Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en SportStaatsblad 2019, 319AMvB

Besluit van 4 oktober 2019, houdende een wijziging van het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 voor de verdere doorvoering van het abonnementstarief voor maatschappelijke ondersteuning, de aanpassing van de bijdragesystematiek voor persoonsgebonden budgetten voor beschermd wonen en het regelen van een bevoegdheid voor het inkorten van de termijn waarover de bijdrage wordt geïnd of kwijtschelden van een bijdrage in het geval een verzuim in het opleggen daarvan niet aan de verzekerde of cliënt te wijten is

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 29 mei 2019, kenmerk 1531643-190719-WJZ;

Gelet op de artikelen 3.2.5 van de Wet langdurige zorg, en 2.1.4, vierde lid, onderdeel b, 2.1.4a, derde en vierde lid, en vijfde lid, onderdeel b, en zevende lid, 2.1.4b, derde lid, 8.3, zesde lid, en 8.4, tweede lid, van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 juli 2019, no. W13.19.0131/III);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 1 oktober 2019, kenmerk 1531635-190719-WJZ;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Besluit langdurige zorg wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.3.1.3, vierde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. gegevens van het zorgkantoor over het verstrekken van zorg als bedoeld bij of krachtens de wet aan een verzekerde waaronder, indien van toepassing, de ingangsdatum van de periode waarover een persoonsgebonden budget wordt verleend.

B

Artikel 3.3.1.5 komt te luiden:

Artikel 3.3.1.5

  • 1. De eigen bijdrage wordt onmiddellijk vastgesteld nadat de gegevens, bedoeld in artikel 3.3.1.3, vierde lid, onderdelen a en b, door het CAK zijn ontvangen.

  • 2. De eigen bijdrage is verschuldigd met ingang van de maand waarin de verzekerde zorg is verleend of, indien het een persoonsgebonden budget betreft, met ingang van de eerste maand waarover dat is verleend, doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de eigen bijdrage is vastgesteld, aan de verzekerde is verzonden.

  • 3. Uit eigen beweging door het CAK of op aanvraag van de verzekerde kan, in afwijking van het tweede lid, de termijn waarover de bijdrage is verschuldigd worden verkort tot ten hoogste een maand of worden besloten dat de bijdrage niet verschuldigd is, indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage op te leggen:

    • a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het vaststellen van de bijdrage;

    • b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de verzekerde te wijten is; en

    • c. zich bijzondere of verzwarende omstandigheden voordoen voor de verzekerde.

C

Artikel 3.3.1.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het vierde lid wordt «tweede lid» vervangen door «tweede tot en met zesde lid».

2. Aan artikel 3.3.1.6 worden twee leden toegevoegd, luidende:

  • 5. De termijn van 36 maanden als bedoeld in het tweede lid, waarover een eigen bijdrage verschuldigd is, kan worden verkort naar 12 maanden indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage te herzien voorafgaand aan de laatstgenoemde termijn:

    • a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het herzien van de bijdrage; en

    • b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de verzekerde te wijten is.

  • 6. Uit eigen beweging of op aanvraag van de verzekerde kan, bij het voordoen van de situatie, bedoeld in het vijfde lid, het CAK de termijn verkorten tot ten hoogste een maand of besluiten dat de herziene bijdrage niet verschuldigd is in bijzondere of voor de verzekerde verzwarende omstandigheden.

D

In artikel 3.3.2.1, eerste lid, onderdeel c, wordt na «beschermd wonen» ingevoegd «of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend»

E

Artikel 3.3.2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid, onderdeel d, wordt na «beschermd wonen» ingevoegd «dan wel daarvoor een persoonsgebonden budget is verleend».

2. In het achtste lid wordt na «verblijf in instellingen» ingevoegd «of waarover een persoonsgebonden budget wordt verleend» en wordt na «maximaal twee weken per twee maanden in een instelling verblijven» ingevoegd «dan wel aan die verzekerden gedurende die perioden een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend».

ARTIKEL II

Het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 3.1 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het tweede, derde en vierde lid komen te luiden:

  • 2. Paragraaf 2 is, tenzij de paragraaf 3 of 4 van toepassing is, van toepassing op bijdragen:

    • voor aangewezen algemene voorzieningen, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid van de wet, maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten; en

    • 2°. krachtens artikel 8.3, zesde lid, van de wet.

  • 3. Paragraaf 3 is van toepassing op bijdragen:

    • 1°. voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor beschermd wonen; en

    • 2°. krachtens artikel 8.4, tweede lid, van de wet.

  • 4. Paragraaf 4 is van toepassing op bijdragen voor een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor opvang.

2. Aan het artikel wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. Dit hoofdstuk berust mede op de artikelen 2.1.4, vierde lid, 2.1.4a, derde, vierde, vijfde en zevende lid, en 2.1.4b, derde lid, van de wet.

B

Artikel 3.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De cliënt betaalt:

    • a. de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, uiterlijk in de maand volgend op de maand waarover de bijdrage verschuldigd is, tenzij de verschuldigdheid van een bijdrage betrekking heeft op een maand die voorafgaand is aan de maand waarin het besluit, waarmee een herziening is vastgesteld als bedoeld in artikel 3.6, aan de cliënt is verzonden;

    • b. ingeval de verschuldigdheid de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, betrekking heeft op een maand die voorafgaand is aan de maand waarin het besluit, waarmee een herziening is vastgesteld als bedoeld in artikel 3.6, aan de cliënt is verzonden, uiterlijk in de maand volgend op de maand waarin het besluit waarmee een herziening is vastgesteld als bedoeld in artikel 3.6, aan de cliënt is verzonden;

    • c. de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, derde en vierde lid, binnen dertig dagen nadat het CAK of de instantie als bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet, het besluit bekend heeft gemaakt waarbij vastgesteld is of en in welke omvang de cliënt een bijdrage verschuldigd is.

