Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek

Categorie: Pre-opsporing, opsporing

Afzender: het College van procureurs-generaal

Adressaat: Hoofden van de OM-onderdelen

Registratienummer: 2013A011

Datum vaststelling: 07-05-2013

Datum inwerkingtreding: 01-06-2013

Geldigheidsduur: 31-05-2017

Publicatie in Stcrt: PM

Vervallen: Aanwijzing technisch onderzoek/deskundigenonderzoek (2009A018)

Wetsbepalingen: Wetboek van Strafvordering: artikel 51i t/m 51m; artikel 150, 150a, 150b

en 150c; artikel 176; artikel 216 en 216a; artikel 227 t/m 232; artikel 299; artikel 343

Jurisprudentie: –

Relevante beleidsregels: –

Bijlagen: Bijlage 1: Onderzoeken die horen bij de voorfase (PD-fase) in het opsporingsonderzoek;

Bijlage 2: Lijst van gestandaardiseerd en reproduceerbaar onderzoek;

Bijlage 3: Lijst met onderzoeksgebieden opsporingsinstanties;

Bijlage 4: Beslisschema

Samenvatting

De Wet deskundige in strafzaken1 beoogt de positie van de deskundige in het strafproces te versterken.

Met de inwerkingtreding van deze wet bestaat de vaste gerechtelijke deskundige niet meer. In plaats daarvan is de geregistreerde deskundige gekomen. Dit is de deskundige die geregistreerd is in het Nederlands register gerechtelijk deskundigen2 (hierna te noemen: NRGD). De (hulp)officier van justitie is alleen bevoegd om deskundigen te benoemen die geregistreerd zijn in dat register. Voor het benoemen van niet in dat register opgenomen deskundigen, moet een vordering worden ingediend bij de rechter-commissaris.

Ook wordt in de wet de positie van de verdediging versterkt: de verdachte c.q. diens raadsman krijgt uitdrukkelijk het recht om te vragen om tegenonderzoek. De wet bepaalt verder dat – tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet – de (raadsman van de) verdachte door de (hulp)officier van justitie geïnformeerd wordt over het verlenen van een opdracht tot deskundigenonderzoek. Dit om hem in staat te stellen om de omvang en richting van dat onderzoek te beïnvloeden. Gezien deze informatieverplichting is in deze aanwijzing nader gepreciseerd wanneer sprake is van deskundigenonderzoek in de zin van deze wet en wanneer dat niet het geval is. Als dat niet het geval is, geldt geen verplichting om de (raadsman van de) verdachte op de hoogte te stellen. Niettemin kan ook zonder verplichting in sommige gevallen aanleiding bestaan de (raadsman van de) verdachte te betrekken bij het formuleren van de onderzoeksvragen en de keuze van de te benoemen deskundige. Als er voor onderzoeken specifieke op de wet gebaseerde uitvoeringsregelingen bestaan (zoals DNA-onderzoek en alcoholonderzoek – zie hierna onder lex specialis), moeten die worden toegepast.

Om in de praktijk ervaring op te bouwen met genoemde informatieverplichting is er in de aanwijzing voor gekozen de bevoegdheid om geregistreerde deskundigen in de zin van artikel 150 Wetboek van Strafvordering (Sv) te benoemen, voor te behouden aan de officier van justitie. Van de afgeleide bevoegdheid die artikel 150 lid 2 Sv creëert voor de hulpofficier wordt met andere woorden (voorlopig) geen gebruik gemaakt.

Lex specialis

Een punt van aandacht, voordat op de achtergrond en de gevolgen van de wet wordt ingegaan, is het volgende. Voor DNA-onderzoek en bloedonderzoek bij rijden onder invloed bestaan specifieke, op de wet gebaseerde uitvoeringsregelingen. Deze gelden als lex specialis ten opzichte van de regeling uit de Wet deskundige in strafzaken en blijven onverkort van toepassing.

Inleidende opmerkingen

Voor een goed begrip van de (gevolgen van de) wet is het van belang goed voor ogen te hebben dat de wetgever (niet zozeer in de wet zelf als wel in de totstandkominggeschiedenis ervan) verschillende vormen van onderzoek onderscheidt.3

Allereerst wordt onderscheid gemaakt tussen enerzijds onderzoek dat tot het domein van de opsporingsinstanties behoort (verder: technisch opsporingsonderzoek) en anderzijds deskundigenonderzoek. Dit onderscheid is bepalend voor het antwoord op de vraag of de (raadsman van de) verdachte al dan niet in kennis moet worden gesteld van de onderzoeksopdracht (art. 150a lid 1 Sv). Bij technisch opsporingsonderzoek hoeft dit niet, bij deskundigenonderzoek wel.

