Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 24 september 2014, nummer 562329, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdeenendertigste wijziging) alsmede wijziging van de regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 december 2013, nummer 463556, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderddrieëntwintigste wijziging) (Stcrt. 2013, 35683)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de artikelen 24, tweede lid, en 47, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, artikel 5:14 van de Algemene wet bestuursrecht, de artikelen 2.2 en 3.43, derde lid, onder b, van het Vreemdelingenbesluit 2000 en artikel II, tweede en derde lid, van het Besluit van 17 december 2013 tot wijziging van het Vreemdelingenbesluit 2000 (stroomlijning toelatingsprocedures) (Stb. 2013, 580);

Besluit:

ARTIKEL I

Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 3.24, vierde lid, wordt ‘artikel 3.42, eerste lid, onder a, van het Besluit’ vervangen door: artikel 3.43, eerste lid, onder a, van het Besluit.

B

In artikel 1.11 worden de bedragen van € 5.065 en € 2.533, achtereenvolgens vervangen door: € 5.116, € 2.558.

C

In artikel 3.34 wordt de tarieftabel vervangen door:

I. Verblijfsdoel

II. Verlening of wijziging

III. Verlenging

a. ‘verblijf als familie- of gezinslid’

€ 230

€ 230

b. ‘verblijf als economisch niet-actieve langdurig ingezetene of vermogende vreemdeling’

€ 154, of als vermogende vreemdeling: € 2.046

€ 154, of als vermogende vreemdeling: € 1.023

c. ‘arbeid als zelfstandige’

€ 1.279

€ 384

d. ‘arbeid als kennismigrant’

€ 870

€ 384

e. ‘verblijf als houder van de Europese blauwe kaart’

€ 870

€ 384

f. ‘seizoenarbeid’

€ 768

niet van toepassing

g. ‘arbeid in loondienst’

€ 870

€ 384

h. ‘grensoverschrijdende dienstverlening’

€ 870

€ 384

i. ‘wetenschappelijk onderzoek in de zin van richtlijn 2005/71/EG’

€ 307

€ 307

j. ‘lerend werken’

€ 768

niet van toepassing

k. ‘arbeid als niet-geprivilegieerd militair of niet-geprivilegieerd burgerpersoneel’

€ 0

€ 0

l. ‘studie’

€ 307

€ 154

m. ‘het zoeken en verrichten van arbeid al dan niet in loondienst’

€ 614

niet van toepassing

n. ‘uitwisseling, al dan niet in het kader van een verdrag’

€ 614

niet van toepassing

o. ‘medische behandeling’

€ 972

€ 384

p. ‘tijdelijke humanitaire gronden’

In het kader van ‘buiten schuld’, met uitzondering van amv’s € 307, overige € 0

In het kader van ‘buiten schuld’, met uitzondering van amv’s € 307, overige € 0

q. ‘het afwachten van een verzoek op grond van artikel 17 van de Rijkswet op het Nederlanderschap’

€ 972

€ 384

r. ‘niet-tijdelijke humanitaire gronden’

In het kader van de regeling langdurig verblijvende kinderen € 154, overige € 972

In het kader van de regeling langdurig verblijvende kinderen € 154, overige € 384

s. alle overige verblijfsdoelen

€ 972

€ 384

D

In artikel 3.34a wordt de tarieftabel vervangen door:

I. Categorie

II. Verlening of wijziging

III. Verlenging

a. ‘verblijf als familie- of gezinslid’ indien het een kind betrtikel 3.343.34d komen te luiden:nderdeel NNet Voorschrift Vreemdelingen 2000 worden de bij dit besluit opgenomen bijlagen ingreft die verblijf vraagt bij een ouder

€ 230

€ 154

b. gezinslid van een houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen welk gezinslid het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ aanvraagt

€ 154

€ 154

c. houder van een EU-verblijfsvergunning voor langdurig ingezetenen in een andere lidstaat of een gezinslid daarvan die een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet aanvraagt

