middel van één of meer geothermische bronnen met een diepte van ten minste 4.000 meter.

Artikel 27
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 26 wordt voor een periode van 15 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 26, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.3. Biomassavergisting voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 28

De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door:

  • a. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

  • b. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van allesvergisting, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

  • c. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is;

  • d. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen groter dan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt;

  • e. een productie-installatie waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, waarbij ten minste de vergister nieuw is; of

  • f. een productie-installatie waarmee hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte worden geproduceerd door middel van monomestvergisting, met een vermogen kleiner dan of gelijk aan 400 kW, voor elektrisch en thermisch vermogen samen, waarbij ten minste de vergister nieuw is en waarbij het nominaal elektrisch rendement ten minste 20% bedraagt.

Artikel 29
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 28 wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 28, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.4. Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 30
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte uit biogas dat vrijkomt ten gevolge van een biologische afbraakreactie van gisting van zuiveringsslib waarbij er verbeteringen zijn uitgevoerd in het productieproces waarna er per ton slib sprake is van ten minste 25% meer biogasproductie ten opzichte van voor de verbetering:

    • a. waarmee hernieuwbare warmte wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn;

    • b. waarmee hernieuwbare warmte en hernieuwbare elektriciteit wordt geproduceerd, waarbij ten minste de installatie-onderdelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie nieuw zijn.

  • 2. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie, bedoeld in het eerste lid, worden niet in gebruik genomen voor de subsidie is aangevraagd.

  • 3. De subsidieaanvrager maakt aannemelijk dat de voorgestelde aanpassingen een verbetering van 25% inhouden ten opzichte van de gemiddelde productie van het jaar voorafgaande aan de aanvraag, of, wanneer de producent minder dan een jaar produceert, ten opzichte van de totale gemiddelde productie tot het moment van de aanvraag.

Artikel 31
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 30, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 30, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.5. Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 32
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MW voor de productie van warmte door middel van verbranding van vloeibare biomassa, als bedoeld in de nummers 512, 514, 517, 518, 543, 545, 550 tot en met 579, 587, 594, 595 en 800 tot en met 809 van de NTA 8003: 2017, met een brander in een ketel.

  • 2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 33
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 32, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 32, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.6. Kleine ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 34
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017 in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 0,5 MWth en kleiner dan 5 MWth waarbij ten minste de ketel nieuw is.

  • 2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 35
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 34, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 34, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.7. Grote ketel vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 36
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van vaste of vloeibare biomassa als bedoeld in de NTA 8003: 2017, met uitzondering van biomassa als bedoeld in de nummers 100, 150, 170 tot en met 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is en waarbij het aantal subsidiabele vollasturen:

    • a. ten hoogste 4.500 vollasturen per jaar bedraagt;

    • b. ten hoogste 5.000 vollasturen per jaar bedraagt;

    • c. ten hoogste 5.500 vollasturen per jaar bedraagt;

    • d. ten hoogste 6.000 vollasturen per jaar bedraagt;

    • e. ten hoogste 6.500 vollasturen per jaar bedraagt;

    • f. ten hoogste 7.000 vollasturen per jaar bedraagt;

    • g. ten hoogste 7.500 vollasturen per jaar bedraagt;

    • h. ten hoogste 8.000 vollasturen per jaar bedraagt; of

    • i. ten hoogste 8.500 vollasturen per jaar bedraagt.

  • 2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat wordt aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

Artikel 37
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 36, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 36, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.8. Grote ketel op B-Hout voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 38
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, uitsluitend door middel van thermische conversie van B-Hout als bedoeld in nummers 170 t/m 179 van de NTA 8003: 2017, met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is.

  • 2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

Artikel 39
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 38, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 38, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.9. Ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor stadsverwarming
Artikel 40
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbare warmte of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 10 MWth, waarbij ten minste de ketel nieuw is waarin:

    • a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

    • b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt;

    • c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder a en b.

  • 2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid, levert de warmte uitsluitend aan een stadsverwarmingsnet.

  • 4. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

Artikel 41
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 40, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 40, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.10. Stoomketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 42
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van warmte of hernieuwbare elektriciteit en warmte geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van stoom door middel van verbranding van houtpellets, in een ketel met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth, waarbij ten minste de stoomketel nieuw is waarin:

    • a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

    • b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage, als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt;

    • c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder a en b.

  • 2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat ten minste 95% van de energetische waarde van de jaarlijks in de productie-installatie gebruikte brandstof biogeen is.

  • 3. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende mate aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.’

Artikel 43
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 42, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 42, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 3.3.11. Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking
Artikel 44
  • 1. De Minister verstrekt op aanvraag subsidie aan een producent van hernieuwbare warmte, of hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, door middel van verbranding van houtpellets, met een brander in een ketel, een oven of een fornuis met een nominaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 5 MWth en een nominaal elektrisch vermogen kleiner dan of gelijk aan 100 MWth waarin:

    • a. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand;

    • b. reststoffen die vrijkomen uit bioraffinage als bedoeld in nummer 595 van de NTA 8003:2017, van biomassa als bedoeld in de nummers 110 tot en met 138 van de NTA 8003:2017, worden verbrand voor ten hoogste 25% van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt,

    • c. houtpellets geproduceerd uit biomassa als bedoeld in de nummers 160 tot en met 169 van de NTA 8003: 2017 worden verbrand, voor ten hoogste vijftien vijfentachtigste deel van de som van het aantal kWh dat in een kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt, geproduceerd met biomassa als bedoeld onder a en b.

  • 2. Een producent aan wie subsidie is verstrekt op grond van het eerste lid draagt er zorg voor dat in voldoende aannemelijk wordt gemaakt dat de gebruikte biomassa voldoet aan de duurzaamheidseisen voor vaste biomassa, bedoeld in artikel 7 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

Artikel 45
  • 1. Subsidie als bedoeld in artikel 44, eerste lid, wordt voor een periode van 12 jaar verstrekt.

  • 2. De subsidieontvanger neemt de productie-installatie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, binnen 4 jaar na de datum van inwerkingtreding van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik.

§ 4. Fasebedragen

Artikel 46

  • 1. Voor de fase genoemd in de eerste kolom van onderstaande tabel wordt:

    • a. de periode waarbinnen de aanvragen binnen moeten zijn vastgesteld van de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel tot de datum genoemd in de tweede kolom van onderstaande tabel van de daarop volgende fase, de derde fase sluit op 4 april 2019, 17:00 uur;

    • b. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in de artikelen 10, eerste lid, en 43a, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

    • c. het fasebedrag voor de subsidie, bedoeld in artikel 27, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de vierde kolom genoemde bedrag.

    1

    2

    3

    4

    fase

    datum openstelling

    fasebedrag in euro/kWh

    fasebedrag hernieuwbaar gas in euro/kWh

    1

    12 maart 2019, 9:00 uur

    0,090

    0,064

    2

    18 maart 2019, 17:00 uur

    0,110

    0,078

    3

    25 maart 2019, 17:00 uur

    0,130

    0,092

  • 2. In afwijking van de fasebedragen genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 4, 6, 8, eerste lid, 10, eerste lid, 12, eerste lid, 14, 24, eerste lid, 26, 28, 30, eerste lid, 32, eerste lid, 34, eerste lid, 36, eerste lid, 38, eerste lid, 40, eerste lid, 42, eerste lid, en 44, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in drie decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag, genoemd in de derde kolom van de tabel in het eerste lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.

  • 3. In afwijking van de fasebedragen genoemd in de vierde kolom van de tabel in het eerste lid geldt voor de productiecategorieën, bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, 20, en 22, eerste lid, het fasebedrag in euro per kWh in drie decimalen dat door de aanvrager bij de aanvraag in een fase is ingediend, mits dat bedrag per kWh lager is dan het fasebedrag, genoemd in de vierde kolom van de tabel in het eerste lid dat voor de fase waarin de aanvraag is ingediend van toepassing is.

  • 4. Voor de vergelijking van de fasebedragen, bedoeld in artikel 58, tweede lid, van het besluit bedraagt het fasebedrag voor de productie van hernieuwbaar gas het fasebedrag gedeeld door een correctiefactor van 0,706 en afgerond op drie decimalen, tenzij het fasebedrag gelijk is aan het fasebedrag in de vierde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel, in welk geval het fasebedrag van de derde kolom geldt.

§ 5. Maximaal aantal vollasturen, basiselektriciteits- en basisenergieprijzen, basisbedragen en correctiebedragen

§ 5.1. Hernieuwbare elektriciteit

Artikel 47

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

  • a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 11, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de derde kolom genoemde bedrag;

  • b. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

  • c. voor de productie van hernieuwbare elektriciteit de basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

  • d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2019 vastgesteld op:

    • 1°. voor wat betreft de elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, van het besluit, het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

    • 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.

1

2

3

4

5

6

Artikel regeling

Categorie

Basisbedrag in euro/kWh

Vollasturen

Basiselektriciteitsprijs in euro/kWh

Voorlopig correctiebedrag 2019 in euro/kWh

Artikel 4, onderdeel a

Waterkracht, valhoogte < 50 cm waaronder vrije stroming en golfenergie

0,130

3.700

0,031

0,046

Artikel 4, onderdeel b

Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm

0,130

5.700

0,031

0,046

Artikel 4, onderdeel c

Waterkracht, valhoogte ≥ 50 cm, renovatie

0,103

2.600

0,031

0,046

Artikel 6

Osmose

0,130

8.000

0,031

0,046

Artikel 8, eerste lid, onderdeel a

Wind op land, ≥ 8,0 m/s

0,054

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 8, eerste lid, onderdeel b

Wind op land, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

0,058

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 8, eerste lid, onderdeel c

Wind op land, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

0,064

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 8, eerste lid, onderdeel d

Wind op land, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

0,067

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 8, eerste lid, onderdeel e

Wind op land, < 6,75 m/s

0,071

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 10, eerste lid, onderdeel a

Wind op waterkeringen, ≥ 8,0 m/s

0,059

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 10, eerste lid, onderdeel b

Wind op waterkeringen, ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

0,064

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 10, eerste lid, onderdeel c

Wind op waterkeringen, ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

0,070

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 10, eerste lid, onderdeel d

Wind op waterkeringen, ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

0,073

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 10, eerste lid, onderdeel e

Wind op waterkeringen, < 6,75 m/s

0,078

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 12, eerste lid

Wind in meer, water ≥ 1 km2

0,086

netto P50-waarde vollasturen

0,025

0,039

Artikel 14, onderdeel a

Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 15 kWp en < 1 MWp, aansluiting 3*80A

0,101

950

Netlevering:

0,025

Netlevering:

0,041

Niet netlevering:

0,053

Niet netlevering:

0,069

Artikel 14, onderdeel b

Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, gebouwgebonden systeem

0,095

950

Netlevering:

0,025

Netlevering:

0,041

Niet netlevering:

0,044

Niet netlevering:

0,060

Artikel 14, onderdeel c

Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, niet gebouwgebonden systeem

0,093

950

Netlevering:

0,025

Netlevering:

0,041

Niet netlevering:

0,044

Niet netlevering:

0,060

Artikel 14, onderdeel d

Fotovoltaïsche zonnepanelen ≥ 1 MWp, zonvolgend niet gebouwgebonden systeem

0,093

1.190

Netlevering:

0,025

Netlevering:

0,041

Niet netlevering:

0,044

Niet netlevering:

0,060

§ 5.2. Hernieuwbaar gas

Artikel 48
  • 1. Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

    • a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 28, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbaar gas, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

    • b. voor de productie van hernieuwbaar gas het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

    • c. voor de productie van hernieuwbaar gas de basisgasprijs, bedoeld in artikel 29, eerste lid, van het besluit, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

    • d. de correctie op het basisbedrag voor subsidie voor 2019 vastgesteld op:

      • 1°. voor wat betreft de energieprijs, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

      • 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdeel b, van het besluit op € 0 per kWh.