Er zijn voorts twee vormen van deskundigenonderzoek, te weten technisch deskundigenonderzoek en overig deskundigenonderzoek. Dit onderscheid is relevant voor het antwoord op de vraag of ook de hulpofficier van justitie bevoegd is de opdracht te verlenen. Aangezien in deze aanwijzing de bevoegdheid tot het benoemen van deskundigen wordt voorbehouden aan de officier van justitie, wordt dit punt hier niet verder uitgewerkt. Voor de officier van justitie geldt dat hij uitsluitend in het NRGD geregistreerde deskundigen mag benoemen. Het benoemen van niet-geregistreerde deskundigen is namelijk voorbehouden aan de rechter-commissaris.

Bij gedragsdeskundigen in opleiding is dikwijls sprake van twee deskundigen die het onderzoek uitvoeren, te weten: de deskundige die in opleiding is en zijn supervisor. Dit is nodig aangezien de deskundige in opleiding zelfstandig een aantal rapporten moet schrijven om opgenomen te kunnen worden in het NRGD. De supervisor dient te zijn geregistreerd in het NRGD. Aangezien de officier van justitie alleen de supervisor kan benoemen (deze is immers opgenomen in het NRGD), maar niet de deskundige in opleiding is tussen het NIFP, het OM en de ZM afgesproken dat in deze gevallen beide benoemingen door de rechter-commissaris zal plaatsvinden

Achtergrond

De Wet deskundige in strafzaken en het Besluit register deskundige in strafzaken zijn op 1 januari 2010 in werking getreden. Met de wet en het besluit wordt beoogd de positie van de deskundige in strafzaken te versterken en meer waarborgen te bieden voor de kwaliteit van de rapportages van (forensisch) deskundigen. Bij het opstellen van de regeling is onderkend dat de positie van het OM bij het verlenen van de opdracht tot deskundigenonderzoek ten opzichte van de politie versterking behoeft. Vooral in grote onderzoeken is het van belang dat het OM zich in de vroege fase van het opsporingsonderzoek rekenschap geeft van de vraag welke onderzoeken met welke opdracht in gang moeten worden gezet. De wet dwingt nu meer dan in het verleden tot het formuleren van precieze, concrete vraagstellingen. De wet bevordert voorts een betere communicatie tussen de opdrachtgever en de rapporterende deskundige. Specificatie van de vraagstelling kan plaatsvinden in onderling overleg en kan worden toegesneden op de concrete casus. Waar nodig wordt afstand genomen van gestandaardiseerde vraagstellingen die niet aan een concrete casus zijn gebonden.

De wet beoogt daarnaast een versterking van de positie van de verdediging: aan de (raadsman van de) verdachte wordt een uitdrukkelijk recht toegekend om te verzoeken om een tegenonderzoek.

De wetgever beoogt de (raadsman van de) verdachte zo vroeg mogelijk bij een opdracht tot deskundigenonderzoek te betrekken. Daarom wordt hij – tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet – geïnformeerd over de opdracht aan de deskundige teneinde hem in staat te stellen om aanvullend onderzoek te vragen of invloed uit te oefenen op de formulering van de onderzoeksopdracht. Op die manier is op de terechtzitting direct een rapportage aanwezig die antwoord geeft op de voor het OM en de (raadsman van de) verdachte relevante onderzoeksvragen en zal er minder discussie ontstaan over (de uitkomsten van) het onderzoek. Het deskundigenonderzoek is vatbaar voor tegenonderzoek. Het is goed denkbaar dat de verdediging er veel belang bij kan hebben de uitkomst van zo’n onderzoek te betwisten. Een dergelijk tegenonderzoek is een deskundigenonderzoek dat door de regels uit de Wet deskundige in strafzaken wordt geregeerd. Een opdracht tot tegenonderzoek moet evenals het eerste deskundigenonderzoek in het belang van het onderzoek zijn. Dit belang wordt getoetst door de officier van justitie of de rechter-commissaris.