€ 154

€ 154

d. vreemdeling die valt onder artikel 41, eerste lid, van het op 23 november 1970 te Brussel tot stand gekomen Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara gesloten Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (Trb. 1971, 70) of artikel 6, 7 of 13 van het Besluit 1/80 van de Associatieraad EEG-Turkije betreffende de ontwikkeling van de Associatie

€ 53

€ 53

e. vreemdeling die in aanmerking komt voor de terugkeeroptie op grond van artikel 8 van de Remigratiewet

€ 53

€ 53

f. vreemdeling met de nationaliteit van Australië, Canada, Nieuw Zeeland dan wel Zuid-Korea die het verblijfsdoel ‘uitwisseling’ aanvraagt, in het kader van het Working Holiday Scheme of het Working Holiday Programme

€ 53

niet van toepassing

g. vreemdeling met de nationaliteit van Canada die het verblijfsdoel ‘lerend werken’ aanvraagt, in het kader van het Young Workers Exchange Programme

€ 53

niet van toepassing

h. vreemdeling die werkzaamheden als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van het op 7 juni 2007 te ’s-Gravenhage tot stand gekomen Zetelverdrag tussen het Internationaal Strafhof en het Gastland (Trb. 2007, 25) verricht en het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’ aanvraagt

€ 62

€ 62

i. vreemdeling die met het oog op de voorlaatste alinea van de brief van 21 december 2007 van de Permanente Vertegenwoordiging van het Koninkrijk der Nederlanden bij de Verenigde Naties, behorend bij het op 21 december 2007 te New York tot stand gekomen Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Naties betreffende de Zetel van het Speciale Tribunaal voor Libanon (Trb. 2007, 228), het verblijfsdoel ‘arbeid in loondienst’ aanvraagt

€ 62

€ 62

j. vreemdeling die het verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid’ aanvraagt en die om vrijstelling van leges verzoekt, daarbij een gerechtvaardigd beroep doet op artikel 8 EVRM en aantoont niet te kunnen beschikken over middelen om aan de legesverplichting te kunnen voldoen

€ 0

€ 0

k. vreemdeling die blijkens een schriftelijke verklaring van de Minister in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, voor een verblijfsdoel verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden of met een ander verblijfsdoel dan genoemd in artikel 3.4, eerste lid, van het Besluit

€ 0

niet van toepassing

l. minderjarig kind dat een aanvraag indient voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij een vreemdeling die verblijf heeft gekregen of heeft aangevraagd voor het verblijfsdoel ‘tijdelijke humanitaire gronden’, tenzij die verblijfsvergunning is verleend op grond van artikel 3.48, eerste lid, onder g, of 3.48, tweede lid, onder a, van het Besluit

€ 0

€ 0

m. de vreemdeling in aanmerking komt voor verlenging van de verblijfsvergunning als bedoeld in artikel van 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met verblijf als familie- of gezinslid voor verblijf bij een vreemdeling aan wie in het kader van dreigend eergerelateerd geweld, slachtoffer mensenhandel of huiselijk geweld, een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 14 van de Wet, onder een beperking verband houdend met tijdelijke humanitaire gronden is verleend

niet van toepassing

€ 0

n. de broer en zus die een aanvraag indienen voor ‘verblijf als familie- en gezinslid’ bij een vreemdeling die verblijf heeft gekregen of heeft aangevraagd voor het verblijfsdoel ‘tijdelijke humanitaire gronden’ in het kader van het beleid voor de Afghaanse vreemdeling die een verwesterde, schoolgaande en minderjarige vrouw is

€ 0

€ 0

o. vreemdeling die een aanvraag indient in het geval, bedoeld in artikel 3.101, tweede lid, van het Besluit

€ 0

niet van toepassing

p. de vreemdeling waaraan een verblijfsvergunning is verleend in het kader van verblijf als gezinslid van een militair verbonden aan een hier te lande gevestigd internationaal militair hoofdkwartier (Joint Force Command-headquarters) onder de beperking ‘arbeid in loondienst’

€ 230

€ 0

E

In artikel 3.34c worden de bedragen van € 355 en € 228, achtereenvolgens vervangen door: € 359, € 230.

