Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2018
Nr. 52853

Gepubliceerd op 25 september 2018 09:00



Besluit van 27 augustus 2018, nr. 2018001396 tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Zevenaar krachtens artikel 72a van de onteigeningswet (onteigening voor de aanleg van de Overnachtingshaven Spijk aan de noordoever van de Rijn in de Beijenwaard te Spijk, met bijkomende werken).

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge artikel 72a, eerste lid, van de onteigeningswet kan onteigening van onroerende zaken plaatsvinden onder meer voor de aanleg en verbetering van wegen, bruggen, spoorwegwerken, kanalen, havenwerken en werken ten behoeve van de verbetering en verruiming van rivieren, alsmede daarop rustende zakelijke rechten. Daaronder wordt op grond van artikel 72a, tweede lid sub c, mede begrepen onteigening voor de aanleg en verbetering van de in het eerste lid bedoelde werken en rechtstreeks daaruit voortvloeiende bijkomende voorzieningen ter uitvoering van een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat (hierna: verzoeker) heeft Ons bij brief van 19 december 2017, kenmerk RWS-2017/44616 verzocht, om ten name van De Staat over te gaan tot het aanwijzen ter onteigening van onroerende zaken in de gemeente Zevenaar.

De onteigening wordt verzocht om de aanleg van de Overnachtingshaven Spijk aan de noordoever van de Rijn in de Beijenwaard te Spijk met bijkomende werken, in de gemeente Zevenaar mogelijk te maken.

Planologische grondslag

De onroerende zaken waarop het verzoek betrekking heeft, liggen in de gemeente Zevenaar. De grondslag voor de planologische uitvoerbaarheid van het werk in de gemeente Zevenaar wordt gevormd door het provinciaal inpassingsplan Overnachtingshaven Lobith van de provincie Gelderland dat is vastgesteld door provinciale staten van Gelderland op 29 juni 2016. Er zijn 4 beroepen ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Op 9 februari 2017 heeft de hoorzitting bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State plaatsgevonden. Het provinciaal inpassingsplan is nog niet onherroepelijk.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 63, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 63 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 29 maart 2018 tot en met 9 mei 2018 in de gemeente Zevenaar en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat (Onze Minister) van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken openbaar kennis gegeven in de Zevenaar Post en in de Staatscourant van 28 maart 2018, nr. 6499.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13 van de Awb, voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid om schriftelijk of mondeling zienswijzen over het ontwerpbesluit naar voren te brengen en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

De Boven-Rijn en Waal behoren tot de drukst bevaren vaarwegen in Nederland. Bij Lobith passeren jaarlijks ongeveer 140.000 schepen de grens met Duitsland. Het Rijk heeft de Boven-Rijn en de Waal in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte dan ook aangewezen als hoofdtransportas. De omvang van het goederenvervoer over water neemt nog jaarlijks toe. Deze groei zet naar verwachting door als gevolg van het operationeel worden van Maasvlakte II. In de scheepvaart doet zich bovendien een geleidelijke schaalvergroting voor. De gebruikte schepen worden groter.

Om de veiligheid van de scheepvaart te borgen, is wettelijk bepaald dat schippers op gezette tijden rust moeten nemen. Om een veilige en vlotte scheepvaart op het hoofdvaarwegennet te bevorderen is het beleid er op gericht voldoende ligplaatsen te realiseren langs de hoofdvaarwegen. Dit is vastgelegd in de Nota Mobiliteit die integraal is opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2011).

Om schippers voldoende gelegenheid te geven te rusten zonder op de rivier voor anker te moeten gaan, realiseert Rijkswaterstaat langs hoofdvaarwegen overnachtingshavens. In het Beheer- en ontwikkelplan van de rijkswateren 2016-2021 is opgenomen dat er om de 30 kilometer overnachtingsplaatsen moeten zijn. Dat komt overeen met ongeveer 2 uur varen. Doordat er onvoldoende ligplaatsen zijn voor schippers, gaan de schepen op de rivier voor anker om te voldoen aan de wettelijk voorgeschreven vaar- en rusttijden. Voor anker gaan op de rivier is volgens de geldende regelgeving verboden, maar wordt momenteel op een aantal plekken op de rivier noodgedwongen gedoogd. Schepen die op de rivier voor anker gaan leveren een gevaar voor de openbare veiligheid. Door langsvarende schepen kunnen de ankers van schepen gaan krabben (loslaten) waardoor aanvaringen kunnen ontstaan en daarmee samenhangend brand- en explosiegevaar ontstaat en het gevaar van vrijkomen van giftige stoffen.

Op de Waal tussen Tiel en de Duitse grens is er sprake van een aanzienlijk tekort aan overnachtingsplaatsen. Zonder aanvullende plaatsen kan een deel van de vloot niet optimaal opereren en/of veroorzaakt hinder voor de overige vaart. Uit het oogpunt van veiligheid en bereikbaarheid is een overnachtingshaven ter hoogte van Lobith van groot belang.

De overnachtingshaven Spijk is een project van Rijkswaterstaat, Provincie Gelderland en de gemeente Zevenaar om de vlotheid en de veiligheid van het scheepvaartverkeer te verbeteren en het tekort aan overnachtingsplaatsen voor de binnenvaart op te heffen. De onteigening wordt verzocht ten behoeve van de aanleg van de overnachtingshaven. Rijkswaterstaat realiseert de overnachtingshaven en is hiervan de beheerder. Om deze reden is De Staat (Rijkswaterstaat) verzoeker om onteigening.

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat heeft de provincie Gelderland gevraagd om in de buurt van Lobith een locatie te vinden voor een nieuwe overnachtingshaven. De provincie heeft deze opdracht opgepakt met Rijkswaterstaat en de gemeente Zevenaar. Samen hebben zij hun voorkeur uitgesproken om de bestaande haven in Tuindorp te moderniseren en om bij Spijk een nieuwe overnachtingshaven aan te leggen.

