Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Veiligheid en JustitieStaatscourant 2014, 20666Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie van 11 juli 2014, nummer 539766, tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 (honderdnegenentwintigste wijziging)

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,

Gelet op de artikelen 59 en 59a van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 2.2a, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000;

Besluit:

ARTIKEL I

Het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wordt als volgt gewijzigd:

A

In artikel 2.1a, eerste lid, wordt ‘de luchthaven Schiphol’ vervangen door: een luchthaven in Nederland.

B

Onder vervanging van de punt aan het slot van artikel 5.3, eerste lid, door een komma, wordt een zinsnede toegevoegd, luidende: of door de ambtenaar van de Dienst Terugkeer en Vertrek die daartoe is aangewezen door de Minister.

ARTIKEL II

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 september 2014, met uitzondering van artikel I, onderdeel A, dat in werking treedt met ingang van 1 augustus 2014.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 11 juli 2014

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven

TOELICHTING

Algemeen

Deze regeling tot wijziging van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 bevat een uitbreiding van de gevallen waarin vervoerders die passagiers van buiten de Europese Unie of het Schengengebied naar Nederland vervoeren, worden verplicht passagiersgegevens te verzamelen en te verstrekken. Voorts bevat deze regeling de opname van de bevoegdheid voor ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek om vreemdelingen in bewaring te stellen als bedoeld in artikel 59 en 59a van de Vreemdelingenwet 2000.

De inwerkingtreding is niet op een Vast Verandermoment en de invoeringstermijn van deze regeling bedraagt minder dan twee maanden. Hiermee wordt afgeweken van het in het Kabinetsstandpunt inzake Vaste Verandermomenten neergelegde uitgangspunt. Deze afwijking is toegestaan omdat de doelgroepen gebaat zijn bij spoedige inwerkingtreding (Aanwijzing 174, vierde lid, onder a, Aanwijzingen voor de regelgeving).

Artikelsgewijs

Onderdeel A (artikel 2.1a, eerste lid)

Richtlijn nr. 2004/82/EG1 (de zogenaamde API-richtlijn) is geïmplementeerd in artikel 4, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 en artikel 2.2a van het Vreemdelingenbesluit 2000. Op grond van die artikelen kunnen vervoerders die passagiers van buiten de Europese Unie of het Schengengebied naar Nederland vervoeren, worden verplicht passagiersgegevens ofwel API-gegevens te verzamelen en te verstrekken aan de grensbewakingsautoriteiten ten behoeve van de grenscontrole en het tegengaan van illegale immigratie.

Artikel 2.2a, vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 bepaalt dat bij ministeriële regeling gevallen kunnen worden aangewezen waarin vervoerders verplicht zijn de passagiersgegevens te verzamelen en te verstrekken zonder vordering daartoe. Dit is uitgewerkt in artikel 2.1a, eerste en tweede lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000. Artikel 2.1a, eerste lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 bepaalt dat de vervoerder passagiersgegevens verzamelt van alle passagiers die worden vervoerd vanaf een luchthaven genoemd in bijlage 1a. Bijlage 1a behelst de luchthavens ten aanzien waarvan een verhoogd risico bestaat op illegale immigratie. Met onderhavige wijziging is deze verplichting niet langer beperkt tot vluchten naar de luchthaven Schiphol, maar bestaat deze ook bij vervoer naar andere luchthavens in Nederland. Thans wordt ook op andere Nederlandse luchthavens dan Schiphol gevlogen vanaf luchthavens ten aanzien waarvan een verhoogd risico bestaat op illegale immigratie.

Onderdeel B (artikel 5.3, eerste lid)

In de brief aan de Tweede Kamer van 13 september 20132 is aangekondigd dat onderzocht zal worden wat de mogelijkheden zijn om te starten met een pilot waarbij de Dienst Terugkeer en Vertrek voor bepaalde groepen vreemdelingen op bepaalde locaties de bevoegdheid krijgt om deze in bewaring te kunnen stellen, waarbij wordt voldaan aan alle waarborgen. Middels deze regeling wordt buiten twijfel gesteld dat de Dienst Terugkeer en Vertrek namens Onze Minister vreemdelingen in bewaring kan stellen als bedoeld in artikel 59 en 59a van de Vreemdelingenwet 2000.

In artikel 59 en 59a van de Vreemdelingenwet 2000 is neergelegd dat Onze Minister onder de in die artikelen beschreven voorwaarden vreemdelingen in bewaring kan stellen. De bepaling in artikel 5.3 van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 wijst voor de toepassing van die bevoegdheid de ambtenaar belast met vreemdelingentoezicht aan, die tevens Hulpofficier van Justitie is. Met de onderhavige wijziging wordt aan dit artikel toegevoegd dat ook ambtenaren van de Dienst Terugkeer en Vertrek bevoegd kunnen zijn om vreemdelingen in bewaring te stellen.

Van belang is dat de oplegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring met voldoende waarborgen is omgeven. Daarom is in de tekst van de wet verwerkt dat alleen nadrukkelijk aangewezen ambtenaren daartoe bevoegd zijn. De aanwijzing van deze ambtenaren vindt namens de Minister plaats door de Algemeen Directeur van de Dienst terugkeer en vertrek. De aangewezen ambtenaren zullen op een lijst worden geplaatst. Al deze ambtenaren zullen ofwel ten aanzien van het opleggen van een maatregel van vreemdelingenbewaring een zelfde opleiding hebben genoten als een Hulpofficier van Justitie, ofwel zal er op andere wijze in voorzien worden dat de betreffende medewerker beschikt over de relevante kennis om op juiste wijze te toetsen of oplegging van vreemdelingenbewaring rechtmatig kan plaatsvinden. Het is uitdrukkelijk niet zo dat alle medewerkers van de Dienst Terugkeer en Vertrek die bevoegd zijn om besluiten te nemen, bevoegd zijn om een maatregel van vreemdelingenbewaring op te leggen. Daarin wijkt deze bevoegdheid af van de bevoegdheid in het tweede lid om de maatregel op te heffen of die in het derde lid, om bewaring te verlengen. In die gevallen gaat het immers respectievelijk om een voor de vreemdeling gunstig besluit, en een besluit dat neerkomt op de voortduring van een reeds bestaande situatie. Het daadwerkelijk laten aanvangen van een vrijheidsbeneming is van een andere orde.

Doel van de pilot is een effectievere toepassing van de maatregel in bewaring stelling.

De doelgroep van de pilot bestaat uit ex-asielzoekers, maar de bevoegdheid is niet beperkt tot deze groep en kan zonder dat aanpassing van de regelgeving noodzakelijk is, worden uitgebreid.

De medewerkers van de Dienst Terugkeer en Vertrek zijn bekend met het voortraject van uitgeprocedeerde asielzoekers. Ook kan door de inzet van de Dienst Terugkeer en Vertrek beter worden gezekerd dat, indien geen maatregel van bewaring wordt opgelegd, er wel een effectief terugkeertraject wordt opgestart. Daarnaast is de verwachting dat de medewerkers van de Dienst Terugkeer en Vertrek meer gespecialiseerd zijn in vreemdelingenbewaring, daar waar een Hulpofficier van Justitie van de politie of de Koninklijke Marechaussee in veel gevallen een aanzienlijk breder taakveld heeft. Indien dwang moet worden toegepast zal de Dienst Terugkeer en Vertrek de politie of Koninklijke Marechaussee inschakelen.

In eerste instantie zal deze pilot worden uitgevoerd op twee locaties, namelijk de locaties in Ter Apel en Gilze Rijen waar de vreemdelingen verblijven aan wie een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de wet is opgelegd. Als de inbewaringstelling door de Dienst Terugkeer en Vertrek effectief blijkt en een verbetering inhoudt ten opzichte van de werkwijze waarin de politie of de Koninklijke Marechaussee vreemdelingen in bewaring stellen, kan deze werkwijze worden uitgebreid naar andere locaties en politieregio’s. Daartoe zal deze werkwijze na een jaar worden geëvalueerd.

De Staatssecretaris van Veiligheid en Justitie, F. Teeven


X Noot
1

Richtlijn nr. 2004/82/EG van de Raad van 29 april 2004 betreffende de verplichting voor vervoerders om passagiersgegevens door te geven (PbEU L 261)

X Noot
2

Kamerstukken II 2012/13, 19 637, nr. 1721