    1

    2

    3

    4

    5

    6

    Artikel regeling

    Categorie

    Basisbedrag in eur/kWh

    Vollasturen

    Basisenergieprijs in eur/kWh

    Voorlopig correctiebedrag 2019 in eur/kWh

    Artikel 16, onderdeel a

    Allesvergisting

    0,062

    8.000

    0,013

    0,019

    Artikel 16, onderdeel b

    Monomestvergisting > 400 kW

    0,071

    8.000

    0,013

    0,019

    Artikel 16, onderdeel c

    Monomestvergisting ≤ 400 kW

    0,087

    8.000

    0,013

    0,019

    Artikel 18, eerste lid

    Verbeterde slibgisting bij rioolwater-zuiverings-installaties

    0,048

    8.000

    0,013

    0,019

    Artikel 20

    Rioolwaterzuiveringsinstallaties bestaande slibgisting

    0,032

    8.000

    0,013

    0,019

    Artikel 22, eerste lid

    Biomassavergassing (≥95% biogeen)

    0,086

    7.500

    0,013

    0,019

  • 2. Het basisbedrag wordt voor de toepassing van artikel 58, tweede lid, van het besluit, voor een productie-installatie als bedoeld in de artikelen 16, 18, eerste lid, 20 en 22, eerste lid, vastgesteld op het in de derde kolom van de in het eerste lid opgenomen tabel genoemde bedrag, gedeeld door een correctiefactor van 0,706 en afgerond op drie decimalen.

§ 5.3. Hernieuwbare warmte en (gecombineerde) opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte

Artikel 49

Voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel wordt:

  • a. het basisbedrag voor subsidie, bedoeld in artikel 44, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte en de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de derde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag;

  • b. voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte het maximaal aantal vollasturen vastgesteld op het in de vierde kolom van onderstaande tabel genoemde aantal uren;

  • c. de basisenergie- of basiselektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 12, eerste lid, of artikel 45, eerste lid, van het besluit, voor de productie van hernieuwbare warmte, hernieuwbare elektriciteit of de gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte, vastgesteld op het in de vijfde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

  • d. de correcties op het basisbedrag voor subsidie voor een productie-installatie als bedoeld in het in de eerste kolom van onderstaande tabel genoemde artikel, worden voor 2019 vastgesteld op:

    • 1°. voor wat betreft de energie- of elektriciteitsprijs, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdeel a, of 47, eerste lid, onderdeel a, van het besluit het in de zesde kolom van onderstaande tabel genoemde bedrag; en

    • 2°. voor wat betreft de correcties, bedoeld in artikel 14, eerste lid, onderdelen b en c, of 47, eerste lid, onderdelen b en c, van het besluit op € 0 per kWh.

1

2

3

4

5

6

Artikel regeling

Categorie

Basisbedrag in euro/kWh

Vollasturen

Basisenergieprijs in euro/kWh

Voorlopig correctiebedrag 2019 in euro/kWh

Artikel 24, eerste lid, onderdeel a

Zonthermie ≥ 140 kW en < 1 MW

0,098

700

0,025

0,032

Artikel 24, eerste lid, onderdeel b

Zonthermie ≥ 1 MW

0,085

700

0,019

0,026

Artikel 26, onderdelen a en b

Geothermie warmte, diepte ≥ 500 meter

0,052

6.000

0,013

0,019

Artikel 26, onderdeel c

Geothermie warmte aanvullende put, diepte ≥ 500 meter

0,032

6.000

0,013

0,019

Artikel 26, onderdeel d

Geothermie warmte, diepte ≥ 4.000 meter

0,067

7.000

0,013

0,019

Artikel 28,onderdeel a

Allesvergisting, warmte

0,062

7.000

0,019

0,026

Artikel 28,onderdeel b

Allesvergisting, gecombineerde opwekking

0,070

7.622

0,025

0,036

Artikel 28,onderdeel c

Monomestvergisting, warmte > 400 kW

0,065

7.000

0,019

0,026

Artikel 28, onderdeel d

Monomestvergisting, gecombineerde opwekking > 400 kW

0,077

7.353

0,025

0,036

Artikel 28, onderdeel e

Monomestvergisting, warmte ≤ 400 kW

0,103

7.000

0,052

0,059

Artikel 28, onderdeel f

Monomestvergisting, gecombineerde opwekking ≤ 400 kW

0,127

6.374

0,041

0,053

Artikel 30, eerste lid, onderdeel a

Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties, warmte

0,034

7.000

0,019

0,026

Artikel 30, eerste lid, onderdeel b

Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringsinstallaties, gecombineerde opwekking

0,051

5.729

0,028

0,041

Artikel 32, eerste lid

Ketel vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,072

7.000

0,019

0,026

Artikel 34, eerste lid

Kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,053

3.000

0,019

0,026

Artikel 36, eerste lid, onderdeel a

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,049

4.500

0,013

0,019

Artikel 36, eerste lid, onderdeel b

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,048

5.000

0,013

0,019

Artikel 36, eerste lid, onderdeel c

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,048

5.500

0,013

0,019

Artikel 36, eerste lid, onderdeel d

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,047

6.000

0,013

0,019

Artikel 36, eerste lid, onderdeel e

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,047

6.500

0,013

0,019

Artikel 36, eerste lid, onderdeel f

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,047

7.000

0,013

0,019

Artikel 36, eerste lid, onderdeel g

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,046

7.500

0,013

0,019

Artikel 36, eerste lid, onderdeel h

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,046

8.000

0,013

0,019

Artikel 36, eerste lid, onderdeel i

Grote ketel op vaste of vloeibare biomassa voor warmte en gecombineerde opwekking

0,046

8.500

0,013

0,019

Artikel 38, eerste lid

Grote ketel op B-hout voor warmte en gecombineerde opwekking

0,030

7.000

0,013

0,019

Artikel 40, eerste lid

Ketel stadsverwarming op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking

0,065

6.000

0,010

0,014

Artikel 42, eerste lid

Stoomketel op houtpellets, warmte en gecombineerde opwekking

0,062

8.500

0,013

0,019

Artikel 44, eerste lid

Directe inzet (brander) van houtpellets voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking

0,051

3.000

0,017

0,024

§ 6. Slotbepalingen

Artikel 50

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 maart 2019.

Artikel 51

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2019.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 13 februari 2019

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes

BIJLAGE 1. BEHORENDE BIJ ARTIKEL 2, VIJFDE LID, VAN DE REGELING AANWIJZING CATEGORIEËN DUURZAME ENERGIEPRODUCTIE VOORJAAR 2019

Uitvoeringsovereenkomst tot zekerheid van het aanvangen van de activiteiten ter zake waarvan meer dan € 400 miljoen subsidie is verleend op basis van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2019

1. De Staat der Nederlanden, (hierna te noemen: de Staat), te dezen rechtsgeldig vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat; en

2. ............, gevestigd te..... (hierna te noemen: Ondernemer);

.....

(hierna te samen ook te noemen: Partijen);

overwegen:

  • a. de Minister van Economische Zaken en Klimaat heeft blijkens een beschikking met kenmerk....., hierna te noemen Beschikking, waarvan een kopie als Bijlage A bij deze overeenkomst is gevoegd aan de Ondernemer een subsidie verleend van meer dan € 400 miljoen op grond van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie voorjaar 2019 (hierna: Regeling).

  • b. de Beschikking bevat de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na afgifte van de beschikking de onderhavige uitvoeringsovereenkomst, hierna te noemen Uitvoeringsovereenkomst, tot stand is gekomen tussen de Staat en de subsidieontvanger;

  • c. de Minister van Economische Zaken en Klimaat beoogt door middel van deze Uitvoeringsovereenkomst te verzekeren dat de Ondernemer de productie-installatie bedoeld in de Beschikking tijdig in gebruik zal nemen.

Partijen komen daartoe het volgende overeen:

Artikel 1. Tijdige ingebruikname van de productie-installatie

De Ondernemer verplicht zich jegens de Staat de productie-installatie tijdig in gebruik te nemen en wel binnen de in artikel 61 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie bedoelde periode of, indien op grond van artikel 62, derde lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie een ontheffing is verleend, binnen de in de ontheffing opgenomen periode.

Artikel 2. Inhoud en omvang van de garantie

De Ondernemer verplicht zich om tot zekerheid voor de nakoming van de in artikel 1 bedoelde verplichting, alsmede de bij niet tijdige nakoming verschuldigde boetes, binnen vier weken nadat de Beschikking is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot 2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33 en 49 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, door middel van de afgifte aan de Staat van een door een binnen de Europese Unie gevestigde bank afgegeven bankgarantie welke is opgemaakt onder gebruikmaking van het model bankgarantie.

Artikel 3. Vrijval van de garantie

  • 1. De verplichting de in artikel 2 bedoelde bankgarantie te blijven stellen vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen. De Ondernemer ontvangt een kopie van het bericht van verval.

  • 2. Zodra de verplichting geheel is vervallen zal de Staat de bankgarantie retourneren aan de Ondernemer.

Artikel 4. Boetes

  • 1. Indien de Ondernemer de productie-installatie niet binnen de in artikel 1 bedoelde periode in gebruik heeft genomen, is de Ondernemer aan de Staat bij wijze van boete een bedrag verschuldigd groot 0,2% van het beschikte bedrag enkel door het verloop van die termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

  • 2. Indien de Ondernemer daarna nog in gebreke blijft met het tijdig in gebruik nemen van de productie-installatie is de Ondernemer maandelijks een boete van telkens 0,2% van de maximale hoogte van de subsidie, bedoeld in de artikelen 16, 33 en 49 van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, verschuldigd voor zover hij de productie-installatie op de eerste van elke volgende maand niet in gebruik heeft genomen.

  • 3. De boetes bedoeld in het eerste en tweede lid, waarvan de som ten hoogste 2% van het beschikte bedrag bedraagt, zijn telkens verschuldigd voor het enkele verloop van de termijn en zonder dat enige ingebrekestelling nodig is.

  • 4. De Ondernemer machtigt bij deze de Staat onherroepelijk tot het innen van de boetes door het inroepen van de bankgarantie voor het bedrag van de boete, telkens wanneer er een boete verschuldigd is geworden.

Artikel 5. Aanvang en einde Uitvoeringsovereenkomst

  • 1. Deze Uitvoeringsovereenkomst treedt in werking door de ondertekening daarvan door de Partijen met dien verstande dat de inwerkingtreding wordt opgeschort totdat de Beschikking in werking is getreden en de Staat de Ondernemer daarvan schriftelijk bericht heeft gestuurd.

  • 2. Deze Uitvoeringsovereenkomst eindigt van rechtswege door de teruggave van de bankgarantie door de Staat aan de Ondernemer.

Artikel 6. Domiciliekeuze en berichtgevingen

  • 1. De Staat kiest voor uitvoering van deze Uitvoeringsovereenkomst domicilie ten kantore van Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, onderdeel van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat, Hanzelaan 310, 8017 JK Zwolle.

  • 2. Onverminderd het bepaalde in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering dienen alle mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten uit hoofde van deze uitvoeringsovereenkomst schriftelijk te worden gedaan.

  • 3. Mededelingen, aanzeggingen, verzoeken, toestemmingen en andere berichten die niet in overeenstemming met het tweede lid zijn gedaan blijven zonder rechtsgevolg.

  • 4. De Staat is bevoegd eenzijdig van het bepaalde in het eerste lid af te wijken.

Artikel 7. Rechtskeuze

  • 1. Op deze Uitvoeringsovereenkomst is uitsluitend Nederlands recht van toepassing.

  • 2. Alle geschillen in verband met deze uitvoeringsovereenkomst of met afspraken die daarmee samenhangen zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te Den Haag.

Artikel 8. Citeertitel

Deze Uitvoeringsovereenkomst wordt tussen partijen aangeduid als ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie Staat/.....’.

Aldus overeengekomen en in tweevoud ondertekend

te.....

Ondernemer

te 's-Gravenhage op.....

De Minister van Economische Zaken en Klimaat,

Model bankgarantie

DE ONDERGETEKENDE,

....., gevestigd te....., hierna te noemen de ‘Bank’,

IN AANMERKING NEMENDE DAT:

  • A. ......, gevestigd te....., (hierna te noemen de Ondernemer) en de STAAT der NEDERLANDEN, (hierna te noemen: Staat), waarvan de zetel is gevestigd te Den Haag, te dezen vertegenwoordigd door....., hierbij vertegenwoordigd door de Minister van Economische Zaken en Klimaat op..... de ‘Uitvoeringsovereenkomst duurzame energieproductie Staat/.....’ (hierna: uitvoeringsovereenkomst) hebben getekend;

  • B. de Ondernemer volgens artikel 2 van de overeenkomst binnen vier weken nadat een beschikking van de Minister van Economische Zaken en Klimaat met kenmerk.....is afgegeven ten behoeve van de Staat financiële zekerheid dient te stellen en gesteld houden voor een bedrag groot € ....,– door de afgifte aan de Staat van een door een bank afgegeven bankgarantie;

  • C. de Bank bereid is de desbetreffende bankgarantie ten gunste van de Staat te stellen onder de hierna te noemen voorwaarden.