De bestaande overnachtingshaven bij Lobith (Overnachtingshaven Tuindorp) biedt ruimte aan circa 23 schepen. In de huidige situatie is deze haven echter niet geschikt voor schepen groter dan 85 meter. Na modernisering van Overnachtingshaven Tuindorp is er ruimte voor 18 ligplaatsen voor schepen tot 110 meter. De nieuwe Overnachtingshaven Spijk biedt ruimte voor circa 50 ligplaatsen voor schepen groter dan 110 meter. Door Overnachtingshaven Tuindorp te moderniseren en de aanleg van de nieuwe haven bij Spijk, is de binnenvaart hier in de toekomst verzekerd van voldoende ligplaatsen. Zo hoeven schippers niet langer op de rivier voor anker te gaan. Daarnaast is het van belang dat de havens ook een belangrijke functie hebben als uitwijkhaven ingeval van stremmingen op de rivier, bij voorbeeld als gevolg van hoog water, calamiteiten of werkzaamheden. Voor de modernisering van de Overnachtingshaven Tuindorp is geen grondverwerving noodzakelijk, waardoor onteigening voor de locatie Tuindorp niet aan de orde is.

Om de werken en werkzaamheden tijdig te kunnen realiseren wenst De Staat de eigendom te verkrijgen, vrij van lasten en rechten, van de onroerende zaken die in het onteigeningsplan zijn begrepen.

De verzoeker heeft met de eigenaren overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft vooralsnog niet tot (volledige) overeenstemming geleid. Omdat het ten tijde van het verzoek naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, heeft de Minister van Infrastructuur en Waterstaat een verzoek ingediend tot aanwijzing ter onteigening van deze onroerende zaken, om de tijdige verwezenlijking van het plan van het werk zeker te stellen.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat de realisatie van de haven is beoogd in 2019-2021 zodat de Minister kan voldoen aan de taakstelling van de openstelling van de overnachtingshaven per 2021. In oktober 2017 is gestart met de voorbereiding van het realisatiecontract D&C Overnachtingshaven Spijk teneinde midden 2019 het werk Europees openbaar aan te besteden. Naar verwachting zal de uitvoering in juli 2019 starten. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen, zijn daarover zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. Boskalis Nederland B.V., eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 5.1, 5.2 en 5.3, verder te noemen: reclamante 1;

  • 2. 2. J.T.M. Kraaijvanger, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 7.1, 7.2 en 7.3, verder te noemen: reclamant 2;

  • 3. De erven van M. Möser-Weiss, eigenaar van de onroerende zaak met het grondplannummer 6.1, verder te noemen: reclamanten 3.

Overeenkomstig artikel 63, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamant(en) in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 23 mei 2018 te Zevenaar gehouden hoorzitting.

Reclamanten 1, 2 en 3 hebben van deze gelegenheid gebruik gemaakt.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Wij hebben hetgeen reclamanten in hun zienswijzen naar voren brengen samengevat in de hierna volgende passages. Daarbij hebben wij tevens Onze overwegingen bij de zienswijzen weergegeven.

De zienswijze van reclamante 1

1. Reclamante betoogt dat zij in staat en bereid is tot zelfrealisatie. Onteigening is daarom niet noodzakelijk. Reclamante maakt kenbaar dat zij op basis van afspraken met reclamant 2 ten behoeve van zelfrealisatie ook de beschikking heeft over de percelen met de kadastrale kenmerken Lobith en Spijk A1629, A1630 en A1631.

Reclamante betoogt dat verzoeker reeds lange tijd bekend is met de wens van reclamante om zelf te realiseren. Daarbij verwijst reclamante naar een rapport van Witteveen + Bos van 10 oktober 2014 en een brief van reclamante van 17 december 2015 en een zienswijze van reclamante van 20 januari 2016. Daarin staat primair de wens en het voornemen van reclamante beschreven, om ontgronding op haar gronden, de gronden van haar samenwerkingspartners en de gronden van verzoeker zelf uit te voeren en indien gewenst het werk aan te besteden. Na uitvoering zouden de gronden dan overgedragen worden aan de Staat. Subsidiair is reclamante bereid de gronden die nodig zijn voor de realisatie van het werk in erfpacht uit te geven aan verzoeker. Na afronding van het werk zou de erfpacht dan omgezet worden in een eigendomsrecht. Met beide werkwijzen komen de opbrengsten van de zandwinning terecht bij de huidige eigenaren van de grond en wordt recht gedaan aan het eigendomsrecht en het recht om daarvan volledig te profiteren. Daarnaast wordt recht gedaan aan het belang van de Staat om het werk te kunnen realiseren en over de eigendom daarvan te beschikken. Over deze mogelijkheden heeft ten onrechte nog geen overleg plaatsgevonden. Zolang dit overleg niet wordt gevoerd ontbreekt de noodzaak tot onteigening.

Tijdens de hoorzitting heeft reclamante nog toegelicht dat het haar louter erom gaat dat zij gebruik kan maken van datgene wat haar eigendomsrecht omvat: het recht om daarvan ten volle de vruchten te genieten. Hiertoe is zij bereid en in staat is om zelf te realiseren waarbij een waaier van afspraken mogelijk is. Zo wil reclamante realiseren conform de plannen en vergunningen van de Staat. Omdat reclamante niet over alle gronden beschikt zou de Staat daarbij haar reeds verworven gronden aan reclamante kunnen verkopen of ter beschikking stellen.

