Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2011, 9427Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 25 mei 2011, nr. WJZ / 11069086, houdende wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energie en de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie;

Gelet op de artikelen 3, zesde lid, 56, derde lid, 62, vierde lid, 63, tweede lid, 68, vierde lid, en 70, tweede lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie;

Besluit:

ARTIKEL I

De Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt ‘de Minister van Economische Zaken’ vervangen door: de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

2. In onderdeel f wordt ‘, de productie van hernieuwbaar gas of het opwekken van elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling’ vervangen door: of de productie van hernieuwbaar gas.

3. In onderdeel g wordt ‘, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling’ vervangen door: of hernieuwbaar gas.

4. Onder vervanging van de punt aan het slot van onderdeel g door een puntkomma, worden drie onderdelen toegevoegd, luidende:

  • h. richtlijn hernieuwbare energie: richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140);

  • i. groen gas hub: een verzameling van productie-installaties voor de productie van hernieuwbaar gas waarvoor voor de invoeding van het hernieuwbaar gas op een gasnet gezamenlijk een of meerdere aansluitingen worden gebruikt;

  • j. NTA 8003: 2008: de Nederlandse Technische Afspraak 8003, Classificatie van biomassa voor energietoepassing, uitgegeven door het Nederlands Normalisatie-instituut, zoals deze luidde op 31 december 2008.

B

In paragraaf 2 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 2

Het plan, bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel d, van het besluit bevat in ieder geval een uitgewerkt tijdschema betreffende de ingebruikname van de productie-installatie dat de volgende gedateerde ijkmomenten bevat:

  • a. het verstrekken van de opdrachten voor de levering van onderdelen voor en voor de bouw van de productie-installatie;

  • b. de aanvang van de bouw van de productie-installatie;

  • c. de aanvang van de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbaar gas;

  • d. de datum waarop de periode waarover subsidie wordt verstrekt moet aanvangen.

C

Artikel 3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De subsidie-ontvanger verstrekt de opdrachten, bedoeld in artikel 2, onderdeel a, binnen een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening en zendt een afschrift aan de Minister.

2. In het tweede lid wordt ‘halfjaarlijks’ vervangen door jaarlijks.

D

In artikel 4 wordt ‘hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewerkt door middel van warmtekrachtkoppeling’ vervangen door: hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbaar gas.

E

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt ‘hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling’ vervangen door: hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbaar gas.

2. Onder vernummering van het tweede en derde lid tot vijfde en zesde lid, worden drie leden ingevoegd, luidende:

  • 2. Indien aan een subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft waarin door middel van thermische conversie vloeibare biomassa wordt omgezet in hernieuwbare elektriciteit uitsluitend subsidie wordt verstrekt voor zover de subsidie-ontvanger aantoont dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie, toont de subsidie-ontvanger dit aan middels de verklaring, bedoeld in het eerste lid, of middels voor de geproduceerde hernieuwbare elektriciteit geboekte garanties van oorsprong als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel x, van de Elektriciteitswet 1998.

  • 3. Een subsidie-ontvanger kan aantonen dat vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid van de richtlijn hernieuwbare energie door:

    • a. aan te tonen dat voor de gebruikte vloeibare biomassa die vervaardigd is uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen, een standaardwaarde voor de broeikasgasemissiereductie met betrekking tot de productieketen is vastgesteld in bijlage V van de richtlijn hernieuwbare energie of

    • b. dit aan te tonen middels certificaten op basis van een certificeringssysteem dat accuraat is bevonden door de Europese Commissie op grond van artikel 18, vierde lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

  • 4. Tot het moment dat een certificeringssysteem als bedoeld in het derde lid, onderdeel b, beschikbaar is, worden certificeringssystemen die ter toetsing zijn voorgelegd aan de Europese Commissie geacht certificeringssystemen als bedoeld in het derde lid te zijn.

F

Na artikel 7 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 7a

  • 1. Een subsidie-ontvanger wiens productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas onderdeel is van een groen gas hub draagt er zorg voor dat het aandeel van de productie-installatie in de totale productie van de groen gas hub gemeten wordt door:

    • a. het volume te meten volgens de methode van de Meetvoorwaarden Gas – RNB;

    • b. het methaangehalte of de calorische waarde van een productie-installatie met een productiecapaciteit die groter is dan genoemd in kolom 1 en kleiner is dan of gelijk is aan genoemd in kolom 2 ten minste elke 15 minuten te meten met een maximale onnauwkeurigheid genoemd in kolom 3.

    Kolom 1

    Kolom 2

    Kolom 3

    0 Nm3/uur

    40 Nm3/uur

    5,3%

    40 Nm3/uur

    200 Nm3/uur

    3,2%

    200 Nm3/uur

    1200 Nm3/uur

    1,3%

    1200 Nm3/uur

    onbepaald

    1,0%

  • 2. De metingen, bedoeld in het eerste lid, worden gedaan op de grens tussen de productie-installatie en de gedeelde voorzieningen van de groen gas hub.

  • 3. De subsidie-ontvanger draagt er zorg voor dat de metingen, bedoeld in het eerste lid, bij alle productie-installaties die onderdeel zijn van de groen gas hub worden gedaan.

  • 4. Het aantal Nm3 aardgasequivalent dat voor subsidie in aanmerking komt wordt per productie-installatie van een groen gas hub bepaald door het totaal aantal Nm3 aardgasequivalent dat door de groen gas hub wordt ingevoed op een gastransportnet als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel d, van de Gaswet naar rato van de geleverde energie, uitgedrukt in methaangehalte of calorische waarde, over de productie-installaties die onderdeel zijn van de groen gas hub te verdelen.

Artikel 7b

Indien een subsidie-ontvanger aan wie subsidie is verstrekt voor een productie-installatie die geen onderdeel is van een groen gas hub, onderdeel gaat uitmaken van een groen gas hub, meldt de subsidie-ontvanger dit vooraf aan de Minister. Vanaf het moment dat de productie-installatie onderdeel uitmaakt van een groen gas hub is artikel 7a van toepassing.

G

Artikel 8, eerste lid, vervalt, onder vernummering van het tweede tot en met vierde lid tot eerste tot en met derde lid.

H

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste tot en met derde lid komen te luiden:

  • 1. Het in artikel 68, eerste lid, van het besluit bedoelde maandelijkse bedrag bedraagt één-twaalfde van 80% van het product van:

    • a. de in beschikking tot subsidieverlening voor het betreffende kalenderjaar opgenomen maximum productie, en

    • b. het voor de subsidie-ontvanger geldende:

      • 1°. basisbedrag, of bij toepassing van artikel 11, derde lid, onderdeel c, of 28, derde lid, onderdeel c, van het besluit het basisbedrag behorende bij het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen rendement, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, zesde lid, of 31, vijfde lid, van het besluit, of

      • 2°. het tenderbedrag verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 22, zesde lid, of 39, vijfde lid, van het besluit.

  • 2. Het in artikel 68, eerste lid, van het besluit bedoelde jaarlijkse bedrag bedraagt 80% van het product van:

    • a. de in beschikking tot subsidieverlening voor het betreffende kalenderjaar opgenomen maximum productie, en

    • b. het voor de subsidie-ontvanger geldende:

      • 1°. basisbedrag, of bij toepassing van artikel 11, derde lid, onderdeel c, of 28, derde lid, onderdeel c, van het besluit het basisbedrag behorende bij het in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen rendement, verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, zesde lid, of 31, vijfde lid, van het besluit, of

      • 2°. het tenderbedrag verminderd met de bij ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 22, zesde lid, of 39, vijfde lid, van het besluit.

  • 3. Het in artikel 68, derde lid, van het besluit bedoelde maandelijkse bedrag bedraagt 80% van één-twaalfde van het product van:

    • a. de in beschikking tot subsidieverlening voor het betreffende kalenderjaar opgenomen maximum productie, en

    • b. het voor de subsidie-ontvanger geldende subsidiebedrag op grond van de artikelen 45 en 47 van het besluit.

2. In het vijfde lid, onderdeel b, wordt ‘hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewerkt door middel van warmtekrachtkoppeling’ vervangen door: hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbaar gas.

I

Artikel 11, eerste lid, onderdeel c, vervalt, onder vervanging van ‘; of’ door een punt aan het slot van onderdeel b.

J

In artikel 12, vierde lid, vervalt ‘of, in geval van warmtekrachtkoppeling, in de productie van elektriciteit en warmte’.

K

Artikel 14 komt te luiden:

Artikel 14

  • 1. In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers aan wie subsidie is verstrekt op grond van:

    • a. artikel 29, eerste lid, onderdeel b, of 42, eerste lid, onderdeel b, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2008,

    • b. artikel 29, eerste lid, onderdeel b, of 51, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009 of

    • c. artikel 29, eerste lid, onderdeel b, of 54, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010,

    met ingang van 1 juli 2011 ten hoogste 50 procent van de massa die wordt vergist laten bestaan uit biomassastromen als bedoeld in de NTA 8003:2008, met uitzondering van de nummers 410, 420, 500, 550 tot en met 559.

  • 2. In aanvulling op de voor de subsidieverstrekking toegestane biomassastromen kunnen subsidie-ontvangers aan wie subsidie is verstrekt op grond van:

    • a. artikel 29, eerste lid, onderdeel c, of 51, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009 of

    • b. artikel 29, eerste lid, onderdeel c, of 54, eerste lid, onderdeel c, van de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2010,

    met ingang van 1 juli 2011 biomassastromen als bedoeld in de NTA 8003:2008: 430, 587 en 592 gebruiken.

L

De bijlagen worden als volgt gewijzigd:

1. Bijlage 1 behorende bij artikel 3, derde lid, wordt vervangen door bijlage 1 behorende bij deze regeling.

2. Bijlage 2 behorende bij artikel 6, eerste lid, wordt vervangen door bijlage 2 behorende bij deze regeling.

3. Bijlage 3 behorende bij artikel 7, vierde lid, wordt vervangen door bijlage 3 behorende bij deze regeling.

4. Bijlage 4 behorende bij artikel 8, eerste lid, vervalt.

5. Bijlage 5 behorende bij artikel 10 wordt vervangen door bijlage 4 behorende bij deze regeling.

ARTIKEL II

De Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, onderdeel v, onder 3, punt iv, vervalt, onder vernummering van punten v tot en met vii tot iv tot en met vi.

B

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid vervalt ‘of een veelvoud daarvan’.

2. Het zesde lid vervalt.

C

In artikel 12a, eerste lid, wordt na ‘een assurancerapport’ ingevoegd: van een externe accountant.

D

Artikel 13, derde lid, tweede en derde volzin, worden vervangen door:

Indien de producent hieraan geen gehoor geeft, boekt de garantiebeheerinstantie garanties van oorsprong af met toepassing van de in het tweede lid opgenomen formule.

E

Voor artikel 19 wordt een artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 18

Een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, beschikt uiterlijk 1 januari 2012 over een meetprotocol, dat voldoet aan de meetvoorwaarden, opgenomen in bijlage 4, en dat is goedgekeurd door een toegelaten meetbedrijf. Indien de producent voor de kalenderjaren voor 2012 geen meetrapport als bedoeld in artikel 12, tweede lid, kan overleggen is artikel 12a van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat het assurancerapport over het kalenderjaar 2010 uiterlijk 1 oktober 2011 wordt overgelegd.

F

De bijlagen worden als volgt gewijzigd:

1. Bijlage 1 behorende bij artikel 1b, eerste lid, onderdeel a, wordt vervangen door bijlage 5 behorende bij deze regeling.

2. Bijlage 2 behorende bij artikel 2, eerste lid, wordt vervangen door bijlage 6 behorende bij deze regeling.

3. Bijlage 5 behorende bij artikel 12a, eerste lid, wordt vervangen door bijlage 7 behorende bij deze regeling.

ARTIKEL III

Artikel II van de Regeling van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 7 december 2010, nr. WJZ/10164638, tot wijziging van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit ter implementatie van richtlijn 2009/28/EG en in verband met wijzigingen van biomassaverklaringen (Stcrt. 19956) vervalt.

ARTIKEL IV

Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 juli 2011.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

Den Haag, 25 mei 2011

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M.J.M. Verhagen.

BIJLAGE 1 BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL L, VAN DE REGELING VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE VAN 25 MEI 2011, NR. WJZ / 11069086, HOUDENDE WIJZIGING VAN DE ALGEMENE UITVOERINGSREGELING STIMULERING DUURZAME ENERGIE EN DE REGELING GARANTIES VAN OORSPRONG VOOR DUURZAME ELEKTRICITEIT

Bijlage 1 behorende bij artikel 3, derde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE)

Accountantsverklaring

Bijlage 1 behorende bij artikel 3, derde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Dit formulier is te vinden op www.agentschapnl.nl/sde

Dit formulier is verstrekt door en moet worden ingediend bij:

Agentschap NL

NL Energie en Klimaat

Postbus 10073

8000 GB Zwolle

T. (088) 602 34 50

Bezoekadres

Agentschap NL

Hanzelaan 310

8017 JK Zwolle

T. (088) 602 30 00 (receptie)

Toelichting

Met dit formulier kan de accountant een verklaring afgeven zoals bedoeld in artikel 3, derde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie. Dit betreft een overzicht van de investeringskosten en de overige subsidies en steunsituatie. Dit laatste is noodzakelijk in verband met de EU-steunregels ten behoeve van het milieu (EU-Milieu Steun Kader). Deze accountantsverklaring is nodig wanneer aan de subsidie-ontvanger op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie een subsidie is verstrekt van meer dan € 125.000,–.

De accountantsverklaring moet worden opgestuurd naar Agentschap NL binnen een jaar na ingebruikname van de productie-installatie voor hernieuwbare energie.

In dit document is ook het controleprotocol opgenomen.

Waar u schrijfruimte tekort komt, mag u een bijlage toevoegen.

MODEL ACCOUNTANTSVERKLARING
TEN BEHOEVE VAN HET MINISTERIE VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE
Opdracht

Wij hebben het bijgevoegde overzicht van investeringskosten en de steunsituatie van [.....naam aanvrager.....] te [.....statutaire vestigingsplaats.....] gewaarmerkt en gecontroleerd.

Voor de gesubsidieerde activiteiten is met aanvraagnummer [.....nr.....] bij brief van [.....datum.....] met kenmerk [.....kenmerk.....] door de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie een subsidie verleend. Deze subsidie is verleend in het kader van de SDE.

Het overzicht van de investeringskosten en steunsituatie is opgesteld onder verantwoordelijkheid van de leiding van [.....naam huishouding.....]

Werkzaamheden

Onze controle is verricht in overeenstemming met de algemeen aanvaarde richtlijnen met betrekking tot controleopdrachten. Volgens deze richtlijnen dient onze controle zodanig te worden gepland en uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de aanvraag geen onjuistheden van materieel belang bevat.