Scheidslijn technisch opsporingsonderzoek / deskundigenonderzoek

Aangezien de informatieverplichting van artikel 150a lid 1 Sv alleen geldt bij een opdracht tot deskundigenonderzoek, is het van belang te omschrijven wat als zodanig wordt aangemerkt en welk onderzoek deskundigenonderzoek is en welk onderzoek niet omdat het tot et domein van de opsporingsinstanties behoort en dus technisch opsporingsonderzoek is. Onderzoeken die doorgaans door de forensische opsporing of specialistische functionarissen van andere opsporingsinstanties worden verricht, worden beschouwd als technisch opsporingsonderzoek (bijvoorbeeld dactyloscopisch onderzoek). Een opsomming van de technische opsporingsonderzoeken wordt gegeven in de bij deze aanwijzing behorende bijlagen 1, 2 en 3. De onderzoeken genoemd in bijlage 3 vallen daar slechts onder, voor zover zij worden verricht door een opsporingsinstantie.

Indien er twijfel bestaat of een bepaald type onderzoek onder de reikwijdte van de in de aanhef genoemde bijlagen valt, dient in overleg met de officier van justitie te worden bepaald of de benoeming van de deskundige al dan niet door tussenkomst van de rechter-commissaris dient plaats te vinden. De officier van justitie kan zich in dit soort gevallen laten adviseren door de forensisch officier van justitie.

Zo dient in alle gevallen waarin sprake is van een onderzoek als gevolg waarvan van het aangetroffen sporenmateriaal (nagenoeg) niets meer overblijft (zogenoemd destructief onderzoek), de opsporingsinstantie contact op te nemen met de officier van justitie. Dit dient ertoe om de officier van justitie in de gelegenheid te stellen om, in overleg met de FO-officier, te beoordelen of er een deskundige moet worden benoemd en of de verdediging kan/moet worden betrokken bij het formuleren van de onderzoeksvraag en bij de keuze van de te benoemen deskundige. Dit geldt ook voor die gevallen waarbij aan een spoor meerdere soorten (vervolg)onderzoek kunnen worden uitgevoerd. In die gevallen dient de volgorde van de uit te voeren onderzoeken in overleg met de officier van justitie te worden bepaald c.q. afgestemd.

Het bepalen van de scheidslijn tussen technisch opsporingsonderzoek en deskundigenonderzoek als bedoeld in de wet loopt langs twee lijnen:

  • a. de fase van het opsporingsonderzoek;

  • b. het onderzoeksgebied.

Ad a: de fase van het opsporingsonderzoek

Onderscheid wordt gemaakt tussen de eerste fase ofwel voorfase van het opsporingsonderzoek (dat is de fase van het verzamelen en veiligstellen én van het voorbereidend onderzoek aan sporen, veelal – maar niet uitsluitend – op de plaats delict/incident) en de fase van de interpretatie en analyse van het verkregen sporenmateriaal, bijvoorbeeld in een laboratorium.

Voorfase van het opsporingsonderzoek (bijvoorbeeld onderzoek op de PD)

In deze fase die, zoals hiervoor beschreven is, aan de fase van de analyse en interpretatie van het spoor vooraf gaat, is geensprake van deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv, ook niet wanneer deskundigen van buiten de opsporingsinstanties (TNO, het Nederlands Instituut voor fysieke veiligheid (voorheen NIBRA), het NFI enz.) daaraan bijstand verlenen. Het feit dat die experts mogelijk als deskundige zijn geregistreerd in het NRGD, maakt hun inzet niet tot deskundigenonderzoek. Voor een niet-limitatieve opsomming van de onderzoeken die behoren tot de voorfase in het opsporingsonderzoek wordt verwezen naar bijlage 1 van de aanwijzing. Door de bewoordingen die in deze bijlage veelvuldig worden gebruikt (‘veiligstellen’, ‘assistentie’, ‘consult’, ‘vooronderzoek’) wordt telkens tot uitdrukking gebracht dat hier de fase van het interpreteren en analyseren nog niet is aangebroken en dat deze handelingen zich derhalve afspelen in de daaraan voorafgaande fase. Dit geldt nadrukkelijk voor alle onderzoeken uit Bijlage 1, ook wanneer in de omschrijving ervan de zojuist bedoelde bewoordingen niet zijn gebezigd.

Analyse-/interpretatiefase

Wanneer er geen sprake is van de voorfase, maar van de fase waarin het sporenmateriaal wordt geanalyseerd en geïnterpreteerd, is het antwoord op de volgende vraag van belang: kan het analyseren en interpreteren plaatsvinden door middel van standaardmatig en reproduceerbaar onderzoek4 zoals genoemd in bijlage 2? Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, kan het betreffende onderzoek of door de politie worden uitgevoerd of door een geaccrediteerd laboratorium. In beide gevallen is sprake van technisch opsporingsonderzoek. Wordt voorgaande vraag ontkennend beantwoord dan zal tot slot de vraag moeten worden gesteld of er sprake is van ander technisch opsporingsonderzoek behorende tot één van de onderzoeksgebieden zoals beschreven in bijlage 3. Indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord kan de politie dit onderzoek uitvoeren op basis van deze aanwijzing. Wordt bij een bevestigend antwoord het technisch opsporingsonderzoek door de politie uitbesteed aan een derde, dan is evenwel een formele benoeming op basis van de Wet deskundige in strafzaken vereist. Dit geldt ook wanneer de vraag ontkennend wordt beantwoord (zie bijlage 4: beslisschema).

Ad b: het onderzoeksgebied

Onderzoek wordt niet aangemerkt als deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv als het plaatsvindt op een onderzoeksgebied5 dat is vermeld op de lijst die is opgenomen als bijlage 3 én het wordt verricht door een opsporingsinstantie. Er is in dat geval sprake van technisch opsporingsonderzoek.

Wél deskundigenonderzoek in de zin van de Wet deskundige in strafzaken

Onderzoek wordt wel aangemerkt als deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 Sv wanneer:

  • het onderzoek niet wordt verricht door een opsporingsinstantie;

  • het onderzoek onder een onderzoeksgebied valt dat niet is vermeld op de lijst die is opgenomen als bijlage 3;

  • het onderzoek een (nadere) analyse of beoordeling van de bevindingen van het technisch opsporingsonderzoek inhoudt en niet verricht wordt door een opsporingsinstantie;

  • het onderzoek een contra-onderzoek betreft en niet wordt verricht door een opsporingsinstantie.

Opdracht deskundigenonderzoek officier van justitie

De officier van justitie is bevoegd opdracht te geven tot alle vormen van deskundigenonderzoek, maar hij kan alleen zelfstandig deskundigen benoemen die geregistreerd zijn in het NRGD. Als regel maakt de officier gebruik van deskundigen die zijn geregistreerd in het NRGD, tenzij er bijzondere reden zijn om hiervan af te wijken. Als er geen geregistreerde deskundige (beschikbaar) is, dient de officier van justitie een vordering in bij de rechter-commissaris, strekkende tot de benoeming van een niet-geregistreerde deskundige (art. 176 Sv). De officier van justitie kan bij de vordering aan de rechter-commissaris een gemotiveerd voorstel voor benoeming van een deskundige doen. Dat vergemakkelijkt de besluitvorming.

Kennisgeving aan de raadsman van de opdracht tot deskundigenonderzoek (notificatie)

Op grond van artikel 150a Sv geeft de officier van justitie – tenzij het belang van het onderzoek zich daartegen verzet – schriftelijk kennis aan de (raadsman van de) verdachte van de aan de deskundige verleende opdracht en van tijd en plaats van het onderzoek. De officier van justitie stelt de (raadsman van de) verdachte in de gelegenheid de nodige opmerkingen te maken met betrekking tot de onderzoeksopdracht.

Het belang van het onderzoek kan zich tegen kennisgeving verzetten als bijvoorbeeld te vrezen valt dat de voortgang van dat opsporingsonderzoek zodanig wordt belemmerd dat dit consequenties kan hebben voor de succesvolle voortzetting van het onderzoek. Ook kan het belang van de waarheidsvinding ertoe nopen dat de resultaten van deskundigenonderzoek, voordat hiervan kennis wordt gegeven aan de (raadsman van de) verdachte, eerst worden gebruikt bij het verhoren van verdachten6. Het ‘belang van het onderzoek’ kan ook zijn gelegen in een ander opsporingsonderzoek (buitenlands en/of parallel onderzoek) of een nog niet voltooid strafrechtelijk financieel onderzoek.

Indien het belang van het onderzoek zich verzet tegen kennisgeving, legt de officier van justitie dit schriftelijk vast. De officier van justitie legt alleen vast dat het belang van het onderzoek zich tegen notificatie verzet. Op de terechtzitting kan de officier van justitie desgewenst verklaren waarom het onderzoeksbelang zich destijds tegen notificatie verzette.

Kennisgeving wordt alsnog gedaan, zodra het belang van het onderzoek zich daartegen niet meer verzet, tenzij het onderzoek reeds is uitgevoerd. In dat geval komt de uitslag van het onderzoek in plaats van de kennisgeving.

De (raadsman van de) verdachte kan gedurende het voorbereidend onderzoek verzoeken tot het doen van aanvullend onderzoek of het geven van aanwijzingen omtrent het uit te voeren onderzoek (art. 150a lid 1 Sv). Ook van de uitslag van het onderzoek wordt de (raadsman van de) verdachte op de hoogte gesteld zodra het belang van het onderzoek zich daar niet meer tegen verzet.7

Als sprake is van technisch opsporingsonderzoek zijn de artikelen 150 tot en met 150c Sv niet van toepassing. Dit betekent dat kennisgeving van het onderzoek aan de (raadsman van de) verdachte niet verplicht is. Niettemin kan er in zeer uitzonderlijke gevallen aanleiding zijn om toch kennis te geven, opdat de (raadsman van de) verdachte zich desgewenst kan uitlaten over het formuleren van de onderzoeksvragen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in complexe onderzoeken naar zware misdrijven die grote maatschappelijke beroering veroorzaken. De forensische officier van justitie wordt betrokken bij dergelijke afwegingen en beslissingen.

Tegenonderzoek (of contra-onderzoek)

Als het onderzoek is voltooid, kan de (raadsman van de) verdachte – in beginsel binnen twee weken na kennisgeving van de uitslag daarvan8 – een tegenonderzoek verzoeken (art. 150a lid 3 Sv).

De (raadsman van de) verdachte dient een verzoek tot tegenonderzoek te richten aan de officier van justitie ingeval deze de deskundige heeft benoemd (art. 150 lid 3 Sv).

Verzoeken om tegenonderzoek die betrekking hebben op deskundigenonderzoek dat door een niet-geregistreerde deskundige (en dus in opdracht van de rechter-commissaris) is verricht, moeten altijd bij de rechter-commissaris worden ingediend (art. 176 / 227 e.v. Sv).

Bij weigering van een verzoek dat op de voet van artikel 150a lid 1 is ingediend, geeft de officier van justitie daarvan gemotiveerd kennis aan de (raadsman van de) verdachte (art. 150b lid 1 Sv). Na zo’n weigering kan de (raadsman van de) verdachte zich met zijn verzoek op de voet van artikel 150b lid 2 Sv wenden tot de rechter-commissaris.

Overdracht informatie en stukken aan deskundige

Bij het verlenen van een opdracht aan een deskundige, kan het in bijzondere gevallen raadzaam zijn om een inventarislijst op te stellen van de stukken en informatie die worden overgedragen.

De deskundige dient bij ontvangst van de stukken en informatie de inventarislijst te ondertekenen. De inventarislijst wordt toegevoegd aan de rapportage van de deskundige. De gedetailleerdheid van de inventarislijst is afhankelijk van de omvang en complexiteit van het dossier. Er wordt niet verlangd dat in complexe zaken waarbij sprake is van een omvangrijk dossier van meerdere ordners, de inhoud van de ordners afzonderlijk wordt beschreven.

Hoger beroep

Indien de AG dat noodzakelijk oordeelt, kan op grond van artikel 411a lid 2 Sv voor de aanvang van de terechtzitting in hoger beroep de rechter-commissaris bij de rechtbank waar de zaak in eerste aanleg heeft gediend, op vordering van het OM bevelen nader onderzoek te laten verrichten. Daartoe behoort ook het bevelen van deskundigenonderzoek. Als het gaat om onderzoek dat niet door een geregistreerde deskundige kan worden uitgevoerd, moet de rechter-commissaris in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie een deskundige benoemen en opdracht verlenen. De advocaat-generaal kan zich ook tot de voorzitter van het gerechtshof wenden met het verzoek om een raadsheer-commissaris aan te wijzen die met het opdragen van deskundigenonderzoek en eventueel het horen van een deskundige wordt belast.

Overgangsrecht

Deze Aanwijzing geldt vanaf de datum publicatie en vervangt de Aanwijzing Technisch Onderzoek / Deskundigenonderzoek met nummer 2009A018, alsmede de beleidsbrief van 11 juli 2011 met kenmerk (PaG/B&S/15798). Deze beleidsbrief is gepubliceerd in de Staatscourant nr. 13454, d.d. 22 juli 2011, datum inwerkingtreding 1 augustus 2011. In deze aanwijzing is de beleidsbrief van 11 juli 2011 geïncorporeerd. De beleidsbrief en de oude aanwijzing komen met de inwerkingtreding van deze aanwijzing te vervallen.

BIJLAGE 1: ONDERZOEKEN DIE BEHOREN TOT DE VOORFASE IN HET OPSPORINGSONDERZOEK (NIET LIMITATIEF)

  • Beoordeling van het slachtoffer op de PD

  • Het maken van röntgenopname op de PD

  • Ondersteuning met Geografisch Informatiesysteem (GIS) en Total Station

  • Veiligstellen van lichaamsmateriaal

  • Forensisch archeologisch consult

  • Indicatief onderzoek aan botmateriaal

  • Veiligstellen van humaan biologisch materiaal op eenvoudige sporen

  • Veiligstellen van niet-humane biologische sporen en/of indicatie van onderzoeksmogelijkheden

  • Forensisch geneeskundig consult volwassenen

  • Forensisch geneeskundig consult kind

  • Forensisch-technische ondersteuning bij sporenonderzoek

  • Registratie van bloedspoorpatronen

  • Forensisch-technisch consult

  • Zichtbaar maken van en/of vooronderzoek aan vingerspoor

  • PD-assistentie bij productie van (synthetische) drugs

  • PD-assistentie bij schietincidenten

  • Consult wapens en munitie

  • PD-assistentie bij explosies en explosieven

  • Consult explosies en explosieven

  • PD-assistentie bij brand en brandschade

  • Consult brandtechnisch onderzoek

  • Veiligstellen sporen voor Fibre Plastic Fusion (FPF)

  • Veiligstellen van vezelsporen

  • Consult kras- indruk- en vormsporen

  • Registratie van knopen en/of bindingen

  • Consult technisch-materiaalkundig onderzoek

  • PD-assistentie bij milieudelicten

  • Consult afvalstoffen en milieu(incidenten)

  • Advies over methode van bemonsteren en analyseren bij lucht, water, bodem en afvalstoffen (ook wel IRMA-advies genoemd)

  • Vooronderzoek handschrift

  • Reconstructie van documenten

  • Doordruk schrift zichtbaar maken

  • Consult verkeersongevallenonderzoek

  • Vooronderzoek beeld, biometrie en visualisaties

  • Vooronderzoek spraak en audio

  • Verstaanbaarheids- en/of beeldverbetering

  • PD-assistentie bij digitaal onderzoek

  • Vooronderzoek aan digitale sporen, waaronder bijvoorbeeld onderzoek via Xiraf

  • Vooronderzoek digitale technologie

  • Standaardmatig onderzoek aan harde schijven of andere gegevensdragers

  • Standaard onderzoek aan mobiele telefoons

  • Standaard onderzoek aan elektronische apparatuur

  • Consult cybercrime

  • Consult data-analyse

  • Consult Forensische Statistiek

BIJLAGE 2: LIJST VAN GESTANDAARDISEERD EN REPRODUCEERBAAR ONDERZOEK (LIMITATIEF)

  • Snelle screening naar drugs en geneesmiddelen in bloed

  • Vaststellen van alcohol, drugs, genees- en bestrijdingsmiddelen in bloed/urine (geen 8 WVW overtredingen)9

  • Vaststellen van alcohol in lichaamsmateriaal (geen 8 WVW-overtredingen), zie ook voetnoot 8.

  • Vaststellen van vluchtige stoffen in lichaamsmateriaal, zie ook voetnoot 8

  • Vaststellen van koolmonoxide in bloed, zie ook voetnoot 8.

  • Onderzoek naar drugs en geneesmiddelen in het verkeer

  • Identificatie van drugs en -precursoren

  • Gehaltebepaling van veelvoorkomende drugs

  • Gewichtsbepaling van drugs

  • Munitietypering

  • Toetsing aan de WWM

  • Onderzoek aan schiethanden en/of schietmouwen

  • Onderzoek naar traanverwekkende stoffen

  • Identificatie van intacte vermoedelijke explosieve stof

  • Toetsing van vuurwerk

  • Identificatie van mogelijke grondstoffen voor explosieven

  • Brandonderzoek vluchtige stoffen

  • Merkherkennend autoverfonderzoek

  • Typeren van verf, lijm en kunststof

  • Merkherkennend onderzoek aan venster van een autolamp

  • Standaard milieuonderzoek

  • Vaststellen samenstelling producten en (plantaardige/dierlijke) grondstoffen;

  • Stralingsonderzoek (vaststellen of een object/stof ioniserende straling uitzendt, om welke radionucliden het gaat en in welke mate straling wordt uitgezonden)

  • Vaststellen van radioactiviteit in voedsel (alleen vaststellen daarna – indien radioactiviteit waargenomen – deskundigen onderzoek om te bepalen wat de gevolgen zijn voor de volksgezondheid)

  • Vaststellen van biociden in water, voedingsmiddelen en consumentenproducten;

  • Vaststellen van veel voorkomende dierziekten, waaronder bloedonderzoek virussen en micro-organismen;

  • Niet humaan DNA-onderzoek, in het kader van het vaststellen van verwantschap

BIJLAGE 3: LIJST VAN ONDERZOEKSGEBIEDEN OPSPORINGSINSTANTIES (LIMITATIEF)

  • Accountancy

  • Ballistiek

  • Beeldmateriaal

  • Biometrie

  • Bloedsporen

  • Brand

  • CITES

  • Compositietekening en/of -foto

  • Dactyloscopie

  • Documenten

  • Driedimensionale visualisering

  • Geur

  • Haren

  • Informatie-technologie

  • Kras-, indruk- en vormsporen

  • Lichaam(svocht)

  • Materiesporen

  • Oorafdruk

  • Schotresten

  • Vaststellen van chemische en/of biologische verontreiniging van producten

  • Vaststellen van fysische en elektrische bestendigheid van consumentenproducten

  • Verdovende middelen

  • Verkeersongevallen

  • Voertuigen

  • Wapens en munitie


X Noot
1

De Wet deskundige in strafzaken wijzigt het Wetboek van Strafvordering ter verbetering van de regeling van de positie van de deskundige in het strafproces (Stb. 2009, 33). Inwerkingtreding per 01-01-2010, zie besluit van 6 augustus 2009, Stb. 2009, 351.

X Noot
2

De op- en inrichting van dit register is geregeld in het Besluit houdende instelling van het Nederlands register gerechtelijk deskundigen en kwaliteitseisen aan deskundigen in strafzaken (Stb. 2009, 330).

X Noot
3

Zie Kamerstukken II 2006/07, 31 116, nr. 3 (MvT), 2.1 onder d en Kamerstukken II 2007/08, 31 116, nr. 6 (nota naar aanleiding van het verslag), p. 10 e.v.)

X Noot
4

Dit betreft onderzoeken die limitatief staan vermeld in bijlage 2. Deze lijst, die nauw aansluit bij de Producten en Diensten Catalogus van het NFI, zal telkens wanneer daartoe aanleiding bestaat, worden geactualiseerd.

X Noot
5

De voor deze onderzoeksgebieden geldende FT-normen zijn beschikbaar op Politie Kennis Net (zie OMtranet links in het scherm onder favorieten).

X Noot
6

Zie in dit verband art. 150a lid 1 Sv.

X Noot
7

Als onderzoek op verzoek van de (raadsman van de) verdachte is uitgevoerd, vindt geen uitstel van kennisgeving van de uitslag plaats (artikel 150a lid 4 Sv).

X Noot
8

De minister van Justitie heeft in de kamerstukken aangegeven dat hij het denkbaar acht dat in sommige gevallen enige rekkelijkheid met deze termijn wordt betracht (Kamerstukken I, 2007/08, 31 116, nr. C, p. 10 in verbinding met Kamerstukken I 2008/09, 31 116, nr. E, p. 3.)

X Noot
9

Gaat enkel om het vaststellen van de aanwezigheid van de genoemde stof. Indien de stof is aangetoond kan nader onderzoek plaatsvinden, bijvoorbeeld naar de concentratie van de stof en de betekenis daarvan in relatie met het strafbare feit. Voor dit vervolgonderzoek is wel een deskundigenbenoeming noodzakelijk

Naar boven