Ad 1.1

Met betrekking tot het beroep op het zelfrealisatiebeginsel overwegen Wij in het algemeen dat bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening door Ons zal worden getoetst of het doel waarvoor wordt onteigend niet te bereiken valt door het door de grondeigenaar zelf uitvoeren van de bestemmingen die aan zijn eigendom zijn toegekend. Indien de eigenaar te kennen geeft daartoe bereid en in staat te zijn, bestaat er in beginsel geen noodzaak tot onteigening. Hierop kan een uitzondering worden gemaakt in de situatie dat de verzoeker om onteigening een andere vorm van planuitvoering wenst dan die welke de grondeigenaar voor ogen staat. In dat geval is onteigening alleen te rechtvaardigen als de verzoeker om onteigening kan aantonen dat het algemeen belang de door hem gewenste vorm van uitvoering vordert. De beoordeling welke vorm van uitvoering dienstig is aan het algemeen belang, is daarbij voorbehouden aan het bestuursorgaan dat het bestemmingsplan heeft vastgesteld. Of de grondeigenaar bereid en in staat is om zelf tot planuitvoering over te gaan, hangt dan ook mede af van de door het bestuursorgaan gewenste vorm van planuitvoering. In verband daarmee moet de gewenste vorm van planuitvoering aan de grondeigenaar kenbaar zijn gemaakt. De vorm van planuitvoering kan worden afgeleid uit de planregels en de toelichting van een inpassingsplan alsmede uit al dan niet daarvan deel uitmakende inrichtings- en verkavelingsschetsen. De gewenste vorm van uitvoering kan ook tot uitdrukking komen in een exploitatieplan.

Andere situaties die een beroep op zelfrealisatie in de weg kunnen staan, zijn dat de grondeigenaar niet over voldoende aaneengesloten grond beschikt om de bestemming op doelmatige wijze zelf te kunnen realiseren of als de te onteigenen gronden geen afzonderlijk deel van het uit te voeren project kunnen vormen.

Verder overwegen Wij dat maatregelen van infrastructurele aard, volgens ons bestendig beleid doorgaans niet voor zelfrealisatie in aanmerking komen. Dit is ook vermeld onder 2.3.3 (blz. 22) van de Handreiking administratieve onteigeningsprocedure van 16-01-2016, van Rijkswaterstaat Corporate dienst.

Dit in aanmerking nemend overwegen Wij dat, voor zover aanleg van overnachtingshaven met bijkomende werken door reclamante al mogelijk zou zijn, dit ongewenst is. Overeenkomstig Ons bestendig beleid is het uit een oogpunt van integrale aanleg en integraal beheer van infrastructurele werken, waaronder havenwerken, immers doelmatig te achten dat de overheid de daarvoor benodigde gronden in eigendom verkrijgt. Het onderhavige infrastructurele werk kenmerkt zich immers doordat het een havenwerk betreft dat onderdeel uitmaakt van een hoofdvaarweg en waarmee de veiligheid en de doorstroming van het scheepvaartverkeer is gemoeid. De benodigde de gronden van reclamanten 1 en 2 zijn benodigd om het infrastructurele werkt te realiseren. Voor die gronden geldt dat het vanuit het oogpunt van integrale aanleg en integraal beheer van deze werken doelmatig moet worden geacht dat de Staat deze in eigendom verkrijgt en zelfrealisatie dan ook niet voor de hand ligt. Gelet op het vorenstaande mocht verzoeker aan het verzoek van reclamante tot zelfrealisatie voorbij gaan. De vraag of reclamant al dan niet daadwerkelijk hiertoe bereid en in staat is en de daartoe aangedragen zelfrealisatieoplossingen, staan Ons dan ook verder niet meer ter beoordeling.

Ten aanzien van de klacht van reclamante dat verzoeker ten onrechte niet met haar in overleg is getreden over de door haar aangedragen voorstellen en oplossingen, overwegen Wij dat verzoeker hieraan voorbij mocht gaan omdat de onderhavige infrastructurele werken niet voor zelfrealisatie in aanmerking komen. Verzoeker heeft reclamante in bij e-mail van 2 oktober 2015 al laten weten dat zelfrealisatie niet mogelijk was en dat, om geen verkeerde verwachtingen te wekken, geen gevolg wordt gegeven aan het verzoek van reclamante om daarover in gesprek te gaan. Dit is gedurende het nadien gevoerde overleg meerdere malen door verzoeker aan reclamante bevestigd.

Voor zover reclamante betoogt dat zij bij de zienswijze verwacht hoger inkomsten te genereren dan bij onteigening, is deze zienswijze financieel van aard.

Wij merken hierover op dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende partij rechtstreeks en noodzakelijk lijdt door het verlies van zijn onroerende zaak. Artikel 41 van de onteigeningswet ziet daarnaast op de te vergoeden waardevermindering van het overblijvende. De samenstelling en de hoogte van de schadeloosstelling staan Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komen bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. In het kader van de administratieve onteigeningsprocedure wordt evenmin getreden in de vraag of alle schadecomponenten in de schadeloosstelling zijn opgenomen. Ook dit aspect komt bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming in de gerechtelijke onteigeningsprocedure aan de orde. Wel kan de geboden schadeloosstelling als onderdeel van de toetsing van de kwaliteit van het gevoerde minnelijk overleg bezien worden. Ten aanzien van het gevoerde overleg verwijzen wij naar hetgeen Wij hierover onder 1.2 overwegen.

1.2

Reclamante betoogt dat er geen serieuze pogingen zijn ondernomen om de gronden minnelijk te verwerven. Er zijn op 26 juli 2016 en 10 maart 2017 weliswaar biedingen gedaan, maar bij het eerste bod ontbrak een aanbod voor de vrijgekomen bodembestanddelen en bij het tweede bod was de vergoeding hiervoor beperkt en gebaseerd op een onjuiste berekening. Er worden in de berekening namelijk realisatiekosten aan reclamante toegerekend die ongeacht de aanwezigheid van bodembestanddelen gemaakt moeten worden. Bovendien wordt de last van bodemverontreiniging in de gronden van verzoeker ten onrechte omgeslagen over alle percelen.

