Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Economische ZakenStaatscourant 2008, 44 pagina 12Overig

Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie

Regeling van de Minister van Economische Zaken van 28 februari 2008, nr. WJZ 8024263, tot vaststelling van algemene uitvoeringsregels voor de subsidieverstrekking op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie (Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie)

De Minister van Economische Zaken,

Gelet op artikel 31, negende lid, onderdeel d, van de Elektriciteitswet 1998 en de artikelen 3, derde lid, onder d, en zesde lid, 56, eerste en derde lid, 62, vierde lid, 63, tweede lid, 66, tweede en vierde lid, 68, vierde lid, en 70, tweede lid, van het Besluit stimulering duurzame energieproductie;

Besluit:

§ 1

Begripsbepalingen

Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

a. Minister: de Minister van Economische Zaken;

b. besluit: het Besluit stimulering duurzame energieproductie;

c. garantiebeheerinstantie: de garantiebeheerinstantie als bedoeld in artikel 75 van de Elektriciteitswet 1998;

d. cumulatietoets: de toets aan de steunruimte zoals die is gemaximeerd in de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001 C 37);

e. gasnetbeheerder: een netbeheerder als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel e, van de Gaswet;

f. productie-eenheid: een deel van een productie-installatie dat zelfstandig kan worden ingezet voor het opwekken van hernieuwbare elektriciteit, de productie van hernieuwbaar gas of het opwekken van elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling;

g. ean-code: uniek 18-cijferig nummer dat dient om een productie-installatie of een aansluiting van een productie-installatie of een productie-eenheid van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling op het net te identificeren.

§ 2

Aanvraag om subsidie

Artikel 2

Een aanvraag om subsidieverlening wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 1.

§ 3

Nadere verplichtingen van de subsidie-ontvanger

Artikel 3

1. De subsidie-ontvanger rapporteert na de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot het moment van ingebruikname halfjaarlijks over de voortgang van de realisatie van de in het plan als bedoeld in artikel 56, tweede lid, onderdeel d, van het besluit opgenomen ijkmomenten.

2. De subsidie-ontvanger zendt de Minister binnen een jaar na de datum van ingebruikname van de productie-installatie een overzicht van de daadwerkelijke investeringskosten, van de reeds ontvangen subsidies en overige steun en van de nog te ontvangen subsidies en overige steun. Indien de verleende subsidie als bedoeld in de artikelen 16, 24, 33, 41, 49, derde lid, en 55, derde lid, van het besluit meer bedraagt dan € 50.000, gaat het overzicht vergezeld van een accountantsverklaring. De accountantsverklaring wordt opgesteld conform het model en het controleprotocol die zijn opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 2.

Artikel 4

De subsidie-ontvanger meet de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling per beschikking tot subsidieverlening.

Artikel 5

Een verzoek tot ontheffing als bedoeld in artikel 61, tweede lid, of artikel 62, derde lid, van het besluit, wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 3.

Artikel 6

1. De subsidie-ontvanger die een productie-installatie bedrijft waarin biomassa wordt omgezet in hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling, zendt binnen drie maanden na afloop van ieder kalenderjaar waarover een voorschot wordt verstrekt aan de Minister een verklaring over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4, tenzij bij Ministeriële regeling is bepaald dat voor de categorie productie-installaties waartoe zijn productie-installatie behoort geen rapportageverplichtingen van toepassing zijn.

2. De verklaring, bedoeld in het eerste lid, gaat vergezeld van een goedkeurende accountantsverklaring.

3. De Minister maakt de verklaringen over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa die zijn toegezonden met gebruikmaking van tabel 1 van bijlage 4, met uitzondering van de kolom hoeveelheid ton, openbaar.

Artikel 7

1. De subsidie-ontvanger die met zijn productie-installatie hernieuwbaar gas produceert, draagt er zorg voor dat:

a. de aansluiting van zijn productie-installatie voldoet aan de eisen van de Aansluit- en transportvoorwaarden Gas - RNB of de Aansluitvoorwaarden Gas - LNB;

b. de hoeveelheid Nm3 aardgasequivalent die hij op het net invoedt, gemeten wordt volgens de Meetvoorwaarden Gas - RNB of de Meetvoorwaarden Gas - LNB;

c. de erkende meetverantwoordelijke als bedoeld in de Meetvoorwaarden Gas - RNB of de Meetvoorwaarden Gas - LNB de voor zijn productie-installatie opgestelde en door de netbeheerder gecorrigeerde meetgegevens onder vermelding van de locatie-gegevens en de ean-code van de aansluiting uiterlijk twee maanden na afloop van de kalendermaand waarop de meetgegevens betrekking hebben aan de Minister stuurt.

2. De subsidie-ontvanger die met zijn productie-installatie hernieuwbaar gas produceert overlegt iedere vijf jaar na de datum van subsidieverlening een actuele beschrijving van de installatie aan de Minister waaruit blijkt dat de installatie nog steeds voldoet aan de subsidievoorwaarden.

3. Een productie-installatie voor het produceren van hernieuwbaar gas is voorzien van een nippel waarop gasanalyse apparatuur kan worden aangesloten.

4. Indien de subsidie-ontvanger niet hoeft te rapporteren over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa, verklaart de subsidie-ontvanger binnen drie maanden na afloop van ieder kalenderjaar waarover een voorschot wordt verstrekt, met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 5, dat in het betreffende kalenderjaar uitsluitend biomassa is gebruikt die is toegestaan voor de categorie productie-installaties waartoe de installatie van de subsidie-ontvanger behoort. De verklaring gaat vergezeld van een goedkeurende accountantsverklaring.

§ 4

Voorschotten

Artikel 8

1. Een aanvraag tot het verstrekken van een voorschot wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 6.

2. De Minister stelt een voorschot binnen zes maanden na afloop van het kalenderjaar bij aan de hand van:

a. de productie in het betreffende kalenderjaar waarover garanties van oorsprong of certificaten zijn afgegeven of het aantal Nm3 aardgasequivalent dat in het betreffende kalenderjaar voor subsidie in aanmerking komt,

b. de voor het betreffende kalenderjaar vastgestelde correcties op grond van artikel 14, derde lid, 22, derde lid, 31, derde lid, en 39, derde lid, van het besluit, en

c. indien artikel 11, derde lid, onderdeel a, b of c, of artikel 28, derde lid, onderdeel a, b of c, van het besluit van toepassing is, het aantal geproduceerde kWh of Nm3 aardgasequivalenten die voor subsidie in aanmerking komt, het aantal gerealiseerde vollasturen van de productie-installatie of het gerealiseerde rendement van de productie-installatie.

3. De Minister verrekent een tekort aan verstrekte maandelijkse bedragen, als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het besluit, door het te weinig betaalde bedrag aan het voorschot binnen zes weken na de datum van bijstelling van het voorschot aan de subsidie-ontvanger te verstrekken.

4. De Minister verrekent een teveel aan verstrekte maandelijkse bedragen, als bedoeld in artikel 68, tweede lid, van het besluit, door het bedrag van het teveel betaalde voorschot aan de subsidie-ontvanger in mindering te brengen op het eerst volgende te verstrekken maandelijkse bedrag en vervolgens op zoveel maandelijkse bedragen als nodig is om het teveel betaalde voorschot volledig te verrekenen. Indien geen maandelijkse bedragen meer verschuldigd zijn, wordt een teveel betaald voorschot teruggevorderd.

Artikel 9

1. Het in artikel 68, eerste lid, van het besluit bedoelde maandelijkse bedrag bedraagt één-twaalfde van 80% van het product van:

a. de in beschikking tot subsidieverlening of, indien dit lager is, de in de aanvraag tot een voorschot voor het betreffende kalenderjaar opgenomen maximum productie, en

b. het voor de subsidie-ontvanger geldende:

1°. basisbedrag, of bij toepassing van artikel 11, derde lid, onderdeel c, of 28, derde lid, onderdeel c, van het besluit het de in beschikking tot subsidieverlening of, indien dit lager is, bij het door de subsidie-ontvanger op de aanvraag voor een voorschot opgegeven rendement behorende basisbedrag, verminderd met de bij Ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 14, vierde lid, of 31, vierde lid, van het besluit, of

2°. het tenderbedrag verminderd met de bij Ministeriële regeling vastgestelde correcties op grond van artikel 22, vierde lid, of 39, vierde lid, van het besluit.

2. Het in artikel 68, derde lid, van het besluit bedoelde maandelijkse bedrag bedraagt één-twaalfde van het product van:

a. de in beschikking tot subsidieverlening of, indien dit lager is, de in de aanvraag tot een voorschot voor het betreffende kalenderjaar opgenomen maximum productie, en

b. het voor de subsidie-ontvanger geldende:

1°. subsidiebedrag op grond van de artikelen 45 en 47 van het besluit, of

2°. het maximum bedrag verminderd met het percentage als bedoeld in artikel 52, vierde lid, van het besluit.

3. Indien de subsidieperiode start op een andere datum dan 1 januari of eindigt op een andere datum dan 31 december bedraagt voor het eerste jaar respectievelijk het laatste jaar van de periode waarover subsidie wordt verstrekt het maandelijkse bedrag een evenredig deel van het aantal maanden waarover het voorschot wordt verstrekt.

4. De Minister kan het maandelijkse bedrag herberekenen indien:

a. de subsidie-ontvanger een verzoek tot ontheffing als bedoeld in artikel 62, derde lid, indient;

b. de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt door warmtekrachtkoppeling gedurende ten minste twee maanden ten minste 50 procent zal achterblijven dan wel achter is gebleven ten opzichte van de in de beschikking tot voorschotverlening opgenomen maximum productie in kWh of Nm3 aardgasequivalent.

5. In afwijking van het bepaalde in het eerste lid, onderdeel b, ten eerste, kan de Minister van een lager basisbedrag uitgaan indien het rendement van de productie-installatie gedurende ten minste twee jaar structureel is achtergebleven ten opzichte van het in de beschikking tot voorschotverlening opgenomen rendement.

§ 5

Subsidievaststelling

Artikel 10

Een aanvraag om subsidievaststelling wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 7.

§ 6

Overige bepalingen

Artikel 11

De duur bedoeld in artikel 3, derde lid, onderdeel d, van het besluit, bedraagt ten hoogste vier jaar.

Artikel 12

1. Onder ingrijpende uitbreiding als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, onderdeel a, van het besluit wordt verstaan een uitbreiding van een bestaande productie-installatie met ten minste één productie-eenheid.

2. In afwijking van het eerste lid wordt bij een afvalverbrandingsinstallatie onder ingrijpende uitbreiding verstaan een uitbreiding met tenminste een nieuwe verbrandingsoven met bijbehorende ketel en een rookgasreiniginginstallatie.

3. Onder gehele vervanging als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel b, derde lid, onderdeel b, en vierde lid, onderdeel a, van het besluit wordt verstaan het vervangen van de gehele productie-installatie door een nieuwe productie-installatie.

4. Onder renovatie als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onderdeel c, derde lid, onderdeel c, en vierde lid, onderdeel b, van het besluit wordt verstaan het in nieuwstaat brengen van die voorzieningen van een productie-installatie die zorg dragen voor de omzetting van hernieuwbare energiebronnen in elektriciteit of gas of, in het geval van warmtekrachtkoppeling, in de productie van elektriciteit en warmte.

Artikel 13

1. De Minister deelt de garantiebeheerinstantie per productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit waarvoor subsidie op grond van het besluit is verleend de locatiegegevens, de ean-code en andere voor de subsidieverlening relevante informatie mee.

2. De garantiebeheerinstantie deelt de Minister per productie-installatie voor hernieuwbare elektriciteit waarvoor subsidie op grond van het besluit is verleend het aantal kWh waarvoor garanties van oorsprong is verstrekt mee.

3. De garantiebeheerinstantie verstrekt op verzoek van de Minister alle overige voor de subsidieverlening relevante informatie.

Artikel 14

1. De Minister deelt de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet per productie-installatie voor warmtekrachtkoppeling waarvoor subsidie op grond van het besluit is verleend de locatiegegevens, de ean-code en andere voor de subsidieverlening relevante informatie mee.

2. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet deelt de Minister per productie-installatie voor warmtekrachtkoppeling waarvoor subsidie op grond van het besluit is verleend het aantal kWh waarvoor certificaten is verstrekt mee.

3. De netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet verstrekt op verzoek van de Minister alle overige voor de subsidieverlening relevante informatie.

§ 7

Slotbepalingen

Artikel 15

Deze regeling treedt in werking op het tijdstip waarop het Besluit stimulering duurzame energieproductie in werking treedt.

Artikel 16

Deze regeling wordt aangehaald als: Algemene uitvoeringsregeling stimulering duurzame energieproductie.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst met uitzondering van de bijlagen, die ter inzage worden gelegd bij SenterNovem, Dokter van Deenweg 108,

8025 BK Zwolle.

Den Haag, 28 februari 2008.
De Minister van Economische Zaken, M.J.A. van der Hoeven.

Toelichting

I

Algemeen

1. Doel en invulling

1.1 Uitwerking algemene regels van SDE

Met het Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE), hierna aangehaald als ‘het Besluit SDE’, is een voorziening gecreëerd voor stimulering van de productie van hernieuwbare elektriciteit, de productie van hernieuwbaar gas en de productie van elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling. Het Besluit SDE komt in de plaats van de subsidie voor Milieukwaliteit Elektriciteitsproductie (MEP) en draagt bij aan het halen van de doelstellingen voor duurzame energie. De mogelijkheid subsidie te verlenen voor de productie van hernieuwbaar gas is nieuw ten opzichte van de MEP.

Om er voor te zorgen dat de subsidieregeling in de praktijk goed uitgevoerd kan worden, is een aantal aanvullende regels nodig, die zijn opgenomen in deze regeling. Het gaat hier om algemene regels voor het toeleveren van informatie door subsidieaanvragers. Deze informatie heeft ondermeer betrekking op het aanvragen en vaststellen van subsidie, het verstrekken van voorschotten en het vaststellen van de formulieren die daarbij worden gebruikt.

1.2 Samenhang met andere uitvoeringsregelingen

Er zijn meerdere regelingen die voortvloeien uit het Besluit SDE die nodig zijn om de uitvoering van het Besluit SDE mogelijk te maken. In de eerste plaats is er de regeling waarin de categorieën van productie-installaties worden aangewezen die in aanmerking komen voor SDE-subsidie. Deze regeling bevat tevens de subsidieplafonds, de basisbedragen of maximum tenderbedragen, de basiselektriciteitsprijs en de basisgasprijs, de periode waarover subsidie wordt verstrekt, de aanvraagperiodes en de verdeelsystematiek. De regeling stelt de relevante variabelen en voorwaarden vast die onmisbaar zijn voor het verlenen van subsidie waaronder met name het maximale subsidiebedrag dat de producent kan ontvangen gedurende de gehele periode waarover subsidie wordt verstrekt. Jaarlijks zal een regeling die bovenstaande elementen bevat worden vastgesteld. Daarnaast worden, ten behoeve van de voorschotverlening, jaarlijks voor 1 november de correcties met betrekking tot de elektriciteitsprijs, gasprijs en overige correctiefactoren in een Ministeriële regeling vastgesteld. Deze correcties zullen in het jaar erop worden gehanteerd om de hoogte van de voorschotten te bepalen. Na afloop van ieder kalenderjaar worden de daadwerkelijke correcties bij Ministeriële regeling vastgesteld.

Behalve de voornoemde drie regelingen, die zijn gebaseerd op het Besluit SDE, zijn er enkele andere Ministeriële regelingen die niet zijn gebaseerd op het Besluit SDE, maar die wél van belang zijn voor uitvoering van de SDE. Die regelingen gaan met name over het garanderen van de kwaliteit en hoeveelheid opgewekte hernieuwbare elektriciteit en elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling. Dit betreffen de Regeling certificaten warmtekrachtkoppeling Elektriciteitswet 1998 en de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit Elektriciteitswet 1998.

1.3 Sturing en toezicht

Het EZ-Agentschap SenterNovem voert het Besluit SDE uit namens de Minister van Economische Zaken. Voor een goede uitvoering van het Besluit SDE is het van belang dat voldoende monitoringsinformatie beschikbaar is. SenterNovem zal in samenwerking met onder andere het Energie Centrum Nederland de ramingen en realisaties van de SDE-uitgaven en de gerealiseerde productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas en elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling systematisch en periodiek vastleggen. Op basis van deze informatie kunnen beslissingen worden genomen over onder andere het jaarlijks vaststellen van de te subsidiëren categorieën productie-installaties en de verdeling van de subsidieplafonds over die categorieën. Daarnaast zijn voor de uitvoering van het Besluit SDE de taken van de garantiebeheerinstantie en van de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet van belang. Zij zijn op grond van de Elektriciteitswet 1998 verantwoordelijk voor de uitgifte van garanties van oorsprong voor hernieuwbare elektriciteit respectievelijk voor de uitgifte van certificaten voor elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling. Ten slotte is, indien men rapportageplichtig is, een accountantsverklaring verplicht op de duurzaamheidsrapportage die men eens per jaar moet indienen bij SenterNovem.

Voor hernieuwbaar gas bestaat (nog) geen systeem van garanties van oorsprong, zoals bij hernieuwbare elektriciteit of van certificaten, zoals bij elektriciteit opgewekt door warmtekrachtkoppeling. Om voor hernieuwbaar gas in aanmerking te komen voor SDE-subsidie dient uit de beschrijving van de productie-installatie in het plan dat de aanvrager bij zijn subsidieaanvraag indient (zie artikel 56, tweede lid, van het Besluit SDE) te blijken dat de installatie voldoet aan de eisen die aan de installatie worden gesteld in de categorie waarvoor hij subsidie aanvraagt. Daarnaast dient men, nadat subsidie is verleend, eens per vijf jaar een actuele beschrijving van de installatie te overleggen waaruit blijkt dat de installatie nog steeds voldoet aan de subsidievoorwaarden. Uit hoofde van haar uitvoeringstaak kan SenterNovem controles uitvoeren op locatie. Daarnaast is een eigen verklaring van de producent vereist waaruit eenduidig blijkt dat slechts toegestane biomassa als brandstof is gebruikt. Deze verklaring moet, indien men geen duurzaamheidrapportage hoeft in te dienen, worden vergezeld door een goedkeurende accountantsverklaring. Daarnaast kan SenterNovem hierop steekproefsgewijs controleren. Indien men wél rapportageplichtig is, dan moet uit de duurzaamheidsrapportage blijken welke brandstoffen zijn ingezet en is een accountantsverklaring op deze rapportage verplicht. Voor het meten van het door de producent op het net ingevoede gas zijn de bepalingen zoals opgenomen in de meetcode voor gas van toepassing zodat een zuivere meting gegarandeerd wordt. Binnen twee maanden na afloop van de kalendermaand waarop de meetgegevens betrekking hebben overlegt het meetbedrijf van de producent de meetgegevens aan SenterNovem.

2. Subsidieaanvragen

Voor een vlotte procedure voor de aanvraag van subsidie, is het van belang dat informatie door de aanvragers van de subsidie uniform en compleet wordt aangeleverd. Met het oog hierop is een formulier vastgesteld voor het aanvragen van de subsidie (bijlage 1).

Dit formulier vraagt naar diverse gegevens over de aanvrager, het project, de voorziene duurzame energieproductie en andere informatie, zoals gegevens ten behoeve van eventuele rangschikkingscriteria (bij tendering) en gegevens in verband met de toets aan de steunruimte zoals die is gemaximeerd in de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001 C 37).

De aanvrager dient binnen een jaar na ingebruikname van zijn productie-installatie een opgave te verstrekken van de totale investeringskosten en rapporteert tevens over de reeds door hem ontvangen subsidies en overige steun. Indien het bedrag aan te ontvangen SDE-subsidie hoger is dan € 50.000,– dan dient de rapportage over de hoogte van de investeringskosten en de (te) ontvangen steun en subsidie vergezeld te gaan van een accountantsverklaring conform het controleprotocol zoals opgenomen in bijlage 2.

3. Rapportage duurzaamheid biomassa

Het gebruik van biomassa als brandstof kan in aanmerking komen voor SDE-subsidie.

De inzet van biomassa heeft als doel de inzet van fossiele brandstoffen te verminderen, waarmee de uitstoot van kooldioxide wordt teruggedrongen. De mate waarin deze reductie van kooldioxide wordt gerealiseerd kan sterk verschillen per ingezette biomassastroom. De inzet van biomassa als energiebron voor de productie van elektriciteit en gas is echter niet onomstreden. Reden hiervoor is dat bij sommige soorten biomassa vraagtekens gezet kunnen worden bij de duurzaamheid. Duurzaamheid is een breder begrip dan louter de hernieuwbaarheid van de energiebron; factoren als het kappen van tropisch regenwoud om plaats te maken voor monocultuur en het opgeven van andere bestemmingen (zoals voedselproductie) spelen hierbij een rol.

In het Besluit SDE is de mogelijkheid opgenomen om de subsidie-ontvanger te verplichten om te rapporteren over de duurzaamheid van de biomassa. Van deze mogelijkheid wordt waar relevant gebruik gemaakt. In dat geval moet een producent die biomassa gebruikt bij het opwekken van hernieuwbare elektriciteit of hernieuwbaar gas jaarlijks rapporteren over de duurzaamheid van de ingezette biomassa. Er wordt gevraagd om te rapporteren of bij de ingezette biomassa onafhankelijke productiestandaarden met daaraan gekoppelde (internationale) certificeringssystemen van toepassing zijn. Op het moment van inwerkingtreding van de onderhavige regeling bestaan er echter nog weinig productiestandaarden en certificeringssystemen die voldoende dekking geven om de duurzaamheid van alle verschillende biomassastromen te kunnen vaststellen. Om die reden wordt het gebruik van een aantal soorten biomassa uit voorzorg niet opgenomen in de regeling. Voorwaarde voor de subsidieverlening is dat de subsidie-ontvanger uitsluitend grondstoffen gebruikt die passen binnen de omschrijving van de bij Ministeriële regeling aangewezen categorieën productie-installaties. De subsidie-ontvanger moet aantonen dat hij uitsluitend toegestane stromen biomassa heeft ingezet. Deze rapportage die men indient is, behalve de kolom waarin wordt gerapporteerd over de hoeveelheid in tonnen, openbaar en dient vergezeld te gaan van een accountantsverklaring.

4. Voorschotten

Het Besluit SDE voorziet in de mogelijkheid om op jaarlijkse basis maandelijks voorschotten te verstrekken. Met het oog hierop is als bijlage 6 een formulier vastgesteld.

Om te kunnen vaststellen welke voorschotbedragen kunnen worden uitgekeerd, dient de aanvrager productieramingen van het betreffende jaar aan te leveren. Deze ramingen bevatten de productie waarop het voorschot wordt gebaseerd en kunnen niet hoger zijn dan de productiecijfers die bij de subsidieaanvraag in het plan zijn opgegeven.

5. Vaststelling

Voor de vaststelling van de subsidie dient het formulier zoals bijgevoegd met bijlage 7. Dit formulier dient ingevuld te worden ingezonden binnen zes maanden na afloop van de periode waarover subsidie is verstrekt. Deze periode is met de begin- en einddatum in de beschikking tot subsidieverlening opgenomen. De Minister geeft de beschikking tot subsidievaststelling in principe binnen dertien weken na ontvangst van de aanvraag daartoe dan wel nadat de voor het indienen ervan geldende termijn is verstreken.

6. Administratieve lasten

Op basis van het Besluit SDE zullen subsidieaanvragen worden ingediend voor in complexiteit en investeringsbedrag zeer uiteenlopende projecten. Het bepalen van de administratieve lasten verbonden aan deze algemene uitvoeringsregeling is alleen mogelijk door van in omvang gemiddelde projecten uit te gaan.

Het Besluit SDE is een nieuw subsidie-instrument. Op dit moment is alleen het budget voor 2008 bekend. De subsidieplafonds voor de jaren daarna worden later vastgesteld. Kenmerkend voor het Besluit SDE is dat er voor een lange periode subsidie wordt verleend. Deze periode kan variëren van enkele jaren in het geval van kapitaal extensieve opties, tot 15 jaar voor kapitaal intensieve opties. Een producent doet eenmaal een subsidieaanvraag en ontvangt vervolgens voor vele jaren subsidie. De administratieve lasten zullen zich daarom concentreren in het jaar van aanvraag van de subsidie. De jaren erop dient men slechts (voor het betreffende jaar) een subsidievoorschot aan te vragen en indien relevant te rapporteren over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa. In die jaren zullen de administratieve lasten daarom beperkt zijn.

Er is gekozen om de maximale administratieve lasten voor deze regeling (indicatief) te berekenen per € 100 miljoen beschikbaar subsidiebudget. De totale administratieve lasten per openstelling kunnen derhalve steeds gemakkelijk berekend worden via een omrekening op basis van evenredigheid uitgaande van de lasten bij een subsidiebudget van € 100 miljoen.

Omdat zon-pv projecten qua investeringskosten en administratieve lasten over het algemeen sterk zullen afwijken van projecten uit de andere categorieën, worden voor zon-pv projecten de administratieve lasten afzonderlijk bepaald.

De vraag kan worden gesteld of bij zon-pv, gegeven dit onderscheid niet een alternatieve vorm van subsidieverlening voor de hand ligt, bijvoorbeeld een investeringssubsidie. De subsidie kan dan in één keer volledig worden uitbetaald waardoor de administratieve lasten worden verlaagd. Hiervoor is echter niet gekozen. De ervaring leert dat bij een investeringsubsidie, waar men bij investering meteen de gehele subsidie ontvangt, bij een storing de prikkel ontbreekt om de systemen te repareren en daarmee voor een langere periode in stand te houden. Bij een exploitatiesubsidie zoals de SDE, heeft de eigenaar/producent er belang bij dat het systeem gedurende de gehele looptijd van de subsidie in bedrijf blijft omdat de subsidie wordt uitbetaald per geproduceerde kWh. Voor een bijdrage aan de doelstelling en de doeltreffendheid van de subsidie is het van belang dat de systemen over de gehele looptijd blijven produceren. Daarnaast zijn de zonne-ener giesector, de Kamer en (internationale) experts eensgezind afwijzend over een investeringsregeling voor zon-pv en hebben zij voorkeur voor een subsidie per kWh. In de landen als Spanje, Duitsland en Frankrijk wordt tevens gebruik gemaakt van een subsidie per kWh.

6.1 Alle categorieën, behalve zon-pv

Uitgaande van alle categorieën, behalve zon-pv, zullen naar verwachting maximaal 14 subsidieaanvragen per € 100 miljoen beschikbaar subsidiebudget worden ingediend. Verondersteld wordt dat alle 14 aanvragen worden ingebracht via een rangschikkingsprocedure. Omdat de administratieve lasten bij verdeling door middel van rangschikking hoger zijn dan bij aanvragen via volgorde van binnenkomst worden de berekende administratieve lasten op dit punt dus gemaximeerd. Waarschijnlijk zal voor één of meerdere categorieën gekozen worden voor de verdeelsystematiek volgorde van binnenkomst. In dat geval zullen de administratieve lasten dus lager zijn dan in deze paragraaf berekend.

Het invullen van het aanvraagformulier zal bij beoordeling op basis van volgorde van binnenkomst maximaal 4 uur vergen. Indien de aanvragen worden gerangschikt via een tender, dan zal de aanvrager binnen de gestelde grenzen zelf het tenderbedrag moeten bepalen waarvoor hij inschrijft. Voor het extra afwegen en afstemmen van het tenderbedrag wordt 8 uur geraamd. Andere rangschikkingscriteria zijn de CO2-balans en innovativiteit van het project. Ook deze criteria vragen een extra inspanning die per project sterk kunnen verschillen. De tijdsinspanning wordt geraamd op maximaal 8 uur voor een CO2-berekening en eveneens 8 uur voor het onderbouwen van de innovativiteit van het project. De totale benodigde tijd voor het indienen van een volledig projectvoorstel in geval van verdeling door middel van rangschikking zal daarmee maximaal 28 uur bedragen. Uitgaande van een intern uurtarief van 60 euro per uur bedragen de maximale lasten om subsidie aan te vragen per € 100 miljoen subsidiebudget bij uitsluitend rangschikking via tender: aantal aanvragen * aantal uren per aanvraag * uurtarief == € 23.520,–.

De lasten die gemoeid zijn met het aanvragen van vergunningen worden bij het vaststellen van de administratieve lasten die verbonden zijn aan de onderhavige regeling niet meegerekend. Deze lasten vloeien immers voort uit de Woningwet, de Wet milieubeheer en de Wet beheer rijkswaterstaatwerken en worden aan die wetten toegerekend. De lasten worden in deze regeling hier niet gekwantificeerd omdat de lasten per project zeer divers kunnen zijn en afhankelijk zijn van de voor de betreffende projecten specifieke situatie.

Van de 14 aanvragen per € 100 miljoen subsidiebudget zullen naar verwachting 7 aanvragen gehonoreerd kunnen worden uit het beschikbare subsidiebudget. Tot realisatie van ieder project dient de aanvrager 2 keer per jaar een rapportage over de voortgang van het project in te sturen. Het gaat om een korte beschrijving van de voortgang van het project in relatie tot de planning. Het opstellen van een rapportage kost maximaal 1 uur. De periode tussen subsidieverlening en realisatie bedraagt maximaal 3 jaar. De administratieve lasten voor het opstellen van een voortgangsrapportage bedragen daarom maximaal: aantal jaar * aantal gehonoreerde aanvragen * aantal rapportages per jaar * benodigde tijd voor het opstellen van de rapportage * uurtarief, te weten € 2.520,–.

De lasten die gemoeid zijn met het gebruik maken van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit kunnen bij het vaststellen van de administratieve lasten die verbonden zijn aan de onderhavige regeling ook worden meegerekend, zij het indirect. Deze lasten vloeien immers voort uit de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit en worden aan die regeling toegerekend. Betreffende lasten worden hier gekwantificeerd, maar worden in de berekening voor de administratieve lasten van de onderhavige regeling niet mee genomen.

De eenmalige lasten bestaan uit de kennisname van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit, het invullen van een aanvraagformulier, het aanvragen van een account en eventueel een biomassaverklaring.

Voor kennisname van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit en de procedures wordt per initiatiefnemer 1 uur gerekend, derhalve zijn hiervoor de totale kosten: aantal aanvragen * aantal uren * uurtarief, te weten € 420,–.

Het invullen van het aanvraagformulier zal gemiddeld 2 uur vergen. De totale kosten hiervan bedragen: aantal aanvragen * aantal uren * uurtarief, te weten € 840,–.

Het aanvragen van een GVO-Account duurt 3 uur. Totale kosten voor deze post zijn: aantal aanvragen * aantal uren * uurtarief, te weten € 1.260,–.

Het jaarlijks verwerven van een biomassaverklaring per project met als tijd 3 uur en een frequentie van 15 brengt als kosten met zich mee per project : aantal uren * aantal jaren * uurtarief , te weten € 2.700,–. Ervan uitgaande dat voor 3 projecten een biomassaverklaring nodig is, betekent dit een totaal bedrag van € 8.100,–.

Bovendien is voor de biomassaverklaring een accountantsverklaring vereist, waarvan de kosten maximaal bedragen € 2500. De totale lasten voor deze post voor 3 projecten bedragen maximaal € 7500,–.

De administratieve lasten verband houdend met de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit bedragen per € 100 mln beschikbaar subsidiebudget in totaal maximaal € 18.120,–.

Binnen een jaar na de ingebruikname van de productie-installatie dient een overzicht van de daadwerkelijke investeringskosten en de (te) ontvangen steun te worden overlegd. Indien de totaal te ontvangen SDE-subsidie meer dan € 50.000,– bedraagt, dient dit overzicht vergezeld te gaan van een accountantsverklaring. Het opstellen van dit overzicht kost circa 8 uur. Het opstellen van de accountantsverklaring kost maximaal € 2.500,–. Voor het bepalen van de grens van € 50.000,– voordat een accountantsverklaring vereist is, is aangesloten bij bestaande overige subsidieregelgeving. Hiermee wordt voorkomen dat het voor kleine partijen, die relatief weinig subsidie ontvangen, niet meer lonend is subsidie aan te vragen. De baten van de accountantsverklaring (in verband met de juiste toedeling van de subsidiemiddelen) wegen in dat geval niet op tegen de lasten van de subsidie-ontvanger. In deze berekening wordt ervan uitgegaan dat iedereen een accountantsverklaring dient te overleggen. De administratieve lasten voor de aanlevering van de investeringskosten en de (te) ontvangen steun bedragen dan maximaal: aantal gehonoreerde aanvragen * kosten accountantsverklaring + aantal gehonoreerde aanvragen * aantal uur benodigd om rapportage op te stellen * uurtarief, te weten € 20.860,–.

Gedurende de subsidietermijn kan de subsidie-ontvanger maximaal 1 maal per jaar een voorschot aanvragen bij de Minister. Bij het eerste verzoek om een voorschot dient de subsidie-ontvanger, indien hij duurzame elektriciteit opwekt, tevens een kopie van de productieverklaring en eventueel van de biomassaverklaring mee te sturen. Deze verklaringen zijn verplicht in het kader van de Regeling garanties van oorsprong voor hernieuwbare elektriciteit (en de vergelijkbare regeling voor elektriciteit opgewekt met behulp van warmtekrachtkoppeling), en hiervoor reeds gekwantificeerd. De voorschotten kunnen elektronisch worden aangevraagd door het online invullen van het voorschotformulier. De lasten om voorschotten aan te vragen bedragen voor de eerste aanvraag 1 uur en voor vervolgaanvragen maximaal 30 minuten. Vervolgaanvragen kunnen sneller worden ingediend omdat de standaardgegevens van de aanvrager in dat geval reeds voor-ingevuld zijn door de uitvoerder van de regeling. Dit laatste gebeurt voor alle jaarlijkse vervolgaanvragen. De subsidieperiode kan per categorie verschillen, maar bedraagt naar verwachting maximaal 15 jaar (afhankelijk van de technische levensduur van de installatie). De totale lasten die gemoeid zijn met het verkrijgen van voorschotten bedragen maximaal: aantal gehonoreerde aanvragen * (eerste voorschotverzoek * aantal uur + tweede t/m vijftiende voorschotverzoek * aantal uur) * uurtarief, te weten € 3.360,–.

Na afloop van ieder kalenderjaar zijn aanvragers van subsidie die bepaalde soorten biomassa inzetten voor energieproductie verplicht binnen 3 maanden een verklaring af te leggen over de duurzaamheid van de biomassa. Rapportage dient te geschieden met het formulier dat is bijgevoegd als bijlage 4. Verondersteld wordt dat het invullen van het formulier maximaal 1 dag in beslag neemt. Als er verder van wordt uitgegaan dat maximaal 3 subsidieaanvragers een rapportage moeten inleveren en dat de levensduur de maximale periode van 15 jaar is, bedragen de lasten voor dit onderdeel: aantal rapportageplichtigen * aantal uur * aantal jaar * uurtarief + aantal rapportageplichtigen * kosten accountantsverklaring * aantal jaar, te weten € 134.100,–. Biomassacategorieën waarbij geen sprake zal zijn van duurzaamheidsvraagstukken zullen worden uitgezonderd van de rapportageplicht.

Tot slot dient voor de vaststelling van de subsidie een formulier te worden ingevuld. Dit kost maximaal 1 uur, waarmee een bedrag gemoeid is van € 60. In totaal bedraagt dit derhalve: aantal gehonoreerde aanvragen * aantal uur * uurtarief, te weten € 420,–.

Voor duurzame elektriciteit en WKK worden de administratieve lasten voor de subsidie-ontvangers beperkt door bij bevoorschotting gebruik te maken van automatische informatie-uitwisseling met de garantiebeheersinstantie en de netbeheerder van het landelijk hoogspanningsnet over het aantal afgegeven garanties van oorsprong en certificaten. Dit betekent dat de subsidie-ontvanger niet zelf informatie over ontvangen certificaten en garanties van oorsprong aan de Minister hoeft in te sturen. Voor hernieuwbaar gas bestaat nog geen certificatenregeling. Derhalve dienen de producenten van hernieuwbaar gas met hun meetbedrijf af te spreken dat dit meetbedrijf maandelijks de geproduceerde hoeveelheid duurzaam gas aan de Minister doorgeeft. Hiervoor wordt vier uur gerekend. Er is om twee redenen voor de maandelijkse termijn gekozen. Ten eerste krijgt de Minister de elektriciteitsgegevens ook maandelijks. Zodoende wordt aangesloten bij het systeem dat geldt voor elektriciteit. Ten tweede levert het meetbedrijf de gegevens maandelijks aan de producent, zodat ook bij deze termijn is aangesloten. Er wordt vanuit gegaan dat een andere frequentie zou leiden tot meer handelingen bij het meetbedrijf, wat logischerwijze zal leiden tot het in rekening brengen van hogere kosten bij de producent. Er wordt vanuit gegaan dat het door het meetbedrijf toesturen van de meetgegevens aan de Minister maximaal € 25,– per maand kost.

Op dit moment wordt overwogen om ook voor hernieuwbaar gas een certificatensysteem te introduceren. Daarvoor is een wetswijziging noodzakelijk. Op termijn zal, mede uit oogpunt van beperking van administratieve lasten, voor subsidieverlening van hernieuwbaar gas worden aangesloten bij dit certificatensysteem. Om producenten van hernieuwbaar gas ook in de tussentijd reeds voor SDE-subsidie in aanmerking te laten komen wordt in deze regeling de mogelijkheid opgenomen om ook zonder deze certificaten in aanmerking te komen voor subsidie. Om een juiste wijze van subsidieverstrekking te garanderen is zoveel mogelijk aangesloten bij de eisen die de Regeling garanties van oorsprong stelt aan hernieuwbare elektriciteit. Daarom wordt in deze regeling aan de subsidie-ontvanger tevens de plicht opgelegd om jaarlijks aan de Minister te rapporteren over de ingezette biomassa. Indien men niet duurzaamheidsrapportageplichtig is, dan dient deze rapportage vergezeld te zijn van een goedkeurende accountantsverklaring. Er wordt vanuit gegaan dat er per 100 miljoen euro subsidiebudget ca. 1 ontvanger van subsidie voor hernieuwbaar gas zal zijn. De eisen die aan de subsidie-ontvanger van groen gas worden gesteld zullen maximaal bedragen voor de maandelijkse rapportage over het aantal geproduceerde Nm3: aantal aanvragers * aantal maanden dat gegevens overlegd dienen te worden * maandelijkse kosten + aantal uren dat aanvrager nodig heeft om meetbedrijf te verzoeken meetgegevens aan de Minister over te dragen * uurtarief, te weten: € 4.740,–. Omdat ervan wordt uitgegaan dat iedere producent van groen gas een duurzaamheidsrapportage dient te overleggen, zijn de kosten voor de controle van de ingezette biomassa reeds bij de duurzaamheidsrapportage meegerekend.

De totale administratieve lasten voor projecten in alle categorieën met uitzondering van zon-pv bedragen per € 100 mln. subsidiebudget: € 189.520,– waarvan € 11.760,– voor afgewezen projecten. Daarnaast zijn er € 18.120,– indirecte lasten in verband met de Regeling garanties van oorsprong en is er sprake van indirecte administratieve lasten in verband met vergunningen.

6.2 Zon pv

Voor zon-pv kunnen per € 100 miljoen euro subsidiebudget veel meer aanvragen worden gehonoreerd omdat de projecten qua omvang veel kleiner zijn dan in alle andere categorieën. Per € 100 miljoen beschikbaar subsidiebudget voor zon-pv kunnen circa 9.000 aanvragen gehonoreerd worden. Veel van deze aanvragen (ca. 8.500) zullen worden ingediend door particulieren. De verwachting is dat de overige 500 aanvragen zullen worden ingediend door het bedrijfsleven. Bij zon pv zal gebruik gemaakt worden van verdeling op volgorde van binnenkomst. Het is erg lastig in te schatten hoeveel aanvragen voor zon-pv zullen worden ingediend per 100 miljoen euro subsidiebudget. Er wordt vanuit gegaan dat dit gemiddeld 10.000 aanvragen zullen zijn. Het overgrote deel van de aanvragen zal gedaan worden door particulieren (9.400), voor wie de administratieve lasten worden uitgedrukt in uren. De overige 600 aanvragen betreffen grotere projecten van niet-particulieren. De verwachting is dat van iedere opengestelde € 100 miljoen euro de helft ten goede komt aan particulieren en de andere helft aan het bedrijfsleven.

Het invullen van het aanvraagformulier zal bij beoordeling op basis van volgorde van binnenkomst maximaal 4 uur vergen. De maximale administratieve lasten hiervoor per € 100 miljoen subsidiebudget zijn als volgt:

– Voor particulieren: aantal aanvragen * aantal uren per aanvraag, te weten 37.600 uur.

– Voor niet-particulieren: aantal aanvragen * aantal uren per aanvraag * uurtarief , te weten € 144.000,–.

Voor zon-pv zijn over het algemeen geen vergunningen vereist. Indien (bij de grotere projecten) wél een bouwvergunning vereist is, dan worden de kosten hiervan indirect meegenomen. Dat wil zeggen de lasten worden wel gekwantificeerd maar toegerekend aan de Woningwet. Verondersteld wordt dat voor alle aanvragen van niet-particulieren een bouwvergunning nodig is, kosten € 550 per stuk. De totale administratieve lasten hiervan zijn dan € 330.000,–.

Tot realisatie van ieder project dient de aanvrager 2 keer per jaar een rapportage over de voortgang van het project in te sturen. Het gaat om een korte beschrijving van de voortgang van het project in relatie tot de planning. Het opstellen van een rapportage kost maximaal 1 uur. De periode tussen subsidieverlening en realisatie bedraagt maximaal 4 jaar, maar zal vanwege de kortere leadtime van zon-pv projecten over het algemeen niet gehaald worden. Er wordt van uit gegaan dat zon-pv projecten over het algemeen na

1 jaar gerealiseerd zullen worden. Men hoeft dan ook maar maximaal 2 keer te rapporteren over de voortgang van het project in relatie tot de planning. De administratieve lasten voor het opstellen van een voortgangsrapportage bedragen daarom maximaal:

– Voor particulieren: aantal jaar * aantal gehonoreerde aanvragen * aantal rapportages per jaar * benodigde tijd voor het opstellen van de rapportage te weten 17.000 uur.

– Voor niet-particulieren: aantal jaar * aantal gehonoreerde aanvragen * aantal rapportages per jaar * benodigde tijd voor opstellen rapportage * uurtarief , te weten € 60.000,–.

Lasten in verband met de Regeling garanties van oorsprong kunnen weer als indirecte lasten worden beschouwd.

De eenmalige lasten bestaan uit de kennisname van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit, het invullen van een aanvraagformulier en het aanvragen van een account.

Voor kennisname van de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit en de procedures wordt per initiatiefnemer 1 uur gerekend, derhalve zijn hiervoor de totale lasten:

– Voor particulieren: aantal aanvragen * aantal uren, te weten 8.500 uur.

– Voor niet-particulieren: aantal aanvragen * aantal uren * uurtarief, te weten € 30.000,–.

Het invullen van het aanvraagformulier zal gemiddeld 2 uur vergen. De totale lasten hiervan bedragen:

– Voor particulieren: aantal aanvragen * aantal uren, te weten 17.000 uur.

– Voor niet-particulieren: aantal aanvragen * aantal uren * uurtarief, te weten € 60.000,–.

Het aanvragen van een GVO-account duurt 3 uur. Totale lasten voor deze post zijn:

– Voor particulieren: aantal aanvragen * aantal uren, te weten 25.500 uur.

– Voor niet-particulieren: aantal aanvragen * aantal uren * uurtarief, te weten € 90.000,–.

De administratieve lasten verband houdend met de Regeling garanties van oorsprong voor duurzame elektriciteit voor zon-pv projecten bedragen per € 100 mln beschikbaar subsidiebudget in totaal maximaal :

– Voor particulieren: 51.000 uur.

– Voor niet-particulieren: € 180.000,–.

Binnen een jaar na de ingebruikname van de productie-installatie dient een overzicht van de daadwerkelijke investeringskosten en de (te) ontvangen steun te worden overlegd. Indien de totaal te ontvangen subsidie meer dan € 50.000,– bedraagt, dient dit overzicht vergezeld te gaan van een accountantsverklaring. Het opstellen van dit overzicht kost in het geval van zon-pv maximaal 1 uur. Het opstellen van de accountantsverklaring kost maximaal € 2.500. In deze berekening wordt er van uitgegaan dat het grootste deel van de aanvragers van subsidie voor zon pv geen accountantsverklaring hoeft te overleggen omdat de grens van € 50.000,– steun niet wordt overschreden. Er wordt vanuit gegaan dat van de 9000 beschikkingen ca. 500 de grens van € 50.000,– te ontvangen steun zullen overschrijden, dit zijn de projecten van niet-particulieren. De administratieve lasten voor de aanlevering van de investeringskosten en de (te) ontvangen steun bedragen dan maximaal:

– Voor particulieren: aantal gehonoreerde aanvragen * aantal uur benodigd om rapportage op te stellen, te weten 8.500 uur.

– Voor niet-particulieren: aantal gehonoreerde aanvragen * aantal uur benodigd om rapportage op te stellen * uurtarief + aantal accountantsrapportages * kosten accountantsrapportage, te weten € 1.280.000,–

Gedurende de subsidietermijn kan de subsidie-ontvanger maximaal 1 maal per jaar een voorschot aanvragen bij de Minister. Bij het eerste verzoek om een voorschot dient de subsidie-ontvanger tevens een kopie van de productieverklaring mee te sturen. Deze verklaring is verplicht in het kader van de Regeling garanties van oorsprong voor hernieuwbare elektriciteit en reeds eerder gekwantificeerd.

De voorschotten kunnen elektronisch worden aangevraagd door het online invullen van het voorschotformulier. De lasten om voorschotten aan te vragen bedragen voor de eerste aanvraag 1 uur en voor vervolgaanvragen maximaal 30 minuten. Vervolgaanvragen kunnen sneller worden ingediend omdat de standaardgegevens van de aanvrager in dat geval reeds vooringevuld zijn door de uitvoerder van de regeling. Dit laatste gebeurt voor alle jaarlijkse vervolgaanvragen. De subsidieperiode voor zon-pv is 15 jaar. De totale lasten die gemoeid zijn met het verkrijgen van voorschotten bedragen maximaal:

– Voor particulieren: aantal gehonoreerde aanvragen * (eerste voorschotverzoek * aantal uur + tweede t/m vijftiende voorschotverzoek * aantal uur), te weten 68.000 uur.

– Voor niet-particulieren: aantal gehonoreerde aanvragen * (eerste voorschotverzoek * aantal uur + tweede t/m vijftiende voorschotverzoek * aantal uur) * uurtarief, te weten € 240.000,–.

Tot slot dient voor de vaststelling van de subsidie een formulier te worden ingevuld. Dit kost maximaal 1 uur. De totale lasten die gemoeid zijn per € 100 mln subsidiebudget bedragen:

– Voor particulieren: aantal gehonoreerde aanvragen * aantal uur te weten 8500 uur.

– Voor niet-particulieren: aantal gehonoreerde aanvragen * aantal uur * uurtarief, te weten € 30.000,–.

De administratieve lasten voor de subsidie-ontvangers worden beperkt door bij bevoorschotting gebruik te maken van automatische informatie-uitwisseling met de garantiebeheerinstantie over het aantal afgegeven garanties van oorsprong. Dit betekent dat de subsidie-ontvanger niet zelf informatie over ontvangen certificaten en garanties van oorsprong aan de Minister hoeft in te sturen.

6.3 Maatregelen om de administratieve lasten te beperken

Bij de opstelling van de regelgeving die voortvloeit uit het Besluit SDE is getracht de administratieve lasten zo veel mogelijk te beperken. Hiertoe zijn in ieder geval de volgende maatregelen genomen:

– Er zal zoveel mogelijk sprake zijn van vooringevulde formulieren, wat de tijd die benodigd is om in te vullen zal beperken.

– Indien gewenst kan de aanvrager gebruik maken van elektronische formulieren.

– De subsidie-ontvanger die duurzaamheidsrapportageplichtig is hoeft slechts één formulier in te vullen. De Minister zal, ten behoeve van de publicatie van de openbare gegevens, de vertrouwelijke gegevens eruit filteren. De subsidie-ontvanger hoeft derhalve niet apart een publieke en een vertrouwelijke rapportage in te dienen.

– Er is een grens opgenomen van € 50.000,– ontvangen steun voordat een accountantsverklaring over de investeringskosten vereist is.

– De accountant kan relatief eenvoudig de aanvullende gegevens uit de duurzaamheidsrapportage, ten opzichte van de gegevens voor de biomassa-verklaring, controleren.

– Biomassacategorieën waar geen duurzaamheidsvragen bij spelen hoeven geen duurzaamheidsrapportage in te vullen.

– Voor hernieuwbaar gas is slechts een accountantsverklaring op de ingezette biomassa verplicht indien men niet duurzaamheidsrapportageplichtig is. Indien men verplicht is te rapporteren over de duurzaamheid van de ingezette biomassa dan is geen aparte verklaring noodzakelijk omdat de duurzaamheidsrapportage ook de benodigde informatie levert over de inzet van biomassa. Controle op de inzet van biomassa is daarom via de accountantsverklaring op de duurzaamheidsrapportage gegarandeerd.

6.4 Conclusie per 100 miljoen euro subsidiebudget

Voor alle categorieën, exclusief zon-pv zullen de totale administratieve lasten per 100 miljoen euro subsidiebudget € 189.520,– bedragen, waarvan € 11.760,– voor de afgewezen aanvragen. Daarnaast is er sprake van indirecte lasten in verband met vergunningen en zijn de lasten in verband met de Regeling garanties van oorsprong gekwantificeerd op € 18.120.-. Uitgedrukt in een percentage per € 100 miljoen subsidiebudget zijn de administratieve lasten van de regeling, exclusief de categorie zon-pv, indicatief berekend maximaal ca. 0,19%. In de nota van toelichting bij het Besluit SDE is eveneens een paragraaf over administratieve lasten opgenomen. De uitkomst was (zonder dat zon-pv werd uitgezonderd) daar praktisch gelijk (indicatief 0,2%).

Voor de categorie zon-pv bedragen de totale administratieve lasten per € 100 miljoen subsidiebudget voor niet particulieren maximaal € 1.754.000,–. De indirecte lasten voor bouwvergunningen zijn € 330.000,– en voor garanties van oorsprong € 180.000,– . Omdat van deze € 100 miljoen euro ca. de helft ten goede komt aan niet-particulieren moeten deze getallen met een factor 2 worden vermenigvuldigd. De lasten worden dan respectievelijk € 3.508.000,– aan administratieve lasten, € 660.000,– aan indirecte lasten voor bouwvergunningen en € 360.000,– aan indirecte lasten voor garanties van oorsprong. Deze kosten moeten worden toegerekend aan de volledige 15 jaar waarin de subsidie loopt. Het percentage administratieve lasten per € 100 miljoen subsidiebudget dat wordt uitgekeerd aan niet-particulieren komt hiermee op 3,5%.

Voor particulieren zijn de administratieve lasten 139.600 uur. Daarnaast is er sprake van 51.000 uren als indirecte lasten voor garanties van oorsprong per project voor een periode van 15 jaar. Omdat van deze € 100 miljoen euro uit bovenstaande berekening ca. de helft ten goede komt aan particulieren moeten deze getallen met een factor 2 worden vermenigvuldigd. De lasten worden dan respectievelijk 279.200 uur aan administratieve lasten en 102.000 aan indirecte lasten voor garanties van oorsprong. Uit deze berekening volgt dat per project over de volledige periode van 15 jaar 16,5 uur aan administratieve lasten gemoeid is.

Deze regeling is ter toetsing aan het Adviescollege toetsing administratieve lasten voorgelegd, die hier een positief advies over heeft uitgebracht.

II

Artikelsgewijs

Artikelen 2 en 3

In artikel 2 wordt de procedure rondom het aanvragen van de subsidie nader bepaald. Van belang is dat de subsidie-aanvrager gebruik moet maken van een aanvraagformulier. Dit formulier is opgenomen in bijlage 1 bij deze regeling. Aanvragen moeten worden ingediend bij SenterNovem, Postbus 10073, 8000 GB Zwolle, of elektronisch via www.senternovem.nl. Om een aanvraag langs elektronische weg te kunnen indienen heeft een aanvrager een computer met een internetaansluiting nodig, een pincode en een certificaat. Het certificaat is software waarmee een individu elektronisch kan worden geïdentificeerd. De aanvrager die over een pincode en een certificaat beschikt kan via het internetadres http://www.senternovem.nl/ediensten/ online een aanvraagformulier invullen en vervolgens de aanvraag indienen bij SenterNovem. Hoe de pincode en het certificaat zijn te verkrijgen, is uitgebreid beschreven op bovengenoemde website.

Het Besluit SDE kent twee systemen van verdeling – volgorde van binnenkomst en rangschikking – en bepaalt dat bij het aanwijzen van de categorieën van productie-installaties die voor subsidie in aanmerking komen bepaald wordt welk verdeelmechanisme toegepast zal worden. Bij verdeling aan de hand van rangschikking van de aanvragen, is het door de subsidie-aanvrager opgegeven tenderbedrag een belangrijk selectiecriterium. Het is daarom van belang dat dit tenderbedrag een eenduidig bedrag is waaraan geen voorbehouden mogen kleven. Bij voorbehouden zou gedacht kunnen worden aan belastingafdrachten of aan koppeling van het tenderbedrag aan de olie- of dollarprijs. Ook dient het tenderbedrag in euro’s te worden uitgedrukt. Hierbij mag de aanvrager tot vier cijfers achter de komma nauwkeurig zijn. Een aanvrager mag voor zijn productie-installatie per aanvraagperiode slechts één aanvraag voor subsidie indienen. Hiermee wordt een zekere vorm van manipulatie voorkomen. Te denken valt aan het indienen van meerdere aanvragen met verschillende tenderbedragen. De aanvrager moet bij zijn aanvraag verklaren dat hij in de op dat moment opengestelde aanvraagperiode slechts één aanvraag voor de betreffende productie-installatie indient.

Onderdeel van het aanvraagformulier is de vraag of de subsidie-aanvrager voor dezelfde productie-installatie andere steun van de overheid heeft gekregen of zal krijgen. Deze steun kan bestaan uit andere subsidies, bijvoorbeeld op grond van het Besluit EOS: demo en transitie-experimenten, maar ook fiscale voordelen, bijvoorbeeld op grond van de Regeling groen beleggen en de Energie-investeringsaftrek (EIA). Indien andere steun is of wordt ontvangen wordt altijd berekend of dit invloed heeft op de hoogte van de SDE-subsidie. Het absolute plafond hierbij wordt gevormd door de Communautaire kaderregeling inzake staatssteun ten behoeve van het milieu (PbEG 2001 C 37). Het verlenen van steun boven de maxima die in dit steunkader zijn opgenomen, is in strijd met artikel 88 van het EG-verdrag. Overstimulering wordt voorkomen door, daar waar nodig, de periode waarover SDE-subsidie wordt verleend in te korten. In de beschikking tot subsidieverlening wordt dan een kortere periode opgenomen dan de periode die voor de betreffende categorie van productie-installaties bij Ministeriële regeling is vastgesteld. Ook indien de subsidie-ontvanger tijdens de periode waarover subsidie wordt verstrekt andere subsidies ontvangt, wordt de periode waarover SDE-subsidie wordt verstrekt herberekend. Indien een dergelijke herberekening heeft plaatsgevonden en de subsidie-ontvanger denkt dat door gewijzigde omstandigheden er een nieuwe herberekening dient plaats te vinden, kan hij tot drie maanden voor het verstrijken van de periode waarover subsidie wordt verstrekt een verzoek tot herberekening indienen. Op deze wijze kan een eventuele verlenging van de periode plaatsvinden voordat de subsidierelatie wordt beëindigd. Hierbij wordt opgemerkt dat de totale duur van de periode waarover subsidie wordt verstrekt nooit langer kan zijn dan de periode die bij Ministeriële regeling voor de betreffende categorie van productie-installaties is vastgesteld.

Indien de procedure van rangschikking wordt toegepast dient de aanvrager bij het berekenen van het tenderbedrag zelf rekening te houden met overige ontvangen en te ontvangen steun. Hiervoor stelt SenterNovem een hulpmiddel ter beschikking. Indien de prijs het criterium is waarop de rangschikking plaatsvindt, bepaalt het opgegeven tenderbedrag de plek in de rangschikking. Mocht na berekening blijken dat het gevraagde tenderbedrag te hoog is, dat wil zeggen dat er met het gevraagde tenderbedrag sprake zou zijn van overstimulering, dan wordt dit bedrag naar beneden bijgesteld. Deze bijstelling heeft echter geen invloed op de plaats in de rangschikking.

In dit verband wordt nog opgemerkt dat ingevolge artikel 7 van de Kaderwet EZ-subsidies de Minister, voor zover subsidieverstrekking in strijd is met ingevolge een verdrag voor de staat geldende verplichtingen, de algemene bevoegdheid heeft om de subsidie te weigeren, lager vast te stellen dan overeenkomstig de subsidieverlening of een subsidieverlening dan wel subsidievaststelling in te trekken of ten nadele van de ontvanger te wijzigen.

Bij de aanvraag dient de subsidie-aanvrager een plan mee sturen waarin de kerngegevens zijn opgenomen over de realisatie en exploitatie van de productie-installatie. Ook moet uit dit plan duidelijk blijken dat de productie-installatie voldoet aan de categorie waarvoor men subsidie aanvraagt. De subsidie is primair bedoeld voor nieuw te bouwen productie-installaties. Voor installaties die reeds in gebruik zijn genomen voor de datum van de aanvraag tot subsidieverlening wordt geen subsidie verstrekt, tenzij de uitzonderingen van artikel 3, vierde lid, van het Besluit SDE van toepassing zijn. Voordat de productie-installatie in gebruik kan worden genomen dient deze dus eerst te worden gebouwd. Bij de subsidie-aanvraag moeten weliswaar kopieën van de vereiste vergunningen worden overgelegd, maar de andere belangrijke stappen dienen nog gezet te worden. Deze belangrijke stappen worden in het aanvraagformulier aangeduid als ijkmomenten. Het plan dient een overzicht van de ijkmomenten te bevatten, waarbij de data uitgedrukt in DD-MM-JJJJ van de ijkmomenten worden vermeld. De ijkmomenten die verplicht moeten worden vermeld zijn die van de voor het in gebruik nemen van de productie-installatie benodigde opdrachtverstrekkingen. Opdrachtverstrekkingen zijn opdrachten die de subsidie-ontvanger aan derden verstrekt ten behoeve van de bouw en levering/plaatsing van onderdelen van de productie-installatie. Bij een windmolen zal het bijvoorbeeld gaan om de fundering, de mast, de turbine en de aansluiting op het net.

In het Besluit SDE is opgenomen dat de subsidie-ontvanger de productie-installatie zo spoedig mogelijk doch uiterlijk binnen drie jaar na de datum van de beschikking tot subsidieverlening in gebruik neemt. De ijkmomenten dienen een realistische kijk op het bouwproces te geven. In artikel 3 is de verplichting voor de subsidie-ontvanger opgenomen om ieder half jaar te rapporteren over de ijkmomenten, gerekend vanaf de datum van de beschikking tot subsidieverlening tot aan de datum van ingebruikname van de installatie. Op deze wijze kan worden beoordeeld of de productie-installatie tijdig in gebruik zal worden genomen. Indien uit de rapportages blijkt dat de subsidie-ontvanger bij het realiseren van een of meerdere ijkmomenten meer dan een jaar achterloopt ten opzichte van de data die zijn opgenomen in zijn plan, kan de Minister de beschikking tot subsidieverlening intrekken. Bij de besluitvorming hieromtrent zal in overweging worden genomen of het realistisch is dat de productie-installatie binnen de in het besluit gestelde termijn in gebruik kan worden genomen. Voor de subsidie-ontvanger is immers voor vele jaren geld gereserveerd en als tijdens het bouwtraject blijkt dat de productie-installatie niet of met zeer grote vertraging gerealiseerd zal worden, is het verleende bedrag voor niets gereserveerd omdat niet of niet binnen de verwachte termijn geproduceerd zal worden. In dat geval is het doelmatiger om de beschikking tot subsidieverlening in te trekken en het bijbehorende budget toe te voegen aan een volgende ronde.

Artikel 4

De subsidie-ontvanger dient er voor te zorgen dat de productie van hernieuwbare elektriciteit, hernieuwbaar gas of elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling per beschikking tot subsidieverlening apart wordt bemeterd. In de beschikking wordt onder meer vastgelegd wat het basisbedrag voor die productie-installatie en wat het maximale aantal vollasturen is. Aan de hand van deze gegevens worden maandelijks voorschotten verstrekt. Om zeker te zijn dat de juiste subsidiebedragen worden betaald, dient de bemetering nauwgezet en dus per beschikking plaats te vinden. Op grond van de Netcode (besluit van de raad van bestuur van de Nederlandse Mededingingsautoriteit, zie verder www.dte.nl) kan een netbeheerder separate ean-codes toekennen aan productie-eenheden die onafhankelijk zijn van de ean-code die van toepassing is op de netaansluiting van de gehele productie-installatie.

Artikel 5

Indien een subsidie-ontvanger een verzoek tot ontheffing in wil dienen, dient hij gebruik te maken van een bij deze regeling vastgesteld formulier. Dit formulier beslaat slechts enkele vragen en is te verkiezen boven een vormvrij verzoek. Bij een vormvrij verzoek is het risico vrij groot dat het verzoek niet concreet genoeg is en de aanvrager per saldo meer tijd kwijt is aan het beantwoorden van aanvullende vragen dan met het invullen van het formulier.

Artikel 6

In het algemene deel van de toelichting is reeds ingegaan op de noodzaak tot het jaarlijks rapporteren over de gebruikte biomassa. De rapportageverplichting geldt in principe voor alle categorieën productie-installaties die biomassa gebruiken, tenzij bij Ministeriële regeling is bepaald dat de rapportageplicht voor een categorie productie-installaties niet geldt. Dit laatste kan het geval zijn bij installaties als afvalverbrandingsinstallaties, afvalwaterzuiveringsinstallaties, rioolwaterzuiveringsinstallaties en stortgasinstallaties omdat zij uitsluitend gebruik maken van rest- en afvalstromen. De verplichting tot rapporteren zal conform artikel 63 van het Besluit SDE in de beschikking tot subsidieverlening worden opgenomen, tenzij de verplichting niet van toepassing is op de subsidie-ontvanger. Door in de regeling waarin de categorieën productie-installaties worden aangewezen op te nemen dat de rapportageverplichting voor een bepaalde categorie productie-installaties niet geldt, weet een producent voorafgaand aan de aanvraag of hij gedurende de looptijd van zijn subsidiebeschikking jaarlijks zal moeten rapporteren.

Voorwaarde voor de subsidieverlening is dat de subsidie-ontvanger uitsluitend grondstoffen gebruikt die passen binnen de omschrijving van de bij Ministeriële regeling aangewezen categorieën productie-installaties. Indien de subsidie-ontvanger stromen biomassa gebruikt die niet zijn toegestaan dan heeft dit consequenties voor de hoogte van zijn subsidie. Als blijkt dat de subsidie-ontvanger stelselmatig andere soorten biomassa gebruikt dan die zijn toegestaan voor de categorie productie-installaties waartoe zijn productie-installatie behoort, zal dit uiteindelijk leiden tot intrekking van de beschikking tot subsidieverlening. Ook bij het niet, niet tijdig of niet volledig invullen van de rapportages zal de Minister de beschikking tot subsidieverlening verlagen.

Jaarlijks worden de rapportages openbaar gemaakt. Het betreft de gegevens die zijn opgenomen in tabel 1 van bijlage 4, met uitzondering van de gegevens die subsidie-ontvanger in kolom 2 moet vermelden. Dat betreft de hoeveelheid gebruikte biomassa per jaar.

Artikel 7

Voor hernieuwbaar gas bestaat geen systeem van garanties van oorsprong, zoals bij hernieuwbare elektriciteit of van certificaten, zoals bij elektriciteit opgewekt door warmtekrachtkoppeling. Wel bevatten de Aansluit- en transportvoorwaarden Gas - RNB, de Aansluitvoorwaarden Gas - LNB, de Meetvoorwaarden Gas - RNB en de Meetvoorwaarden - LNB, codes die door het bestuur van de mededingingsautoriteit op grond van artikel 12b van de Gaswet zijn vastgesteld, voorwaarden voor het meten van gas. De subsidie-ontvanger die hernieuwbaar gas op het net invoedt moet voldoen aan de voorwaarden die in deze codes worden gesteld. Dit betreffen niet alleen eisen aan de meters en de installatie, maar ook aan de kwaliteit van het in te voeden biogas. Op grond van de eerdergenoemde meetvoorwaarden worden metingen verricht door een erkende meetverantwoordelijke. Dit geldt zowel voor het afnemen van gas als voor het invoeden van gas. De subsidie-ontvanger moet met zijn meetverantwoordelijke overeenkomen dat laatstgenoemde de meetgegevens overlegt aan de Minister. Door de eis te stellen dat de meetverantwoordelijke de meetgegevens doorgeeft aan de Minister wordt voorkomen dat de subsidie-ontvanger kan frauderen met de meetgegevens. Overigens mag een producent van hernieuwbare elektriciteit ook niet zelf de meetgegevens van zijn productie-installatie doorgeven aan de garantiebeheerinstantie (de instantie die op basis van meetrapporten garanties van oorsprong afgeeft, die vervolgens weer worden gebruikt voor het berekenen van de SDE-subsidie). Daarnaast bepaalt de Regeling garantie van oorsprong voor duurzame elektriciteit dat de netbeheerder iedere vijf jaar dient te verklaren dat een productie-installatie geschikt is voor het opwekken van duurzame elektriciteit. Bij deze verplichting wordt voor gas aangesloten, in die zin dat de subsidie-ontvanger die hernieuwbaar gas produceert, iedere vijf jaar een verklaring aan de Minister moet overleggen dat zijn productie-installatie aan de voor hem geldende subsidievoorwaarden voldoet. De subsidie-ontvanger dient er verder voor te zorgen dat zijn productie-installatie wordt voorzien van een nippel waarop gasanalyse apparatuur kan worden aangesloten. Hij kan hierop zelf gasanalyse apparatuur aansluiten, bijvoorbeeld een chromatograaf. Een nippel wordt voorgeschreven zodat de Minister tijdens een steekproef een controle kan uitvoeren op de gassamenstelling van het hernieuwbaar gas.

Tot slot wordt in artikel 7 bepaald dat, voor zover voor de subsidie-ontvanger geen verplichting bestaat om jaarlijks te rapporten over de duurzaamheid van de gebruikte biomassa, hij jaarlijks een eigen verklaring moet overleggen waaruit blijkt dat hij in het betreffende kalenderjaar uitsluitend biomassa heeft ingezet die is toegestaan voor de categorie productie-installaties waartoe zijn installatie behoort. Deze verklaring moet zijn voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring. Voorkomen dient te worden dat een subsidie-ontvanger bijvoorbeeld aardgas in zijn installatie gebruikt en daar uiteindelijk subsidie voor ontvangt.

Artikel 8

Binnen de langjarige subsidiebeschikking worden op aanvraag voorschotten per jaar verstrekt. De exploitatie van een productie-installatie kan niet uit als de subsidie pas na afloop van de voor subsidie in aanmerking komende periode zou worden uitbetaald. De voorschotverstrekking geschiedt op jaarlijkse basis. De aanvraag geschiedt door middel van een formulier dat als bijlage 6 bij deze regeling is opgenomen. In principe wordt de hoogte van het voorschot bepaald aan de hand van het plan dat de subsidie-ontvanger bij zijn aanvraag heeft ingediend. Bij de langjarige subsidiebeschikking is het voorstelbaar dat grootschalig onderhoud van de installatie in een ander jaar noodzakelijk is dan bij de oorspronkelijke planning voorzien. De subsidie-ontvanger dient daarom bij zijn verzoek om een voorschot een actuele raming van de productie voor het volgende jaar op te geven.

Artikel 9

Een belangrijk onderdeel van de regeling is de wijze waarop het voorschot en de hoogte van de maandelijkse bedragen worden berekend. De subsidie wordt voor een periode van meerdere jaren verleend, waarbij de hoogte afhankelijk is van de feitelijke productie en de ontwikkeling van onder meer de elektriciteitsprijs. Het zou voor de producent zeer nadelig zijn indien de subsidie pas bij de vaststelling wordt uitbetaald. Hij heeft dan immers jarenlang een tekort in de exploitatie van zijn productie-installatie. Aan de andere kant kleven er voor de overheid te veel risico’s aan het verstrekken van een voorschot ter hoogte van het maximale subsidiebedrag bij de subsidieverlening. Op dat moment staat immers nog niet vast hoeveel elektriciteit de subsidie-ontvanger zal gaan opwekken. Om deze reden is gekozen voor het jaarlijks verstrekken van een voorschot. In het besluit is bepaald dat het voorschot voor hernieuwbare elektriciteit en hernieuwbaar gas ten hoogste 80% bedraagt van de geraamde productie voor het betreffende jaar vermenigvuldigd met het voor dat jaar geldende bedrag. Voor hernieuwbare elektriciteit is dat het basisbedrag dan wel het tenderbedrag minus de basiselektriciteitsprijs of minus de voor het betreffende jaar voorziene elektriciteitsprijs en andere van toepassing zijnde correcties. Op grond van de artikelen 11, derde lid en 28, derde lid, van het Besluit SDE kunnen meerdere basisbedragen per categorie productie-installaties worden vastgesteld. Indien het basisbedrag afhankelijk is van het rendement van de installatie, wordt bij het berekenen van de hoogte van het voorschot uitgegaan van het rendement dat de subsidie-ontvanger op de aanvraag voor een voorschot heeft opgegeven. Voor elektriciteit opgewekt door warmtekrachtkoppeling bedraagt het voorschot 100% van het subsidiebedrag dan wel het maximum bedrag minus het door de subsidie-ontvanger opgegeven kortingspercentage. Hoofdregel bij het berekenen van de maandelijkse bedragen is dat maandelijks een gelijk deel van het voorschot wordt uitbetaald. De subsidie-ontvanger kan dus maandelijks op een vast bedrag rekenen dat automatisch op zijn rekening wordt bijgeschreven. Behoudens het jaarlijks aanvragen van het voorschot hoeft hij geen extra handelingen te verrichten om de maandelijkse bedragen te ontvangen. Na afloop van het jaar wordt berekend hoe hoog het voorschot had moeten zijn. Dit wordt gedaan aan de hand van de door de garantiebeheerinstantie uitgegeven garanties van oorsprong (in het geval van hernieuwbare elektriciteit), aan de hand van de door de garantiebeheerinstantie uitgegeven certificaten (in het geval van warmtekrachtkoppeling) of aan de hand van afgegeven meetrapporten (in het geval van hernieuwbaar gas). Tevens worden de uiterlijk op 1 april vastgestelde correctiebedragen en het gerealiseerde rendement in deze berekening opgenomen. De uitkomst van deze berekening kan twee gevolgen hebben. Ofwel de subsidie-ontvanger heeft nog recht op een deel van het voorschot omdat hij meer heeft geproduceerd dan 80% van zijn raming of omdat de correctie op de elektriciteitsprijs en overige correcties in zijn voordeel uitpakken. Dit bedrag wordt dan in één keer alsnog aan hem uitbetaald. Ofwel de subsidie-ontvanger heeft aan maandelijkse bedragen meer ontvangen dan waarop hij recht heeft omdat hij minder heeft geproduceerd of omdat de correcties op de elektriciteitsprijs en overige correcties groter zijn dan de waarden waarop het voorschot aanvankelijk is berekend. Dit bedrag wordt dan verrekend met de eerstvolgende betaling van het maandelijkse bedrag. Indien het bedrag dat verrekend moet worden hoger is dan het maandelijkse voorschot, wordt over net zoveel maanden verrekend totdat er weer een positief bedrag resteert.

Op deze hoofdregel kan een uitzondering worden gemaakt. Het systeem van de maandelijkse gelijke bedragen gaat er van uit dat de subsidie-ontvanger het hele jaar zal produceren, waarbij kleine schommelingen in de productie of in rendement door de regel van 80% worden opgevangen. Er zijn ook situaties denkbaar waarbij er grotere afwijkingen van het productieplan op zullen treden en de regel van 80% niet afdoende zal zijn. Een voorbeeld hiervan is de situatie waarin een productie-installatie in het begin van het jaar verloren gaat of de productie vanwege grootschalig onderhoud op een ander moment wordt stilgelegd dan in het plan was voorzien. Er is dan geen reden de maandelijkse bedragen uit te blijven betalen omdat dan op voorhand bekend is dat de geraamde productie niet zal worden gehaald. In artikel 7, derde, lid, is daarom opgenomen dat de Minister de maandelijkse bedragen kan herberekenen.

Artikel 10

Op de aanvraag tot vaststelling kan pas beslist worden als de gerealiseerde productie en het gerealiseerde rendement bekend zijn en de correctiebedragen over het laatste jaar waarover subsidie is ontvangen, zijn vastgesteld. In het geval de subsidie-ontvanger biomassa verwerkt, dient de biomassaverklaring bij de garantiebeheerinstantie te zijn ingediend.

Artikel 11

Voor de meeste categorieën van productie-installaties zal de periode waarover subsidie wordt verstrekt gelijk zijn aan de economische levensduur van de productie-installatie. Hieraan is de bepaling gekoppeld dat voor een productie-installatie slechts éénmaal SDE-subsidie wordt verleend. Artikel 3, derde lid, onderdeel d, van het Besluit SDE maakt het mogelijk om op dit hoofdbeginsel een uitzondering te maken. Voor bij Ministeriële regeling aan te wijzen categorieën van productie-installaties kan bij Ministeriële regeling een kortere periode worden vastgesteld. Producenten die een dergelijke productie-installatie exploiteren kunnen wel meer dan éénmaal SDE-subsidie ontvangen. In artikel 11 wordt uitsluitend de kortere subsidieperiode vastgelegd; dit artikel bepaalt niet op welke categorieën van productie-installaties dit artikel van toepassing is. Dat wordt bepaald in de regeling waarin de categorieën van productie-installaties die voor subsidie in aanmerking komen worden aangewezen en waarin tevens de periode waarover subsidie per categorie van productie-installaties wordt bepaald. Deze methodiek is met name geschikt voor grootschalige biomassa omdat de brandstofkosten voor die categorie van productie-installaties van zeer grote invloed is op het verschil tussen de gemiddelde kostprijs van de daarmee opgewekte hernieuwbare elektriciteit en de gemiddelde marktprijs.

De duur wordt in artikel 11 vastgesteld op ten hoogste vier jaar. Dit biedt de mogelijkheid om de periode waarover subsidie wordt verstrekt nader in te vullen.

Artikel 12

In het Besluit SDE is in artikel 3 opgenomen dat er geen SDE-subsidie wordt verstrekt indien voor dezelfde productie-installatie reeds eerder MEP-subsidie, SDE-subsidie of subsidie op grond van de Subsidieregeling opwekken duurzame elektriciteit in vergistingsinstallaties is verstrekt, of indien de productie-installatie reeds in gebruik is genomen voor de datum waarop SDE-subsidie wordt aangevraagd. Hierop is een drietal uitzonderingen mogelijk, waaronder ingrijpende uitbreiding, vervanging en renovatie. In artikel 12 worden deze drie begrippen nader uitgewerkt. Onder uitbreiding wordt verstaan de uitbreiding van een productie-installatie met ten minste één productie-eenheid. Een producent kan voor een ingrijpende uitbreiding subsidie aanvragen, mits de aanvraag natuurlijk verder aan alle voorwaarden voldoet. Voor de uitbreiding wordt een zelfstandige beschikking tot subsidieverlening afgegeven. Op grond van artikel 4 van deze regeling is het verplicht om per beschikking de hoeveel opgewekte en ingevoede hoeveel elektriciteit of gas apart te meten. Het apart meten leidt ertoe dat eenduidig is vast te stellen welke productie toe is te rekenen aan de oorspronkelijke installatie en welk deel van de productie toegerekend kan worden aan de uitbreiding. Indien de uitbreiding van de productie-installatie niet onderling verbonden is met de oorspronkelijke productie-installatie, is er sprake van een nieuwe productie-installatie. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een bestaand windpark met één of meerdere nieuwe windmolens.

Tevens kan SDE-subsidie worden verleend indien een productie-installatie geheel wordt vervangen. Indien er bij deze gehele vervanging gebruik wordt gemaakt van enig materiaal dat toebehoorde aan de te vervangen productie-installatie, dan wordt dit gezien als het gebruik maken van gebruikte materialen. Indien men gebruik maakt van gebruikte materialen dan komt men slechts in aanmerking voor subsidie indien hier een aparte categorie voor wordt opengesteld.

Ook bij renovatie van een productie-installatie kan SDE-subsidie worden aangevraagd. Voorwaarde hiervoor is wel dat dit als een aparte subsidiecategorie is aangewezen. Indien er geen aparte categorie is opengesteld, dan wordt renovatie van een productie-installatie niet gesubsidieerd. Onder renovatie wordt verstaan dat de van belang zijnde voorzieningen, die zorg dragen voor de omzetting van hernieuwbare energiebronnen in elektriciteit of gas, in nieuwstaat worden gebracht. Dit criterium is opgenomen omdat hiermee een nieuwe levensduur wordt gewaarborgd. In de praktijk betekent dit voor windturbines, waterkrachtinstallaties en installaties waarin biomassa of biogas wordt omgezet in elektriciteit, dat er op zijn minst moet zijn geïnvesteerd in een turbine en generator. Bij windturbines gaat het om het in nieuwstaat brengen van alle essentiële onderdelen van de turbine, hetgeen betekent dat op zijn minst de rotor, tandwielkast en generator gezamenlijk moeten worden vervangen en zodoende in nieuwstaat moeten worden gebracht. Bij productie-installaties die primair bedoeld zijn om fossiele brandstoffen om te zetten in elektriciteit maar die daarnaast biomassa bij- of meestoken is sprake van een renovatie als de gehele biomassaverwerkingscapaciteit in nieuwstaat wordt gebracht. Omdat er bij renovatie altijd onderdelen van de bestaande productie-installatie worden gebruikt, is er sprake van samenloop van deze twee categorieën.

Artikelen 13 en 14

Zoals bij artikelen 6 en 7 reeds is toegelicht is de daadwerkelijke productie bepalend voor de hoogte van de subsidie. Voor hernieuwbare elektriciteit en elektriciteit opgewekt door middel van warmtekrachtkoppeling bestaat op grond van de Elektriciteitswet 1998 reeds een systeem van registratie in de vorm van de afgifte van garanties van oorsprong en van certificaten. De garantiebeheerinstantie is belast met de uitgifte van deze garanties van oorsprong en certificaten. Om de lasten voor de subsidie-ontvanger zo laag mogelijk te houden zal voor het herberekenen van de hoogte van het voorschot en voor de subsidievaststelling gebruik worden gemaakt van de gegevens over de subsidie-ontvanger waarover de garantiebeheerinstantie uit hoofde van zijn taak beschikt.

Dit vereist dat bepaalde gegevens moeten worden uitgewisseld tussen de Minister en de garantiebeheerinstantie. De uitwisseling van gegevens zal elektronisch plaatsvinden. Het gaat hierbij om enerzijds het doorgeven aan de garantiebeheerinstantie van de locatiegegevens en de ean-code van alle subsidie-ontvangers door de Minister. Op deze wijze weet de garantiebeheerinstantie welke producenten SDE-subsidie ontvangen en kan zij voldoen aan de verplichting om de gegevens over het aantal afgegeven garanties van oorsprong en certificaten per subsidie-ontvanger aan de Minister te overleggen.

De Minister van Economische Zaken,

M.J.A. van der Hoeven