F

In de artikelen 3.34g, 3.43b en 3.43c wordt het bedrag van € 152 vervangen door: € 154.

G

Onder vernummering van het derde tot en met het vijfde lid tot het tweede tot en met het vierde lid vervalt het tweede lid van artikel 3.34g.

H

In artikel 3.34j worden de bedragen van € 253, € 152 en € 228, achtereenvolgens vervangen door: € 256, € 154, € 230.

I

In artikel 3.34ja wordt ‘3.34j’ vervangen door: 3.34j, derde en vierde lid.

J

In artikel 3.34k wordt het bedrag van € 101 vervangen door: € 102.

K

Artikel 4.1 komt te luiden:

Artikel 4.1

  • 1. Met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen zijn belast:

    • a. de ambtenaren, bedoeld in artikel 142 van het Wetboek van Strafvordering, die ingevolge een akte en proces-verbaal van beëdiging van de Minister van Veiligheid en Justitie zijn belast met opsporing van een of meer strafbare feiten ingevolge de Wet;

    • b. de ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek die de functie hebben van senior medewerker behandelen en ontwikkelen of medewerker behandelen en ontwikkelen;

    • c. de ambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning die tevens zijn aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar in de zin van artikel 2 van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer en Ondersteuning 2014.

  • 2. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder b, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 50, en 52 van de Wet en de artikelen 4.23 en 4.45 van het Besluit.

  • 3. De ambtenaren, bedoeld in het eerste lid, onder c, beschikken uitsluitend over de bevoegdheden, genoemd in de artikelen 5:15 tot en met 5:17 van de Algemene wet bestuursrecht, en de bevoegdheden, genoemd in artikel 50 van de Wet.

L

Bijlage 1, behorend bij artikel 2.1, eerste lid, onder a, komt te luiden als aangegeven in de bijlage 1 behorend bij deze regeling.

ARTIKEL II

De regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 december 2013, nummer 463556, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderddrieëntwintigste wijziging) (Stcrt. 2013, 35683) wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel II, eerste lid, komt te luiden:

  • 1. De artikelen 3.6a, 3.115, eerste lid, onder e, en 6.1e, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 zijn niet van toepassing op een eerste aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000, die is ingediend voor 1 april 2014.

B

Artikel III, onderdeel B, komt te luiden:

  • b. artikel II, eerste lid, dat in werking treedt op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip, waarbij kan worden bepaald dat artikel II, eerste lid, terugwerkt tot een bij die regeling te bepalen tijdstip.

ARTIKEL III

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 januari 2015, met uitzondering van artikel I, onderdelen K en L, die in werking treden met ingang van 1 oktober 2014, en artikel II, dat in werking treedt met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst.

  • 2. Artikel II, eerste lid, van de regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 december 2013, nummer 463556, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderddrieëntwintigste wijziging) (Stcrt. 2013, 35683), treedt in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 april 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