Op 23 augustus 2017 heeft reclamante een memo overlegd met een berekening. Verzoeker is hier niet inhoudelijk op ingegaan en heeft bij brief van 13 september 2017 het bod herhaald. Nadat er later alsnog over de berekening en grondslagen van deze berekening gesproken is, heeft verzoeker bij brief van 8 december 2017 enerzijds kenbaar gemaakt de voorstellen van reclamante te onderzoeken, maar anderzijds verklaard dat de voorstellen geen aanleiding vormen het aanbod bij te stellen. Daarna heeft verzoeker op 19 december 2017 het onteigeningsverzoek ingediend. Reclamante betoogt dat deze werkwijze in strijd is met het zorgvuldigheidsbeginsel. Tot op heden is reclamante nog in afwachten van de uitkomsten van het onderzoek. De onteigening is daarmee prematuur en de noodzaak ontbreekt.

Ad 1.2

Wij kunnen reclamante niet volgen in haar betoog dat verzoeker in strijd heeft gehandeld met het zorgvuldigheidsbeginsel. Het betoog van reclamante dat de onteigening prematuur is, de biedingen niet serieus zijn en de noodzaak ontbreekt, wordt vooral ingegeven door een groot verschil van inzicht tussen partijen over de uitleg van de wijze van berekening van de mogelijke waarde van de bodembestanddelen. Dit zienswijzeonderdeel heeft daarmee eveneens in feite betrekking op de hoogte en samenstelling van de schadeloosstelling in welk kader reclamante de kwaliteit van het minnelijk overleg aan de orde stelt.

Met betrekking tot het gevoerde minnelijk overleg overwegen Wij in het algemeen dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterst middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid. Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op de voet van de titels II en IIa van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoek om onteigening met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoek aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoek al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

Wij overwegen verder dat in een proces gericht op de minnelijke verwerving van gronden vooreerst van een onteigenende partij mag worden verwacht dat deze een aanbod tot schadeloosstelling doet dat is gericht op deze verwerving. Van de te onteigenen partij mag echter ook worden verwacht dat deze daartegenover zijn eis wat betreft de hoogte van de schadeloosstelling kenbaar maakt. Op basis van wederzijdse taxaties, die in het verdere overleg kunnen worden ingebracht en uitgewisseld, kan vervolgens verder worden onderhandeld, in welk kader beide partijen eventueel tot wijziging van hun standpunten met betrekking tot de schadeloosstelling kunnen komen.

Uit de Ons overlegde stukken en verstrekte informatie blijkt dat partijen vanaf mei 2016 met elkaar in overleg zijn. Verzoeker heeft voorafgaand aan het verzoek schriftelijke biedingen uitgebracht op 26 juni 2016, 10 maart 2017, 13 september 2017 en op 8 december 2017 tot volledige schadeloosstelling op grond van de onteigeningswet. Partijen hebben hierover geen overeenstemming kunnen bereiken. Verzoeker heeft zich laten bijstaan door een taxatiecommissie bestaande uit drie onafhankelijke taxateurs, wat in het kader van de grondverwerving en ter bepaling van de hoogte van de schadeloosstelling doorgaans een gebruikelijke gang van zaken is. Verzoeker heeft de door hem gedane aanbiedingen gebaseerd op een taxatie van deze onafhankelijke taxateurs. Bij het opstellen van haar adviezen heeft de taxatiecommissie zich gebaseerd op de gegevens die op dat moment bekend waren, op de door reclamante verstrekte informatie en op recente jurisprudentie. Op basis van wederzijdse taxaties en het uit uitwisselen van standpunten heeft verzoeker zijn biedingen naar boven en reclamante haar vraagprijs naar beneden bijgesteld. Partijen blijven echter van mening verschillen over de uitgangspunten die gehanteerd moeten worden bij het bepalen van de omvang van de vergoeding, in het bijzonder voor de onwinbare bodembestanddelen. Het bedrag waarop reclamante meent recht te hebben, blijft aanzienlijk hoger dan de vergoeding die door verzoeker wordt aangeboden. Verder is Ons gebleken dat de wijze van berekenen van dit onderdeel van de schadeloosstelling zeer complex is en van beide partijen tijd vergt. Zo heeft verzoeker lang moeten wachten op een reactie van reclamante op haar biedingen. Reclamante heeft op haar beurt weer lang moeten wachten op een reactie van verzoeker op de onderbouwing van reclamante. Verzoeker heeft bij brief van 8 december 2017 de start van de administratieve onteigening aangekondigd omdat partijen op dat moment nog niet tot overeenstemming zijn gekomen. In deze brief heeft verzoeker kenbaar gemaakt dat op dat moment nog geen aanleiding bestond om het aanbod van 13 september 2017 te herzien, maar dat de taxatiecommissie zich verder zal beraden over de door reclamante aangeleverde nadere onderbouwing en dat het overleg zal worden voortgezet.

Verzoeker dient hierna bij brief van 19 december 2017 het verzoek tot het starten van de administratieve onteigeningsprocedure in.

Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de verzoeker voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende pogingen heeft ondernomen om met reclamante tot overeenstemming te komen. Aangezien het ten tijde van het onteigeningsverzoek aannemelijk was dat, vanwege het grote verschil van inzicht tussen partijen over de hoogte van de vergoeding, het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.

Na de indiening van het verzoek is het overleg voortgezet en heeft de taxatiecommissie op 20 april 2018 de uitgangspunten van de schadeloosstelling mede in het licht van de recente jurisprudentie aan de adviseur van reclamante en aan verzoeker toegelicht. Verzoeker heeft naar aanleiding hiervan bij e-mail van 3 mei 2018 een bijgesteld hoger aanbod uitgebracht. Hierover overwegen wij dat gedurende het minnelijk overleg door het uitwisselen van wederzijdse standpunten en recente jurisprudentie ook wijzigingen kunnen optreden in de hoogte van de aangeboden vergoeding. Doen deze wijzigingen zich voor dan brengt dat niet automatisch met zich dat het minnelijk overleg als onvoldoende serieus of niet redelijk moet worden aangemerkt. Partijen hebben deze bieding op 24 mei 2018 besproken, maar zij blijven verdeeld over uitgangspunten van bij de berekening van de schadeloosstelling.