VERKLAART ALS VOLGT

  • 1. De Bank stelt zich hierbij als zelfstandige verbintenis tegenover de Staat onherroepelijk en onvoorwaardelijk garant voor al hetgeen de Staat van de Ondernemer op grond van de uitvoeringsovereenkomst te vorderen heeft tot een maximumbedrag van € ....,–.

  • 2. Deze bankgarantie is een abstracte afroepgarantie. De Bank komt in geen geval een beroep toe op de onderliggende rechtsverhouding tussen de Staat en de Ondernemer als vervat in de Uitvoeringsovereenkomst.

  • 3. De Bank zal op eerste schriftelijk verzoek van de Staat, zonder opgaaf van redenen te verlangen of nader bewijs te vragen, overgaan tot uitbetaling van al hetgeen de Ondernemer, volgens verklaring van de Staat, verschuldigd is uit hoofde van de Uitvoeringsovereenkomst.

  • 4. Deze bankgarantie vervalt uitsluitend door het schriftelijk bericht van de Staat aan de Bank dat de verplichting geheel of gedeeltelijk is vervallen.

  • 5. De Minister van Economische Zaken en Klimaat zendt de bankgarantie zo spoedig mogelijk nadat deze geheel is vervallen retour aan de Bank.

  • 6. Op deze bankgarantie is uitsluitend Nederlands recht van toepassing. Alle geschillen die mochten ontstaan over of naar aanleiding van deze bankgarantie zullen worden beslecht door de bevoegde rechter te ’s-Gravenhage.

  • 7. Indien deze bankgarantie dient te worden geretourneerd geschiedt dat door toezending aan adres:.....

Getekend te

op

De Bank

BIJLAGE 2. BEHORENDE BIJ DE ARTIKELEN 8 EN 10 VAN DE REGELING AANWIJZING CATEGORIEËN DUURZAME ENERGIEPRODUCTIE VOORJAAR 2019

Lijst van gemeenten volgens de gemeentelijke indeling per 31 december 2018

Gemeentenaam

Provincie

Windcategorie

Ameland

Friesland

≥ 8,0 m/s

Bergen (NH.)

Noord-Holland

≥ 8,0 m/s

De Marne

Groningen

≥ 8,0 m/s

Den Helder

Noord-Holland

≥ 8,0 m/s

Dongeradeel

Friesland

≥ 8,0 m/s

Eemsmond

Groningen

≥ 8,0 m/s

Ferwerderadiel

Friesland

≥ 8,0 m/s

Harlingen

Friesland

≥ 8,0 m/s

Hollands Kroon

Noord-Holland

≥ 8,0 m/s

Noordwijk

Zuid-Holland

≥ 8,0 m/s

Rotterdam Maasvlakte (wijk 23 buurt 8)

Zuid-Holland

≥ 8,0 m/s

Súdwest-Fryslân

Friesland

≥ 8,0 m/s

Schagen

Noord-Holland

≥ 8,0 m/s

Schiermonnikoog

Friesland

≥ 8,0 m/s

Terschelling

Friesland

≥ 8,0 m/s

Texel

Noord-Holland

≥ 8,0 m/s

Vlieland

Friesland

≥ 8,0 m/s

Waadhoeke

Friesland

≥ 8,0 m/s

Zandvoort

Noord-Holland

≥ 8,0 m/s

Achtkarspelen

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Alkmaar

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Appingedam

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Bedum

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Beemster

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Beverwijk

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Bloemendaal

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Castricum

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Dantumadiel

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

De Fryske Marren

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Delfzijl

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Drechterland

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Edam-Volendam

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Enkhuizen

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Goeree-Overflakkee

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Grootegast

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heemskerk

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heerenveen

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heerhugowaard

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Heiloo

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hillegom

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Hoorn

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Katwijk

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Koggenland

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Kollumerland c.a.

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Langedijk

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Leek

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Leeuwarden

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Lisse

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Loppersum

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Marum

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Medemblik

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noord-Beveland

Zeeland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordoostpolder

Flevoland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Noordwijkerhout

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Oldambt

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Opmeer

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Opsterland

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Schouwen-Duiveland

Zeeland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Smallingerland

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Stede Broec

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Ten Boer

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Tytsjerksteradiel

Friesland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Uitgeest

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Urk

Flevoland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Veere

Zeeland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Velsen

Noord-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Wassenaar

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westland

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Westvoorne

Zuid-Holland

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Winsum

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Zuidhorn

Groningen

≥ 7,5 en < 8,0 m/s

Aa en Hunze

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalburg

Noord-Brabant

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalsmeer

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Aalten

Gelderland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Almere

Flevoland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Alphen aan den Rijn

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Amstelveen

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Amsterdam

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Assen

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Binnenmaas

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Bodegraven-Reeuwijk

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Borger-Odoorn

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Borsele

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Brielle

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Coevorden

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Cromstrijen

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Culemborg

Gelderland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Dalfsen

Overijssel

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

De Ronde Venen

Utrecht

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

De Wolden

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Delft

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Diemen

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Dronten

Flevoland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Emmen

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Geldermalsen

Gelderland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Giessenlanden

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Goes

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Gouda

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Groningen

Groningen

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlem

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlemmerliede en Spaarnwoude

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haarlemmermeer

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hardenberg

Overijssel

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hardinxveld-Giessendam

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Haren

Groningen

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Heemstede

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hellevoetsluis

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hoogeveen

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Hulst

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

IJsselstein

Utrecht

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kaag en Braassem

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kampen

Overijssel

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Kapelle

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Korendijk

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Krimpenerwaard

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Landsmeer

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lansingerland

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leerdam

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leiden

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leiderdorp

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Leidschendam-Voorburg

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lelystad

Flevoland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lingewaal

Gelderland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Lopik

Utrecht

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Maassluis

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Meppel

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Middelburg

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Delfland

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Drenthe

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Midden-Groningen

Groningen

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Moerdijk

Noord-Brabant

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Molenwaard

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Montfoort

Utrecht

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Neerijnen

Gelderland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Nieuwkoop

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Nissewaard

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Noordenveld

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oegstgeest

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oost Gelre

Gelderland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Ooststellingwerf

Friesland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oostzaan

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oud-Beijerland

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Ouder-Amstel

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Oudewater

Utrecht

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Pekela

Groningen

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Pijnacker-Nootdorp

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Purmerend

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Reimerswaal

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Rijswijk

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Rotterdam-West (wijk 17, wijk 23 excl. buurt 8, en wijk 27)

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

’s-Gravenhage

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Sluis

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Stadskanaal

Groningen

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Staphorst

Overijssel

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Steenbergen

Noord-Brabant

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Steenwijkerland

Overijssel

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Stichtse Vecht

Utrecht

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Strijen

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Terneuzen

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Teylingen

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Tholen

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Tynaarlo

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Uithoorn

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Veendam

Groningen

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Vianen

Utrecht

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Vlissingen

Zeeland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Voorschoten

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Waddinxveen

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Waterland

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Weesp

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Westerveld

Drenthe

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Westerwolde

Groningen

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Weststellingwerf

Friesland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Woerden

Utrecht

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Wormerland

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Woudrichem

Noord-Brabant

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zaanstad

Noord-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zaltbommel

Gelderland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zederik

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zoetermeer

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zoeterwoude

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zuidplas

Zuid-Holland

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zwartewaterland

Overijssel

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Zwolle

Overijssel

≥ 7,0 en < 7,5 m/s

Alblasserdam

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Albrandswaard

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Barendrecht

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bergen op Zoom

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Berkelland

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Beuningen

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bunnik

Utrecht

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Bunschoten

Utrecht

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Buren

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Capelle aan den IJssel

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Dordrecht

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Drimmelen

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Druten

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Duiven

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Etten-Leur

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Geertruidenberg

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Gooise Meren

Noord-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Gorinchem

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Haaksbergen

Overijssel

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Halderberge

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hattem

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hellendoorn

Overijssel

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Hendrik-Ido-Ambacht

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Houten

Utrecht

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Krimpen aan den IJssel

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Lingewaard

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Maasdriel

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Neder-Betuwe

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Nieuwegein

Utrecht

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Nijkerk

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oldebroek

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Olst-Wijhe

Overijssel

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Ommen

Overijssel

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oss

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Oude IJsselstreek

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Overbetuwe

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Papendrecht

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Raalte

Overijssel

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Ridderkerk

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Roosendaal

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Rotterdam (excl. wijk 17, 23 en 27)

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Schiedam

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Simpelveld

Limburg

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Sliedrecht

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Tiel

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Tubbergen

Overijssel

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Twenterand

Overijssel

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Utrecht

Utrecht

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Vlaardingen

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Waalwijk

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Werkendam

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

West Maas en Waal

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijchen

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijdemeren

Noord-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Wijk bij Duurstede

Utrecht

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Winterswijk

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zeewolde

Flevoland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zevenaar

Gelderland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zundert

Noord-Brabant

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Zwijndrecht

Zuid-Holland

≥ 6,75 en < 7,0 m/s

Almelo

Overijssel

< 6,75 m/s

Alphen-Chaam

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Amersfoort

Utrecht

< 6,75 m/s

Apeldoorn

Gelderland

< 6,75 m/s

Arnhem

Gelderland

< 6,75 m/s

Asten

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Baarle-Nassau

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Baarn

Utrecht

< 6,75 m/s

Barneveld

Gelderland

< 6,75 m/s

Beek

Limburg

< 6,75 m/s

Beesel

Limburg

< 6,75 m/s

Berg en Dal

Gelderland

< 6,75 m/s

Bergeijk

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Bergen (L.)