Een controle omvat onder meer een onderzoek (eventueel door middel van deelwaarnemingen) naar de gegevens in de aanvraag met betrekking tot de steunsituatie van het project en het bijgevoegde overzicht van investeringskosten. De controle is uitgevoerd met inachtneming van het bij deze verklaring behorende controleprotocol. Tevens omvat de controle de beoordeling dat de investeringskosten voldoen aan de eisen zoals opgenomen in artikel 36 van Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001 C37).

Wij zijn van mening dat onze controle een deugdelijke grondslag vormt voor ons oordeel.

Oordeel

Wij zijn van oordeel dat de verstrekte informatie voldoet aan de daaraan te stellen eisen. [.....c.q. andere oordelen.....].

Ondergetekende, [naam, titel], verklaart dat de investeringskosten van de gesubsidieerde activiteiten gevestigd te [.....], locatiegegevens van de installatie [....], in totaal EUR [.....]. hebben bedragen.

Toelichtende paragraaf

[.....indien van toepassing toelichting op de verklaring en eventuele specifieke bevindingen.....]

Ondertekening door accountant

Plaats en datum:

Naam accountantskantoor:

Vestigingsplaats:

Telefoonnummer:

Naam accountant (RA/AA):

Inschrijfnummer NOVAA of NIVRA:

Ondertekening:

CONTROLE-PROTOCOL
1. Doelstelling

Dit controleprotocol heeft als doel het geven van aanwijzingen aan de accountant, die is belast met de controle van de door de subsidieontvanger aan de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (El&I)) te verstrekken onderbouwing van de investeringskosten en de steunsituatie ingevolge de algemene uitvoeringsregels voor de subsidieverstrekking op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE).

De controle kan worden uitgevoerd door een registeraccountant (RA) of een accountant-administratieconsulent (AA). De gevraagde verklaring kan ook worden verstrekt door een niet als openbaar accountant optredende intern accountant.

2. Toleranties en gewenste zekerheid

Voor de strekking van de accountantsverklaring, goedkeurend, met beperking, afkeurend of oordeelonthouding, zijn de volgende toleranties bepalend:

 

Procentuele onjuistheden

(in de verantwoording)

Procentuele onzekerheden

(in de controle)

 

Goedkeuring

Beperking

Afkeuring

Goedkeuring

Beperking

Oordeelonthouding

uitkomst van de controle in een percentage van de projectkosten

< 1

≥ 1 en < 3

≥ 3

< 3

≥ 3 en < 10

≥ 10

Deze toleranties zijn gebaseerd op percentages die gelden voor de financiële verantwoording van departementen, op grond van de richtlijnen van het Interdepartementaal Overleg Departementale Accountantsdiensten.

Gewenste mate van zekerheid

De accountantscontrole verschafteen redelijke mate van zekerheid aan de gebruiker van de verklaring. Volgens de richtlijnen voor de accountantscontrole betekent dit dat de accountant een (relatief) hoge, maar geen absolute mate van zekerheid verschaft. Indien dit begrip ten behoeve van het gebruik van statistische technieken moet worden gekwantificeerd, dan dient een betrouwbaarheid van 95% te worden gehanteerd.

Omgaan met geconstateerde fouten

Inzake het omgaan met geconstateerde fouten geldt de gedragslijn, dat geconstateerde fouten, die invloed hebben op de omvang van de subsidie van EL&I en die herstelbaar zijn, moeten worden gecorrigeerd. Dat geldt ook voor fouten waarbij de tolerantiegrens niet wordt overschreden. De niet herstelde fouten wegen mee in de oordeelsvorming over de aanvraag.

3. Reikwijdte en intensiteit van de accountantscontrole

Dit controleprotocol dient om de reikwijdte en het object van de accountantscontrole nader aan te geven. Niet beoogd wordt een aanpak van de accountantscontrole voor te schrijven. Veelal zal de accountant zich immers bij zijn controle baseren op een (risico)analyse van de administratieve organisatie en interne controle bij de te controleren subsidie-ontvanger en op basis daarvan komen tot een optimale afweging van de in te zetten controlemiddelen.

Bij de controle wordt vastgesteld, dat de vermelde investeringskosten juist zijn. Er wordt nagegaan of er ook andere subsidies (steunsituatie) zijn verkregen. Hieronder zijn nadere aanwijzingen voor de controle verstrekt.

De accountant controleert of de aanvraag voldoet aan de volgende eisen:

  • De investeringskosten zijn gemaakt en daadwerkelijk betaald en zijn rechtstreeks toe te rekenen aan het project ter zake waarvan subsidie is verleend;

  • De bij de aanvraag verstrekte informatie omtrent de door andere bestuursorganen of door de Commissie van de Europese Gemeenschappen verstrekte subsidies (en indien van toepassing bijdragen van andere derden) ter zake van de kosten van de gesubsidieerde activiteiten is juist en volledig weergegeven;

  • De verstrekte informatie over het al dan niet in aftrek kunnen brengen van de BTW is juist.

4. Review van de accountantscontrole

De auditdienst van het Ministerie van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie kan een review uitvoeren op de uitgevoerde accountantscontrole inzake deze subsidie. De accountant, die de controle uitvoert, verstrekt de auditdienst desgevraagd alle inlichtingen en bescheiden op een wijze zoals deze dienst dat gewenst acht. De eventuele extra kosten van de externe accountant van de subsidieontvanger in verband met de review zijn voor rekening van de subsidieontvanger.

5. Verslaglegging

De accountant legt de uitkomsten van de controle vast in een accountantsverklaring. Voor deze verklaring dient de tekst te worden gehanteerd conform de model verklaring.

Naast zijn oordeel over de financiële verantwoording vermeldt de accountant in een toelichtende paragraaf eventuele specifieke bevindingen, die naar het oordeel van de accountant van belang (kunnen) zijn voor de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie.

BIJLAGE 2 BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL L, VAN DE REGELING VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE VAN 25 MEI 2011, NR. WJZ / 11069086, HOUDENDE WIJZIGING VAN DE ALGEMENE UITVOERINGSREGELING STIMULERING DUURZAME ENERGIE EN DE REGELING GARANTIES VAN OORSPRONG VOOR DUURZAME ELEKTRICITEIT

Bijlage 2 behorende bij artikel 6, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE)

Jaarlijkse rapportage duurzaamheid biomassa

Bijlage 2 behorende bij artikel 6, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Dit formulier is te vinden op www.agentschapnl.nl/sde

Dit formulier is verstrekt door en moet worden ingediend bij:

Agentschap NL

NL Energie en Klimaat

Postbus 10073

8000 GB Zwolle

T. (088) 602 34 50

Bezoekadres

Agentschap NL

Hanzelaan 310

8017 JK Zwolle

T. (088) 602 30 00 (receptie)

Toelichting

In dit formulier geeft u aan welke biomassastromen het afgelopen jaar gebruikt zijn in uw productie-installatie voor hernieuwbare energie. Deze verplichting staat in artikel 6, eerste lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

De rapportage duurzaamheid biomassa moet per productie-installatie ingevuld worden en wordt per installatie van de organisatie openbaar gemaakt op de website www.agentschapnl.nl/sde. Persoonsgegevens (anders dan de naam en plaats van de onderneming en het type installatie) en de kolom met de hoeveelheden in ton worden niet op de website vermeld.

De rapportage wordt gebruikt voor controle of de gebruikte biomassastromen overeenkomen met de voorwaarden van de SDE en om overeenkomstig artikel 6, zesde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie openbaar te maken welke biomassastromen worden ingezet.

Waar u schrijfruimte tekort komt mag u een bijlage toevoegen.

Het formulier moet worden ingediend binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarover gerapporteerd wordt. Dit formulier voor de duurzaamheid van de gebruikte biomassa moet alleen ingevuld worden indien die verplichting vermeld is in de SDE-beschikking.

1. Gegevens aanvrager

a. Naam organisatie:

 

b. Ondernemingsvorm1 :

 

c. Vertegenwoordigd door:

(m/v)

d. Functie:

 

e. Adres:

 

f. Postcode en plaats:

 

g. Postbusnummer:

 

h. Postcode en plaats:

 

i. Land:

 

j. Telefoonnummer:

 

k. E-mailadres:

 
2. Gegevens contactpersoon (indien afwijkend van onder 1 ingevulde gegevens)

a. Naam organisatie:

 

b. Naam contactpersoon:

(m/v)

c. Functie:

 

d. Adres:

 

e. Postcode en plaats:

 

f. Land:

 

g. Telefoonnummer(s):

 

h. E-mailadres:

 
3. Dossiergegevens

a. Kenmerk subsidietoezegging:

 

b. EAN-code van het aansluitpunt:2

□□□□□□□□□□□□□□□□□□

c. Kalenderjaar van de verklaring:

20□□

d. Categorie duurzame energieproductie/type productie-installatie:

 

Duurzaamheidscriteria vloeibare biomassa thermische conversie

Voor productie-installaties met een beschikking voor SDE-subsidie uit de SDE-ronde 2011 of later, moet worden aangetoond dat de gebruikte vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, van richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU L 140) (richtlijn hernieuwbare energie). Deze verplichting geldt dus niet voor vergisters of productie-installaties voor louter vaste biomassa en niet voor productie-installaties met een SDE-beschikking van voor de SDE-ronde 2011.

   

e. Heeft u een SDE-beschikking uit de SDE-ronde 2011 of later voor thermische conversie van biomassa en heeft u vloeibare biomassastromen gebruikt?

□ ja

□ nee

Indien ‘nee’, ga door met onderdeel 4 van deze rapportage.

Als u vraag 3e met ‘ja’ heeft beantwoord dient u aan te tonen dat de vloeibare biomassa voldoet aan de duurzaamheidscriteria. Dit kunt u doen middels certificaten op basis van een certificeringssysteem dat accuraat is bevonden door de Europese Commissie op grond van artikel 18, vierde lid, van de richtlijn hernieuwbare energie. Of, als dergelijke accuraat bevonden certificeringssystemen nog niet beschikbaar zijn, een certificeringsysteem dat ter toetsing is voorgelegd aan de Europese Commissie. U dient de certificaten mee te sturen met deze rapportage, tenzij de afgegeven certificaten reeds staan vermeld op de voor de geproduceerde elektriciteit geboekte garanties van oorsprong.

Indien de gebruikte vloeibare biomassa vervaardigd is uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen en in bijlage V van de richtlijn hernieuwbare energie voor de betreffende soort biomassa een standaardwaarde is vastgesteld, kunt u volstaan met in tabel 1, onder Certificering ‘bijlage V’ invullen en in het veld ‘Opmerkingen’ de vastgestelde standaardwaarde invullen.

4. Dossiergegevens

De volgende tabel kunt u ook als een bijlage meesturen. Op de website www.agentschapnl.nl/sde is deze tabel ook digitaal beschikbaar. Afgezien van de kolom over de hoeveelheden in ton wordt deze tabel samen met de naam van de organisatie, de locatie/naam en plaats van het project, de categorie van de duurzame energieproductie en het rapportagejaar openbaar gemaakt op www.agentschapnl.nl/sde.

Tabel 1. Totaaloverzicht duurzaamheid gebruikte biomassa

Grondstof

Hoeveelheid

(ton)

Aandeel

(massa %)

Herkomstland

Hoofdproduct of bijproduct

Certificering

Opmerkingen

             
             
             
             
             
             
             
             

Totaal:

 

100%

       

Toelichting op de tabel

Grondstof

De biomassa inputstroom. Tabel 2 op bladzijde 6 geeft een overzicht met mogelijke invulwaarden.

Hoeveelheid

Hier vult u de hoeveelheid tonnen biomassa in, die gedurende het rapportagejaar gebruikt is voor de productie van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbaar gas.

 

Deze kolom wordt niet openbaar gemaakt.

Aandeel

Hier vult u het massapercentage van die grondstof in ten opzichte van de totale inzet van de biomassa, dus de hoeveelheid tonnen per jaar uit de vorige kolom gedeeld door het totaal van de vorige kolom. De som van de massapercentages (T2) moet 100% zijn.

Herkomstland

Dit is het land van herkomst van de grondstof, dus waar de grondstof is geproduceerd of geteeld. Bij primaire en secundaire bijproducten zoals kokosnootschillen is het land van herkomst het land waar de kokosnoot is gegroeid.

Hoofd- of bijproduct

Hierin geeft u aan of de grondstof een hoofdproduct is, een primair, secundair of tertiair bijproduct of onbekend. Op pagina 7 van dit formulier wordt een verdere uitleg gegeven.

Certificering

Als u gebruik maakt van gecertificeerde biomassa dan verzoeken wij u dat hier aan te geven. Tabel 3, op pagina 8 geeft een overzicht van mogelijke certificeringsschema’s en bijbehorende afkortingen.

Opmerkingen

Ruimte voor overige relevante informatie, bijvoorbeeld verdere specificatie van de grondstof of andere duurzaamheidsinformatie.

Administratieve batches van grondstoffen (hoeveelheid product met identieke eigenschappen qua grondstof, land van oorsprong en productiestandaard) mogen in één regel worden samengevoegd. Er mogen meerdere fysieke ladingen van dezelfde grondstof uit hetzelfde land en met dezelfde productiestandaard bij elkaar opgeteld worden. Dus verschillende porties van een bepaalde grondstof met dezelfde productiestandaard en land van herkomst mogen in één regel worden samengevoegd.

Tabel 2. Grondstofsoorten en indeling in hoofd- of bijproduct

Grondstof

Hoofdproduct of bijproduct

Pluimveemest, rundermest, varkensmest, overige mest

Secundair bijproduct

Maïs

Nagenoeg altijd hoofdproduct

Tarwe

Nagenoeg altijd hoofdproduct

Overig graan of overige gewassen

Nagenoeg altijd hoofdproduct

Reststoffen VGI: reststoffen uit de voedings- en genotsmiddelenindustrie niet zijnde plantaardige of dierlijke oliën of vetten

Secundair bijproduct

Plantaardige vetten of oliën: specificeer in rapportage

Afhankelijk van situatie

Dierlijke vetten of oliën

Afhankelijk van situatie

Veilingafval, tuinbouwafval, fruitteeltrestproduct, bloembollenpelsel

Primair bijproduct

Restproducten uit land- en tuinbouw, zoals doppen

Primair/secundair bijproduct

Slib

Tertiair bijproduct

Restproduct biotransportbrandstoffen zoals bostels, oliezadenmeel/schroot) niet zijnde glycerine of vetzuren

Secundair Bijproduct

Gras

Primair bijproduct

Zetmeel

Kan secundair/tertiair bijproduct zijn

Bieten

Hele biet: meestal hoofdproduct

Bietenpunten: primair bijproduct

Aardappelen

Hele aardappel: meestal hoofdproduct

GFT: Groente Fruit en Tuinafval/organisch afval van huishoudens en bedrijven

Secundair/tertiair bijproduct

Glycerine (niet van petrochemische origine)

Secundair bijproduct

Vetzuren, die vrijkomen bij de raffinage van oliën

Secundair bijproduct

Papier

Secundair/tertiair bijproduct

Slachtbijproducten, diermeel

Secundair bijproduct

Zaagsel

Secundair bijproduct

Vers (primair) hout, inclusief de boomstam zelf

Nagenoeg altijd hoofdproduct

Vers resthout/vers snoeihout/park- of plantsoenhout

Primair bijproduct

Grondstof

Hoofdproduct of bijproduct

Schors

Primair bijproduct

Gebruikt onbehandeld hout, Gebruikt geverfd of verlijmd hout, Gebruikt geïmpregneerd hout, Hout uit verwerking1

Tertiair bijproduct

Overig hout

Afhankelijk van situatie

Stro

Primair bijproduct

Overige vaste biomassa; specificeer in rapportage

Afhankelijk van situatie

Overige biomassa; specificeer in rapportage

Afhankelijk van situatie

X Noot
1

Voor definities en omschrijvingen: zie ook NTA 8003:2008.