‘s-Gravenhage, 24 september 2014

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

BIJLAGE 1, BEHOREND BIJ ARTIKEL 2.1, EERSTE LID, ONDER A, VOORSCHRIFT VREEMDELINGEN 2000

Luchthaven

Luchthavencode

Abu Dhabi International Airport

AUH

Amman – Queen Alia International Airport

AMM

Banjul Yundum International Airport

BJL

Beijing Capital International Airport

PEK

Boryspil International Airport

KBP

Kigali International Airport

KGL

Cairo International Airport

CAI

Casablanca Mohammed V International Airport

CMN

Damman – King Fahd International Airport

DMM

Dar Es Salaam International Airport

DAR

Denpasar Bali International Airport

DPS

Dubai International Airport

DXB

Dubai World Central – Al Maktoum International Airport

DWC

Guangzhou Baiyun International Airport

CAN

Hong Kong International Airport

HKG

Istanboel International Atatürk Airport

IST

Istanboel Sabiha Gökçen International Airport

SAW

Johannesburg International Airport

JNB

Luanda 4 de Fevereiro International Airport

LAD

Moskou Sheremetjevo International Airport

SVO

Muscat Seeb International Airport

MCT

Nairobi Jomo Kenyatta International Airport

NBO

New Delhi Indira Gandhi International Airport

DEL

Panama Stad – Tocumen International Airport

PTY

Quito Mariscal Sucre International Airport

UIO

Singapore Changi International Airport

SIN

TOELICHTING

Algemeen

Deze regeling tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 bevat onder andere de jaarlijkse indexering van de legestarieven, de aanwijzing van ambtenaren van de Dienst Terugkeer & Vertrek en de Dienst Vervoer & Ondersteuning als toezichthouder in de zin van artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, met beperkte toezichtsbevoegdheden en een aanpassing van de lijst met afschriftplichtige luchthavens.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdelen B, C, D, E, F, H en J (artikelen 1.11, 3.34, 3.34a, 3.34c, 3.34g, 3.34j, 3.34k, 3.43b en 3.43c)

In de brief van 28 november 2012 aan de Voorzitters van de Eerste en Tweede Kamer der Staten-Generaal (Kamerstukken I 2012/13, 31 549, nr. K) is aangekondigd dat de legestarieven met ingang van 2014 worden geïndexeerd. De onderhavige regeling geeft voor het jaar 2015 uitvoering aan de indexering van de legestarieven.

De leges zijn geïndexeerd op basis van het indexcijfer van de cao-lonen zoals berekend door het CBS (1,0%), conform de handelwijze bij de indexering van de leges die geheven worden in het kader van de Rijkswet op het Nederlanderschap. Voor een nadere toelichting over het indexeringscijfer wordt verwezen naar de toelichting bij de Beschikking wijzigingspercentage optie- en naturalisatiegelden 2015 (Stct. 2014, nr. 22839).

Onderdeel G (artikel 3.34g, tweede lid)

Bij Besluit van 7 april 2014 (Stb. 2014, 156) zijn de Wet van 10 juli 2013 tot wijziging van de Remigratiewet (Heroverweging Remigratiewet) (Stb. 2013, 331) en het Besluit van 1 maart 2014 houdende voorschriften ter uitvoering van de Remigratiewet en tot wijziging van enige andere algemene maatregelen van bestuur (Remigratiebesluit) met ingang van 1 juli 2014 in werking getreden. Terugkeeroptanten konden tot 1 juli 2014 in aanmerking komen voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd of voor onbepaalde tijd (artikel 3.51, eerste lid, onder g onderscheidenlijk artikel 3.92, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000). Gelet op de complexiteit van wetgeving is ervoor gekozen om deze regelingen samen te voegen en alle terugkeeroptanten in aanmerking te laten komen voor de verblijfsvergunning voor bepaalde tijd op grond van artikel 3.51, eerste lid, onderdeel g, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Derhalve is artikel 3.34g, tweede lid, overbodig geworden en vervalt het tweede lid dan ook.

Onderdeel K (artikel 4.1)

In de brief aan de Tweede Kamer van 13 september 20131 is aangekondigd dat onderzocht zal worden wat de mogelijkheden zijn om te starten met een pilot waarbij de Dienst Terugkeer en Vertrek (hierna: DT&V) voor bepaalde groepen vreemdelingen op bepaalde locaties de bevoegdheid krijgt om deze in bewaring te kunnen stellen, waarbij wordt voldaan aan alle waarborgen. Na 1 oktober 2014 zal hieraan op twee locaties concrete invulling worden gegeven. Om dit mogelijk te maken is in de 129e wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen (Stcrt. 2014, 20666) geregeld dat ambtenaren van de DT&V bevoegd zijn namens Onze Minister vreemdelingen in bewaring te stellen. Flankerend aan deze pilot is het wenselijk geacht dat de ambtenaren van de DT&V en de ambtenaren van de Dienst Vervoer en Ondersteuning (hierna: DV&O) worden voorzien van een aantal bevoegdheden die hen in staat stellen om op een aantal aspecten de rol van toezichthouder te gaan vervullen. Verwacht wordt dat de inzet van personeel van de verschillende diensten op een efficiëntere wijze kan worden ingevuld. Deze wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 geeft daaraan invulling.