Limburg

< 6,75 m/s

Bernheze

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Best

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Bladel

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Blaricum

Noord-Holland

< 6,75 m/s

Boekel

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Borne

Overijssel

< 6,75 m/s

Boxmeer

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Boxtel

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Breda

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Bronckhorst

Gelderland

< 6,75 m/s

Brummen

Gelderland

< 6,75 m/s

Brunssum

Limburg

< 6,75 m/s

Cranendonck

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Cuijk

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

De Bilt

Utrecht

< 6,75 m/s

Deurne

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Deventer

Overijssel

< 6,75 m/s

Dinkelland

Overijssel

< 6,75 m/s

Doesburg

Gelderland

< 6,75 m/s

Doetinchem

Gelderland

< 6,75 m/s

Dongen

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Echt-Susteren

Limburg

< 6,75 m/s

Ede

Gelderland

< 6,75 m/s

Eemnes

Utrecht

< 6,75 m/s

Eersel

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Eijsden-Margraten

Limburg

< 6,75 m/s

Eindhoven

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Elburg

Gelderland

< 6,75 m/s

Enschede

Overijssel

< 6,75 m/s

Epe

Gelderland

< 6,75 m/s

Ermelo

Gelderland

< 6,75 m/s

Geldrop-Mierlo

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Gemert-Bakel

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Gennep

Limburg

< 6,75 m/s

Gilze en Rijen

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Goirle

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Grave

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Gulpen-Wittem

Limburg

< 6,75 m/s

Haaren

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Harderwijk

Gelderland

< 6,75 m/s

Heerde

Gelderland

< 6,75 m/s

Heerlen

Limburg

< 6,75 m/s

Heeze-Leende

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Helmond

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Hengelo

Overijssel

< 6,75 m/s

Heumen

Gelderland

< 6,75 m/s

Heusden

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Hilvarenbeek

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Hilversum

Noord-Holland

< 6,75 m/s

Hof van Twente

Overijssel

< 6,75 m/s

Horst aan de Maas

Limburg

< 6,75 m/s

Huizen

Noord-Holland

< 6,75 m/s

Kerkrade

Limburg

< 6,75 m/s

Laarbeek

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Landerd

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Landgraaf

Limburg

< 6,75 m/s

Laren

Noord-Holland

< 6,75 m/s

Leudal

Limburg

< 6,75 m/s

Leusden

Utrecht

< 6,75 m/s

Lochem

Gelderland

< 6,75 m/s

Loon op Zand

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Losser

Overijssel

< 6,75 m/s

Maasgouw

Limburg

< 6,75 m/s

Maastricht

Limburg

< 6,75 m/s

Meerssen

Limburg

< 6,75 m/s

Meierijstad

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Mill en Sint Hubert

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Montferland

Gelderland

< 6,75 m/s

Mook en Middelaar

Limburg

< 6,75 m/s

Nederweert

Limburg

< 6,75 m/s

Nijmegen

Gelderland

< 6,75 m/s

Nuenen, Gerwen en Nederwetten

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Nunspeet

Gelderland

< 6,75 m/s

Nuth

Limburg

< 6,75 m/s

Oirschot

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Oisterwijk

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Oldenzaal

Overijssel

< 6,75 m/s

Onderbanken

Limburg

< 6,75 m/s

Oosterhout

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Peel en Maas

Limburg

< 6,75 m/s

Putten

Gelderland

< 6,75 m/s

Renkum

Gelderland

< 6,75 m/s

Renswoude

Utrecht

< 6,75 m/s

Reusel-De Mierden

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Rheden

Gelderland

< 6,75 m/s

Rhenen

Utrecht

< 6,75 m/s

Rijssen-Holten

Overijssel

< 6,75 m/s

Roerdalen

Limburg

< 6,75 m/s

Roermond

Limburg

< 6,75 m/s

Rozendaal

Gelderland

< 6,75 m/s

Rucphen

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Scherpenzeel

Gelderland

< 6,75 m/s

Schinnen

Limburg

< 6,75 m/s

’s-Hertogenbosch

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Sint Anthonis

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Sint-Michielsgestel

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Sittard-Geleen

Limburg

< 6,75 m/s

Soest

Utrecht

< 6,75 m/s

Someren

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Son en Breugel

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Stein

Limburg

< 6,75 m/s

Tilburg

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Uden

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Utrechtse Heuvelrug

Utrecht

< 6,75 m/s

Vaals

Limburg

< 6,75 m/s

Valkenburg aan de Geul

Limburg

< 6,75 m/s

Valkenswaard

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Veenendaal

Utrecht

< 6,75 m/s

Veldhoven

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Venlo

Limburg

< 6,75 m/s

Venray

Limburg

< 6,75 m/s

Voerendaal

Limburg

< 6,75 m/s

Voorst

Gelderland

< 6,75 m/s

Vught

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Waalre

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Wageningen

Gelderland

< 6,75 m/s

Weert

Limburg

< 6,75 m/s

Westervoort

Gelderland

< 6,75 m/s

Wierden

Overijssel

< 6,75 m/s

Woensdrecht

Noord-Brabant

< 6,75 m/s

Woudenberg

Utrecht

< 6,75 m/s

Zeist

Utrecht

< 6,75 m/s

Zutphen

Gelderland

< 6,75 m/s

TOELICHTING

1. Doel en aanleiding

Met deze regeling wordt de mogelijkheid tot stimulering van de productie van hernieuwbare elektriciteit, de productie van hernieuwbaar gas en de productie van hernieuwbare warmte ingevuld voor de openstelling van de stimuleringsregeling voor hernieuwbare energieproductie (hierna: SDE+) in het voorjaar van 2019. De basissystematiek van de onderhavige regeling komt overeen met de voorgaande regelingen, laatstelijk de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie najaar 2018. Daarmee wordt invulling gegeven aan het belang van een meerjarig, consistent beleid voor de energietransitie en het positieve oordeel over de regeling dat volgt uit onder andere de evaluatie van de SDE+ (Kamerstukken II 2016–17, 31 239 nr. 249) en het rapport ’Stimulering duurzame energieproductie (SDE+); Haalbaarheid en betaalbaarheid van beleidsdoelen’ van de Algemene Rekenkamer (Kamerstukken II 2015–16, 31 239, nr. 187).

2. Stimulering duurzame energieproductie

De SDE+ richt zich op de grootschalige uitrol van hernieuwbare energie. De voornaamste kenmerken zijn:

  • één subsidieplafond per openstelling;

  • een gefaseerde openstelling waarin projecten met een lagere kostprijs (het basisbedrag) eerder kunnen inschrijven, en

  • een maximaal basisbedrag per productie-installatie, dat per productie-installatie de maximale integrale kostprijs bepaalt waartegen de subsidie wordt verleend.

Het budget dat beschikbaar is voor de SDE+ wordt hierdoor kosteneffectief verdeeld en draagt bij aan de doelstelling van 14% hernieuwbare energie in 2020 en 16% in 2023. In 2019 zijn twee openstellingsrondes van de SDE+ voorzien, waarvan de eerste in het voorjaar en de tweede in het najaar plaatsvindt. Met de voorjaarsronde, waartoe deze regeling strekt, wordt een verplichtingenbudget van € 5 miljard beschikbaar gesteld voor de stimulering van hernieuwbare-energieproductie.

Ingevolge het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: Besluit SDE) dienen aanvragen om subsidie te worden ingediend met een bij ministeriële regeling vastgesteld elektronisch formulier dat door de minister beschikbaar wordt gesteld. Voor meer informatie over en ondersteuning bij de aanvraagprocedure kunnen aanvragers terecht op de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (hierna: RVO.nl).

2.1. Gefaseerde openstelling

Met deze regeling worden de technologiecategorieën voor de productie van hernieuwbare energie aangewezen, waarvoor subsidie kan worden aangevraagd. Een projectaanvrager kan alleen aanspraak maken op subsidie indien de aanvraag voldoet aan alle voor de van toepassing zijnde technologiecategorie gestelde eisen. Om deze reden worden aanvragen conform het Besluit SDE getoetst op volledigheid maar ook op financiële en technische haalbaarheid.

Het beschikbare verplichtingenbudget van € 5 miljard wordt vanaf 12 maart 2019 opengesteld, waarbij stapsgewijs het aan te vragen maximale basisbedrag (=kostprijs) wordt verhoogd. In de eerste week van openstelling (fase 1) is het alleen voor projecten met technologieën met een lage kostprijs zinvol om een aanvraag in te dienen, omdat het fasebedrag in de eerste week ten hoogste € 0,090/kWh bedraagt. Voor volgende fases is het fasebedrag achtereenvolgens hoger vastgesteld tot € 0,110/kWh en ten slotte tot € 0,130/kWh. In afwijking van deze fasebedragen kunnen aanvragers per fase subsidie voor hun projecten aanvragen tegen lagere bedragen dan de hierboven genoemde fasebedragen, in eenheden van € 0,001 per kWh. Voor iedere fase geldt een andere openstellingdatum. Hiervoor gelden de volgende tijdstippen:

fase

datum openstelling

Fasegrens

fasegrens hernieuwbaar gas

1

12 maart 2019, 9:00 uur

€ 0,090/kWh

€ 0,064/kWh

2

18 maart 2019, 17:00 uur

€ 0,110/kWh

€ 0,078/kWh

3

25 maart 2019, 17:00 uur tot 4 april 2019, 17:00 uur

€ 0,130/kWh

€ 0,092/kWh

Voor alle projecten kan subsidie worden aangevraagd tot de sluiting van de regeling op 4 april 2019, 17:00 uur.

Hoewel het aanvragen van SDE+-subsidie voor alle projecten binnen de aangewezen technologiecategorieën vanaf de eerste dag openstaat tegen de dan geldende voorwaarden, heeft het stapsgewijze verhogen van het maximum fasebedrag en basisbedrag als effect dat het voor aanvragers van subsidie voor projecten met een lagere kostprijs eerder opportuun is om een aanvraag in te dienen. Ondernemers worden zo geprikkeld om projecten voor een lager basisbedrag in te dienen en daarmee meer kans te maken op een SDE+ beschikking.

Aanvragen voor subsidie worden op volgorde van binnenkomst behandeld, waarbij aanvragen die op dezelfde dag worden ontvangen worden geacht tegelijkertijd te zijn ontvangen. Indien het budgetplafond op een bepaalde dag wordt overschreden, worden de projecten ten behoeve van de beoordeling gerangschikt op volgorde van het ingediende basisbedrag. Dit heeft als gevolg dat projecten met een lager basisbedrag met voorrang worden behandeld. Deze aanvragen hebben derhalve een grotere kans op een positieve subsidiebeschikking, waarmee de kosteneffectiviteit van de regeling wordt bevorderd. Indien het budgetplafond wordt overschreden tussen twee projecten met een identiek basisbedrag, wordt tussen projecten met hetzelfde basisbedrag geloot.

In het Besluit SDE is aangegeven dat de productiegegevens van warmte en hernieuwbaar gas, omwille van de onderlinge vergelijkbaarheid van de kostprijs van technologiecategorieën, worden weergeven in de eenheid kilowattuur (kWh) in plaats van normaal kubieke meter gas (Nm3) voor (hernieuwbaar) gas en gigajoule (GJ) voor warmte en warmtekrachtkoppeling (WKK). Eén kWh elektrische energie wordt energetisch gelijkgesteld aan 0,102359965 Nm3 aardgasequivalent of 0,0036 GJ warmte.

In tegenstelling tot hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbare warmte telt hernieuwbaar gas niet volledig mee voor de Europese hernieuwbare-energiedoelstelling. Per land is een factor vastgesteld die het gemiddelde conversierendement en het niet-energetisch finale gebruik van hernieuwbaar gas weerspiegelt. Net als in 2011 tot en met 2018 telt in Nederland in 2019 een percentage van 78,5% van het in het gasnet ingevoed hernieuwbaar gas mee voor de hernieuwbare-energiedoelstelling. Binnen de SDE+ concurreren de energiedragers elektriciteit, warmte, gas en gecombineerde toepassing (WKK) met elkaar. Omdat hernieuwbaar gas voor 78,5% van de onderste verbrandingswaarde meetelt in de doelen voor hernieuwbare energie, gelden er voor hernieuwbaar gas aangepaste fasegrenzen waardoor projecten daadwerkelijk concurreren op basis van hun bijdragen aan de doelstelling voor hernieuwbare energie. Aangezien hernieuwbaar gas verhandeld wordt op basis van bovenwaarde komt de uiteindelijke bijdrage lager uit, namelijk op 70,6%.

3. Uitgangspunten basisbedragen en categorie-indeling

In het Besluit SDE is bepaald dat een aantal zaken voortkomend uit het Besluit SDE bij ministeriële regeling wordt vastgesteld. In deze regeling wordt op grond daarvan voor de voorjaarsronde 2019 een aantal voor de subsidieverstrekking bepalende factoren vastgesteld. Het gaat in het bijzonder om de volgende aspecten:

  • het subsidieplafond;

  • de categorieën productie-installaties die in aanmerking komen voor subsidie;

  • de fases en bijbehorende fasebedragen;

  • de basisbedragen per geproduceerde eenheid energie, per categorie productie-installaties;

  • de basisenergieprijzen;

  • de looptijd van de subsidieperiode;

  • het maximum aantal vollasturen en P50-waarden voor berekening van de maximale productie waarover jaarlijks subsidie wordt uitgekeerd voor de verschillende categorieën productie-installaties;

  • de wijze van verdeling van het beschikbare subsidiebedrag voor de verschillende categorieën productie-installaties;

  • de voorlopige correctiebedragen per categorie productie-installaties voor de voorschotten in 2019.

Per categorie productie-installaties is een basisbedrag vastgelegd. Daarbij is gebruik gemaakt van twee adviezen van het Planbureau voor de Leefomgeving (hierna: PBL) in samenwerking met DNV GL en ECN part of TNO ten behoeve van de vaststelling van de basisbedragen voor de diverse categorieën productie-installaties. Voor het jaarlijkse advies worden belanghebbende partijen uitgebreid geconsulteerd en vindt er een onafhankelijke externe review door een onderzoeksinstituut uit het buitenland plaats. De uitgebrachte adviezen worden beschikbaar gesteld via de website van de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) en de website van PBL. Voor het advies voor 2019 heeft PBL naast het Eindadvies basisbedragen SDE+ 2019 ook een advies Aanvullende berekeningen SDE+ 2019 gepubliceerd.