Gelet op bovenstaande heeft het voortgezette overleg nog niet tot een oplossing en tot overeenstemming met reclamanten geleid. Wij merken op dat dit overleg dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf moet gaan, alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing kan leiden.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamante1 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamant 2

2.1

Reclamant betoogt dat door een omissie in een eerdere terinzagelegging van de onteigeningsstukken, een nieuwe terinzagelegging is gestart, zonder actualisatie van de kadastrale gegevens. Reclamant vraagt zich af hoe zich dat verhoudt met het bepaalde in paragraaf 5.1.6 van de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure.

Ad 2.1

In paragraaf 5.1.6 van de Handreiking Administratieve Onteigeningsprocedure is opgenomen dat kadastrale berichten op het moment van indienen van het officiële verzoek om onteigening bij voorkeur niet ouder zijn dan circa twee maanden. Het verzoek is op 19 december 2017 ingediend, de kadastrale berichten zijn gedateerd op 15 november 2017, waarmee ze op het moment van het indienen van het verzoek actueel genoeg zijn. Het feit dat de stukken opnieuw ter inzage zijn gelegd, maakt dit niet anders. Reclamant voert niet aan welke wijziging er sedert 15 november 2017 heeft plaatsgevonden in de kadastrale gegevens die relevant is voor deze administratieve onteigeningsprocedure.

2.2

Reclamant betoogt dat er geen actueel bod is gedaan. Het laatste aanbod van 13 september 2017 is een herhaling van het aanbod van 10 maart 2017. Omdat er in de contacten met verzoeker aangegeven was dat er nader juridisch advies was ingewonnen en dat dit gedeeld zou worden met de onderhandelaars en omdat de door verzoeker ingeschakelde taxatiecommissie met een herijking van haar advies zou komen, waren er wel redenen om het aanbod te actualiseren.

Ad 2.2

Wij kunnen reclamant niet volgen in zijn betoog dat er redenen waren om het aanbod te actualiseren voordat het verzoek zou worden ingediend. Wij verwijzen vooreerst naar hetgeen Wij in het algemeen hierover onder ad 1.2 van de zienswijze reclamant 1 hebben overwogen.

Dit in aanmerking overwegen Wij dat Ons uit de overgelegde stukken en hetgeen in de hoorzitting aan de orde is geweest, is gebleken dat partijen aanvankelijk vanaf mei 2016 tot januari 2017 overleg hebben gevoerd. Daarna heeft reclamant het overleg afgehouden, omdat hij eerst de uitkomst van zijn beroep bij de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State tegen het Inpassingsplan wil afwachten. Ook heeft reclamant geen toestemming gegeven voor een taxatieopname. In verband daarmee heeft verzoeker zijn aanbiedingen van 10 maart 2017 en 13 september 2017, gebaseerd op een zichttaxatie. Op 24 oktober 2017 hebben partijen overleg gevoerd. Nadien hebben partijen meerderen malen telefonisch en per e-mail contact gehad. Op 27 november 2017 hebben partijen telefonisch overleg gevoerd over de uitgangspunten van de berekening van de schadeloosstelling, waarbij geconstateerd is dat hierover een groot verschil van inzicht bestaat.

Verzoeker heeft vervolgens bij brief van 8 december 2017 de start van de administratieve onteigening aangekondigd omdat partijen op dat moment nog niet tot overeenstemming zijn gekomen. In deze brief heeft verzoeker kenbaar gemaakt dat op dat moment nog geen aanleiding bestond om het aanbod van 13 september 2017 te herzien, maar dat de taxatiecommissie zich verder zal beraden over de door reclamante aangeleverde nadere onderbouwing en dat het overleg zal worden voortgezet.

Verzoeker dient hierna bij brief van 19 december 2017 het verzoek tot het starten van de administratieve onteigeningsprocedure in.

Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de verzoeker voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure voldoende pogingen heeft ondernomen om met reclamante tot overeenstemming te komen. Aangezien het ten tijde van het onteigeningsverzoek aannemelijk was dat, vanwege het grote verschil van inzicht tussen partijen over de hoogte van de vergoeding, het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.

Na de indiening van het verzoek is het overleg voortgezet en heeft de voorzitter van de taxatiecommissie op 14 mei 2018 de uitgangspunten van de schadeloosstelling in het licht van de recente jurisprudentie aan de adviseur van reclamante en aan verzoeker toegelicht. Verzoeker heeft naar aanleiding hiervan bij e-mail van 16 mei 2018 een bijgesteld hoger aanbod uitgebracht. Hierover overwegen wij dat gedurende het minnelijk overleg door het uitwisselen van wederzijdse standpunten ook wijzigingen kunnen optreden in de hoogte van de aangeboden vergoeding. Doen deze wijzigingen zich voor dan brengt dat niet automatisch met zich dat het minnelijk overleg als onvoldoende serieus of niet redelijk moet worden aangemerkt. Partijen hebben deze bieding op 30 mei 2018 besproken, maar zij blijven verdeeld over uitgangspunten van bij de berekening van de schadeloosstelling.

Gelet op bovenstaande heeft het voortgezette overleg nog niet tot een oplossing en tot overeenstemming met reclamanten geleid. Wij merken op dat dit overleg dan wel het overleg dat ingevolge artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke onteigeningsprocedure vooraf moet gaan, alsnog tot een voor partijen aanvaardbare oplossing kan leiden.