    Het CAK kan een afwijkende termijn vaststellen.

2. Het vierde lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. gegevens van het college over de verstrekte aangewezen algemene voorziening, bedoeld in artikel 2.1.4a, derde lid, de maatwerkvoorziening of het verleende persoonsgebonden budget.

3. In het derde en vierde lid wordt «artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet» vervangen door «artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet».

4. Het vijfde lid vervalt.

C

Artikel 3.4 wordt als volgt gewijzigd:

1. Onder vernummering van het tweede tot het derde lid na het eerste lid een lid ingevoegd, luidende:

  • 2. Een omstandigheid aangaande de cliënt of zijn echtgenoot die voor de toepassing van dit besluit van belang is wordt in aanmerking genomen met ingang van de maand na het ingangstijdstip dat het CAK in kennis is gesteld van deze omstandigheid of, indien dat tijdstip op de eerste dag van de maand valt, met ingang van de maand waarin het ingangstijdstip valt dat het CAK in kennis is gesteld van deze omstandigheid.

2. In het derde lid (nieuw) wordt «eerste lid» vervangen door «eerste of tweede lid».

D

In artikel 3.5 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. De bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, wordt onmiddellijk vastgesteld door het CAK nadat de gegevens, bedoeld in artikel 3.3, vierde lid, onderdelen a of b, voor zover het inkomensgegevens of een kennisgeving betreft met de dag dat een bij verordening aangewezen algemene voorziening, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, of een maatwerkvoorziening is verstrekt of een persoonsgebonden budget is verleend, door het CAK zijn ontvangen.

2. In het tweede en derde lid, wordt telkens «een kennisgeving dat een maatwerkvoorziening is verstrekt» vervangen door «een kennisgeving met de dag dat een maatwerkvoorziening is verstrekt of een persoonsgebonden budget is verleend».

3. In het derde lid wordt «artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet» vervangen door «artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet».

4. Het vierde tot en met zesde lid komen te luiden:

  • 4. De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, is verschuldigd met ingang van de maand na het ingangstijdstip dat het CAK van het college bij kennisgeving heeft ontvangen of, indien dat tijdstip op de eerste dag van de maand valt, met ingang van de maand waarin het ingangstijdstip valt dat het CAK van het college bij kennisgeving heeft ontvangen, doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is vastgesteld, aan de cliënt is verzonden.

  • 5. De bijdrage, bedoeld in het tweede lid, is verschuldigd met ingang van de maand waarin de maatwerkvoorziening is verstrekt of waarin het persoonsgebonden budget is verleend doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is vastgesteld, aan de cliënt is verzonden.

  • 6. De bijdrage, bedoeld in het derde lid, is verschuldigd met ingang van de maand dat de instantie, bedoeld in artikel 2.1.4b, tweede lid, van de wet van het college heeft ontvangen waarin de maatwerkvoorziening is verstrekt of waarin het persoonsgebonden budget is verleend doch ten hoogste over de 12 maanden die voorafgaan aan de maand waarin het besluit, waarmee de bijdrage is vastgesteld, aan de cliënt is verzonden.

5. Het zevende lid komt te luiden:

  • 7. Uit eigen beweging door het CAK of op aanvraag van de cliënt kan, in afwijking van het vierde en vijfde lid, de termijn waarover de bijdrage is verschuldigd worden ingekort tot maximaal een maand of worden besloten dat de bijdrage niet verschuldigd is, indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage op te leggen:

    • a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het vaststellen van de bijdrage;

    • b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de cliënt te wijten is; en

    • c. zich bijzondere of verzwarende omstandigheden voordoen voor de cliënt.

E

Artikel 3.6 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, wordt «artikel 2.1.4, zevende lid, van de wet» vervangen door «artikel 2.1.4b, tweede lid».

2. In het tweede lid vervalt «39 bijdrageperioden dan wel» en «bijdrageperiode of».

3. Onder vernummering van het vierde lid tot het zesde lid worden twee leden ingevoegd:

  • 4. De termijn van 36 maanden als bedoeld in het tweede lid, waarover een eigen bijdrage verschuldigd is, kan worden verkort naar 12 maanden indien het CAK van oordeel is dat het verzuim om de bijdrage te herzien voorafgaand aan de laatstgenoemde termijn:

    • a. het gevolg is van een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging in de gegevensuitwisseling of verwerking daarvan die noodzakelijk is voor het herzien van de bijdrage; en

    • b. de tekortkoming of vertraging, bedoeld onder a, niet aan de cliënt te wijten is.

  • 5. Uit eigen beweging of op aanvraag van de cliënt kan, bij het voordoen van de situatie, bedoeld in het vierde lid, het CAK de termijn inkorten tot maximaal een maand of besluiten dat de bijdrage niet verschuldigd is in bijzondere of voor de cliënt verzwarende omstandigheden.

4. In het zesde lid (nieuw) vervalt «bijdrageperiode of» en wordt «tweede lid» vervangen door «tweede, vierde of vijfde lid».

F

Artikel 3.7, derde lid, wordt «eerste tot en met derde lid» vervangen door «eerste en tweede lid».

G

Artikel 3.8 wordt als volgt gewijzigd:

Het eerste lid komt te luiden:

  • 1. Artikel 2.1.4a, vierde lid, van de wet is niet van toepassing op een voorziening voor vervoer voor zover de gemeente bij verordening de hoogte van de bijdrage vaststelt.