De categorieën productie-installaties zijn zodanig gekozen dat zo veel mogelijk gangbare en marktrijpe technologieën voor de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte en hernieuwbaar gas in aanmerking komen voor subsidie. Voor projecten voor windenergie op zee worden aparte tenders georganiseerd.

Voor categorieën productie-installaties die volgens de adviezen van PBL een hoger basisbedrag kennen dan het maximum fasebedrag in deze openstellingsronde (€ 0,130/kWh voor hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbare warmte en gecombineerde opwekking en € 0,092/kWh voor hernieuwbaar gas) is het maximum basisbedrag vastgesteld op het maximum fasebedrag. Categorieën die volgens de adviezen van PBL reeds rendabel zijn zonder subsidie, zijn niet aangewezen in de SDE+. Een subsidie is dan immers overbodig voor de totstandkoming van de betreffende projecten.

4. Algemeen

4.1. Maximum aantal vollasturen

In de subsidiebeschikking wordt voor de betreffende projectaanvraag een maximumproductie per jaar vastgesteld waarvoor subsidie kan worden verstrekt. Voor de berekening van deze maximumproductie wordt in deze regeling per categorie productie-installaties een maximum aantal vollasturen bepaald. Daarbij wordt in beginsel het aantal vollasturen overgenomen dat PBL heeft gehanteerd bij het advies ten behoeve van de vaststelling van het basisbedrag per categorie productie-installaties. Voor windenergieprojecten wordt het maximum aantal vollasturen per project bepaald aan de hand van het windrapport en de netto P50-waarde vollasturen.

4.2. Gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte

Voor categorieën productie-installaties voor gecombineerde opwekking van hernieuwbare elektriciteit en warmte wordt onderscheid gemaakt in het warmtevermogen en het elektriciteitsvermogen van een installatie. Om producenten de flexibiliteit te geven om de verhouding tussen warmte en elektriciteitsproductie te variëren, krijgen installaties een beschikking op basis van het totale vermogen.

Voor de categorieën vergistingsinstallaties is het maximum aantal vollasturen een gemiddelde van het aantal vollasturen voor elektriciteit en warmte gewogen naar de warmte/kracht-verhouding van de referentie-installatie die als uitgangspunt is genomen voor de berekening van het basisbedrag. Een dergelijke weging naar warmte/kracht-verhouding wordt ook toegepast bij het bepalen van de basisprijs en de correctiebedragen.

Sinds 2012 is hernieuwbare warmte in de SDE+ opgenomen. Anders dan bij elektriciteit en gas het geval is, is de marktprijs van warmte afhankelijk van de lokale situatie en schaalgrootte van de installatie. Er worden daarom verschillende correctiebedragen gehanteerd afhankelijk van de schaalgrootte en toepassing van de installatie. De correctiebedragen zijn daarbij grotendeels gebaseerd op de aardgasprijs (inclusief energiebelasting en ODE) en het omzettingsrendement van een gasketel. Voor grootschalige warmteopties werd voorheen een andere berekeningswijze gehanteerd, waarbij uit wordt gegaan van omzetting van aardgas in een WKK. Destijds is aangenomen dat de waarde van warmte uit een WKK 70% van de aardgasprijs (TTF) bedraagt. Het correctiebedrag voor grootschalige warmte wordt net als in 2018 gebaseerd op de aardgasprijs en het omzettingsrendement van een gasketel. In de praktijk hangt het correctiebedrag af van lokale omstandigheden en het type toepassing. PBL heeft een spreiding vastgesteld van minder dan 50% van de gasprijs voor vervanging van een goed renderende WKK tot ruim 110% bij vervanging van een gasketel.

PBL adviseert om in 2019 geen grote aanpassingen in het correctiebedrag voor grootschalige warmte door te voeren en primair het correctiebedrag omwille van stabiliteit van de regeling te blijven baseren op 90% van TTF (op basis van de onderste verbrandingswaarde van aardgas). Dit geldt dan voor de categorieën geothermie en de categorieën ketel op vaste of vloeibare biomassa ≥ 5MW en de stoomketel op houtpellets en ketel op B-hout. Voor één categorie wordt hiervan afgeweken: ketel op houtpellets voor warmte en gecombineerde opwekking voor stadsverwarming. Deze categorie draagt bij aan de vermindering van de vraag naar Gronings aardgas en de verduurzaming van de warmtevraag. Het correctiebedrag voor deze nieuwe categorie wordt vastgesteld op 70% van de TTF-gasprijs, omdat deze projecten zich naar verwachting bevinden aan de onderkant van de bandbreedte in de spreiding van het correctiebedrag.

4.3. Banking

In het Besluit SDE is bepaald dat de categorieën productie-installaties bij ministeriële regeling kunnen worden aangewezen voor banking. Er zijn twee vormen van banking:

  • 1. forward banking: wanneer er minder energie geproduceerd wordt dan de maximaal subsidiabele jaarproductie. Het productietekort kan naar een volgend jaar worden meegenomen om daarin het productietekort en de gemiste subsidie in te halen. Het is ook mogelijk om de gemiste productie in een extra jaar aan het einde van de subsidieperiode in te halen;

  • 2. backward banking: wanneer er meer energie geproduceerd wordt dan de maximaal subsidiabele jaarproductie. Het productieoverschot kan worden meegenomen naar een volgend jaar om een productietekort in een bepaald jaar aan te vullen.

Aan beide vormen van banking kan bij ministeriële regeling per categorie productie-installaties een maximumpercentage worden gesteld. Dit kan per jaar verschillen. In deze openstellingsronde worden alle categorieën productie-installaties aangewezen voor beide vormen van banking. In het geval van zon-PV wordt een productieoverschot in enig jaar als neutraal meegenomen in het bankingsaldo. Op het moment dat het productieoverschot wordt benut, wordt een splitsing gemaakt op basis van de verhouding netlevering /niet-netlevering. Daarbij wordt uitgegaan van de verhouding netlevering/niet-netlevering in het jaar daarvoor. Het maximum percentage voor het meenemen van het productieoverschot naar een volgend jaar is voor alle categorieën vastgesteld op 25% van de subsidiabele jaarproductie. Dit om te waarborgen dat de installatie (nagenoeg) de gehele subsidieperiode blijft draaien en niet vroegtijdig stopgezet wordt.

4.4. Eigen gebruik

CertiQ is door de minister van Economische Zaken en Klimaat gemandateerd voor de uitvoering van de Regeling garanties van oorsprong voor energie uit hernieuwbare-energiebronnen en HR-WKK-elektriciteit (hierna: GVO-regeling) voor wat betreft elektriciteit, HR-WKK-elektriciteit en warmte. CertiQ geeft garanties van oorsprong uit voor netlevering en niet-netlevering van elektriciteit. Op grond van beide certificaten kan subsidie worden verstrekt voor hernieuwbare elektriciteit. Voor zon-PV geldt daarbij voor de invoeding van elektriciteit in het elektriciteitsnet een andere basiselektriciteitsprijs en (voorlopig) correctiebedrag dan voor elektriciteit die niet in het elektriciteitsnet wordt ingevoed. Voor warmte wordt geen onderscheid gemaakt tussen eigen gebruik en netlevering. Beide zijn subsidiabel.

Vertogas is door de minister van Economische Zaken en Klimaat gemandateerd voor uitvoering van de GVO-regeling voor wat betreft gas. Bij hernieuwbaar gas wordt alleen subsidie verstrekt over de netlevering.

4.5. Duurzaamheidscriteria vaste biomassa

Voor alle categorie waar vaste biomassa wordt ingezet, gelden duurzaamheidscriteria. Om het aantonen van de duurzaamheid van de biomassa door certificatie en verificatie mogelijk te maken en op basis daarvan voor SDE+ in aanmerking te komen, is een sluitend systeem van toetsing, accreditatie en toezicht ingericht. De duurzaamheidscriteria zijn verankerd in het Besluit conformiteitsbeoordeling vaste biomassa voor energietoepassingen dat op 1 november 2017 (Staatsblad 2017, nr. 427) in werking is getreden. Het doel van dit besluit is te waarborgen dat geen subsidie wordt verstrekt aan energiecentrales die vaste biomassa toepassen die niet duurzaam is. Het besluit is ter uitvoering van de gemaakte afspraken in het Energieakkoord. Noch het Energieakkoord noch de SDE+ biedt de waarborgen die het genoemde besluit wel biedt: de vaste biomassa moet duurzaam geproduceerd zijn, hetgeen met conformiteitsbeoordelingsverklaringen moet worden aangetoond. Deze conformiteitsbeoordelingsverklaringen komen voort uit het private systeem van certificatie en verificatie. Ingevolge het besluit wordt aan dit private systeem een publiekrechtelijk systeem van erkenning van conformiteitsbeoordelingsinstanties en goedkeuring van certificatie-schema’s toegevoegd. Het besluit en de Wet milieubeheer bieden de grondslag voor het opnemen van duurzaamheidseisen en beheerseisen voor certificatieschema’s in een op het besluit gebaseerde ministeriële regeling. Tevens voorziet het besluit in regeling van het toezicht op de naleving en handhaving van dit publiekrechtelijke systeem.

5. Categorieën

5.1 Hernieuwbare elektriciteit

5.1.1. Waterkracht en Osmose

De SDE+ staat ook in 2019 open voor hernieuwbare elektriciteitsprojecten met de inzet van waterkracht inclusief renovatie van bestaande waterkrachtcentrales en osmose (energieopwekking uit verschil in zoutconcentraties in water). De kosten voor de technieken voor elektriciteit uit water komen, met uitzondering van de categorie renovatie van bestaande waterkrachtcentrales (€ 0,103/kWh), nog boven het maximale fasebedrag van € 0,13/kWh. Om die reden kunnen deze projecten voor het maximaal toegestane basisbedrag van € 0,13/kWh worden ingediend.

5.1.2. Windenergie op land

De SDE+ staat in het voorjaar van 2019 open voor windenergieprojecten op land, op waterkeringen en in meer. Daarbij geldt dat voor wind op land en wind op waterkeringen vijf aparte categorieën worden onderscheiden, op basis van de windsnelheid per gemeente:

  • wind op land ≥ 8,0 m/s

  • wind op land ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

  • wind op land ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

  • wind op land ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

  • wind op land < 6,75 m/s

  • wind op waterkeringen ≥ 8,0 m/s

  • wind op waterkeringen ≥ 7,5 en < 8,0 m/s

  • wind op waterkeringen ≥ 7,0 en < 7,5 m/s

  • wind op waterkeringen ≥ 6,75 en < 7,0 m/s

  • wind op waterkeringen < 6,75 m/s

  • wind in meer ≥ 1 km2.

In 2018 werden vier verschillende categorieën met windsnelheden onderscheiden. Uit berekeningen blijkt dat de categorie windsnelheden lager dan 7,0 m/s te grofmazig was. Daarom is er in onderhavige regeling voor gekozen om deze categorie op te splitsen in een snelheid van 6,75 tot 7,0 m/s en een windsnelheid lager dan 6,75 m/s.

Bij iedere aparte categorie hoort een basisbedrag. Nadat de basisbedragen voor windenergie in 2018 flink zijn gedaald ten opzichte van het jaar daarvoor is er voor 2019 een beperkte wijziging ten opzichte van 2018 te zien. Dit is het gevolg van een samenspel van kleine wijzigingen in de parameters die ten grondslag liggen aan de berekening.

5.1.2.1 Winddifferentiatie op basis van windsnelheid per gemeente

Tot 2014 is in de SDE+ geen onderscheid gemaakt tussen projecten in windrijke en windarme gebieden. Om de SDE+ efficiënter te maken, is in 2015 een systeem uitgewerkt waarbij alle gemeentes in Nederland zijn ingedeeld in windcategorieën, afhankelijk van de gemiddelde lokale windsnelheid. Het maximumbedrag waarvoor subsidie kan worden aangevraagd is afhankelijk van de gemeente waarin het project wordt gerealiseerd. De indeling van de gemeenten in vijf categorieën windsnelheden is gebaseerd op de windkaart van het KNMI. Voor de gemeente Rotterdam is een verdere onderverdeling op wijk- of buurtniveau gemaakt. Voor subsidieaanvragen in categorieën wind in de SDE+ voor het voorjaar van 2019 wordt gebruik gemaakt van de gemeentelijke indeling per 31 december 2018.