2.3

Reclamant betoogt dat het gevoerde overleg niet compleet is, omdat er in het gedane aanbod geen rekening is gehouden met de aanwezigheid van pachtgronden bij reclamant. Reclamant maakt kenbaar gronden te pachten van Staatsbosbeheer en Waterschap Rijn en IJssel. De pachtovereenkomst met Staatsbosbeheer is niet conform contract opgezegd en de wettelijke sanctie van artikel 7:322 Burgerlijk Wetboek is van toepassing. Ook de pachtovereenkomst met Waterschap Rijn en IJssel is niet beëindigd.

Ad 2.3

Het al dan niet opnemen van pachtgronden in het aanbod heeft betrekking op de hoogte en de samenstelling van de aangeboden schadeloosstelling en is daarmee financieel van aard. De hoogte en wijze van berekening van de schadeloosstelling staan Ons in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet ter beoordeling, maar komen bij het ontbreken van minnelijke overeenstemming aan de orde in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Wij wijzen op hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder 1.1. Overigens heeft verzoeker desgevraagd kenbaar gemaakt dat de door reclamant bedoelde gronden door de eigenaren vrij van pacht aan de Staat ter beschikking worden gesteld.

2.4

Reclamant betoogt dat hij al geruime tijd kenbaar heeft gemaakt interesse te hebben in het verkrijgen van vervangende grond. Daartoe zijn mogelijkheden, omdat de Provincie in de nabijheid van de reclamant een geschikt perceel in eigendom heeft. Reclamant benadrukt dat de belangrijke rol van de Provincie in het totaal van de planuitvoering is vastgelegd in een realisatieovereenkomst met verzoeker en betoogt dat het daarom onbegrijpelijk is dat de Provincie betreffende grond niet wil aanbieden. Nu deze mogelijkheid tot minnelijke verwerving van de in de onteigening betrokken gronden van reclamant ten onrechte niet is gebruikt, is er geen sprake van een serieuze poging om tot overeenstemming te komen.

Ad 2.4

Wij overwegen in algemene zin dat de onteigeningswet de onteigenende partij niet verplicht tot schadeloosstelling in de vorm van compensatiegrond, herhuisvesting, alternatieve locaties of andere oplossingen. Uitgangspunt is dat de onteigeningswet de belanghebbenden een volledige schadeloosstelling in geld waarborgt. De mogelijkheden tot schadeloosstelling in een andere vorm dan in geld zullen langs minnelijke weg en veelal in samenwerking met andere overheden, of met particuliere eigenaren van gronden onderzocht moeten worden. Desondanks kunnen vragen om compensatiegrond of andere oplossingen aan de orde komen in het kader van de toetsing van het gevoerde minnelijk overleg over de verwerving van de benodigde gronden. Indien een belanghebbende in het minnelijk overleg immers duidelijk maakt de voorkeur te geven aan vervangende grond of een andere oplossing, moet de verzoeker nagaan of hieraan tegemoet gekomen kan worden. Omdat onteigening een uiterste middel is, is de noodzaak tot onteigening immers ook afhankelijk van de wijze waarop dat minnelijk overleg is en zal verlopen. Hierbij geldt dat de verzoeker gehouden is aan zijn eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk, toegesneden planning.

Dit in aanmerking nemend is Ons gebleken dat de ruilgrond waar reclamant op doelt in eigendom is bij de provincie Gelderland. De door reclamant bedoelde gronden zijn door de provincie te koop aangeboden aan partijen die ten behoeve een ander project(project Rijnstrangen), grond hebben moeten afstaan. Verzoeker heeft de wens van reclamant onder de aandacht van de provincie gebracht, maar kan daar verder geen invloed op uitoefenen. De provincie heeft kenbaar gemaakt dat reclamant voor de koop kan inschrijven vanwege het feit dat op een deel van zijn gronden de overnachtingshaven is geprojecteerd. Het blijft echter onzeker of reclamant deze gronden kan kopen. Verzoeker heeft in het voorgezet overleg op 30 mei 2018 toegezegd dat hij de wens van reclamant om in aanmerking te komen voor de aankoop van de bedoelde kavel, nogmaals onder de aandacht van de provincie zal brengen.

Het vorenstaande in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat de wens van reclamant om compensatiegrond door verzoeker is onderkend en onder de aandacht van de provincie gebracht, maar omdat een dergelijke oplossing in overleg met andere overheden of particulieren nader onderzocht moet worden, kon hiermee niet op afzienbare termijn overeenstemming worden verwacht. In dit kader overwegen Wij verder dat hierbij in aanmerking moet worden genomen dat de verzoeker gebonden is aan zijn eigen, op de urgentie van het werk toegespitste planning.

2.5

Reclamant betoogt dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt voor het deel van zijn gronden dat aan de oostzijde van de Beijenwaard ligt. In de zakelijke beschrijving staat dat het beheer van de groene zone die daar overblijft en is aangeduid met het type stroomgrasland, zal bestaan uit maai- of begrazingsbeheer. Nu reclamant is in beginsel in staat en bereid is om voor dit beheer zorg te dragen is onteigening van deze gronden niet noodzakelijk.

Ad 2.5

Wij kunnen reclamant niet volgen in zijn betoog dat er geen noodzaak tot onteigening is voor het deel van zijn gronden dat aan de oostzijde van de Beijenwaard ligt. Verzoeker heeft ter hoorzitting toegelicht dat deze onroerende zaken zullen worden ingericht als talud, berm en ontsluitingsweg. Het natuurdoeltype stroomdalgrasland wijkt wezenlijk af van het bestaande type niet beschermd grasland en vraagt ook om een ander dan het bestaande beheer (extensief). Na herinrichting zullen deze gronden dienen als uitloopgebied voor het dorp Spijk, gebruikers van de haven en overige bezoekers. Het zal daartoe openbaar toegankelijk worden gemaakt door de aanleg van trappen, struinpaden en camperplaatsen. Het beheer en onderhoud van dit openbaar gebied maakt onderdeel uit van het beheer en onderhoud van het totale havencomplex. Om dit werk te kunnen realiseren en daarna te beheren, is het noodzakelijk dat verzoeker de in de onteigening betrokken gronden in eigendom verkrijgt.