Het tweede lid komt te luiden:

  • 2. Bij de verordening, bedoeld in artikel 2.1.4, vierde lid, onderdeel b, en artikel 2.1.4a, vijfde lid, onderdeel b, van de wet, kan voor onderscheidenlijk de categorieën de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd nog niet heeft bereikt, de ongehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt of de gehuwde cliënt die de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt, de bijdrage op nihil worden gesteld indien het bijdrageplichtig inkomen van de ongehuwde cliënt of een gezamenlijk bijdrageplichtig inkomen van de gehuwde cliënt en zijn echtgenoot, lager is dan het per categorie vastgesteld bijdrageplichtig inkomen.

3. Het derde lid vervalt onder vernummering van het vierde tot zesde lid tot het derde tot vijfde lid.

4. In het derde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b (nieuw) wordt «bijdrageperiode» vervangen door «maand».

b. In onderdeel e wordt «met uitzondering van een woningaanpassing» vervangen door «met uitzondering van een woningaanpassing voor zover bij verordening op grond van artikel 2.1.5 van de wet een ander de bijdrage verschuldigd is».

5. In het vierde lid (nieuw) wordt «bijdrageperioden als bedoeld in het derde lid» vervangen door «maanden» en wordt «bijdrageperiode» vervangen door «maand».

6. Onder vernummering van het vijfde tot het zevende lid wordt na het vierde lid twee leden, ingevoegd, luidende:

  • 5. Indien een cliënt een bijdrage niet verschuldigd is op grond van artikel 3.5, zevende lid of 3.6, vierde en vijfde lid, wordt het vierde lid, onderdeel a, toegepast alsof de cliënt wel die bijdrage verschuldigd is.

  • 6. Het vierde lid is van overeenkomstige toepassing op degenen die op grond van artikel 2.1.5 de bijdrage verschuldigd zijn voor een woningaanpassing voor minderjarige cliënten.

H

Artikel 3.9a vervalt.

I

Na artikel 3.10 worden twee artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 3.10a

Over een gedeelte van de maand is de bijdrage, bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, gelijk aan het volledige bedrag, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, of 2.1.4a, vierde lid, van de wet of een lager bedrag dat de gemeente op grond van artikel 3.8 heeft vastgesteld.

Artikel 3.10b

  • 1. Het college ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs van een hulpmiddel of woningaanpassing, bedoeld in artikel 2.1.4a, zesde lid, van de wet, aan de hand van de totale kostprijs.

  • 2. Indien het college het CAK in kennis stelt van de totale kostprijs, bedoeld in het eerste lid, ziet het CAK voor het college toe op het niet overschrijden van die kostprijs.

  • 3. Bij het bepalen of de kostprijs niet wordt overschreden, wordt door het CAK, in afwijking van artikel 3.8, tweede en vierde lid, het bedrag, bedoeld in artikel 2.1.4 derde lid, of 2.1.4a, vierde lid van de wet, elke maand in mindering gebracht op de kostprijs.

  • 4. Het CAK gaat bij een samenloop van meerdere voorzieningen voor een cliënt uit van de kostprijs van één door het college aangewezen voorziening. Het college geeft aan bij welke voorziening het CAK toeziet op het niet overschrijden van de kostprijs, bedoeld in het eerste lid.

  • 5. Indien de totale kostprijs wordt bereikt geeft het CAK daarvan onmiddellijk kennis aan het college.

  • 6. Het CAK staakt de inning van de bijdrage nadat het college om staking van de inning heeft verzocht. Als de resterende totale kostprijs lager is dan de verschuldigde bijdrage per maand wordt die bijdrage niet geïnd.

J

In artikel 3.10, eerste lid, wordt «het bedrag per bijdrageperiode, genoemd in artikel 3.8, eerste lid» vervangen door «het bedrag, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, of 2.1.4a, vierde lid, van de wet».

K

Artikel 3.11, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a wordt na «in een instelling voor beschermd wonen verblijft» ingevoegd «of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend».

2. In onderdeel b wordt na «een instelling voor beschermd wonen verblijven» ingevoegd «dan wel dat daarvoor een persoonsgebonden budget is verleend».

L

Artikel 3.12 wordt als volgt gewijzigd:

1. Het eerste lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel a wordt na «van verblijf in een instelling voor beschermd wonen» ingevoegd «of waarover een persoonsgebonden budget is verleend voor beschermd wonen».

b. In onderdeel b wordt na «vier maanden» ingevoegd «als bedoeld in onderdeel a,».

c. In onderdeel d wordt na «verblijf in een instelling voor beschermd wonen» ingevoegd «of waarover een persoonsgebonden budget is verleend voor beschermd wonen».

2. In het tweede lid, onderdelen a, b en c, wordt na «in een instelling voor beschermd wonen verblijft» telkens ingevoegd «of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend».

3. Het vierde lid wordt als volgt gewijzigd:

a. In onderdeel b wordt na «verblijf in een instelling voor beschermd wonen» ingevoegd «of persoonsgebonden budget voor beschermd wonen».

b. In onderdeel c wordt na «het verblijf voor beschermd wonen aanvangt» ingevoegd «of het persoonsgebonden budget voor beschermd wonen wordt verleend».

4. In het vijfde lid komt te luiden:

  • 5. Voor de berekening van de periode van vier maanden, bedoeld in het vierde lid, worden perioden van verblijf op grond van de Wet langdurige zorg, instellingen voor beschermd wonen of perioden waarover een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend, samengeteld, tenzij tussen twee zodanige perioden meer dan zestig dagen zijn verlopen. De eerste volzin is niet van toepassing op cliënten die maximaal twee weken per twee maanden in een instelling voor beschermd wonen verblijven of een persoonsgebonden budget voor beschermd wonen is verleend.

M

In artikel 3.19, eerste lid wordt «beëindiging van de levering» vervangen door «beëindiging van de levering of het beëindigen van het persoonsgebonden budget».

N

Artikel 3.20 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid wordt «een bijdrageperiode als bedoeld in artikel 3.8, derde lid» vervangen door «een maand».

2. In het tweede lid wordt «in de bijdrageperiode» vervangen door «een maand».

ARTIKEL III

  • 1. Het in artikel I, onderdeel B opgenomen artikel 3.3.1.5, derde lid, en het in onderdeel C opgenomen artikel 3.3.1.6, vijfde en zesde lid, van het Besluit langdurige zorg en het in artikel II, onderdeel C opgenomen artikel 3.5, zevende lid, en het in onderdeel D opgenomen artikel 3.6, vierde en vijfde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 zijn van toepassing op besluiten met betrekking tot de vaststellingen en herzieningen van bijdragen die worden genomen na 31 december 2019.

  • 2. In geval van een vaststelling of herziening die ziet op de periode voor 1 januari 2020 aangaande een bijdrage als bedoeld in artikel 3.1, tweede lid, wordt voor «maand» of «maanden» respectievelijk gelezen «bijdrageperiode als bedoeld in artikel 3.8, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, zoals dat luidde voor 1 januari 2020» of «bijdrageperioden als bedoeld in artikel 3.8, derde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015, zoals dat luidde voor 1 januari 2020».

ARTIKEL IV

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip. Artikel I, onderdeel E, en de in artikel II, onderdeel A, eerste lid, opgenomen artikelonderdelen tweede lid, onderdeel 2°, en derde lid, onderdeel 2°, van artikel 3.1, en artikel II, onderdeel I, werken terug tot en met 1 januari 2019.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

’s-Gravenhage, 4 oktober 2019

Willem-Alexander

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge

Uitgegeven de zeventiende oktober 2019

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

In dit besluit worden uiteenlopende zaken geregeld op het terrein van de eigen bijdragen voor maatschappelijke ondersteuning en langdurige zorg op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo 2015) en de Wet langdurige zorg (Wlz). Een aantal van de maatregelen hangt samen met de invoering van een vast tarief van € 19 per maand voor een belangrijk gedeelte van de Wmo-voorzieningen (het abonnementstarief).

Verder wordt in lijn met de Wmo 2015 de bijdrage voor een persoonsgebonden budget (pgb) voor beschermd wonen onder de intramurale bijdragesystematiek gebracht. Bij de hoogte van een pgb voor beschermd wonen wordt rekening gehouden met het verblijf in een accommodatie van een instelling. Daarmee moet ook in de bijdrage rekening worden gehouden.

Enkele andere maatregelen, die zowel gelden voor de Wmo 2015 als de Wlz, hangen samen met het verminderen van negatieve financiële effecten voor cliënten die het gevolg zijn van stapelfacturen die buiten de schuld van de cliënt om zijn ontstaan. Als laatste wordt verduidelijkt welke startdatum voor het opleggen van de eigen bijdrage voor een persoonsgebonden budget (pgb) in de Wmo 2015 en Wlz dient te worden gehanteerd. Hieronder worden deze maatregelen nader toegelicht.

2. Abonnementstarief

In het regeerakkoord 2017–2021 «Vertrouwen in de toekomst» hebben de fracties van de partijen VVD, CDA, D66 en ChristenUnie een pakket aan maatregelen aangekondigd om de stapeling van eigen betalingen in de (langdurige) zorg en ondersteuning te verminderen.1 Op die manier borgt het kabinet dat de zorg financieel toegankelijk blijft, ook voor mensen die (binnen het gezin) zorg uit meerdere domeinen ontvangen en daardoor met meerdere eigen bijdragen en het eigen risico voor verzekerde zorg worden geconfronteerd. Het pakket bevat maatregelen gericht op de eigen betalingen in de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Wlz en de Wmo 2015. Een van de maatregelen om stapeling te voorkomen, betreft de invoering van een abonnementstarief van € 19 per maand voor huishoudens die gebruik maken van Wmo-voorzieningen. Het abonnementstarief reduceert tevens uitvoeringskosten, regeldruk en zorgt voor meer eenvoud voor de cliënt. Met de invoering van de vaste lage maximale periodebijdrage met ingang van 1 januari 2019 voor Wmo-maatwerkvoorzieningen is de eerste stap gezet richting de invoering van het abonnementstarief.

Met de wet tot wijziging van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 inzake de bijdrage voor maatschappelijke ondersteuning en de beoordeling voor de verstrekking van de maatwerkvoorziening (Stb. 2019, 185)2 wordt het abonnementstarief breder ingevoerd voor algemene voorzieningen waarbij er sprake is van een duurzame hulpverleningsrelatie (art. 2.1.4 Wmo 2015) en speelt inkomen of huishoudsamenstelling geen centrale rol meer. Op grond van deze wijzigingswet worden een aantal zaken bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) uitgewerkt. Met deze AMvB worden deze zaken geregeld, evenals enkele wijzigingen die met de invoering van het abonnementstarief samenhangen.

2.1 Uitzondering vervoer

Ten eerste wordt vervoer uitgezonderd van het abonnementstarief. Dit is in de wetswijziging over het abonnementstarief al aangekondigd. De uitzondering gaat in de meeste gevallen om collectief vervoer, in enkele gevallen om individueel vervoer. Het gaat niet om (mobiliteits)hulpmiddelen zoals een aangepaste fiets of een scootmobiel. Gemeenten kunnen in de verordening onderscheid maken tussen structureel vervoer (zoals naar de dagbesteding) en vervoer met een incidenteel karakter. Voor structureel vervoer is het passender om de voorziening onder het abonnementstarief te brengen of om geen bijdrage te vragen. De reden voor de uitzondering van vervoer is dat er bij deze vormen van vervoer per rit lage prijzen worden gevraagd en het gebruik in veel gevallen incidenteel is. Een abonnementstarief is daardoor al snel duur in relatie tot het gebruik. Vervoer is een laagdrempelige voorziening die bijdraagt aan de participatie en zelfredzaamheid van mensen, het is van belang dat deze laagdrempeligheid in stand blijft en de bijdrage het gebruik van de voorziening niet in de weg staat. Het is, vergelijkbaar met de afweging om voor het openbaar vervoer voor een abonnement te kiezen of voor een afzonderlijk kaartje, doelmatiger om voor een lage ritprijs te kiezen. De gemeente stelt de bijdrage dan bij verordening vast net zoals voor algemene voorzieningen. Gemeenten houden de beleidsvrijheid om het vervoer onder het abonnementstarief te brengen als dit bijvoorbeeld beter aansluit bij de lokale uitvoeringspraktijk.

2.2 kostprijsbewaking woningaanpassing en hulpmiddelen

Ten tweede wordt een artikel ingevoegd dat regels stelt als het CAK voor gemeenten uitvoering geeft aan de kostprijsbewaking ter voorkoming van de overschrijding van de kostprijs van een voorziening door de som van het totaal van de geïnde bijdragen voor een woningaanpassing of hulpmiddel.

Bij andere voorzieningen waarbij er sprake is van terugkerende dienstverlening met een hulpverleningsrelatie zal het feitelijk niet voorkomen dat de kostprijs per maand wordt overschreden. Het is daarom ook niet doelmatig en te kostbaar om daarop te controleren. Bij hulpmiddelen en woningaanpassingen met één productwaarde in het economisch verkeer is het niet de bedoeling dat een cliënt na afbetaling van de kostprijs van het product nog steeds bijdragen betaalt. Het college is primair verantwoordelijk voor deze kostprijsbewaking, maar het CAK kan die voor het college uitvoeren. Het besluit regelt hoe het CAK dat voor het college doet.

Bij het bepalen of de kostprijs is bereikt, wordt door het CAK in alle gevallen gerekend met het geldende wettelijk tarief van € 19 per maand. Bij meerdere verstrekte woningaanpassingen of hulpmiddelen, wordt door het CAK uitgegaan van één kostprijs die door de gemeente wordt aangegeven. In de praktijk gaat dat over de kostprijs die over de langste periode wordt geïnd (dat is meestal de voorziening met de hoogste kostprijs).

Bij samenloop van voorzieningen wordt ook rekening gehouden met de mutatie van een eerder aangeleverde kostprijs. Aangezien uitsluitend gemeenten zicht hebben op eventuele samenloop van ondersteuning en de kostprijzen daarbij, bepaalt de gemeente (i.c. het college) ook welke gegevens aan het CAK geleverd worden. Derhalve zal het CAK niet anders kunnen dan uitgaan van de kostprijsgegevens zoals door gemeenten verstrekt.

Als een cliënt (tijdelijk) geen bijdrage is verschuldigd, bijvoorbeeld als gevolg van minimabeleid, dan wordt over deze periode het wettelijk tarief per maand in mindering gebracht op de totale kostprijs. Hiermee wordt voorkomen dat cliënten, waarop (niet voor niets) een vrijstelling van toepassing is, alsnog de volledige kostprijs moeten betalen, maar dan op een later tijdstip. Indien de bijdrage wordt opgeschort, dienen gemeenten de (resterende) kostprijs voor hulpmiddelen en woningaanpassingen opnieuw door te geven op het moment dat de bijdrage weer wordt gestart. Als de kostprijs is bereikt, geeft het CAK dit door aan het college. Het college kan vervolgens, eventueel in overleg met de cliënt, beoordelen of de bijdrage moet doorlopen (bijvoorbeeld omdat de cliënt nog gebruikmaakt van een andere voorziening) en of en wanneer de bijdrage moet worden gestopt.

Het college informeert het CAK als de inning van de bijdrage moet worden gestopt. Het CAK volgt de berichtgeving van het college. Als de resterende totale kostprijs lager is dan de bijdrage per maand wordt die bijdrage niet geïnd.

Naast kostprijsbewaking op hulpmiddelen en woningaanpassingen die in eigendom zijn van de cliënt, geldt ook dat, als sprake is van bruikleen, huur of lease, de kostprijs niet overschreden mag worden. Hierbij kan sprake zijn van twee situaties.

Ten eerste dat de maandelijkse kosten (lease, huur of afschrijving) voor het hulpmiddel hoger zijn dan de maandelijkse bijdrage van de cliënt. In dit geval vindt kostprijsbewaking plaats doordat maandelijks de € 19,– niet wordt overschreden. Er hoeft daarom geen kostprijs te worden aangeleverd. Wel dient het college in dat geval te controleren of de kosten niet weer lager wordt dan de maandelijkse bijdrage (als bijvoorbeeld een hulpmiddel economisch is afgeschreven maar de bijdrage wel doorloopt).

Ten tweede kunnen dus de maandelijkse kosten lager zijn dan de eigen bijdrage. Hierbij kunnen zich 2 situaties voordoen die voortvloeien uit de regeling en de gekozen uitvoeringsmodaliteit:

  • Als er al een andere vorm van ondersteuning is, zoals huishoudelijke hulp, heeft dit geen invloed op de eigen bijdrage. Die blijft € 19,–.

  • Het college kan ervoor kiezen een integrale kostprijs te berekenen en deze aan het CAK door te geven. Het CAK voert dan de werkzaamheden verbonden aan de kostprijsbewaking uit.

Het college kan er ook voor kiezen zelf toe te zien op het bewaken van deze wettelijk norm (art. 2.1.4a Wmo 2015). Dit zal bijvoorbeeld het geval zijn als het college een lager bedrag dan het abonnementstarief in mindering wil brengen op de kostprijs per maand dan € 19, omdat het college ook een lager bedrag dan het abonnementstarief per maand in rekening brengt.

2.3 Verschuldigdheid abonnementstarief en start oplegging bijdrage CAK

Ten derde wordt vastgelegd dat de bijdrage is verschuldigd vanaf de maand volgend op het tijdstip dat door het college aan het CAK is doorgegeven. Dit tijdstip is in veel gemeenten het tijdstip waarop de ondersteuning feitelijk start, maar het kan bijvoorbeeld ook gekoppeld zijn aan de toekenningsbeschikking. Hierop bestaat een uitzondering. Als de ingangsdatum die wordt doorgegeven aan het CAK valt op de eerste van de maand, is de bijdrage verschuldigd met ingang van dat tijdstip.

Voor een stopbericht geldt dat de bijdrage niet meer verschuldigd is vanaf de maand volgend op het tijdstip dat het CAK een stopbericht heeft ontvangen. Dit vereenvoudigt het proces, omdat er geen deelbedragen, gebaseerd op het deel van de maand dat de cliënt ondersteuning heeft ontvangen, bij de cliënt in rekening hoeven te worden gebracht. Het besluit regelt dan ook dat een abonnementstarief altijd volledig in rekening wordt gebracht over de maand waarin de voorziening wordt beëindigd of opgeschort. De bijdrage begint overigens ook pas met ingang van de maand na de maand de maatschappelijke ondersteuning is gestart. Het aantal bijdrageperioden waarover een bijdrage verschuldigd is blijft daarmee gelijk.

Het besluit of een bijdrage tijdelijk niet is verschuldigd (opschorting), blijft onder het abonnementstarief de beleidsvrijheid van het college. Dit kan bijvoorbeeld in het geval van een ziekenhuisopname (zie Kamerstukken II 2013–2014, 33 841, nr. 3, p.155–157).

3. Bijdrage voor pgb beschermd wonen en opvang

Cliënten met een pgb voor beschermd wonen of opvang komen onder de intramurale bijdragesystematiek te vallen. Dit geldt voor alle pgb’s die een vergoeding voor de wooncomponent bevatten. In 2019 betaalden deze cliënten nog het vaste tarief onder de extramurale bijdragesystematiek. De groep die dit betreft is klein; uit de uitvoeringstoets van VNG komt een schatting van 375 cliënten. Beschermd wonen komt hiermee als geheel onder de intramurale bijdragesystematiek te vallen. Die komt overeen met de bijdragesystematiek in de Wlz voor mensen die in een instelling (intramuraal) verblijven.3 In de Wmo 2015 ontvangt men namelijk de volledige voorziening voor beschermd wonen via het pgb waaronder ook een verblijfscomponent. Het is daarom qua bijdrage niet goed te rechtvaardigen waarom verschillend wordt omgegaan met de hoogte van de bijdrage. De intramurale bijdragesystematiek waarbij hogere bijdragen gelden, past bij de situatie van cliënten met een pgb beschermd wonen die een vergoeding voor de wooncomponent ontvangen. Deze cliënten hebben onder de extramurale systematiek een te lage bijdrage betaald. Zij ontvingen een vergoeding voor de wooncomponent (en hadden daarmee de facto geen woonlasten) én betaalden een lage bijdrage. Dit wordt in dit besluit gecorrigeerd.

4. Stapelfacturen buiten de schuld van de cliënt om

Reeds is ten behoeve van de reductie van stapelfacturen geregeld dat de termijn voor het opleggen van een bijdrage is verkort van 36 maanden naar 12 maanden.4 Dit gold al per 2019 voor de bijdrage voor Wlz-zorg en de maatwerkvoorziening beschermd wonen (intramuraal), en gaat vanaf 2020 ook voor alle andere Wmo-voorzieningen waarvoor het CAK een bijdrage oplegt, gelden.

Het herzien van een bijdrage met terugwerkende kracht tot en met 36 maanden blijft nog steeds mogelijk. Het kan zijn dat iemand nog een bijdrage terugkrijgt of dat inkomen pas over een later jaar definitief kan worden vastgesteld. Echter, hierop wordt een uitzondering gemaakt.

Soms doen zich situaties voor waarbij door een ernstige tekortkoming van het CAK of één van zijn ketenpartners geen gegevens worden uitgewisseld waardoor, buiten de schuld van de cliënt om, langere tijd geen of een onjuiste bijdrage wordt opgelegd. Hierdoor kan een cliënt opeens met een hoge bijdrage (naheffing) worden geconfronteerd (een stapelfactuur). Dit kan maximaal oplopen tot een bijdrage over 36 maanden. Als stapelfacturen veroorzaakt worden door ernstige tekortkomingen buiten de beïnvloedingssfeer van de cliënt, is het zeer onwenselijk dat deze cliënten met hoge naheffingen geconfronteerd worden. In antwoord op Kamervragen heeft de minister van VWS daarom in december 2018 aangekondigd twee maatregelen te treffen, voor zowel de Wmo 2015 als de Wlz.5

4.1 Inkorten van de termijn waarover de bijdrage wordt opgelegd door het CAK bij tekortkoming of vertraging gegevensuitwisseling

Ten eerste is besloten om bij herzieningen de termijn waarover naheffingen kunnen worden opgelegd te verkorten van 36 maanden naar 12 maanden als het CAK van oordeel is dat er sprake is van een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging bij het CAK of ketenpartners (zoals gemeenten, zorgkantoren of de Belastingdienst) in de gegevensuitwisseling. Hierbij is aangesloten bij de termijn die sinds 1 januari 2019 wordt gehanteerd voor initiële beschikkingen.

Hiermee krijgt het CAK de mogelijkheid om gemaakte fouten te herstellen en wordt de cliënt beschermd tegen uitzonderlijk hoge naheffingen. Het CAK zal beleidsregels opstellen waarin wordt uitgewerkt wanneer er sprake is van een ernstige tekortkoming, waarbij de termijn moet worden verkort. Bij ernstige tekortkomingen van het CAK of één van zijn ketenpartners kan in ieder geval worden gedacht aan het niet (tijdig) verwerken van gewijzigde persoonlijke omstandigheden van de cliënt (zoals de huishoudsamenstelling), niet goed doorgevoerde overlijdensgegevens en het laat uitwisselen van gegevens.

Bij veranderingen in de inkomensgegevens, zoals doorgegeven aan de Belastingdienst, kan sprake zijn van strategisch gedrag bij cliënten (door b.v. inkomensgegevens voor de Belastingdienst expres een te laag verzamelinkomen door te geven of wijzigingen te laat of niet door te geven). Op dat moment is de tekortkoming te wijten aan de cliënt. Het CAK kan dit echter op voorhand niet toetsen. De cliënt zal dan in een aanvraag moeten onderbouwen dat de tekortkoming in de uitwisseling van informatie in de keten bij de bij de Belastingdienst ligt. Dit komt tot uiting in het criterium dat de tekortkoming niet aan de verzekerde of de cliënt te wijten moet zijn. Volledigheidshalve, in geval van een peiljaarverlegging kan het CAK de verwijtbaarheid van een cliënt wel vaststellen en toepassing geven aan de oplegging met terugwerkende kracht van 36 maanden.

De verkorting van de termijn geldt overigens alleen voor herzieningen van de eigen bijdrage die in het nadeel zijn van de cliënt. Voor de termijn van herzieningen die in het voordeel van de cliënt zijn, bijvoorbeeld het teruggestort krijgen van teveel betaalde eigen bijdrage, blijft de huidige werkwijze bestaan.

4.2 Inkorten van de termijn waarover de bijdrage wordt opgelegd of het niet verschuldigd achten van de bijdrage door het CAK op aanvraag bij tekortkoming of vertraging gegevensuitwisseling in bijzondere of verzwarende omstandigheden

Ten tweede krijgt het CAK de bevoegdheid om, in zeer specifieke situaties, een naheffing naar aanleiding van (initiële) oplegging van een bijdrage of een herziening een kortere termijn dan 12 maanden te hanteren of de eigen bijdrage zelfs helemaal niet op te leggen. De bevoegdheid kan het CAK toepassen over maanden die bij de cliënt met terugwerkende kracht in rekening worden gebracht als gevolg van een initiële oplegging of herziening van de eigen bijdrage, die bovendien is ontstaan door een ernstige tekortkoming van het CAK of één van zijn ketenpartners. Indien een cliënt in aanmerking wil komen voor deze bevoegdheid, dient deze een aanvraag in te dienen bij het CAK. In sommige gevallen kan het CAK de bevoegdheid uit eigen beweging toepassen. Dit wordt toegelicht in de artikelsgewijze toelichting. Het CAK zal beleidsregels maken waarin een beoordelingskader wordt geschetst ter toepassing van deze bevoegdheid. Het is vervolgens ook aan het CAK om de individuele omstandigheden van de cliënt te wegen en al dan niet tot een toepassing van de bevoegdheid te komen. Als bijvoorbeeld de cliënt met het CAK contact heeft gezocht om fouten te melden en het CAK niet adequaat heeft gereageerd zal dat leiden tot toepassing. De bevoegdheid is in te roepen voor beschikkingen (initiële vaststellingen en herzieningen) afgegeven vanaf 1 januari 2020. Dit betekent dat het CAK bij alle vaststellingen of herzieningen (ongeacht het zorgjaar) vanaf 2020 dit kader van toepassing is.

5. Verduidelijking start eigen bijdrage bij een pgb

De eigen bijdrage in de Wlz wordt voor zorg in natura opgelegd vanaf het moment dat de zorglevering is gestart. Het CAK ontvangt hierover een «bericht aanvang zorg». Een dergelijk bericht wordt, nadat de toekenningsbeschikking is verstuurd, ook bij de leveringsvorm van het persoonsgebonden budget (pgb) verzonden. In de artikelsgewijze toelichting bij artikel 3.1.1 van het Besluit langdurige zorg (Stb. 2014, 520) is aangegeven dat de eigen bijdrage voor het pgb is verschuldigd met ingang van de dag waarop het zorgkantoor het pgb verleent. In een uitspraak van de Rechtbank Limburg van 27 juli 2018 (AWB/ROE 17/51) is echter gebleken dat onduidelijkheid kan bestaan over de datum waarop de eigen bijdrage bij het pgb kan worden opgelegd. In die zaak werd doorslaggevend geacht dat de eigen bijdrage voor het pgb in de Wlz inhoudelijk gelijk waren aan de bijdragen zoals deze golden onder de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ). In de Wlz is echter, anders dan onder de AWBZ het geval was, sprake van een «bruto» pgb dat besteed mag worden aan uitgaven van Wlz-zorg en niet het betalen van de verschuldigde eigen bijdrage. Dit geldt eveneens voor de Wmo 2015.

Door in het Besluit langdurige zorg en het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 vast te leggen dat de bijdrage is verschuldigd met ingang van de maand waarin het pgb is verleend, wordt deze onduidelijkheid weggenomen. Dit betekent dat de ingangsdatum van de toekenningsbeschikking voor de Wlz leidend is, en de verleningsdatum die genoemd is in de beschikking van het college. Dit biedt de cliënt en het zorgkantoor of de gemeente de ruimte om af te spreken vanaf welk moment de cliënt overeenkomsten met zorgverleners heeft gesloten en dus ook gebruik zal (kunnen) maken van het pgb. Bij het pgb ligt het minder voor de hand om te kiezen voor het moment dat feitelijk wordt gedeclareerd, omdat dan cliënten oneigenlijk kunnen sturen wanneer zij een bijdrage betalen terwijl het pgb wel is gereserveerd en ter beschikking is gesteld. Daarnaast zou deze werkwijze ook veel kostbaar berichtenverkeer met zich meebrengen.