5.1.2.2 Wind op waterkering

Het plaatsen van een windmolen op een primaire waterkering kan extra kosten met zich meebrengen, zoals funderingskosten, bouw- en civiele kosten en netaansluiting. Voor de SDE+ is sinds het voorjaar van 2018 de omschrijving voor ‘Wind op primaire waterkering’ aangepast aan de nieuwe definities in de ’Regeling veiligheid primaire waterkeringen 2017’.

Tevens vallen sinds het voorjaar van 2018 windmolens die geplaatst worden in het waterstaatswerk of de beschermingszones van voorliggende waterkeringen of in het waterstaatswerk of de beschermingszone aan de zeezijde van zeewaterkeringen onder deze categorie.

In onderhavige regeling is de definitie van wind op waterkeringen uitgebreid met de harde of zachte zeewering van de Tweede Maasvlakte zoals bedoeld in bijlage 1 van de concessie van het Havenbedrijf Rotterdam. Gebleken is dat de meerkosten van windturbines op deze locatie deze toevoeging rechtvaardigt.

5.1.2.3 Wind in meer

Bij de categorie wind in meer is een minimale afstand van 25 meter van de waterkant opgenomen. Dit vereiste is opgenomen om te verzekeren dat er daadwerkelijk sprake is van meerkosten door de plaatsing van turbines in het water die een hoger basisbedrag ten opzichte van de reguliere categorieën voor windenergie op land rechtvaardigen. Turbines die dicht bij de waterkant worden geplaatst hebben niet de meerkosten waarmee in deze categorie rekening wordt gehouden. Die projecten kunnen indienen in de categorie windenergie op land.

5.1.3 Fotovoltaïsche zonnepanelen

De opwekking van hernieuwbare elektriciteit met fotovoltaïsche zonnepanelen (zon-PV) neemt een steeds groter aandeel in binnen de SDE+. Als gevolg hiervan groeit zowel het aantal projecten als de diversiteit en de schaalgrootte ervan. De verwachting is dat deze ontwikkeling alleen maar toeneemt.

De SDE+ staat in het voorjaar van 2019 open voor vier categorieën zon-PV projecten:

  • zon-PV ≥ 15 KWp en <1 MWp

  • zon-PV ≥ 1 MWp, waarbij de zonnepanelen op of aan een gebouw zijn aangebracht

  • zon-PV ≥1 MWp veld- of watersystemen met 950 vollasturen

  • zon-PV ≥1 MWp veld- en watersystemen met zonvolgsystemen met 1.190 vollasturen.

Vanwege de schaalgrootte van veldopstellingen kunnen schaalvoordelen worden behaald waardoor de kostprijs daalt. Nieuw in 2019 is daarom het onderscheid tussen projecten groter dan 1 MWp voor zon-PV op daken enerzijds en op veld- of watersystemen anderzijds.

De basisbedragen voor gebouw gebonden systemen zijn iets hoger dan voor veldsystemen. Daarnaast is het van belang om enigszins terughoudend te zijn in het stimuleren van zon-PV projecten op productieve landbouwgronden. PBL heeft in het advies bij het berekenen van de basisbedragen voor veldsystemen daarom geen rekening gehouden met grondvergoedingen voor veldopstellingen.

Veld- en watersystemen vertonen grote gelijkenissen in basis- en correctiebedragen en zijn daarom samengevoegd in één categorie. De projecten in deze categorie krijgen een jaar langer de tijd om tot realisatie te komen (vier in plaats van drie jaar) dan de gebouw gebonden systemen. In de praktijk blijkt dat de benodigde netaansluiting in veel gevallen langer duurt dan van PV-systemen op daken. Dit resulteert in iets lagere basisbedragen voor veld- en watersystemen dan voor daksystemen mede vanwege de lagere investeringskosten voor de zonnepanelen.

Daarnaast is er een aparte categorie toegevoegd voor zonvolgende systemen in systemen die niet gebouw gebonden zijn. Dit zijn systemen waarin panelen automatisch meedraaien met de stand van de zon. Het voordeel hiervan is dat een hogere energieproductie kan worden geboekt. Zonvolgende systemen hebben hogere investeringskosten dan standaardsystemen, maar kennen eveneens een hoger aantal vollasturen die voor subsidie in aanmerking komen, waardoor de basisbedragen en correctiebedragen hetzelfde zijn. Voor zonvolgsystemen wordt bij de reeds verplichte haalbaarheidsstudie de eis opgenomen om aanvullend een energieopbrengstberekening mee te sturen, op basis waarvan het maximaal aantal vollasturen wordt vastgesteld.

Tot slot wordt er voor alle vier de zon-PV categorieën een onderscheid gemaakt tussen de elektriciteit die op het elektriciteitsnet wordt ingevoed en de elektriciteit die zelf wordt gebruikt, op basis van de garanties van oorsprong als uitgeven door CertiQ. Voor beide zaken wordt een apart correctiebedrag en een aparte basiselektriciteitsprijs vastgesteld. Indien projecten een deel van de opgewekte energie zelf gebruiken treedt er namelijk een voordeel op in de vorm van vermeden energiebelasting, inclusief Opslag Duurzame Energie (ODE) en transportkosten. Gebleken is dat bij zon-PV een groot deel van de opgewekte energie zelf wordt gebruikt in plaats van in het elektriciteitsnet wordt gevoed.

De SDE+ staat niet open voor kleingebruikers met zonnepanelen, omdat deze installaties in aanmerking komen voor andere stimuleringsregelingen die meer toegespitst zijn op een kleinere schaal. Systemen met een vermogen kleiner dan 15 kWp die zijn aangesloten middels een kleinverbruiker-aansluiting (3*80A of minder) kunnen gebruik maken van de mogelijkheid tot saldering.

5.2 Hernieuwbaar gas

5.2.1 Vergassing

De categorie vergassing binnen de SDE+ is gericht op het produceren van biosyngas en vervolgens methaniseren en leveren aan het aardgasnet. Bij de berekening van het basisbedrag houdt PBL ook rekening met de (aanzienlijke) kosten voor methanisering. In de onderhavige regeling is de categorie biomassavergassing voor hernieuwbare gasproductie opgenomen. De categorie omvat zowel vergassers op basis van snoeihout als B-hout.

Het is ook mogelijk om biosyngas te produceren en dit in te voeden in een bedrijfsnetwerk voor de productie van chemische (half)producten. Als dit het geval is telt deze productie niet mee voor de hernieuwbare energiedoelstelling en komt deze ook niet voor subsidie in aanmerking. De categorie van vergassing voor productie van warmte en/of elektriciteit wordt niet separaat opengesteld aangezien deze projecten een aanvraag kunnen indienen binnen de verschillende categorieën voor thermische conversie.

5.2.2 Categorieën voor vergisting

Vergisting van biomassa is een manier om restproducten om te zetten in energie; dit kan zowel in gas en warmte als in een combinatie van elektriciteit en warmte (WKK). Uit verschillende analyses van het PBL over de toename van mestgebruik blijkt dat de afbakening van covergisting en vergisting van uitsluitend dierlijke mest (monomestvergisting) is vervaagd. Een aparte categorie covergisting is in de onderhavige regeling daarom vervallen. Aanvragen voor covergisting kunnen ingediend worden in de categorie allesvergisting. De categorieën vergisting die in het voorjaar 2019 voor subsidie in aanmerking komen zijn: allesvergisting, monomestvergisting ≤ 400 kW, monomestvergisting ≥400 kW, verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringen en bestaande slibgisting bij rioolwaterzuiveringen (met nieuwe gasopwaardering).

Bij allesvergisting, monomestvergisting klein en groot en verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringen kan subsidie worden verkregen voor de productie van warmte, gas of warmte en elektriciteit (WKK). Als voorwaarde voor vergistingsinstallaties geldt dat de vergister nieuw is en geen gebruikte materialen omvat. Voor de bestaande slibgisting kan alleen subsidie worden verkregen voor de productie van gas als de biogasproductie met meer dan 25% toeneemt of als de gasopwaardering-installatie nieuw is. Dit betreffen projecten voor het opwaarderen van biogas tot groen gas dat ingevoed kan worden in het aardgasnet.

5.2.2.1 Allesvergisting

Om een duidelijk onderscheid te maken tussen de categorie afvalwaterzuiveringsinstallaties/rioolwaterzuiveringsinstallaties en de categorie allesvergisting, is in de definitie van allesvergisting aangegeven dat de biogasopbrengst van de ingaande stroom tenminste 25 Nm3 aardgasequivalent per ton bedraagt. Met dit onderscheid wordt voorkomen dat er twijfel bestaat over de categorie waarvoor in aanmerking kan worden gekomen.

5.2.2.2 Monomestvergisting ≤ 400 kW

In deze regeling is het in de categorie voor kleinschalige vergisting van dierlijke mest niet toegestaan om co-producten aan de mest toe te voegen. Het maximale opgesteld vermogen voor monomestvergisting bedraagt 400 kW, waarmee naar verwachting alle projecten op boerderijschaal de mogelijkheid hebben om een aanvraag in te dienen.

5.2.2.3 Monomestvergisting >400 kW

Voor grotere projecten dan 400 kW is een aparte categorie opengesteld, omdat schaalvoordelen leiden tot lagere basisbedragen. Ook voor grootschalige vergisting van uitsluitend dierlijke mest geldt dat het niet is toegestaan om co-producten aan de mest toe te voegen.

5.2.2.4 Verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringen

Sinds de start van de SDE+ is het lastig de productie van biogas bij rioolwaterwaterzuiveringen (RWZI’s) op een goede wijze te stimuleren. RWZI’s zijn zeer verschillend qua grootte en type installatie en hebben verschillende manieren voor het combineren van slibstromen van andere locaties en de afzet en het ontwateren van het vergiste slib. Daarnaast hebben waterschappen uiteenlopende wensen voor de toepassing van innovatieve technieken. In overleg met de Unie van Waterschappen wordt een techniekneutrale categorie opengesteld voor de productie van extra biogas uit zuiveringsslib. Projecten moeten bij de aanvraag aantonen dat ze de bestaande biogasproductie met minimaal 25% kunnen verhogen. De installatiedelen die verantwoordelijk zijn voor de meerproductie van biogas moeten nieuw zijn. De categorieën zijn:

  • verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringen, warmte

  • verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringen, gecombineerde opwekking

  • verbeterde slibgisting bij rioolwaterzuiveringen, gas.

5.2.2.5 Bestaande slibgisting bij rioolwaterzuiveringen (met nieuwe gasopwaardering)

Slibgisting bij RWZI’s wordt in onderhavige regeling uitgebreid met een categorie bestaande slibgisting. Dit zijn slibgistingsinstallaties zonder meerproductie. Dit betreffen projecten voor het opwaarderen van biogas tot groen gas dat ingevoed kan worden in het aardgasnet.

5.3 Hernieuwbare warmte

5.3.1 Biomassa

Biomassa levert op de korte termijn een belangrijke bijdrage aan de energietransitie. De veelheid aan soorten biomassa, conversietechnologieën en eindproducten heeft als gevolg dat het aantal categorieën voor biomassa binnen de SDE+ groot is. Tegelijkertijd wordt biomassa als een transitiebrandstof gezien en vraagt de inzet van biomassa op langere termijn mogelijk om een prioritering vanwege de beperkte beschikbaarheid ervan.

De groei van het aantal biomassaprojecten kan ervoor zorgen dat de prijzen van schaarse, lokale biomassa gaan stijgen. Het is onwenselijk om via de SDE+ te compenseren voor prijsopdrijvende effecten. Vandaar dat met ingang van 2015 is besloten om voor de vaststelling van de basisbedragen voor covergisting de biomassaprijzen zoals berekend voor 2014 te hanteren waarbij deze prijzen uit 2014 nog voor de standaard inflatie (CPI) worden gecorrigeerd. Deze lijn wordt voortgezet in deze regeling en wordt ook toegepast op biomassa op basis van allesvergisting en categorieën die gebruik maken van snoei- en dunningshout.

Het energieverbruik in Nederland gaat voor het overgrote deel naar de warmtevoorziening. Zoals aangeven in de Warmtevisie (Kamerstukken II 2015/16, 30 196, nr. 305) en het Energierapport (Kamerstukken II 2015/16, 31 510, nr. 50) is het verminderen en verduurzamen van het warmteverbruik cruciaal om de transitie naar een volledig duurzame energiehuishouding in 2050 te realiseren. Naast besparing speelt het opwekken van hernieuwbare warmte een belangrijke rol.