5.6

Reclamant betoogt dat de noodzaak voor onteigening ontbreekt, omdat hij en reclamante 1 gezamenlijk bereid zijn tot zelfrealisatie. Reclamant verwijst naar hetgeen reclamante 1 in haar zienswijze hierover heeft opgenomen en is samengevat onder punt 1.1.

Ad 5.6

Reclamant maakt de zienswijze van reclamant 1 voorzover het onderdeel zelfrealisatie betreft tot de zijne. Wij verwijzen naar wat Wij hierover onder ad 1.1 van de zienswijze reclamant 1 hebben overwogen.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 2 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

De zienswijze van reclamanten 3

3.1

Reclamanten betogen dat de noodzaak voor de aanleg van een overnachtingshaven en daarmee dus ook de noodzaak voor onteigening niet is aangetoond. De noodzaak zoals die is beschreven in de zakelijke beschrijving en in het ontwerp koninklijk besluit is niet onderbouwd en bevat geen verwijzingen naar bronmateriaal. De beschrijving van de noodzaak komt overeen met de beschrijving hiervan in het provinciaal inpassingsplan Overnachtingshaven Lobith. De onderliggende gegevens zijn echter verouderd en achterhaald. Verzoeker weigert actueel onderzoek te verrichten. Reclamanten hebben verzoeker aanvullende en meer recente onderzoeksresultaten doen toekomen. Deze onderzoeksresultaten wijken af van de resultaten waarop verzoeker de beschrijving van de noodzaak baseert. Op geen van deze resultaten wordt in het ontwerp koninklijk besluit ingegaan, waardoor het besluit onzorgvuldig is voorbereid en berust op een ondeugdelijke motivering.

Ad 3.1

Deze onderdelen zien op de noodzaak tot de aanleg van het werk ter plaatse van de onroerende zaak van reclamanten en de keuze uit mogelijke alternatieven. Daarmee is dit onderdeel planologisch van aard. De planologische aspecten van het te maken werk kunnen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig worden beoordeeld, maar konden in de procedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening aan de orde gesteld worden. Reclamanten hebben van deze mogelijkheid gebruik gemaakt en beroep ingesteld tegen het inpassingsplan provinciaal inpassingsplan Overnachtingshaven Lobith.

De noodzaak van de aanleg van de overnachtingshaven Lobith is in het kader van die procedures al bepaald en vastgesteld. Zoals Wij hiervoor onder Planologische grondslagal hebben opgemerkt, is het inpassingsplan vastgesteld, waarmee ook het publiek belang van de onteigening ter uitvoering van dat plan gegeven is. Het is aan de bestuursrechter om te bepalen of dit plan, in aanmerking nemend het daartegen door onder meer reclamanten ingestelde beroep, onherroepelijk zal worden. In deze procedure dient het vastgestelde plan als gegeven te worden beschouwd.

3.2

Reclamanten betogen dat het zij meermaals te kennen hebben gegeven dat zij niet bereid zijn de in de onteigeningsprocedure opgenomen grond te verkopen, voordat het publieke belang van het inpassingsplan Overnachtingshaven Lobith is komen vast te staan. Het provinciaal inpassingsplan Overnachtingshaven Lobith is nog niet onherroepelijk en het is nog onzeker wanneer de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uitspraak zal doen. Dat niet valt in te schatten binnen welke termijn hierover uitspraak gedaan wordt, ligt niet aan reclamanten. Het is daarom onjuist en onzorgvuldig dat verzoeker op dit moment de onteigeningsprocedure is gestart. Vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid zouden daarom in het ontwerp koninklijk besluit ontbindende voorwaarden opgenomen moeten worden

Ad 3.2

Voor het kunnen starten van de administratieve onteigeningsprocedure op grond van artikel 72a van de onteigeningswet geldt als vereiste dat een aanvang is genomen met de planologische inpassing van het werk ten behoeve waarvan de aanwijzing ter onteigening wordt verzocht. Hierbij geldt dat een procedure als bedoeld in artikel 3.26 van de Wet ruimtelijke ordening moet zijn gestart. Hierbij geldt bovendien, dat belanghebbenden de mogelijkheid moeten hebben tot het naar voren brengen van zienswijzen in een planologische procedure voorafgaand aan of ten minste gelijktijdig met de mogelijkheid tot het naar voren brengen van zienswijzen in het kader van de administratieve onteigeningsprocedure. Zoals Wij hiervoor onder Planologische grondslagal hebben opgemerkt, is het inpassingsplan vastgesteld en mocht de administratieve procedure worden gestart.

In de onderhavige kwestie is sprake van een onteigening op grond van titel IIa van de onteigeningswet, waarin volgens bestendig beleid de bedoelde opschortende en ontbindende voorwaarden niet worden gesteld. Wij verwijzen hiervoor onder andere naar onze besluiten van 29 augustus 2011, nr. 11.002027; Stc. 19 september 2011, nr. 16477 (aanleg tunnel en aanpassing weg Meerssen en Maastricht), van 4 december 2012, nr. 12.002878; Stc. 28 december 2012, nr. 26213 (aanleg en reconstructie weg Opsterland, Heerenveen en Ooststellingwerf) en van 22 januari 2018, nr. 2018000112;, Stc. 21 februari 2018, nr. 6099 (HOV ’t Gooi Laren en Hilversum).

Het gestelde over het verloop, de duur en de mogelijke afloop van de procedure gericht op de totstandkoming van het inpassingsplan is planologisch van aard. Gewezen kan worden op hetgeen Wij reeds hebben opgemerkt onder Ad 3.1. Vanuit dit oogpunt kan in onderhavige procedure niet vooruit worden gelopen op de uitspraak in de beroepsprocedure tegen het vastgestelde inpassingsplan.