Hoofdproduct en bijproducten

In de rapportageverplichting wordt onderscheid gemaakt tussen hoofdproducten en bijproducten.

Hoofdproduct:

Alle biomassastromen die geen bijproduct zijn. Over het algemeen is de hoofdteelt de (belangrijkste) reden waarvoor het gewas of de biomassastroom is geteeld of geproduceerd. Het hoofdproduct heeft meestal meer dan 50% van de economische waarde op de plaats waar zij ontstaat.

 

Bij bijproducten wordt een onderscheid gemaakt tussen primaire, secundaire en tertiaire bijproducten:

Primair:

Producten die als natuurlijke bodemverbeteraar kunnen dienen en een economische waarde hebben van minder dan 10% van de waarde van de oogst in zijn geheel op het moment dat deze de boerderij verlaat.

Secundair:

Producten die een economische waarde hebben van minder dan 10% van de totale waarde van het product dat de fabriek verlaat. Hierbij moet het bijproduct fundamenteel verschillen van het hoofdproduct . Raffinagefracties worden niet als een bijproduct beschouwd.

Tertiair:

Gebruikte producten die een economische waarde hebben van minder dan 25% van de waarde van hetzelfde product in ongebruikte vorm. Afvalstromen, zoals calamiteitenoogst, vallen tevens onder deze categorie.

In tabel 2 is aangegeven wat voorbeelden van bijproducten zijn. Indien dit afhankelijk is van de situatie moet u zelf aangeven op basis van bovenstaande omschrijving wat van toepassing is.

Indien het een hoofdproduct is vult u in hoofdproduct.

Heeft u problemen met het invullen van deze tabel of de definities? Neem dan contact op met de helpdesk: T. 088-602 34 50 (op werkdagen van 8.30–12.00 uur).

Certificeringsschema’s

In tabel 3 is een aantal certificeringsschema’s aangegeven voor biomassa. Indien de door u gebruikte biomassa voorzien is van een dergelijk certificaat kunt u dat aangeven in tabel 1. Ook eventuele andere certificering voor de duurzaamheid van de biomassa kunt u in tabel 1 aangeven.

Tabel 3. Voorbeelden van productiestandaarden

Standaard

Afkorting

Duurzame biomassa voor energie standaarden

 

NTA8080

NTA8080

International Sustainability & Carbon Certification

ISCC

Red Cert certification system

REDcert

Green Gold Label

GGL

Labor Elec

Laborelec

Algemene Landbouw standaarden

 

GlobalGAP

GlobalGAP

Linking Environment and Farming Marque

LEAF

Sustainable Agriculture Network/Rainforest Alliance

SAN/RA

Assured Combinable Crops Scheme

ACCS

International Federation of Organic Agriculture Movements

IFOAM

Sociale standaarden

 

Social Accountability 8000

SA 8000

Houtstandaarden

 

American Tree Farm System

ATFS

Forest Stewardship Council

FSC

Pan European Forest Certification

PEFC

Canadian Standards Association Sustainable Forestry Management

CSA-SFM

Sustainable Forest Initiative

SFI

Finnish Forest Certification System

FFCS

In de rapportageverplichting wordt gevraagd of uw biomassa voor duurzaamheid gecertificeerd is. Indien een biomassastroom een ander duurzaamheidscertificaat heeft kunt u deze invullen. Het duurzaamheidsniveau dat wordt gewaarborgd varieert per standaard. Over dit duurzaamheidsniveau wordt hier geen uitspraak gedaan. Bij tabel 1 kunt u de afkortingen invullen.

5. Ondertekening

Dit formulier moet worden ondertekend door de aanvrager. Indien dit formulier wordt ondertekend door een ander dan de aanvrager moet een machtiging van de aanvrager worden bijgevoegd.

Aldus naar waarheid ingevuld,

   

Naam ondertekenaar:

O Dhr. O Mw.

Plaats:

 

Datum:

 

Handtekening:

 

Controleer voordat u de rapportage verstuurt of:

  • Het formulier volledig is ingevuld;

  • Het formulier is ondertekend met een originele handtekening;

  • Het formulier vergezeld gaat van een goedkeurende accountantsverklaring waarin wordt verklaard dat de gegevens, zoals deze zijn vermeld in het onderhavige formulier, correct zijn;

  • (Indien van toepassing:) het formulier vergezeld gaat van duurzaamheidscertificaten waarmee wordt aangetoond dat de vloeibare biomassa die gebruikt wordt om door middel van thermische conversie hernieuwbare elektriciteit te produceren, voldoet aan de duurzaamheidscriteria, bedoeld in artikel 17, eerste lid, van de richtlijn hernieuwbare energie.

BIJLAGE 3 BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL L, VAN DE REGELING VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE VAN 25 MEI 2011, NR. WJZ / 11069086, HOUDENDE WIJZIGING VAN DE ALGEMENE UITVOERINGSREGELING STIMULERING DUURZAME ENERGIE EN DE REGELING GARANTIES VAN OORSPRONG VOOR DUURZAME ELEKTRICITEIT

Bijlage 3 behorende bij artikel 7, vierde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE)

Jaarlijkse biomassaverklaring bij de productie van hernieuwbaar gas

Bijlage 3 behorende bij artikel 7, vierde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Dit formulier is te vinden op www.agentschapnl.nl/sde

Dit formulier is verstrekt door en moet worden ingediend bij:

Agentschap NL

NL Energie en Klimaat

Postbus 10073

8000 GB Zwolle

T. (088) 602 34 50

Bezoekadres

Agentschap NL

Hanzelaan 310

8017 JK Zwolle

T. (088) 602 30 00 (receptie)

Toelichting

In dit formulier verklaart de producent van hernieuwbaar gas dat uitsluitend biomassastromen zijn gebruikt die zijn toegestaan voor de categorie productie-installaties waar SDE-subsidie is ontvangen. Deze verplichting is omschreven in artikel 7, vierde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie. Dit formulier wordt alleen gebruikt indien de subsidieontvanger niet nader hoeft te rapporteren over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa als aangegeven in artikel 6 eerste lid. In dat geval moet worden gerapporteerd met het formulier ‘jaarlijkse rapportage duurzaamheid biomassa’. Ook dat formulier is te vinden op www.agentschapnl.nl/sde.

Deze verklaring moet worden ingediend binnen drie maanden na afloop van het kalenderjaar waarover voorschotten zijn uitbetaald.

Deze biomassaverklaring bij de productie van hernieuwbaar gas moet per productie-installatie worden ingevuld.

Waar u schrijfruimte tekort komt mag u een bijlage toevoegen.

1. Gegevens aanvrager

a. Naam organisatie:

 

b. Ondernemingsvorm1 :

 

c. Vertegenwoordigd door:

(m/v)

d. Functie:

 

e. Adres:

 

f. Postcode en plaats:

 

g. Postbusnummer:

 

h. postcode en plaats:

 

i. Land:

 

j. Telefoonnummer:

 

k. E-mailadres:

 
2. Gegevens contactpersoon (indien afwijkend van onder 1 ingevulde gegevens)

a. Naam organisatie:

 

b. Naam contactpersoon:

(m/v)

c. Functie:

 

d. Adres:

 

e. Postcode en plaats:

 

f. Land:

 

g. Telefoonnummer(s):

 

h. E-mailadres:

 
3. Dossiergegevens

a. Kenmerk subsidietoezegging/beschikking:

 

b. EAN-code van het aansluitpunt:2

□□□□□□□□□□□□□□□

c. Kalenderjaar van de verklaring:

20□□

d. Categorie duurzame energieproductie/type installatie:

 
4. Verklaring

Gelet op artikel 7, vierde lid, van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie verklaar ik dat ik in bovengenoemde productie-installatie uitsluitend biomassa heb gebruikt die is toegestaan voor de categorie productie-installaties waarvoor ik subsidie heb ontvangen.

5. Ondertekening

Dit formulier moet worden ondertekend door de aanvrager. Indien dit formulier wordt ondertekend door een ander dan de aanvrager moet een machtiging van de aanvrager worden bijgevoegd.

Aldus naar waarheid ingevuld,

   

Naam ondertekenaar:

O Dhr. O Mw.

Plaats:

 

Datum:

 

Handtekening:

 

Controleer voordat u de rapportage verstuurt of:

  • Het formulier volledig is ingevuld;

  • Het formulier is ondertekend met een originele handtekening;

  • Het formulier vergezeld gaat van een goedkeurende accountantsverklaring waarin wordt verklaard dat de gegevens, zoals deze zijn vermeld in het onderhavige formulier, correct zijn en dat uitsluitend biomassastromen zijn gebruikt die zijn toegestaan voor de categorie productie-installaties waar subsidie voor is ontvangen;

  • Eventueel een machtiging bij een VOF, CV of Maatschap is toegevoegd, als u die niet eerder heeft aangeleverd.

BIJLAGE 4 BEHORENDE BIJ ARTIKEL I, ONDERDEEL L, VAN DE REGELING VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE VAN 25 MEI 2011, NR. WJZ / 11069086, HOUDENDE WIJZIGING VAN DE ALGEMENE UITVOERINGSREGELING STIMULERING DUURZAME ENERGIE EN DE REGELING GARANTIES VAN OORSPRONG VOOR DUURZAME ELEKTRICITEIT

Bijlage 5 behorende bij artikel 10 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Stimuleringsregeling duurzame energieproductie (SDE)

Vaststellingsformulier

Bijlage 5 behorende bij artikel 10 van de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Dit formulier is te vinden op www.agentschapnl.nl/sde

Dit formulier is verstrekt door en moet worden ingediend bij:

Agentschap NL

NL Energie en Klimaat

Postbus 10073

8000 GB Zwolle

T. (088) 602 34 50

Bezoekadres

Agentschap NL

Hanzelaan 310

8017 JK Zwolle

T. (088) 602 30 00 (receptie)

Toelichting

Dit formulier is bedoeld om een verzoek in te dienen tot vaststelling van de subsidie op grond van de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE) aan het eind van de subsidieperiode.

Waar u schrijfruimte tekort komt, mag u een bijlage toevoegen.

1. Gegevens aanvrager

a. Naam organisatie1:

 

b. Ondernemingsvorm2:

 

c. Vertegenwoordigd door:

(m/v)

d. Functie:

 

e. Adres:

 

f. Postcode en plaats:

 

g. Postbusnummer:

 

h. Postcode en plaats:

 

i. Land:

 

j. Telefoonnummer:

 

k. E-mailadres:

 

2. Gegevens contactpersoon (indien afwijkend van onder 1 ingevulde gegevens)

a. Naam organisatie:

 

b. Naam contactpersoon:

(m/v)

c. Functie:

 

d. Adres:

 

e. Postcode en plaats:

 

f. Land:

 

g. Telefoonnummer(s):

 

h. E-mailadres:

 

3. Dossiergegevens

a. Kenmerk subsidietoezegging:

 

b. EAN-code van het aansluitpunt3:

□□□□□□□□□□□□□□□

4. Rekeninggegevens

a. Naam rekeninghouder:

 

b. Postcode en plaats:

 

c IBAN:

NL□□ □□□□ □□□□□□□□□□

d. BIC-code:

□□□□ NL □□

Vanaf 1 november 2009 worden alle bank- en betaalrekeningen vervangen door de zogenoemde IBAN (International Bank Account Number) en BIC (Bank Identifier Code). De IBAN en BIC bij uw bankrekening staan op uw bankafschrift of zijn te vinden op www.ibanbicservice.nl.

5. Wijzigingen

Zijn er ten opzichte van de bij Agentschap NL opgegeven gegevens wijzigingen opgetreden op de volgende punten?:

 

Opgesteld vermogen van de installatie:

O nee

O ja, namelijk:

   

Ten aanzien van het eigendom van de installatie

O nee

O ja, namelijk

   

Ten aanzien van de brandstoffenmix

O nee

O ja, namelijk:

   

Overige essentiële wijzigingen

O nee

O ja, namelijk:

U dient er hier echter rekening mee te houden dat u in uw aanvraagformulier hebt verklaard, door deze te ondertekenen, dat u Agentschap NL onverwijld schriftelijk melding zal doen van essentiële wijzigingen: gewijzigde datum van ingebruikname, gewijzigde aanvangsdatum van subsidieperiode, uitbedrijfname, renovatie en uitbreiding, langdurige stilstand, indien van toepassing ingrijpende wijzigingen van de brandstofmix, wijzigingen van de technische specificatie van de installatie, et cetera en daarnaast van wijzigingen in de gegevens van de aanvrager en de steunsituatie.

6. Algemene informatie

Is voor de aanvrager surseance van betaling aangevraagd?

O nee

O ja, namelijk op: .....-.....-.......... (dd-mm-jj)

   

Is voor de aanvrager faillissement aangevraagd?

O nee

O ja, namelijk op: .....-.....-.......... (dd-mm-jj)

   

Is voor de aanvrager een verzoek ingediend voor de schuldsaneringregeling natuurlijke personen?

O nee

O ja, namelijk op: .....-.....-.......... (dd-mm-jj)

Zijn er andere subsidies of fiscale faciliteiten voor het project verstrekt die u nog niet heeft opgegeven in het aanvraagformulier of eerdere voorschotaanvraag?

O nee

O ja, namelijk

 
 

Naam regeling:

 
 

Voor een bedrag van:

 
 

Verstrekt op:

.....-.....-.......... (dd-mm-jj)

U dient er hier echter rekening mee te houden dat u in uw aanvraagformulier hebt verklaard, door deze te ondertekenen, dat u Agentschap NL onverwijld schriftelijk melding zal doen van de indiening bij de rechtbank van een verzoek tot verlening van surséance van betaling of tot verzoek faillietverklaring of wanneer een verzoek is ingediend voor de schuldsaneringregeling natuurlijke personen of andere zaken die van invloed zijn op de subsidieverstrekking.

7. Opmerkingen

Zijn er nog andere gegevens, die voor de aanvraag om vaststelling van belang kunnen zijn?

O nee

O ja, namelijk:

8. Ondertekening

Dit formulier moet worden ondertekend door de aanvrager. Indien dit formulier wordt ondertekend door een ander dan de aanvrager moet een machtiging van de aanvrager worden bijgevoegd.

Aldus naar waarheid ingevuld,

   

Naam ondertekenaar:

O Dhr O Mw

Plaats:

 

Datum:

 

Handtekening:

 

Bij dit formulier voor aanvraag om vaststelling moet u de volgende bijlagen meesturen:

  • Een machtiging indien dit formulier is ondertekend door een ander dan de aanvrager;

  • Eventueel een machtiging bij een VOF, CV of Maatschap.

Controleer voordat u de aanvraag verstuurt of:

  • Het formulier volledig is ingevuld;

  • Het formulier is ondertekend met een originele handtekening;

  • Alle bijlagen zijn bijgevoegd.

BIJLAGE 5 BEHORENDE BIJ ARTIKEL II, ONDERDEEL F, VAN DE REGELING VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE VAN 25 MEI 2011, NR. WJZ / 11069086, HOUDENDE WIJZIGING VAN DE ALGEMENE UITVOERINGSREGELING STIMULERING DUURZAME ENERGIE EN DE REGELING GARANTIES VAN OORSPRONG VOOR DUURZAME ELEKTRICITEIT

Bijlage 1 behorende bij artikel 1b, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit

AVI-MEETVOORWAARDEN

Bijlage 1 bij artikel 1b, eerste lid, onderdeel a, van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit
1. DEFINITIES
  • 1.1. Meten: het vaststellen en registreren van de hoeveelheid energie die over een kalendermaand de systeemgrens van de AVI-eenheid is gepasseerd.

  • 1.2. Meetgegeven: het resultaat van het meten voor één vorm van energie. Er is ten minste één meetgegeven van elk van de afzonderlijke energievormen, te weten brandstof, elektriciteit en warmte. Indien een energievorm op meer dan één punt op de systeemgrens wordt gemeten, zullen er ook meer meetgegevens voor die energievorm zijn.

  • 1.3. Bemetering: het geheel van alle meetinrichtingen en systemen voor dataopslag en datatransmissie dat nodig is om alle energie die de systeemgrens van de AVI-eenheid passeert, te meten en te waarborgen.

  • 1.4. Meetinrichting: het totaal van onderling samenhangende meters en meetmiddelen die nodig zijn om een hoeveelheid energie te meten. Er is ten minste één meetinrichting voor het meten van elk van de afzonderlijke energievormen, te weten brandstof, elektriciteit en warmte.

  • 1.5. Meter: een toestel dat één parameter meet, nodig voor het vaststellen van de hoeveelheid energie.

  • 1.6. Meetmiddel: een onderdeel van de meetinrichting, nodig voor het meten, anders dan een meter.

  • 1.7. Systeemgrens: een fictieve gesloten omhulling van de AVI-eenheid die de AVI-eenheid onderscheidt van de andere AVI-eenheden binnen het bedrijf.

  • 1.8. Brandstof: alle afvalstoffen die in een afvalverbrandingsinstallatie gebruikt worden, alsmede de overige gebruikte brandstoffen

  • 1.9. Calorische waarde: de onderste verbrandingswaarde (stookwaarde) van de brandstof

2. ALGEMENE EISEN

Meetprotocol

  • 2.1. Het meetprotocol van de afvalverbrandingsinstallatie bevat ten minste de volgende elementen:

    • a. beschrijving van de verschillende componenten van de afvalverbrandingsinstallatie, inclusief de eventuele afzonderlijke AVI-eenheden en de verschillende hulpinstallaties daarbij;

    • b. beschrijving en schets van de systeemgrens of systeemgrenzen van de AVI-eenheden waaruit de afvalverbrandingsinstallatie bestaat zoals uitgewerkt in hoofdstuk 3;

    • c. beschrijving en schets van de bemetering van elk van de AVI-eenheden;

    • d. beschrijving van de meters en meetmiddelen van elk van de meetinrichtingen;

    • e. beschrijving van het onderhoud van elk van de meetinrichtingen;

    • f. beschrijving van de apparatuur voor de opslag en de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;

    • g. beschrijving van de onnauwkeurigheid van elk van de meetinrichtingen;

    • h. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de metingen;

    • i. beschrijving van de wijze van reparatie van meetgegevens en alternatieve meetmethoden in geval van storing van de meetinrichting;

    • j. beschrijving van de borging van de kwaliteit van de verwerking van de gegevens afkomstig van de meetinrichtingen;

    • k. beschrijving van de frequentie van ijking van elk van de meetinrichtingen;

    • l. Beschrijving van de berekening van de drie per AVI-eenheid geaggregeerde energiehoeveelheden, die in de formule, bedoeld in artikel 1, derde lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit moeten worden gebruikt ter bepaling van het rendement.

Administratie

  • 2.2. Bij het meetprotocol behoort een administratie waarin per meetinrichting de volgende gegevens worden geregistreerd:

    • a. fabrikaat, type, fabrieksnummer en bouwjaar van de geïnstalleerde meetinrichtingen, meters en meetmiddelen;

    • b. kalibratiecertificaten van de meetinrichting en de meters en meetmiddelen daarvan;

    • c. het jaar waarin de meetinrichting is geïnstalleerd dan wel voor het laatst is gereviseerd;

    • d. het soort zegel waarmee de meetinrichting is verzegeld, dan wel de wijze van borging die voor de meetinrichting is aangebracht;

    • e. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is gecontroleerd;

    • f. het jaar en de maand, waarin de meetinrichting voor het laatst is geijkt;

    • g. de resultaten van de aan de meetinrichting uitgevoerde controles en ijkingen;

    • h. een overzicht van de functionarissen die bevoegd zijn metingen uit te voeren en meetinrichtingen te onderhouden respectievelijk te beheren.

    De producent is verantwoordelijk voor het actueel houden van deze administratie.

Onzekerheid

  • 2.3. De onzekerheid van een meetgegeven wordt berekend uit de onnauwkeurigheden van de afzonderlijke meetinrichtingen op de wijze als beschreven in de ‘Guide to the expression of uncertainty in measurement’ (uitgave van BIPM, IEC, IFCC, ISO, IUPAC, IUPAP en OIML; International Organization for Standardization, Geneva, 1995, ISBN 92-67-10188-9).

Meetrapport

  • 2.4. Het meetrapport bevat voor elk van de AVI-eenheden tenminste de meetgegevens van het brandstofverbruik, de totale hoeveelheid netto opgewekte elektriciteit, de netto opgewekte warmte, het aantal draaiuren, en het rendement van de afvalverbrandingsinstallatie in het geheel en de AVI-eenheden afzonderlijk. Indien er (hulp)installaties buiten de systeemgrenzen van de AVI-eenheden aanwezig zijn, dan dienen deze naar rato van de energie-output van de AVI-eenheden te worden toegerekend aan die eenheden.

  • 2.5. Het meetrapport bevat een samenvatting, bestaande uit de geaggregeerde meetgegevens, die in de formule, bedoeld in artikel 1, derde lid van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit moeten worden gebruikt

  • 2.6. Indien aardgas als brandstof wordt gebruikt, wordt de hoeveelheid aardgas gerapporteerd in kubieke meters van standaard Groningen-kwaliteit (met een energie-inhoud van 35,17 MJ/Nm3) onder normaalcondities. De omrekening van de gemeten hoeveelheid aardgas naar aardgas van standaard Groningen-kwaliteit geschiedt aan de hand van de feitelijke energie-inhoud van het gebruikte aardgas, zoals de leverancier deze bij de facturering van het aardgas aan de producent opgeeft. Het meetrapport bevat een opgave van de gemeten hoeveelheid aardgas, de door de leverancier opgegeven energie-inhoud van het aardgas en de omgerekende hoeveelheid aardgas van standaard Groningen-kwaliteit.

  • 2.7. In het meetrapport wordt tevens vermeld, voor zover van toepassing,

    • a. storingen van meetinrichtingen en daarmee samenhangende reparatie van meetgegevens;

    • b. storingen in andere onderdelen van de bemetering en de gevolgen daarvan voor de betrouwbaarheid van de meetgegevens,

    • c. dat meetgegevens door middel van alternatieve meting zijn bepaald;

    • d. correctie van meetgegevens, en

    • e. wijzigingen in installatie, bemetering en andere omstandigheden die van belang kunnen zijn voor het bepalen van de hoeveelheid AVI-certificaten.

  • 2.8. Het meetrapport bevat voorts een verklaring dat de meetgegevens zijn totstandgekomen door onverkorte toepassing van het meetprotocol.

Storingen

  • 2.9. De meetgegevens van een meetinrichting, die door een storing niet langer functioneert of niet langer voldoet aan de gestelde meeteisen, mogen voor een periode van maximaal vier werkdagen nadat de storing is opgemerkt worden berekend uit controlemetingen.

  • 2.10. Indien de storing niet binnen vier werkdagen verholpen is, kan de producent meten volgens de in hoofdstuk 5 beschreven methode en procedure.

  • 2.11. Indien een storing is opgetreden, wordt dit vermeld in het meetrapport over de desbetreffende kalendermaand. Hierbij wordt aangegeven welke meetgegevens het betreft en op welke wijze de reparatie is aangebracht.

Eisen aan meetinrichtingen en meters

  • 2.12. Het meten van de hoeveelheden energie geschiedt volgens algemeen geaccepteerde comptabele meetinrichtingen.

  • 2.13. Voor zover een meetinrichting of meter onder de IJkwet valt, zijn deze meetvoorwaarden niet van toepassing ten aanzien van het (de) onderwerp(en) dat (die) voor die meetinrichting of meter in de IJkwet word(t)(en) geregeld.

  • 2.14. De meters en meetmiddelen voldoen aan de typekeuringseisen van de voor die meters en meetmiddelen van toepassing zijnde EN-normen of daarmee vergelijkbare nationale normen. Het bewijs van typegoedkeuring is verstrekt conform de IJkwet of door een organisatie die gecertificeerd is conform NEN-ISO 17025.

  • 2.15. De capaciteit, het ontwerp en de aanleg van de meetinrichtingen is in overeenstemming met de maximale hoeveelheden energie die de AVI-eenheid kan consumeren respectievelijk produceren.

  • 2.16. Plaatsing van de meters voldoet aan de plaatsingsvoorschriften die onderdeel uitmaken van de genoemde normen en aangevuld met de plaatsingsvoorschriften van de fabrikant van de meter of meetmiddel.

  • 2.17. Elk van de meters en de meetmiddelen is geborgd dan wel verzegeld. De borging is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed, zonder dat dit duidelijk gesignaleerd wordt. De verzegeling is zodanig dat een meting niet kan worden beïnvloed zonder de verzegeling zichtbaar te verbreken.

  • 2.18. De meetinrichting wordt zodanig onderhouden dat deze voortdurend aan deze meetvoorwaarden voldoet.

3. SYSTEEMGRENS
  • 3.1. De systeemgrens omsluit één AVI-eenheid van een afvalverbrandingsinstallatie.

  • 3.2. Op de systeemgrens van de AVI-eenheid worden alle vormen van energie-input en energie-output gemeten. Indien er (hulp)installaties buiten de systeemgrenzen van de AVI-eenheden aanwezig zijn, dan dienen deze naar rato van de energie-output van de AVI-eenheden te worden toegerekend aan die eenheden.

  • 3.3. Alle onderdelen van de AVI-eenheid bevinden zich binnen de systeemgrens.

  • 3.4. Niet aan de AVI-eenheid gerelateerde systemen die elektriciteit of warmte opwekken vallen buiten de systeemgrens.

  • 3.5. De consumptie van elektriciteit of warmte van systemen die zich binnen de systeemgrens bevinden, wordt niet gemeten.

  • 3.6. Voor elke AVI-eenheid wordt een schema opgesteld met daarop aangegeven de systeemgrens, de energiestromen die de systeemgrens passeren en voor elk van deze energiestromen de meetinrichtingen die zich op de systeemgrens van de AVI-eenheid bevinden.

  • 3.7. Voor de gehele afvalverbrandingsinstallatie wordt in een schets aangegeven waarop de systeemgrenzen van de AVI-eenheden in onderling verband zijn aangegeven.

4. NAUWKEURIGHEIDSEISEN AAN MEETINRICHTINGEN EN METERS

Brandstof

  • 4.1. Elke brandstof die in de AVI-eenheid wordt verbruikt, wordt afzonderlijk gemeten.

  • 4.2. Het volume aardgas of een ander gas wordt gemeten en naar normaalcondities herleid met een meetinrichting die voldoet aan de IJkregeling gasmeters, waarbij voor balgengasmeters de eisen voor nauwkeurigheidsklasse I gelden.

  • 4.3. De hoeveelheid kolen wordt gemeten op basis van weging dan wel op basis van de inkoop en voorraadbalans, met een maximaal toelaatbare afwijking van 1,0%, zoals bepaald in ISO 9411-1 (monstername voor de bepaling van de onderste verbrandingswaarde).

  • 4.4. De hoeveelheid vloeibare brandstof wordt gemeten door middel van een meetinrichting die voldoet aan de IJkregeling vloeistofmeters en vloeistofmeetinstallaties, waarbij de eisen voor klasse 1.0 gelden.

  • 4.5. De hoeveelheid andere brandstof wordt bepaald volgens een algemeen geaccepteerde comptabele meting, met een maximaal toelaatbare afwijking van 1,0%.

Elektriciteit

  • 4.6. Alle hoeveelheden door de afvalverbrandingsinstallatie opgewekte elektriciteit worden bepaald met een meetinrichting die voldoet aan de bepalingen met betrekking tot de nauwkeurigheidseisen die de Meetcode Elektriciteit stelt voor een meetinrichting op een aansluiting.

Warmte

  • 4.7. De hoeveelheid warmte, getransporteerd als warm water, wordt gemeten met een meetinrichting die voldoet aan die voldoet aan EN 1434 sectie 1, klasse 1, dan wel een vergelijkbare norm.

  • 4.8. De hoeveelheid warmte, getransporteerd als stoom en eventueel verminderd met retourcondensaat, wordt gemeten met een meetinrichting die voldoet aan norm ISO 5167-1 of aan een vergelijkbare norm. Voor een stoomdebiet van 50% tot 100% van het meetbereik van de meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare afwijking van de meting 2% van de volle schaal van de meetinrichting. Voor een stoomdebiet van minder dan 50 % van het meetbereik van de meetinrichting bedraagt de maximaal toelaatbare afwijking van de meting 4% van de meetwaarde. De temperatuur wordt gemeten met een weerstandsthermometer die voldoet aan norm IEC-751, nauwkeurigheidsklasse B, een thermokoppel die voldoet aan norm IEC-584, nauwkeurigheidsklasse 2, of een meter die voldoet aan een vergelijkbare norm.

Bagatelbepaling

  • 4.9. Voor ten hoogste 2,5% van de per energievorm in totaal gemeten hoeveelheid energie, kunnen de maximaal toelaatbare afwijkingen ten hoogste tweemaal zoveel bedragen als de volgens de voorgaande bepalingen van dit hoofdstuk voorgeschreven maximaal toelaatbare afwijkingen.

5. ALTERNATIEVE METING
  • 5.1. De producent kan een meetgegeven via een alternatieve meting bepalen, indien meten met meetinrichtingen als bedoeld in hoofdstuk 4 niet mogelijk is omdat:

    • a. geen goede meting mogelijk is van de energiehoeveelheid,

    • b. het plaatsen van een meetinrichting tot aantasting van de veiligheid van de installatie zou leiden,

    • c. het plaatsen of verbeteren van een meetinrichting tot onevenredig hoge kosten zou leiden, of

    • d. een meetinrichting in storing is geraakt als bedoeld onder 2.10 tot en met 2.12.

  • 5.2. De alternatieve meting voldoet aan de hieronder genoemde voorwaarden.

  • 5.3. De producent verstrekt in het meetprotocol een uitvoerige motivatie voor het afwijken van hoofdstuk 4, waarin tenminste wordt opgenomen:

    • a. een beschrijving van de technische onmogelijkheid om hoofdstuk 4 toe te passen, of

    • b. de overwegingen omtrent de veiligheid van de installatie op grond waarvan hoofdstuk 4 niet toegepast kan worden, of

    • c. een onderbouwde raming van de kosten die het aanpassen van de betrokken meetinrichting aan het toepassen van hoofdstuk 4 zouden vergen, en

    • d. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van hoofdstuk 4 bereikt zou zijn, en

    • e. de onnauwkeurigheid die bij toepassing van de alternatieve meting bereikt zal worden.

  • 5.4. De wijze van het bepalen van de meetgegevens door middel van alternatieve meting wordt nauwkeurig vastgelegd in het meetprotocol voor de AVI-installatie en wordt voorafgaand aan de toepassing daarvan goedgekeurd door een gecertificeerd meetbedrijf.

  • 5.5. De alternatieve meting gebruikt geen kentallen of andere gegevens die het meten van de daadwerkelijke hoeveelheid energie beïnvloeden.

  • 5.6. De onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, is in beginsel gelijk aan of lager dan de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist.

  • 5.7. Indien de onnauwkeurigheid van een meetgegeven, vastgesteld op grond van alternatieve meting, hoger is dan de onnauwkeurigheid die hoofdstuk 4 ten aanzien van de desbetreffende meting vereist, wordt het opgegeven meetgegeven als volgt gecorrigeerd,

    • a. voor energie die aan de AVI-eenheid wordt toegevoerd: de meetwaarde wordt vermeerderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid en

    • b. voor energie die de AVI-eenheid produceert: de meetwaarde wordt verminderd met het verschil tussen de feitelijke onnauwkeurigheid en de vereiste onnauwkeurigheid.

  • 5.8. De wijze waarop de correctie volgens 5.7 wordt aangebracht, wordt beschreven in het meetprotocol.

  • 5.9. Zowel het oorspronkelijke meetgegeven als het meetgegeven na de correctie volgens 5.7 wordt in het meetrapport opgenomen.

6. ITERATIEVE BEREKENING DIE MEDE GEBRUIKT MAAKT VAN DE INDIRECTE METHODE
  • 6.1. De iteratieve berekening is een ‘bijzondere alternatieve meting’ zoals bedoeld in hoofdstuk 5, die moet voldoen aan alle punten genoemd in hoofdstuk 5.

  • 6.2. De toegevoerde energie uit de brandstof is veelal niet nauwkeurig meetbaar. Indien de producent om deze reden gebruik maakt van een alternatieve meetmethode zoals in hoofdstuk 5 omschreven zal de garantiebeheerinstantie de opgegeven hoeveelheid brandstof en calorische waarde van de brandstof controleren met behulp van de in artikel 6._ opgenomen berekening. Deze berekening is uit te voeren overeenkomstig de norm EN 12952-15:2003.

  • 6.3. Ter bepaling van het product van de massa van het in de afvalverbrandingsinstallatie of de AVI-eenheid per kalendermaand verwerkte afval en overige brandstoffen, en de calorische waarde van het verwerkte afval en overige brandstoffen, wordt de volgende formule gehanteerd:

    Qtoegevoerd = Qafgevoerd

    QB + QL + Qhulp = QN + QRG + QF + QS + QSTR + QCO

    QB =[GJ] = QN + QRG + QF + QS + QSTR + QCO- QL – Qhulp

    Met:

    QB = de met de brandstof toegevoerde energie

    QN = de nuttig door de ketel geproduceerde energie

    QRG = de met de rookgassen afgevoerde energie verliezen

    QF = de met de vlieg- en ketel as afgevoerde energie verliezen

    QS = de met de slak afgevoerde energie verliezen

    QSTR = de door straling optredende energie verliezen

    QCO = het door onvolledige verbranding optredende energie verlies

    QL = de middels voelbare warmte in de lucht toegevoerde energie

    Qhulp = de aan hulpwerktuigen binnen de systeemgrens toegevoerde

    energie

    Teneinde de controle door de garantiebeheerinstantie mogelijk te maken dienen de bovenstaande grootheden op overzichtelijke en inzichtelijke wijze te worden gerapporteerd in de maandelijkse meetrapporten geverifieerd door het toegelaten meetbedrijf. Tevens dient onder andere het volgende inzichtelijk te worden: de hoeveelheden die over de meetbrug zijn binnengekomen en in de bunker zijn opgeslagen, hoe deze hoeveelheden zijn verdeeld over de AVI-eenheden en in welke mate de voorraadverschillen in de bunker de hoeveelheden die naar de AVI-eenheden worden toegevoerd, bepalen.

  • 6.4. Voor bovenstaande berekening zijn de volgende normen van toepassing:

    Norm

    Omschrijving

    Uitgave

    EN 12952

    Part 15

    Water-tube boilers and auxiliary installations Acceptance tests

    2003

    ISO 5167

    Part 1 t/m 4

    Measurements of flows by means of pressure differential devices

    2003

    VDI 2048

    Messunsicherheiten bei Abnahmemessungen

    Blatt 1 grundlagen

    2000-10

    IAPWS-IF97

    Properties of water and steam

    1997

    FDBR-richtlinie

    Abnahmeversuche an Abfallverbrennungsanlagen

    Mit Rostfeurungen

    04/2000

    Slakbemonstering volgens:

    EN 14899:2005

    Characterization of waste – Sampling of waste materials

    Framework for the preparation and application of a Sampling Plan

     

    of volgens de NEN 7300 serie

    Slak analyse volgens:

    EWAG

    V4002 Onverbrand percentage in slak

     

    EWAG

    V4004 percentage verteerbaar in slak

     

    Vliegas Onverbrand bepaling vliegas

BIJLAGE 6 BEHORENDE BIJ ARTIKEL II, ONDERDEEL F, VAN DE REGELING VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE VAN 25 MEI 2011, NR. WJZ / 11069086, HOUDENDE WIJZIGING VAN DE ALGEMENE UITVOERINGSREGELING STIMULERING DUURZAME ENERGIE EN DE REGELING GARANTIES VAN OORSPRONG VOOR DUURZAME ELEKTRICITEIT

Bijlage 2 behorende bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit

VERZOEK TOT VASTSTELLING VAN EEN PRODUCTIE-INSTALLATIE VOOR DE OPWEKKING VAN DUURZAME ELEKTRICITEIT EN MEDEDELING VAN MEETGEGEVENS OMTRENT DUURZAME ELEKTRICITEIT

Bijlage 2 bij artikel 2, eerste lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit

Met dit formulier verklaart u duurzame elektriciteit te produceren en verzoekt u de netbeheerder vast te stellen of uw productie-installatie geschikt is voor de opwekking van duurzame elektriciteit en of uw meetinrichting geschikt is voor de meting van duurzame elektriciteit en verzoekt u de netbeheerder de meetgegevens met betrekking tot de door u geproduceerde duurzame elektriciteit als zodanig mede te delen aan de garantiebeheerinstantie.

Dit formulier dient te allen tijde volledig, juist, in origineel, ondertekend en – voor zover van toepassing – voorzien van de noodzakelijke bijlage(n) te worden ingediend bij de garantiebeheerinstantie.

Indien zich meerdere productie-installaties achter één aansluiting bevinden waarvoor u garanties van oorsprong en/of WKK-certificaten heeft aangevraagd, dient u tevens een systeemgrens van de productie-installaties te bepalen. Deze systeemgrens kan meerdere productie-eenheden omvatten.

1. Gegevens producent
  • a. Naam:

  • b. Adres:

  • c. Postcode:

  • d. Woonplaats:

  • e. Land:

  • f. Telefoonnummer:

  • g. Faxnummer:

  • h. E-mail adres:

  • i. Inschrijfnummer Kamer van Koophandel, te .....:

  • j. BSN-nummer:

2. Locatiegegevens productie-installatie
  • a. Adres:

  • b. Postcode:

  • c. Plaats:

  • d. EAN-code van de aansluiting op het net (18-cijferig):

  • e. EAN-code van de netbeheerder van het net waarop de productie-installatie is aangesloten, dan wel van de netbeheerder in wiens geografische gebied de productie-installatie staat:

  • f. Datum waarop de inschrijving van deze installatie moet ingaan:

  • g. Zijn er meerdere productie-installaties waarvoor garanties van oorsprong en/of WKK-certificaten zijn aangevraagd aangesloten via dezelfde netaansluiting?

    0 Ja

    0 Nee

    Indien u deze vraag heeft beantwoord met ‘Ja’ dient u ook vraag 2h in te vullen en een tekening met de systeemgrenzen van de productie-installatie bij te voegen.

  • h. EAN-code van de productie-installatie waarop dit verzoek tot vaststelling betrekking heeft:

3. Typegegevens productie-installatie

Kruis aan om wat voor soort installatie het gaat bij deze aanvraag. Er is slechts één antwoord mogelijk.

  • a. De aanvraag betreft een productie-installatie voor opwekking van duurzame elektriciteit door middel van:

    0 windenergie op land

    0 windenergie op zee

    0 zonne-energie

    0 waterkracht

    0 getijdenenergie

    0 golfenergie

    0 afvalverbranding

    0 verwerking van biomassa

    Indien uw aanvraag een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit door middel van biomassa betreft, welke soort brandstof wordt ingezet?

    0 uitsluitend biogas uit vergisting

    0 uitsluitend stortgas

    0 uitsluitend rioolwaterzuiveringsgas of afvalwaterzuiveringsgas (uit slibvergisting)

    0 uitsluitend naar haar aard zuivere vloeibare of vaste biomassa (subsidiebeschikking MEP of SDE 2008)

    0 uitsluitend naar haar aard zuivere vloeibare of vaste biomassa (geen subsidiebeschikking of SDE vanaf 2009)

    0 huishoudelijk en vergelijkbaar bedrijfsafval

    0 overig (bijvoorbeeld combinaties van bovenstaande brandstoffen, combinaties met fossiele brandstoffen etc.)

    Indien uw installatie elektriciteit opwekt door middel van thermische verwerking van brandstoffen: Wilt u dat op de GvO ook wordt geregistreerd of certificaten aangaande duurzaamheidscriteria met betrekking tot (een deel van) de gebruikte brandstoffen zijn afgegeven?

    0 Ja

    0 Nee

    Indien uw aanvraag een afvalverbrandingsinstallatie betreft, wenst u voor deze afvalverbrandingsinstallatie MEP-subsidie of subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie te ontvangen?

    0 Ja

    0 Nee

    Indien u hierboven ‘Ja’ heeft ingevuld, dient u tevens een meetprotocol over te leggen, dat voldoet aan de AVI-meetvoorwaarden (bijlage 1 bij de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit).

    Indien u subsidie voor deze productie-installatie ontvangt of heeft ontvangen, of indien u in het bezit bent van een subsidiebeschikking of andere financiële ondersteuning geef dan hieronder aan in welke categorie deze ondersteuning valt:

    0 geen subsidie

    0 investeringssubsidie

    0 productie subsidie

    0 combinatie van productie en investeringssubsidie

    Indien u een subsidiebeschikking hebt ontvangen op basis van het Besluit stimulering duurzame energieproductie, vul dan hier het projectnummer in:

    Indien uw aanvraag een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit door middel van verwerking van biomassa betreft, wenst u voor deze productie-installatie registratie van nuttige aangewende warmte te laten plaatsvinden?

    0 Ja

    0 Nee

    Indien u hierboven ‘Ja’ heeft ingevuld, dient u tevens een meetprotocol over te leggen, dat voldoet aan de meetvoorwaarden nuttige aanwending van warmte (bijlage 4 bij de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit).

    Indien in de productie installatie naar zijn aard zuiver biogas wordt verwerkt dient u tevens een meetprotocol over te leggen, dat voldoet aan de meetvoorwaarden (bijlage 4 bij de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit).

  • b. Datum waarop de installatie in gebruik is genomen:

  • c. Elektrisch vermogen installatie (MW):

4. Gegevens met betrekking tot de ingevoede elektriciteit

Indien u de eerdere vraag 2g (zijn er meerdere installaties achter dezelfde netaansluiting waarvoor u garanties van oorsprong en/of WKK-certificaten aanvraagt) met ‘Ja’ heeft beantwoord bent u, op grond van artikel 5, derde lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit, verplicht om vraag 4a met ‘Nee’ en vraag 4b met ‘Ja’ te beantwoorden.

  • a. Voedt u alle door uw productie-installatie opgewekte elektriciteit in op een net?

    0 Ja

    0 Nee

  • b. Wilt u ook garanties van oorsprong ontvangen voor de elektriciteit die niet op een net, maar op een installatie is ingevoed?

    0 Ja

    0 Nee

Indien u een installatie heeft met een aansluitwaarde gelijk aan of kleiner dan 3X80 A is het niet verplicht om uw netto-netlevering te meten. U kunt volstaan met het installeren van een bruto-productiemeter, waardoor u de kosten voor een nieuwe meter voor het bepalen van de netto-netlevering bespaart indien uw huidige meter daarvoor niet geschikt is. De netbeheerder zal in dat geval voor de netlevering een 0-waarde insturen (deze wordt immers niet gemeten) en u ontvangt voor de volledige productie van uw installatie garanties van oorsprong voor elektriciteit die op een installatie is ingevoed. Deze elektriciteit wordt geacht door uzelf te zijn gebruikt en is niet verhandelbaar. Dit heeft geen invloed op uw eventuele recht op subsidie. Ook in dit geval beantwoord u vraag 4a met ‘Nee’ en vraag 4b met ‘Ja’

Indien u toch onderscheid wilt laten maken tussen hetgeen u aan het net levert en hetgeen u zelf verbruikt kunt u dit aangeven door in het opmerkingenveld bij punt 6 te vermelden: ‘Uitsplitsen netlevering en niet-netlevering’

Uiteraard dient de meter dan geschikt te zijn (of worden gemaakt) om de teruglevering te meten. Dit zal uw netbeheerder beoordelen.

  • c. EAN-code van de rekeninghouder ('handelaar') op wiens rekening de Garanties van Oorsprong worden dienen te bijgeschreven:

5. Algemene verklaring

U verklaart door het invullen en ondertekenen van dit formulier:

  • a. Dat de in dit formulier bedoelde installatie zodanig op een net of op een (andere) installatie is aangesloten en voorzien is van (een) meter(s) die voldoe(t)(n) aan de criteria gesteld in de Meetcode Elektriciteit, dat door de netbeheerder dan wel door het toegelaten meetbedrijf de op een net of een installatie ingevoede elektriciteit eenduidig kan worden gemeten, dan wel uit een combinatie van metingen eenduidig kan worden berekend;

  • b. Dat u te allen tijde zult meewerken aan door de netbeheerder uit te voeren controles van de in dit formulier bedoelde installatie en de bijbehorende meter(s), voor zover deze controles betrekking hebben op dit verzoek tot vaststelling van een productie-installatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit en mededeling van meetgegevens omtrent duurzame elektriciteit;

  • c. Dat u, indien in de productie-installatie niet naar haar aard zuivere biomassa of niet zuivere biomassa wordt verwerkt, door middel van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering per partij vaststelt of laat vaststellen of de biomassa als zuiver kan worden aangemerkt c.q. welk gedeelte van de verwerkte niet zuivere biomassa biologisch afbreekbaar is;

  • d. Dat u, indien in de productie-installatie niet naar zijn aard zuiver biogas of niet zuiver biogas wordt verwerkt, ten aanzien van de grondstof die bij het ontstaan van dit biogas gebruikt wordt, door middel van een daartoe geëigende methode aan de hand van bemonstering per partij vaststelt of laat vaststellen dat het materiaal waaruit de duurzame elektriciteit is opgewekt, is aan te merken als zuivere of niet-zuivere biomassa;

  • e. Dat u, in het geval dat één van de zaken zoals door u aangegeven bij de vragen 2, 3, 4 of 5 verandert, hiervan vooraf melding maakt door dit formulier opnieuw in te vullen en te doen toekomen aan de netbeheerder;

  • f. Dat u deze verklaring naar waarheid heeft ingevuld.

6. Ondertekening

Plaats:

Datum:

Handtekening aanvrager:

Bijlage(n):

Let op! Maak een kopie van dit ingevulde aanvraagformulier voor eigen gebruik.

Ruimte voor opmerkingen producent:

 
 

Plaats:

Datum:

Naam netbeheerder:

Handtekening netbeheerder:

Ruimte voor opmerkingen netbeheerder:

 
 

BIJLAGE 7 BEHORENDE BIJ ARTIKEL II, ONDERDEEL F, VAN DE REGELING VAN DE MINISTER VAN ECONOMISCHE ZAKEN, LANDBOUW EN INNOVATIE VAN 25 MEI 2011, NR. WJZ / 11069086, HOUDENDE WIJZIGING VAN DE ALGEMENE UITVOERINGSREGELING STIMULERING DUURZAME ENERGIE EN DE REGELING GARANTIES VAN OORSPRONG VOOR DUURZAME ELEKTRICITEIT

Bijlage 5 behorende bij artikel 12a, eerste lid, van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit

Controle op biomassa: Een inleiding

Dit document geeft een toelichting op de controle die moet worden uitgevoerd op elektriciteit opgewekt met biomassa op grond van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit (verder: de regeling). Afhankelijk van het type biomassa installatie dient een assurancerapport of een meetrapport te worden ingediend.

Na afloop van ieder kalenderjaar dienen biomassa elektriciteitsproducenten een controle te laten uitvoeren op de groenpercentages die in het betreffende kalenderjaar hebben geleid tot uitgifte van Garanties van Oorsprong. Producenten die uitsluitend één soort naar zijn aard zuiver biogas verwerken met een nominaal elektrisch vermogen van ten hoogste 2 MW dienen daartoe een meetrapport in te dienen dat is goedgekeurd door een toegelaten meetbedrijf (artikel 12). De betreffende producenten dienen eenmaal in de vijf jaar voorafgaand aan de periode waarover dient te worden gemeten een meetprotocol te laten goedkeuren door een toegelaten meetbedrijf en in te dienen bij CertiQ.

De overige producenten dienen na afloop van ieder kalenderjaar een assurancerapport in te dienen dat is goedgekeurd door een accountant.

Dit document is met name bedoeld als een onderzoeksprotocol voor de uit te voeren werkzaamheden door de accountant om bij deze opgave tot een assurancerapport te komen, conform artikel 12a van de regeling voor duurzame elektriciteit.

Voor de groep van producenten die geen assurancerapport maar een meetrapport dienen te overleggen zijn de vereisten weergegeven in bijlage 4 van de regeling.

In de praktijk blijkt de regeling met betrekking tot 'biomassa' complexe materie. Dit document bevat een toelichting bij het format van de jaarlijks op te stellen opgave en de daarbij te hanteren biomassa indeling, type installaties en de vereisten waaraan het assurancerapport moet voldoen. Verder bevat dit document enkele instructies voor stortgas- en vergistingsinstallaties.

Naast de inleiding is een onderzoeksprotocol opgenomen dat de accountant conform artikel 12a van de regeling dient te hanteren bij de onderzoekswerkzaamheden ten behoeve van het af te geven assurancerapport. Het is de bedoeling dat de accountant het protocol toepast en in het assurancerapport verwijst naar het stramien voor Assurance-opdrachten en de nadere voorschriften zoals opgenomen in de controle- en overige standaard (NV COS richtlijn 3000), zoals vermeld op de website van het NIVRA1, en naar de aanvullende specifieke punten van aandacht zoals vermeld in het betreffende protocol.

Daarnaast is een voorbeeld van het assurancerapport opgenomen. Tenslotte bevat dit document ook een voorbeeld van de bij het assurancerapport behorende rapportagetabel. Dit voorbeeld is ook afzonderlijk te downloaden vanaf de website van de garantiebeheerinstantie (verder CertiQ) op www.certiq.nl.

Biomassa: 'Zuiver', 'naar haar/zijn aard zuiver', 'niet zuiver'

Op basis van de regeling is biomassa ingedeeld in 'zuiver' en 'niet zuiver'. Zuivere biomassa bevat niet meer dan drie massaprocent onvermijdbare kunststoffen.

Zuivere biomassa: Een nadere indeling

Zuivere biomassa kan worden verdeeld in twee groepen: 1) 'Naar haar aard zuiver' en 2) 'niet naar haar aard zuiver'. Voor biogassen wordt gesproken over resp. 'naar zijn aard zuiver' en 'niet naar zijn aard zuiver'. De definitie van naar haar aard zuivere biomassa is opgenomen in artikel 1, eerste lid, onder j, van de regeling.

Niet zuivere biomassa

'Niet zuivere biomassa' wordt in de regeling ook wel aangeduid als 'mengstromen'. Het dient bemonsterd te worden (volgens BRL-K10016). Bepaald dient te worden in welke mate het biogene gedeelte bijdraagt in de elektriciteitsopwek. Dat betekent dat het calorische aandeel van het biogene deel dient te worden bepaald in verhouding tot de totale calorische waarde.

Biogassen

De volgende soorten biogassen worden beschouwd 'als naar zijn aard zuiver': Stortgas, rioolwaterzuiveringsgas, afvalwaterzuiveringsgas en biogas dat ontstaat door middel van vergisting.

Voor overige soorten biogas dient te worden aangetoond of het gaat om zuiver biogas. Hiertoe dient het basismateriaal waaruit het biogas ontstaat te worden bemonsterd.

Afvalverbrandingsinstallaties

De elektriciteit die wordt opgewekt in afvalverbrandingsinstallaties (AVI's), wordt deels beschouwd als duurzaam. Hoewel het dus niet-zuivere biomassa betreft, hoeven AVI's niet maandelijks een groenpercentage te bepalen. Het groenpercentage wordt jaarlijks vanuit de overheid vastgesteld en bedraagt voor bijvoorbeeld 2010 49%. AVI's hoeven dan ook geen assurancerapport of meetrapport in te dienen om de groenpercentages te onderbouwen.

Schematische weergave biomassa

Achtergrond groenpercentages

Voor iedere elektriciteitsproducent worden maandelijks meetgegevens door de regionale netbeheerder naar CertiQ gestuurd. Vervolgens stuurt de producent de groenpercentages naar CertiQ. De groenpercentages volgen uit berekeningen van de elektriciteitsproducent. Daarna maakt CertiQ garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit aan en kan AgentschapNL vervolgens eventueel subsidie uitbetalen. Voor installaties die 100% duurzame elektriciteit opwekken worden de garanties van oorsprong automatisch aangemaakt.

Bij de definitieve jaarlijkse vaststelling van de groenpercentages baseert CertiQ zich op een assurancerapport van een accountant of een meetrapport van een toegelaten meetbedrijf. Eventuele verschillen tussen het assurance-rapport en de eerder ingediende percentages dienen gecorrigeerd te worden door CertiQ.

Termijn voor het indienen

Na afloop van een kalenderjaar hebben biomassa elektriciteitsproducenten uiterlijk vier maanden de tijd (artikel 12, derde lid, van de regeling) om een meetrapport of een assurancerapport te overleggen. Voor productie over jaar t dient dus uiterlijk 30 april van jaar t+1 een assurancerapport of een meetrapport bij CertiQ te worden ingediend. Bij te laat indienen dient CertiQ (op grond van artikel 13 van de regeling) een deel van de uitgegeven garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit af te boeken: indien de opgave met assurancerapport of meetrapport binnen een maand na het verstrijken van de deadline wordt ingediend, wordt een hoeveelheid garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit afgeboekt ter grootte van de gemiddelde hoeveelheid opgewekte duurzame elektriciteit in één kalendermaand in jaar t. Indien de opgave met assurancerapport of meetrapport tussen één en twee maanden te laat wordt ingeleverd, wordt de hoeveelheid garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit van twee kalendermaanden afgeboekt, enz. Als de installatie in aanmerking komt voor subsidie, dan zal het afboeken van garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit ook leiden tot verrekeningen bij de betalingen.

Assurance-werkzaamheden accountant

In het geval van een assurancerapport dient de accountant te onderzoeken welke brandstoffen zijn ingezet en in welke (calorische) verhouding dat heeft plaatsgevonden. De accountant dient deze verhoudingen te vergelijken met de groenpercentages zoals die in de loop van het kalenderjaar naar CertiQ zijn gestuurd en te constateren of er verschillen zijn. Het is de bedoeling dat de producent de groenpercentages bepaalt op maandniveau en dat de accountant hierbij redelijke mate van zekerheid verschaft over de conformiteit van deze opgave conform artikel 12a, tweede lid, van de regeling. Om CertiQ een goede consistentiecheck te kunnen laten uitvoeren, kan CertiQ om onderliggende gegevens vragen. Daarbij moet worden gedacht aan hoeveelheden ingezette biomassa (tonnen) en bijbehorende calorische waarden.

Onderzoeksprotocol assurancerapport biomassa

Inleiding

In artikel 12a, derde lid, van de regeling, is bepaald dat de producent, niet zijnde een producent als bedoeld in artikel 1b, derde lid, uiterlijk binnen vier maanden na afloop van ieder kalenderjaar aan de garantiebeheerinstantie (TenneT2) een assurancerapport (conform NV COS richtlijn 3000) overlegt inzake, onder meer, de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen.

In artikel 13, tweede lid, van de regeling is bepaald dat wanneer deze termijn wordt overschreden, een hoeveelheid garanties van oorsprong wordt afgeboekt, afhankelijk van de overschrijdingstijd.

Dit onderzoeksprotocol beoogt in aanvulling op (het stramien voor Assurance-opdrachten en) de nadere voorschriften Controle- en overige standaarden richtlijn 30003 (zie website NIVRA.nl) een handreiking aan de controlerend accountant te geven met specifieke aandachtspunten bij de inrichting van zijn onderzoek.

Het doel van het assurancerapport is om – met redelijke mate van zekerheid – een oordeel te verstrekken aan CertiQ over de juistheid van de door de producent (of zijn gemachtigde) opgegeven verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen. In geval de opgewekte elektriciteit wordt aangemerkt als duurzame energie zullen er door CertiQ garanties van oorsprong worden aangemaakt overeenkomstig het aantal MWh duurzaam opgewekte elektriciteit. Deze vertegenwoordigen een waarde en zijn verhandelbaar.

Daarnaast kan de Minister van Economische Zaken op basis van de aangemaakte garanties van oorsprong subsidie verstrekken, waarvan de hoogte afhankelijk is van het type installatie en de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen. De accountant dient derhalve rekening te houden met een tendentie in de opgegeven verhouding.

Procedure

Na afloop van een maand wordt door de netbeheerder een meetbericht verzonden aan CertiQ waarin gerapporteerd wordt over de totale elektriciteitsproductie van die maand. Dit meetbericht bevat in ieder geval de hoeveelheid op het net geleverde elektriciteit, maar indien de producent hierom verzoekt, bevat het ook de totale opgewekte elektriciteit. Daarnaast geeft de producent de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen (de 'groenpercentages') door aan CertiQ. Na afloop van het kalenderjaar voert de producent een controleberekening uit en bepaalt hij definitief de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen.

Rol van de accountant

Als sluitstuk onderzoekt de accountant de definitieve opgave van de producent met toelichtingen op conformiteit met artikel 12a van de regeling (zie NV COS 3000 nr. 33). Dit ter onderbouwing van zijn assurance-rapport.

Hiertoe onderzoekt de accountant de door de producent verantwoorde definitieve uitkomsten van de verhouding voor wat betreft aard en verhouding van de in de productie-installatie verwerkte brandstoffen.

De accountant:

  • stelt vast of deze verhouding gelijk is of afwijkt van de verhouding zoals die destijds is doorgegeven aan CertiQ

  • stelt de naleving van de artikelen 8 tot en met 10 van de regeling vast.

De accountant rapporteert in zijn assurancerapport over de uitkomsten van zijn werkzaamheden.

Reviewbeleid Ministerie van Economische Zaken

De Auditdienst van het ministerie van Economische Zaken kan een review uitvoeren op de uitgevoerde accountantscontrole inzake deze subsidie. De accountant, die de controle heeft uitgevoerd, verstrekt de Auditdienst desgevraagd alle inlichtingen en bescheiden4. De eventuele extra kosten van deze accountant in verband met de review zijn niet voor rekening van het ministerie.

Onderzoekstolerantie en gewenste zekerheid

De aan de individuele regels van de rapportage toegerekende onderzoekstolerantie bedraagt maximaal éénhonderdste deel van het verantwoorde percentage. Het onderzoek van de accountant dient er op gericht te zijn om redelijke mate van zekerheid te verkrijgen dat deze tolerantie niet wordt overschreden.

Minimaal uit te voeren onderzoekswerkzaamheden

  • 1. Het beoordelen van de inrichting van de administratie teneinde vast te stellen dat deze als basis kan dienen voor de opstelling van de jaaropgave. Daarbij stelt de accountant vast dat er bij de producent een stelsel van al dan niet geautomatiseerde interne controlemaatregelen aanwezig is, in opzet, bestaan en in werking, waaraan een redelijke mate van zekerheid is te ontlenen dat de opgegeven verhouding geen fouten van materieel belang bevat.

  • 2. Het beoordelen van de opzet van de methode van bemonsteren door de producent (door middel van het inwinnen van inlichtingen van de producent c.q. beoordelen van de relevante AO-beschrijving van de producent) en het vaststellen van bestaan en werking daarvan (door middel van deelwaarnemingen.

  • 3. et vaststellen (door middel van deelwaarnemingen) van correcte verwerking in de administratie, van de resultaten van de bemonsteringen, waaruit de aard en de verhouding van de verwerkte brandstoffen blijkt.

  • 4. Het uitvoeren van een cijfervergelijking tussen de definitieve opgave van de producent en de 4. eerder door de producent gedane maandelijkse opgaven en beoordelen van de toelichting door de producent bij de definitieve opgave op verschillen.

  • 5. Aansluiten van de verantwoorde brandstoffen met de administratie, uitgesplitst naar maand en soort biomassa, waarbij eventuele gecertificeerde stromen als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de regeling dienen te worden onderscheiden van niet gecertificeerde stromen. In het verlengde hiervan stelt de accountant vast in welke verhouding deze brandstoffen zijn verwerkt en of deze verhouding inderdaad heeft geleid tot de percentages opgewekte duurzame elektriciteit zoals deze door de producent of zijn gemachtigde zijn opgegeven. Indien een geëigende methode dient te worden toegepast, stelt de accountant vast of een juiste toepassing is gegeven aan de geëigende methode.

  • 6. Vaststellen dat de definitieve opgave van de producent en de daarin opgenomen verhouding van de verwerkte brandstoffen in honderdste van procenten nauwkeurig is.

Voorbeeld assurancerapport

Naam accountantskantoor

Aan: Opdrachtgever/producent

Assurancerapport

Opdracht

Ingevolge uw opdracht hebben wij het bijgevoegde, door ons gewaarmerkte rapportage betreffende de aard en de verhouding van de in de installatie, bekend onder EAN-code <123456789012345678>, verwerkte brandstoffen met betrekking tot de periode van <datum> t/m <datum> onderzocht op conformiteit met artikel 12a van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit (hierna aangeduid als de regeling),

Deze rapportage is opgesteld onder verantwoordelijkheid van <het bestuur van de vennootschap/de leiding van de huishouding>. Het is onze verantwoordelijkheid om een assurancerapport inzake deze rapportage te verstrekken.

Werkzaamheden

Wij hebben ons onderzoek verricht in overeenstemming met het Nederlands recht, waaronder Standaard 3000 assurance-opdrachten anders dan opdrachten tot controle en beoordeling van historische financiële informatie’ en het onderzoeksprotocol dat als bijlage bij de regeling is gepubliceerd.

Dienovereenkomstig dient het onderzoek zodanig te worden gepland en uitgevoerd dat een redelijke mate van zekerheid wordt verkregen dat de rapportage geen afwijkingen van materieel belang bevat.

Wij zijn van mening dat de door ons verkregen assurance-informatie voldoende en geschikt is voor onze conclusie.

Conclusie

Op grond van onze werkzaamheden concluderen wij dat bovengenoemde de rapportage de aard en de verhouding van de in de installatie verwerkte brandstoffen per maand juist weergeeft, in overeenstemming met de wettelijke bepalingen zoals opgenomen in de artikelen 8 tot en met 12a van de regeling.

Tevens concluderen wij dat de door de <producent/gemachtigde van de producent> op grond van artikel 11, eerste lid, van de regeling meegedeelde percentages <niet> overeenstemmen met de in bovengenoemde rapportage weergegeven verhouding van de brandstoffen ......

{Ingeval van zuivere en 'niet naar haar aard zuivere' biomassa}

<en dat de geëigende methode voor de vaststelling of het in de installatie verwerkte materiaal als zuivere biomassa kan worden aangemerkt ten behoeve van de berekening van de verhouding, op een juiste wijze is toegepast.>

{Ingeval van niet zuivere biomassa}

<en dat de geëigende methode voor de vaststelling van het gedeelte van de in de installatie verwerkte niet-zuivere biomassa dat biologisch afbreekbaar is, ten behoeve van de berekening van de verhouding, op een juiste wijze is toegepast>

Overige informatie

De accountant kan hier overige informatie en uiteenzettingen opnemen die niet als doel hebben afbreuk te doen aan zijn conclusie.

Beperking in gebruik (en verspreidingskring)

Dit assurancerapport is uitsluitend bedoeld ter onderbouwing van het jaarlijks door de directie van de onderneming te verstrekken rapportage aan de garantiebeheerinstantie (artikel 12a van de regeling) en kan derhalve niet voor andere doeleinden worden gebruikt.

Plaats en datum

Ondertekening

TOELICHTING

1. Doel en aanleiding

Met deze regeling worden de Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie (hierna: Algemene uitvoeringsregeling) en de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit (hierna: GvO-regeling) gewijzigd. De wijzigingen in de Algemene uitvoeringsregeling hangen samen met de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2011 (hierna: Aanwijzingsregeling 2011) en met de door dit kabinet gewijzigde opzet van de SDE (SDE+ genaamd).

2. Algemene uitvoeringsregeling

2.1 Duurzaamheidscriteria

In de Algemene uitvoeringsregeling is uitgewerkt hoe kan worden aangetoond dat wordt voldaan aan de duurzaamheidscriteria voor vloeibare biomassa die ingeval er subsidie wordt verstrekt verplicht zijn gesteld in richtlijn nr. 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (PbEU 2009, L 140) (hierna: richtlijn hernieuwbare energie). Op grond van de Aanwijzingsregeling 2011 kan alleen subsidie worden verkregen voor thermische conversie van vloeibare biomassa indien wordt voldaan aan de duurzaamheidscriteria. Om deze verplichting voor subsidie-ontvangers werkbaar te maken is in de Algemene uitvoeringsregeling uitgewerkt hoe de subsidie-ontvangers met de eis moeten omgaan. Dat wordt voldaan aan de duurzaamheidscriteria kan worden aangetoond door certificaten te overleggen die zijn afgegeven op basis van een certificeringssysteem dat door de Europese Commissie is goedgekeurd. De duurzaamheidscertificaten dienen te worden meegestuurd met de duurzaamheidsverklaring, tenzij de informatie over het voldoen aan de duurzaamheidscriteria door CertiQ op verzoek van de producent op de garanties van oorsprong is vermeld.

Op het moment van publicatie van deze regeling zijn enkele systemen voorgelegd aan de Europese Commissie, die momenteel worden getoetst. Er zijn echter nog geen systemen goedgekeurd. Om die reden worden certificeringssystemen die aan de Commissie zijn voorgelegd geaccepteerd, tot het moment dat de Commissie systemen heeft goedgekeurd.

In de toekomst zal de Europese Commissie wellicht standaardwaarden vastleggen voor bepaalde soorten vloeibare biomassa. Voor biomassa die vervaardigd is uit niet van landbouw, aquacultuur, visserij of bosbouw afkomstige afvalstoffen en residuen is een standaardwaarde voldoende om te kunnen bepalen of aan de duurzaamheidscriteria wordt voldaan, omdat de richtlijn hernieuwbare energie bij deze soort biomassa alleen eisen stelt aan de CO2-reductie. In dat geval kan de subsidie-ontvanger volstaan met het overleggen van een biomassaverklaring en is certificering niet noodzakelijk.

2.2 Groen gas hubs

Er zijn bepalingen toegevoegd met betrekking tot groen gas hubs. Het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: Besluit SDE) is aangepast opdat groen gas hubs subsidie kunnen ontvangen in de SDE (Stb. 2011, 132). In deze regeling worden de verplichtingen van de subsidie-ontvanger, onder andere met betrekking tot bemetering van de productie-installaties in een groen gas hub, gespecificeerd. Het kenmerk van een groen gas hub is dat voor het punt of de punten waarop het geproduceerde hernieuwbaar gas op een gasnet wordt ingevoed er faciliteiten, zoals leidingen en een of meerdere opwerkinstallaties, worden gedeeld door meerdere productie-installaties. Bij productie-installaties die geen faciliteiten delen kan volstaan worden met het meten van de hoeveelheid hernieuwbaar gas die wordt ingevoed op het gasnet. Bij groen gas hubs kan daar echter niet mee worden volstaan, omdat dan onduidelijk zou zijn wat de productie is van individuele productie-installaties. Om die reden is in de Algemene uitvoeringsregeling voorzien in specifieke regels voor de bemetering van groen gas hubs.

Doordat productie-installaties die onderdeel zijn van een groen gas hub faciliteiten delen is de kostprijs van de productie van hernieuwbaar gas binnen een groen gas hub lager dan de kostprijs van een vergelijkbare solitaire productie-installatie. Om die reden is het basisbedrag voor productie-installaties van een groen gas hub lager dan voor solitaire productie-installaties. Het is in principe niet wenselijk dat een productie-installatie met een beschikking voor een installatie die geen onderdeel is van een groen gas hub, later alsnog aansluit op een groen gas hub. Op die manier zou er voor de betreffende productie-installatie namelijk te veel subsidie worden ontvangen.

Als een producent met een subsidiebeschikking voor een productie-installatie die geen onderdeel is van een groen gas hub, zich wil aansluiten op een groen gas hub en daarmee afwijkt van zijn projectplan, is dit niet mogelijk zonder toestemming van de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, omdat hij daarmee afwijkt van zijn projectplan en voor afwijking van het projectplan is op grond van het Besluit SDE een ontheffing vereist. Een ontheffing zal worden geweigerd indien door het aansluiten op een groen gas hub voor de productie-installatie te veel subsidie zal worden ontvangen. Het is mogelijk dat voor een solitaire productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas op aanvraag subsidie is verstrekt die niet hoger is dan een subsidie voor een productie-installatie die onderdeel uitmaakt van een groen gas hub. In dat geval is er in beginsel geen reden om een ontheffing voor het afwijken van het projectplan te weigeren waardoor de solitaire productie-installatie kan aansluiten op een groen gas hub.

Indien de productie-installatie volledig wordt gebouwd en er later andere productie-installaties gebruik gaan maken van bijvoorbeeld dezelfde opwerkinstallatie zal dit in beginsel niet leiden tot een te hoge subsidie. Ook in dat geval is er in beginsel geen reden om een ontheffing voor het afwijken van het projectplan te weigeren waardoor de solitaire productie-installatie kan aansluiten op een groen gas hub.

2.3 Uitwerking definitie dezelfde productie-installatie

Op grond van artikel 3 van het Besluit SDE wordt er geen subsidie verstrekt voor dezelfde productie-installatie waar reeds eerder subsidie voor is verstrekt. In artikel 11 van de Algemene uitvoeringsregeling is uitgewerkt wanneer er geen sprake is van dezelfde productie-installatie. Met de wijziging van artikel 11 wordt de mogelijkheid om subsidie te krijgen voor dezelfde productie-installatie ingeperkt, doordat een afwijking in het vermogen niet meer tot gevolg heeft dat de productie-installatie als een nieuwe installatie wordt gezien. Een verandering in het vermogen werd vaak aangegrepen om voor dezelfde productie-installatie opnieuw subsidie te kunnen aanvragen. In de vernieuwde SDE+ (zie de toelichting van de Aanwijzingsregeling 2011) kan men voor een lager basisbedrag een subsidieaanvraag indienen. Om de prikkel voor onrealistische aanvragen te verminderen, wordt de mogelijkheid voor herindiening ingeperkt. Het is in het belang van de aanvrager om een zo goed mogelijke inschatting te maken van het basisbedrag dat hij nodig heeft. Als er een beschikking is afgegeven kan niet nogmaals subsidie worden aangevraagd. Het is vanuit het oogpunt van een efficiënte besteding van overheidsmiddelen onwenselijk om de mogelijkheid open te laten dat de subsidie-ontvanger zijn beschikking inlevert en op een later moment opnieuw subsidie aanvraagt voor een realistisch en hoger basisbedrag met alleen een wijziging in het vermogen van de productie-installatie.

2.4 IJkmoment

Het moment van opdrachtverstrekking voor realisatie van de productie-installatie wordt als ijkmoment geïntroduceerd. Deze opdrachtverstrekking voor het gehele project dient binnen een jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening plaats te vinden. Indien dat niet gebeurt kan de minister de subsidiebeschikking intrekken. De bedoeling van deze wijziging is dat de beschikkingen voor projecten, die weinig of geen voortgang kunnen aantonen in het eerste jaar na afgifte van de beschikking, ingetrokken worden. Het onnodig reserveren van financiële middelen voor dergelijke projecten blijft zodoende qua tijdsduur tot een minimum beperkt. Op het moment dat een aanvrager niet voldoet aan het ijkmoment voor opdrachtverstrekking, maar naar het oordeel van de minister anderszins voldoende voortgang kan aantonen, dan kan de minister evenwel afzien van het intrekken van de beschikking.

2.5 Toegestane biomassastromen

Het aantal biomassastromen dat mag worden meevergist in vergisters met een SDE-beschikking uit 2008, 2009 of 2010 voor de categorieën GFT-vergisting en overige vergisting wordt met ingang van 1 juli 2011 uitgebreid. Sinds het begin van de SDE zijn de toegestane stromen voor deze categorieën geleidelijk uitgebreid naar aanleiding van voortschrijdend inzicht. Omdat er geen bezwaren zijn om deze biomassastromen voor bestaande installaties ook toe te staan en het voor de producent een voordeel is om meer biomassastromen te kunnen gebruiken, wordt de lijst met toegestane stromen ook voor vergisters met een subsidiebeschikking uit 2008, 2009 of 2010 uitgebreid.

2.6 Overige wijzigingen

Op grond van de wijziging van het Besluit SDE per 1 juli 2011 worden voorschotten ambtshalve verstrekt. Om die reden kunnen de bepaling over het aanvragen van een voorschot (artikel 8, eerste lid) en het daarvoor vastgestelde formulier (bijlage 4) vervallen.

