Regeling van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, van 31 oktober 2012, nr. IENM/BSK-2012/196587, houdende wijziging van de Activiteitenregeling milieubeheer, de Regeling omgevingsrecht en enkele andere regelingen ten behoeve van de omzetting van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334)

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu,

Gelet op Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334);

Gelet op de artikelen 1.7, 2.32, 5.13, 5.29 en 5.38 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, de artikelen 4.4, eerste lid, 4.7, eerste en tweede lid, en 5.4, tweede lid, van het Besluit omgevingsrecht, artikel 6.23, eerste lid, van het Waterbesluit en artikel 5 van het Uitvoeringsbesluit EG-verordening PRTR en PRTR-protocol;

Besluit:

ARTIKEL I

De Activiteitenregeling milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het begrip Raad voor de Accreditatie en de daarbij behorende begripsomschrijving vervallen.

2. Het volgende begrip en de daarbij behorende begripsomschrijving worden in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

accreditatie-instantie: nationale accreditatie-instantie als bedoeld in artikel 4, eerste lid, van verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218);.

B

Artikel 1.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. De volgende begrippen en de daarbij behorende begripsomschrijvingen vervallen:

  • a. NEN-EN 1911-1;

  • b. NEN-EN 1911-2; en

  • c. NEN-EN 1911-3.

2. De volgende begrippen en de daarbij behorende begripsomschrijvingen worden in de alfabetische rangschikking ingevoegd:

BRL 2307: BRL 2307: Nationale beoordelingsrichtlijn voor het KOMO attest met productiecertificaat voor AVI-bodemas voor ongebonden toepassing op of in de bodem in grond- en wegenbouwkunde, 2003;

ISO 10780: ISO 10780: Internationale standaardnorm voor Stationary source emissions – Measurement of velocity and volume flow rate of gas streams in ducts, 1994;

NEN-EN 1911: NEN 1911, 2010: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie van gasvormige chloride van HCl – Standaard referentiemethode, augustus 2010;

NEN-EN 1948-1: NEN-EN 1948, 2006: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de concentratie aan PCDD’s/PCDF’s en dioxine-achtige PCB’s – Deel 1: Monsterneming van PCDD’s / PCDF’s;

NEN-EN 1948-2: NEN-EN 1948, 2006: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de concentratie aan PCDD’s/PCDF’s en dioxine-achtige PCB’s – Deel 2: Extractie en opwerking van PCDD’s/PCDF’s;

NEN-EN 1948-3: 2006: NEN-EN 1948: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de concentratie aan PCDD’s/PCDF’s en dioxine-achtige PCB’s – Deel 3: Identificatie en kwantificering van PCDD’s en PCDF’s, april 2006;

NEN-EN 12619: NEN-EN 12619, 1999: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie van totaal gasvormig organisch koolstof in lage concentraties in verbrandingsgassen – Continue methode met vlamionisatiedetector, juli 1999;

NEN-EN 13211: NEN-EN 13211, 2007: Europese norm voor Luchtkwaliteit – Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de concentratie van totaal kwik, februari 2007 en C1:2007, mei 2007;

NEN-EN 14181: NEN-EN 14181, 2004: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen, september 2004 en C1:2006, maart 2006;

NEN-EN 14789: NEN-EN 14789, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de volumeconcentratie van zuurstof (O2) – Referentiemethode – Paramagnetisme, november 2005;

NEN-EN 14790: NEN-EN 14790, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de waterdamp in leidingen, november 2005;

NEN-EN 14791: NEN-EN 14791, 2005: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie aan zwaveldioxide – Referentiemethode, november 2005;

NEN-EN 15058: NEN-EN 15058, 2006: Europese norm voor Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie van koolstofmonoxide (CO) – Referentiemethode: Niet-dispersieve infrarood spectrometrie, juni 2006;

NEN-EN 15259: NEN-EN 15259, 2007: Europese norm voor Luchtkwaliteit – Meetmethode emissies van stationaire bronnen – Eisen voor meetvlakken en meetlokaties en voor doelstelling, meetplan en rapportage van de meting oktober 2007;

NEN-EN-ISO/IEC 17025: NEN-EN-ISO/IEC 17025, 2005: Europese norm voor Algemene eisen voor de bekwaamheid van beproevings- en kalibratielaboratoria, juni 2005 en C1:2007, januari 2007;

NEN-EN-ISO 11969: NEN-EN-ISO 11969, 1997: Europese norm voor Water – Bepaling van het arseengehalte – Methode met atomaire absorptiespectrometrie (hydridetechniek), februari 1997;

NEN-ISO 10523: NEN-ISO 10523, 2012: Water – Bepaling van het pH gehalte, februari 2012;

NEN-ISO 15713: NEN-ISO 15713, 2011: Internationale standaardnorm voor Emissie van stationaire bronnen – monsterneming en bepaling van het gasvormige fluoridegehalte, november 2011;

NEN-ISO 22743: NEN-ISO 22743, 2006: Water – Internationale standaardnorm voor Bepaling van sulfaat met een doorstroomanalysesysteem (CFA), mei 2006 en C1:2007, september 2007;

NTA 7379: NTA 7379, 2012: Richtlijnen ‘Predictive emission monitoring systems’ (PEMS) – Realisatie en kwaliteitsborging, januari 2012;.

C

Na artikel 2.9 wordt in hoofdstuk 2 een afdeling ingevoegd, luidende:

AFDELING 2.4. OPLOSMIDDELEN

Artikel 2.10

De monitoring van emissies, het opstellen van een reductieprogramma, het opstellen van een oplosmiddelenboekhouding en de emissiemetingen ter controle op de naleving van de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 2.32 van het besluit, voldoen aan de eisen gesteld in de artikelen 2.11 tot en met 2.15.

Artikel 2.11
  • 1. Degene die een oplosmiddeleninstallatie drijft, meet continu of een afgaskanaal, waarop nabehandelingsapparatuur is aangesloten en die aan de uitlaatzijde gemiddeld in totaal meer dan 10 kilogram totaal organische koolstof per uur uitwerpt, voldoet aan de emissiegrenswaarden, niet zijnde de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 2.29 van het besluit.

  • 2. In een oplosmiddeleninstallatie die gemiddeld in totaal minder dan 10 kilogram totaal organische koolstof per uur uitwerpt, voert degene die de oplosmiddeleninstallatie drijft, om de drie jaar metingen uit van totaal organische koolstof, waarbij gedurende elke meting ten minste drie meetresultaten worden geregistreerd.

  • 3. Metingen ter controle op de naleving van de emissiegrenswaarden zijn niet vereist indien nabehandelingsapparatuur niet noodzakelijk is om te voldoen aan het besluit.

Artikel 2.12
  • 1. Bij continue metingen is aan de emissiegrenswaarden, niet zijnde de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, van het besluit, voldaan indien onder normale bedrijfsomstandigheden:

    • a. het 24-uursgemiddelde voor een bepaalde stof de daarvoor geldende emissiegrenswaarde niet overschrijdt, waarbij het 24-uursgemiddelde wordt berekend van alle geldige metingen gedurende een periode van 24 uur waarin een oplosmiddeleninstallatie onder normale omstandigheden in bedrijf is, met uitzondering van het opstarten en stilleggen van de installatie en het onderhoud van de apparatuur, en

    • b. geen van de uurgemiddelden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.

  • 2. Bij periodieke metingen is aan de emissiegrenswaarden, niet zijnde de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, van het besluit, voldaan indien bij die meting:

    • a. het gemiddelde van alle meetresultaten onder normale omstandigheden de emissiegrenswaarden niet overschrijdt, en

    • b. geen van de uurgemiddelden onder normale omstandigheden hoger is dan 1,5 maal de emissiegrenswaarden.

  • 3. Of aan de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 2.30, tweede lid, van het besluit wordt voldaan, wordt vastgesteld op basis van de som van de massaconcentraties van de verschillende betrokken vluchtige organische stoffen. Of aan de emissiegrenswaarden, niet zijnde de diffuse-emissiegrenswaarden, en de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 2.29, eerste lid, van het besluit wordt voldaan, wordt vastgesteld op basis van de totale massa organische koolstof die wordt uitgestoten, tenzij in tabel 2.28a van het besluit anders is bepaald.

  • 4. Gasvolumes mogen worden toegevoegd om de afgassen af te koelen of te verdunnen indien dit technisch gerechtvaardigd is. De toegevoegde gasvolumes worden niet betrokken bij het vaststellen van de massaconcentratie van de verontreinigende stof in het afgas.

Artikel 2.13
  • 1. Bij de opzet van een reductieprogramma als bedoeld in artikel 2.29, tweede lid, van het besluit, worden in ieder geval de volgende factoren betrokken:

    • a. indien vervangingsproducten met weinig of geen oplosmiddelen nog in ontwikkeling zijn, heeft degene die een oplosmiddeleninstallatie drijft, extra tijd voor de uitvoer van het reductieprogramma;

    • b. het referentiepunt voor de emissiebeperking komt zo goed mogelijk overeen met de emissie die het resultaat zou zijn als er geen beperkende maatregelen zouden worden genomen.

  • 2. Aan een gelijkwaardige emissiebeperking als bedoeld in artikel 2.29, tweede lid, van het besluit wordt bij een oplosmiddeleninstallatie waar voor het product een constant gehalte aan vaste stof kan worden aangenomen, in ieder geval voldaan indien de feitelijke emissie van oplosmiddelen, bepaald aan de hand van de oplosmiddelenboekhouding, kleiner is dan of gelijk is aan de beoogde emissie, die als volgt wordt berekend:

    • a. bereken de jaarlijkse referentie-emissie als volgt:

      • 1°. bepaal de totale massa aan vaste stof in de hoeveelheid coating, inkt, lak of kleefstof die per jaar wordt gebruikt, waarbij onder vaste stof wordt verstaan elk materiaal in coating, inkt, lak en kleefstof dat vast wordt wanneer het water of de vluchtige organische stoffen zijn verdampt, en

      • 2°. vermenigvuldig de bepaalde massa vaste stof met de in tabel 2.13 vermelde toepasselijke vermenigvuldigingsfactor;

    • b. vermenigvuldig de jaarlijkse referentie-emissie met het in tabel 2.13 vermelde toepasselijke reductiepercentage.

  • 3. De vermenigvuldigingsfactor, bedoeld in het tweede lid, mag voor een individuele oplosmiddeleninstallatie worden aangepast om rekening te houden met een aangetoonde stijging van het rendement bij het gebruik van vaste stoffen.

    Tabel 2.13

    Nummer activiteit tabel 2.28a Besluit

    Activiteit

    Drempelwaarde (voor oplosmiddelenverbruik in ton/jaar)

    Vermenigvuldigingsfactor jaarlijkse referentie-emissie

    Reductiepercentage beoogde emissie

    Bijzondere bepalingen

             

    In deze tabel wordt onder bestaande oplosmiddeleninstallatie verstaan: oplosmiddeleninstallatie die op 1 april 2002 in werking was.

    2

    Illustratiediepdruk

    >25

    4

    15% (1)

    (1) Reductiepercentage beoogde emissie bestaande oplosmiddeleninstallaties: 20%

    3

    Andere rotatiediepdruk, flexografie, rotatiezeefdruk, lamineer- of lakeenheden, rotatiezeefdruk op textiel/karton

    >15

    4

    30%

     
       

    >25

    4

    25%

     
     

    Rotatiezeefdruk op textiel/karton

    >30

    1,5

    25%

     

    6

    Coating van voertuigen (< 15 ton/jaar verbruik oplosmiddelen)

    <15

    1,5

    40%

     
     

    Overspuiten van voertuigen

    >0,5

    3

    40%

     

    7

    Bandlakken

    >25

    3

    10% (2)

    (2) Reductiepercentage beoogde emissie bestaande oplosmiddeleninstallaties: 15%

    8

    Andere coatingprocessen

    >5

       

    (3) Rotatiezeefdruk op textiel valt onder activiteit nr. 3.

     

    coating van textiel (3), vezel, film of papier

    4

    35%

     
     

    coating in contact met levensmiddelen, coating in lucht- en ruimtevaart

    2,33

    35%

     
     

    metaalcoating, kunststofcoating en overige coating

    1,5

    35%

     
     

    Andere coatingprocessen

    >15

         
     

    coating van textiel (3), vezel, film of papier

    4

    25%

     
     

    coating in contact met levensmiddelen, coating in lucht- en ruimtevaart

    2,33

    25%

     
     

    metaalcoating, kunststofcoating en overige coating

    1,5

    25%

     

    10

    Coating van hout

    >15

    4

    40%

     
       

    >25

    4

    25%

     

    16

    Het aanbrengen van een lijmlaag

    >5

    4

    30%

     
       

    >15

    4

    25%

     
Artikel 2.14

Degene die een oplosmiddeleninstallatie drijft, voert een oplosmiddelenboekhouding waarmee:

  • a. wordt aangetoond dat is voldaan aan:

    • 1°. de emissiegrenswaarden, diffuse-emissiegrenswaarden of de totale emissiegrenswaarden, bedoeld in de artikelen 2.29, eerste, vierde en vijfde lid, en 2.30, tweede en derde lid, van het besluit, en

    • 2°. indien van toepassing, de eisen van het reductieprogramma, bedoeld in artikel 2.29, tweede lid, van het besluit;

  • b. de mogelijkheden voor emissiebeperking in de toekomst worden gespecificeerd, en

  • c. informatie aan eenieder kan worden verstrekt over het verbruik en de emissie van oplosmiddelen.

Artikel 2.15
  • 1. Een oplosmiddelenboekhouding als bedoeld in artikel 2.14:

    • a. omvat een periode van twaalf maanden en wordt binnen dertien weken na afloop van die periode afgesloten, en

    • b. voldoet aan het tweede tot en met het negende lid.

  • 2. Ter controle op de naleving van een reductieprogramma als bedoeld in artikel 2.29, tweede lid, van het besluit wordt het oplosmiddelenverbruik berekend aan de hand van de volgende formule: V = I1 – O8.

  • 3. Voor de berekening van de jaarlijkse referentie-emissie, bedoeld in artikel 2.13, tweede lid, wordt de in coatings gebruikte hoeveelheid vaste stof bepaald overeenkomstig de formule, genoemd in het tweede lid.

  • 4. Ter controle op de naleving van een totale emissiegrenswaarde wordt de totale emissie berekend aan de hand van de volgende formule: E = F + O1.

  • 5. Ter controle op de naleving van artikel 2.30, derde lid, onder b, onder 2°, van het besluit wordt de totale emissie van alle betrokken activiteiten bepaald en vergeleken met de totale emissie die zou zijn veroorzaakt als artikel 2.29 van het besluit voor elke activiteit afzonderlijk zou zijn nageleefd.

  • 6. Ter controle op de naleving van een diffuse emissiegrenswaarde wordt de diffuse emissie berekend aan de hand van een van de volgende formules:

    • a. F = I1 – 01 – 05 – 06 – 07 – 08, of

    • b. F = 02 + 03 + 04 + 09.

  • 7. De diffuse emissie wordt bepaald met behulp van een korte maar representatieve serie metingen of door middel van een gelijkwaardige berekeningsmethode. De bepaling behoeft niet te worden herhaald zolang de oplosmiddeleninstallatie niet wordt veranderd.

  • 8. De diffuse emissie wordt uitgedrukt als een percentage van de oplosmiddeleninput, berekend aan de hand van de volgende formule: I = I1 + I2.

  • 9. Onder de in dit artikel genoemde symbolen wordt verstaan:

    E

    Totale emissie

    F

    Diffuse emissie

    V

    Verbruik

    I

    Input

    I1

    De hoeveelheid aangekochte organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels, die in het proces worden ingevoerd gedurende de termijn waarover de massabalans wordt bepaald.

    I2

    De hoeveelheid oplosmiddelenhergebruik. De teruggewonnen oplosmiddelen worden telkens meegerekend wanneer ze worden gebruikt om de activiteit uit te oefenen

    O

    Output

    O1

    De hoeveelheid vluchtige organische stoffen in de emissies via de schoorsteen

    O2

    Diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in water, rekening houdend met de afvalwaterzuivering bij de berekening van O5

    O3

    Diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in enig product, die als verontreiniging of als residu in de bij de activiteit vervaardigde producten achterblijft

    O4

    Diffuse emissie van vluchtige organische stoffen in de lucht

    O5

    Organische oplosmiddelen en/of organische verbindingen die door chemische of fysische reacties verloren gaan, met inbegrip van hoeveelheden organische oplosmiddelen die door verbranding, een andere zuivering van afgassen of door afvalwaterzuivering vernietigd worden of door adsorptie opgevangen worden, mits die niet bij O6, O7 of O8 worden meegerekend.

    O6

    Organische oplosmiddelen in ingezameld afval.

    O7

    Organische oplosmiddelen als zodanig of in mengsels die als een product met handelswaarde worden verkocht of bestemd zijn om te worden verkocht, met uitzondering van oplosmiddelen die vallen onder O3.

    O8

    De hoeveelheid organische oplosmiddelen, met inbegrip van organische oplosmiddelen in mengsels, die voor hergebruik is teruggewonnen maar niet opnieuw bij de activiteit wordt gebruikt en die niet onder O7 valt.

    09

    De hoeveelheid vluchtige organische stoffen, die op andere wijze dan bedoeld onder O1 tot en met O8 vrijkomt.

D

Hoofdstuk 5 komt te luiden:

HOOFDSTUK 5. INDUSTRIËLE EMISSIES

AFDELING 5.1. GROTE STOOKINSTALLATIES
§ 5.1.0. Algemeen
Artikel 5.1

De meting van de emissies, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, bedoeld in artikel 5.13 van het besluit, voldoet aan de eisen in de artikelen 5.2 tot en met 5.8.

§ 5.1.1. Monitoring van emissies
Artikel 5.2
  • 1. Metingen ter bepaling van de emissies zijn representatief.

  • 2. Alle monitoringresultaten worden op zodanige wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd, dat het bevoegd gezag kan controleren of wordt voldaan aan de toepasselijke emissiegrenswaarden en andere voorschriften.

Artikel 5.3
  • 1. De emissieconcentratie van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en totaal stof van een grote stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 100 MW of meer, wordt continu gemeten.

  • 2. De emissieconcentratie van koolmonoxide van een met gasvormige brandstoffen gestookte grote stookinstallatie met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van 100 MW of meer, wordt continu gemeten.

  • 3. De emissieconcentratie van zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en totaal stof van een grote stookinstallatie en de emissieconcentratie van koolmonoxide van een met gas gestookte grote stookinstallaties, wordt periodiek tenminste om de zes maanden gemeten, tenzij op grond van het eerste of tweede lid continue meting is voorgeschreven.

  • 4. In afwijking van het eerste lid wordt de emissieconcentratie van totaal stof periodiek tenminste om de zes maanden gemeten, indien een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt.

  • 5. In afwijking van het eerste en derde lid is meting van zwaveldioxide (SO2) niet verplicht en wordt de emissieconcentratie bepaald op grond van de gehalten in de ingezette brandstoffen, indien:

    • a. een grote stookinstallatie met aardgas wordt gestookt;

    • b. een grote stookinstallatie met olie wordt gestookt en er geen uitrusting voor de ontzwaveling van afgas is;

    • c. een grote stookinstallatie met biomassa wordt gestookt en de drijver van de inrichting kan aantonen dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde.

  • 6. Voor met steenkool of bruinkool gestookte installaties wordt de totale emissie van kwik periodiek ten minste één maal per jaar gemeten.

Artikel 5.4
  • 1. Tot de continue metingen, bedoeld in artikel 5.3, behoort tevens de meting van:

    • a. het zuurstofgehalte;

    • b. de temperatuur;

    • c. de druk;

    • d. het waterdampgehalte van het afgas, tenzij het als monster gebruikte afgas wordt gedroogd alvorens de emissies in de lucht worden geanalyseerd.

  • 2. De resultaten van de overeenkomstig deze afdeling verrichte metingen worden herleid tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte, bedoeld in artikel 5.3, vierde lid, van het besluit, overeenkomstig de volgende formule:

    Es = (21-Os)/(21-Om) x Em, waarbij wordt verstaan onder:

    Es = de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte

    Em = de gemeten emissieconcentratie

    Os = het genormaliseerde zuurstofgehalte

    Om = het gemeten zuurstofgehalte

§ 5.1.2. Meettechnieken
Artikel 5.5
  • 1. De bemonsteringen, analyses en metingen van de parameters die nodig zijn om te bepalen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die in deze afdeling zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen:

    Tabel 5.5

    Normbladen voor continue meting van emissies naar lucht

    Totaal stof

    NEN-EN 13284-2

    Normbladen voor periodieke en parallelmetingen van emissies naar lucht

    Zwaveldioxide (SO2)

    NEN-EN 14791

    Stikstofoxiden (NOx)

    NEN-EN 14792

    Koolmonoxide

    NEN-EN 15058

    Totaal stof

    NEN-EN 13284-1

    Kwik

    NEN-EN 13211

    Zuurstof

    NEN-EN 14789

    Waterdamp

    NEN-EN 14790

    Debiet

    ISO 10780

    Algemene normbladen voor kwaliteitsborging

    Kwaliteitsborging geautomatiseerde metingsystemen

    NEN-EN 14181

    Bekwaamheid laboratoria

    NEN-EN-ISO/IEC 17025

    Monsternamestrategie, meetdoel, -plan en -rapportage

    NEN-EN 15259

    Richtlijnen voor Predictive Emission Monitoring Systems (PEMS)

    NTA 7379

  • 2. Op de vaststelling van het zwavelgehalte van een brandstof is de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging van overeenkomstige toepassing.

Artikel 5.6
  • 1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden, bedoeld in artikel 5.5, gecontroleerd.

  • 2. De drijver van de inrichting informeert het bevoegd gezag over de resultaten van de in het eerste lid bedoelde controle.

  • 3. De waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen, op basis waarvan de gemiddelden worden berekend die getoetst worden aan een emissiegrenswaarde, is bij continue metingen niet groter dan de volgende percentages van de emissiegrenswaarde:

    • a. koolmonoxide: 10% van de emissiegrenswaarde;

    • b. zwaveldioxide (SO2): 20% van de emissiegrenswaarde;

    • c. stikstofoxiden (NOx): 20% van de emissiegrenswaarde;

    • d. totaal stof: 30% van de emissiegrenswaarde.

  • 4. De gevalideerde uur- en daggemiddelden worden bij continue metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten uurgemiddelden, na aftrek van de waarde van het in het derde lid vermelde 95%-betrouwbaarheidsinterval.

  • 5. Indien in een dag meer dan drie uurgemiddelden ongeldig zijn wegens storing of onderhoud van het continu werkende meetsysteem, worden de metingen van die dag als ongeldig beschouwd. Indien per jaar de metingen van meer dan tien dagen ongeldig zijn, worden passende maatregelen getroffen om de betrouwbaarheid van het continu werkende meetsysteem te verbeteren.

Artikel 5.7
  • 1. Het uitvoeren van periodieke metingen als bedoeld in artikel 5.3 en parallelmetingen als bedoeld in 5.6 geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatie-instantie.

  • 2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de datum en het tijdstip waarop een periodieke meting of een parallelmeting zal worden uitgevoerd.

  • 3. Indien een afzonderlijke meting of parallelmeting geen doorgang vindt, wordt het bevoegd gezag uiterlijk op de datum voor de meting, bedoeld in het tweede lid, hiervan op de hoogte gesteld.

  • 4. Een periodieke meting bestaat uit een serie van ten minste drie deelmetingen.

  • 5. De duur van een deelmeting bedraagt een half uur. Wanneer het meettechnisch niet mogelijk is de deelmeting in die tijd uit te voeren, mag de deelmeting ten hoogste twee uur bedragen.

  • 6. De duur van een parallelmeting die wordt uitgevoerd ten behoeve van de verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen, bedraagt ten minste een half uur.

  • 7. Bij periodieke metingen kan een door een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid aangetoonde 95%-betrouwbaarheidsinterval op dezelfde wijze als artikel 5.6, derde en vierde lid, worden verdisconteerd.

§ 5.1.3. Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden
Artikel 5.8
  • 1. Aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarde wordt, voor zover continu wordt gemeten, in ieder geval voldaan indien in een kalenderjaar:

    • a. geen gevalideerd maandgemiddelde de toepasselijke emissiegrenswaarde overschrijdt;

    • b. geen gevalideerd daggemiddelde 110% van de toepasselijke emissiegrenswaarde overschrijdt;

    • c. 95% van alle gevalideerde uurgemiddelden over een jaar niet hoger is dan 200% van de toepasselijke emissiegrenswaarde.

  • 2. Voor de toepassing van het eerste lid worden niet meegerekend: meetuitkomsten, verkregen tijdens periodes waarin een stookinstallatie op grond van artikel 5.10 of 5.11 van het besluit in werking mag zijn, meetuitkomsten verkregen tijdens storingen in de apparatuur die de emissiereductie bewerkstelligt en meetuitkomsten verkregen tijdens periodes van opstarten en stilleggen.

  • 3. De periodes van opstarten en stilleggen worden bepaald in overeenstemming met uitvoeringsbesluit van de Commissie van 7 mei 2012 betreffende de vaststelling van opstart- en stilleggingsperioden voor de toepassing van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (2012/249/EU) (PbEU L 123).

  • 4. Aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarde wordt, voor zover periodiek wordt gemeten, in ieder geval voldaan indien geen enkele gevalideerde meetuitkomst de emissiegrenswaarde overschrijdt.

AFDELING 5.2. AFVALVERBRANDINGS- OF AFVALMEEVERBRANDINGSINSTALLATIES
§ 5.2.0. Algemeen
Artikel 5.9
  • 1. De meting van de emissies, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting als bedoeld in artikel 5.29, eerste lid, van het besluit voldoet aan de eisen in de artikelen 5.10 tot en met 5.24.

  • 2. Ten behoeve van het voorkomen van risico’s voor de omgeving en ongewone voorvallen, dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van de risico’s voor de omgeving en de kans dat ongewone voorvallen zich voordoen en de gevolgen hiervan als bedoeld in artikel 5.29, tweede lid, onder a, van het besluit, wordt voldaan aan artikel 5.26.

  • 3. Ten behoeve van het realiseren van een verwaarloosbaar bodemrisico als bedoeld in artikel 5.29, tweede lid, onder b, van het besluit, wordt voldaan aan artikel 5.25, 5.28 en 5.29.

  • 4. Ten behoeve van het voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, het zoveel mogelijk beperken van verontreiniging van het oppervlaktewater als bedoeld in artikel 5.29, tweede lid, onder c, van het besluit, wordt voldaan aan artikel 5.28 en 5.29.

  • 5. Ten behoeve van een doelmatig beheer van afvalstoffen als bedoeld in artikel 5.29, tweede lid, onder d, van het besluit, wordt voldaan aan de artikelen 5.25 en 5.27.

  • 6. Onder nominale capaciteit van een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt voor de toepassing van deze afdeling verstaan: gezamenlijke verbrandingscapaciteit van de ovens waaruit een afvalverbrandingsinstallatie of een afvalmeeverbrandingsinstallatie bestaat, zoals berekend door de fabrikant en bevestigd door de drijver van de inrichting, met inachtneming van de verbrandingswaarde van het afval, uitgedrukt als de hoeveelheid afval die per uur kan worden verbrand.

§ 5.2.1. Monitoring van emissies
Artikel 5.10
  • 1. Metingen ter bepaling van de emissies zijn representatief.

  • 2. Alle monitoringresultaten worden op zodanige wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd dat het bevoegd gezag kan controleren of wordt voldaan aan de toepasselijke emissiegrenswaarden en andere voorschriften.

Artikel 5.11
  • 1. De emissies in de lucht van de volgende stoffen worden continu gemeten:

    • a. zwaveldioxide (SO2), totaal organische koolstof, zoutzuur, koolmonoxide, totaal stof en stikstofoxiden (NOx);

    • b. waterstoffluoride, tenzij voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd die waarborgen dat de in de artikelen 5.19, 5.20 en 5.22 van het besluit voor zoutzuur opgenomen emissiegrenswaarden niet worden overschreden.

  • 2. In het geval voor zoutzuur behandelingsstappen worden gevolgd die voldoen aan het eerste lid, onder b, wordt periodiek ten minste tweemaal per jaar gemeten.

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt het gehalte zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide (SO2) periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, of worden er geen metingen verricht, indien de drijver van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie kan aantonen dat die emissie in geen geval hoger is dan de toepasselijke emissiegrenswaarde.

  • 4. In afwijking van het eerste lid wordt de emissie van stikstofoxide (NOx) van een afvalverbrandingsinstallatie periodiek ten minste om de zes maanden gemeten, indien:

    • a. de afvalverbrandingsinstallatie een nominale capaciteit heeft van minder dan 6 ton per uur;

    • b. vergunning is verleend of een ontvankelijke aanvraag om een vergunning is ingediend voor 28 december 2002 en de afvalverbrandingsinstallatie uiterlijk op 28 december 2004 in gebruik is genomen;

    • c. degene die de afvalverbrandingsinstallatie drijft, aan de hand van informatie over de kwaliteit van het betreffende afval, de gebruikte technologieën en de resultaten van de monitoring van de emissies aantoont dat emissies van stikstofoxiden in geen geval de emissiegrenswaarden, bedoeld in artikel 5.19 van het besluit, kunnen overschrijden.

Artikel 5.12
  • 1. De emissie in de lucht van de volgende stoffen wordt periodiek ten minste om de zes maanden gemeten:

    • a. antimoon;

    • b. arseen;

    • c. cadmium;

    • d. chroom;

    • e. dioxinen en furanen

    • f. kobalt;

    • g. koper;

    • h. kwik;

    • i. lood;

    • j. mangaan;

    • k. nikkel;

    • l. thallium;

    • m. vanadium.

  • 2. In afwijking van het eerste lid, wordt gedurende de eerste twaalf maanden dat een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking is, de emissie van de stoffen, genoemd in het eerste lid, periodiek ten minste om de drie maanden gemeten.

  • 3. In afwijking van het eerste lid wordt het gehalte antimoon, arseen, cadmium, chroom, kobalt, koper, kwik, lood, mangaan, nikkel, thallium en vanadium periodiek eenmaal in de twee jaar gemeten en wordt het gehalte dioxinen en furanen eenmaal per jaar gemeten indien de drijver van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie:

    • a. aantoont dat de emissies in de lucht onder alle omstandigheden minder dan 50% bedragen van de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden,

    • b. aantoont dat het te verbranden of mee te verbranden afval uitsluitend bestaat uit bepaalde gesorteerde brandbare fracties ongevaarlijk afval dat niet recycleerbaar is, en

    • c. aan de hand van informatie over de kwaliteit van het betreffende afval en over monitoring van de emissies aantoont dat de emissies in de lucht van de in het eerste lid genoemde stoffen onder alle omstandigheden aanmerkelijk lager liggen dan de toepasselijke emissiegrenswaarden.

Artikel 5.13
  • 1. Tot de continue metingen, bedoeld in artikel 5.11, behoort tevens de meting van:

    • a. het zuurstofgehalte;

    • b. de temperatuur van de verbrandingskamer;

    • c. de druk;

    • d. het waterdampgehalte van het afgas, tenzij het als monster gebruikte afgas wordt gedroogd alvorens de emissies in de lucht worden geanalyseerd;

    • e. de temperatuur van het afgas.

  • 2. De temperatuur van de verbrandingskamer wordt dicht bij de binnenwand gemeten of op een ander door de drijver van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie aangetoond representatief punt. De overige parameters worden gemeten nabij de plaats waar de emissiemetingen worden verricht.

Artikel 5.14
  • 1. De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de afgassen worden vastgesteld op het moment dat de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie in werking wordt gesteld.

  • 2. De verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte van de afgassen worden tevens vastgesteld op het moment dat de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie onder de meest ongunstige bedrijfsomstandigheden in werking is gesteld.

Artikel 5.15
  • 1. De emissiegrenswaarden voor water zijn van toepassing op het punt waar het bij de reiniging van afgassen ontstane afvalwater door de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt geloosd op een oppervlaktewaterlichaam.

  • 2. Wanneer het bij de reiniging van afgassen ontstane afvalwater buiten de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt gezuiverd in een zuiveringsinstallatie die uitsluitend voor de zuivering van dit type afvalwater is bestemd, mag bij het bepalen van de emissiegrenswaarden, bedoeld in het eerste lid, rekening worden gehouden met het effect van die zuiveringsinstallatie, op voorwaarde dat een equivalent niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel wordt gewaarborgd en dat het niet leidt tot nadeligere gevolgen voor het milieu.

  • 3. Als het bij de reiniging van afgassen ontstane afvalwater tezamen met afvalwater afkomstig van een andere bron wordt gezuiverd, bepaalt degene die de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie drijft aan de hand van passende massabalansberekeningen, met gebruikmaking van de resultaten van de metingen, bedoeld in de artikelen 5.11, 5.12 en 5.13, het aandeel van de emissies in de uiteindelijk geloosde hoeveelheid afvalwater dat kan worden toegeschreven aan het bij de reiniging van afgassen ontstane afvalwater.

Artikel 5.16
  • 1. De volgende metingen worden op het punt, genoemd in artikel 5.15, eerste lid, uitgevoerd:

    • a. continue metingen van de zuurgraad (pH), de temperatuur en het debiet;

    • b. dagelijkse steekproefmetingen van de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen of metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur;

    • c. maandelijkse metingen van een met het debiet evenredige representatieve steekproef over een periode van 24 uur van kwik, cadmium, thallium, arseen, lood, chroom, koper, nikkel en zink;

    • d. driemaandelijkse metingen van dioxinen en furanen gedurende de eerste bedrijfsperiode van twaalf maanden, gevolgd door zesmaandelijkse metingen.

  • 2. In een geval als bedoeld in artikel 5.15, derde lid, verricht degene die de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie drijft de metingen, bedoeld in het eerste lid:

    • a. op de afvalwaterstroom van de afgasreinigingsprocessen vóór de uitmonding daarvan op de gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;

    • b. op de andere afvalwaterstroom of -stromen vóór de uitmonding daarvan op de gezamenlijke afvalwaterzuiveringsinstallatie;

    • c. op het punt waar het afvalwater na de zuivering wordt geloosd.

Artikel 5.17
  • 1. De resultaten van de overeenkomstig deze afdeling verrichte metingen worden herleid tot een massaconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte, bedoeld in de artikelen 5.19, 5.20 en 5.22 van het besluit, overeenkomstig de volgende formule:

    Es = (21-Os)/(21-Om) x Em, waarbij wordt verstaan onder:

    Es = de berekende emissieconcentratie bij het genormaliseerde zuurstofgehalte

    Em = de gemeten emissieconcentratie

    Os = het genormaliseerde zuurstofgehalte

    Om = het gemeten zuurstofgehalte

  • 2. In afwijking van het eerste lid mogen indien afvalstoffen in een met zuurstof verrijkte atmosfeer worden verbrand of meeverbrand, meetresultaten worden herleid tot een zuurstofgehalte waarvan de drijver van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie aantoont dat dit de bijzondere omstandigheden van het geval weergeeft.

  • 3. Indien de emissies in de lucht van stoffen, waarvoor bij paragraaf 5.2 van het besluit emissiegrenswaarden zijn gesteld, worden verminderd door behandeling van het afgas in een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie waarin gevaarlijke afvalstoffen worden behandeld, geschiedt herleiding naar de in het eerste lid bedoelde zuurstofgehaltes alleen indien het in de desbetreffende periode voor de betrokken verontreinigende stof gemeten zuurstofgehalte hoger is dan het relevante genormaliseerde zuurstofgehalte.

§ 5.2.2. Meettechnieken
Artikel 5.18

De bemonsteringen, analyses en metingen van de parameters die nodig zijn om te bepalen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen:

Tabel 5.18

Normbladen voor continue van meting emissies naar lucht

Totaal stof

NEN-EN 13284-2

Normbladen voor periodieke en parallelmetingen van emissies naar lucht

Totaal stof

NEN-EN 13284-1

Totaal organische koolstof

NEN-EN 12619

Zoutzuur

NEN-EN 1911

Waterstoffluoride

NEN-ISO 15713

Zwaveldioxide (SO2)

NEN-EN 14791

Stikstofoxiden (NOx)

NEN-EN 14792

Koolmonoxide

NEN-EN 15058

Kwik

NEN-EN 13211

Som van cadmium en thallium / Som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium

NEN-EN 14385

Som van dioxinen en furanen

NEN-EN 1948-1

NEN-EN 1948-2

NEN-EN 1948-3

Zuurstof

NEN-EN 14789

Waterdamp

NEN-EN 14790

Debiet

ISO 10780

Normbladen voor de bemonstering en analyse van afvalwater

Bemonstering

NEN 6600

Ontsluiting

NEN-EN-ISO 15587

Onopgeloste bestanddelen

NEN-EN 872

Kwik

NEN-EN 1483

Cadmium, Thallium, Lood, Chroom, Koper, Nikkel, Zink Antimoon, Kobalt, Mangaan, Vanadium, Tin

NEN-EN-ISO 17294-2

Arseen

NEN-EN-ISO 17294-2

NEN-EN-ISO 11969

Zuurgraad (pH)

NEN-ISO 10523

Dioxinen en furanen

De analyse van dioxinen en furanen wordt uitgevoerd door middel van dubbelkoloms gaschromatografie (GC) gekoppeld aan massaspectrometrie (MS). Zowel de waterfase als de zwevende stof worden op dioxinen en furanen geanalyseerd. Voor het bepalen van de recovery van de analysetechniek wordt gebruik gemaakt van gelabelde interne standaards.

Normblad Totale hoeveelheid organische koolstof in slakken en bodemas

Totale hoeveelheid organische koolstof

BRL 2307

Algemene normbladen voor kwaliteitsborging

Kwaliteitsborging geautomatiseerde metingsystemen

NEN-EN 14181

Bekwaamheid laboratoria

NEN-EN-ISO/IEC 17025

Monsternamestrategie, meetdoel, meetplan en meetrapportage

NEN-EN 15259

Artikel 5.19
  • 1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden, bedoeld in artikel 5.18, gecontroleerd.

  • 2. De drijver van de inrichting informeert het bevoegd gezag over de resultaten van de in het eerste lid bedoelde controle.

  • 3. De waarde van het 95%-betrouwbaarheidsinterval van individuele waarnemingen, op basis waarvan de gemiddelden worden berekend die getoetst worden aan een emissiegrenswaarde, is bij continue metingen niet groter dan de volgende percentages van de emissiegrenswaarde voor de dagelijkse emissies:

    • a. koolmonoxide: 10% van de emissiegrenswaarde of 5 mg/Nm3;

    • b. zwaveldioxide (SO2): 20% van de emissiegrenswaarde of 10 mg/Nm3;

    • c. stikstofoxiden (NOx): 20% van de emissiegrenswaarde of 14 mg/Nm3;

    • d. totaal stof: 30% van de emissiegrenswaarde of 1,5 mg/Nm3;

    • e. totaal organisch koolstof: 30% van de emissiegrenswaarde of 3 mg/Nm3;

    • f. zoutzuur: 40% van de emissiegrenswaarde of 4 mg/Nm3;

    • g. waterstoffluoride: 40% van de emissiegrenswaarde of 0,4 mg/Nm3.

  • 4. De gevalideerde halfuur- en daggemiddelden worden bij continue metingen vastgesteld op grond van de valide gemeten halfuurgemiddelden, na aftrek van de waarde van het in het derde lid vermelde 95%-betrouwbaarheidsinterval.

  • 5. Bij de bepaling van de totale concentratie van dioxinen en furanen worden de massaconcentraties van de in tabel 5.19 genoemde dioxinen en dibenzofuranen vóór het optellen met de in die tabel genoemde toxische equivalentiefactoren (teq) vermenigvuldigd.

    Tabel 5.19

    Stof

    Teq

    2,3,7,8 -tetrachloordibenzodioxine (tcdd)

    1

    1,2,3,7,8 -pentachloordibenzodioxine (pecdd)

    0,5

    1,2,3,4,7,8 -hexachloordibenzodioxine (hxcdd)

    0,1

    1,2,3,6,7,8 -hexachloordibenzodioxine (hxcdd)

    0,1

    1,2,3,7,8,9 -hexachloordibenzodioxine (hxcdd)

    0,1

    1,2,3,4,6,7,8 -heptachloordibenzodioxine (hpcdd)

    0,01

    octachloordibenzodioxine (ocdd)

    0,001

    2,3,7,8 -tetrachloordibenzofuraan (tcdf)

    0,1

    2,3,4,7,8 -pentachloordibenzofuraan (pecdf)

    0,5

    1,2,3,7,8 – pentachloordibenzofuraan (pecdf)

    0,05

    1,2,3,4,7,8 -hexachloordibenzofuraan (hxcdf)

    0,1

    1,2,3,6,7,8 -hexachloordibenzofuraan (hxcdf)

    0,1

    1,2,3,7,8,9 -hexachloordibenzofuraan (hxcdf)

    0,1

    2,3,4,6,7,8 -hexachloordibenzofuraan (hxcdf)

    0,1

    1,2,3,4,6,7,8 -heptachloordibenzofuraan (hpcdf)

    0,01

    1,2,3,4,7,8,9 -heptachloordibenzofuraan (hpcdf)

    0,01

    octachloordibenzofuraan (ocdf)

    0,001

Artikel 5.20
  • 1. Het uitvoeren van periodieke metingen als bedoeld in de artikelen 5.11, eerste lid, 5.13 en 5.16, eerste lid, onder a, en parallelmetingen als bedoeld in de artikelen 5.11, tweede tot en met vierde lid, 5.12 en 5.16, eerste lid, onder b, c en d, geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatie-instantie.

  • 2. Het bevoegd gezag wordt ten minste twee weken van tevoren op de hoogte gesteld van de datum en het tijdstip waarop een periodieke meting of een parallelmeting zal worden uitgevoerd.

  • 3. Indien een afzonderlijke meting of parallelmeting geen doorgang vindt, wordt het bevoegd gezag uiterlijk op de datum waarop de meting zou plaatsvinden, bedoeld in het tweede lid, hiervan op de hoogte gesteld.

  • 4. Een periodieke meting van zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide (SO2) of stikstofoxiden (NOx) bestaat uit een serie van ten minste drie deelmetingen.

  • 5. De duur van een deelmeting bedraagt een half uur. Wanneer het meettechnisch niet mogelijk is de deelmeting in die tijd uit te voeren, mag de deelmeting ten hoogste twee uur bedragen.

  • 6. Periodieke metingen van kwik, de som van cadmium en thallium en de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium bestaan uit één deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste een half uur en ten hoogste 8 uur hoger.

  • 7. Een periodieke meting van dioxinen en furanen bestaat uit één deelmeting over een bemonsteringsperiode van ten minste 6 uur en ten hoogste 8 uur.

  • 8. De duur van een parallelmeting die wordt uitgevoerd ten behoeve van de verificatie van de meetapparatuur voor continue metingen, bedraagt ten minste een half uur.

  • 9. Bij periodieke metingen kan een door een rechtspersoon als bedoeld in het eerste lid aangetoonde 95%-betrouwbaarheidsinterval op dezelfde wijze als artikel 5.19, derde en vierde lid, worden verdisconteerd.

§ 5.2.3. Beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden
Artikel 5.21
  • 1. Aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor totaal stof, totaal organische koolstof, zoutzuur, waterstoffluoride en zwaveldioxide (SO2) wordt in ieder geval voldaan, indien:

    • a. geen van de daggemiddelden hoger is dan de bijbehorende emissiegrenswaarde, en

    • b. 97% van de halfuurgemiddelden in één kalenderjaar de bijbehorende emissiegrenswaarde niet overschrijdt.

  • 2. Aan de emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor stikstofoxiden (NOx) wordt geacht te zijn voldaan, indien:

    • a. geen van de daggemiddelden hoger is dan de bijbehorende emissiegrenswaarde,

    • b. geen van de maandgemiddelden hoger is dan de bijbehorende emissiegrenswaarde, en

    • c. 97% van de halfuurgemiddelden in één kalenderjaar de bijbehorende emissiegrenswaarde niet overschrijdt.

  • 3. Aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden voor afvalverbrandingsinstallaties voor koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan, indien:

    • a. 97% van de daggemiddelden in één kalenderjaar de bijbehorende emissiegrenswaarde niet overschrijdt, en

    • b. 95% van alle 10-minutengemiddelden in een willekeurige periode van 24 uur de bijbehorende emissiegrenswaarde niet overschrijdt.

  • 4. Aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden voor afvalmeeverbrandingsinstallaties voor totaal stof, totaal organische koolstof, zoutzuur, waterstoffluoride, zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden (NOx) en koolmonoxide wordt in ieder geval voldaan, indien geen van de daggemiddelden hoger is dan de bijbehorende emissiegrenswaarde.

  • 5. Halfuurgemiddelden en tienminutengemiddelden worden bepaald binnen de tijd dat de verbrandingsinstallatie in werking is, met uitzondering van de voor de inwerkingstelling en stillegging van de afvalverbrandingsinstallatie benodigde tijd indien gedurende die tijd geen afvalstoffen worden verbrand.

  • 6. Bij de bepaling van het daggemiddelde worden ten hoogste vijf halfuurgemiddelden wegens defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten. Per kalenderjaar worden ten hoogste tien daggemiddelden wegens defecten of onderhoud van het systeem voor continue metingen buiten beschouwing gelaten.

  • 7. Indien continue metingen niet zijn vereist, wordt aan de toepasselijke emissiegrenswaarden voor zwaveldioxide (SO2), stikstofoxiden, waterstoffluoride en zoutzuur in ieder geval voldaan, indien geen enkele gevalideerde meetuitkomst voor de betreffende stof de emissiegrenswaarde overschrijdt.

  • 8. Aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden voor kwik, de som van cadmium en thallium, de som van antimoon, arseen, chroom, kobalt, lood, mangaan, nikkel en vanadium en dioxinen en furanen wordt in ieder geval voldaan, indien het gevalideerde resultaat van de periodieke metingen lager is dan de bijbehorende emissiegrenswaarde.

Artikel 5.22

Aan de van toepassing zijnde emissiegrenswaarden voor emissies naar water wordt in ieder geval voldaan, indien:

  • a. bij metingen van de totale hoeveelheid onopgeloste bestanddelen 95% en 100% van de meetwaarden de toepasselijke emissiegrenswaarden niet overschrijdt,

  • b. bij metingen van kwik, cadmium, thallium, arseen, lood, chroom, nikkel, zink, antimoon, kobalt, mangaan, vanadium en tin niet meer dan eenmaal per jaar de toepasselijke emissiegrenswaarden worden overschreden, of, indien meer dan twintig steekproeven per jaar worden uitgevoerd, bij niet meer dan 5% van deze steekproeven de emissiegrenswaarden van artikel 5.27 van het besluit worden overschreden, en

  • c. bij metingen van dioxinen en furanen de emissiegrenswaarden niet worden overschreden.

§ 5.2.4. Exploitatievoorwaarden
Artikel 5.23
  • 1. Voor zover het betreft een afvalverbrandingsinstallatie wordt aan artikel 5.18, tweede lid, van het besluit in ieder geval voldaan, indien:

    • a. de afvalverbrandingsinstallatie op een zodanige wijze wordt geëxploiteerd dat een niveau van thermische behandeling wordt bereikt waarbij de totale hoeveelheid organische koolstof in de slakken en de bodemas minder bedraagt dan 3% van het droge gewicht van het materiaal, of het gloeiverlies van de slakken en de bodemas minder bedraagt dan 5% van het droge gewicht van het materiaal, zo nodig na voorbehandeling van het afval met passende technieken,

    • b. de afvalverbrandingsinstallatie zodanig wordt uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het bij het proces ontstane gas, na de laatste toevoer van verbrandingslucht, gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot ten minste 850° C, gemeten dichtbij de binnenwand of op een ander representatief punt van de verbrandingskamer, dan wel de temperatuur gedurende twee seconden tot ten minste 1100° C wordt opgevoerd, indien gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte van meer dan 1% gehalogeneerde organische verbindingen, uitgedrukt in chloor, thermisch worden behandeld,

    • c. elke verbrandingskamer van de afvalverbrandingsinstallatie wordt uitgerust met ten minste één hulpbrander, die automatisch wordt ingeschakeld wanneer de temperatuur van de verbrandingsgassen na de laatste toevoer van verbrandingslucht tot onder de op grond van onderdeel b vereiste temperatuur zakt,

    • d. de hulpbrander ook tijdens de inwerkingstelling en de stillegging van de afvalverbrandingsinstallatie wordt gebruikt teneinde ervoor te zorgen dat de op grond van de onderdelen b en c vereiste temperatuur gedurende deze in werking stelling en stillegging steeds wordt gehandhaafd zolang zich onverbrande afvalstoffen in de verbrandingskamer bevinden,

    • e. naar de hulpbrander geen brandstoffen worden toegevoerd die hogere emissies kunnen veroorzaken dan bij het stoken van gasolie voor de scheepvaart als omschreven in artikel 1.1 van het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging, vloeibaar gas of aardgas het geval is, en

    • f. bij de exploitatie van de afvalverbrandingsinstallaties gebruik wordt gemaakt van een automatisch systeem dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt totdat bij het in werking stellen de op grond van onderdeel b vereiste temperatuur is bereikt en wanneer de vereiste temperatuur niet gehandhaafd blijft.

  • 2. Voor zover het betreft een afvalmeeverbrandingsinstallatie, wordt aan artikel 5.18, tweede lid, van het besluit in ieder geval voldaan, indien:

    • a. de afvalmeeverbrandingsinstallatie zodanig wordt ontworpen, uitgerust, gebouwd en geëxploiteerd dat, zelfs in de meest ongunstige omstandigheden, het door de meeverbranding van afvalstoffen ontstane gas gedurende twee seconden op beheerste en homogene wijze wordt verhit tot ten minste 850° C, dan wel de temperatuur gedurende twee seconden tot ten minste 1100° C opgevoerd, indien gevaarlijke afvalstoffen met een gehalte van meer dan 1% gehalogeneerde organische stoffen, uitgedrukt in chloor, worden meeverbrand, en

    • b. bij de exploitatie van de afvalmeeverbrandingsinstallatie gebruik wordt gemaakt van een automatisch systeem dat de toevoer van afvalstoffen voorkomt totdat bij het in werking stellen de op grond van onderdeel a vereiste temperatuur is bereikt en wanneer de vereiste temperatuur niet gehandhaafd blijft.

Artikel 5.24

Bij de exploitatie van een afvalverbrandingsinstallatie en een afvalmeeverbrandingsinstallatie wordt gebruik gemaakt van een automatisch systeem dat voorkomt dat afvalstoffen worden toegevoerd wanneer uit continue metingen blijkt dat een emissiegrenswaarde wordt overschreden als gevolg van storingen of defecten aan de afgasreinigingsapparatuur.

§ 5.2.5. Overige voorwaarden
Artikel 5.25
  • 1. Het vervoer en de tussentijdse opslag van verbrandingsresiduen uit een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie geschiedt op een zodanige wijze, dat wordt voorkomen dat de verbrandingsresiduen in het milieu terechtkomen.

  • 2. Voordat de methoden van verwijdering of hergebruik als materiaal van verbrandingsresiduen worden vastgesteld, worden passende tests uitgevoerd om na te gaan wat de fysische en chemische eigenschappen en het verontreinigend vermogen van de verschillende verbrandingsresiduen zijn. Deze analyse heeft betrekking op de totale oplosbare fractie en de oplosbare fractie zware metalen.

Artikel 5.26

Specifiek ziekenhuisafval wordt rechtstreeks en in hermetisch gesloten verpakking in de oven van een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie geplaatst, zonder voorafgaande vermenging met andere categorieën van afvalstoffen overeenkomstig de afvalstoffenlijst.

Artikel 5.27

Het beheer van een verbrandingsinstallatie is in handen van een natuurlijke persoon die bekwaam is om de verbrandingsinstallatie te beheren.

Artikel 5.28

Het terrein van een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie, met de bijbehorende terreinen voor de opslag van afval, wordt zodanig ontworpen en geëxploiteerd dat het ongeoorloofd en accidenteel vrijkomen van verontreinigende stoffen in de bodem, het oppervlaktewater of het grondwater wordt voorkomen.

Artikel 5.29
  • 1. Een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie is voorzien van een vloeistofdicht bassin met voldoende capaciteit voor de opvang van:

    • a. wegvloeiend verontreinigd hemelwater van het terrein;

    • b. verontreinigd water dat het gevolg is van overlopen;

    • c. verontreinigd water dat afkomstig is van brandbestrijding.

  • 2. De capaciteit van het bassin is zodanig dat het water, voordat het wordt geloosd, kan worden onderzocht en behandeld.

AFDELING 5.3. INSTALLATIE VOOR DE PRODUCTIE VAN TITAANDIOXIDE
§ 5.3.0. Algemeen
Artikel 5.30

De meting van de emissies, waaronder tevens begrepen wordt de berekening, registratie en rapportage van de meting, bedoeld in artikel 5.38 van het besluit, voldoet aan de eisen in de artikelen 5.31 tot en met 5.36.

§ 5.3.1 Monitoring van emissies
Artikel 5.31
  • 1. Metingen ter bepaling van de emissies zijn representatief.

  • 2. Alle monitoringresultaten worden op zodanige wijze geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd dat het bevoegd gezag kan controleren of voldaan wordt aan de toepasselijke emissiegrenswaarden en andere voorschriften.

Artikel 5.32

De meting van emissies in de lucht omvat:

  • a. een continue meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van ≥ 200g/uur;

  • b. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van totaal stof afkomstig uit puntbronnen met een massastroom van <200 g/uur;

  • c. indien de IPPC-installatie gebruik maakt van het sulfaatproces: een continue meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide (SO2) en zwaveltrioxide (SO3) afkomstig van de ontsluiting en roosting uit inrichtingen voor de concentratie van afvalzuren;

  • d. indien de IPPC-installatie gebruik maakt van het chlorideproces:

    • 1°. een eenmalige meting van de emissieconcentratie van gasvormig zwaveldioxide en zwaveltrioxide;

    • 2°. een continue meting van de emissieconcentratie van chloor afkomstig uit de voornaamste bronnen;

    • 3°. om het jaar een periodieke meting van de emissieconcentratie van zoutzuur.

Artikel 5.33

Op het punt waar het afvalwater wordt geloosd worden ten minste om de zes maanden periodieke metingen uitgevoerd van een met het debiet evenredige steekproef over een periode van 24 uur van:

  • a. onopgeloste bestanddelen;

  • b. ijzerverbindingen;

  • c. sulfaat, indien de IPPC-installatie gebruik maakt van het sulfaatproces;

  • d. chloride, indien de IPPC-installatie gebruik maakt van het chlorideproces;

  • e. de zuurgraad (pH).

Artikel 5.34

Jaarlijks voor 1 maart wordt aan het bevoegd gezag opgave gedaan van de productie van titaandioxide over het daaraan voorafgaande kalenderjaar.

§ 5.3.2. Meettechnieken
Artikel 5.35

De bemonsteringen, analyses en metingen van de parameters die nodig zijn om te bepalen of wordt voldaan aan de emissiegrenswaarden alsmede de andere metingen en berekeningen die zijn voorgeschreven, worden uitgevoerd volgens onderstaande normbladen:

Tabel 5.35

Normbladen voor continue meting van emissies naar lucht

Totaal stof

NEN-EN 13284-2

Normbladen voor periodieke en parallelmetingen van emissies naar lucht

Totaal stof

NEN-EN 13284-1

Zoutzuur en chloor

NEN-EN 1911

Zwaveldioxide en zwaveltrioxide

NEN-EN 14791

Zuurstof

NEN-EN 14789

Waterdamp

NEN-EN 14790

Debiet

ISO 10780

Normbladen voor de bemonstering en analyse van afvalwater

Bemonstering

NEN 6600

Ontsluiting

NEN-EN-ISO 15587-1

Onopgeloste bestanddelen

NEN-EN 872

Sulfaat

NEN-ISO 22743

Chloride

NEN-EN-ISO 15682

IJzerverbindingen

NEN 6966

Zuurgraad (pH)

NEN-ISO 10523

Algemene normbladen voor kwaliteitsborging

Kwaliteitsborging geautomatiseerde metingsystemen

NEN-EN 14181

Bekwaamheid laboratoria

NEN-EN-ISO/IEC 17025

Monsternamestrategie, meetdoel, -plan en -rapportage

NEN-EN 15259

Artikel 5.36
  • 1. Geautomatiseerde meetsystemen worden ten minste eenmaal per jaar met behulp van parallelmetingen met de referentiemeetmethoden, bedoeld in artikel 5.35, gecontroleerd.

  • 2. De drijver van de inrichting informeert het bevoegd gezag over de resultaten van de in het eerste lid bedoelde controle.

  • 3. Het uitvoeren van een periodieke meting, eenmalige metingen of parallelmetingen geschiedt door een rechtspersoon die voor deze verrichtingen geaccrediteerd is door een accreditatie-instantie.

ARTIKEL II

De Regeling omgevingsrecht wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 4.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel c wordt de zinsnede ‘en het maximale motorische of thermische vermogen’ vervangen door: en het totale nominale motorische of thermische ingangsvermogen.

2. Onderdeel j wordt als volgt gewijzigd:

  • a. De zinsnede ‘gpbv-installaties’ wordt vervangen door: IPPC-installaties.

  • b. De zinsnede ‘, voor zover deze bestaan’ wordt vervangen door: voor de voorgestelde technologie, technieken en maatregelen.

B

Artikel 4.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Voor de tekst wordt de aanduiding ‘1.’ geplaatst.

2. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. De aanvrager verstrekt in of bij de aanvraag een rapport als bedoeld in artikel 2.11, eerste lid, van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Het in het rapport opgenomen onderzoek voldoet aan de normbladen NEN 57251 en NEN 57402.

C

Artikel 4.11 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

2. In de aanhef wordt ‘het Besluit verbranden afvalstoffen’ vervangen door:

paragraaf 5.2 van het Activiteitenbesluit milieubeheer.

3. Onderdeel b komt te luiden:

  • b. de gegevens, bedoeld in artikel 4.1, eerste lid, onder a, per onderscheiden afvalsoort in de afvalstoffenlijst als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Regeling Europese afvalstoffenlijst, en voor gevaarlijke afvalstoffen voorts een specificatie van de minimale en maximale toevoer, de laagste en hoogste calorische waarde, alsmede de maximumgehalten aan PCB’s, pentachloorfenol, chloor, fluor, zwavel, zware metalen en andere verontreinigende stoffen per onderscheiden afvalsoort in de afvalstoffenlijst;.

4. In onderdeel c wordt ‘slechtst denkbare bedrijfsomstandigheden als bedoeld in artikel 11, derde lid, van richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEG L 332)’ vervangen door: meest ongunstige bedrijfsomstandigheden.

D

Artikel 4.14 komt te luiden:

Artikel 4.14. Geologische opslag van kooldioxide

Indien de aanvraag betrekking heeft op een inrichting waar een stookinstallatie met een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer aanwezig is, verstrekt de aanvrager in of bij de aanvraag tevens gegevens en bescheiden met betrekking tot:

  • a. de aanwezigheid van een geschikt CO2-opslagcomplex als bedoeld in artikel 1 van de Mijnbouwwet;

  • b. de technische en economische haalbaarheid van faciliteiten voor het transport van kooldioxide naar een CO2-opslagcomplex;

  • c. de technische en economische haalbaarheid van aanpassing van de stookinstallatie voor de afvang van CO2.

E

Artikel 9.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede en derde lid alsmede de aanduiding ‘1.’ voor het eerste lid vervallen.

2. Na ‘beste beschikbare technieken’ wordt ingevoegd: en monitoringeisen.

3. De zinssnede ‘de documenten, vermeld in de tabellen 1 en 2, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1’ wordt vervangen door: de relevante BBT-conclusies en Nederlandse informatiedocumenten over beste beschikbare technieken, die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage.

F

In paragraaf 9.2 worden na artikel 9.2 twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 9.3

  • 1. Indien het bevoegd gezag vergunningvoorschriften vaststelt op basis van een beste beschikbare techniek die niet in een van de desbetreffende BBT-conclusies staat beschreven:

    • a. zorgt hij ervoor dat de techniek wordt bepaald rekening houdend met artikel 5.4, derde lid, van het besluit, en

    • b. is artikel 5.5, zesde en zevende lid, van het besluit van overeenkomstige toepassing.

  • 2. Indien de in het eerste lid genoemde BBT-conclusies geen met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus bevatten, zorgt het bevoegd gezag ervoor dat de in het eerste lid bedoelde methode een niveau van milieubescherming garandeert dat gelijkwaardig is aan dat van de beste beschikbare technieken als beschreven in de BBT-conclusies.

Artikel 9.4

  • 1. Door het bevoegd gezag vastgestelde emissiegrenswaarden worden uitgedrukt voor dezelfde of kortere periodes en voor dezelfde referentieomstandigheden als die welke gelden voor met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus van de relevante BBT-conclusies.

  • 2. Indien het bevoegd gezag in afwijking van het eerste lid emissiegrenswaarden vaststelt met andere waarden, perioden of referentieomstandigheden:

    • a. verbindt het bevoegd gezag aan de vergunning als eisen voor de monitoring van de desbetreffende emissies de verplichting dat de resultaten van de monitoring:

      • 1°. beschikbaar zijn voor dezelfde termijn en referentieomstandigheden als voor de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;

      • 2°. regelmatig of ten minste jaarlijks worden gemeld aan het bevoegd gezag in een overzicht dat een vergelijking mogelijk maakt met de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;

      • 3°. worden weergegeven in een zodanig overzicht dat een vergelijking mogelijk is met de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus;

    • b. beoordeelt het bevoegd gezag ten minste jaarlijks de resultaten van de monitoring van deze emissies, teneinde na te gaan of de emissies in normale bedrijfsomstandigheden niet hoger zouden zijn dan de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus.

G

Artikel 10.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het derde lid, onderdeel b, wordt na ‘afgelegd’ ingevoegd: , waarbij die frequentie voor IPPC-installaties, afhankelijk van de milieurisico’s, het nalevingsgedrag en de aanwezigheid van een gecertificeerd milieuzorgsysteem, tenminste één controlebezoek per drie jaar en maximaal één controlebezoek per jaar is.

2. Er worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. Onverminderd de frequentie, bedoeld in het derde lid, onderdeel b, worden bij IPPC-installaties niet-routinematige controlebezoeken uitgevoerd:

    • a. vóór de verlening of verandering van een vergunning;

    • b. om zo spoedig mogelijk ernstige klachten, ernstige ongewone voorvallen of overtredingen te onderzoeken;

    • c. indien bij een controle een ernstige overtreding is vastgesteld, binnen zes maanden na de vaststelling.

  • 6. Na elk controlebezoek bij een IPPC-installatie:

    • a. stelt het bevoegd gezag een verslag op waarin de relevante bevindingen over de naleving en de conclusies over de eventuele noodzaak van verdere maatregelen worden neergelegd;

    • b. zendt het bevoegd gezag het verslag, bedoeld onder a, binnen twee maanden aan de vergunninghouder;

    • c. stelt het bevoegd gezag het verslag binnen vier maanden voor eenieder op verzoek beschikbaar, waarbij de artikelen 19.3 tot en met 19.5 van de Wet milieubeheer van overeenkomstige toepassing zijn.

H

Bijlage 1 wordt vervangen door de hieronder opgenomen bijlage:

Bijlage: Nederlandse informatiedocumenten over BBT

Naam document

jaartal

vindplaats

Handreiking (co-)vergisting van mest

september 2010

InfoMil.nl

NeR Nederlandse emissierichtlijn lucht

juli 2012

InfoMil.nl

NRB 2012; Nederlandse richtlijn bodembescherming

maart 2012

Agentschapnl.nl

Handreiking methaanreductie stortplaatsen

april 2007

Agentschapnl.nl

Beleidslijn IPPC-omgevingstoetsing ammoniak en veehouderij

juni 2007

InfoMil.nl

Publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS)

   

PGS 7: Opslag van vaste minerale anorganische meststoffen

oktober 2007

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 8: Organische peroxiden: Opslag

december 2011

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 9: Vloeibare zuurstof opslag van

0,45-100 m3 en erratum

oktober 2007

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 12: Ammoniak: opslag en verlading

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 13: Ammoniak: toepassing als koudemiddel voor koelinstallaties en warmtepompen

februari 2009

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 15: Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

december 2011

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 16: LPG: Afleverinstallaties

september 2010

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 18: Distributiedepots voor LPG

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 19: Opslag van propaan

juni 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 22: Toepassing van propaan

september 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 23: Propaan, vulstations van propaan- en butaanflessen

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 24: Propaan, vulstations voor spuitbussen met propaan, butaan en dimetylether als drijfgas

juli 2005

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 25: Aardgas-afleverinstallaties voor motorvoertuigen

oktober 2011

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 28: Vloeibare brandstoffen – ondergrondse tankinstallaties en afleverinstallaties

december 2011

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 29: Richtlijn voor bovengrondse opslag van brandbare vloeistoffen in verticale cilindrische tanks

oktober 2008

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

PGS 30: Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties

december 2011

publicatiereeksgevaarlijkestoffen.nl

BBT-documenten water

   

Landbouw

   

Beoordelingsmethode emissiereducerende maatregelen Lozingsbesluit open teelt en veehouderij

maart 2003

Helpdeskwater.nl/ciw

Recirculeren van spoelwater; Gevolgen voor de microbiologische kwaliteit van spoelwater

september 2003

Helpdeskwater.nl/ciw

Goed gietwater; Beoordelingskader voor verplichte aanleg van een gietwatervoorziening bij grondgebonden glastuinbouwbedrijven

januari 2004

Helpdeskwater.nl/ciw

Achtergronddocument glastuinbouw t.b.v. KRW-decembernota 2005, eindversie

augustus 2005

Helpdeskwater.nl/ciw

Bodemsanering + bagger

   

Lozingen uit tijdelijke baggerspeciedepots

april 1998

Helpdeskwater.nl/ciw

Riooloverstorten

   

Riooloverstorten deel 1: Knelpuntcriteria riooloverstorten

juni 2001

Helpdeskwater.nl/ciw

Riooloverstorten deel 2: Eenduidige basisinspanning

juni 2001

Helpdeskwater.nl/ciw

Riooloverstorten deel 3: Model voor vergunningverlening riooloverstorten

december 2001

Helpdeskwater.nl/ciw

Riooloverstorten deel 4a: Nadere uitwerking monitoring riooloverstorten, spoor 1

september 2002

Helpdeskwater.nl/ciw

Riooloverstorten deel 4b: Nadere uitwerking monitoring riooloverstorten, fase B

januari 2003

Helpdeskwater.nl/ciw

Industriële activiteiten

   

Integrale aanpak van risico's van onvoorziene lozingen

februari 2000

Helpdeskwater.nl/ciw

Verwerking waterfractie gevaarlijke en niet-gevaarlijke afvalstoffen

april 2001

Helpdeskwater.nl/ciw

Offshore

februari 2002

Helpdeskwater.nl/ciw

Integrale bedrijfstakstudie tankautoreiniging

april 2002

Helpdeskwater.nl/ciw

Instrumentarium

   

Meten en bemonsteren van afvalwater

maart 1998

Helpdeskwater.nl/ciw

Het beoordelen van stoffen en preparaten voor de uitvoering van het emissiebeleid water

mei 2000

Helpdeskwater.nl/ciw

Normen voor het Waterbeheer

mei 2000

Helpdeskwater.nl/ciw

Handboek Immissietoets: toetsing van lozingen op effecten voor het oppervlaktewater

oktober 2011

Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl

Milieunormen in perspectief

september 2002

Helpdeskwater.nl/ciw

Lozingseisen Wvo-vergunningen

november 2005

Helpdeskwater.nl/ciw

Warmtelozing

   

CIW beoordelingssystematiek warmtelozingen

november 2004

Helpdeskwater.nl/ciw

Oplegnotitie BREF

   

Oplegnotitie BREF Pulp- en papierindustrie

april 2004

Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Ferrometaalbewerkende industrie

april 2004

Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Afgas- en afvalwaterbehandeling

augustus 2005

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Non-ferro metaal

augustus 2005

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Raffinaderijen

februari 2006

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Afvalbehandeling

augustus 2006

Infomil.nl

Oplegnotitie BREF Intensieve pluimvee- en varkenshouderij

juli 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Afvalverbranding

maart 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Grote stookinstallaties

oktober 2007

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Smederijen en gieterijen

juni 2008

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Keramische industrie

juni 2008

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Textielindustrie

juni 2008

Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Industriële koelsystemen

februari 2009

Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF’s Chemie

juni 2010

Helpdeskwater.nl / InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Emissies uit opslag

december 2010

InfoMil.nl

Oplegnotitie BREF Voedingsmiddelen- en zuivelindustrie

december 2010

InfoMil.nl

ARTIKEL III

In artikel 6.21, onder a, van de Waterregeling wordt na ‘in ieder geval’ ingevoegd: worden vermeld de zuurgraad (pH), temperatuur en debiet en.

ARTIKEL IV

De bijlagen I en II bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol worden vervangen door de bijlagen bij deze regeling.

ARTIKEL V

1. De volgende regelingen worden ingetrokken:

  • de Regeling aanduiding NeR;

  • de Regeling grenswaarden voor sulfaat en chloride bij lozingen door de titaandioxide-industrie;

  • de Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging;

  • de Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen;

  • de Regeling oplosmiddelenboekhouding en metingen VOS-emissies.

2. De Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A 2005 wordt met ingang van 1 januari 2016 ingetrokken.

ARTIKEL VI

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het besluit van 13 oktober 2012 houdende wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten ten behoeve van de omzetting van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334) (Stb. 552) in werking treedt.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, J.J. Atsma.

BIJLAGE I

Bijlage, behorende bij artikel 1, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol.

Emissies naar lucht

Emissies naar lucht

Emissietabel verbrandingsemissies

Emissietabel verbrandingsemissies

Emissietabel procesemissies

Emissietabel procesemissies

Emissies naar lucht: totalen op inrichtingniveau

Emissies naar lucht: totalen op inrichtingniveau

Emissies, warmteafvoer en debieten water

Emissies, warmteafvoer en debieten water

Emissies naar water: totalen op inrichtingniveau

Emissies naar water: totalen op inrichtingniveau

Watergebruik

Watergebruik

Emissies naar de bodem: totalen op inrichtingniveau

Emissies naar de bodem: totalen op inrichtingniveau

Energie algemeen (energie- en brandstofverbruik)

Energie algemeen (energie- en brandstofverbruik)

Afvalbeheer

Afvalbeheer

Afvalbeheer: totalen op inrichtingniveau

Afvalbeheer: totalen op inrichtingniveau

Geluid (indien opgenomen in de vergunning)

Geluid (indien opgenomen in de vergunning)

Geur (indien opgenomen in de vergunning)

Geur (indien opgenomen in de vergunning)

BIJLAGE II

Bijlage, behorende bij artikel 1, tweede lid, van de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol.

Format PRTR-verslag voor intensieve veeteelt en aquacultuur

Format PRTR-verslag voor intensieve veeteelt en aquacultuur

Emissies naar lucht

Emissies naar lucht

Emissies naar water

Emissies naar water

Emissies naar bodem

Emissies naar bodem

Afvalbeheer

Afvalbeheer

TOELICHTING

Algemeen deel

1. Inleiding

Uiterlijk 7 januari 2013 dient Nederland de Richtlijn industriële emissies3 te hebben opgenomen in Nederlandse regelgeving. In de voorliggende wijzigingsregeling wordt een deel van de Richtlijn industriële emissies geïmplementeerd. De overige onderdelen van de richtlijn worden geïmplementeerd in de wet houdende de wijziging van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, de Wet milieubeheer en enkele andere wetten ten behoeve van de implementatie van richtlijn nr. 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging; herschikking; PbEU L 334)4 (hierna: implementatie-Wet) en in het besluit tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer, het Besluit omgevingsrecht en enkele andere besluiten ten behoeve van de omzetting van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU L 334) (Stb. 552) (hierna: implementatie-AMvB).

2. Beschrijving van de te implementeren regelgeving

De Richtlijn industriële emissies actualiseert en integreert de IPPC-richtlijn5 en een zestal richtlijnen op het terrein van industriële emissies, zijnde de Richtlijn grote stookinstallaties of LCP-richtlijn6, de Afvalverbrandingsrichtlijn7, de EG-VOS- richtlijn8 en de drie Titaandioxiderichtlijnen9. De Richtlijn industriële emissies geeft milieueisen voor de meest milieubelastende installaties in de Europese Unie. In Nederland gaat het om ca. 4000 installaties10, waaronder energiecentrales, chemische bedrijven, grote intensieve veehouderijen en afvalverwerkende bedrijven.

In de nota van toelichting bij de implementatie-AMvB is uitgebreid ingegaan op de Richtlijn industriële emissies. Derhalve wordt in de onderhavige toelichting volstaan met deze zeer globale inleiding. Hieronder wordt daarnaast nog ingegaan op een aantal specifieke onderwerpen die relevant zijn voor deze wijzigingsregeling.

Nadere regels beste beschikbare technieken

In artikel 13 van de Richtlijn industriële emissies wordt beschreven hoe BREF-documenten worden opgesteld, vastgesteld, geëvalueerd en zo nodig geactualiseerd. De volledige BREF-documenten worden onmiddellijk na vaststelling door de Commissie bekendgemaakt op de website van het European IPPC Bureau, http://eippcb.jrc.es.

De BBT-conclusies uit de BREF-documenten worden via de zogenaamde comitéprocedure vastgesteld.11 Na vaststelling worden de BBT-conclusies vertaald in alle gemeenschapstalen en gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie.12

In Nederland werd tot nu toe de vaststelling of wijziging van BREF-documenten opgenomen in tabel 1 in Bijlage 1 bij de Regeling omgevingsrecht (MOR) (voorheen Bijlage 1 bij de Regeling aanwijzing BBT-documenten) en aldus gepubliceerd in de Staatscourant. Tevens werden de BREF-documenten op het internet geplaatst.

Nu de BBT-conclusies voortaan formeel worden vastgesteld, kan tabel 1 van bijlage I bij de MOR vervallen. Via internet zal een compleet en permanent actueel overzicht worden geboden van alle relevante BBT-documenten, zowel de Europees vastgestelde documenten als de nationaal aangewezen documenten.13

Het vaststellen van de BBT-conclusies volgens de Comitéprocedure zal enige jaren vergen, omdat daaraan voorafgaand de BBT-conclusies worden geëvalueerd en zo nodig herzien. artikel 13, zevende lid, van de Richtlijn industriële emissies geeft aan dat tot die tijd de BBT-conclusies die onder de IPPC-richtlijn zijn vastgesteld, blijven gelden.

Het nationale begrip ‘BBT-documenten’ omvat naast zojuist besproken BREF-documenten ook nationaal vastgestelde documenten met beste beschikbare technieken. Met de inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling worden in Bijlage 1 van de MOR voortaan alleen nog de nationaal aangewezen BBT-documenten opgenomen. De nationaal aangewezen BBT-documenten kunnen overigens ook documenten betreffen, die zijn opgesteld door ‘publiekrechtelijke internationale organisaties’ (zie Bijlage III, sub 12, bij de Richtlijn industriële emissies). Op dit moment is geen document afkomstig van dergelijke internationale organisaties als BBT-document aangewezen.

Ingevolge artikel 14, vijfde lid, van de Richtlijn industriële emissies is het mogelijk andere technieken te gebruiken dan waarop de BBT-conclusies zijn gebaseerd, mits een vergelijkbaar milieubeschermingsniveau wordt bereikt.

Verder wordt de mogelijkheid geboden emissiegrenswaarden in andere waarden, perioden en referentieomstandigheden uit te drukken dan de emissieniveaus uit de BBT-conclusies. De richtlijn regelt dit expliciet om te voorkomen dat het hanteren van andere waarden, perioden en referentieomstandigheden als afwijken van BBT-conclusies wordt beschouwd. Voor afwijken van BBT-conclusies gelden namelijk op grond van artikel 15, vierde lid, van de richtlijn voorwaarden en een motiveringsplicht. Dit is omgezet in artikel 5.5, zevende lid, (nieuw) van het BOR. De enige voorwaarde voor het hanteren van andere waarden, perioden en referentie-omstandigheden, is dat de resultaten van de emissiemonitoring, teruggerekend naar de waarden, perioden en referentieomstandigheden uit BBT-conclusies laten zien dat de emissieniveaus uit diezelfde BBT-conclusies niet worden overschreden.

Monitoring van emissies en andere technische maatregelen

Net als bij haar voorgangers, dienen ingevolge de Richtlijn industriële emissies voor specifieke installaties in regelgeving emissiegrenswaarden, monitoringvoorschriften en een aantal technische maatregelen te worden vastgelegd voor grote stookinstallaties, afvalverbranding, gebruik van organische oplosmiddelen en titaandioxideproductie. Bij de omzetting in Nederlandse regelgeving zijn de vereenvoudigingen die de Richtlijn industriële emissies doorvoert, overgenomen: de betrokken regelgeving is afgeslankt en gebundeld. De emissiegrenswaarden zijn in het Activiteitenbesluit opgenomen. De onderdelen over monitoring en andere technische maatregelen worden met deze implementatieregeling in de Activiteitenregeling opgenomen.

3. Hoofdlijnen van het voorstel

Ten behoeve van de implementatie van de Richtlijn industriële emissies worden in deze wijzigingsregeling wijzigingen aangebracht in de Activiteitenregeling milieubeheer (hierna: de Activiteitenregeling), de MOR, de Waterregeling en de Uitvoeringsregeling EG-verordening PRTR en PRTR-protocol. Daarnaast worden in deze wijzigingsregeling de volgende regelingen ingetrokken:

  • de Regeling aanduiding NeR;

  • de Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen;

  • de Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging;

  • de Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A 2005;

  • de Regeling oplosmiddelenboekhouding en metingen VOS-emissies en

  • de Regeling grenswaarden voor sulfaat en chloride bij lozingen door de titaandioxide-industrie.

Bij de implementatie-AMvB is in de nota van toelichting een implementatietabel opgenomen. Die tabel geeft een overzicht van de inhoud van de afzonderlijke artikelen. In hoofdstuk 6 van de onderhavige toelichting zijn transponeringstabellen opgenomen. In die tabellen wordt ingegaan op de transponering van de Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen, de Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A 2005 en de Regeling oplosmiddelenboekhouding en metingen VOS-emissies naar de Activiteitenregeling. Transponeringstabellen voor de Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging en de Regeling grenswaarden voor sulfaat en chloride bij lozingen door de titaandioxide-industrie zijn in de implementatie-AMvB opgenomen, omdat de doelvoorschriften (emissiegrenswaarden) uit die regelingen conform de systematiek van het Activiteitenbesluit op AMvB-niveau worden geregeld.

4. Uitvoering en handhaving

In artikel 23 van de Richtlijn industriële emissies wordt over milieu-inspecties een programmatisch toezicht geïntroduceerd. Dit programmatische toezicht is vergelijkbaar met de Nederlandse kwaliteitseisen voor handhaving uit hoofdstuk 5 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo), zoals dat is uitgewerkt in het Besluit omgevingsrecht (hierna: BOR) en de MOR. Er zijn slechts een paar kleine aanpassingen nodig om Nederlandse regelgeving in lijn met de richtlijn te brengen:

  • vaststelling van de frequentie van toezichtbezoeken van IPPC-installaties tussen een keer per jaar en een keer per drie jaar onder meer rekening houdend met milieuzorgsystemen (artikel 23, vierde lid van de Richtlijn industriële emissies).

  • niet-routinematige inspecties bij ernstige milieuklachten, ernstige milieuongevallen, incidenten en gevallen van niet-naleving en herhalingsinspectie binnen zes maanden bij niet-naleving (artikel 23, vijfde lid, van de Richtlijn industriële emissies).

  • verslag met bevindingen van toezichtbezoek binnen vier maanden (artikel 23, zesde lid, eerste volzin).

Aangezien de aanpassingen aansluiten bij de Nederlandse praktijk, hebben deze wijzigingen geen noemenswaardige effecten.

5. Administratieve en bestuurlijke lasten en nalevingskosten

De inhoudelijke verplichtingen van de Richtlijn industriële emissies sluiten aan bij verplichtingen van haar voorgangers, zoals de IPPC-Richtlijn, en bij verplichtingen in bestaande Nederlandse regelgeving. Bedrijfseffecten zijn daarom beperkt tot verduidelijking van de regelgeving en Europese harmonisatie. De Richtlijn industriële emissies heeft dan ook geen effect op de nalevingkosten.

Ook de administratieve en bestuurlijke lasten blijven ongeveer gelijk. Er is wel een verschuiving van nationale naar Europese lasten, omdat meer bedrijven onder de Richtlijn industriële emissies vallen. Dat komt, omdat de IPPC-richtlijn een beperktere reikwijdte had. In de praktijk is het niet merkbaar dat de oorsprong van de lasten Europees wordt in plaats van Nederlands. De verplichtingen zijn immers hetzelfde.14 Op twee onderdelen van deze regeling wordt hieronder in verband met de relevantie voor de administratieve en bestuurlijke lasten nader ingegaan: de monitoring en het programmatisch toezicht.

Per saldo geen extra monitoringlasten

De meeste eisen voor monitoring van emissies zijn onveranderd overgenomen uit de zeven aan de Richtlijn industriële emissies voorgaande richtlijnen. De paar wijzigingen die worden doorgevoerd leiden tot zowel een toename als een afname van administratieve lasten, waardoor er uiteindelijk per saldo geen effect is. Echter, dit kan wel tussen bedrijven en sectoren verschillen.

Artikel 38 van hoofdstuk III en deel 3 van bijlage V bij de Richtlijn industriële emissies bevatten de voorschriften voor de monitoring van emissies afkomstig van grote stookinstallaties. Nieuw ten opzichte van de LCP-richtlijn is de jaarlijkse bepaling van kwikemissies bij gebruik van steenkool en koolmonoxidemetingen bij gasgestookte centrales. De metingen van kwik15 en koolmonoxide zijn op grond van de BREF-documenten al vereist en daarnaast, afhankelijk van de omvang van de emissie, ook op grond van de E-PRTR-verordening over milieuverslagen. De kwikmeting geldt in Nederland voor acht grote stookinstallaties. De monitoring van koolmonoxide geldt voor gasgestookte grote stookinstallaties; dit betreft circa 90% van de bijna 200 installaties. Tegenover deze toename staat een verlaging van de administratieve lasten door de lagere kalibratiefrequentie voor continue meetsystemen: van eens per drie jaar naar eens per vijf jaar.

Het bevoegd gezag had op basis van de Afvalverbrandingrichtlijn de mogelijkheid periodieke meting van zoutzuur, waterstoffluoride en zwaveldioxide voor te schrijven in plaats van een continue meting, op de voorwaarde dat een bedrijf kon aantonen dat de emissiegrenswaarden niet worden overschreden. De Richtlijn industriële emissies bevat eveneens deze mogelijkheid en geeft tevens de optie om in het geheel af te zien van metingen als een bedrijf kan aantonen dat de betreffende emissiegrenswaarden niet overschreden kunnen worden (artikel 48 en Bijlage VI, deel 6 van de Richtlijn industriële emissies).

Voor dioxines en zware metalen kende de Afvalverbrandingrichtlijn de mogelijkheid om de frequentie van de periodieke metingen te verlagen wanneer de emissies steeds lager waren dan de helft van de emissiegrenswaarde. Hierbij werd aangegeven dat de Europese Commissie verdere richtsnoeren voor deze versoepeling zou uitbrengen. In de Richtlijn industriële emissies is dit nu uitgewerkt. De soepelere monitoringverplichting betreft het verbranden van gesorteerde niet-gevaarlijke afvalstoffen waarvan op grond van de samenstelling de exploitant kan aantonen dat de emissiegrenswaarden voor zware metalen en dioxines niet overschreden kunnen worden. Bij de lastenberekening is ervan uitgegaan dat ongeveer een derde van de 40 afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties een lastenvermindering krijgt. Ook bij afvalverbranding wordt de kalibratiefrequentie voor continue meetsystemen verlaagd, wat de administratieve lasten verder reduceert.

Geen extra lasten door programmatisch toezicht

Relevant voor de lasten is verder artikel 23, vierde lid, van de Richtlijn industriële emissies, dat een inspectiefrequentie eist van tussen één en drie jaar, afhankelijk van de probleemanalyse. De Nederlandse regelgeving kent wel de probleemanalyse, maar geen minimale inspectiefrequentie. Voor de complexe bedrijven waar het hier om gaat, wordt in de praktijk wel een vergelijkbare frequentie van eens per jaar (milieucategorie 4/5) of eens per twee jaar (milieucategorie 3) gehanteerd.

6. Transponeringstabellen

Transponeringstabel Regeling oplosmiddelenboekhouding en metingen VOS-emissies

Artikel Regeling oplosmiddelenboekhouding en metingen VOS-emissies

 

1, onder a

1, onder b

1, onder c

1.1 Wet milieubeheer (emissie)

1, onder d tot en met f

1, onder g tot en met s

2.15, negende lid, Activiteitenregeling

2

2.15, eerste lid, Activiteitenregeling

3

2.14 Activiteitenregeling

4-6

2.15 Activiteitenregeling

7

2.11 Activiteitenregeling

8-9

Transponeringstabel Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A 2005

Artikel Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties A milieubeheer 2005

 

1

2

5.5 Activiteitenregeling

3

4

5.5 Activiteitenregeling

5

5.5 Activiteitenregeling

6

7

1.8 Activiteitenbesluit

8

9

5.4 Activiteitenregeling

10

11

12

13

17.1 en 17.2 Wet milieubeheer

14

5.7, tweede en derde lid, Activiteitenregeling

15

5.7, vierde, vijfde en zesde lid, Activiteitenregeling

16

17

5.2, tweede lid, Activiteitenregeling

18

5.2, tweede lid, Activiteitenregeling

19

20

21

5.2, tweede lid, Activiteitenregeling

22-28

Transponeringstabel Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen

Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen

 

1

5.18 Activiteitenregeling

2

3

4

5.18 Activiteitenregeling

5

5.18 Activiteitenregeling

6

5.18 Activiteitenregeling

7

5.10, eerste lid, Activiteitenregeling

8

5.13 Activiteitenregeling

9-11

12

Artikel 17.1 en 17.2 Wet milieubeheer

13

5.20, tweede en derde lid, Activiteitenregeling

14

5.10, tweede lid, Activiteitenregeling

15

5.10, tweede lid, Activiteitenregeling

16

17

18

1.8 Activiteitenbesluit

19-21

ARTIKELSGEWIJS

Artikel I

Onderdeel A

In verband met een wijziging in gebruikte terminologie, komt in dit onderdeel het begrip ‘Raad voor de Accreditatie’ te vervallen en wordt het begrip ‘accreditatie-instantie’ ingevoegd.

Het begrip ‘accreditatie-instantie’ was reeds opgenomen in het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, het Besluit verbranden afvalstoffen en het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer. Deze wijziging is doorgevoerd bij besluit van 18 maart 2011 tot wijziging van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A, het Besluit verbranden afvalstoffen en het Besluit emissie-eisen middelgrote stookinstallaties milieubeheer (reparaties) (Stb. 2011, 158). Dit besluit voorzag in een aanpassing van de regels met betrekking tot geaccrediteerde instanties aan verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en marktoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PbEU L 218). Deze verordening is vanaf 1 januari 2010 van toepassing en bevat voorschriften voor de organisatie en werking van de accreditatie. Volgens artikel 4, eerste lid, van de verordening dient elke lidstaat vanaf 1 januari 2010 over één nationale accreditatie-instantie te beschikken. Nederland heeft de Raad voor Accreditatie met ingang van 1 januari 2010 aangewezen als nationale accreditatie-instantie. Zie artikel 2, eerste lid, van de Wet aanwijzing nationale accreditatie-instantie (Stb. 2009, 455).

In de praktijk zal er als gevolg van deze wijziging weinig veranderen. Alle emissiemetingen worden al uitgevoerd door geaccrediteerde meetinstanties. Er zijn in Nederland tenminste vijf meetinstanties geaccrediteerd voor het uitvoeren van de metingen op grond van het Bva. Dat is voldoende. De meetinstanties zijn op de internetsite van de Raad voor Accreditatie te vinden (http://www.rva.nl). Ook meetinstanties die in andere lidstaten zijn geaccrediteerd, mogen de metingen uitvoeren.

Onderdeel B

Ingevolge het eerste lid van dit onderdeel vervallen een aantal van de in artikel 1.2 van de Activiteitenregeling opgenomen normen. In het tweede lid van dit onderdeel worden nieuwe normen ingevoegd in artikel 1.2 van de Activiteitenregeling.

Volgens het systeem van de Activiteitenregeling worden de daarin gehanteerde normen in de begripsbepalingen gespecificeerd met het versienummer van de betreffende norm. Waar de betreffende norm in de tekst van de regeling concreet van toepassing wordt verklaard, wordt volstaan met de aanduiding van die norm. Dit systeem heeft als voordeel dat de toepasselijke versie van een bepaalde norm altijd gevonden kan worden door raadpleging van de begripsbepalingen. De begripsomschrijvingen worden regelmatig geactualiseerd. Bij een nieuwe versie van een norm is dan om die reden geen aanpassing van het artikel nodig waarin de betreffende norm wordt genoemd.

De nieuw opgenomen normen betreffen de normen die in het nieuwe hoofdstuk 5 van de Activiteitenregeling van toepassing worden verklaard. Het betreffen meetnormen voor grote stookinstallaties, afval(mee)verbrandinginstallaties en installaties voor de productie van titaandioxide.

Onderdeel C

In dit onderdeel wordt een nieuwe afdeling betreffende oplosmiddelen ingevoegd, Afdeling 2.4.

Artikel 2.11

Artikel 2.11 betreft de monitoring van emissies en vormt de omzetting van artikel 60 in samenhang met bijlage VII, deel 6 en deel 7, onder 3, aanhef en onder b, bij de Richtlijn industriële emissies. Dit was voorheen geregeld in artikel 10, eerste, tweede en vierde lid, van het Oplosmiddelenbesluit en artikel 7 van de Regeling oplosmiddelenboekhouding en metingen VOS-emissies.

Voor ongeveer tweederde van de oplosmiddeleninstallaties gelden geen meetverplichtingen, omdat deze installaties de emissies met technische maatregelen, zoals oplosmiddelenarme coatings en reinigingsmiddelen en emissiearme spuittechnieken, zo ver beperken dat er geen nabehandelingapparatuur nodig is om aan de emissiegrenswaarden of het emissiereductieplan te voldoen. Deze bedrijven vallen onder bijlage VII, deel 6, onderdeel 3, van de Richtlijn industriële emissies, dat bedrijven vrijstelt van metingen.

Continue monitoring van vluchtige organische stoffen is uitzonderlijk en alleen verplicht bij grote emittenten met een emissie van meer dan 10 kg organische koolstof per uur (Bijlage VII, deel 6, onderdeel 1, van de Richtlijn industriële emissies). Ongeveer 3% van de oplosmiddeleninstallaties (15-25 bedrijven) doet aan continu monitoring. Hoewel de Richtlijn industriële emissies dit niet expliciet vereist, is het voor de borging van de kwaliteit en de vergelijkbaarheid noodzakelijk dat de monitoring conform de normen voor kwaliteitsborging uit tabel 5.5 en 5.18 (voor respectievelijk grote stookinstallaties en afval(mee)verbrandingsinstallaties) plaatsvindt.

Dan is er nog een tussengroep van 200 tot 300 oplosmiddeleninstallaties (ongeveer een derde) die periodiek meet (bijlage VII, deel 6, onderdeel 2, bij de Richtlijn industriële emissies). De richtlijn vereist een nadere invulling om de monitoringbepalingen voor oplosmiddeleninstallaties uitvoerbaar te maken. artikel 7 van de Regeling oplosmiddelenboekhouding en metingen VOS-emissies kende daarom ter implementatie van dezelfde bepalingen in de EG-VOS-richtlijn de verwijzing naar paragrafen 3.7.2 tot en met 3.7.4 van de Nederlandse emissierichtlijn lucht. Bij de implementatie van de Richtlijn industriële emissies is gekozen voor een eenvoudiger en transparanter aanpak. De enige vereiste invulling betreft in feite de vaststelling van de frequentie van periodieke metingen. Deze frequentie is conform de Nederlandse emissierichtlijn lucht beleids- en lastenneutraal gezet op eens per drie jaar. Hoewel de Richtlijn industriële emissies dit niet expliciet vereist, is het voor de kwaliteitsborging van de monitoring noodzakelijk dat erkende meetnormen worden gebruikt. Het betreft in dit geval NEN-EN 1352616 voor periodieke monitoring. Om de dezelfde reden is het nodig dat de periodieke metingen door een geaccrediteerde rechtspersoon wordt verricht.

Artikel 2.12

Dit artikel bevat regels over de inachtneming van emissiegrenswaarden en zet artikel 61 in samenhang met Bijlage VII, deel 8, van de Richtlijn industriële emissies om. Deze materie was tot nu toe geregeld in artikel 10, vijfde, zesde en zevende lid van het Oplosmiddelenbesluit.

De tekst van bijlage VII, deel 8, onder 1, aanhef en onder a, van de Richtlijn industriële emissies is onduidelijk door de combinatie van ‘normale omstandigheden’ en ‘normaal bedrijf’. Dit is verduidelijkt.

Onder het in het eerste lid, onder a, van artikel 2.11, genoemde ‘opstarten en stilleggen’ (artikel 57, dertiende lid, Richtlijn industriële emissies) wordt verstaan activiteiten, met uitzondering van regelmatig oscillerende activiteitenfase, die worden uitgevoerd wanneer een activiteit, een deel van de installatie of een reservoir in of buiten bedrijf wordt gesteld of in of uit de onbelaste toestand wordt gebracht.

Artikel 2.13

In dit artikel is bijlage VII, deel 5 bij de Richtlijn industriële emissies omgezet. Het betreft regels over het reductieprogramma. Dit was geregeld in Bijlage IIb bij het Oplosmiddelenbesluit.

Het eerste lid van artikel 2.13 geeft bijlage VII, deel 5, onder 2 a, bij de Richtlijn industriële emissies weer: wanneer de vervangingsproducten met weinig of geen oplosmiddelen nog in ontwikkeling zijn, moet de exploitant extra tijd krijgen om zijn reductieprogramma uit te voeren. Uit een recente uitspraak van de rechtbank Arnhem (Rechtbank Arnhem, 3 mei 2012, 11/3465 PROWT 209) volgt, dat die extra tijd geen tijdelijke vrijstelling van de emissiegrenswaarden of gelijkwaardige emissiereductie via het reductieprogramma inhoudt. Per 31 oktober 2007 moeten zowel nieuwe als bestaande installaties aan de eisen voldoen (artikel 4 EG-VOS-richtlijn en artikel 5 Oplosmiddelenbesluit). De extra tijd geeft flexibiliteit om het reductieprogramma later en desgewenst vaker aan te passen en aan te vullen naar aanleiding van de ontwikkeling en het op de markt komen van vervangingsproducten die weinig of geen oplosmiddelen bevatten.

In het tweede lid van artikel 2.13 gaat over erkende maatregelen. Dit volgt uit de gehanteerde terminologie die in de Activiteitenregeling gebruikelijk is voor erkende maatregelen, namelijk ‘wordt in ieder geval voldaan’.

Het emissiereductieprogramma is een alternatief voor het voldoen aan emissiegrenswaarden. Voorwaarde is dat er een vergelijkbare emissiereductie als bij het toepassen van de toepasselijke emissiegrenswaarden wordt bereikt (zie artikel 59, eerste lid, van de Richtlijn industriële emissie en artikel 2.29 van het besluit). De bewijslast daarvoor ligt bij de drijver van de inrichting. De Richtlijn industriële emissies geeft in bijlage VII, deel 5, aanwijzingen voor de inhoud van het reductieprogramma. De emissiereductie mag ook op een andere wijze gerealiseerd worden, zolang er maar een emissiereductie wordt bereikt die vergelijkbaar is met de emissiereductie bij de toepassing van de diverse emissiegrenswaarden. Deze aanwijzingen voor het emissiereductieprogramma worden beschouwd als erkende maatregelen: indien aan de voorwaarden wordt voldaan, wordt er van uit gegaan dat aan de emissiegrenswaarden wordt voldaan.

Het bevoegd gezag hoeft geen besluit te nemen als het bedrijf kiest voor het reductieprogramma. Het is voldoende dat het bevoegd gezag in het kader van toezicht toetst of het reductieprogramma aan de eisen voldoet (bijlage VII, deel 5, Richtlijn industriële emissies) en de oplosmiddelenboekhouding (artikel 62 en bijlage VII, deel 7, Richtlijn industriële emissies) controleert waaruit de gelijkwaardige emissiereductie moet blijken.

Artikel 2.14

In dit artikel wordt de implementatie van artikel 6, laatste zin, en bijlage VII, deel 7, bij de Richtlijn industriële emissies gerealiseerd. Het betreft regels over de oplosmiddelenboekhouding. artikel 11 van het Oplosmiddelenbesluit regelde dit tot nu toe. De artikelen zijn ten opzichte van het Oplosmiddelenbesluit vereenvoudigd en sluiten zo dicht mogelijk aan bij de richtlijn.

Artikel 2.15

Artikel 2.15 ziet op de controle op de naleving met behulp van de oplosmiddelenboekhouding.

Het zevende lid betreft de omzetting van bijlage VII, deel 7, onder 3, aanhef en onder b, bij de Richtlijn industriële emissies. Wijziging van de ‘apparatuur’ is in de Richtlijn is verduidelijkt: het betreft wijziging van de oplosmiddeleninstallatie.

Het negende lid bevat de omzetting van bijlage VII, deel 7, onder 2 (Definities), bij de Richtlijn industriële emissies. Bij O4 gaat het om de algemene ventilatie van ruimtes, waarbij de lucht via ramen, deuren, luchtafvoerkanalen en soortgelijke openingen in het buitenmilieu terecht komt.

Onderdeel D

Met deze wijzigingsregeling is in de Activiteitenregeling een nieuw hoofdstuk 5, Industriële emissies, opgenomen. Het oude hoofdstuk 5 bevatte nog slechts uitgewerkte bepalingen, zodat hoofdstuk 5 feitelijk leeg was. Achtereenvolgens zijn in hoofdstuk 5 de afdelingen Grote stookinstallatie (5.1.), Afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie (5.2.) en In werking hebben van een installatie voor de productie van titaandioxide (5.3.) opgenomen.

Afdeling 5.1. Grote stookinstallaties

Afdeling 5.1. is onderverdeeld in 4 paragrafen. Paragraaf 5.1.0. betreft de reikwijdte van de afdeling. Paragraaf 5.1.1 regelt de monitoring van emissies, afkomstig van grote stookinstallaties. In deze paragraaf is Bijlage V, deel 3, bij de Richtlijn industriële emissies omgezet. Ten opzichte van hoofdstuk 4 (artikel 30 tot en met 45) van het Besluit emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A (hierna: Bees A) inzake meetmethoden is de tekst vereenvoudigd en is aangesloten bij de richtlijntekst. In de nota van toelichting bij de implementatie-AMvB is een transponeringstabel opgenomen voor alle artikelen afkomstig uit het Bees A.

Artikel 5.1

Het artikel regelt de reikwijdte van afdeling 5.1. De reikwijdte is overeenkomstig de delegatiebepaling die in artikel 5.13 van het Activiteitenbesluit is opgenomen.

Artikel 5.2

Het eerste lid betreft de omzetting van artikel 38, derde lid, van de Richtlijn industriële emissies. Deze bepaling over bemonsterings- en meetpunten richt zich in de richtlijn tot het bevoegd gezag. Dat past niet goed binnen de systematiek van algemene regels die direct op de inrichting van toepassing zijn. Het Bees A kent in plaats daarvan de bepaling dat representatieve metingen worden verricht (artikel 30b) in combinatie met voorgeschreven CEN-, ISO- en NEN-meetnormen. Deze aanpak wordt voortgezet.

In het tweede lid is artikel 38, vierde lid, van de Richtlijn industriële emissies, over de registratie van monitoringresultaten, omgezet.

Artikel 5.3

In het eerste en tweede lid is bijlage V, deel 3, onder 1, bij de Richtlijn industriële emissies omgezet (continue meting van SO2, NOx, CO en totaal stof). Ook een zogenaamd Predictive Emission Monitoring System (PEMS) is continue monitoring als bedoeld in de richtlijn. Randvoorwaarde is dat de kwaliteitsborging volgens NEN-EN 14181 en NTA 7379 plaatsvindt.

Het derde lid bevat de omzetting van bijlage V, deel 3, onder 3, bij de Richtlijn industriële emissies en regelt periodieke metingen voor SO2, NOx, CO en totaal stof. Het betreft een aanpassing van wat voorheen geregeld was in de artikelen 32, 35, derde lid en 43 van het Bees A. De aanpassing betreft de monitoringverplichting voor koolmonoxide.

Het vierde en vijfde lid betreft een lichter monitoringsregime dat in bijlage V, deel 3, onder 2 en 5, bij de Richtlijn industriële emissies is aangegeven voor grote stookinstallaties met een beperkte levensduur en grote stookinstallaties die worden gestookt met aardgas of brandstoffen met een bekend zwavelgehalte. Het betreft geen substantiële wijziging ten opzichte van wat voorheen geregeld was in het Bees A (artikelen 31, tweede lid, 33, 39, derde lid en 43 van het Bees A). De teksten afkomstig uit het Bees A worden wel wat betreft structuur en terminologie meer in lijn gebracht met de Richtlijn industriële emissies.

De oude bepaling die regelde dat een grote stookinstallatie na uiterlijk 10.000 bedrijfsuren definitief buiten gebruik wordt gesteld, is niet overgenomen. Die bepaling komt voort uit de LCP-richtlijn. Die richtlijn verplichtte voor het eerst continue meting voor grote stookinstallaties met een totaal nominaal thermisch ingangsvermogen van minder dan 300 MW. Om te voorkomen dat bijna afgeschreven grote stookinstallaties moesten investeren in nieuwe meetapparatuur kende de LCP-richtlijn deze uitzondering voor grote stookinstallatie die gerekend vanaf 27 november 2002 uiterlijk nog 10.000 uren in bedrijf waren.

De reden voor het niet overnemen van die bepaling is dat er in Nederland geen grote stookinstallaties meer zijn, die periodiek meten en na uiterlijk 10.000 uren uit bedrijf gaan.

De emissies van zwaveldioxide en stof worden in grote mate bepaald door de ingezette brandstof. Bij gebruik van een schone brandstof, zoals aardgas, kunnen de emissies van deze stoffen onder de detectielimiet komen. Een andere meetmethode is daarom nodig. Bijlage V, deel 3, onder 2, bij de Richtlijn industriële emissies geeft de ruimte om periodiek in plaats van continu te meten. Bijlage V, deel 3, onder 5, bij de Richtlijn industriële emissies geeft ruimte om alternatieve monitoringmethoden te kunnen voorschrijven. Bij de implementatie is die ruimte gebruikt om de emissies van zwaveldioxide in een aantal gevallen te bepalen aan de hand van de brandstofkwaliteit in plaats van op basis van emissiemetingen. Deze bepalingen stonden ook in de LCP-richtlijn (Bijlage VIII, onder A, onder 2) en in het Bees A (onder meer de artikelen 33 en 43).

In het zesde lid wordt bijlage V, deel 3, onder 4, bij de Richtlijn industriële emissies (kwikmeting) omgezet. Het betreft een nieuwe bepaling.

Artikel 5.4

Het artikel regelt de meting van zuurstof, temperatuur, druk en waterdamp, hetgeen in Bijlage V, deel 3, onder 7, bij de Richtlijn industriële emissies is vastgelegd. Het betreft een aanpassing van de artikelen 2, 4 en 9 van de Regeling meetmethoden. De artikelen 2 en 4 en respectievelijk de tabellen A en B van de Regeling meetmethoden noemen wel expliciet zuurstof en waterdamp, maar niet temperatuur en druk.

Bij een meting moeten alle procesparameters die noodzakelijk zijn om vast te stellen of aan de toepasselijke emissiegrenswaarde is voldaan, gelijktijdig worden gemeten. Dit geldt voor continue metingen en, hoewel niet expliciet vereist door de richtlijn, ook voor periodieke metingen. De richtlijn vereist wel expliciet dat procesparameters volgens CEN- en ISO-normen of, bij ontbreken daarvan, gelijkwaardige andere normen, worden bepaald. Daartoe zijn in tabel 5.4 bij het eerste lid normen voor het bepalen van procesparameters aangewezen en normen waarvan bepaling van procesparameters onderdeel is (bijvoorbeeld NEN-EN 14181).

In de Richtlijn industriële emissies is de formule voor de herleiding naar de zuurstofgehaltes die horen bij de emissiegrenswaarden wel opgenomen voor afvalverbrandingsinstallaties, maar niet voor grote stookinstallaties. Ook voor grote stookinstallaties is deze formule echter nodig. Daarom is bijlage VI, deel 7, bij de richtlijn die ook voor grote stookinstallaties geïmplementeerd in het derde lid.

Paragraaf 5.1.2 van Afdeling 5.1. regelt de te gebruiken meetnormen en meettechnieken.

Artikel 5.5

In het eerste lid van artikel 5.5 wordt aangegeven welke normen gehanteerd worden voor het meten van emissiegrenswaarden. Welke versie wordt toegepast, is te vinden in artikel 1.2 van de Activiteitenregeling, waarin de betreffende normen zijn gedefinieerd. Voor zover CEN-normen beschikbaar zijn, dient monitoring in overeenstemming met die normen plaats te vinden. Een CEN-norm is een norm die door het CEN, het Europese Comité voor Standaardisatie, is vastgesteld. Het CEN wordt gevormd door de verschillende in de lidstaten van de Europese Gemeenschap gevestigde normalisatie-instituten, waaronder NEN (het Nederlands Normalisatie-instituut) te Delft, en dergelijke instituten in Zwitserland, Noorwegen, IJsland en Kroatië. Die instituten zijn verplicht een door CEN uitgegeven normblad in de plaats te stellen van eventueel eigen uitgegeven normen – in Nederland zijn dat de NEN-normen – die hetzelfde onderwerp regelen als de CEN-normen. De in de plaats van een nationale norm gestelde CEN-norm is in Nederland herkenbaar door de aanduiding ‘NEN-EN’. Indien geen CEN-normen bestaan, moeten ISO-normen, nationale normen of andere internationale normen worden toegepast die waarborgen dat gegevens van een gelijkwaardige wetenschappelijke kwaliteit worden verstrekt. Om aan deze verplichting te voldoen is een aantal NEN normen aangewezen. In plaats daarvan mogen ook gelijkwaardige normen uit andere landen worden gebruikt.

De diverse onderdelen uit de tabel zijn overgenomen uit de Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties A:

  • Meetnormen voor continue metingen

  • Meetnormen voor periodieke metingen

  • Algemene normen voor kwaliteitsborging

Normen worden in de regel eens in de vijf jaar heroverwogen en zo nodig aangevuld en gecorrigeerd. Naar aanleiding hiervan zijn de normen voor de monitoring van luchtemissies in de Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties milieubeheer A eind 2010 geactualiseerd (Stcrt. 2010 nr. 16519). Deze normen komen grotendeels terug in de implementatieregelgeving. De belangrijkste ontwikkeling bij normen voor monitoring van luchtemissies betreft de doorwerking van de Europese aanpak voor continue bedrijfsmeetsystemen waarbij geen meetnormen meer worden voorgeschreven, maar waarbij de NEN-EN 14181 moet worden toegepast voor de kwaliteitsborging van het bedrijfsmeetsysteem. Het aantal normen voor continue metingen is hierdoor sterk teruggebracht. Voor stofmetingen wordt in tabel 5.5 verwezen naar NEN-EN 13284-2, omdat deze norm een uitwerking van de NEN-EN 14181 voor stofmetingen geeft. Voor debietmetingen ontbreekt het aan een Europese uitwerking van NEN-EN 14181 voor debietmetingen. Er wordt op dit moment gewerkt aan een Europese norm voor debiet die ook de berekening van het afgasdebiet mogelijk maakt. In afwachting daarvan wordt geen norm voor debietmetingen opgenomen.

Uit het tweede lid van artikel 5.5 volgt, dat het Besluit bepalingsmethode zwavelgehalte brandstoffen door de Regeling brandstoffen luchtverontreiniging is vervangen.

Artikel 5.6

Het eerste en tweede lid van artikel 5.6 regelen de controle van continue meetsystemen. De bepalingen zijn vereenvoudigd ten opzichte van voorschrift 2.1 van de bijlage bij het Besluit verbranden afvalstoffen, omdat de driejaarlijkse kalibratie is vervallen. Kalibratie blijft verplicht, maar eens per vijf jaar, op grond van NEN-EN 14181. Dit reduceert de administratieve lasten.

Het derde lid betreft de omzetting van bijlage V, deel 3, onder 9, bij de Richtlijn industriële emissies (valideren metingen). Voorheen was dit geregeld in artikel 30c, eerste tot en met vierde lid, van het Bees A. Koolmonoxide is toegevoegd, verder zijn er geen inhoudelijke wijzigingen. In monitoringresultaten zitten onnauwkeurigheden. De Richtlijn industriële emissies geeft in bijlage V, deel 3, onder 9 een marge voor de onnauwkeurigheid: de monitoringresultaten mogen de emissiegrenswaarden met een bepaald percentage overschrijden zonder dat er sprake is van niet-naleving.

Het vierde en vijfde lid betreffen de omzetting van bijlage V, deel 3, onder 10, bij de Richtlijn industriële emissies (gevalideerde uur- en daggemiddelden). De richtlijn bevat op dit punt geen inhoudelijke wijzigingen ten opzichte van de LCP-richtlijn.

Artikel 5.7

Om te kunnen beoordelen of een periodieke meting of een parallelmeting op de juiste wijze en bij een representatieve bedrijfsvoering wordt uitgevoerd, stelt artikel 5.7 eisen die eerder in artikel 30b, 30c, 35 en 42 van Bees A en de artikelen 14 en 15 van de Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties A waren opgenomen.

Een aantal eisen uit artikel 5.7 is niet expliciet in de Richtlijn industriële emissies opgenomen, maar is wel nodig voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de richtlijn.

  • Het uitvoeren van periodieke metingen en parallelmetingen wordt door een geaccrediteerde rechtspersoon uitgevoerd.

  • Het bevoegd gezag wordt van te voren geïnformeerd over periodieke en parallelmetingen.

  • Een periodieke meting bestaat uit een serie van ten minste drie deelmetingen van een half uur. Een parallelmeting duurt een half uur.

Het zevende lid over het verdisconteren van onnauwkeurigheden in de metingen komt direct uit de Richtlijn industriële emissies: bijlage V, deel 3, punt 9 en 10.

Paragraaf 5.1.3 regelt de beoordeling van de naleving van de emissiegrenswaarden. Hierin is Bijlage V, deel 4, bij de Richtlijn industriële emissies (nalevingseisen voor grote stookinstallaties) omgezet door middel van artikel 5.8.

Artikel 5.8

In overeenstemming met artikel 39 en bijlage V, deel 4, van de Richtlijn industriële emissies mag geen maandgemiddelde de toepasselijke emissiegrenswaarde overschrijden. Daarnaast mag op grond van dezelfde bepalingen van de richtlijn geen daggemiddelde 110% van de toepasselijke emissiegrenswaarde overschrijden en mogen 95% van de uurgemiddelden in één jaar niet hoger zijn dan 200% van de toepasselijke emissiegrenswaarden.

De nalevingseisen waren tot nu toe geregeld in artikel 34, eerste tot en met derde lid, artikel 37, vierde tot en met zesde lid, artikel 38, derde tot en met zesde lid, en artikel 40, eerste lid, van het Bees A. Deze bepalingen zijn vereenvoudigd en in lijn met de Richtlijn industriële emissies gebracht. Daarbij zijn de nalevingeisen van 97% van de 48-uurgemiddelden en 100% van de dag- en 24-uurgemiddelden vervallen.

Met betrekking tot het eerste lid moet worden opgemerkt, dat de bijlagen V en VI bij de Richtlijn industriële emissies niet consistent zijn. Bij het meestoken van afval (bijlage VI van de richtlijn) mogen daggemiddelden niet worden overschreden. Bijlage V van de richtlijn betreft grote stookinstallaties en gaat uit van maandgemiddelden.

Bijlage V, deel 4, punt 1, onderdeel c, bij de Richtlijn industriële emissies gaat over installaties met een vermogen kleiner dan 50 MW, die worden gestookt met steenkolen en die door de samentellingsregel van artikel 29 van de richtlijn onder de richtlijn vallen. Voor deze installaties geldt de soepeler nalevingeis van 150% van de daggemiddelden in plaats van 110%. In Nederland komen kleine kolencentrales niet voor. Vergelijkbare installaties gestookt op biomassa vallen onder het BEMS, dat een strengere eis hanteert, namelijk 100% van de daggemiddelden overschrijdt de grenswaarde niet (artikel 3.3.2. van het BEMS) Bij dit onderdeel is ook uitgegaan van onderdeel b: 110% van de daggemiddelden.

In het tweede en derde lid is geregeld, dat bijzondere bedrijfsomstandigheden bij de toetsing van de naleving van de emissiesgrenswaarden, die zijn vastgesteld voor normale bedrijfsomstandigheden, buiten beschouwing mogen worden gelaten. Een voorbeeld van een bijzondere omstandigheid is een periode van opstarten of stilleggen. Op grond van artikel 41, onderdeel a, is door de Commissie het uitvoeringsbesluit voor de toepassing van Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (2012/249/EU) (PbEU L 123) vastgesteld. Het uitvoeringsbesluit staat toe dat andere gelijkwaardige methoden worden gebruikt. Het besluit is vooral relevant voor grote stookinstallaties die bij piekvraag worden ingezet, meestal gasturbines. Bij andere grote stookinstallaties komt opstarten en stilleggen alleen voor bij storingen en onderhoud.

Afdeling 5.2 Afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie

Paragraaf 5.2.1 regelt de monitoring van emissies van afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallaties. Enkele artikelen zijn ten opzichte van paragraaf 2 van de bijlage bij het Bva vereenvoudigd, maar de meeste artikelen zijn hetzelfde.

Artikel 5.9

In dit artikel is het toepassingsbereik van de afdeling geregeld. De reikwijdte is overeenkomstig de delegatiebepaling die in artikel 5.29 van het Activiteitenbesluit is opgenomen.

Artikel 5.10

De artikelen 5.10 en 5.18 regelen de kwaliteitsborging van de monitoring en zetten artikel 48, tweede tot en met vierde lid, bij de Richtlijn industriële emissies en bijlage VI, deel 6, onderdelen 1.1, 1.2 en 1.3 om. artikel 6, eerste lid, van de Regeling lozingen afvalwater van rookgasreiniging is omgeschreven naar een direct werkend voorschrift. De voorschriften 2.1, eerste lid, 2.8, 2.9 en 2.14 uit het Bva, keren hier vrijwel ongewijzigd terug.

Artikel 5.11

Voorschrift 2.2 van de bijlage bij het Bva over continue monitoring is vereenvoudigd in dit artikel. Voor zoutzuur, waterstoffluoride of zwaveldioxide kan de exploitant kiezen voor periodieke monitoring of afzien van monitoring indien hij kan aantonen dat de emissie nooit hoger kan zijn dan de emissiegrenswaarde. Het is de implementatie van bijlage VI, deel 6, onder 2.1a bij de Richtlijn industriële emissies. Het bevoegd gezag kan aanvullende vergunningvoorschriften opnemen met een keuze of nadere invulling.

Voor de emissie van NOx kan worden afgezien van een continue meting indien het een kleine bestaande afvalverbrandingsinstallatie betreft, waarvan de exploitant kan aantonen dat de emissie-eis nooit kan worden overschreden (vierde lid). Het Bva kende deze versoepeling niet. Voor veel installaties geldt echter, dat er een SCR of een SNCR17 is geplaatst om aan de emissie-eis te voldoen. In die gevallen kan niet worden aangetoond dat de emissie-eis nooit zal worden overschreden en zal continue meting van NOx moeten plaatsvinden. De extra kosten hiervan zijn beperkt, omdat voor de regeling van de ammonia(k)ureumdosering al een continu meetsysteem noodzakelijk is. Wanneer zonder nageschakelde techniek aan de emissie-eisen kan worden voldaan, bijvoorbeeld bij homogene vloeibare afvalstoffen in de chemische industrie, faciliteert de aanpassing een verlaging van de monitoringslasten.

Artikel 5.12

Artikel 5.12 betreft de vereenvoudiging van voorschrift 2.3 van de bijlage bij het Bva over de meting van zware metalen, dioxines en furanen. In de Richtlijn industriële emissies gaat het om bijlage VI, deel 6, onder 2.1c. De exploitant kan met een lagere monitoringfrequentie volstaan, indien hij kan aantonen dat door de kwaliteit van het afval en het verbrandingsproces overschrijding van de emissiegrenswaarde is uitgesloten. Het bevoegd gezag kan aanvullende vergunningvoorschriften opnemen over wanneer continue, wanneer periodieke of wanneer geen monitoring plaatsvindt.

Artikel 5.13

Dit artikel over de meting van procesparameters zet bijlage VI, deel 6, onder 2.1b bij de richtlijn om. Dit was tot nu toe geregeld met voorschrift 2.4 van de bijlage bij het Bva. Wanneer de temperatuur van de verbrandingskamer niet dicht bij de binnenwand van de verbrandingskamer kan worden gemeten, mag dit op een andere plaats, op voorwaarde dat de metingen representatief zijn. De bewijslast daarvoor ligt bij de drijver van de afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie.

Artikel 5.14

In dit artikel over de controle van de verblijftijd, de minimumtemperatuur en het zuurstofgehalte is voorschrift 2.5 van de bijlage bij het Bva omgezet (bijlage VI, deel 6, onder 2.2, van de Richtlijn industriële emissies).

Artikel 5.15

Artikel 46, vierde lid, van de Richtlijn industriële emissies over verdiscontering van het effect van afvalwaterzuivering in de emissiemetingen wordt door middel van artikel 5.15 omgezet. De bepaling is afkomstig uit artikel 9 van de RLAR.

Artikel 5.16

Dit artikel over meting van wateremissies is ongewijzigd ten opzichte van artikel 6, onder 2, en artikel 9 van de RLAR; bijlage VI, deel 6, onder 3 van de Richtlijn industriële emissies wordt hier omgezet.

Artikel 5.17

In artikel 5.17 is voorschrift 2.10 van de bijlage bij het Bva inzake de omrekening naar genormaliseerde zuurstofpercentages terug te vinden. Het is de implementatie van bijlage VI, deel 6, onder 2.7, eerste en tweede alinea, bij de Richtlijn industriële emissies. Het tweede en derde lid waren al geregeld in de voorschriften 2.12 en 2.13 van de bijlage bij het Bva.

Paragraaf 5.2.2. schrijft de te gebruiken meetnormen en meettechnieken voor.

Artikel 5.18

Het artikel geeft in tabel 5.18 aan welke normen van toepassing zijn. De normen voor het meten van luchtemissies komen uit de Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen. Deze regeling is eind 2010 geactualiseerd (Stcrt. 2010, nr. 16159).

De normen voor bemonstering en analyse van afvalwater in bijlage 2 van de RLAR zijn geactualiseerd. Naast de aangewezen normen kan gebruik worden gemaakt van zogenaamde koepelnormen. Een koepelnorm is een spoorboekje om tot een keuze te komen van methoden voor het bepalen van de betreffende parameter. Er bestaat een koepelnorm voor de bepaling van metalen en arseen in water; NEN 6953 (Koepelnorm voor de bepaling van het gehalte aan onopgeloste stoffen en droge stof en de gloeiresten daarvan, mei 2010). Er bestaat ook een koepelnorm voor de bepaling van onopgeloste stoffen in milieumonsters; NEN 6499 (Koepelnorm voor de bepaling van geselecteerde elementen in water, december 2005).

Ook voor dioxinen en furanen is aangegeven hoe gemeten moet worden. Dit was al geregeld in bijlage 2, onder 3, eerste en tweede alinea, bij de RLAR.

Artikel 5.19

Het eerste en tweede lid van artikel 5.19 regelen de controle van continue meetsystemen. De bepalingen zijn vereenvoudigd ten opzichte van artikel 30b van het Bees A, omdat de driejaarlijkse kalibratie is vervallen. Kalibratie blijft verplicht, maar eens per vijf jaar, op grond van NEN-EN 14181. Dit reduceert de administratieve lasten.

Grenzen 95%-betrouwbaarheidsintervallen (Bijlage VI, deel 6, punt 1.3)

Totaal stof

Gas- en dampvormige organische stoffen

Waterstofchloride

Waterstoffluoride

Zwaveldioxide

Stikstofoxiden

Koolmonoxide

Minimum daggemiddelden, Bijlage VI, deel 3, onder 1.1 en 1.5 (mg/Nm3)

10

10

10

1

50

200

50

Grenzen 95%-betrouwbaarheidsintervallen, Bijlage VI, deel 6, onder 1.3 – percentages

30%

30%

40%

40%

20%

20%

10%

Grenzen 95%-betrouwbaarheidsintervallen t.o.v. minimum daggemiddelden – absoluut (minimum daggemiddelde x procentuele grens)

3

3

4

0,4

10

40

5

Daggemiddelden Activiteitenbesluit o.b.v. Bva en BREF-doc Afvalverbranding (mg/Nm3)

5

10

8

1

40

180

30

Alternatieve absolute 95%-betrouwbaarheidsintervallen

1,5

3

4

0,4

10

14

5

Het derde lid gaat over de toegestane onnauwkeurigheidsmarges. Monitoringresultaten bevatten onnauwkeurigheden. De Richtlijn industriële emissies geeft in bijlage VI, deel 6, onder 1.3 een marge voor de onnauwkeurigheid: de monitoringresultaten mogen de emissiegrenswaarden met een bepaald percentage overschrijden zonder dat sprake is van niet-naleving. Het percentage is gebaseerd op de vangnetwaarden uit bijlage V, delen 1 en 2 bij de Richtlijn industriële emissies. In de voorschriften zijn de emissiegrenswaarden echter op de emissieniveaus uit de BREF-documenten gebaseerd, die veelal scherper zijn dan de vangnetwaarden. Omdat de richtlijn de toegestane onnauwkeurigheid uitdrukt in een percentage van de emissiegrenswaarden is het onbedoelde effect dat bij een strengere emissiegrenswaarde een kleinere onnauwkeurigheid wordt toegestaan. Dit kan vooral een knelpunt zijn bij koolmonoxide, omdat de toegestane onnauwkeurigheidsmarge slechts 10% bedraagt. Bij de implementatie is dit opgelost door de onnauwkeurigheid niet alleen in een percentage maar ook in een absoluut getal uit te drukken, gebaseerd op de minimumemissiegrenswaarden uit bijlage V, deel 1 en 2.

Het vijfde lid over de bepaling van de totale concentratie van dioxinen en furanen bevat de omzetting van bijlage VI, deel 2, bij de Richtlijn industriële emissies; voorheen was dit geregeld in voorschrift 2.15 van de bijlage bij Bva.

Artikel 5.20

Om te kunnen beoordelen of een periodieke meting of een parallelmeting op de juiste wijze en bij een representatieve bedrijfsvoering wordt uitgevoerd, stelt artikel 5.20 eisen die eerder in voorschrift 2.7 en 2.8 van de bijlage bij het Bva en artikel 13 van de Regeling meetmethoden verbranden afvalstoffen waren opgenomen:

  • Het uitvoeren van periodieke metingen en parallelmetingen wordt door een geaccrediteerde rechtspersoon uitgevoerd.

  • Het bevoegd gezag wordt van te voren geïnformeerd over periodieke en parallelmetingen.

  • Het aantal en de duur van de periodieke en parallelmetingen. De hoeveelheid zware metalen, dioxinen en furanen in de emissies is zeer klein. De bemonsteringsperiode wordt daarom bepaald door de detectiegrens. Voor deze stoffen wordt daarom één deelmeting met een lange bemonsteringsduur aangehouden.

Bovenstaande eisen zijn niet expliciet in de Richtlijn industriële emissies geregeld, maar wel nodig voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de richtlijn.

Paragraaf 5.2.3 regelt de beoordeling van de naleving van emissiegrenswaarden en vormt de omzetting van bijlage VI, deel 8, bij de Richtlijn industriële emissies. De eisen waren in de A-, B-, C-, en D-tabellen van de bijlage bij het Bva verwerkt. Conform bijlage VI, deel 8, bij de Richtlijn industriële emissies zijn de nalevingeisen als aparte voorschriften opgenomen op een vergelijkbare wijze als bij grote stookinstallaties.

Artikel 5.21

Het artikel betreft de naleving van emissiegrenswaarden voor lucht. Bijlage VI, deel 8, onder 1.2, bij de Richtlijn industriële emissies was al terug te vinden in voorschrift 2.6 van de bijlage bij het Bva.

Artikel 5.22

Het artikel betreft de naleving van emissiegrenswaarden voor water en vormt de omzetting van bijlage VI, deel 8, onder 2, bij de Richtlijn industriële emissies. Dit was tot nu toe geregeld in artikel 10 van het RLAR.

Paragraaf 5.2.4 bevat de exploitatievoorwaarden die in artikel 50, eerste tot en met vierde lid, van de Richtlijn industriële emissies zijn vastgelegd. Deze bepalingen waren voorheen geregeld in de voorschriften 3.1 tot en met 3.6 van de bijlage bij het Bva.

Artikel 5.23

Artikel 5.23 bevat erkende maatregelen, dat wil zeggen dat andere maatregelen zijn toegestaan, mits aan het doelvoorschrift wordt voldaan. Dat betreft in dit geval de beperking van het ontstaan en de schadelijkheid van residuen en het zoveel mogelijk recyclen van residuen (artikel 5.18 van het Activiteitenbesluit en artikel 53 van de Richtlijn industriële emissies). Het betreft eisen aan het asgehalte, de verbrandingstemperatuur, de uitrusting met hulpbranders en het stopzetten van de afvalaanvoer als de vereiste temperatuur niet wordt bereikt of gehandhaafd. Het Besluit zwavelgehalte brandstoffen is vervangen door het Besluit brandstoffen luchtverontreiniging. De verwijzing naar de definitie van gasolie in voorschrift 3.3 in de bijlage bij het Bva is bij de omzetting geactualiseerd.

Artikel 5.24

Artikel 5.24 zet artikel 50, vierde lid, onder c, van de richtlijn om. Dit voorschrift over stopzetten van de afvalaanvoer bij storingen in de afgasreinigingsapparatuur is een verplichte maatregel.

Paragraaf 5.2.5 betreft de overige voorwaarden voor het in werking hebben van een afvalverbrandings- of afvalmeeverbrandingsinstallatie.

Artikel 5.25

Artikel 53, tweede en derde lid van de Richtlijn industriële emissies is in artikel 5.23 omgezet. Dit was al geregeld in voorschrift 3.11 van de bijlage bij het Bva. Het betreft eisen aan het vervoer, de opslag en het onderzoek naar de kwaliteit van verbrandingsresiduen.

Artikel 5.26

Het artikel zet artikel 50, zesde lid van de Richtlijn industriële emissies om. Dit was geregeld in voorschrift 3.9 van de bijlage bij Bva.

Artikel 5.27

Hier wordt het zevende lid van artikel 50 van de Richtlijn industriële emissies omgezet. Voorschrift 3.10 van de bijlage bij Bva regelde deze materie voorheen. Dit voorschrift beoogt te bewerkstelligen dat de feitelijke leiding van de verbrandingsinstallatie in handen is van een persoon die ter zake deskundig en bekwaam (competent) is. De in de richtlijn gebruikte term «bevoegd» moet ook zodanig worden gelezen.

Artikel 5.28

Artikel 5.28 betreft de omzetting van artikel 46, vijfde lid, eerste alinea, van de Richtlijn industriële emissies.

Artikel 5.29

Voorheen was hetgeen in artikel 5.29 is geregeld al opgenomen in in voorschrift 3.12 van de bijlage bij Bva; het betreft de omzetting van de eerste en tweede alinea van artikel 46, vijfde lid van de Richtlijn industriële emissies.

Afdeling 5.3 In werking hebben van een installatie voor de productie van titaandioxide

Afdeling 5.3 is onderverdeeld in een paragraaf monitoring van emissies (5.3.1 met de artikelen 5.30 tot en met 5.34) en een paragraaf meettechnieken (5.3.2 met de artikelen 5.31 tot en met 5.36).

Artikel 5.30

Dit artikel regelt het toepassingbereik van afdeling 5.3. De reikwijdte is overeenkomstig de delegatiebepaling die in artikel 5.38 van het Activiteitenbesluit is opgenomen.

Artikel 5.31

Naar analogie van de bepalingen voor grote stookinstallaties en afvalverbrandings- en afvalmeeverbrandingsinstallaties is ook ten aanzien van installaties voor de productie van titaandioxide bepaald dat metingen representatief moeten en hoe de metingen moeten worden geregistreerd, verwerkt en gepresenteerd. artikel 70, eerste en tweede lid, van de Richtlijn industriële emissies is hier omgezet. Vergelijk de artikelen 5.2 en 5.10 (nieuw) van de Activiteitenregeling.

Artikel 5.32

Ook hier geldt dat een zogenaamd Predictive Emission Monitoring System (PEMS) een vorm van continue monitoring is als bedoeld in de Richtlijn industriële emissies (zie ook artikel 5.3 (nieuw) van de Activiteitenregeling). Randvoorwaarde is dat de kwaliteitsborging volgens NEN-EN 14181 plaatsvindt.

Artikel 5.33

Dit artikel zet bijlage VIII, deel 3, bij de Richtlijn industriële emissies, over monitoring van wateremissies, om. De monitoringeisen van bijlage III van de Regeling grenswaarden lozingen sulfaat en chloride titaandioxide-industrie zijn geactualiseerd en vereenvoudigd. Ten opzichte van de richtlijn zijn de monitoringeisen voor lozingen minimaal ingevuld, zodat de algemene opdracht van artikel 70, eerste lid, van de richtlijn die inhoudt dat emissies naar water gemeten moeten worden, uitvoerbaar is, zonder dat extra lasten ontstaan.

Artikel 5.34

Het artikel heeft geen directe basis in de Richtlijn industriële emissies. Echter, door middel van dit artikel is de inhoud van artikel 7 van het Besluit emissie-eisen titaandioxide-inrichtingen over jaarlijkse rapportage van de titaandioxideproductie behouden, ten behoeve van de controle van emissiegrenswaarden, uitgedrukt in emissie per ton geproduceerde titaandioxide die conform het BREF-document Anorganische bulkchemie in de artikelen 5.33 tot en met 5.37 van het Activiteitenbesluit zijn opgenomen.

Artikel 5.35

Het artikel bevat de te hanteren meetnormen en implementeert bijlage VIII, deel 3, bij de Richtlijn industriële emissies. De normen van bijlage III bij de Regeling grenswaarden lozingen sulfaat en chloride titaandioxide-industrie zijn geactualiseerd en daarmee in overeenstemming gebracht met artikel 70, derde lid, van de richtlijn.

Artikel 5.36

Artikel 5.36 stelt kwaliteitseisen aan de monitoring. Deze eisen zijn niet direct vereist door de Richtlijn industriële emissies, maar zijn wel noodzakelijk voor een handhaafbare omzetting.

Artikel II

Onderdeel A

De terminologie van artikel 4.1, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling omgevingsrecht (Mor) wordt aangepast, niet zozeer aan de tekst van artikel 12 van de Richtlijn industriële emissies (aanvraag van een vergunning), maar gelet op artikelen 28 en 29 van die richtlijn. Informatie in de aanvraag over het totaal nominaal ingangsthermisch vermogen is (onder meer) van belang om te bepalen of sprake is van een IPPC-installatie en zo ja, of deze onder paragraaf 5.1 van het Activiteitenbesluit valt, waarin het BREF-document Grote stookinstallaties en de minimumeisen voor grote stookinstallaties uit hoofdstuk III van de Richtlijn industriële emissies zijn geïmplementeerd.

Onderdeel B

Door middel van deze wijziging worden artikel 12, eerste lid, onder e, en artikel 23, tweede lid, van de Richtlijn industriële emissies omgezet. Het betreft een rapport over de toestand van de bodem dat bij de vergunningaanvraag moet worden gevoegd wanneer een activiteit gepaard kan gaan met het gebruik, de productie of de uitstoot van stoffen met risico’s voor bodem en grondwater: het nulsituatierapport. Alleen bij risico’s is een nulsituatierapport vereist. In andere gevallen kunnen aanvrager en bevoegd gezag op grond van artikel 4.4, eerste lid, van het BOR ervan af zien, omdat het rapport dan namelijk niet nodig is ‘voor het nemen van de beslissing op de aanvraag’.

De indieningvereisten voor een oprichtingsvergunning zijn op grond van artikel 4.17 van de MOR van overeenkomstige toepassing voor een veranderingsvergunning. Hierdoor is de omzetting verzekerd van het vereiste uit artikel 23, eerste lid, van de Richtlijn industriële emissies, dat de exploitant van een bestaande IPPC-installatie, bij de eerste vergunningactualisatie na inwerkingtreding van de richtlijn, een nulsituatierapport opstelt. Ook bij de aanvraag van de veranderingsvergunning geldt dat het nulsituatierapport alleen een indieningvereiste is, als het rapport nodig is voor de beslissing op de aanvraag. Als er geen risico’s zijn of als eerder een nulsituatierapport is opgesteld dat nog actueel is, behoeft geen nulsituatierapport te worden ingediend.

Het in het eerste lid van artikel 4.3 van de MOR bedoelde rapport heeft niet de strekking die nodig is voor de omzetting van de richtlijnbepaling, maar betreft de omzetting van artikel 5.5 uit het Inrichtingen- en vergunningenbesluit dat bij de invoering van de Wabo is overgezet naar de Mor. Deze bepaling dient om eventuele bodemverontreiniging voor de start van de activiteit vast te stellen in verband met risico’s voor mens en milieu en zo nodig te saneren of de locatie bereikbaar te houden voor sanering. Het nulsituatierapport dat de richtlijn vereist is praktijk in Nederland. Het wordt tot nu toe met vergunningvoorschriften geëist op grond van de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming18. Als een activiteit niet vergunningplichtig is, maar wel risico’s voor bodem en grondwater heeft, is een nulsituatierapport in artikel 2.11 van het Activiteitenbesluit voorgeschreven. In het tweede lid van artikel 4.3, dat ter implementatie van de richtlijn wordt toegevoegd, wordt naar artikel 2.11 Activiteitenbesluit verwezen.

Voor het onderzoek worden de Nederlandse normen NEN 5725 en NEN 5740 gehanteerd. Hiermee is verzekerd dat het nulsituatierapport de in artikel 23, tweede lid, van de Richtlijn industriële emissies vereiste informatie bevat, zijnde:

  • informatie over het huidige en, indien beschikbaar, eerdere gebruik van het terrein;

  • indien beschikbaar, bestaande informatie over bodem- en grondwatermetingen die de toestand weergeven op het tijdstip van opstelling van het rapport, of anders nieuwe bodem- en grondwatermetingen met het oog op de mogelijkheid van bodem- en grondwaterverontreiniging door de gevaarlijke stoffen die door de betrokken installatie moeten worden gebruikt of geproduceerd of zijn vrijgekomen.

Onderdeel C

Aangezien het Bva wordt ingetrokken en vervangen door paragraaf 5.2 van het Activiteitenbesluit, wordt de verwijzing naar het Bva in de Mor dienovereenkomstig aangepast. Verder is de verwijzing naar de Europese afvalstoffenlijst geactualiseerd en is de verwijzing naar de met de Richtlijn industriële emissies ingetrokken Afvalverbrandingrichtlijn geschrapt.

Onderdeel D

Artikel 4.14 van de regeling implementeerde artikel 6 van de LCP-richtlijn dat de opdracht gaf de haalbaarheid van warmtekrachtkoppeling (WKK) te onderzoeken. WKK heeft een betere energie-efficiëntie. Deze bepaling keert niet terug in de Richtlijn industriële emissies. Daarom vervalt artikel 4.14. Ter stimulering van WKK is een aparte Europese richtlijn vastgesteld (richtlijn 2004/8/EG19, geïmplementeerd in de Elektriciteitswet). Voorts wordt WKK gestimuleerd via het systeem van handel in broeikasgasemissierechten (ETS), een systeem waaraan alle grote stookinstallaties deelnemen.

Het vrijgevallen artikelnummer is ingevuld met een verplichting voor de aanvrager van een omgevingsvergunning om voor specifieke grote stookinstallaties, dat wil zeggen met een nominaal elektrisch vermogen van 300 MW of meer, bij de aanvraag informatie te verstrekken over de mogelijkheid voor de afvang en geologische opslag van kooldioxide. Hiermee is artikel 36, eerste lid, van de richtlijn omgezet, oorspronkelijk afkomstig uit artikel 33 van Richtlijn 2009/31/EG betreffende de geologische opslag van kooldioxide, voorheen geïmplementeerd in artikel 10d van Bees A.

Onderdeel E

De aanvulling van artikel 9.2 van de MOR betreft de uitvoering van artikel 5.5, vierde lid, sub a, onder 2°, van het BOR, en ziet op de implementatie van artikel 16, eerste lid, van de Richtlijn industriële emissies: ook voor de monitoringeisen geldt dat deze gebaseerd dienen te zijn op de desbetreffende BBT-conclusies. Zie voor een begripsbepaling van ‘BBT-conclusies’ artikel 1.1 van het BOR.

Het tweede en derde lid – evenals tabel 1 van de bijlage – van artikel 9.2 MOR vervallen, aangezien artikel 13 van de Richtlijn industriële emissies een procedure tot vaststelling en bekendmaking van BBT-conclusies bevat. Gedurende de periode dat voor de desbetreffende activiteiten (stookinstallaties, afval- en afvalmeeverbranding, gebruik van oplosmiddelen, productie van titaandioxide) nog geen (nieuwe) BBT-conclusies conform de procedure van artikel 13 van de richtlijn zijn vastgesteld, gelden de BBT-conclusies, die vermeld stonden in tabel 1 van bijlage 1 bij de MOR, zoals deze luidde voor inwerkingtreding van deze wijzigingsregeling. De betreffende BBT-conclusies worden via internet bekend gemaakt20, totdat deze zijn vervangen door actuele BBT-conclusies. Voor die nieuwe BBT-conclusies zorgt de Europese Commissie zelf voor publicatie op internet.

Onderdeel F

Artikel 9.3 MOR regelt dat ook andere technieken dan die genoemd in de BREF-documenten mogen worden gebruikt, mits een gelijk milieubeschermingsniveau wordt geboden. Het vormt de omzetting van artikel 14, vijfde lid van de Richtlijn industriële emissies.

Artikel 9.4 zet artikel 14, eerste lid, sub c en d, en 15, derde lid, van de Richtlijn industriële emissies om. artikel 9.4, tweede lid onder a, 3o, bevat de implementatie van artikel 14, eerste lid, onder d, sub ii, van de Richtlijn industriële emissies. De nadere regels over beste beschikbare technieken bevatten de mogelijkheid andere technieken te gebruiken dan waarop de BBT-conclusies zijn gebaseerd, mits een vergelijkbaar milieubeschermingsniveau wordt bereikt (artikel 14, vijfde lid, van de Richtlijn industriële emissies). Ook wordt de mogelijkheid geboden emissiegrenswaarden in andere waarden, perioden en referentieomstandigheden uit te drukken dan de emissieniveaus uit de BBT-conclusies. Er is daarbij geen sprake van afwijking van de BBT-conclusies, bedoeld in artikel 5.4, zevende lid, mits de resultaten van de emissiemonitoring, teruggerekend naar de waarden, perioden en referentieomstandigheden uit de BBT-conclusies, de emissieniveaus uit diezelfde BBT-conclusies niet overschrijden.

Onderdeel G

Artikel 23 van de Richtlijn industriële emissies bevat een uitgebreide regeling over milieu-inspecties. Deze bepaling is deels geïmplementeerd in de kwaliteitscriteria voor een doelmatige handhaving ex artikel 5.3 Wabo, neergelegd in hoofdstuk 7 van het BOR (vooral de artikelen 7.2 (handhavingbeleid), 7.3 (uitvoeringsprogramma) en 7.6 (monitoring)) en in paragraaf 10.1 van de MOR.

Ter implementatie van artikel 23 van de Richtlijn industriële emissies volstaat daarom een enkele kleine aanvulling van laatstgenoemde regeling, vooral waar de richtlijn enkele concrete, specifieke toezichteisen stelt ten aanzien van IPPC-installaties die een verbijzondering vormen van de regels in artikel 10.3 van de MOR. Voor nadere informatie over de implementatie van artikel 23 (in zijn geheel) wordt kortheidshalve verwezen naar de implementatietabel bij de implementatie-AMvB.

De eerste verbijzondering betreft de minimumfrequentie voor controlebezoeken, die in het vierde lid van artikel 23 van de richtlijn wordt voorgeschreven. De bepaling van artikel 10.3, derde lid, onder b, MOR, laat die frequentie open en wordt daarom specifiek met betrekking tot het toezicht op IPPC-installaties aangevuld.

In deze bepaling zijn de onderdelen a tot en met c uit artikel 23, vierde lid, meegenomen, die invulling geven aan de vraag waaruit een ‘systematisch evaluatie van de milieurisico’s’ dient te bestaan. Die term is niet zelf in de tekst van artikel 10.3 opgenomen, aangezien de analyse, bedoeld in artikel 10.3, eerste lid, een dergelijke evaluatie omvat. Het betrekken van zorgsystemen bij inspecties, waartoe de richtlijn expliciet ruimte gaat bieden, sluit aan bij systeemgericht toezicht of risicogebaseerd toezicht dat steeds meer overheden toepassen.

Het in bedrijf hebben van een ‘gecertificeerd milieuzorgsysteem’ wordt uitdrukkelijk onderkend als een relevante factor bij het bepalen van de controlefrequentie. De tekst van de richtlijn refereert hier uitdrukkelijk aan de zogenaamde EMAS-verordening.21

De tweede verbijzondering betreft een regeling van een aantal andere controlemomenten bij IPPC-installaties, ter implementatie van artikel 23, vierde en vijfde lid:

  • een controle naar aanleiding van een klacht of incident, en

  • een hercontrole binnen zes maanden na een eerder geconstateerde overtreding.

Tenslotte wordt artikel 10.3 aangevuld met een derde verbijzondering: de verplichting tot het opstellen, toezenden en openbaar maken van een controleverslag (artikel 23, zesde lid, van de richtlijn). Die verplichting komt voort uit de in het Verdrag van Aarhus opgenomen verplichting tot openbaarmaking van milieu-informatie en uit richtlijn 2003/4/EG inzake de toegang tot milieu-informatie22. Inspectieverslagen vallen niet onder de categorie milieu-informatie die actief openbaar moet worden gemaakt, zoals regelgeving, vergunningen, plannen, emissierapportages en onderzoeken naar de kwaliteit van het milieu. Alleen onderdelen uit het verslag die bedrijfsgeheimen bevatten, behoeven – met toepassing van de regeling van hoofdstuk 19 van de Wet milieubeheer – niet openbaar te worden gemaakt.

Onderdeel H

Tabel 1 van Bijlage I bij de MOR bevat een overzicht van de aangewezen BREF-documenten; wijziging of vaststelling van nieuwe BREF-documenten werd gepubliceerd in de Staatscourant door wijziging van deze tabel weer te geven, en op internet. Nu deze BBT-conclusies voortaan formeel worden vastgesteld als gevolg van artikel 13, vijfde lid, van de Richtlijn industriële emissies, kan tabel 1 van Bijlage 1 vervallen. Zie ook de toelichting bij onderdeel E.

Tabel 2 van bijlage 1 bij de Regeling omgevingsrecht bevat een lijst van thans algemeen in Nederland toegepaste richtlijnen die kunnen worden aangemerkt als een adequate en actuele invulling van beste beschikbare technieken (BBT), zoals de PGS-richtlijnen en de Nederlandse Richtlijn Bodembescherming. Het bevoegd gezag houdt rekening met deze documenten bij de verlening van omgevings- en watervergunningen. Voor inrichtingen die onder de Richtlijn industriële emissies vallen, worden deze documenten toegepast in aanvulling op of als nadere uitwerking van de voor die inrichtingen van toepassing zijnde BREF-documenten. De tabel wordt geactualiseerd naar aanleiding van het verschijnen, vervallen of herzien van BBT documenten. De tabel is op 1 januari 2012 voor het laatst gewijzigd (Stcrt. 2011 nr. 19329). In het kader van de implementatie van de Richtlijn industriële emissies is de lijst opnieuw geactualiseerd.

De volgende publicaties uit de publicatiereeks gevaarlijke stoffen zijn geactualiseerd:

  • PGS 8: Organische peroxiden: Opslag

  • PGS 15 Opslag van verpakte gevaarlijke stoffen

  • PGS 25 Aardgas-afleverinstallaties voor motorvoertuigen;

  • PGS 28 Vloeibare brandstoffen – ondergrondse tankinstallaties en afleverinstallaties;

  • PGS 30 Vloeibare brandstoffen – bovengrondse tankinstallaties en afleverinstallaties.

Onderstaande documenten zijn verouderd en worden niet meer aangewezen. Actuele beste beschikbare technieken zijn opgenomen in algemene regels, met name het Activiteitenbesluit, en in BREF-documenten. Daarnaast wordt ondersteunende informatie voor vergunningverlening beschikbaar gesteld via www.infomil.nl en www.helpdeskwater.nl:

  • Circulaire energie in de milieuvergunning;

  • Afvalwaterproblematiek van champignonteeltbedrijven;

  • Afvalwaterproblematiek glastuinbouw;

  • Afvalwaterproblematiek van landbouwloonbedrijven;

  • Recirculatie drainagewater van grondgebonden glastuinbouwbedrijven;

  • Afvalwaterproblematiek van witloftrekkerijen;

  • Afvalwaterproblematiek boomteelt en vaste plantenteelt;

  • Aansluiten glastuinbouw op de riolering;

  • Waterverontreinigingsproblematiek bij het stralen en conserveren bij scheepswerven voor beroepsvaart en grote jachten;

  • Afvalwaterproblematiek bij vatenwasserijen;

  • Handboek Wvo-vergunningverlening;

  • Standaardisatie Wvo-vergunningen.

Op 28 februari 2012 heeft de Europese Commissie de BBT-conclusies inzake de productie van glas en voor de ijzer- en staalproductie vastgesteld (PbEU 2012 L70). Hierdoor zijn de Oplegnotities BREF Glasproducerende industrie en IJzer- en staalproducerende industrie achterhaald. Deze worden niet langer aangewezen.

Tenslotte zijn de volgende actualisaties doorgevoerd:

  • In juli 2012 is de Nederlandse emissierichtlijn lucht (NeR) geactualiseerd. Het jaar van uitgifte is aangepast.

  • De geactualiseerde Nederlandse Richtlijn Bodembescherming is aangewezen.

  • De vindplaats van de publicaties van de Commissie Integraal Waterbeheer (CIW) is gewijzigd in www.helpdeswater.nl/ciw .

Artikel III

De wijziging van de Waterregeling vloeit voort uit het onderdeel betreffende installaties voor de productie van titaandioxide in de richtlijn.

Artikel IV

Bijlage I bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening en PRTR en PRTR-protocol wordt aangepast aan de rapportageverplichtingen voor grote stookinstallaties in artikel 72, derde lid, van de Richtlijn industriële emissies. artikel 72 van de richtlijn actualiseert en verduidelijkt artikel 3 en bijlage VIII, punt B en C, bij de LCP-richtlijn.

Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in bijlage I en II bij de Uitvoeringsregeling EG-verordening en PRTR en PRTR-protocol ook enkele redactionele verbeteringen door te voeren:

  • In de ‘emissietabel verbrandingsemissies’ zijn de termen en categorieën stookinstallaties in overeenstemming gebracht met de richtlijn. Rapportage van de productie wordt vervangen door rapportage van het totaal nominaal thermisch ingangsvermogen. Verder dient de datum waarop de stookinstallatie in bedrijf is gesteld te worden vermeld. Dit laatste is relevant, omdat voor bestaande installaties soepeler emissiegrenswaarden kunnen gelden. Bij brandstofsoort is een verwijzing naar de ‘Nederlandse lijst van energiedragers en standaard CO2 emissiefactoren’ opgenomen, zodat voor de rapportages ten behoeve van het Kyoto-protocol en artikel 72, derde lid, van de Richtlijn industriële emissies dezelfde brandstofomschrijvingen worden gehanteerd;

  • In bijlage I en II zijn in de tabellen met algemene gegevens Wet milieubeheer en Wet verontreinigingen oppervlaktewateren vervangen door respectievelijk Wabo en de Waterwet;

  • In de tabellen over emissies naar water is de omschrijving van directe en indirecte wateremissies verduidelijkt.

De feitelijke rapportage doen bedrijven via het elektronische milieujaarverslag. Deze internet-applicatie is vanaf het verslagjaar 2013 aangepast aan het nieuwe format.

Artikel V

Een aantal ministeriële regelingen wordt ingetrokken aangezien met deze wijzigingsregeling de inhoud van die regelingen in de Activiteitenregeling is opgenomen.

De Richtlijn industriële emissies trekt de LCP-richtlijn met ingang van 1 januari 2016 in (artikel 81, tweede lid, van de Richtlijn industriële emissies). Vanaf 7 januari 2013 mogen er geen vergunningen meer afgegeven worden op grond van de LCP-richtlijn (artikel 30, tweede en derde lid, van de Richtlijn industriële emissies). De richtlijn bepaalt dat bestaande stookinstallaties, waarvoor vergunningen zijn verleend vóór 7 januari 2013 of een ontvankelijke aanvraag om vergunning is ingediend en die uiterlijk één jaar daarna in gebruik is genomen, tot 1 januari 2016 onder de werking van de LCP-richtlijn blijven vallen. Dit is geïmplementeerd door te bepalen dat paragraaf 5.1 van het Activiteitenbesluit pas van toepassing is op deze bestaande stookinstallaties vanaf 1 januari 2016 (artikel 5.14 van het Activiteitenbesluit). Tevens is in het Bees A bepaald dat het Bees A niet van toepassing is op grote stookinstallaties waarop paragraaf 5.1 van het Activiteitenbesluit van toepassing is. Dit heeft tot gevolg dat het Bees A en ook de Regeling meetmethoden emissie-eisen stookinstallaties Milieubeheer A 2005 tot 1 januari 2016 van toepassing blijven op bestaande grote stookinstallaties.

Artikel VI

Vanwege de vaste verandermomenten is de datum van inwerkingtreding gepland op 1 januari 2013. Het volgen van vaste verandermomenten is bij de implementatie van Europese regelgeving weliswaar niet verplicht, maar nu een datum (1 januari 2013) die als vast verandermoment geldt slechts enkele dagen eerder valt dan de eigenlijke implementatiedatum op basis van de richtlijn (7 januari 2013) wordt daarin geen belemmering gezien.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, J.J. Atsma.


X Noot
1

Nederlandse norm voor Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van vooronderzoek bij verkennend en nader onderzoek.

X Noot
2

Nederlandse norm voor Bodem – Landbodem – Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek – Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond.

X Noot
3

Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (herschikking) (PbEU 2010 L334).

X Noot
4

Kamerstukken II, 2011/12, 33 197, nr. 2.

X Noot
5

Het (Engelse) acroniem IPPC staat voor ‘integrated pollution prevention and control’. Richtlijn nr. 2008/1/EG is de gecodificeerde versie van de oorspronkelijke IPPC-richtlijn, nr. 96/61/EG met een viertal latere wijzigingen.

X Noot
6

LCP=Large Combustion Plants; Richtlijn nr. 2001/80/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2001 inzake de beperking van de emissies van bepaalde verontreinigende stoffen in de lucht door grote stookinstallaties (PbEU 2001 L309); Gewijzigd met Richtlijn 2009/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende de geologische opslag van kooldioxide en tot wijziging van Richtlijn 85/337/EEG van de Raad, de Richtlijnen 2000/60/EG, 2001/80/EG, 2004/35/EG, 2006/12/EG en 2008/1/EG en Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad (PbEU 2009 L 140).

X Noot
7

Richtlijn nr. 2000/76/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 december 2000 betreffende de verbranding van afval (PbEU 2000 L 332).

X Noot
8

Richtlijn nr. 1999/13/EG van de Raad inzake de beperking van de emissie van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen bij bepaalde werkzaamheden en in installaties (PbEU 1999 L 5); Gewijzigd met: Richtlijn 2008/112/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot wijziging van de Richtlijnen 76/768/EEG, 88/378/EEG en 1999/13/EG van de Raad en de Richtlijnen 2000/53/EG, 2002/96/EG en 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde ze aan te passen aan Verordening (EG) nr. 1272/2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels (PbEU 2008 L 345).

Richtlijn 2004/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 inzake de beperking van emissies van vluchtige organische stoffen ten gevolge van het gebruik van organische oplosmiddelen in bepaalde verven en vernissen en producten voor het overspuiten van voertuigen, en tot wijziging van Richtlijn 1999/13/EG (PbEU 2004 L 143).

X Noot
9

Richtlijn nr. 78/176/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 20 februari 1978 betreffende de afvalstoffen afkomstig van de titaandioxide-industrie, (PbEU 1978 L 58); Richtlijn nr. 82/883/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 3 december 1982 betreffende de voorschriften voor het toezicht op en de controle van de milieus die betrokken zijn bij lozingen van de titaandioxide-industrie (PbEU 1982 L 378); Richtlijn nr. 92/112/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 15 december 1992 tot vaststelling van de procedure voor de harmonisatie van de programma's tot vermindering en uiteindelijke algehele opheffing van de verontreiniging door afval van de titaandioxide-industrie (PbEU 1992 L 409).

X Noot
10

Ca. 3000 bedrijven die vallen onder de IPPC-richtlijn, ca. 200 extra onder Hst. II Richtlijn industriële emissies en ca. 800 bedrijven die vallen onder de EG-VOS-richtlijn/Hst. V Richtlijn industriële emissies.

X Noot
11

Artikel 13, vijfde lid, van de richtlijn schrijft voor dat BBT-conclusies worden vastgesteld met een uitvoeringsbesluit op grond van artikel 291 van het Verdrag betreffende de Werking van de Europese Unie en Verordening (EU) nr. 182/2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van die uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PbEU L55).

X Noot
12

De eerste uitvoeringsbesluiten van de Europese Commissie over vaststelling van BBT-conclusies op grond van artikel 13, vijfde lid, van de richtlijn zijn inmiddels gepubliceerd. Het betreft BBT-conclusies voor de productie van glas en ijzer- en staalproductie (respectievelijk 2012/134/EU, PbEU L70 en 2012/135/EU, PbEU L70).

X Noot
14

Administratieve en bestuurlijke lasten Richtlijn industriële emissies. SIRA Consulting, Nieuwegein, 27 juni 2011.

X Noot
15

Zie 4.5.7, blz. 272 BREF Grote stookinstallaties.

X Noot
16

Emissies van stationaire bronnen – Bepaling van de massaconcentratie van totaal gasvormig organisch koolstof in verbrandingsgassen uit processen waar oplosmiddelen gebruikt worden – Continue methode met vlamionisatiedetector.

X Noot
17

Selective Catalytic Reduction en Selective Non-Catalytic Reduction, twee technieken om emissies van stikstofoxiden te verminderen.

X Noot
18

NRB, http://www.agentschapnl.nl/onderwerp/nederlandse-richtlijn-bodembescherming, BBT-document aangewezen in Bijlage 1 van de MOR.

X Noot
19

Richtlijn 2004/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 inzake de bevordering van warmtekrachtkoppeling op basis van de vraag naar nuttige warmte binnen de interne energiemarkt en tot wijziging van Richtlijn 92/42/EEG.

X Noot
21

Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 inzake de vrijwillige deelneming van organisaties aan een communautair milieubeheer- en milieuauditsysteem (PbEU L 342). Zie ter informatie ook http://www.sccm.nl/emas.html .

X Noot
22

Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PbEU L41/26).

Naar boven