Overigens merken Wij op dat het provinciaal inpassingsplan Overnachtingshaven Lobith tot stand is gekomen met toepassing van de provinciale coördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, onder b, Wet ruimtelijke ordening (Wro). Voor gevallen waarin onder meer toepassing wordt gegeven aan artikel 3.33 van de Wro gelden onder meer wat betreft de grondverwerving bijzondere bepalingen, die zijn vastgelegd in de artikelen 3.36a en 3.36b van deze wet. Wat de onteigening betreft bepaalt artikel 3.36b, eerste lid, aanhef en onder a, dat de in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan geschieden nadat het inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.33, eerste lid, onder b is vastgesteld. In het tweede lid van artikel 3.36b is vastgelegd dat de rechtbank in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure niet eerder uitspraak doet dan nadat het onderdeel van het inpassingsplan, ter uitvoering waarvan wordt onteigend, onherroepelijk is geworden blijkens een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de secretaris van de Raad van State.

3.3

Reclamanten wijzen erop dat zij door een andere eigenaar is benaderd om de beoogde bestemming zelfstandig te realiseren. Over dit beroep op zelfrealisatie staat niets vermeld in het ontwerp koninklijk besluit.

Ad 3.3

Wij kunnen de stelling van reclamanten dat over het beroep op zelfrealisatie niets is opgenomen in het ontwerp besluit niet volgen. Wij overwegen dat in een ontwerpbesluit tot aanwijzing ter onteigening, dat op grond van afdeling 3.4 van de Awb ter inzage wordt gelegd, in beginsel niet uitdrukkelijk aandacht wordt besteed aan individuele belanghebbenden. Noch uit de Awb, noch uit de onteigeningswet volgt een dergelijke verplichting. Het ontwerpbesluit dient in principe ertoe inzicht te verschaffen in de verzochte onteigening, in het algemeen belang dat daarmee wordt gediend en in de voortgang van de planologische inpassing van de werken. Wij wijzen hierbij op hetgeen Wij eerder hierover hebben overwogen in Onze besluiten van 17 november 2017, nr. 2017002004, Stcrt. 13 december 2017, nr. 69729 (Pijnacker Groenzoom); 19 mei 2016, nr. 2016000834, Stcrt. 27 juni 2016, nr. 29249 (RijnlandRoute, deeltraject 2); 14 november 2014, nr. 2014002189, Stcrt. 12 december 2014, nr. 34042 (Hulst, ontpoldering Hedwigepolder) en 15 maart 2010, nr. 10.000658 Stcrt. 9 april 2010, nr. 5605, (Haarlemmermeer, parallelstructuur).

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 3 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt, dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het overgelegde plan van het werk niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een veilige en vlotte doorstroming van het scheepvaartverkeer noodzakelijk worden geacht dat De Staat de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van de Minister van Infrastructuur en Waterstaat tot het nemen van een besluit krachtens artikel 72a van de onteigeningswet toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 18 juni 2018, nr. RWS-2018/21714, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het verzoek de Minister van Infrastructuur en Waterstaat bij brief van 19 december 2017, kenmerk RWS-2017/44616;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 18 juli 2018, no.W17.18.0150/IV;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat van 1 augustus 2018, nr. RWS-2018/29269, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de aanleg van de Overnachtingshaven Spijk aan de noordoever van de Rijn in de Beijenwaard te Spijk met bijkomende werken, in de gemeente Zevenaar ten name van De Staat ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken in de gemeente Zevenaar aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 63 van de onteigeningswet in gemeente Zevenaar en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Waterstaat is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Wassenaar, 27 augustus 2018

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Waterstaat, C. van Nieuwenhuizen Wijbenga

LIJST VAN DE TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN: Overnachtingshaven Lobith-Spijk

VERZOEKENDE INSTANTIE: Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat, Rijkswaterstaat Grote Projecten en Onderhoud

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente Lobith en Spijk

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte

Als

Ter grootte

van

Sectie

en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

1

Geheel

   

Bedrijvigheid (Nutsvoorziening)

00

00

67

A 1413

Eigendom belast met erfpacht: De heer Gerhard Kintzius, Ludenscheid, Duitsland

Erfpacht: Liander Infra Oost N.V. te Arnhem

                   

5.1

Geheel

   

Terrein (grasland)

01

35

85

A 1875

Eigendom: Boskalis Nederland B.V., Rotterdam

                   

5.2

Geheel

   

Terrein (grasland)

07

55

80

A 1626

Eigendom: Boskalis Nederland B.V., Rotterdam

                   

5.3

Geheel

   

Terrein (grasland)

02

97

10

A 1628

Eigendom: Boskalis Nederland B.V., Rotterdam

                   

6.1

Geheel

   

Wonen erf – tuin

01

45

60

A 1627

Eigendom: Mevrouw Marianne Weiss, gehuwd met De heer Gert Dieter Richard Wilhelm Moser, Spijk GLD

                   

7.1

Geheel

   

Terrein (grasland)

04

56

20

A 1629

Eigendom: De heer Johannes Theodorus Maria Kraaijvanger, gehuwd met mevrouw Dorothea Gerarda Wilhelmina Bernadette Pes, Spijk GLD

7.2

Geheel

   

Terrein (grasland)

03

51

90

A 1630

Eigendom: De heer Johannes Theodorus Maria Kraaijvanger, gehuwd met mevrouw Dorothea Gerarda Wilhelmina Bernadette Pes, Spijk GLD

                   

7.3

Geheel

   

Water

00

62

10

A 1631

Eigendom: De heer Johannes Theodorus Maria Kraaijvanger, gehuwd met mevrouw Dorothea Gerarda Wilhelmina Bernadette Pes, Spijk GLD

Inhoudsopgave


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl