Besluit van 14 november 2014, nr. 2014002189, tot aanwijzing van onroerende zaken ter onteigening in de gemeente Hulst krachtens artikel 78 van de onteigeningswet (onteigeningsplan Ontpoldering Hedwigepolder).

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Ingevolge de artikelen 77 en 78 van de onteigeningswet kan worden onteigend voor de uitvoering van een inpassingsplan.

Het verzoek tot aanwijzing ter onteigening

De Staatssecretaris van Economische Zaken (verder ook: de verzoeker) verzoekt Ons bij brief van 25 maart 2014, kenmerk DGNR-RRE/14015839, om in de gemeente Hulst ten name van de Staat (Economische Zaken) over te gaan tot het aanwijzen van onroerende zaken ter onteigening, die zijn begrepen in het onteigeningsplan Ontpoldering Hedwigepolder.

De onroerende zaken zijn nodig voor de uitvoering van het Rijksinpassingsplan Hertogin Hedwigepolder, gemeente Hulst. De Staatssecretaris van Economische Zaken heeft bij dezelfde brief het verzoek aan Ons ter besluitvorming voorgedragen.

Planologische grondslag

De onroerende zaken die in het onteigeningsplan zijn begrepen, zijn nodig voor de uitvoering van het Rijksinpassingsplan Hertogin Hedwigepolder, gemeente Hulst, verder te noemen: het inpassingsplan. Het inpassingsplan is op 10 februari 2014 vastgesteld door de Staatssecretaris van Economische Zaken en de Minister van Infrastructuur en Milieu. Het inpassingsplan is ten tijde van dit aanwijzingsbesluit nog niet onherroepelijk.

Aan de onroerende zaken zijn de onderscheiden bestemmingen Natuur-Estuariene Natuur, Groen en Water en de dubbelbestemmingen Waterstaat-Waterkering, Waarde Natura 2000, Leidingen-Leidingenstrook, Waarde-Archeologie 1, Waarde-Archeologie 3 en Waarde-Archeologie 4 toegekend.

Toepassing uniforme openbare voorbereidingsprocedure

Overeenkomstig artikel 78, tweede lid, van de onteigeningswet en artikel 3:11, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) hebben het ontwerp koninklijk besluit en de in artikel 79 van de onteigeningswet bedoelde stukken vanaf 1 mei 2014 tot en met 11 juni 2014 in de gemeente Hulst en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage gelegen.

Overeenkomstig artikel 3:12 van de Awb heeft de burgemeester van Hulst van het ontwerp koninklijk besluit en van de terinzagelegging van de onteigeningsstukken op 16 april 2014 openbaar kennis gegeven in het Zeeuwsch Vlaams Advertentieblad. De Minister van Infrastructuur en Milieu (Onze Minister) heeft van het ontwerp koninklijk besluit openbaar kennis gegeven in de Staatscourant van 16 april 2014, nr. 9901.

Verder heeft Onze Minister het ontwerp koninklijk besluit overeenkomstig artikel 3:13, van de Awb voorafgaand aan de terinzagelegging toegezonden aan belanghebbenden, waaronder de verzoeker. Daarbij zijn de belanghebbenden gewezen op de mogelijkheid tot het schriftelijk of mondeling naar voren brengen van zienswijzen over het ontwerpbesluit en op de mogelijkheid over de zienswijzen te worden gehoord.

Overwegingen

Noodzaak en urgentie

Het inpassingsplan voorziet in de ontpoldering van de Hertogin Hedwigepolder. Doel van de ontpoldering is het teruggeven van de polder aan de natuur, op zodanige wijze dat deze samen met het Verdronken Land van Saeftinghe en de reeds ontpolderde en op Vlaams grondgebied gelegen Prosperpolder onlosmakelijk deel zal gaan uitmaken van de estuariene natuur van het Scheldebekken. Ook de aan de Hedwigepolder grenzende Sieperdaschor, de Leidingendam tussen deze schor en het Verdronken Land van Saeftinghe en de Scheldeschor zullen aan deze ontwikkeling worden aangepast en zijn daarom in het inpassingsplan opgenomen.

Het ontpolderen van de Hertogin Hedwigepolder is onderdeel van het Rijksbeleid om tot herstel van de estuariene natuur langs de Schelde te komen. In totaal zal tenminste 600 hectare nieuwe estuariene natuur worden gerealiseerd, waarvan 295 hectare in de Hertogin Hedwigepolder. Daarnaast levert ontpoldering een bijdrage aan de rivierveiligheid, omdat er extra ruimte aan de Schelde wordt gegeven. In het inpassingsplan is ook voorzien in mogelijkheden voor extensieve recreatie en natuurbeleving.

Ter uitvoering van het inpassingsplan zullen de bestaande primair waterkerende Sieperdadijk en Scheldedijk worden afgegraven en zal aan de zuidzijde van het plangebied een nieuwe primaire waterkering genaamd de Hedwigedijk worden opgeworpen. Binnen het huidige poldergebied zullen geulen worden gegraven die in open verbinding staan met de Schelde en die onder invloed van de getijden vervolgens zullen zorgen voor een zich dynamisch ontwikkelend getijden- en natuurgebied.

In de door de verzoeker gewenste wijze van planuitvoering wordt inzicht verschaft door het inpassingsplan met de daarbij behorende planregels, toelichting en verbeelding en door de zakelijke beschrijving die deel uitmaakt van het onteigeningsplan. Dit inzicht wordt ook verschaft door het Projectplan Dijkverlegging en het Inrichtingsplan (bijlagen bij het inpassingsplan).

De verzoeker heeft met de eigenaren van de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken overleg gevoerd om deze onroerende zaken minnelijk in eigendom te verkrijgen. Dit overleg heeft voorlopig niet tot overeenstemming geleid. Om de werken en werkzaamheden voor de uitvoering van het inpassingsplan tijdig te kunnen realiseren, wenst de Staat (Economische Zaken) de eigendom te verkrijgen van de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken, vrij van lasten en rechten.

Omdat het naar het oordeel van de verzoeker niet aannemelijk was dat het overleg op afzienbare termijn tot vrijwillige eigendomsoverdracht zou leiden, heeft deze, om de tijdige verwezenlijking van het inpassingsplan zeker te stellen, tot zijn onteigeningsverzoek besloten.

Uit de Ons bij het verzoek overgelegde zakelijke beschrijving blijkt dat de werken die nodig zijn voor de uitvoering van het inpassingsplan uiterlijk in augustus 2019 gereed moeten zijn. Daartoe zal in mei 2016 een aanvang worden genomen met deze werken. Daarmee is aannemelijk dat zal worden voldaan aan de door Ons voor de aanvang van de werken en werkzaamheden gehanteerde termijn van ten hoogste vijf jaar na de datum van dit aanwijzingsbesluit.

Zienswijzen

Binnen de termijn dat het ontwerp koninklijk besluit ter inzage heeft gelegen zijn daarover zienswijzen naar voren gebracht door:

  • 1. G.J.J.E.L.P. de Cloedt, eigenaar van de onroerende zaken met de grondplannummers 3, 4, 8, 11, 12, 14, 15, 18, 20, 21, 23, 24, 25, 26, 30, 31, 32, 33 en 37, verder te noemen reclamant 1;

  • 2. F.J.L. Verbist en I.J.J. Verbist-van Gijsel, pachters van de onroerende zaken met de grondplannummers 15, 21, 24, 30, 31 en 37, verder te noemen: reclamanten 2;

  • 3. A.J.L.M. Rottier, pachter van de onroerende zaken met de grondplannummers 26 en 31, verder te noemen: reclamant 3;

  • 4. K.J.M. Vergauwen en M.S.N. Benito, gebruikers van de onroerende zaak met grondplannummer 14, verder te noemen: reclamanten 4;

  • 5. L.O.H. van Royen, pachter van de onroerende zaken met de grondplannummers 24 en 26, verder te noemen: reclamant 5.

Overeenkomstig artikel 78, vierde lid, van de onteigeningswet heeft Onze Minister reclamanten in de gelegenheid gesteld te worden gehoord in een op 2 juli 2014 te Terneuzen gehouden hoorzitting.

Overwegingen naar aanleiding van de zienswijzen

Reclamant 1 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren.

  • 1. De onteigening heeft een ongeoorloofde oorzaak. De onteigeningswet vereist namelijk een Nederlands algemeen belang en daarvan is hier geen sprake. Reclamant wijst op het Verdrag tussen het Vlaams Gewest en het Koninkrijk der Nederlanden betreffende de uitvoering van de Ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium d.d. 21 december 2005, het document Principes van de kostentoedeling tussen Nederland en Vlaanderen voor de uitvoering van de Ontwikkelingsschets 2010 (een bijlage bij het Memorandum van Overeenstemming van 11 maart 2005), het document Vertrouwelijke Nota Gevolgen van niet ontpolderen Hedwigepolder en het vonnis van het Vredegerecht van het kanton Beveren van 2 juli 2008. Passages uit deze documenten – het gaat hier volgens reclamant om een bloemlezing – tonen aan dat het project Hedwigepolder in de kern een Vlaams project is, dat bekostigd wordt door Vlaanderen en dat in het bijzonder Vlaamse (lees: Antwerpse) doeleinden dient. De Nederlandse onteigeningswet mag daar niet voor worden ingezet, ondanks het feit dat er een inpassingsplan ligt;

  • 2. niet gebleken is dat aan de door de regering zelf gestelde voorwaarden voor onteigening is voldaan. Uit de Interpretatieve verklaring met betrekking tot het Verdrag betreffende de Ontwikkelingsschets 2010 blijkt dat er voor de verwezenlijking van natuurmaatregelen in het Zwin en de Hertogin Hedwigepolder geen landbouwgronden onteigend worden voordat overleg tussen de Nederlandse regering en de Tweede Kamer der Staten-Generaal heeft plaatsgevonden, op basis van een met reden omklede regeringsnota. Reclamant is niet bekend met het bestaan van een zodanige nota. Het verzoek om onteigening had daarom niet mogen worden ingediend;

  • 3. het verzoekbesluit is prematuur genomen. Hoewel een onteigenende partij een dergelijk besluit aan de Kroon kan richten op het moment waarop het onderliggend planologisch plan is vastgesteld maar nog niet onherroepelijk is, stuit het reeds nu in gang zetten van de onderhavige procedure op bezwaar. Er is immers sprake van massaal verzet tegen de plannen tot ontpoldering, er is een niet-aflatende politieke aandacht voor het dossier en er is sprake van ingrijpende besluitvorming in combinatie met beperkingen die de toepasselijkheid van de Crisis- en herstelwet rechtzoekenden oplegt. De planologische en onteigeningsprocedures moeten voor betrokkenen met de nodige zorgvuldigheid worden gevoerd. Dat betekent onder meer dat reclamant voldoende tijd moet worden gelaten om zich adequaat tegen alle hem bedreigende (voorgenomen) besluiten te weer te stellen. Reclamant heeft echter alle inzet nodig in de lopende planologische procedure en moet zich op diverse fronten verdedigen, terwijl de bewindslieden zich in negen jaar tijd in het geheel niet aan strakke en fatale termijnen gebonden hebben gevoeld. Verzoeker had in dit licht en gelet op de van eminent belang zijnde planologische procedure moeten afzien van een verzoekbesluit tot het starten van de onteigening. Dat verzoeker zodanig besluit wel heeft genomen en ingediend moet in strijd worden geacht met de beginselen van behoorlijk bestuur. Dit betreft in het bijzonder het materiële en formele zorgvuldigheidsbeginsel en het daarin tevens begrepen beginsel van fair play en equality of arms, alsmede het recht op een eerlijke procedure als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM);

  • 4. de procedure is in strijd met de (strekking van de) onteigeningswet en de Awb en het formele en materiële zorgvuldigheidsbeginsel. Reclamant heeft bij brief van 20 maart 2014 een zo uitgebreid mogelijk beroep op zelfrealisatie gedaan. Reeds vier dagen na ontvangst van deze brief heeft verzoeker het verzoekbesluit genomen. Hierin wordt alleen geconstateerd dat het Bureau Beheer Landbouwgronden niet alle benodigde gronden in eigendom heeft kunnen verwerven, waarmee onteigening noodzakelijk is. Het beroep van reclamant op zelfrealisatie wordt in het geheel niet vermeld en ook in het logboek wordt hieraan bij de datum van 20 maart 2014 voorbijgegaan. Zes dagen na het verzoekbesluit, namelijk bij brief van 1 april 2014, is het ontwerpbesluit aan belanghebbenden toegezonden. Dit is echter niet meer dan een standaardmodel. Het ontwerp gaat niet in op de specifieke omstandigheden van het onderhavige geval en in het geheel niet op het beroep op zelfrealisatie van reclamant. De onteigeningsstukken lagen derhalve al gereed en zouden in procedure worden gebracht onafhankelijk van wat reclamant onder meer ten aanzien van het vereiste van de noodzaak naar voren zou brengen. Nu essentiële onderdelen in het ter inzage gelegde besluit hebben ontbroken zijn deze aan het debat in de zienswijzefase onttrokken. Daarmee is bovendien niet voldaan aan artikel 3:11, eerste lid, van de Awb. Reclamant wijst in dat verband op een passage uit de memorie van toelichting waaruit onder meer blijkt dat de wetgever er de voorkeur aan heeft gegeven om de procedure betrekking te laten hebben op een concreet ontwerpbesluit. Van zodanig besluit is volgens reclamant in onderhavige procedure geen sprake geweest waardoor belanghebbenden niet hebben kunnen beoordelen of de Kroon de door verzoeker aangeleverde stukken voorafgaand aan de terinzagelegging zelfstandig en met voldoende afstand heeft kunnen beoordelen. Er is overduidelijk slechts een statusloos model van het besluit ter inzage gelegd waardoor het indienen van zienswijzen verworden is tot het herhalen van de stellingen zoals die al ten overstaan van de Staatssecretaris zijn ingenomen. Belanghebbenden wordt aldus een belangrijk moment van rechtsbescherming ontnomen, terwijl in onteigeningszaken vaststaat dat het uiteindelijk te nemen besluit – dat niet meer zal lijken op het ontwerpbesluit – niet vatbaar is voor bestuursrechtelijke rechtsbescherming. Reclamant merkt tot slot van dit onderdeel op dat de procedure zoals die nu gevolgd is qua termijnen zeer veel afwijkt van hetgeen in andere onteigeningsprocedures gebruikelijk is. Dit wekt de indruk dat de inhoud zowel procedureel als inhoudelijk volledig voorgekookt is. Niet alleen is dit formeel en materieel onzorgvuldig en in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, maar ook is sprake van een zodanige schijn van vooringenomenheid dat strijd ontstaat met rechtstatelijke principes, waaronder het beginsel van fair play en het recht op een eerlijk proces (artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden);

  • 5. reclamant verzet zich tegen het inpassingsplan, dat de basis voor de onteigening vormt. Hij verwacht dat het plan niet onherroepelijk zal worden zodat het publiek belang en/of het ruimtelijk ontwikkelingsbelang niet vast staat. Volgens het ontwerp van het plan was het doel het realiseren van een “intergetijdengebied”. In zijn zienswijze hiertegen heeft reclamant aangetoond dat het beoogde habitattype slechts zeer tijdelijk aanwezig zal zijn en zal worden vervangen door rietschor. In het belang van de ontpoldering is het doel van de ontpoldering aangepast en heeft dat nu mede betrekking op schorren. Volgens het vastgestelde plan is de doelstelling nu de realisering van “estuariene natuur”. Dit is een gelegenheidsdoelstelling en reclamant bestrijdt dat deze het vereiste publiek belang of ruimtelijke ontwikkelingsbelang in de zin van de onteigeningswet vormt. Er is sprake van een opzichtige en onnodige verschuiving van de projectdoelstelling. Aan het ontpolderingsplan ligt geen eigen, nationaal, ruimtelijk plan ten grondslag, maar (slechts) een op voorspraak (of onder druk) van de Vlaamse regering genomen kabinetsbesluit dat slechts achteraf van een rechtvaardiging respectievelijk onderbouwing moest worden voorzien. Naar de mening van reclamant kan dit onderdeel van zijn zienswijze niet worden afgedaan met de overweging dat deze klachten thuishoren in de planologische procedure. De Kroon zal verder dienen te kijken dan de reguliere kaders en moeten constateren dat niet aan de criteria voor onteigening is voldaan nu het publiek belang de facto geconstrueerd is naar aanleiding van verdragsrechtelijke toezeggingen uit het verleden;

  • 6. het ontwerpbesluit voorziet niet in de gebruikelijke opschortende en ontbindende voorwaarden die zien op de status van onherroepelijkheid van het inpassingsplan. Om deze reden kan het verzochte besluit niet worden geslagen;

  • 7. reclamant betwist het publiek belang bij de verwerving van het perceel kadastraal bekend gemeente Hulst, sectie U, nummer 19 (grondplannummer 3). Het gaat hier om schor zodat moet worden vastgesteld dat de bestemming waarvoor wordt onteigend, al is gerealiseerd;

  • 8. gelet op hetgeen reclamant in de planologische procedure heeft aangevoerd kan niet worden gesteld dat zonder twijfel is dat de voorgenomen planning van uitvoering van het werk waarvoor onteigend wordt, zal worden gehaald. De door reclamant aangevoerde argumenten, die voor een deel betrekking hebben op de uitleg van het Europees recht en mogelijk kunnen leiden tot prejudiciële vragen, dienen te worden gelegd langs de lat van het urgentie-vereiste, waarbij de constatering zal moeten zijn dat op dat punt teveel onzekerheden bestaan. Ook uit het arrest van het Gerechtshof Den Haag van 3 juni 2014 moet worden afgeleid dat er geen dwingend tijdsbelang is gemoeid met de uitvoering van de ontpoldering;

  • 9. er zijn onvoldoende serieuze pogingen ondernomen om de ter onteigening aan te wijzen gronden in der minne te verwerven. Het bod dat verzoeker bij brief van 6 februari 2014 heeft gedaan voldoet niet aan de daaraan te stellen eisen, waaronder het vereiste van genoegzame specificatie en onderbouwing door middel van een taxatierapport en het bod is niet van enige toelichting voorzien. De gehanteerde grond- en opstalwaarden en wederbeleggingskosten zijn zelfs niet summier verklaard. Als reclamant al aanleiding zou hebben gevonden om inhoudelijk op het bod in te gaan, dan is hij daartoe niet eens in staat gesteld. De omstandigheid dat reclamant heeft aangegeven niet bereid te zijn tot vrijwillige verkoop ontslaat verzoeker niet van de plicht om de (laatste) schriftelijke bieding zodanig te formuleren dat daaruit de onderbouwing kan worden opgemaakt. Het bod kan voorts niet als serieus worden aangemerkt. Uit de stukken blijkt dat verzoeker er rekening mee houdt dat de gronden van reclamant niet tegen een hogere prijs dan de agrarische waarde zullen worden verworven. Het gaat hier echter om een project met een zowel nationaal als internationaal grote politieke en maatschappelijke lading, waarbij onmiskenbaar een direct verband moet worden gelegd tussen de opgave voor natuurherstel en de toegankelijkheid van de haven van Antwerpen en veiligheid van het Vlaamse achterland. Tenminste moet onder ogen worden gezien van welk – rendabel – onteigeningsrechtelijk complex de Hedwigepolder deel uitmaakt. Dit heeft potentieel majeure gevolgen voor de verwervingskosten van de benodigde gronden. Door te veronachtzamen dat er veel meer is te zeggen over de waardering van deze gronden dan louter de verwijzing naar de agrarische waarde, heeft verzoeker welbewust het risico gelopen dat de bieding niet als (voldoende) serieus moet worden bestempeld. Op zodanig onjuiste en niet serieuze basis mag de Kroon niet volstaan met de constatering dat de schadeloosstelling in het daarvoor bestemde deel van de gerechtelijke onteigeningsprocedure zal worden vastgesteld. De eis dat een serieuze bieding moet worden gedaan is niet te verwaarlozen in het kader van het noodzaakvereiste waaraan een verzoek om onteigening dient te worden getoetst. Dit veronderstelt dat de onteigenende overheid zich bij het doen van biedingen terdege verdiept in de wijze waarop – en de maatstaven waarlangs – een onteigeningsrechtelijk serieuze bieding tot stand dient te komen;

  • 10. reclamant heeft zich tot heden beroepen op zelfrealisatie, indien en voor zover het inpassingsplan al de status van onherroepelijkheid mocht verkrijgen. Hij heeft zich consequent op het standpunt gesteld dat het aan de verzoeker is om voldoende duidelijkheid te verschaffen over hetgeen in het kader van de zelfrealisatie exact van de grondeigenaar mag worden verwacht. In dat kader wijst reclamant op de volgende zaken:

    • a. er bestaat volgens reclamant geen duidelijkheid over wat de verzoeker in het kader van zelfrealisatie verwacht. Reeds bij brief van 8 oktober 2013 heeft reclamant verzoeker gevraagd om die duidelijkheid te geven, maar verzoeker heeft hierop gesteld dat het aan reclamant zelf is om kenbaar te maken welke informatie hij nodig heeft en wenst te ontvangen. Verzoeker heeft echter niet betwist dat de precieze wijze van uitvoering voorafgaand aan de vaststelling van het inpassingsplan nog aanzienlijk kon wijzigen. Daarnaast is verzoeker in het geheel niet ingegaan op de stelling van reclamant dat hij het ontwerp van dat plan op zoveel punten heeft bestreden dat eerst de onherroepelijkheid van het plan moet worden afgewacht voordat mag worden verwacht dat hij aanzienlijke kosten maakt om een zelfrealisatieplan voor te bereiden. De juistheid hiervan blijkt aangetoond nu het vastgestelde inpassingsplan op diverse belangrijke punten ten opzichte van het ontwerpplan is gewijzigd. Ook nu het plan is vastgesteld is reclamant overigens van mening dat de stukken hem niet in staat stellen om een concreter zelfrealisatieplan aan verzoeker te presenteren dan alleen de mededeling dat hij in staat en bereid is het inpassingsplan zelf te realiseren. Hij merkt op, dat hij een gerenommeerd bedrijf heeft gevraagd een aanbieding te doen voor het (in samenwerking) zelf realiseren van de werken, maar dat dit bedrijf heeft gesteld dat het over onvoldoende informatie beschikt om zo’n aanbieding te doen. Verzoeker blijft echter bij zijn standpunt dat het inpassingsplan met bijbehorende stukken voldoende informatie verschaft. Aldus staat volgens reclamant vast dat verzoeker niet heeft voldaan aan de plicht om inzicht te geven in de voorgestane vorm van planuitvoering of staat vast dat als vorm van planuitvoering in de ogen van verzoeker alleen te gelden heeft het inpassingsplan met de bijbehorende stukken. Van reclamant mag in dit stadium niet worden verwacht dat hij (reeds) met een concreter uitgewerkt plan tot zelfrealisatie komt. Het inpassingsplan is in de vastgestelde vorm nog geen drie maanden oud en nog niet onherroepelijk. Geen rechtsregel dwingt er toe aan te nemen dat die uitwerking thans reeds voorhanden had dienen te zijn, terwijl verzoeker ondertussen niet aantoont dat hij de vertaalslag van plan- naar realisatie inmiddels wel heeft gemaakt. Nu verzoeker volstaat met een verwijzing naar het inpassingsplan met stukken moet worden aangenomen dat ook hij deze niet meer beschikbaar heeft. Het gaat dan niet aan de lat voor reclamant hoger te leggen. Verzoeker heeft ook verzuimd een opgave te doen van vindplaatsen van de stukken zodat reclamant zijn voornemen tot zelfrealisatie uit had kunnen werken;

    • b. reclamant heeft zijn beroep op zelfrealisatie zo concreet als mogelijk verwoord en is feitelijk, fysiek en financieel tot zelfrealisatie bereid en in staat. Hoewel het werk nog niet zodanig vastomlijnd bekend is dat daarop als het ware een bestek kan worden geschreven, is zijn conclusie wel dat alle aan de orde (geweest) zijnde voorstellen tot ontpoldering waterbouwwerken inhouden die volledig door hemzelf en zijn bedrijvengroep kunnen worden gerealiseerd. Mochten de plannen van verzoeker onafwendbaar worden, dan is reclamant van mening dat de werken op zijn gronden door hem kunnen worden uitgevoerd. Nimmer zal dus verwerving van de gronden noodzakelijk zijn. Reclamant geeft aan tot de uitvoering van welke werken hij op basis van zelfrealisatie in staat is. Aanbesteding aan of samenwerking met een andere eigenaar sluit hij niet op voorhand uit. Hij is daarnaast bereid om met verzoeker afspraken te maken over de beheer- en onderhoudsituatie na oplevering van de werken. De eindsituatie zal dan zijn dat reclamant eigenaar blijft van zijn gronden, waarbij voor rekening van verzoeker zijn gekomen de kosten die direct samenhangen met de ontpoldering. Ook is dan een regeling getroffen tussen verzoeker en reclamant (en eventueel een derde partij) over de toekomstige beheer- en onderhoudsituatie ten aanzien van de gronden. De verzoeker is niet bereid gebleken om het beroep op zelfrealisatie nader te onderzoeken en evenmin bereid gebleken om hierover in overleg te treden. Het heeft er daarbij alle schijn van dat de verzoeker geen tijd meer had of zich geen tijd heeft gegund om op het beroep op zelfrealisatie in te gaan. Reclamant zal desondanks onverminderd doorgaan met het vormgeven van het voornemen tot zelfrealisatie;

    • c. reclamant heeft er al 6 november 2013 op gewezen dat zijn beroep op zelfrealisatie inhoudt dat hij de gronden zelf pachtvrij zal maken. Hij heeft daartoe inmiddels de nodige maatregelen getroffen en heeft de pachters voorgesteld de pachtrelaties “voorwaardelijk”, namelijk voor het geval het inpassingsplan onherroepelijk mocht worden en zelfrealisatie mogelijk zou moeten worden geacht, minnelijk te beëindigen. Dit heeft nog niet tot overeenstemming geleid. Ondanks sommatie van reclamant om zich van contacten met de pachters te onthouden, heeft de Staat betrokkenen toch biedingen gedaan. Deze staan minnelijke ontbinding van de pacht door reclamant in de weg hetgeen naar zijn oordeel onrechtmatig handelen van de zijde van de Staat oplevert. Reclamant meent dat dat handelen hem nimmer mag worden tegengeworpen bij zijn gerechtvaardigd (subsidiair) beroep op zelfrealisatie. Verzoeker is voorts van mening dat reclamant niet alle gronden in het plangebied in eigendom heeft, hetgeen hij echter bestrijdt. Voor zover er wel andere partijen zijn die gronden in eigendom hebben is reclamant bereid om daarmee samen te werken en op conforme uitvoering gerichte afspraken te maken.

De zienswijze van reclamant 1 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.

Ad 1.

Met betrekking tot de stelling van reclamant dat de onteigening een ongeoorloofde oorzaak heeft nu van een Nederlands algemeen belang bij het project ontpoldering Hertogin Hedwigepolder geen sprake is, merken Wij het volgende op.

Het algemeen belang van Nederland dat met de ontpoldering wordt gediend moet in de onderhavige procedure in beginsel als gegeven worden beschouwd, nu de planologische grondslag daarvoor is neergelegd in het door Onze Staatssecretaris van Economische Zaken en Onze Minister vastgestelde inpassingsplan. Het publiek belang van de onteigening ter uitvoering van dat plan is daarmee ook gegeven. Voor de toepassing van de onteigeningswet is voorts bepalend dat er sprake is van een door de Nederlandse overheid vastgesteld planologisch plan. Is daarvan sprake, dan kan voor de realisering van zodanig plan de Nederlandse onteigeningswet worden toegepast.

Voor het overige merken Wij op dat de stelling van reclamant, dat het inpassingsplan in verband met het ontbreken van een Nederlands algemeen belang op onjuiste gronden is vastgesteld, van planologische aard is. Een dergelijke zienswijze staat uitsluitend ter beoordeling in het kader van de procedure op grond van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) en kan in het kader van de onderhavige procedure niet leiden tot de afwijzing van een verzoek om gronden ter onteigening aan te wijzen. Gebleken is dat reclamant bedoeld punt ook naar voren heeft gebracht in het beroep dat hij bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft ingesteld tegen het besluit tot vaststelling van het inpassingsplan. In de onderhavige procedure dient dat plan als gegeven te worden beschouwd. Overigens wijzen Wij op hetgeen Wij hiervoor hebben opgemerkt over het doel van de ontpoldering onder het kopje Noodzaak en urgentie.

Ad 2.

Naar aanleiding van de stelling dat niet voldaan is aan de voorwaarden die de Nederlandse regering zelf heeft gesteld ten aanzien van de start van de onteigening merken Wij op dat het project tot ontpoldering van de Hertogin Hedwigepolder een lange geschiedenis kent. Hierin zijn standpunten over het wel of niet inpolderen van het gebied gewijzigd. Zulks is ook het geval geweest met het standpunt over de grondverwerving, al dan niet met inzet van het instrument van onteigening. In dit verband kan het volgende worden opgemerkt.

Onze toenmalige Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit heeft de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal op 6 december 2007 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30 862, nr. 15) een brief gezonden in verband met de goedkeuring van het op 21 december 2005 te Middelburg tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Vlaams Gewest betreffende de uitvoering van de ontwikkelingsschets 2010 Schelde-estuarium (Trb. 2005, 310). Deze brief vloeide voort uit een toezegging van de Minister, gedaan tijdens een wetgevingsoverleg over de Scheldeverdragen van 3 december 2007, om schriftelijk te reageren op een motie van het lid Koppejan (Tweede Kamer, vergaderjaar 2007-2008, 30 862, nr. 11). Mede in verband met de uitdrukkelijke wens van de Tweede Kamer om met spoed tot de goedkeuring van de Scheldeverdragen te komen, heeft de Minister de kamer een briefwisseling met Vlaanderen voorgesteld met betrekking tot het Verdrag betreffende de Ontwikkelingsschets 2010. Daarin wordt een interpretatie gegeven aan enige verdragsbepalingen, zulks ter tegemoetkoming aan een aantal wensen vanuit de Tweede Kamer. De Minister heeft de voorgestelde brief aan Vlaanderen als bijlage bij zijn brief van 6 december 2007 aan de kamer meegezonden. In de brief aan Vlaanderen wordt opgemerkt dat, voor zover Nederland door toepassing van de rijksprojectenprocedure invulling geeft aan artikel 4, achtste lid, van het Verdrag, geldt dat er ten behoeve van de verwezenlijking van de in artikel 3, tweede lid, omschreven natuurmaatregelen in het Zwin en de Hertogin Hedwigepolder, geen landbouwgronden onteigend worden voordat overleg tussen de Nederlandse regering en de Tweede Kamer van de Staten-Generaal heeft plaatsgevonden op basis van een met redenen omklede regeringsnota.

Een zodanige regeringsnota is nadien door de ontwikkelingen in het dossier inzake de ontpoldering van de Hertogin Hedwigepolder niet tot stand gekomen en evenmin heeft het bedoelde overleg tussen de regering en de Tweede Kamer plaatsgevonden. Onze Staatssecretaris van Economische Zaken heeft op 21 december 2012 (Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 30 862, nr. 89) wel een brief naar de Voorzitter van de Tweede Kamer der Staten-Generaal gezonden, waarin deze wordt geïnformeerd over de maatregelen met betrekking tot de ontpoldering van de Hedwigepolder, als onderdeel van het Natuurpakket Westerschelde. De Staatssecretaris merkt daarin op, dat er de afgelopen jaren diverse alternatieven voor ontpoldering van de polder zijn onderzocht en besproken. In de aanloop naar het regeerakkoord van 2012 zijn deze alternatieven zorgvuldig gewogen op kosten en effecten. Resultaat is, dat in het akkoord is opgenomen dat de volledige ontpoldering van de Hedwigepolder zo spoedig mogelijk ter hand zal worden genomen. In dat kader heeft de Staatssecretaris gesteld dat, om tot uitvoering te kunnen overgaan, de benodigde gronden worden verworven en pachtvrij worden gemaakt, waarbij – indien dat niet door minnelijke verwerving lukt – de onteigeningsprocedure op grond van de onteigeningswet moet worden doorlopen. In de brief wordt vervolgens opgemerkt dat een vastgesteld inpassingsplan op grond van de Nederlandse onteigeningswet geldt als titel voor onteigening, zodat een begin kan worden gemaakt met het formele deel van de onteigeningsprocedure omstreeks januari 2014, wanneer het inpassingsplan zal zijn vastgesteld.

Uit het voorgaande kan worden opgemaakt dat het standpunt van de regering tot het, indien nodig, inzetten van het middel van onteigening in 2012 een wijziging heeft ondergaan. De regering heeft in 2007 nog een voorbehoud met betrekking tot de inzet van het middel van onteigening, als gevolg waarvan eerst en op basis van een regeringsnota met de Tweede Kamer diende te worden overlegd. Vervolgens heeft de regering in 2012 op basis van de toen in het regeerakkoord vastgelegde keuze voor ontpoldering gekozen voor het doorlopen van de onteigeningsprocedure in geval de minnelijke verwerving van de benodigde gronden niet zou slagen. Dit is bij voornoemde brief van 21 december 2012 ook aan de kamer meegedeeld. Niet gebleken is, dat de kamer zich tegen het (gewijzigde) standpunt van de regering heeft gekeerd of te kennen heeft gegeven hierover met Onze Staatssecretaris van Economische Zaken in debat te willen gaan. Dit in aanmerking nemend zijn Wij van oordeel dat verzoeker tot zijn verzoekbesluit van 25 maart 2014 heeft kunnen komen.

Ad 3.

De mening van reclamant dat verzoeker met zijn verzoekbesluit had moeten wachten omdat hij al zijn aandacht aan andere lopende procedures moest schenken vindt naar Ons oordeel geen steun in de wet en de genoemde algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Vastgesteld moet worden dat de onteigeningswet geen uitdrukkelijke regeling kent ter bepaling van het moment waarop een verzoek tot aanwijzing ter onteigening kan worden gedaan. Op basis van bestendig Kroonbeleid is het evenwel rechtens toelaatbare praktijk dat de onteigeningsprocedure wordt gestart op basis van een vastgesteld bestemmings- of inpassingsplan. Vast staat dat het inpassingsplan op de datum waarop verzoeker zijn verzoekbesluit nam was vastgesteld. In dit licht en in aanmerking nemend dat verzoeker gehouden is aan zijn eigen, op de urgentie van de realisering van het werk toegespitste planning, kan naar Ons oordeel niet worden gesteld dat het besluit prematuur genomen is. Overigens tekenen Wij hierbij aan dat het inpassingsplan in dit geval is vastgesteld met toepassing van de rijkscoördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.35 van de Wro, in verband waarmee ingevolge artikel 3.36a en 3.36b van deze wet bijzondere bepalingen gelden met betrekking tot de grondverwerving. Wij zullen hierop onder Ad 6 nog nader ingaan.

Voor het overige kan worden opgemerkt dat tegen het besluit tot de vaststelling van het inpassingsplan en de daarvoor benodigde uitvoeringsbesluiten van 20 februari 2014 tot en met 2 april 2014 beroep kon worden aangetekend bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Weliswaar heeft verzoeker zijn verzoekbesluit in deze periode, namelijk op 25 maart 2014, genomen doch het naar aanleiding daarvan door Ons genomen ontwerpbesluit heeft in de periode van 1 mei 2014 tot en met 11 juni 2014 – en derhalve na afloop van de beroepstermijn tegen de vaststelling van het inpassingsplan – ter inzage gelegen. Ons is niet gebleken dat reclamant in laatstgenoemde periode niet in volle omvang zijn zienswijze tegen de voorgenomen onteigening naar voren heeft kunnen brengen.

Ad 4.

Het gestelde over het reeds vier dagen na ontvangst van het beroep van reclamant op zelfrealisatie ingediende verzoekbesluit betreft in feite het ontbreken van voldoende minnelijk overleg daarover. Wij zullen op het gevoerde minnelijk overleg onder Ad 9 nader ingaan. Op het gestelde omtrent het beroep van reclamant op zelfrealisatie als zodanig zullen Wij hierna ingaan onder Ad 10.

Met betrekking tot het gestelde over de inhoud en concreetheid van het ontwerpbesluit wijzen Wij op hetgeen Wij eerder hebben overwogen in Ons besluit van 15 maart 2010, nr. 10.000658 (Stcrt. 9 april 2010, nr. 5605). Zoals daar gesteld, wordt in een ontwerpbesluit tot aanwijzing ter onteigening dat overeenkomstig afdeling 3.4 van de Awb ter inzage wordt gelegd in beginsel niet uitdrukkelijk aandacht besteed aan individuele belanghebbenden. Het ontwerpbesluit dient ertoe voor belanghebbenden duidelijk te maken welke instantie ten behoeve van welk project om aanwijzing ter onteigening heeft verzocht. Tevens wordt in het ontwerpbesluit inzicht gegeven in de aan het algemeen belang ontleende overwegingen die aan het project ten grondslag liggen alsook over de voortgang van de planologische inpassing ervan. Met de terinzagelegging van het ontwerpbesluit, waarin het voornemen tot aanwijzing ter onteigening is vervat, wordt tot uitdrukking gebracht dat er naar Ons oordeel niet op voorhand termen aanwezig zijn die tot afwijzing van het verzoek om onteigening dienen te leiden en dat er dus ook geen sprake is van een onevenredige benadeling van enige belanghebbende door de voorgenomen onteigening. Indien een belanghebbende van mening is dat het voornemen tot aanwijzing ter onteigening op onjuiste gronden berust, staat hem de mogelijkheid open hiertegen schriftelijk of mondeling een zienswijze naar voren te brengen. In het bijzonder met betrekking tot de door reclamanten aan de orde gestelde belangenafweging merken Wij op dat deze afweging in abstracto reeds in de onteigeningswet zelf is gemaakt doordat deze wet nauwkeurig aangeeft in welke gevallen en onder welke voorwaarden onteigening kan plaatsvinden en met name voorschrijft dat de onteigende aanspraak heeft op volledige schadevergoeding. Waar het gaat om de situering van het werk vindt de afweging van belangen plaats in de planologische procedure. Hieruit volgt dat de door Ons, mede in het licht van artikel 3:4 Awb, te verrichten belangenafweging in beginsel opgaat in toetsing aan de door de onteigeningswet gestelde en in de jurisprudentie uitgewerkte voorwaarden.

Wij merken hier nog op, dat de consequentie van de benadering van reclamant is, dat Wij reeds in het ontwerpbesluit zouden moeten ingaan op het met alle in de onteigening betrokken rechthebbenden gevoerde overleg, op de eventueel door rechthebbenden gedane beroepen op zelfrealisatie en op de overigens bij rechthebbenden levende bezwaren tegen de voorgenomen onteigening. De verplichting daartoe valt naar Ons oordeel niet af te leiden uit de Awb en de wetsgeschiedenis van de totstandkoming van de Afdeling 3.4-procedure. Wij zijn van mening dat niet gesteld kan worden dat in dit geval, op basis overigens van bestendig Kroonbeleid, een onvoldoende concreet ontwerpbesluit of, naar reclamant stelt, statusloos model ter inzage is gelegd. Dat het indienen van zienswijzen op basis van het ontwerpbesluit, naar reclamant stelt, verworden is tot het (noodzakelijkerwijze) herhalen van stellingen die ook reeds ten overstaan van Onze Staatssecretaris van Economische Zaken zijn ingenomen kan evenmin leiden tot de conclusie dat het ontwerpbesluit niet voldoet aan de te stellen eisen. Met zijn verwijzing naar zijn ten overstaan van de Staatssecretaris ingenomen stellingen doelt reclamant kennelijk op de procedure gericht op de vaststelling van het inpassingsplan. Van een herhaling van de stellingen die reclamant in die procedure heeft ingenomen kan in onderhavige procedure geen sprake zijn, voor zover deze stellingen, indien toch ingebracht, als van planologische aard door Ons buiten beschouwing moeten worden gelaten.

Van het ontnemen van een rechtsbeschermingsmoment voor belanghebbenden is naar Ons oordeel geen sprake. Weliswaar staat tegen het koninklijk besluit, naar reclamant ook terecht stelt, geen bestuursrechtelijke rechtsbeschermingsprocedure open, doch de burgerlijke rechter is ingevolge de jurisprudentie van de Hoge Raad op grond van artikel 6, eerste lid, van het EVRM gehouden om tot toetsing van de onteigeningstitel op haar rechtmatigheid over te gaan, ook buiten de hem in de onteigeningswet opgedragen taak.

Op basis van het voorgaande kan naar Ons oordeel niet worden geconcludeerd dat de Uniforme openbare voorbereidingsprocedure niet, althans niet correct is gevolgd.

Met betrekking tot het gestelde over de start van de onteigeningsprocedure in relatie tot het kort daarvoor ingediende verzoekbesluit en de afwijking van de termijnen die in andere onteigeningsprocedures gebruikelijk zijn overwegen Wij het volgende.

Dat de termijn tussen de datum van het verzoekbesluit en datum van de kennisgeving aan belanghebbenden afwijkt van wat in andere onteigeningsprocedures gebruikelijk is, vloeit voort uit de omstandigheid dat verzoeker de onteigeningsstukken voorafgaand aan zijn verzoekbesluit in concept en ter toetsing aan Onze Minister heeft voorgelegd. Wij merken op, dat deze handelwijze in overeenstemming is met de brief van de Minister van 14 januari 2014, kenmerk RWS-2013/61745 en de daarbij gevoegde notitie. In die notitie is opgemerkt dat het, net als bij de toepassing van de titels II van de onteigeningswet gebruikelijk is, aan te bevelen valt om bij de toepassing van titel IV van de onteigeningswet de onteigeningsstukken eerst in concept door Rijkswaterstaat Corporate Dienst te laten toetsen en wel op een zodanig moment dat noodzakelijk gebleken aanpassingen en wijzigingen nog tijdig en voorafgaand aan het verzoekbesluit door de verzoeker om onteigening kunnen worden verwerkt. Een zodanige voortoets komt, aldus de notitie, de voortgang van de procedure ten goede. Als uitvloeisel hiervan kon in de periode na afronding van de toets en voor de ontvangst van het verzoekbesluit van verzoeker zowel het ontwerp van het onteigeningsbesluit in concept worden opgesteld als de terinzagelegging daarvan worden voorbereid. Het ontwerpbesluit kon na de ontvangst en de beoordeling van het verzoekbesluit en de laatste toets van de onteigeningsstukken worden aangevuld en kort daarna in procedure worden gebracht.

Ad 5.

Het gestelde over de aanpassing van het doel van de ontpoldering in de procedure gericht op de totstandkoming van het inpassingsplan alsmede het ontbreken van een eigen, nationaal, ruimtelijk plan aan de ontpoldering is, anders dan reclamant meent, van planologische aard. Zoals Wij hiervoor onder Ad 1 al hebben opgemerkt, is het inpassingsplan vastgesteld, waarmee ook het publiek belang van de onteigening ter uitvoering van dat plan gegeven is. Het is aan de bestuursrechter om te bepalen of dit plan, in aanmerking nemend het daartegen door onder meer reclamant ingestelde beroep, onherroepelijk zal worden. In onderhavige procedure kunnen Wij niet vooruitlopen op de uitspraak in deze beroepszaak. In deze procedure dient het vastgestelde plan als gegeven te worden beschouwd. Dat eerdere kabinetten geen noodzaak voor de ontpoldering zagen en van mening waren dat ook met andere middelen aan de eisen kon worden voldaan maakt dat niet anders. Ontwikkelingen en onderzoeken kunnen immers, zoals in het dossier Hertogin Hedwigepolder, leiden tot andere conclusies en besluiten. Of deze conclusies en besluiten in dit dossier terecht en op juiste gronden zijn getrokken en genomen staat in onderhavige procedure niet ter beoordeling.

Ad 6.

Naar aanleiding van het gestelde over het ontbreken van de gebruikelijke opschortende en ontbindende voorwaarden in het ontwerpbesluit overwegen Wij het volgende. In paragraaf 1.3 van de toelichting op het inpassingsplan wordt ingegaan op de totstandkoming van dit plan onder de rijkscoördinatieregeling, die opgenomen is in de artikelen 3.35 en 3.36 van de Wro. Zoals uit het gestelde blijkt, is er voorafgaand aan de inwerkingtreding van die wet onder de toen geldende Wet op de Ruimtelijke Ordening geen ontwerp van een rijksprojectbesluit ter inzage gelegd. Hierdoor zijn de artikelen 3.35, eerste lid, onder a of b en vierde lid, en 3.36 van de Wro van toepassing. Dit betekent dat een inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.28 van de Wro met toepassing van de rijkscoördinatieregeling als bedoeld in artikel 3.35 van de Wro kon worden vastgesteld door Onze Staatssecretaris van Economische Zaken en Onze Minister. Voor gevallen waarin onder meer toepassing wordt gegeven aan artikel 3.35 van de Wro gelden onder meer wat betreft de grondverwerving bijzondere bepalingen, die zijn vastgelegd in de artikelen 3.36a en 3.36b van deze wet. Wat de onteigening betreft bepaalt artikel 3.36b, eerste lid, aanhef en onder a, dat de in artikel 18, eerste lid, van de onteigeningswet bedoelde dagvaarding kan geschieden nadat – voor zover hier van belang – het inpassingsplan als bedoeld in artikel 3.35, eerste lid, onder b is vastgesteld. In het tweede lid van artikel 3.36b is, voor zover hier van belang, vastgelegd dat de rechtbank in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure niet eerder uitspraak doet dan nadat het onderdeel van het inpassingsplan, ter uitvoering waarvan wordt onteigend, onherroepelijk is geworden blijkens een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State dan wel een verklaring van de secretaris van de Raad van State. Gelet op deze bepalingen behoefden in dit geval niet de door reclamant bedoelde opschortende en ontbindende voorwaarden, betrekking hebbend op de status van onherroepelijkheid van het inpassingsplan, te worden opgenomen.

Ad 7.

Reclamant merkt met betrekking tot de onroerende zaak met grondplannummer 3 terecht op dat dit een buitendijks gelegen perceel betreft dat reeds volledig uit schor bestaat. Wij delen echter niet de conclusie van reclamant dat er geen noodzaak tot onteigening van deze onroerende zaak bestaat. Uit de met de onteigeningsstukken ter inzage gelegde kaart van het inrichtingsplan van de Hedwigepolder in combinatie met de grondtekening blijkt namelijk dat de genoemde onroerende zaak wordt afgegraven. In de eerste plaats wordt op het perceel een 130 meter brede geul, aangeduid als J2, gegraven en worden ten zuidoosten daarvan nog twee smallere geulen gegraven. In de tweede plaats wordt de buiten deze geulen gelegen schor op de onroerende zaak afgegraven. Via de geulen en de verlaagde schor kan het water het nieuwe, tot estuariene natuur ingerichte gebied in- en uitstromen. De onroerende zaak is voor de ontwikkeling en instandhouding van deze natuur van cruciaal belang. De hoeveelheid in- en uitstromend water moet blijkens de Ons overgelegde stukken voldoende zijn en er moet voldoende dynamiek zijn.

Ad 8.

Het gestelde over het verloop, de duur en de mogelijke afloop van de procedure gericht op de totstandkoming van het inpassingsplan is planologisch van aard. Gewezen kan worden op hetgeen Wij reeds hebben opgemerkt onder Ad 1. Vanuit dit oogpunt kan in onderhavige procedure niet vooruit worden gelopen op de uitspraak in de beroepsprocedure tegen het vastgestelde inpassingsplan.

In de onderhavige procedure dienen Wij wel de urgentie van de onteigening te beoordelen. Wij wijzen in dat kader op hetgeen Wij reeds hiervoor onder Noodzaak en urgentie hebben opgemerkt. Ons is verder gebleken dat in de projectplanning die Onze Staatssecretaris van Economische Zaken bij zijn eerder onder Ad 2 genoemde brief van 21 december 2012 als bijlage aan de Tweede Kamer heeft meegezonden rekening wordt gehouden met juridische procedures. De Staatssecretaris geeft in de brief samengevat aan, dat de afronding van de onteigeningsprocedure voorzien is in april 2016. Daarbij is uitgegaan van vaststelling van het inpassingsplan met uitvoeringsbesluiten in januari 2014. Wij merken op, dat het inpassingsplan iets later is vastgesteld, namelijk, zoals onder Planologische grondslag al is opgemerkt, op 10 februari 2014. Daarmee is de planning niet anders komen te liggen. In dat kader wijzen Wij ook op hetgeen Wij reeds hiervoor onder Noodzaak en urgentie hebben opgemerkt over het moment waarop de werken ter realisering van het inpassingsplan gereed moeten en wanneer met deze werken een aanvang moet worden genomen. Wat betreft de haalbaarheid van de planning wijzen Wij op de omstandigheid dat de gerechtelijke onteigeningsprocedure in dit geval deels parallel kan worden gevolgd aan de procedure in het planologische spoor. Gewezen kan worden op hetgeen Wij onder Ad 6 al hebben opgemerkt over het van toepassing zijnde artikel 3.36b van de Wro.

Een en ander in aanmerking nemend is naar Ons oordeel voldoende aangetoond dat in mei 2016 een aanvang zal kunnen worden genomen met de realisering van het werk. Naar Ons oordeel is hiermee sprake van een voorgenomen planuitvoering binnen de door Ons gehanteerde termijn van vijf jaar na de datum van dit besluit. De urgentie van de onteigening is daarmee gegeven.

Ad 9.

Naar aanleiding van de stelling dat de verzoeker onvoldoende serieuze pogingen heeft ondernomen om de ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken minnelijk te verwerven merken Wij in het algemeen op dat artikel 17 van de onteigeningswet bepaalt dat de onteigenende partij dat wat onteigend moet worden eerst bij minnelijke overeenkomst in eigendom probeert te verkrijgen. Deze bepaling heeft betrekking op de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Het minnelijk overleg in de daaraan voorafgaande administratieve onteigeningsprocedure is echter een van de vereisten waaraan door Ons wordt getoetst bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening. Omdat onteigening een uiterste middel is, zijn Wij van oordeel dat hiervan pas gebruik mag worden gemaakt als het minnelijk overleg voor het begin van de administratieve onteigeningsprocedure niet of niet in de gewenste vorm tot overeenstemming heeft geleid. Aan deze eis is naar Ons oordeel in het kader van onteigeningen op basis van artikel 78 van de onteigeningswet in beginsel voldaan als voor de datum van het verzoekbesluit met de onderhandelingen over de minnelijke eigendomsverkrijging tijdig een begin is gemaakt en het op het moment van het verzoekbesluit aannemelijk is dat die onderhandelingen tot een redelijk punt zijn voortgezet, maar dat deze voorlopig niet tot vrijwillige eigendomsoverdracht zullen leiden. Daarbij moet het gaan om een concreet en serieus minnelijk overleg. Uitgangspunt daarbij is dat ten tijde van het verzoekbesluit al een formeel schriftelijk aanbod is gedaan.

Voorts merken Wij in het algemeen op, dat de onteigening ingevolge artikel 40 van de onteigeningswet plaatsvindt op basis van een volledige schadeloosstelling voor alle schade die de onteigende rechtstreeks en noodzakelijk door het verlies van zijn onroerende zaak lijdt. De hoogte en wijze van berekening van de schadeloosstelling staat in het kader van de onderhavige administratieve procedure niet ter discussie, aangezien de bepaling daarvan is voorbehouden aan de onteigeningsrechter in het kader van de gerechtelijke onteigeningsprocedure. Zienswijzen die betrekking hebben op de hoogte en de wijze van berekening van de schadeloosstelling dienen gelet daarop in de onderhavige procedure te worden aangemerkt als zienswijzen van financiële aard. Dergelijke zienswijzen kunnen niet leiden tot de afwijzing van het verzoek om onteigening.

Het voorgaande in aanmerking nemend merken Wij op, dat uit het door verzoeker overgelegde logboek en de bijbehorende stukken van het minnelijk overleg blijkt dat hij in april 2007 het eerste contact met reclamant heeft gelegd in een poging om de gronden van reclamant minnelijk te verwerven. Op 26 april 2007 heeft de verzoeker schriftelijk een aanbod gedaan. Nadien hebben partijen hierover diverse malen contact gehad en overleg gevoerd. In 2011 en 2012 heeft het overleg stilgelegen. Verzoeker heeft reclamant in februari 2012 weer benaderd. In het daaropvolgende traject heeft verzoeker gezocht naar een mogelijkheid om reclamant te compenseren in de vorm van vervangende grond. Verzoeker heeft reclamant in dat kader een concrete locatie voorgesteld, waarmee reclamant uiteindelijk niet heeft ingestemd. Nadat dit standpunt van reclamant duidelijk was geworden hebben partijen op 6 november 2013 overleg gevoerd. Van de zijde van verzoeker is de stand van zaken met betrekking tot het inpassingsplan toegelicht en is een bieding in het vooruitzicht gesteld gericht op de aankoop van de benodigde gronden. De verzoeker heeft zich in dit overleg bereid verklaard tot het geven van een toelichting op dit bod, doch reclamant wilde uitsluitend overleg voeren over zelfrealisatie en de in dat kader gestelde doelen en kaders.

Verzoeker heeft hierna bij brief van 18 november 2013 een aanbod gedaan. Bij brief van 27 november 2013 heeft reclamant verzoeker bericht dat van verkoop van de gronden geen sprake kan zijn tot het onherroepelijk worden van het inpassingsplan en bij brief van 19 december 2013 heeft reclamant verzoeker bericht dat hij het bod van 18 november 2013 niet aanvaardt en dat hij niet bereid is om tot vrijwillige verkoop van zijn gronden over te gaan. Verzoeker heeft reclamant bij brief van 6 februari 2014 nog een gewijzigd bod gedaan in verband met de onjuiste vermelding van de oppervlakte van de onroerende zaak kadastraal bekend Hulst, sectie X, nummer 199 in de eerdere bieding van 18 november 2013. Reclamant heeft dit aanbod bij brief van 20 maart 2014 afgewezen.

Gelet op het bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamant voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Ten tijde van het verzoek van verzoeker van 25 maart 2014 was het niet aannemelijk dat binnen afzienbare termijn met reclamant tot overeenstemming zou kunnen worden gekomen. Verzoeker mocht dan ook besluiten tot het indienen van het verzoek tot onteigening, om aldus de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Gebleken is, dat partijen het overleg in de vorm van contacten en briefwisselingen na de start van de onderhavige procedure hebben voortgezet. Ook deze contacten hebben echter nog niet tot overeenstemming geleid. Wij merken op, dat het overleg met reclamant dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Wat betreft de stelling dat de bieding van 6 februari 2014 niet voldoet aan de aan een bieding te stellen eisen, waaronder het vereiste van specificatie en onderbouwing van een taxatie merken Wij het volgende op.

Anders dan reclamant stelt heeft verzoeker bij zijn brieven van 18 november 2013 en 6 februari 2014 gespecificeerde biedingen gedaan gericht op de verwerving van de benodigde gronden. De schadeloosstelling is opgesplitst in een drietal posten, namelijk de vermogensschade, inkomensschade en bijkomende schade. Wat de vermogensschade betreft is de schadeloosstelling nader uitgesplitst in de posten landbouwgrond (verpacht en onverpacht), dijkgrond, wegen, natuur/bos/water, slikken en schorren. Verder is de schadeloosstelling per bewoonde locatie uitgesplitst. Ten aanzien van de inkomensschade heeft de verzoeker opgemerkt dat daarvan geen sprake zal zijn. Onder bijkomende schade is een bedrag opgenomen voor wederbeleggingskosten (gesplitst in woningen, niet-landbouwgrond en landbouwgrond) en de administratie- en accountantskosten. Verder zijn nog twee PM-posten opgenomen voor zover het de belastingschade en deskundigenkosten betreft, waarbij de wijze waarop met deze componenten zal worden omgegaan is toegelicht. In dit licht kan naar Ons oordeel niet worden gesteld dat de biedingen niet voldoen aan de eisen die daaraan gesteld worden. Gelet op de overgelegde stukken en het ingestelde onderzoek is het verder aan de opstelling van reclamant te wijten dat verzoeker het bod niet heeft kunnen toelichten. Zoals immers al opgemerkt, heeft reclamant zich in het overleg van 6 november 2013 op het standpunt gesteld dat dat overleg alleen kon gaan over zelfrealisatie. Wij merken verder op, dat in een proces gericht op de minnelijke verwerving van gronden vooreerst van de onteigenende partij mag worden verwacht dat deze een aanbod tot schadeloosstelling doet gericht op deze verwerving. Van de te onteigenen partij mag echter ook worden verwacht dat hij daartegenover zijn eis wat betreft de hoogte van de schadeloosstelling kenbaar maakt. Op basis van wederzijdse taxaties, die in het verdere overleg kunnen worden ingebracht en uitgewisseld, kan vervolgens verder worden onderhandeld, in welk kader beide partijen eventueel tot wijziging van hun standpunten met betrekking tot de schadeloosstelling kunnen komen. Van een dergelijk proces is in de onderhavige zaak echter geen sprake geweest. Reclamant heeft niet met verzoeker over de gedane aanbieding willen overleggen, doch zich – en daarbij uitsluitend subsidiair voor zover het inpassingsplan de status van onherroepelijkheid zal verkrijgen – op het standpunt gesteld dat hij het plan zelf kan en wenst te realiseren. Reclamant heeft verzoeker een en ander ook bij brief van 27 november 2013 laten weten. Bij brieven van 19 december 2013 en 20 maart 2014 heeft reclamant de biedingen zonder meer afgewezen, bij eerstbedoelde brief heeft reclamant meegedeeld dat hij het bod niet aanvaardt, bij de laatste brief heeft reclamant medegedeeld dat hij geen aanleiding ziet om inhoudelijk op het bod in te gaan. Gelet op het hier geschetste verloop van het verwervingsproces zijn Wij van oordeel dat de verzoeker niet kan worden tegengeworpen dat hij geen taxatierapport heeft overgelegd.

De stelling van reclamant dat het bod – om verschillende redenen – niet als serieus kan worden opgemerkt is van financiële aard en ziet op de hoogte van de schadeloosstelling. Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor in het algemeen al over artikel 40 van de onteigeningswet hebben opgemerkt. Hierbij tekenen Wij aan dat de verzoeker in de gehouden hoorzitting heeft opgemerkt, dat de bieding aan reclamant gebaseerd is op een taxatierapport dat opgesteld is door drie onafhankelijke taxateurs. Voorts is verzoeker er bij de gedane biedingen vanuit gegaan dat geen aanleiding bestaat om te veronderstellen dat de waarde van de gronden door een redelijk handelend koper anders moet worden gewaardeerd dan als agrarische grond. Over de juistheid van dit standpunt kunnen Wij gelet op het voorgaande geen uitspraak doen. Wij overwegen echter dat het feit dat reclamant het niet eens is met dit standpunt en van mening is dat moet worden uitgegaan van de complexwaarde nog niet maakt dat het bod van de verzoeker niet als serieus moet worden aangemerkt. Hierbij tekenen Wij aan dat partijen hun verschil van inzicht over de (wijze van) berekening van de hoogte van de schadeloosstelling en de daarbij gehanteerde maatstaven in het kader van het minnelijk overleg hadden kunnen bespreken. Dat dit niet gelukt is kan verzoeker naar Ons oordeel niet worden tegengeworpen nu reclamant (inhoudelijk) niet over de hoogte van de schadeloosstelling heeft willen onderhandelen.

Ad 10.

Met betrekking tot het beroep op het zelfrealisatiebeginsel overwegen Wij in het algemeen dat bij de beoordeling van de noodzaak tot onteigening door Ons zal worden getoetst of het doel waarvoor wordt onteigend niet te bereiken valt door het door de grondeigenaar zelf uitvoeren van de bestemmingen die aan zijn eigendom zijn toegekend. Indien de eigenaar te kennen geeft daartoe (op eigen kosten) bereid en in staat te zijn, bestaat er in beginsel geen noodzaak tot onteigening.

Hierop kan een uitzondering worden gemaakt in de situatie dat de verzoeker om onteigening een andere vorm van planuitvoering wenst dan die welke de grondeigenaar voor ogen staat. In dat geval is onteigening alleen te rechtvaardigen als de verzoeker om onteigening kan aantonen dat het algemeen belang de door hem gewenste vorm van uitvoering vordert. De beoordeling welke vorm van uitvoering dienstig is aan het algemeen belang, is daarbij voorbehouden aan het bestuursorgaan dat het inpassingsplan heeft vastgesteld. Of de grondeigenaar bereid en in staat is om zelf tot planuitvoering over te gaan, hangt dan ook mede af van de door het bestuursorgaan gewenste vorm van planuitvoering. In verband daarmee moet de gewenste vorm van planuitvoering aan de grondeigenaar kenbaar zijn. De vorm van planuitvoering kan worden afgeleid uit de planregels en de toelichting van een inpassingsplan alsmede in al dan niet daarvan deel uitmakende inrichtings- en verkavelingsschetsen. De gewenste vorm van uitvoering kan ook tot uitdrukking komen in een exploitatieplan. Andere situaties die een beroep op zelfrealisatie in de weg kunnen staan, zijn dat de grondeigenaar niet over voldoende aaneengesloten grond beschikt om de bestemming op doelmatige wijze zelf te kunnen realiseren of als de te onteigenen gronden geen afzonderlijk deel van het uit te voeren project kunnen vormen.

Het voorgaande in aanmerking nemend overwegen Wij ten aanzien van reclamant het volgende.

Het beginsel dat er geen noodzaak tot onteigening bestaat indien een eigenaar te kennen geeft dat hij bereid en in staat is om over te gaan tot zelfrealisatie van bestemmingen die aan zijn eigendom zijn toegekend, dient naar Ons oordeel aldus te worden uitgelegd, dat een eigenaar bereid en in staat moet zijn om de bestemmingen zonder voorbehoud – en derhalve onvoorwaardelijk – en voor eigen risico en rekening zelf te realiseren. Wij merken in dat verband op dat reclamant zich blijkens de overgelegde stukken en het ingestelde onderzoek steeds subsidiair op het standpunt heeft gesteld dat hij bereid is om de bestemmingen op zijn eigendom zelf te realiseren, namelijk alleen indien en voor zover het inpassingsplan de status van onherroepelijkheid krijgt. Een duidelijk omlijnd plan waaruit blijkt dat reclamant de bestemmingen inderdaad na het onherroepelijk worden van het plan daadwerkelijk zelf kan realiseren heeft hij niet aan verzoeker overgelegd. Wij merken hierbij op dat ook de eerst door reclamant op 2 juli 2014, zijnde de datum waarop de hoorzitting in onderhavige procedure werd gehouden, aan verzoeker gezonden samenwerkings- en vaststellingsovereenkomst nog niet als concreet plan tot zelfrealisatie van de geprojecteerde bestemmingen kan worden aangemerkt. Voorts moet worden opgemerkt dat uit deze overeenkomst ook blijkt dat reclamant niet bereid is om de op zijn eigendom geprojecteerde bestemmingen op eigen kosten te realiseren, hetgeen ook namens reclamant bevestigd is in de gehouden hoorzitting. In artikel 3.2 van bedoelde overeenkomst is namelijk bepaald dat de Staat de kosten van de uitvoering van het inpassingsplan binnen twee weken na het onherroepelijk worden daarvan aan reclamant dient te vergoeden.

Gelet hierop moet naar Ons oordeel in het geval van reclamant worden geoordeeld dat niet gesproken kan worden van een zuiver en onvoorwaardelijk beroep op zelfrealisatie, hetgeen ook door reclamant in de hoorzitting bevestigd is. Voor zover reclamant zich op het standpunt stelt dat het voor hem niet mogelijk was om een voldoende omlijnd zelfrealisatieplan in te dienen vanwege onduidelijkheid over de gewenste vorm van planuitvoering, merken Wij op, dat reclamant naar Ons oordeel aan het inpassingsplan en de daarbij behorende stukken, waaronder het milieueffectrapport en het inrichtingsplan, alsmede de gelijktijdig met het inpassingsplan vastgestelde uitvoeringsbesluiten, een voldoende kader had kunnen ontlenen voor het ontwikkelen van een daarmee strokend zelfrealisatieplan.

Het is reeds om bovenstaande reden dat het beroep van reclamant op zelfrealisatie naar Ons oordeel niet kan slagen. Daarnaast zijn Wij ook om andere redenen van oordeel dat een beroep op zelfrealisatie niet kan slagen. Wij overwegen hiertoe het volgende.

In de eerste plaats merken Wij op, dat reclamant niet over alle voor de realisering van het inpassingsplan benodigde gronden beschikt. Weliswaar heeft reclamant de binnen de huidige Hertogin Hedwigepolder gelegen gronden vrijwel geheel in bezit, doch reclamant heeft niet de gronden in eigendom die nodig zijn voor de aanleg van de nieuwe Hedwigedijk, die voor alles moet worden uitgevoerd om in de huidige Hertogin Hedwigepolder en het noordelijk deel van de Prosperpolder de estuariene natuur te kunnen realiseren. Evenmin beschikt reclamant over de eigendom van de gronden waarop de bestaande en af te graven Sieperdadijk en Scheldedijk zijn gelegen. Daarmee heeft reclamant niet de beschikking over de gronden die uiteindelijk cruciaal zijn om het gebied daadwerkelijk te kunnen laten functioneren op de wijze als in het inpassingsplan voorzien. Voor zover aanleg van de nieuwe Hedwigedijk door reclamant al mogelijk zou zijn merken Wij op dat zulks ongewenst is. Overeenkomstig Ons bestendig beleid is het uit een oogpunt van integrale aanleg en integraal beheer van infrastructurele werken, waaronder waterkeringen, immers doelmatig te achten dat de overheid de daarvoor benodigde gronden in eigendom verkrijgt. Hierbij zij opgemerkt dat ook de op de gronden van reclamant geprojecteerde watergangen (kreken- en geulenstelsel), die van belang zijn voor het functioneren van het gebied, als zodanig tot de infrastructurele werken kunnen worden gerekend. Ook voor die gronden geldt derhalve dat het vanuit het oogpunt van integrale aanleg en integraal beheer van deze werken doelmatig moet worden geacht dat de Staat deze in eigendom verkrijgt.

In de tweede plaats merken Wij op, dat uit de toelichting op het inpassingsplan (paragraaf 6.12, pagina’s 125 en 126) blijkt, dat het voornemen bestaat om in de Hedwigepolder, na verwerving, inrichting en overdracht, een integraal beheer te voeren. Dit beheer dient volgens de toelichting gericht te zijn op zowel aspecten van natuur, landschap en recreatie als op waterhuishoudkundige aspecten en gevoerd te worden in aansluiting op het beheer van de aangrenzende natuurgebieden. Voor de effectiviteit van natuurgebieden is het van groot belang dat deze zo groot en robuust mogelijk zijn. In de toelichting wordt, samengevat, verder gesteld dat de ontwikkeling van het gebied op basis van modelverwachtingen en gedetailleerde monitoring zal worden gevolgd en eventueel bijgestuurd. Dit vraagt om een gedetailleerd beheerplan, opgesteld door een beheerorganisatie met ervaring in estuariene gebieden. Het bestaan van een robuust en samenhangend natuurgebied wordt volgens de toelichting het beste geborgd door het beheer zoveel mogelijk in handen te geven aan één beheerder. Daar komt bij dat tegelijkertijd gestreefd wordt naar een versterking van de belevingswaarde en recreatief medegebruik. Ook dat kan optimaal bereikt worden, wanneer het beheer in één hand gehouden wordt. Gedacht wordt aan een concept van een grenspark, dat samenhangend beheerd wordt. Daarbij zal de Hedwigepolder vanwege de recreatieve potenties na inrichting zoveel mogelijk opengesteld worden voor het publiek, dit voor zover dat gelet op de veiligheid en de belangen van natuurbeheer verantwoord is.

Wij wijzen hier voorts ook op het Omgevingsplan Provincie Zeeland 2012-2018 dat op 28 september 2012 door provinciale staten van Zeeland werd vastgesteld. Zoals uit de Ons overgelegde zakelijke beschrijving blijkt, is daarin onder meer het realiseren van het Natuurpakket Westerschelde opgenomen. Het project Hertogin Hedwigepolder is daarbinnen een integraal gebiedsontwikkelingsproject, dat reeds lopend is en verder tot realisatie moet worden gebracht. Na realisatie zal het gebied van de polder onderdeel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het nieuwe EHS-gebied zal later ook worden opgenomen in het provinciaal natuurbeheerplan.

Het bovengestelde in aanmerking nemend, moet naar Ons oordeel worden geoordeeld dat het beroep van reclamant op zelfrealisatie van het inpassingsplan niet kan slagen.

Naar aanleiding van de stelling van reclamant dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld door het doen van biedingen aan de pachters overwegen Wij het volgende.

In het algemeen rust op de verzoeker de plicht om in eerste aanleg overleg te voeren met de eigenaar van de te onteigenen zaak. Het belang van een derde gerechtigde op de te onteigenen zaak kan echter met zich brengen dat het in de rede ligt ook met deze derde in onderhandeling te treden. Daartoe is aanleiding indien de verzoeker met de eigenaar van de onroerende zaak geen afspraak heeft kunnen maken over het vrij van pacht opleveren van de onroerende zaak. In dat geval moet de verzoeker ook de pachter, gelet op diens belang, tijdig een aanbod doen, dit met inachtneming van hetgeen Wij in het algemeen bij de beoordeling van de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 9 hebben opgemerkt over het voorafgaand aan de start van de administratieve onteigeningsprocedure te voeren overleg. Alleen in die gevallen waarin met de eigenaar van een onroerende zaak is afgesproken dat deze de eigendom vrij van pacht aan verzoeker zal overdragen en waarbij de eigenaar vervolgens zelf de beëindiging van de pacht met de pachter regelt, hoeft de verzoeker de pachter geen aanbod te doen. In dat geval moet de afspraak met de eigenaar wel controleerbaar zijn vastgelegd. De verzoeker moet in die situatie de pachter benaderen en hem informeren over de voorbereiding van de onteigeningsprocedure en de start daarvan. Is de verzoeker zelf al eigenaar van een onroerende zaak en is deze verpacht, dan zal de verzoeker met de pachter in onderhandeling moeten treden en deze tijdig een aanbod moeten doen.

Gelet op het hiervoor onder Ad 9 geschetste verloop van het minnelijk overleg met reclamant kan de verzoeker naar Ons oordeel niet worden tegengeworpen dat hij ten onrechte in overleg is getreden met de pachters en de pachters aanbiedingen heeft gedaan. Voorts is van belang dat reclamant het door hem zelf pachtvrij maken heeft gekoppeld aan zijn beroep op zelfrealisatie. Zoals zojuist echter overwogen kan het beroep van reclamant op zelfrealisatie naar Ons oordeel niet slagen. Ook gelet daarop kan de verzoeker niet worden tegengeworpen dat hij onrechtmatig heeft gehandeld door in overleg te treden met de pachters.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 1 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 2 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren.

  • 1. Reclamanten pachten enkele percelen landbouwgrond en zullen de inkomsten die zij daaruit ontvangen missen;

  • 2. de onteigeningsprocedure is prematuur gestart. Het is zeer ongebruikelijk om met de procedure te starten voordat het inpassingsplan onherroepelijk is en er is geen enkele dringende reden om nu een aanvang te nemen met de onteigening;

  • 3. ten onrechte wordt in de geplaatste kennisgeving gesteld dat de ontpoldering een bijdrage levert aan de veiligheid, zeker nu onomstotelijk het bewijs is geleverd dat het gebied na ontpoldering zeer snel opslibt. Het doel dat verzoeker voor ogen heeft is het leveren van een bijdrage aan het natuurherstel van de Westerschelde. De Westerschelde is ter hoogte van de Hedwigepolder een estuarium en niet een rivier;

  • 4. in het geheel is niet onderzocht wat de invloed van de ontpoldering op de veiligheid van de kerncentrale te Doel is. Uit een in 2012 uitgevoerd onderzoek is gebleken dat er een potentieel risico bestaat voor de bereikbaarheid van de centrale in geval van een stormvloed;

  • 5. de gewenste natuurdoelen worden niet gehaald. Na ontpoldering ontwikkelt zich onder andere Engels Slijkgras en dit komt van nature niet in de Westerschelde en Saeftinghe voor. Hiervoor geldt ook geen herstelopgave in het kader van de instandhoudingsdoelstellingen die voor het Natura 2000-gebied zijn vastgesteld. Dit geldt ook voor het riet dat zich in zoetere gedeelten zal ontwikkelen. Daarnaast is sprake van aantasting van het Natura 2000-gebied nu waardevolle habitattypen verloren gaan en niet worden gecompenseerd;

  • 6. de aanvankelijke doelstelling was dat de ontpoldering bij zou dragen aan verhoging van het areaal laagdynamisch slik. Aangetoond is echter dat de ontpoldering, doordat het gebied snel opslibt (met vervuild slib), nauwelijks verhoging van dit areaal bewerkstelligt, zeker niet op lange termijn. Bovendien blijkt dat door onder andere slim storten het areaal laagdynamisch slik juist weer stijgende is. Er is dus geen urgentie en noodzaak om te ontpolderen;

  • 7. het doel waarvoor onteigend wordt staat niet in het ontwerpbesluit. Het gaat namelijk niet om de natuur maar om de belangen van de haven van Antwerpen, hetgeen blijkt uit notulen van het Vlaams parlement waarvan reclamanten bewijzen hebben. Niet voor niets betaalt Vlaanderen alleen voor de ontpoldering van de Hedwigepolder en niet voor het natuurherstel. Het ontwerp gaat hier ten onrechte aan voorbij;

  • 8. al diverse keren heeft het kabinet besloten om niet tot ontpoldering over te gaan. Ontpolderen hoeft dus kennelijk niet;

  • 9. de Hedwigepolder herbergt veel waarden in zich. Het gebied is landschappelijk waardevol, is beschermd als natuurgebied en er is sprake van archeologische waarden. Ook genereert de polder inkomsten voor pachters en derden, zoals loonwerkers. Recreatief is de polder evenzeer waardevol, deze is onderdeel van een ecoroute. Bij ontpoldering gaan al deze waarden teloor en er komt niets voor terug, behalve een vervuild baggerdepot. De polder is een voedselbron voor mens, dier en plant en er zijn beschermde plant- en diersoorten aanwezig. Er is geen draagvlak voor ontpoldering bij de bevolking, de gemeenten en het waterschap;

  • 10. door ontpoldering wordt een waardevol gebied definitief vernietigd aangezien de klei wordt verwijderd. Alternatieven zijn bewust niet goed onderzocht;

  • 11. reclamanten opteren voor vervangende grond en die is tot op heden niet aangeboden.

De zienswijze van reclamanten 2 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.

Ad 1.

Dit onderdeel van de zienswijze is financieel van aard. Naar aanleiding hiervan wijzen Wij op hetgeen Wij in het algemeen hebben opgemerkt over artikel 40 van de onteigeningswet in de reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 9.

Ad 2.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij reeds over de start van de procedure op basis van het vastgestelde inpassingsplan hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 3 en Ad 6. Wat de urgentie van de onteigening betreft kan worden gewezen op hetgeen reeds is overwogen in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 8.

Ad 3.

Wij merken op dat Onze Minister in de door reclamanten bedoelde kennisgeving voor heeft gesteld dat het doel van de inpoldering van de Hertogin Hedwigepolder het natuurherstel is. Daarnaast heeft de Minister opgemerkt dat de ontpoldering een bijdrage levert aan de rivierveiligheid en dat in het inpassingsplan ook voorzien is in mogelijkheden voor extensieve recreatie en natuurbeleving.

Ad 4 tot en met 10.

Deze onderdelen van de zienswijze van reclamanten zijn in hoofdzaak planologisch van aard. Zoals Wij reeds in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 1 hebben opgemerkt, staat een dergelijke zienswijze uitsluitend ter beoordeling in de procedure op grond van de Wro gericht tegen de vaststelling van het inpassingsplan. Gebleken is dat reclamanten tegen het besluit tot vaststelling van het plan beroep hebben ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Wat betreft de onderdelen 7 en 8 van de zienswijze van reclamanten kan bovendien worden gewezen op hetgeen hierover gesteld is naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1, onder Ad 1 en Ad 2.

Ad 11.

Het gestelde ziet op het gevoerde minnelijk overleg. Naar aanleiding hiervan wijzen Wij in de eerste plaats op hetgeen Wij in het algemeen over het voorafgaand aan de start van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg hebben overwogen in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 9. Met betrekking tot het overleg met de pachters wijzen Wij op hetgeen Wij hierover in het algemeen hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 10.

Voor zover reclamanten gecompenseerd wensen te worden in de vorm van vervangende grond merken Wij in het algemeen op, dat de onteigeningswet de verzoeker om onteigening niet verplicht tot schadeloosstelling in de vorm van compensatiegrond. Zienswijzen waarin reclamanten een wens tot schadeloosstelling in een andere vorm dan geld kenbaar maken, overstijgen de mogelijkheden welke de onteigeningswet biedt om binnen redelijke termijn te komen tot minnelijke overeenstemming. Mogelijkheden tot schadeloosstelling in deze zin zullen in der minne en veelal in samenwerking met andere overheden alsmede met particuliere eigenaren van gronden bezien moeten worden. Alhoewel dergelijke zienswijzen in het verlengde van bovenstaande in de onderhavige administratieve onteigeningsprocedure niet zelfstandig beoordeeld worden, komen zij in de onderhavige procedure wel in het kader van de toetsing van het minnelijke overleg aan de orde. De noodzaak van de onteigening is immers mede afhankelijk van de wijze waarop dat minnelijk overleg is en zal verlopen. Naast bovenstaande is voorts de beschikbaarheid van gronden die ter compensatie aangeboden kunnen worden schaars en is de verzoeker om onteigening bovendien door meerdere rechthebbenden verzocht om vervangende bedrijfsruimte aan te bieden. Tevens is de verzoeker om onteigening gehouden aan haar eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk toegespitste, planning.