Voorts vervallen de bepalingen met betrekking tot de subsidieverstrekking voor warmtekrachtkoppeling, omdat de bepalingen niet meer nodig zijn nu er geen subsidie voor warmtekrachtkoppeling wordt verstrekt binnen de SDE+ (Kamerstukken II 2010/11, 31 239, nr. 103) en er in het verleden geen subsidie is verstrekt voor warmtekrachtkoppeling.

3. GVO-regeling

3.1 Uitbreiding definitie nuttig aangewende warmte

In de GvO-regeling is een definitie van nuttig aangewende warmte vastgelegd. Indien bij de productie van duurzame elektriciteit, restwarmte nuttig wordt aangewend, wordt dit vermeld op de Garantie van Oorsprong. Bij uitbetaling van SDE-subsidie wordt van die informatie gebruik gemaakt. Het subsidiebedrag is in sommige gevallen afhankelijk van de hoeveelheid nuttig aangewende warmte. Uit de definitie van nuttig aangewende warmte wordt één van de uitzonderingsgronden die niet als nuttig aangewende warmte werd aangemerkt geschrapt. Het drogen van eindproducten van energieproductie wordt vanaf heden aangemerkt als nuttig aangewende warmte. Daardoor wordt bijvoorbeeld het drogen van digestaat, dat vrijkomt bij vergisting, gezien als nuttig aangewende warmte.

Deze wijziging is het gevolg van het besluit van het kabinet om over te stappen van de Nederlandse duurzame energie doelstelling uit ‘Schoon en Zuinig’ naar de duurzame energiedoelstelling die in Europees verband is afgesproken. Beide doelstellingen hebben een verschillende definitie. De ‘Schoon en Zuinig- doelstelling’ ging uit van vermeden primaire energie. Daarvoor telde het drogen van eindproducten van energieproductie niet mee. De Europese doelstelling gaat uit van bruto eindverbruik van energie. Daarvoor telt het drogen van eindproducten van energieproductie wel mee. Zodoende is deze toepassing door onderhavige wijzigingsregeling aangemerkt als het nuttig aanwenden van warmte.

3.2 AVI meetvoorwaarden

Voorheen werd van beheerders van afvalverbrandingsinstallaties verlangd dat zij een relevant aantal steekproeven namen van het gebruikte afval, op grond waarvan de calorische waarde werd bepaald. In combinatie met de geproduceerde elektriciteit werd dan het rendement bepaald. In de AVI meetvoorwaarden was een alternatieve meting opgenomen. Met deze alternatieve meting kon op basis van metingen van energiestromen in de installatie het rendement van de installatie worden bepaald. Steekproeven dienden ter controle van de alternatieve meting. In de praktijk is het echter standaard geworden om de alternatieve meting te gebruiken. Deze heeft een hogere nauwkeurigheid dan steekproefname. In acht nemende dat de indirecte methode voldoende betrouwbaar is en deze in de praktijk wordt toegepast, is de eis van steekproefname uit het AVI meetprotocol verwijderd. Dit vermindert de administratieve last van het beheer van afvalverbrandingsinstallaties waarvoor subsidie wordt ontvangen.

3.3 Overige wijzigingen

Aan de eis dat een assurancerapport moet worden overlegd, wordt toegevoegd dat dit rapport van een externe accountant moet zijn, om belangenverstrengeling te voorkomen. In de praktijk zijn de assurancerapporten die subsidie-ontvangers overleggen reeds van externe accountants, maar dit was nog niet expliciet vastgelegd in de GvO-regeling.

Voorts is per 1-1-2011 de GvO-regeling zodanig gewijzigd dat installaties kleiner dan 2 MW niet meer jaarlijks een assurancerapport hoeven overleggen, maar kunnen volstaan met een meetrapport. In onderhavige wijziging wordt geregeld dat producenten in de overgangsperiode, 2010 en 2011, nog een assurancerapport moeten overleggen, indien zij geen meetrapport kunnen overleggen.

In artikel 5, zesde lid, van de GvO-regeling is de eis vervallen dat het gewogen maandelijks rendement van een AVI op de GvO dient te worden vermeld. De reden hiervoor is dat het boeken van GvO’s pas mogelijk is als het gewogen maandelijks rendement bekend is. In de praktijk levert dit met name problemen op voor de GvO’s met betrekking tot productie in de eerste maanden van een periode. Op het moment dat die GvO’s afgegeven konden worden was de geldigheidsduur van de GvO’s bijna verstreken. Door het vervallen van artikel 5, zesde lid, van de GvO-regeling wordt dit probleem opgelost. De garantiebeheerinstantie houdt het gewogen maandelijks rendement nog wel bij, omdat dit van belang is voor de subsidieverstrekking op grond van het Besluit SDE.

Ten slotte is de sanctie gewijzigd voor het te laat of niet reageren op een herstelmogelijkheid, bij een meetrapport of assurancerapport dat niet aan de eisen voldoet. In de regeling was geregeld dat, indien het meetrapport of assurancerapport te laat is ingeleverd, GvO’s worden afgeboekt voor het aantal maanden dat het meetrapport te laat is ingeleverd. Indien men echter wel een meetrapport en assurancerapport had ingeleverd, die niet aan de eisen voldeden en men reageerde niet op tijd op het verzoek tot herstel, werd een volledig jaar aan GvO’s afgeboekt. Omdat deze sanctie onevenredig zwaar is, wordt deze gelijk getrokken aan de sanctie voor het te laat inleveren van het meetrapport of assurancerapport.

4. Administratieve lasten

4.1 Uitvoeringsregeling

Bij de publicatie van de Algemene uitvoeringsregeling (Stcrt. 2008, 44) en een wijziging van de Algemene uitvoeringsregeling (Stcrt. 2009, 60) zijn de administratieve lasten zoals die samenhangen met het Besluit SDE en de onderliggende regelgeving die daarop is gebaseerd uitgebreid toegelicht. De administratieve lasten zijn destijds per € 100 miljoen open te stellen subsidiebudget bepaald, zodat de daadwerkelijke hoogte van de administratieve lasten die samenhangen met de openstelling van de subsidieregelingen eenvoudig per openstelling bepaald kunnen worden. Omdat zon-pv projecten qua investeringskosten en administratieve lasten over het algemeen sterk zullen afwijken van projecten uit de andere categorieën, zijn voor zon-pv projecten de administratieve lasten afzonderlijk bepaald.

De duurzaamheidscriteria voor thermische conversie gelden alleen voor vloeibare biomassastromen in installaties met een subsidiebeschikking uit 2011 of later in de categorie thermische conversie van biomassa. Slechts een klein gedeelte van de toegestane biomassastromen is vloeibaar. Bovendien zijn slechts vloeibare afvalstromen toegestaan, waarvoor slechts een CO2-reductienorm geldt. Producenten waren al verplicht jaarlijks een verklaring over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa te overleggen. De verklaring wordt met deze wijziging tevens gebruikt om aan te tonen dat aan de duurzaamheidscriteria wordt voldaan. Naar verwachting zal de Europese Commissie voor bovengenoemde afvalstromen standaardwaarden vaststellen, waardoor de duurzaamheidsverklaring geen additionele informatie hoeft te bevatten. Hier komen daarom geen extra administratieve lasten uit voort.

Voor groen gas hubs worden extra eisen gesteld aan de bemetering. Producenten die samenwerken in een groen gas hub, verdelen de opbrengsten van de verkoop van hernieuwbaar gas over de verschillende producenten op basis van metingen van hun ruw biogasproductie. Bij de meeteisen in deze regeling is aangesloten bij de metingen die reeds voor de verdeling van de opbrengsten door de producenten worden uitgevoerd. Hierover is overleg gevoerd met verschillende initiatiefnemers van groen gas hubs. Door aan te sluiten bij de bestaande wijze van bemetering van groen gas hubs komt ook uit deze wijziging geen verandering in de administratieve lasten voort.

Het aanscherpen van de bepaling wanneer er geen sprake is van dezelfde productie-installatie, specificatie van het projectplan,en het laten vervallen van bepalingen rondom WKK leveren tevens geen wijziging in de hoogte van de administratieve lasten op. De aanpassingen aan het uniform subsidiekader zijn reeds gemaakt in het Besluit SDE (Stb. 2011, 132) en worden in de uitvoeringsregeling verder doorgevoerd. De reductie van de administratieve lasten van 0,18% naar 0,17% per € 100 miljoen subsidiebudget die hier uit voortkomt is verrekend bij wijziging van het Besluit SDE.

Voor alle categorieën, exclusief zon-pv zullen de totale administratieve lasten per 100 miljoen euro subsidiebudget € 172.370,– bedragen. Voor de kleinschalige categorie zon-pv bedragen de totale administratieve lasten per € 100 miljoen subsidiebudget voor niet particulieren nog steeds maximaal € 770.320,– (daarbij wordt ervan uitgegaan dat de niet particulieren de helft van het opengestelde subsidiebudget voor hun rekening nemen). Uitgedrukt in een percentage per € 100 miljoen subsidiebudget is dit 1,54%. Voor particulieren zijn de administratieve lasten nog steeds 43.290 uur (waarbij ervan wordt uitgegaan dat de particulieren de helft van het opengestelde subsidiebudget krijgen toegewezen). Per gehonoreerde aanvraag is dit 5,2 uur. Voor de middelgrote categorie zon-pv zullen de totale administratieve lasten per 100 miljoen euro subsidiebudget nog steeds € 553.000,– bedragen, waarvan € 10.500,– voor de afgewezen aanvragen. Uitgedrukt in een percentage per € 100 miljoen subsidiebudget zijn de administratieve lasten van de regeling voor de categorie middelgrote zon-pv indicatief berekend maximaal ca. 0,55%.

4.2 GvO-regeling

Uit de wijzigingen in de GvO-regeling vloeien geen additionele administratieve lasten voort.

De uitbreiding van de definitie van nuttige warmte geeft slechts extra mogelijkheden om warmte nuttig in te zetten en heeft geen invloed op de administratieve lasten.

Door de wijziging van de AVI meetvoorwaarden worden de administratieve lasten voor AVI’s verlaagd. Doordat er geen steekproefname meer gedaan hoeft te worden, worden acht werkuren per jaar per AVI bespaard. Er wordt gerekend met een uurloon van € 60,–. De kosten van een sorteerproef bedroegen ongeveer € 10.000,– op jaarbasis. Zodoende worden de administratieve lasten voor een AVI met € 10.480,– verlaagd. Er staan zes AVI’s geregistreerd bij CertiQ. De totale jaarlijkse verlaging van de administratieve lasten is daarom € 62.880,–.

De overige wijzigingen hebben geen invloed op de administratieve lasten. De eis dat een accountant een externe accountant moet zijn, sluit aan bij de praktijk dat partijen vrijwel altijd gebruik maken van een externe accountant. Met deze wijziging wordt eventueel misbruik in de toekomst voorkomen. De mogelijkheid om voor 2010 of 2011 nog een assurancerapport te kunnen overleggen in plaats van een meetrapport, geeft een extra keuzemogelijkheid en is niet van invloed op de administratieve lasten. Ten slotte heeft de wijziging van de sanctie bij het te laat reageren op een herstelmogelijkheid van het meetrapport of assurancerapport geen effect op de administratieve lasten.

5. Vaste verandermomenten

Bij de inwerkingtreding van deze regeling wordt afgeweken van het kabinetsstandpunt inzake de vaste verandermomenten. Weliswaar treedt de regeling in werking op 1 juli, een vast verandermoment, maar de regeling is niet de vereiste twee maanden van tevoren gepubliceerd. Afwijking van het kabinetsstandpunt is in dit geval toegestaan omdat er sprake is van private en publieke voordelen bij een eerdere de invoering (uitzonderingsgrond 1). Deze regeling heeft een directe relatie met de subsidieverstrekking vanaf 1 juli 2011 op grond van de Aanwijzingsregeling 2011. Voorts worden door middel van deze regeling voor enkele subsidie-ontvangers de administratieve lasten verlaagd.

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M.J.M. Verhagen.


X Noot
1

Naamloze vennootschap, maatschap, besloten vennootschap, commanditaire vennootschap, coöperatieve vereniging, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging, stichting, Europees economisch samenwerkingsverband, eenmanszaak.

X Noot
2

Dit dient dezelfde code te zijn als de code waarop uw hernieuwbaar gas- of hernieuwbare elektriciteitsproductie wordt gemeten.

X Noot
1

Naamloze vennootschap, maatschap, besloten vennootschap, commanditaire vennootschap, coöperatieve vereniging, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging, stichting, Europees economisch samenwerkingsverband, eenmanszaak.

X Noot
2

Dit dient dezelfde code te zijn als de code waarop uw hernieuwbaar gas productie wordt gemeten.

X Noot
1

Indien u een particulier bent vult u hier uw volledige naam in. Vraag 1b en 1c slaat u dan over.

X Noot
2

Naamloze vennootschap, maatschap, besloten vennootschap, commanditaire vennootschap, coöperatieve vereniging, onderlinge waarborgmaatschappij, vereniging, stichting, Europees economisch samenwerkingsverband, eenmanszaak.

X Noot
3

Dit dient dezelfde code te zijn als de code waarop garanties van oorsprong of certificaten worden geregistreerd of het hernieuwbare gas wordt gemeten.

X Noot
1

www.Nivra.nl

X Noot
2

Tennet heeft deze taak belegd bij CERTIQ B.V., een specifiek voor de uitvoering van deze taak opgerichte rechtspersoon.

X Noot
3

3000 assurance-opdrachten anders dan opdrachten tot controle of beoordeling van historische financiële informatie.

X Noot
4

Krachtens de Comptabiliteitswet 2001 (artikelen 43, 43a) heeft de Minister – bij commanditaire vennootschappen, vennootschappen onder firma en natuurlijke personen die een beroep of bedrijf uitoefenen aan wie door de Staat of een derde voor rekening of risico van de Staat rechtstreeks of middellijk een subsidie, een lening of garantie wordt verstrekt – het recht nadere inlichtingen in te winnen n.a.v. terzake ontvangen bescheiden.

Ook zijn onze Ministers bevoegd inzage te vorderen in de controledossiers van de accountant die de betreffende bescheiden heeft gecontroleerd om te bepalen of bij de vaststelling kan worden gesteund op de door deze accountant uitgevoerde controle. Met betrekking tot het verlenen van inzage in het controledossier kan de accountant zich niet beroepen op de omstandigheid dat hij op grond van andere bij of krachtens de wet opgelegde verplichtingen tot geheimhouding is verplicht van in dit dossier opgenomen vertrouwelijke gegevens. Onze Ministers zijn bevoegd van stukken inzake de betreffende controle uit de controledossiers kopieën te maken.