In tegenstelling tot hernieuwbare elektriciteits- en gasprojecten, waarvoor aansluiting op de uitgebreide en wijdvertakte netinfrastructuur in de regel goed mogelijk is, zijn er bij hernieuwbare warmteprojecten grote verschillen in de kostenstructuur. Deze worden veroorzaakt door verschillen in onder meer de lokale vraag, het aantal vollasturen en de kwaliteit en marktwaarde van de warmte. De basisbedragen in de SDE+ gaan uit van één referentieaantal aan vollasturen binnen één categorie. Consequentie hiervan is dat projecten met een lager aantal vollasturen een mogelijk nadeel ondervinden. Om een groter potentieel aan warmteprojecten te ontsluiten is er daarom in 2018 geëxperimenteerd met een zogenoemde warmtestaffel voor de categorie ‘ketel vaste of vloeibare biomassa ≥ 5 MWth’. Deze warmtestaffel wordt in 2019 voortgezet. PBL heeft in zijn advies rekening gehouden met een geleidelijke overgang in subsidiehoogtes tussen deze categorie “ketel op vaste of vloeibare biomassa met een vermogen ≥5 MWth”. Om grenseffecten met de desbetreffende categorie te voorkomen, stijgt het basisbedrag niet verder onder de 4.500 vollasturen.

5.3.1.1 Categorieën voor thermische conversie van biomassa

In de regeling wordt per categorie productie-installaties één maximum aantal vollasturen vastgesteld waarover jaarlijks subsidie wordt uitgekeerd. Vanaf dit jaar wordt de categorieën thermische conversie van biomassa uitgebreid zodat ook de geproduceerde elektriciteit subsidiabel is voor hetzelfde basisbedrag. De elektriciteit mag met een bestaande stoomturbinegenerator worden opgewekt. Dit betekent dat geen aparte categorieën voor warmtekrachtkoppeling meer worden opengesteld zodat de regeling eenvoudig en efficiënt blijft, en strategisch gedrag wordt beperkt. Voor deze categorieën wordt voor het basisbedrag, de basisenergieprijs en het correctiebedrag uitgegaan van de bedragen die zijn berekend voor hernieuwbare warmte.

Er zijn in totaal 7 categorieën biomassaketels voor warmte en gecombineerde opwekking:

  • ketel op vloeibare biomassa (≥ 0,5 MWth)

  • kleine ketel op vaste of vloeibare biomassa (≥ 0,5 MWth en < 5 MWth)

  • grote ketel op vaste of vloeibare biomassa ≥ 5 MWth

  • grote ketel op B-hout ≥ 5 MWth

  • ketel op houtpellets voor stadsverwarming ≥ 10 MWth

  • stoomketel op houtpellets ≥ 5 MWth

  • directe inzet van houtpellets (brander) voor industriële toepassingen ≥ 5 MWth.

Om te voorkomen dat via deze regeling biomassa ingezet zou kunnen worden in kolencentrales is een bovengrens van 100 MW elektrisch opgenomen voor de gecombineerde categorieën van thermische conversie en elektriciteit: ketel op vloeibare biomassa (≥ 0,5 MWth), en directe inzet van houtpellets voor industriële toepassingen ≥ 5 MWth. Bij deze categorieën geldt namelijk geen verplichting dat de installatie zelf nieuw moet zijn.

Voor de categorie ‘ketel op vloeibare biomassa ≥ 0,5 MW’ is het mogelijk om een subsidieaanvraag in te dienen voor een productie-installatie waarvoor reeds eerder subsidie is verleend. Het blijkt dat er installaties zijn die door gewijzigde omstandigheden meer vollasturen kunnen draaien dan voorheen mogelijk bleek. Aangezien in het basisbedrag voor dit type installatie geen rekening wordt gehouden met de kostprijs van een ketel leidt dit niet tot overstimulering. Daarnaast is het zo dat de eerdere beschikking volledig benut moet worden voordat subsidie op de latere beschikking wordt uitgekeerd.

De categorieën ‘ketel op vaste of vloeibare biomassa ≥ 0,5 MW en < 5 MW’ en ‘ketel op vaste of vloeibare biomassa ≥ 5 MW’ zijn verschillend omdat de grootte van de installaties invloed heeft op het basisbedrag en het correctiebedrag. Het basisbedrag van de categorie ‘ketel op vloeibare biomassa ≥ 5 MW’ is zodanig afwijkend van de categorieën ketels op vaste biomassa dat hiervoor een aparte categorie met een bijbehorende warmtestaffel is gemaakt.

In de regeling is de categorie warmteketel op B-hout opgenomen. Deze categorie sluit goed aan op de bestaande categorieën voor biomassa binnen de SDE+. De geproduceerde warmte is hoogwaardig en B-hout is een goedkope brandstof omdat er weinig mogelijkheden voor recycling of andere toepassing dan verbranding bestaan. Om de mogelijke impact van de SDE+-subsidie op de beschikbaarheid van B-hout voor andere toepassingen te beperken is gerekend met een prijs van € 0 per ton.

Ketel op houtpellets voor stadsverwarming ≥ 10 MW wordt als aparte categorie toegevoegd. Deze openstelling is eerder aangekondigd in de brief over de vormgeving van de najaarsronde van 10 juli 2018 en deze draagt bij aan de vermindering van de vraag naar Gronings aardgas en de verduurzaming van de warmtevraag (Kamerstuk 31 239, nr. 290). Om de duurzaamheid van de houtpellets te garanderen worden voor de toegestane biomassa voor deze categorie dezelfde strenge duurzaamheidseisen zoals afgesproken in het Energieakkoord. Het correctiebedrag voor deze nieuwe categorie is vastgesteld op 70% van de TTF-gasprijs. Deze projecten zitten naar verwachting aan de onderkant van de bandbreedte in de spreiding van het correctiebedrag (minder dan 50% van de gasprijs voor vervanging van een goed renderende WKK tot ruim 110% bij vervanging van een gasketel).

De categorie stoomketel op houtpellets stimuleert de productie van warmte uit stoom. In deze categorie is het toegestaan dat naast pellets uit vers hout, ook maximaal 15% pellets uit A-hout mogen worden verbrand. De technische levensduur van een ketel op houtpellets voor industriële stoom is minimaal 12 jaar. Omwille van de consistentie met andere warmtecategorieën voor biomassa wordt de subsidieduur voor deze categorie aangepast van 8 naar 12 jaar.

In de categorie directe inzet van houtpellets (brander) voor industriële toepassingen voor warmte en gecombineerde opwekking wordt gestimuleerd dat industriële warmtetoepassingen worden verduurzaamd zoals toepassingen met houtpelletbranders in ovens, fornuizen en ombouw van ketels. Indien bij deze toepassingen warmte vrijkomt en tevens elektriciteit kan worden geproduceerd, is deze ook subsidiabel.

5.3.2 Zonthermische systemen

De categorie zonthermie is gesplitst in twee categorieën, namelijk (1) groter dan 140 kW en kleiner dan 1 MW en (2) groter of gelijk aan 1 MW. Door de diversiteit van projecten is wenselijk om onderscheid te maken in de systeemgrootte van projecten, om op deze manier recht te doen aan de verschillende kostenstructuren.

Zonthermie wordt voor kleinverbruikers vanaf 2016 ook gestimuleerd met de Investeringssubsidie duurzame energie (ISDE). Voor zonthermie met een totaal thermisch vermogen groter dan of gelijk aan 140 kW blijft indiening in de SDE+ een mogelijkheid. Bij de bepaling van het maximale vermogen van een zonthermische installatie wordt aangesloten bij de internationaal geaccepteerde omrekenfactor die is opgesteld en aanbevolen door het Internationaal Energie Agentschap voor het monitoren van opgesteld zonthermisch vermogen. Hieruit volgt een maximaal vermogen van 0,7 kW per m2 apertuuroppervlak. Dit betekent dat de ondergrens voor zonthermie ligt bij een apertuuroppervlak van 200 m2. Hierdoor sluit de SDE+ regeling aan op de ISDE.

5.3.3 Geothermie

Deze regeling kent categorieën voor geothermie met een minimale diepte van 500 meter en geothermie met een minimale diepte van 4.000 meter. In de SDE+ van 2018 was die grens nog 3.500 meter. Experts van TNO stellen dat ultradiepe geothermie (aardlaag ≥4.000 meter) meer potentie oplevert vanwege de hogere temperatuur en aansluit bij projecten in ontwikkeling.

Er worden geen aparte categorieën voor stadsverwarming en warmteopwekking in een enkele verlaten olie-of gasput opengesteld, vanwege de hoge kostprijs en/of onduidelijkheden over de praktische toepassing. De motie Stoffer (Kamerstukken 2018/19, 32 813, nr. 210) vraagt om een aparte categorie diepe geothermie, zodat naast geothermie in de glastuinbouw ook geothermie in de gebouwde omgeving toegepast kan worden. PBL heeft in zijn aanvullende berekeningen aangegeven dat er bij deze toepassing van geothermie, afhankelijk van de warmtevraag, grote variatie bestaat in de benodigde vollasturen. Dit leidt tot het risico van aanpassing en herindiening van projecten om voor een maximale subsidie in aanmerking te komen.

Technieken als aquathermie en ondiepe geothermie zijn niet opgenomen vanwege andere bedenkingen in het aanvullende advies van PBL. Specifiek voor deze twee technieken geldt dat het moeilijk is om een passende systeemafbakening te maken en er daarnaast sprake is van laagwaardige warmte. Dat betekent dat er nog een warmtepomp of warmte-koudeopslag (WKO) nodig is om de warmtetemperatuur te verhogen en daarmee de warmte nuttig toepasbaar te maken.

Voor geothermie worden de volgende categorieën opengesteld:

  • geothermie warmte met een diepte van minimaal 500 meter

  • geothermie warmte met een diepte van minimaal 500 meter, waarbij bij één of beide putten van het doublet gebruikt gemaakt wordt van bestaande olie- of gasputten

  • geothermie warmte met een diepte van minimaal 500 meter, uitbreiding van een productie-installatie, bestaande uit één of meer doubletten

  • geothermie warmte met een diepte van minimaal 4.000 meter.

Projecten met behulp van geothermie worden net als andere SDE+-categorieën beschikt op basis van het aangevraagde vermogen en de daarbij behorende productie. Ten behoeve van een betrouwbare inschatting van de energieproductie wordt sinds 2014 een geologisch rapport ter onderbouwing van de budgetclaim gevraagd. Het model hiervoor staat op de website van RVO.nl.

6. Uitvoeringsovereenkomst

Voor projecten met een budgetbeslag groter dan € 400 miljoen wordt een subsidiebeschikking verstrekt onder de opschortende voorwaarde dat binnen twee weken na het afgeven van de subsidiebeschikking een ondertekende uitvoeringsovereenkomst aan de Staat wordt overlegd. Bovendien moet binnen vier weken na het afgeven van de subsidiebeschikking een bankgarantie die voortvloeit uit de uitvoeringsovereenkomst aan de Staat wordt overgelegd. In de uitvoeringsovereenkomst verplicht de producent zich tot het realiseren van het project binnen de in de onderhavige regeling vastgestelde maximale termijn, op straffe van een boete van maximaal 2 procent van het beschikte bedrag. Deze regel is ingesteld om te voorkomen dat projecten een groot deel van het beschikbare budget kunnen reserveren, zonder dat deze tot uitvoering komen. Voor kleinere projecten zou de uitvoeringsovereenkomst een onevenredig risico met zich meebrengen en realisatie juist bemoeilijken. De opschortende voorwaarde van een uitvoeringsovereenkomst is niet van toepassing op grootschalige, onder de Rijkscoördinatieregeling vallende windenergieprojecten. De belangrijkste reden waarom dergelijke projecten niet tot realisatie komen, is gelegen in de vernietiging van benodigde overheidsbesluiten (inpassingsplannen en vergunningen).

Om te voorkomen dat projecten lang budgetreserveringen vasthouden terwijl ze niet of niet op tijd worden gerealiseerd, geldt er een ijkmoment na één jaar. Dan moeten de opdrachten voor de bouw van de installatie zijn verstrekt. Indien voor dezelfde productie-installatie een volgende beschikking wordt aangevraagd terwijl de productie ten behoeve van de eerdere beschikking nog niet is gestart, geldt dat een uitvoeringsovereenkomst nodig is als de optelsom van de beschikkingen groter is dan € 400 miljoen. Daarmee wordt geborgd dat grote projecten die gefaseerd opstarten tot uitvoering komen.

7. Vaststelling basisenergieprijzen

Naast de basisbedragen zijn ook de jaarlijks vast te stellen correctiebedragen en de basisenergieprijzen van belang voor de berekening van het daadwerkelijke jaarlijkse subsidiebedrag. De basisenergieprijzen vertegenwoordigen de laagste waarde van de desbetreffende energieprijzen waarmee zal worden gecorrigeerd. Dit is de grens tot waar de desbetreffende energieprijzen worden aangevuld met subsidie tot het basisbedrag. Tevens wordt hiermee voorkomen dat relatief grote budgettaire reserveringen zijn vereist. Dit zou ten koste gaan van het aantal positieve beschikkingen dat kan worden afgegeven op basis van het beschikbare budget. De basisenergieprijzen vertegenwoordigen een risico voor de producent. Indien de daadwerkelijke energieprijs lager is dan de basisprijs, zal het subsidiebedrag immers niet langer voldoende zijn om de gemiddelde kosten per geproduceerde eenheid energie volledig te dekken. In de basisbedragen is een premie opgenomen ter compensatie van het risico dat een producent loopt als gevolg van de basisprijzen.

De basisenergieprijzen zijn vastgesteld op twee derde van de voor de op lange termijn verwachte energieprijs die voor de desbetreffende categorie relevant is. De langetermijnprijzen zijn gebaseerd op de Nederlandse Energie Verkenning (NEV). De op lange termijn verwachte energieprijs is het gemiddelde van de verwachte energieprijzen over of 15 jaar volgens modelberekeningen van PBL die op de website van RVO.nl en van PBL ter beschikking worden gesteld. Hierbij wordt rekening gehouden met technologiespecifieke elementen die de markwaarde van de energie beïnvloeden. Dit geldt in het bijzonder voor profiel- en onbalanskosten voor windenergie en zon-PV. Voor warmte en gecombineerde opwekking wordt de basisenergieprijs afgeleid van de langetermijngasprijs. Hierbij wordt tevens onderscheid gemaakt naar de schaalgrootte van de installaties, omdat de energiebelasting een relevante factor is.

Bij installaties voor gecombineerde opwekking van elektriciteit en warmte, wordt één basisprijs bepaald. Deze basisprijs bedraagt twee derde van het gewogen gemiddelde van de langetermijnelektriciteitsprijs en de langetermijnwarmteprijs. De langetermijnprijzen worden gewogen naar de warmte/kracht verhouding die als referentie is gebruikt door PBL en DNV GL voor de berekening van de basisbedragen. Net als bij het bepalen van het subsidiabele aantal vollasturen wordt hierbij rekening gehouden met eventuele elektriciteitsderving die optreedt bij warmte-uitkoppeling.

8. Vaststelling correctiebedragen voor bevoorschotting

In deze regeling worden voor alle opengestelde categorieën hernieuwbare energie de voorlopige correctiebedragen ten behoeve van de bevoorschotting voor 2019 vastgesteld. Deze regeling geeft daarmee invulling aan de artikelen 14, vijfde lid, 31, vijfde lid en 47, vijfde lid van het Besluit SDE.

De jaarlijks vast te stellen correctiebedragen zijn van belang voor de berekening van de jaarlijkse subsidiebedragen voor de verschillende categorieën productie-installaties. Voor een toelichting op de berekeningssystematiek van de subsidiehoogte en het gebruik van correctiebedragen hierbij wordt verwezen naar de nota van toelichting bij het Besluit houdende wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie van 16 januari 2007, paragraaf 2.5 (Stb. 2007, nr. 410) en van 18 november 2011, paragraaf 2.2.1 (Stb. 2011 548). De definitieve correctiebedragen worden na afloop van ieder kalenderjaar vastgesteld.

Het correctiebedrag wordt voor beschikkingen afgegeven naar aanleiding van de openstellingrondes van de SDE+ in 2019 ten behoeve van de bevoorschotting. De voorlopige correctiebedragen voor 2019, worden berekend op grond van de marktprijzen van 1 september 2017 tot en met 31 augustus 2018. Een overzicht van de berekeningswijzen van de correctiebedragen is vindbaar op de websites van RVO.nl en PBL.

9. Datum van ingebruikname

In de onderhavige regeling is per categorie productie-installaties vastgelegd wanneer een productie-installatie uiterlijk in gebruik moet worden genomen. Dit is uitgedrukt in een aantal maanden of een aantal jaren na inwerkingtreding van de beschikking. In de meeste gevallen is de datum van afgifte van de beschikking de datum van inwerkingtreding van de beschikking. Indien de beschikking niet in werking treedt op het moment van afgifte van de beschikking, dan staat dit expliciet in de beschikking vermeld. Indien hierover niets vermeld is, is de datum van afgifte de datum van inwerkingtreding van de beschikking.

10. Administratieve lasten

Het Besluit SDE vormt het kader waarvan onderhavige regeling een uitwerking is die tot 2016 jaarlijks en sindsdien tweejaarlijks wordt vormgegeven. Het Besluit SDE stelt in artikel 7 dat per ministeriële regeling wordt bepaald over welke periode voor een categorie productie-installaties subsidie wordt verstrekt. Onderhavige ministeriële regeling is de invulling van het Besluit en preciseert de categorieën en bedragen voor de openstellingsronde in het voorjaar van 2019. De werkwijze van de subsidieregeling ligt vast in het Besluit SDE, de verplichtingen worden bepaalde in de algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie. De regeldruk voortvloeiend uit deze regeling is slechts in samenhang te zien met de bepalingen uit de overige regelingen die voortvloeien uit het Besluit SDE, met name de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie. Bij de wijziging van het Besluit SDE van 27 januari 2015 (Stb. 2015, nr. 47) is een uitgebreide toelichting van de regeldruk voortvloeiend uit de onderliggende regelingen opgenomen. De regeldruk van de onderhavige regeling is vergelijkbaar met de eerdere openstellingsregelingen en neemt alleen toe vanwege het hogere beschikbare budget en het hogere aantal aanvragen. De regeldruk voor subsidieaanvragers is niet toegenomen. Onderhavige regeling heeft op zichzelf geen regeldrukgevolgen.

De regeldruk per aanvraag is de afgelopen jaren niet toegenomen. Wel is er een verschuiving geweest in de mate waarin verschillende type projecten een groter aandeel van de aanvragen voor hun rekening nemen. Zo is er een zeer sterke toename geweest van met name kleinschalige zonne-energieprojecten. Ook is het totale beschikbare budget sterk gestegen. Hierdoor is de regeldruk van het geheel van het Besluit SDE en de regelingen toegenomen, zowel in euro als percentage. Nog altijd is de regeldruk laag, namelijk € 7.520.000 eenmalig en € 499.200 structureel voor beschikte projecten die worden gerealiseerd met een looptijd van 12-15 jaar, resulterend in een totaal van € 7.473.600 over de gehele looptijd. Op een beschikbaar budget van € 5.000.000.000 komt dit neer op 0,3% van het totaal opengestelde bedrag. De nieuwe berekening is uitgevoerd op basis van de totale regeldruk (gemiddelde éénmalige en jaarlijkse kosten) voor projectindieners die naar verwachting in de eerste helft van 2019 een projectaanvraag zullen indienen op grond van de SDE+ en verplichtingen die zijn geformuleerd in de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie en onderhavige regeling.

Het bepalen van de regeldruk verbonden aan deze regeling is alleen mogelijk door op basis van een indicatieve verwachting van het aantal aanvragen per categorie. Kenmerkend voor subsidie op grond van deze regeling is dat er voor een lange periode subsidie wordt verleend (12-15 jaar) en er jaarlijks terugkerende kosten zijn. De regeldruk concentreert zich echter in het jaar van aanvraag van de subsidie (gemiddeld 10 uur per aanvraag x gemiddeld uurtarief van 60 euro) + de kosten van een haalbaarheidsstudie. De complexiteit en het investeringsbedrag per project kan echter uiteenlopen. Door hier zo goed mogelijk rekening mee te houden, is in de berekening een onderscheid gemaakt tussen Zon-PV ≤500 kWp (geen haalbaarheidsstudie), Zon-PV ≥500 kWp (haalbaarheidsstudie) en biomassa (uitgebreide haalbaarheidsstudie en subsidieduur van 12 jaar) en overige categorieën (wind, water en geothermie met een looptijd van 15 jaar) waarvoor ook een uitgebreide haalbaarheidsstudie is vereist. Daarnaast is er in de berekening rekening gehouden met het feit dat gemiddeld 20% van de aanvragen ingetrokken of afgekeurd wordt of anderszins tot uitval leidt en daarvan de structurele regeldruk niet is meegerekend. De nieuwe categorieën ketel op houtpellets voor stadsverwarming en ketel op B-hout kennen geen extra eisen ten opzichte van vergelijkbare categorieën voor biomassa.

In totaal wordt in deze regeling € 5.000.000.000 subsidiebudget opengesteld. De regeldruk voor deze openstelling bedraagt indicatief berekend op € 7.520.000 eenmalig en € 499.200 structureel (voor beschikte projecten die worden gerealiseerd met een looptijd van 12-15 jaar). Uitgaande van een uitvalpercentage van 20%, wordt de regeldruk voor projecten die uitvallen indicatief berekend op € 1.504.000. Dit bedrag correspondeert met 0,03% van het beschikbare budget, dit zijn eenmalige kosten. De regeldruk van beschikte projecten die worden gerealiseerd is indicatief berekend op € 6.016.000 eenmalig en plus de structurele regeldruk maakt een totaal van € 13.489.600, wat neerkomt op 0,27% van het opengestelde subsidiebudget.

Nader gespecificeerd in categorieën gelden voor de goedgekeurde projecten die worden gerealiseerd de volgende bedragen qua regeldruk op basis van de indicatieve berekening:

Ter illustratie is de regeldruk voor enkele projecten geschetst. Voor een kleinschalig zonne-energieproject (≤500 kWp) bedraagt de eenmalige regeldruk 600 euro voor het doen van de aanvraag en bij een toegekende beschikking komt daar structureel 120 euro aan regeldruk gedurende de 15 jaar van de looptijd van de beschikking. Grotere zonne-energieprojecten kennen dezelfde kosten, maar maken daarnaast nog 2.400 euro eenmalige kosten voor het opstellen van een haalbaarheidsstudie.

Voor projecten met andere hernieuwbare energiebronnen zoals energie uit wind, water, geothermie en biomassa gelden dezelfde eenmalige kosten voor regeldruk als voor zonne-energieprojecten, alleen is de haalbaarheidsstudie complexer en daarmee duurder. De eenmalige kosten voor dergelijke projecten ligt daarmee op 10.600 euro. De structurele regeldruk voor deze projecten is 120 euro per jaar, gedurende de looptijd van 12 jaar bij biomassaprojecten en 15 jaar bij de andere projecten.

11. Vaste verandermomenten

De regeling treedt in werking op 1 maart 2019. Dit is minder dan twee maanden na publicatie. Dat is niet in lijn met het kabinetsbeleid inzake de vaste verandermomenten. Afwijking is evenwel gerechtvaardigd aangezien het uitstel van de regeling zou leiden tot buitensporige kosten voor het bedrijfsleven (ontbreken subsidie) of de overheid (niet halen van klimaatdoelstellingen). Bovendien is de voor projectontwikkelaars meest relevante informatie reeds opgenomen in de Kamerbrief over de openstelling van de SDE+ 2019 (Kamerstukken II 31 239, nr. 294)

12. Technische voorschriften

Deze regeling is gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van richtlijn 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) (PbEU 2015, L 241). Het gaat hier om technische specificaties of andere eisen die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen. Hiervoor geldt op grond van artikel 7, vierde lid, van de richtlijn 2015/1335 geen standstilltermijn.

De Minister van Economische Zaken en Klimaat, E.D. Wiebes