Het voorgaande in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken en het ingestelde onderzoek gebleken dat de verzoeker om onteigening vanaf 2007 met reclamanten in overleg is over de beëindiging van de pachtcontracten. Dit overleg heeft in de jaren 2011 en 2012 stilgelegen. Vanaf april 2013 heeft verzoeker weer contact met reclamanten gelegd en enkele malen overleg gevoerd. Reclamanten hebben daarbij te kennen gegeven dat zij gecompenseerd willen worden in de vorm van vervangende grond, waarbij specifiek de wens is uitgesproken tot compensatie in grond nabij de Hertogin Hedwigepolder. In een op 14 november 2013 gevoerd overleg is van de zijde van verzoeker meegedeeld dat hij zich blijvend inspant om voldoende ruilgrond te verwerven, maar dat er nog niet voldoende ruilgrond in het door reclamanten gewenste gebied aanwezig is. Bij brief van 18 november 2013 doet verzoeker reclamanten een aanbod tot schadeloosstelling in geld gebaseerd op de pachtsituatie zoals reclamanten die op 15 april 2013 in een overleg hebben meegedeeld. Bij brief van 9 december 2013 heeft de adviseur van reclamanten hierop gereageerd. Hij deelt mee dat reclamanten de onderhandelingen prematuur achten nu het inpassingsplan nog niet onherroepelijk is. Tevens stelt hij namens reclamanten vragen met betrekking tot de berekening en onderbouwing van de schadeloosstelling en wijst hij erop dat er ondanks meerdere verzoeken nog geen vervangende grond is aangeboden. Verzoeker laat reclamanten bij brief van 3 maart 2014 weten dat hij, ondanks de stelling van reclamanten dat de onderhandelingen prematuur zijn in het licht van het nog niet onherroepelijke inpassingsplan, graag bereid is om verder met hen in overleg te treden over de mogelijkheden tot minnelijke overeenstemming en de vragen die reclamanten hebben. Tevens bericht verzoeker reclamanten dat hij beseft dat compensatie in de vorm van vervangende grond voor hun van groot belang is en dat hij alle redelijke inspanningen zal verrichten om aan deze wens tot compensatie zoveel mogelijk tegemoet te komen. Tegelijk merkt verzoeker echter op, dat de mogelijkheden tot compensatie in de vorm van vervangende grond, zoals bij reclamanten bekend, beperkt zijn.

Gelet op het bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamanten voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Ten tijde van het besluit van verzoeker van 25 maart 2014 was het voor hem aannemelijk dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige beëindiging van de pacht zou leiden en mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure.

Naar aanleiding van de wens van reclamanten tot compensatie in de vorm van vervangende grond merken Wij op, dat verzoeker voorafgaand aan de start van de onderhavige procedure pogingen heeft ondernomen om met alle pachters in het gebied tot overleg te komen. Met sommige pachters is dit gelukt waarbij betrokkenen de wens hebben geuit om gecompenseerd te worden in de vorm van vervangende grond. Verzoeker heeft de mogelijkheden onderzocht maar is afhankelijk van de ruilgronden die in de nabijheid van de Hertogin Hedwigepolder dan wel op enige afstand daarvan beschikbaar zijn. Wij merken daarbij op, dat de verzoeker, zoals hiervoor reeds opgemerkt, tevens gehouden is aan zijn eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk toegespitste planning. Dit in aanmerking nemend was het naar Ons oordeel op het moment van het besluit van verzoeker voor hem aannemelijk dat niet met reclamanten in de door hun gewenste vorm tot overeenstemming kon worden gekomen. Hierbij kan worden aangetekend dat verzoeker het overleg met reclamanten na de start van de onderhavige procedure heeft voortgezet. In dat kader heeft op 28 april 2014 een overleg plaatsgevonden waarin de verzoeker reclamanten op de hoogte heeft gesteld van de mogelijke beschikbaarheid van enkele percelen ruilgrond in de directe nabijheid van de Hertogin Hedwigepolder. Concreet zijn deze percelen nog niet aan reclamanten aangeboden. Verzoeker heeft reclamanten meegedeeld dat namelijk eerst ook de interesse van de diverse pachters dient te worden gepeild. Hierop volgend heeft verzoeker reclamanten bij brief van 15 juli 2014 opnieuw een aanbod gedaan tot schadeloosstelling, waarbij hij nu een aantal vervangende percelen heeft aangeboden. Hierover hebben partijen nog geen overeenstemming bereikt. Wij merken op, dat het overleg met reclamanten dient te worden voortgezet. Dit overleg dan wel het minnelijk overleg, dat op grond van artikel 17 van de onteigeningswet aan de gerechtelijke procedure vooraf zal moeten gaan, zal wellicht alsnog tot een voor beide partijen aanvaardbare oplossing kunnen leiden.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 2 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 3 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren.

Reclamant is pachter van een perceel landbouwgrond. De zienswijze van reclamant is gelijk aan de zienswijze zoals die door reclamanten 2 naar voren is gebracht en die hiervoor is weergegeven onder de punten 1 tot en met 10. Voor het overige brengt reclamant naar voren dat hij opteert voor vervangende grond, die hem tot heden niet is geboden. Bovendien wenst reclamant voor zijn verlies van inkomsten als rentmeester gecompenseerd te worden.

De zienswijze van reclamant 3 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij hiervoor hebben overwogen in reactie op de zienswijze van reclamanten 2, onder Ad 1 tot en met 10. Naar aanleiding van de wens van reclamant tot compensatie in de vorm van vervangende grond wijzen Wij op hetgeen Wij in het algemeen hierover hebben opgemerkt in de reactie op de zienswijze van reclamanten 2 onder Ad 11. Dat in aanmerking nemend is Ons uit de overgelegde stukken en het ingestelde onderzoek gebleken dat de verzoeker om onteigening in 2007 en 2010 pogingen heeft ondernomen om met reclamant in gesprek te komen. Reclamant stelde daar echter geen prijs op. Ook in 2013 heeft reclamant dit standpunt ingenomen. Verzoeker heeft reclamant vervolgens op basis van de op dat moment (beperkt) bekende gegevens bij brief van 18 november 2013 een bod tot schadeloosstelling gedaan. De adviseur van reclamant reageerde hier bij brief van 26 november 2013 op met de mededeling dat reclamant het te prematuur vindt om te onderhandelen nu het inpassingsplan nog niet onherroepelijk is. In deze brief is tevens gesteld dat reclamant opteert voor vervangende grond. Verzoeker heeft reclamant hierop bij brief van 3 maart 2014 laten weten dat hij, ondanks de stelling van reclamant dat de onderhandelingen prematuur zijn in het licht van het nog niet onherroepelijke inpassingsplan, graag bereid is om verder met hem in overleg te treden over de mogelijkheden tot minnelijke overeenstemming. Tevens bericht verzoeker reclamant dat hij beseft dat compensatie in de vorm van vervangende grond voor hem van groot belang is en dat hij alle redelijke inspanningen zal verrichten om aan deze wens tot compensatie zoveel mogelijk tegemoet te komen. Tegelijk merkt verzoeker echter op, dat de mogelijkheden tot compensatie in de vorm van vervangende grond, zoals bij reclamant bekend, beperkt zijn.

Gelet op het bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamant voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijke overeenstemming te komen. Ten tijde van het besluit van verzoeker van 25 maart 2014 was het voor hem aannemelijk dat het minnelijk overleg voorlopig niet tot vrijwillige beëindiging van de pacht zou leiden en mocht worden overgegaan tot de start van de administratieve onteigeningsprocedure.

Naar aanleiding van de wens van reclamant tot compensatie in de vorm van vervangende grond merken Wij op dat reclamant, zoals uit het voorgaande blijkt, aanvankelijk geen prijs stelde op overleg met de verzoeker. Bij brief van 26 november 2013 gaf de adviseur van reclamant te kennen dat hij opteert voor vervangende gronden. Zoals eerder in de reactie op de zienswijze van reclamanten 2 is opgemerkt, heeft de verzoeker voorafgaand aan de start van de onderhavige procedure pogingen ondernomen om met alle pachters in het gebied tot overleg te komen. Met sommige pachters is dit gelukt waarbij betrokkenen de wens hebben geuit om gecompenseerd te worden in de vorm van vervangende grond. Verzoeker heeft de mogelijkheden onderzocht maar is afhankelijk van de ruilgronden die in de nabijheid van de Hertogin Hedwigepolder dan wel op enige afstand daarvan beschikbaar zijn. Wij merken daarbij op, dat de verzoeker, zoals hiervoor reeds opgemerkt, tevens gehouden is aan zijn eigen, op de urgentie van de aanleg van het werk toegespitste planning. Dit in aanmerking nemend was het naar Ons oordeel op het moment van het besluit van verzoeker aannemelijk dat niet met reclamant in de door hem gewenste vorm tot overeenstemming kon worden gekomen.

Het onderdeel van de zienswijze dat ziet op de compensatie van de inkomsten die reclamant als rentmeester zal missen is financieel van aard. Naar aanleiding hiervan wijzen Wij op hetgeen Wij in het algemeen hebben opgemerkt over artikel 40 van de onteigeningswet in de reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 9.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 3 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamanten 4 brengen in hun zienswijze het volgende naar voren.

  • 1. Reclamanten verrichten werkzaamheden in de Hertogin Hedwigepolder. Onder andere dragen zij bij aan het onderhoud en toezicht. Zij brengen ook veel tijd in de polder door. De polder brengt ontspanning en is een uniek en schitterend stukje natuur. Dit wordt reclamanten allemaal afgenomen en heeft een zware impact. Reclamanten raken hun verblijf en leefgenot kwijt;

  • 2. het doel van de onteigening is ontpoldering van de Hedwigepolder voor natuurherstel. Dat ontpoldering volstrekt zinloos is en dat het beoogde doel niet wordt gehaald hebben reclamanten al naar voren gebracht in hun zienswijze tegen het ontwerp van het inpassingsplan;

  • 3. onteigening van de Hedwigepolder heeft geen enkel publiek belang. De gemeenschap is hier niet bij gebaat. De polder heeft in de huidige staat veel waarde voor de gemeenschap, is een goede recreatieplek en onderdeel van een ecoroute en heeft archeologische waarde. Bovendien is in het bestemmingsplan van de gemeente Hulst een deel van de polder beschermd natuurgebied;

  • 4. de onteigening is verder te prematuur. Er is al eerder sprake geweest van een plan tot ontpoldering, maar dit is weer teruggedraaid. Gelet op de beroepen die nu door enkele partijen zijn ingesteld tegen de vaststelling van het inpassingsplan, is het nog lang niet zeker of het plan de toets der kritiek kan doorstaan;

  • 5. in aansluiting op het vorige punt merken reclamanten op, dat verzoeker met hen ook nog geen gesprekken heeft gevoerd over minnelijke verwerving;

  • 6. er is geen sprake van urgentie. Ontpoldering is volgens het inpassingsplan noodzakelijk voor natuurherstel wegens de staat waarin de Westerschelde verkeert. Uit een brief van de Staatssecretaris aan de Tweede Kamer van 16 januari 2014 blijkt dat het laagdynamisch intergetijdengebied niet meer vermindert. Eerder kan zelfs gesteld worden dat het areaal stijgt;

  • 7. ontpoldering van de Hertogin Hedwigepolder is bepaald in het Verdrag tussen Nederland en het Vlaams Gewest in 2005. Hierin staat dat ten laatste in 2010 langs de Westerschelde werken worden uitgevoerd of in uitvoering genomen ter realisatie van minimaal 600 ha estuariene natuur. Volgens het inpassingsplan zullen de werken in 2019 worden uitgevoerd. Urgentie is dus absoluut niet meer aan de orde.

De zienswijze van reclamanten 4 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.

Ad 1, 2 en 3.

Deze onderdelen van de zienswijze zijn in hoofdzaak planologisch van aard. Zoals Wij reeds in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 1 hebben opgemerkt, staat een dergelijke zienswijze uitsluitend ter beoordeling in de procedure op grond van de Wro gericht tegen de vaststelling van het inpassingsplan. Gebleken is dat reclamanten geen beroep tegen het besluit tot vaststelling van het plan hebben ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Ad 4.

Voor zover reclamanten stellen dat de onteigening prematuur is in het licht van de plannen waarvan in het verleden sprake is geweest wijzen Wij op hetgeen Wij reeds hebben overwogen over de voorgeschiedenis in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 2. Naar aanleiding van de stelling van reclamanten dat het onzeker is of het inpassingsplan de toets der kritiek wel kan doorstaan kan worden gewezen op hetgeen Wij reeds hebben opgemerkt in reactie op de zienswijze van reclamant onder Ad 1.

Ad 6 en 7.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij reeds over de urgentie hebben overwogen in de reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 8.

Ad 5.

Het gestelde ziet op het gevoerde minnelijk overleg. Naar aanleiding hiervan wijzen Wij op hetgeen Wij in het algemeen over het voorafgaand aan de start van de onteigeningsprocedure te voeren minnelijk overleg hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamant 1, onder Ad 9. Dit in aanmerking nemend overwegen Wij ten aanzien van reclamanten 4 het volgende.

Uit de overgelegde stukken en het ingestelde onderzoek blijkt dat de verzoeker om onteigening vanaf maart 2013 pogingen heeft ondernomen om met reclamanten in overleg te komen. Van de zijde van reclamanten is dit echter steeds afgewezen. Bij brief van 18 november 2013 heeft verzoeker geconstateerd dat reclamanten geen informatie hebben verstrekt waaruit blijkt dat zij gebruikers/huurders zijn en dus belanghebbenden in de zin van de onteigeningswet. Verzoeker heeft daarbij in aanmerking genomen dat reclamanten niet op het door hun aangegeven adres staan ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie en dat ook de eigenaar van de onroerende zaak (reclamant 1) niet heeft willen bevestigen of ontkennen dat reclamanten gebruikers/huurders zijn. Daarom heeft verzoeker reclamanten laten weten dat hij van oordeel is dat reclamanten niet in aanmerking komen voor schadeloosstelling.

