Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatsblad 2011, 132AMvB

Besluit van 26 februari 2011 tot wijziging van het Besluit stimulering duurzame energieproductie onder meer in verband met de stimulering van biogashubs

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie van 8 november 2010, nr. WJZ / 10162931;

Gelet op artikel 3 van de Kaderwet EZ-subsidies;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 17 december 2010, nr. W15.10.0512/IV);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van 21 februari 2011, nr. WJZ / 11003479;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit stimulering duurzame energieproductie wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1, eerste lid, onderdeel n, komt te luiden:

n. gebundelde aanvraag:

de bundeling van maximaal 250 aanvragen om subsidieverlening vallend binnen één subsidieplafond in één aanvraag om subsidieverlening;.

B

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid wordt «vijf jaar, of indien op grond van artikel 61, eerste lid, bij ministeriële regeling een kortere termijn wordt vastgesteld waarbinnen de productie-installatie in gebruik moet worden genomen, de in die regeling vastgestelde termijn,» vervangen door: binnen een bij ministeriële regeling vast te stellen termijn.

b. In het tweede lid wordt «eenmaal» vervangen door: maximaal driemaal.

c. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 3. In afwijking van het eerste lid kan bij ministeriële regeling worden bepaald dat de datum van aanvang van de periode waarover de subsidie wordt verstrekt wordt bepaald door de datum waarop de subsidie-ontvanger de productie-installatie daadwerkelijk in gebruik neemt, mits deze datum valt binnen de op grond van artikel 61, eerste lid, bij ministeriële regeling bepaalde periode. Indien de productie-installatie niet binnen de op grond van artikel 61, eerste lid, bij ministeriële regeling bepaalde periode in gebruik wordt genomen is de dag na afloop van deze periode de datum van aanvang van de periode waarover subsidie wordt verstrekt.

C

In artikel 32, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt na «op een gasnet heeft ingevoed» ingevoegd: of heeft laten invoeden.

D

In artikel 40, eerste lid, onderdeel a, onder 1°, wordt na «op een gasnet heeft ingevoed» ingevoegd: of heeft laten invoeden.

E

Artikel 56, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

a. De tweede volzin komt te luiden: Onze Minister kan bij ministeriële regeling een of meer categorieën productie-installaties aanwijzen waarvoor een gebundelde aanvraag kan worden ingediend.

b. Er wordt een volzin toegevoegd, luidende: Bij ministeriële regeling kan voor een categorie productie-installaties worden bepaald dat per openstellingsperiode per adres waarop een productie-installatie is of wordt geplaatst maximaal één aanvraag kan worden ingediend.

F

Artikel 59 wordt als volgt gewijzigd:

a. Voor de tekst wordt de aanduiding «1.» geplaatst.

b. Er wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 2. Bij ministeriële regeling kan voor een categorie productie-installaties worden bepaald dat Onze Minister afwijzend beslist op een aanvraag indien op het moment van indienen van de aanvraag geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie is verkregen voor het plaatsen van de productie-installatie.

G

Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:

a. In het eerste lid worden de onderdelen a en b vervangen door:

  • a. het tenderbedrag per kWh of per Nm3 lager is;

  • b. het kortingspercentage hoger is;.

b. In het tweede lid, onderdeel b, wordt «het eerste lid, onderdelen c, d en e» vervangen door: het eerste lid.

H

In artikel 61, eerste lid, vervalt «en bedraagt ten hoogste vijf jaar».

I

Artikel 63 wordt als volgt gewijzigd:

a. De aanhef van het eerste lid komt te luiden: In de beschikking tot subsidieverlening kan aan de subsidie-ontvanger de verplichting tot het indienen van ten hoogste één maal per kalenderjaar van een tussentijds voortgangsverslag worden opgelegd dat betrekking heeft op:.

b. In het tweede lid wordt «de rapportageverplichting» vervangen door: het tussentijds voortgangsverslag.

J

Artikel 66 komt te luiden:

Artikel 66

  • 1. Voor een subsidie waarvoor een beschikking tot subsidieverlening geldt, verstrekt Onze Minister ambtshalve maximaal één maal per jaar een voorschot.

  • 2. Onze Minister verstrekt het eerste voorschot aan een subsidie-ontvanger die hernieuwbare elektriciteit opwekt en aan een subsidie-ontvanger die elektriciteit door middel van warmtekrachtkoppeling opwekt niet eerder dan nadat de subsidie-ontvanger een rekening, bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder y, van de Elektriciteitswet 1998, bij de garantiebeheerinstantie heeft geopend.

K

Artikel 67 wordt als volgt gewijzigd:

a. Het eerste lid, onderdeel a, komt te luiden:

  • a. het in de beschikking tot subsidieverlening per kalenderjaar vastgestelde maximum aantal kWh, en.

b. Het tweede lid, onder a, komt te luiden:

  • a. het in de beschikking tot subsidieverlening per kalenderjaar vastgestelde maximum aantal Nm3 aardgasequivalent, en.

c. Het derde, lid, onder a, komt te luiden:

  • a. het in de beschikking tot subsidieverlening per kalenderjaar vastgestelde maximum aantal kWh, en.

L

Artikel 68, eerste lid, onder a, komt te luiden:

  • a. het aantal kWh of Nm3 aardgasequivalent dat volgens de beschikking tot subsidieverlening in het kalenderjaar waarop het voorschot betrekking heeft voor subsidie in aanmerking komt, en.

M

In artikel 69 wordt «Onze Minister beschikt afwijzend op een aanvraag om een voorschot,» gewijzigd in: Onze Minister verstrekt geen voorschot.

ARTIKEL II

Dit besluit treedt in werking met ingang van 1 juli 2011.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

’s-Gravenhage, 26 februari 2011

Beatrix

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen

Uitgegeven de zeventiende maart 2011

De Minister van Veiligheid en Justitie,

I. W. Opstelten

NOTA VAN TOELICHTING

I. Algemeen

1. Doel, aanleiding en inhoud

Met het onderhavige besluit wordt het Besluit stimulering duurzame energieproductie (verder het Besluit SDE) op een aantal punten gewijzigd. Aanleiding hiervoor is de toezegging aan de Tweede Kamer om het subsidiëren van biogashubs (dat wil zeggen een verzameling van productie-installaties van ruw biogas die met gezamenlijke faciliteiten het gas opwerken en invoeden op het gasnet) binnen de SDE mogelijk te maken. Biogashubs zijn een nieuw fenomeen in Nederland. Op basis van het Besluit SDE wordt sinds 2008 groen gas gesubsidieerd. Daarop zijn initiatieven in de markt ontstaan om een deel van de installatie te delen met meerdere producenten om zodoende schaalvoordelen te behalen. Het Besluit SDE gaf echter geen ruimte voor gedeelde faciliteiten. Zodoende zijn er nog geen biogashubs. Er bestaan echter wel verschillende initiatieven om een biogashub op te zetten. Enkele van deze projecten zijn al ver in het ontwikkelingsproces en kunnen waarschijnlijk in 2011 SDE aanvragen, mits het Besluit SDE hiervoor wordt aangepast.

Vergisters of andere installaties aangesloten op een biogashub produceren hernieuwbaar gas. Deze vergisters delen de faciliteiten die het gas opwerken en invoeden op het gasnet. Tot op heden was het produceren van ruw hernieuwbaar gas, dat door een gedeelde faciliteit werd opgewerkt en ingevoed niet subsidiabel, omdat de producent van dit ruwe hernieuwbare gas het opgewerkte gas niet zelf invoedt op het gasnet. Deze wijziging van het Besluit SDE zorgt ervoor dat installaties aangesloten op een biogashub, die het hernieuwbare gas door een ander laten invoeden op het gasnet, wel in aanmerking komen voor subsidie. Indien de producent kiest voor gedeelde faciliteiten, danwel inhuur bij derden, dan zorgt dit ervoor dat hij de kosten voor deze faciliteiten niet meer alleen hoeft te dragen. In plaats van zelf faciliteiten te realiseren, dient de producent slechts een meter aan te schaffen die aantoont hoeveel gas hij invoedt op deze gemeenschappelijke faciliteit en afspraken te maken met de exploitant van de gemeenschappelijke faciliteit over het registeren van het op het gasnet ingevoede gas.

Tevens worden enkele kleinere wijzigingen doorgevoerd die de uitvoering vergemakkelijken en een eerlijke subsidieverlening bevorderen. Zo wordt de mogelijkheid opgenomen om de periode waarbinnen de productie-installatie in gebruik moet zijn genomen vast te stellen op een periode langer dan vijf jaar. Een langere periode kan wenselijk zijn voor zeer grootschalige projecten. De periode van ingebruikname wordt per categorie productie-installaties voorgeschreven bij ministeriële regeling, indien afgeweken wordt van de periode van vijf jaar. Ook wordt het aantal mogelijkheden om de startdatum van de subsidie te wijzigen verruimd van één naar drie keer. Het inschatten van de juiste startdatum van projecten blijkt bij aanvraag van de subsidie vaak moeilijk. De maximumtermijn waarbinnen de subsidieperiode aanvangt blijft gelijk. Daarnaast wordt het mogelijk gemaakt om de datum dat de productie werkelijk start als startdatum op te geven, mits dit voor een categorie bij ministeriële regeling is aangegeven. Als de installatie niet in gebruik wordt genomen binnen de maximale realisatietermijn, geldt de uiterste datum van deze maximale realisatietermijn als startdatum. Verder wordt in het besluit de mogelijkheid toegevoegd om voor een categorie slechts één aanvraag per adres te accepteren in de betreffende openstellingsperiode.

Dit voorkomt dubbele aanvragen die veelal worden gedaan om bij loting meer kans te maken op subsidie. Zodoende maakt iedere aanvrager een gelijke kans op toekenning en wordt de kans op projecten die niet worden uitgevoerd verkleind. Tenslotte wordt in het besluit de eis opgenomen dat subsidieaanvragers voorafgaand aan de aanvraag van de subsidie toestemming hebben van de eigenaar van de locatie waar de installatie wordt geplaatst. Dit biedt meer zekerheid dat een project gerealiseerd kan worden.

Tot slot wordt het Besluit aangepast aan de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Op 1 januari 2010 zijn de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking van kracht geworden. Deze aanwijzingen zijn van toepassing op alle subsidieregelgeving van de rijksoverheid. Het Besluit SDE voldoet reeds voor een groot deel aan deze aanwijzingen, enkel op een paar punten wijkt het Besluit SDE af. Met de onderhavige wijziging wordt het Besluit SDE op deze punten aangepast, zodat het besluit volledig in lijn is met de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking. Deze punten betreffen de voorschotverstrekking en de rapportage verplichting. De wijzigingen zijn zowel van toepassing op nieuwe aanvragers als reeds bestaande SDE-beschikkingen. De rapportageverplichting in artikel 63 wordt gewijzigd in tussentijds voortgangsrapport. Tevens wordt opgenomen dat een dergelijk rapport eenmaal per kalenderjaar mag worden gevraagd. De voorschotten worden met de wijziging van artikel 66 niet meer op aanvraag verstrekt, maar ambtshalve. Dit leidt tot een verlaging van de administratieve lasten. In de beschikking tot subsidieverlening is per kalenderjaar het maximale aantal kWh of Nm3 opgenomen dat voor subsidie in aanmerking komt. Dat aantal wordt nu ook gebruikt om de hoogte van het jaarlijkse voorschot te berekenen.

2. Administratieve lasten

De wijzigingen in het Besluit SDE leveren een kleine verlaging van de administratieve lasten op.

Het mogelijk maken van de subsidiëring van biogashubs betreft een versoepeling en nadere explicitering van de bestaande toelatingseisen, zonder dat de informatieverplichtingen voor de subsidieontvangers veranderen. Het mogelijk maken van de subsidiëring van biogashubs heeft daarom geen effect op administratieve lasten.

Met de aanpassing van het Besluit SDE aan de Aanwijzingen voor subsidieverstrekking worden de administratieve lasten wel licht gereduceerd. Uitgaande van alle categorieën, behalve zon-pv, zullen naar verwachting maximaal 14 subsidieaanvragen per € 100 miljoen beschikbaar subsidiebudget worden ingediend. Voor zon-pv bevatte het aanvraagformulier tevens de aanvraag voor de bevoorschotting. De lasten voor zon-pv blijven daarom onveranderd. Voor de overige categorieën bedroegen de lasten om voorschotten aan te vragen voor de eerste aanvraag 1 uur en voor vervolgaanvragen maximaal 30 minuten. Vervolgaanvragen konden sneller worden ingediend omdat de standaardgegevens van de aanvrager in dat geval reeds voor ingevuld waren door Agentschap NL. Dit laatste gebeurde voor alle jaarlijkse vervolgaanvragen. De subsidieperiode kan per categorie verschillen, maar bedraagt thans maximaal 15 jaar (afhankelijk van de technische levensduur van de installatie). De totale lasten die gemoeid waren met het verkrijgen van voorschotten bedroegen maximaal: aantal gehonoreerde aanvragen * (eerste voorschotverzoek * aantal uur + tweede t/m vijftiende voorschotverzoek * aantal uur) * uurtarief, te weten € 6.720,– per € 100 miljoen beschikbaar subsidiebudget. De wijziging leidt dan ook tot een reductie van de administratieve lasten met € 6.720,– per € 100 miljoen verleend en in de toekomst nog te verlenen subsidiebudget. Voorafgaande aan deze wijziging bedroegen de totale administratieve lasten voor alle categorieën, met uitzondering van zon-pv klein, € 179.090,– per € 100 miljoen opengesteld subsidiebudget. Deze totale administratieve lasten dalen als gevolg van deze wijziging tot € 172.370,–. Uitgedrukt in een percentage per € 100 miljoen opengesteld subsidiebudget zijn de administratieve lasten van de regeling, exclusief de categorie zon-pv, indicatief berekend op maximaal ca. 0,17%.

3. Staatssteun

In 2007 is het Besluit SDE aangemeld bij en goedgekeurd door de Europese Commissie onder steunmaatregel nr. N 478/2007 – Nederland «Stimulering van duurzame energie, wijziging en verlenging van de MEP-regeling (N 707/02) en MEP stimulering warmtekrachtkoppeling (N 543/05)». Daarbij is het Besluit getoetst op mogelijke staatssteun. De voorliggende wijziging van het Besluit SDE heeft hierop geen invloed en behoeft zodoende niet aangemeld te worden bij de Europese Commissie.

De kosten voor de productie van duurzame elektriciteit of gas (basisbedrag) met een specifieke technologie worden door ECN (Energie Centrum Nederland) berekend. De subsidie wordt bepaald door van het basisbedrag de inkomsten uit de geproduceerde energie af te trekken, te weten: de elektriciteitsprijs en de prijs van garanties van oorsprong (voor elektriciteit) of groengascertificaten, die jaarlijks worden vastgesteld door ECN. Zo wordt oversubsidiëring voorkomen. De investeringskosten zijn verwerkt in het basisbedrag per kWh. Dit is zodanig gedaan dat als de installatie jaarlijks de maximale subsidie int over de volledige subsidieperiode (deze is afhankelijk van de technologie 12 tot 15 jaar) de installatie volledig is afgeschreven. De nu voorliggende wijziging om biogashubs te faciliteren in het Besluit SDE tast deze systematiek niet aan. Het wordt alleen mogelijk gemaakt om faciliteiten te delen. Indien dit kostenvoordelen oplevert, komt dit terug in de kostenberekeningen door ECN. Geen van de overige wijzigingen heeft direct effect op de kosten of opbrengsten van de geproduceerde duurzame energie en zodoende op eventuele staatsteun.

Uit de activiteiten van de biogashubs en de aangesloten installaties komt groen gas voort dat wordt ingevoed in het aardgasnetwerk. De grondstoffen die daarvoor gebruikt mogen worden staan op een limitatieve lijst van biomassastromen waarvan het duurzaamheidsrisico zeer beperkt is (voornamelijk afvalstromen). Groengasproductie op basis van de betreffende biomassastromen was al mogelijk onder het Besluit SDE. Het milieuvoordeel en de milieuduurzaamheid van energieproductie uit de betreffende biomassastromen zijn evident.

II. Artikelen

Artikel I

Onderdeel A (artikel 1, eerste lid, onderdeel n)

De wijziging van de definitie van «gebundelde aanvraag» hangt samen met de mogelijkheid dat voor één categorie productie-installaties meerdere subsidieplafonds worden vastgesteld en met de mogelijkheid dat één subsidieplafond wordt vastgesteld voor meerdere categorieën productie-installaties. In dat laatste geval vervalt door de wijziging van deze definitie de beperking dat een gebundelde aanvraag betrekking heeft op verschillende categorieën productie-installaties zolang deze categorieën maar allen binnen hetzelfde subsidieplafond vallen. Dit kan van belang zijn voor biogashubs waarop vergistingsinstallaties vallend onder verschillende categorieën worden aangesloten.

Onderdeel B (artikel 6)

De formulering van het eerste lid van artikel 6 schrijft voor dat altijd bij ministeriële regeling wordt bepaald binnen welke termijn na afgifte van de beschikking tot subsidieverlening de periode waarover subsidie wordt verstrekt uiterlijk aanvangt. Deze termijn hoeft door de formulering van het eerste lid van artikel 6 niet meer vijf jaar of korter te zijn, maar kan ook langer zijn. Een langere periode kan wenselijk zijn bij zeer grootschalige projecten.

In het tweede lid van artikel 6 is bepaald dat het tijdstip van aanvang waarover subsidie wordt verstrekt op verzoek van de subsidie-ontvanger maximaal driemaal kan worden gewijzigd. Voorheen kon het tijdstip slechts eenmaal worden gewijzigd.