In de Vreemdelingenwet 2000 is in artikel 47, eerste lid, aanhef en onder c, vastgelegd dat bij besluit van de Minister van Veiligheid en Justitie ambtenaren kunnen worden aangewezen die belast zijn met het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot vreemdelingen. Op grond hiervan kunnen ambtenaren van de DT&V als toezichthouder worden aangewezen. Artikel 5:14 van de Algemene wet bestuursrecht biedt de mogelijkheid om het bevoegdhedenpakket te beperken. In artikel 4.1 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt nu geëxpliciteerd dat de ambtenaren van de DT&V, naast de algemene bevoegdheid uit de Algemene wet bestuursrecht, uitsluitend een aantal bevoegdheden hebben zoals toegekend in de Vreemdelingenwet 2000 en het Vreemdelingenbesluit 2000. De ambtenaar van de DT&V die is aangewezen als toezichthouder kan een vreemdeling staande houden en de overige in artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 genoemde bevoegdheden uitoefenen voor zover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn of haar taak nodig is. Ook kan de toezichthouder van de DT&V reis- en identiteitspapieren innemen zoals omschreven in artikel 52 van de Vreemdelingenwet 2000, met inbegrip van de bevoegdheid uitgewerkt in artikel 4.23 van het Vreemdelingenbesluit 2000 om deze tijdelijk in bewaring te nemen. Deze bevoegdheid omvat uitdrukkelijk niet het maken van aantekeningen in het document. Tot slot kan de medewerker van de DT&V de in artikel 4.45 van het Vreemdelingenbesluit 2000 neergelegde bevoegdheid uitoefenen. In dit artikel wordt de verplichting, neergelegd in artikel 54, eerste lid aanhef en onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, nader omschreven. Daarmee krijgt de ambtenaar de bevoegdheid een goedgelijkende pasfoto en vingerafdrukken te vorderen. Deze bevoegdheid bestaat uiteraard alleen voor zover deze redelijkerwijs noodzakelijk is bij de uitoefening van de taken van de ambtenaar. Dit zal in de praktijk neerkomen op het verstrekken van deze gegevens met het oog op de indiening van een verzoek tot afgifte van een vervangend reisdocument.

Van belang is te onderlijnen dat niet alle in de Vreemdelingenwet 2000 aan toezichthouders toegekende bevoegdheden zijn toegekend aan de ambtenaren van de DT&V en de DV&O, maar slechts die bevoegdheden die direct aan de uitoefening van hun taken zijn gekoppeld. Bijvoorbeeld zijn de betreffende ambtenaren niet bevoegd de woning te betreden tegen de wil van de bewoner en hebben zij evenmin de bevoegdheid om een persoon te fouilleren nu dit een dwangmiddel betreft waartoe hij geen bevoegdheid heeft. Deze bevoegdheden kunnen leiden tot situaties die kunnen escaleren en waarin het noodzakelijk is dwangmiddelen toe te passen. De ambtenaren van de DT&V hebben niet de bevoegdheid dwangmiddelen toe te passen. Voor zover de hiervoor bedoelde bevoegdheden moeten worden toegepast kunnen de ambtenaren daarbij op assistentie rekenen van andere ambtenaren die hun status als toezichthouder combineren met de bevoegdheid om dwangmiddelen toe te passen.

Bij het bepalen van de reikwijdte van de aanwijzing van ambtenaren van de DT&V als toezichthouder, is een ruime aanwijzing het uitgangspunt geweest. De aanwijzing is echter wel beperkt tot die medewerkers van de DT&V die deze bevoegdheden daadwerkelijk gaan gebruiken in de aan hen opgedragen werkzaamheden. Dit zijn dan de medewerkers die in de functie van (senior) medewerker behandelen en ontwikkelen (voorheen aangeduid als (senior) regievoerder) direct contact hebben met de vreemdeling en belast zijn met het verwezenlijken van de terugkeer.

In het nieuwe onderdeel c. van artikel 4.1 wordt een meer nadrukkelijke rol beschreven voor de ambtenaren van de DV&O bij de staandehouding van vreemdelingen. De ambtenaren van de DV&O zijn nu al in veel gevallen ter plaatse van de inbewaringstelling aanwezig om na inbewaringstelling zorg te dragen voor het vervoer naar een locatie waar de maatregel van bewaring ten uitvoer wordt gelegd. Door de aanwijzing als toezichthouder in de zin van de Vreemdelingenwet 2000, krijgt de ambtenaar van de DV&O de bevoegdheid een vreemdeling staande te houden, over te brengen naar een plaats bestemd voor verhoor en aldaar op te houden, ook voordat een maatregel van bewaring is opgelegd. Onder bepaalde omstandigheden is het goed voorstelbaar dat de ambtenaren van de DV&O de taken van de politie overnemen in die gevallen waarin een ambtenaar van de DT&V de beslissing tot inbewaringstelling neemt. Voor de inbewaringstelling zou in dergelijke gevallen politie-inzet niet langer strikt noodzakelijk zijn, waardoor de vrijgekomen politiecapaciteit op andere plaatsen kan worden ingezet. Belangrijk is daarbij dat in vrijwel alle gevallen de inbewaringstelling op de centra plaats heeft met minimaal gebruik van dwangmiddelen. In het kader van deze regeling zullen, in die gevallen waarvan in de risicoanalyse is gebleken dat er geen indicatie is van verzet of andere orde verstorende aspecten, medewerkers van de DV&O bevoegd worden tot de staandehouding en ophouding van de vreemdeling voorafgaand aan de inbewaringstelling.

Dwangbevoegdheden (gebruik van geweld en vrijheidsbeperkende middelen)

Een ambtenaar van de DV&O krijgt door de bij dit besluit geregelde aanwijzing als toezichthouder op grond van artikel 47, eerste lid, onder c, van de Vreemdelingenwet 2000, de bevoegdheid staande te houden, over te brengen en op te houden op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000. Indien de vreemdeling ten aanzien waarvan de ambtenaar van de DT&V voornemens is een maatregel van bewaring als bedoeld in artikel 59 of 59a van de Vreemdelingenwet 2000 op te leggen, onvoldoende medewerking verleent en dwang noodzakelijk is, kan de als toezichthouder aangewezen ambtenaar van de DV&O dwangbevoegdheden toepassen indien hij tevens als buitengewoon opsporingsambtenaar is aangewezen. Op grond van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar Dienst Vervoer & Ondersteuning 2014 (hierna: Besluit BOA DV&O) kan de ambtenaar van de DV&O die is aangewezen als buitengewoon opsporingsambtenaar, de in artikel 7, eerste en derde lid, van de Politiewet 2012 omschreven bevoegdheden uitoefenen met gebruikmaking van handboeien, korte wapenstok, pepperspray en vuurwapen. Het gaat om de bevoegdheid geweld en vrijheidsbeperkende middelen toe te passen (artikel 7, eerste lid, van de Politiewet 2012), en de bevoegdheid onderzoek aan de kleding te doen bij onmiddellijk gevaar voor leven of veiligheid van betrokkene, de ambtenaar zelf of derden (artikel 7, derde lid).

Na inwerkingtreding van artikel III van de Wet van 21 mei 2014 tot wijziging van de Gemeentewet, de Wet wapens en munitie en de Politiewet 2012 (verruiming fouilleerbevoegdheden) (Stb. 2014, 191) betreft het, naast de al genoemde bevoegdheden, ook de bevoegdheid tot onderzoek van de voorwerpen die personen bij zich dragen of met zich mee voeren (het nieuwe artikel 7, derde lid, van de Politiewet 2012), de bevoegdheid een persoon te vervoeren of in te sluiten, de bevoegdheid een persoon aan zijn kleding te onderzoeken op de aanwezigheid van voorwerpen die een gevaar voor de veiligheid van betrokkene of voor anderen kunnen vormen, alsmede daartoe de voorwerpen te onderzoeken die betrokkene bij zich draagt of met zich mee voert (het nieuwe artikel 7, vierde lid, van de Politiewet 2012). Door de aanwijzing als toezichthouder met een taak op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 tezamen met de aanwijzing als buitengewoon opsporingsambtenaar kunnen deze dwangbevoegdheden door ambtenaren van de DV&O worden ingezet om de vreemdeling te dwingen mee te lopen naar een gesprek met de medewerker van de DT&V en vervolgens naar een busje voor vervoer naar het politiebureau of een inrichting voor vreemdelingenbewaring. Zoals gezegd, leert de ervaring dat dwangmiddelen in de praktijk niet steeds worden toegepast. Vanzelfsprekend dient die toepassing ook steeds proportioneel te zijn in de gegeven situatie. Van belang is dat in deze gevallen de vreemdeling vooraf bekend is, en een inschatting zal zijn gemaakt van diens reactie. Ook houdt de DT&V bij de voorbereiding van de staandehouding rekening met een geschikt moment waardoor de dagelijkse gang van zaken op het centrum zo min mogelijk wordt beïnvloed. De DT&V en de DV&O werken bij de staandehouding van een vreemdeling samen. De dwangbevoegdheden van de DV&O zijn bedoeld om in deze situatie de-escalerend te kunnen optreden en op die manier de weg naar de inbewaringstelling veilig en voortvarend te kunnen afleggen.

De als buitengewoon opsporingsambtenaar aangewezen ambtenaar van de DV&O kan de dwangbevoegdheden toepassen "tot hetgeen nodig is voor een juiste vervulling van de functie in verband waarmee hij tot buitengewoon opsporingsambtenaar is beëdigd" (artikel 25, eerste lid, van het Besluit buitengewoon opsporingsambtenaar). Ook uit artikel 7, zevende lid, van de Politiewet 2012, gelezen in samenhang met het eerste lid van artikel 7 van de Politiewet 2012, volgt dat de bevoegdheden van de Buitengewoon opsporingsambtenaar om geweld of vrijheidsbeperkende middelen te gebruiken verbonden zijn aan de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, wanneer het daarmee beoogde doel dit, mede gelet op de aan het gebruik hiervan verbonden gevaren, rechtvaardigt en dat doel niet op een andere wijze kan worden bereikt. Met de aanwijzing van ambtenaren van de DV&O, die tevens zijn aangewezen als Buitengewoon opsporingsambtenaar, als toezichthouders in het kader van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 vallen de handelingen in dat kader binnen de wettelijke taak van de betreffende ambtenaren.

De toepassing van dwangbevoegdheden door de DV&O wordt beheerst door het Besluit BOA DV&O en artikel 37 van de Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke Marechaussee en andere opsporingsambtenaren. Daarbij zijn van groot belang de in artikel 7 van de Politiewet 2012 neergelegde beginselen van subsidiariteit en proportionaliteit.

Rechtsbescherming

De rechtsbescherming die tegen de uitoefening van deze bevoegdheden openstaat is meerledig. Ten eerste kan men op grond van titel 9.1 van de Algemene wet bestuursrecht een klacht indienen tegen het handelen van de DV&O. Op grond van de Politiewet 2012 zijn er geen specifieke rechtsbeschermingsbepalingen voor buitengewoon opsporingsambtenaren. De in hoofdstuk 7 van deze wet opgenomen regels over klachtbehandeling zien alleen op ambtenaren van politie en militairen, bij de uitvoering van hun in deze wet omschreven taken. Een gedraging van een buitengewoon opsporingsambtenaar wordt opgevat als een gedraging van het bestuursorgaan waaronder hij ressorteert, aldus bijlage C-III van de Circulaire Buitengewoon Opsporingsambtenaar. Hoofdstuk 9 van de Algemene wet bestuursrecht is daarop van toepassing, zoals ook volgt uit artikel 42 van het Besluit BOA DV&O. Dit betekent dus dat men een klacht kan indienen bij het ministerie van Veiligheid en Justitie.

Daarnaast kan de toepassing van de bevoegdheden op grond van artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 en het gebruik van dwangbevoegdheden door de DV&O in het bewaringsberoep voor de vreemdelingenrechter aan de orde worden gesteld. Wanneer de rechter het handelen van de DV&O onrechtmatig of disproportioneel acht, leidt dit niet per definitie tot de slotsom dat de bewaring onrechtmatig is. De rechter zal het wel meewegen in zijn oordeel op grond van artikel 94 van de Vreemdelingenwet 2000 of de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is.

De lasten voor overheid en burgers van deze wijziging zullen neutraal of zeer beperkt zijn. Het gaat om een herschikking van taken. Doordat de politie in bepaalde gevallen niet meer hoeft te worden ingezet, kan de politiecapaciteit efficiënter worden ingezet. De capaciteit die door de DV&O moet worden vrijgemaakt voor deze activiteiten zal ook beperkt zijn, aangezien het om situaties gaat waarin de inzet van de betrokken ambtenaren met het oog op het vervoer van de vreemdelingen al een gegeven is. De aanvullende toezichtstaken zullen wel maken dat de reeds geplande inzet meer tijd zal vergen.

Onderdeel L (bijlage 1, behorend bij artikel 2.1, eerste lid, onder a)

De ervaringsgegevens van februari 2014 tot en met juli 2014 hebben, ten opzichte van de lijst van 1 april 2014, geleid tot een nagenoeg ongewijzigde lijst. Waar in de lijst van 1 april 2014 vierentwintig luchthavens waren opgenomen, zal de lijst van 1 oktober 2014 zesentwintig luchthavens bevatten. Drieëntwintig luchthavens die het laatste half jaar op de lijst werden genoemd, blijven gehandhaafd. Slechts één luchthaven is van de lijst verwijderd, terwijl drie luchthavens daaraan zijn toegevoegd.

De luchthaven Dakar Léopold Sédar Senghor International is van de lijst gehaald, omdat deze niet meer aan voornoemde criteria voldoet. Niet langer wordt voldaan aan de ondergrens van vijf aangevoerde ongedocumenteerden per half jaar, terwijl historische gegevens noch preventieve redenen plaatsing op de lijst rechtvaardigen. Evenmin is momenteel (trend)informatie bekend die een dergelijke plaatsing zou rechtvaardigen.

Vanwege het overschrijden van de ondergrens van vijf aangevoerde ongedocumenteerden per half jaar zijn de luchthavens New Delhi Indira Gandhi International en Kigali International op de lijst geplaatst. De luchthaven Boryspil International heeft de ondergrens van vijf aangevoerde ongedocumenteerden per half jaar weliswaar net niet overschreden, maar deze aanvoer – in samenhang bezien met de huidige situatie in de regio – rechtvaardigt plaatsing op de lijst om preventieve redenen.

Artikelen II en III

Artikel II bevat een aanpassing van artikel II, eerste lid, en artikel III, onderdeel b, van de regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 13 december 2013, nummer 463556, houdende wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderddrieëntwintigste wijziging) (Stcrt. 2013, 35683). Artikel III, onderdeel b, van die regeling houdt in dat overgangsrecht over het meetoetsen van regulier-humanitaire omstandigheden en artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 bij asielaanvragen in werking treedt op een bij ministeriële regeling te bepalen tijdstip. Dit overgangsrecht is aangepast bij ministeriële regeling van 14 maart 2014 (Stcrt. 2014, 7105). Daarbij is abusievelijk niet 1 april 2014 als inwerkingtredingsdatum van het aangepaste overgangsrecht vermeld.

De artikelen II en III strekken er toe om dit te corrigeren en het betreffende overgangsrecht met terugwerkende kracht tot 1 april 2014 toe te passen. Om misverstanden te voorkomen, wordt artikel II, eerste lid, van de regeling van 13 december 2013, opnieuw vastgesteld.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Kamerstukken II 2012/13, 19 637, nr. 1721

Naar boven