Gelet op het bovenstaande zijn Wij van oordeel dat de verzoeker om onteigening ten opzichte van reclamanten voldoende, doch vruchteloos gebleken pogingen heeft ondernomen om tot minnelijk overleg te komen, ten einde vast te kunnen stellen of reclamanten rechthebbenden zijn in de zin van de onteigeningswet en recht hebben op schadeloosstelling. Ten tijde van het besluit van verzoeker was het niet aannemelijk dat binnen afzienbare termijn met reclamant tot overleg zou kunnen worden gekomen om hier duidelijkheid over te verkrijgen. Verzoeker mocht dan ook besluiten tot het indienen van het verzoek tot onteigening, om aldus de tijdige uitvoering van het inpassingsplan te verzekeren. Wij merken hierbij op, dat reclamanten, indien zij niet door de verzoeker om onteigening in het kader van de gerechtelijke procedure worden gedagvaard, een beroep kunnen doen op artikel 3, tweede lid, van de onteigeningswet. Ingevolge dat artikellid kan een ieder die beweert eigenaar of rechthebbende te zijn op een recht als omschreven in artikel 4, eerste lid, van de wet en die niet is gedagvaard, aan de rechter verzoeken om in het geding van onteigening te mogen tussenkomen.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamanten 4 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing ter onteigening geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Reclamant 5 brengt in zijn zienswijze het volgende naar voren.

  • 1. Hij wordt gedupeerd omdat hij als pachter inkomsten zal missen;

  • 2. de onteigeningsprocedure is prematuur gestart. Het is namelijk zeer ongebruikelijk om al met de procedure te starten voordat het inpassingsplan onherroepelijk is;

  • 3. ten onrechte wordt in de geplaatste kennisgeving gesteld dat de ontpoldering een bijdrage levert aan de veiligheid.

Voor het overige zijn de onderdelen van de zienswijze van reclamant 5 gelijk aan de onderdelen die hiervoor bij reclamanten 2 zijn weergegeven onder 4 tot en met 10.

De zienswijze van reclamant 5 geeft Ons aanleiding tot de volgende overwegingen.

Ad 1.

Dit onderdeel van de zienswijze is financieel van aard. Naar aanleiding hiervan wijzen Wij op hetgeen Wij in het algemeen hebben opgemerkt over artikel 40 van de onteigeningswet in de reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 9.

Ad 2.

Gewezen kan worden op hetgeen Wij reeds hebben overwogen in reactie op de zienswijze van reclamant 1 onder Ad 3 en Ad 6.

Ad 3.

Wij wijzen op hetgeen Wij hierover reeds hebben overwogen naar aanleiding van de zienswijze van reclamanten 2 onder Ad 3.

De zienswijze van reclamant 5 komt zoals opgemerkt voor het overige overeen met de hiervoor onder 4 tot en met 10 weergegeven onderdelen van de zienswijze van reclamanten 2. Voor Onze reactie daarop wijzen Wij dan ook op hetgeen Wij bij reclamanten 2 reeds hebben overwogen onder Ad 4 tot en met 10. Wij tekenen hierbij aan dat gebleken is dat reclamant tegen de vaststelling van het inpassingsplan beroep heeft ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Gelet op het vorenstaande geeft de zienswijze van reclamant 5 Ons geen aanleiding om het verzoek tot aanwijzing geheel of gedeeltelijk af te wijzen.

Overige overwegingen

Uit de bij het verzoek overgelegde stukken blijkt dat de in het onteigeningsplan begrepen onroerende zaken bij de uitvoering van het inpassingsplan niet kunnen worden gemist.

Ons is niet gebleken van feiten en omstandigheden die overigens de toewijzing van het verzoek in de weg staan. Het moet in het belang van een goede ruimtelijke ontwikkeling worden geacht dat de Staat (Economische Zaken) de vrije eigendom van de door Ons ter onteigening aan te wijzen onroerende zaken verkrijgt.

Wij zullen, gelet op het hierboven gestelde, het verzoek van de Staatssecretaris van Economische Zaken tot het nemen van een besluit krachtens artikel 78, eerste lid, van de onteigeningswet toewijzen.

BESLISSING

Gelet op de onteigeningswet,

op de voordracht van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 16 september 2014, nr. RWS-2014/39251, Rijkswaterstaat Corporate Dienst;

gelezen het verzoek van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 maart 2014, kenmerk DGNR-RRE/14015839;

gelezen de voordracht van de Staatssecretaris van Economische Zaken van 25 maart 2014, kenmerk DGNR-RRE/14015839;

de Afdeling advisering van de Raad van State gehoord, advies van 22 oktober 2014, no. W14.14.0336/IV;

gezien het nader rapport van Onze Minister van Infrastructuur en Milieu van 10 november 2014, nr. RWS-2014/47578, Rijkswaterstaat Corporate Dienst.

Hebben Wij goedgevonden en verstaan:

Voor de uitvoering van het Rijksinpassingsplan Hertogin Hedwigepolder, gemeente Hulst, ten name van de Staat (Economische Zaken) ter onteigening aan te wijzen de onroerende zaken, aangeduid op de grondtekening die ingevolge artikel 78 van de onteigeningswet in de gemeente Hulst en bij Rijkswaterstaat Corporate Dienst te Utrecht ter inzage heeft gelegen en die zijn vermeld op de bij dit besluit behorende lijst.

Onze Minister van Infrastructuur en Milieu is belast met de uitvoering van dit besluit, dat in de Staatscourant zal worden geplaatst en waarvan afschrift zal worden gezonden aan de Afdeling advisering van de Raad van State.

Wassenaar, 14 november 2014

Willem-Alexander

De Minister van Infrastructuur en Milieu, M.H. Schultz van Haegen-Maas Geesteranus.

LIJST VAN TE ONTEIGENEN ONROERENDE ZAKEN

ONTEIGENINGSPLAN HERTOGIN HEDWIGEPOLDER

VERZOEKENDE INSTANTIE: STAATSSECRETARIS VAN ECONOMISCHE ZAKEN

 

Van de onroerende zaak, kadastraal bekend, gemeente HULST

Grondplan

nr.

Te onteigenen

grootte

Als

Ter grootte

van

Sectie

en nr.

Ten name van

ha

a

ca

ha

a

ca

1

geheel

Terrein (natuur)

00

19

90

U 7

Eigendom belast met opstal: De Staat (Financiën, Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf), Breda, zetel: ’s-Gravenhage.

Opstal: Stichting Het Zeeuwse Landschap, Wilhelminadorp, zetel: Middelburg.

                   

2

25

94

29

Bedrijvigheid (agrarisch)

water

2865

74

50

U 13

Eigendom belast met erfpacht: De Staat (Financiën, Rijksvastgoed- en ontwikkelingsbedrijf), Breda, zetel ‘s -Gravenhage.

Erfpacht: Stichting Het Zeeuwse Landschap, Wilhelminadorp, zetel: Middelburg.

                   

3

geheel

Terrein (natuur)

13

90

71

U 19

Eigendom: Gery Jacques John Edmond Leopold Prosper de Cloedt, gehuwd met Geraldine Dubois, Watermael-Boitsfort (België).

                   

4

geheel

Terrein (natuur)

00

23

83

X 237

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

5

geheel

Terrein (natuur)

00

00

17

X 236

Eigendom: Waterschap Scheldestromen, Middelburg, zetel Middelburg.

                   

6

geheel

Terrein (natuur)

00

11

59

U 18

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

7

geheel

Bouwwerken – waterwerken

15

86

70

X 177

Eigendom: als grondplannummer 5.

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Shell Nederland Chemie Bv, Vondelingenplaat RT; zetel: Rotterdam.

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Shell Nederland Chemie Bv, Vondelingenplaat RT, zetel: Rotterdam.

                   

8

geheel

Bedrijvigheid (industrie) erf -tuin

20

77

40

X 197

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

9

geheel

Water

00

28

65

X 196

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

10

geheel

Water

00

01

05

X 198

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

11

geheel

Wonen terrein (akkerbouw)

38

68

85

X 199

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

12

geheel

Wegen

01

82

85

X 179

Eigendom: als grondplannummer 3.

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Evides N.V., Rotterdam, zetel: Rotterdam.

                   

13

geheel

Bedrijvigheid (nutsvoorziening)

00

00

30

X 194

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

14

geheel

Wonen terrein (akkerbouw)

37

50

90

X 195

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

15

geheel

Terrein (akkerbouw)

25

36

50

X 181

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

16

geheel

Terrein (natuur)

102

19

40

U 16

Eigendom: Stichting Het Zeeuwse Landschap, Wilhelminadorp; zetel: Middelburg.

                 

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Shell Nederland Chemie Bv, Vondelingenplaat RT, zetel: Rotterdam.

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Shell Nederland Chemie Bv, Vondelingenplaat RT, zetel: Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen: Evides N.V., Rotterdam, zetel: Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Entrade Pipe B.V., Bergen op Zoom, zetel: Tilburg.

                   

17

geheel

Water

00

27

15

X 205

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

18

geheel

Bedrijvigheid (nutsvoorziening)

00

00

14

X 233

Eigendom: als grondplannummer 3, belast met opstal.

Opstal: Delta Netwerkbedrijf B.V., Goes, zetel: Middelburg.

                   

19

geheel

Water

00

10

15

X 209

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

20

geheel

Wegen

00

72

25

X 182

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

21

geheel

Terrein (akkerbouw)

23

71

75

X 204

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

22

geheel

Water

00

33

80

X 203

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

23

geheel

Wegen

02

05

36

X 232

Eigendom: als grondplannummer 3.

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Evides N.V., Rotterdam, zetel: Rotterdam.

                   

24

geheel

Terrein (akkerbouw)

29

19

35

X 208

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

25

geheel

Wegen

00

71

15

X 184

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

26

geheel

Terrein (akkerbouw)

27

29

30

X 202

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

27

geheel

Bouwwerken – waterwerken

12

54

55

X 187

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

28

geheel

Water

00

31

95

X 201

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

29

geheel

Water

00

23

25

X 206

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

30

geheel

Terrein (akkerbouw)

53

67

75

X 207

Eigendom: als grondplannummer 3.

                   

31

geheel

Terrein (akkerbouw)

23

44

80

X 200

Eigendom: als grondplannummer 3.

Zakelijk recht als bedoeld in art. 5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Evides N.V., Rotterdam, zetel: Rotterdam.

                   

32

geheel

Wonen terrein (akkerbouw)

00

82

30

X 189

Eigendom als grondplannummer 3, belast met opstal.

Opstal: Denise Sidonie Josef Borm, Kieldrecht (België).

33

geheel

Wonen erf – tuin

00

16

70

X 190

Eigendom: als grondplannummer 3, belast met opstal.

Opstal 1/2: Denise Sidonie Josef Borm, Kieldrecht (België).

Opstal 1/2: Marie Jeanne Emilie Regule Borm, gehuwd met Eric Hubert Rudolf Marie van Damme, Hulst.

                   

34

geheel

Water

00

01

00

X 191

Eigendom als grondplannummer 5, belast met opstal.

Recht van opstal: Emiel Judocus Theodoor Borm (overleden) gehuwd geweest met Marie L. Bogaert (overleden), Nieuw Namen.

                   

35

geheel

Bouwwerken – waterwerken

01

39

70

X 192

Eigendom: als grondplannummer 5.

Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Evides N.V., Rotterdam, zetel: Rotterdam.

                   

36

geheel

Water

00

63

60

X 3

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

37

geheel

Bouwwerken – waterwerken

04

99

00

X 2

Eigendom: als grondplannummer 3.

Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Evides N.V., Rotterdam, zetel: Rotterdam.

                   

38

00

03

91

Water

00

55

10

X 13

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

39

geheel

Water

00

41

80

X 16

Eigendom: als grondplannummer 5.

                   

40

28

85

01

Bouwwerken – waterwerken

28

92

20

U 15

Eigendom: Delta NV, Middelburg, zetel: Middelburg.

Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Gasunie Transport Services B.V., Groningen, zetel: Groningen.

Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Shell Nederland Chemie Bv, Vondelingenplaat RT, zetel: Rotterdam.

Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Shell Nederland Chemie Bv, Vondelingenplaat RT, zetel: Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen: Evides N.V., Rotterdam, zetel: Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Gasunie Transport Services B.V., Groningen, zetel: Groningen.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Delta Pipe B.V., Middelburg, zetel: Middelburg.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Entrade Pipe B.V., Bergen op Zoom, zetel: Tilburg.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Evides N.V., Rotterdam, zetel: Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Evides N.V., Rotterdam, zetel: Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Evides N.V., Rotterdam; zetel Rotterdam.

                   

41

geheel

Bedrijvigheid (industrie)

00

00

45

U 17

Eigendom: Delta NV, Middelburg, zetel: Middelburg, belast met opstal.

Opstal: Stichting Het Zeeuwse Landschap, Wilhelminadorp, zetel: Middelburg.

Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Shell Nederland Chemie Bv, Vondelingenplaat RT, zetel: Rotterdam.

Zakelijk recht als bedoeld in art.5, lid 3, onder B, van de belemmeringenwet privaatrecht: Shell Nederland Chemie Bv, Vondelingenplaat RT, zetel: Rotterdam.

Opstalrecht nutsvoorzieningen op gedeelte van perceel: Entrade Pipe B.V., Bergen op Zoom, zetel: Tilburg.

Naar boven