Het derde lid maakt het mogelijk bij ministeriële regeling te bepalen dat de datum van aanvang van de periode waarover subsidie wordt verstrekt niet bij de aanvraag hoeft te worden aangegeven en in de beschikking moet worden overgenomen. In plaats daarvan wordt het tijdstip in zo’n geval bepaald door de feitelijke gebeurtenis van het daadwerkelijk in gebruik nemen van de productie-installatie, mits deze datum valt binnen de op grond van artikel 61, eerste lid, bepaalde periode. Wordt de productie-installatie later in gebruik genomen dan vangt de periode waarover subsidie wordt verstrekt aan op de dag na afloop van de op grond van artikel 61, eerste lid, bepaalde periode.

Onderdelen C en D (artikelen 32, eerste lid, onderdeel a, onder 1° en 40, eerste lid, onderdeel a, onder 1°)

De wijziging van de artikelen 32 en 40 heeft tot gevolg dat niet langer alleen subsidie kan worden verkregen door de producent van hernieuwbaar gas die zelf het gas invoedt op een gasnet. Ook de producent van hernieuwbaar gas die een ander inschakelt om (het gas op te werken tot de kwaliteit waarmee het mag worden ingevoed op een gasnet en) het gas in te voeden op een gasnet kan subsidie ontvangen. De hoogte van de subsidie wordt op dezelfde manier berekend als de subsidie voor de producent die zelf zorgt voor invoeding van het hernieuwbare gas op een gasnet. Deze wijziging maakt het mogelijk subsidie te verlenen aan producenten van hernieuwbaar gas die hun productie-installatie aansluiten op een biogashub, waarbij de biogashub opwerkvoorzieningen biedt die het opgewerkte hernieuwbare gas invoeden op een gasnet.

Onderdeel E (artikel 56, eerste lid)

De wijziging in de tweede volzin van artikel 56, eerste lid, hangt samen met de wijziging van de definitie van «gebundelde aanvraag» in artikel 1, eerste lid, onderdeel n (Artikel I, onderdeel A). De wijziging houdt rekening met de mogelijkheid dat één subsidieplafond wordt vastgesteld voor meerdere categorieën productie-installaties en het wenselijk kan zijn in zo’n geval productie-installaties die onder verschillende categorieën vallen hun aanvraag te laten bundelen.

De toevoeging aan het eind van artikel 56, eerste lid, maakt het mogelijk te voorkomen dat in een openstellingsperiode dubbele aanvragen worden ingediend om meer kans te maken op subsidieverlening. Bij ministeriële regeling kan voor een bepaalde categorie productie-installaties worden bepaald dat maximaal één aanvraag per adres waarop een productie-installatie is of wordt geplaatst, kan worden ingediend. Aanvragers die een grote productie-installatie willen plaatsen die meerdere adressen beslaat (bijvoorbeeld op een gezamenlijk dak) kunnen een gebundelde aanvraag indienen.

Onderdeel F (artikel 59, tweede lid)

Deze wijziging maakt het mogelijk bij ministeriële regeling te bepalen dat voor een bepaalde categorie productie-installaties de aanvraag wordt afgewezen indien op het moment van indiening van de aanvraag geen toestemming van de eigenaar van de beoogde locatie is verkregen voor het plaatsen van de productie-installatie.

Onderdeel G (artikel 60)

De rangschikkingscriteria in onderdelen a en b van het eerste lid worden ruimer geformuleerd. Hierdoor kan onderdeel a niet langer alleen gebruikt worden ten aanzien van hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbaar gas, maar kan het tenderbedrag per kWh of per Nm3 altijd worden gebruikt als rangschikkingscriterium. Ook de hoogte van het kortingspercentage kan altijd worden gebruikt bij de rangschikking, en niet alleen meer voor elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling (WKK).

De wijziging van artikel 60, tweede lid, maakt dat bij ministeriële regeling regels kunnen worden vastgesteld met betrekking tot de toepassing van alle rangschikkingscriteria in het eerste lid. Voorheen waren de onderdelen a en b altijd van toepassing, maar door deze wijziging kunnen ook deze criteria «aan- en uitgeschakeld» worden. Per categorie productie-installaties kan worden bepaald op grond van welke van de in het eerste lid genoemde criteria de aanvragen worden gerangschikt.

Onderdeel H (artikel 61, eerste lid)

In overeenstemming met de wijziging van artikel 6 wordt ook de periode waarbinnen de subsidie-ontvanger de productie-installatie in gebruik moet nemen niet langer beperkt tot vijf jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening. Bij zeer grootschalige projecten kan een langere periode wenselijk zijn.

De Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

M. J. M. Verhagen


XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbijbehorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.