Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Justitie en VeiligheidStaatsblad 2019, 419Klein Koninklijk Besluit

Besluit van 6 november 2019 tot vaststelling van het tijdstip van gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand en van het Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van het Besluit burgerlijke stand 1994 in verband met de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand (Stb. 2014, 587)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister voor Rechtsbescherming van 1 november 2019, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2733206;

Gelet op artikel IV, eerste lid, van de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand en artikel II, eerste lid, van het Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van het Besluit burgerlijke stand 1994 in verband met de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand (Stb. 2014, 587);

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

De artikelen I, onderdeel D, en IIIa van de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand treden in werking met ingang van 1 januari 2020.

ARTIKEL II

Artikel I, onderdelen G, voor zover het de akte van geboorte betreft, J en K van het Besluit van 17 december 2014 tot wijziging van het Besluit burgerlijke stand 1994 in verband met de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand (Stb. 2014, 587) treedt in werking met ingang van 1 januari 2020.

Onze Minister voor Rechtsbescherming is belast met de uitvoering van dit besluit, dat met de daarbij behorende toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 6 november 2019

Willem-Alexander

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker

Uitgegeven de achttiende november 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

De Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand van 8 oktober 2014 (Stb. 2014, 380) en het bij Besluit van 17 december 2014 gewijzigde Besluit burgerlijke stand 1994 (BBS; Stb. 2014, 587) voorzien in de mogelijkheid voor de ouders van een pasgeboren kind om langs digitale weg aangifte van de geboorte te doen als de geboortegemeente daartoe de elektronische weg heeft opengesteld. Met dit koninklijk besluit wordt gemeenten de mogelijkheid gegeven om hiertoe daadwerkelijk over te gaan.

Vanaf 1 juli 2015 is het voor uitvaartondernemers al mogelijk om langs elektronische weg aangifte van overlijden te doen (Stb. 2015, 181). Op 1 juli 2016 volgde de mogelijkheid van elektronische melding van een voorgenomen huwelijk of beoogd geregistreerd partnerschap (Stb. 2016, 131). De openstelling van de mogelijkheid tot elektronische geboorteaangifte vormt het sluitstuk van de gefaseerde invoering van de elektronische dienstverlening jegens de burger aan de zogenaamde «front office» van de burgerlijke stand (Kamerstukken I 2013/14, 32 444, H, p. 5).

De nadere eisen aan de hiervoor te gebruiken systemen van gegevensverwerking zijn opgenomen in artikel 1:18b Burgerlijk Wetboek (BW) en het daarop gebaseerde Besluit elektronische dienstverlening burgerlijke stand (Stb. 2015, 176), dat op 1 juli 2015 in werking is getreden (Stb. 2015, 181). Boek 1 Burgerlijk Wetboek en de genoemde algemene maatregelen van bestuur zijn kaderstellend voor gemeenten die ervoor kiezen om over te gaan tot (verdere) invoering van elektronische dienstverlening bij de burgerlijke stand. Het blijft de eigen verantwoordelijkheid van gemeenten om aan deze discretionaire bevoegdheid binnen de wettelijke kaders invulling te geven. Dat geldt ook voor de nadere uitvoeringstechnische invulling, bijvoorbeeld via de inrichting van werkprocessen of via nadere praktische afspraken met lokale ketenpartners dan wel met andere (buur)gemeenten. Het wettelijk kader biedt de grondslag voor lokaal maatwerk.

Zoals ook het geval is geweest bij de invoering van de digitale overlijdensaangifte en de elektronische huwelijksmelding, heeft de gemeente ’s-Hertogenbosch een pilot opgezet om de inrichting van de elektronische dienstverlening bij de geboorteaangifte te testen. Zij is daarbij ondersteund door een expertgroep, met name bestaande uit een aantal grotere gemeenten, de Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken (NVvB) en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG). Bij de pilot is ook de vraag naar mogelijke frauderisico’s betrokken. Er is een samenstel van maatregelen, zowel wettelijk als praktisch, om deze te ondervangen. Met name zij gewezen op nadere (systeem)eisen aan ict-voorzieningen, de verplichte bevestiging van de geboorte door een verklaring van een betrokken arts of verloskundige, het voorbehouden van de e-aangifte aan uitsluitend de ouders, die verplicht zijn zich met DigiD en hun burgerservicenummer te identificeren, in combinatie met de mogelijkheid voor de ambtenaar van de burgerlijke stand om navraag te doen bij de arts of verloskundige alsmede om een persoonlijk baliemoment te creëren ter verificatie van de aangifte en de overlegde bescheiden.

De pilot van de gemeente ’s-Hertogenbosch is onafhankelijk geëvalueerd door het bureau Advies in Vertrouwen.1 Hieruit blijkt er op basis van de pilot, en gelet op de huidige ict-mogelijkheden, geen bezwaren zijn om de wettelijke bepalingen voor de digitale geboorteaangifte in werking te laten treden. Gemeenten die dit willen, kunnen de elektronische weg vanaf 1 januari 2020 openstellen. De Nederlandse Vereniging voor Burgerzaken en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten, met wie de uitkomsten van de evaluatie zijn besproken, zijn over de voorgenomen invoering en het beoogde tijdstip van inwerkingtreding positief.

In geval van een elektronische geboorteaangifte verstrekt de betrokken arts of de verloskundige de vereiste gegevens aan de ambtenaar van de burgerlijke stand (art. 27 lid 3 BBS). Dit vormt een nadere uitwerking van het nieuwe artikel 1:19e lid 10 BW, op grond waarvan de vader of moeder bij een e-aangifte bepaalde geboortegegevens moet laten bevestigen door de betrokken arts of verloskundige. De artikelen 1:19e BW en 27 lid 3 BBS treden niet in de vraag langs welke weg de medische verklaring de ambtenaar van de burgerlijke stand moet bereiken. Wel is in de toelichting bij art. 27 lid 3 BBS opgemerkt dat de betrokken arts of verloskundige de betreffende gegevens «rechtstreeks» aan de ambtenaar van de burgerlijke stand zou moeten verstrekken, om frauduleuze aangiften tegen te gaan (Stb. 2014, 587, p. 11).

Uit de evaluatie is gebleken dat deze clausulering in de toelichting, die mede berustte op de stand van de techniek destijds, tot allerlei uitvoeringsproblemen kan leiden. Zo heeft de pilot in ’s-Hertogenbosch duidelijk gemaakt dat de rechtstreekse aanlevering van de verklaring bij de ambtenaar van de burgerlijke stand de flexibiliteit in de inrichting van processen bij artsen en verloskundigen sterk beperkt. Verder kan het bij gemeenten leiden tot verschillende (digitale) werkstromen met betrekking tot dezelfde geboorte, nl. een aangiftetraject door de ouders en een apart aanlevertraject van de medische verklaring, waardoor gemeentelijke werkprocessen onnodig worden gecompliceerd. Vermijdbare bureaucratie en het risico op diffuse werkprocessen zijn het gevolg. Het overleg met de NVvB en de VNG bevestigt dit beeld.

Tegelijkertijd signaleert de evaluatie de nodige ict-ontwikkelingen sinds 2014, die meebrengen dat fraudebestrijding ook op andere wijze mogelijk is dan via de rechtstreekse aanlevering van de medische verklaring aan de ambtenaar van de burgerlijke stand. Daarvoor blijken ict-matig inmiddels betrouwbare en functioneel equivalente alternatieven. Ter illustratie noemt de evaluatie de mogelijkheid om de geboorteaangifte en de medische verklaring in één proces, in tijd en plaats gecombineerd, digitaal te genereren en naar de gemeente te sturen, waarbij de aangever en arts/verloskundige op goede wijze zijn geauthentiseerd, eventueel via een digitale handtekening, en de elektronische weg «end-to-end» beveiligd is. Dat laatste is cruciaal voor een fraudebestendige elektronische dienstverlening. Een van de gemeentelijke softwareleveranciers heeft, aldus het bureau Advies in Vertrouwen, een dergelijke aangiftetoepassing voor digitale geboorteaangiften al ontwikkeld en beschikbaar voor ruim 125 vooral middelgrote en kleinere gemeenten.

Het wettelijke kader verzet zich niet tegen gebruikmaking van dergelijke, met de directe aanlevering bij de ambtenaar van de burgerlijke stand equivalente, oplossingen, zolang de integriteit, authenticiteit, vertrouwelijkheid, betrouwbaarheid en veiligheid van het elektronische berichtenverkeer verzekerd blijven (art. 1:18b BW j° het Besluit elektronische dienstverlening burgerlijke stand). In de evaluatie wordt opgemerkt dat het Besluit elektronische dienstverlening burgerlijke stand van 4 mei 2015 (Stb. 2015, 176) geen technische eisen stelt aan het gebruik van een elektronisch afgegeven verklaring van geboorte. Daarvoor gelden echter onverminderd de genoemde eisen van integriteit, authenticiteit, vertrouwelijkheid, betrouwbaarheid en veiligheid (art. 1:18b BW). Richtsnoeren voor de concretisering daarvan kunnen, zoals geopperd in de evaluatie, bijvoorbeeld worden ontleend aan de door het Forum Standaardisatie vastgestelde Handreiking Betrouwbaarheidsniveaus voor digitale dienstverlening.2 Ontbreekt overigens een medische verklaring inzake de geboorte, dan resteert slechts de traditionele geboorteaangifte in persoon bij de gemeentelijke balie.

Gemeenten hebben per 1 januari 2020 de mogelijkheid – niet de verplichting – om over te gaan tot elektronische dienstverlening bij de geboorteaangifte. Inherent hieraan is dat zij daarvan ook kunnen afzien, of kunnen kiezen voor een gedeeltelijke invoering, bijvoorbeeld bij (bepaalde) ziekenhuisbevallingen. In verschillende gemeenten is daaraan een behoefte gebleken, bijvoorbeeld op de afdeling neonatologie van sommige ziekenhuizen. Van belang is wel dat als de elektronische geboorteaangifte in een gemeente wordt opengesteld, deze weg ook moet worden opengesteld voor de meemoeder in geval van lesbisch ouderschap. Dat volgt uit artikel Va, tweede lid, van de Wet van 25 november 2013 tot wijziging van Boek 1 BW in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie (Stb. 2013, 480), die op 1 april 2014 in werking is getreden (Stb. 2014, 132; vgl. hierna). Dit is, zo de wetsgeschiedenis, een kwestie van gelijke behandeling (Kamerstukken I 2013/14, 32 444, nr. F, p. 4).

De evaluatie signaleert een aantal praktische aandachtspunten in met name de uitvoering, de inrichting van werkprocessen en de publieksvoorlichting. Die zijn echter, aldus de evaluatie, met vrijwillige afspraken tussen gemeenten, de VNG, de NVvB, it-leveranciers en/of medische koepels aanzienlijk te reduceren. Verder beveelt het bureau Advies in Vertrouwen aan om het wettelijk kader voor de digitale geboorteaangifte drie jaar na de inwerkingtreding te evalueren, en daarin ook de digitale overlijdensaangifte en de elektronische huwelijksmelding te betrekken. Die aanbeveling wordt overgenomen.

Artikel I

Op grond van artikel I treedt allereerst het gewijzigde artikel 1:19e BW in werking (artikel I, onderdeel D, Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand). Daaruit volgt onder meer dat slechts de vader of de moeder een elektronische geboorteaangifte kunnen doen (lid 1), welke geboortegegevens voortaan in ieder geval moeten worden verstrekt (lid 9), dat bij een e-aangifte van geboorte het burgerservicenummer moet worden opgegeven – van de moeder uit wie het kind is geboren of, als de andere ouder aangifte doet, van beide ouders – alsmede dat de in lid 9 bedoelde gegevens moeten worden bevestigd door een verklaring van de betrokken arts of verloskundige (lid 10). Dat kan, zo blijkt uit de wetsgeschiedenis, ook de huisarts van de moeder zijn (Kamerstukken II 2009/10, 32 444, nr. 3, p. 8).

Voorts treedt artikel IIIa van de Wet elektronische dienstverlening burgerlijke stand in werking, met enkele technische aanpassingen die samenhangen met de vernummering van sommige artikelleden in artikel 1:19e BW.

Op grond van de overgangsbepaling van artikel Va, tweede lid, van de Wet van 25 november 2013 tot wijziging van Boek 1 BW in verband met het juridisch ouderschap van de vrouwelijke partner van de moeder anders dan door adoptie moet de elektronische geboorteaangifte, als gemeenten daartoe overgaan, ook worden opengesteld voor de meemoeder bij lesbisch ouderschap. Deze overgangsbepaling leidt van rechtswege tot een aantal meer technische wijzigingen in artikel 1:19e BW. Daarnaast worden aan het gewijzigde artikel 1:19e BW een nieuw dertiende en veertiende lid toegevoegd. In essentie wordt daarin geregeld dat, ook voor de elektronische aangifte, met de vader gelijk gesteld wordt «de moeder die niet de vrouw is uit wie het kind is geboren» (de meemoeder).

Artikel II

De onderdelen die op grond van artikel II in werking treden betreffen de gewijzigde bepalingen in het Besluit burgerlijke stand 1994 die de belemmeringen voor het doen van de elektronische geboorteaangifte in dat besluit wegnemen. Het gaat om meer technische aanpassingen inzake de ondertekening van de geboorteakte (onderdeel G), het opschrift van Afdeling zes van het Besluit Burgerlijke stand (onderdeel J) en de al genoemde verstrekking van de verklaring van geboorte door de betrokken arts of verloskundige aan de ambtenaar van de burgerlijke stand (onderdeel K; artikel 27 lid 3 BBS).

De Minister voor Rechtsbescherming, S. Dekker