6. Bijdrage overgangsrecht GGZ-C-indicatiebesluit

Onder de Wmo 2015 geldt overgangsrecht voor die vormen van zorg die vanuit de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) zijn overgeheveld naar de Wmo 2015 (artikel 8.3 Wmo 2015). Gemeenten zijn of waren verantwoordelijk om op basis hiervan nog tijdelijk AWBZ-zorg te leveren. Geregeld is dat gemeenten die bijdrage ontvangen en dat de bijdrage, die krachtens de AWBZ was voorgeschreven, geldt als cliënten hun aanspraak op deze zorg nog verzilveren op basis van hun AWBZ-indicatiebesluit van het CIZ. Dit overgangsrecht is materieel uitgewerkt met uitzondering van degene die een GGZ-C indicatie heeft en op basis van artikel 8.4 Wmo 2015 een aanspraak op zorg heeft (beschermd wonen). Het is echter mogelijk dat op basis van nieuwe feiten, zoals een herberekening in het inkomen, een herziening kan plaatsvinden. Inmiddels zijn sinds 2019 maatregelen doorgevoerd zoals het abonnementstarief Wmo 2015, de compensatie ouderentoeslag en het verlagen van de vermogensinkomensbijtelling die geen onderdeel vormen van het overgangsrecht dat is gebaseerd op de AWBZ. Daarom is geregeld dat het recht op grond van de Wmo 2015 ten aanzien van de bijdrage, van toepassing te laten zijn op de bijdrage van deze overgangscliënten met een AWBZ-indicatie. Hierbij is het nodig om over 2019 met terugwerkende kracht de verlaging van de vermogensinkomensbijtelling door te voeren voor overgangscliënten. De regels over de vaststelling en inning van de bijdrage voor maatwerkvoorzieningen en persoonsgebonden budgetten door het CAK (waaronder die over de hoogte en de invordering) zijn bij algemene maatregel van bestuur vastgelegd (Uitvoeringsbesluit Wmo 2015). Deze regels zijn voor beschermd wonen geënt op het Bijdragebesluit zorg. In de afgelopen periode is de bijdrage onder de Wmo 2015 verlaagd. De ingevoegde bepaling regelt dat deze regels (met verlaging) ook van toepassing worden op de bijdrage als bedoeld in artikel 8.3, zesde lid, ten behoeve van het overgangsrecht. Concreet betekent dit dat de groep met een (intramurale) GGZ-C-indicatie een bijdrage krijgt opgelegd conform de bijdrage die geldt voor beschermd wonen en de overige cliënten in het voorkomende geval het abonnementstarief betalen. In beide gevallen zijn deze bijdrage gunstiger qua hoogte dan onder het overgangsrecht. Daarbij hoeft het CAK niet twee systemen tegelijkertijd te hanteren bij het vaststellen en innen van de bijdragen. Ten slotte kan hiermee ook op enig moment het overgangsrecht ten aanzien van de bijdrage worden afgesloten zodat het oude recht niet meer hoeft te worden toegepast bij een herziening naar aanleiding van eerder onbekende feiten.

7. Uitvoerbaarheid

De maatregelen die samenhangen met de invoering van het abonnementstarief én voor de startdatum van de bijdrage voor een pgb zijn niet apart getoetst omdat de veranderingen beperkt zijn en veelal aansluiten bij de huidige uitvoeringspraktijk.

De overheveling van cliënten met een pgb beschermd wonen of opvang naar de intramurale bijdragesystematiek is getoetst bij het CAK en bij VNG en is uitvoerbaar bevonden. De VNG geeft aan dat het om een zeer kleine groep cliënten gaat (de schatting is 375 cliënten). De impact voor gemeenten per cliënt is naar verwachting wel groot, omdat bezwaren verwacht worden. Zowel VNG als CAK vragen aandacht voor tijdige en zorgvuldige communicatie naar cliënten en gemeenten.

Voor de maatregelen om de financiële gevolgen van stapelfacturen buiten de schuld van de cliënt om te beperken is de uitvoerbaarheid door VNG getoetst. De maatregelen zijn uitvoerbaar bevonden. VNG geeft in de uitvoeringstoets aan dat meer zicht op oorzaken én financiële effecten van herzieningen verder dan 12 maanden terug, een randvoorwaarde is voor de uitvoering. Ook dient er voor de maatregel met betrekking tot het inkorten van de termijn waarover de bijdrage wordt opgelegd of het niet verschuldigd achten van de bijdrage in bijzondere omstandigheden duidelijkheid te zijn over de verdeling van bevoegdheden van het CAK en het college. In deze randvoorwaarden wordt voorzien via de uitvoeringstoets van het CAK. Het CAK heeft in de uitvoeringstoets aangegeven dat de maatregel uitvoerbaar is. Het CAK controleert handmatig de herzieningen, met een andere oorzaak dan een wijziging in verzamelinkomen of een peiljaarverlegging, waarop meer dan 12 maanden gefactureerd zijn. Indien deze herzieningen zijn ontstaan door een ernstige tekortkoming of vertraging van het CAK of een van zijn ketenpartners, verkort het CAK de termijn tot 12 maanden of in geval het CAK mogelijk kan vaststellen dat er daarnaast bijzondere of verzwarende omstandigheden zijn, een verdere verkorting, alvorens de herziening aan de cliënt te versturen. Uiteraard kan de burger dit ook via een aanvraagprocedure laten beoordelen. In de uitvoeringstoets zijn enkele mogelijke oorzaken van de herzieningen en een indicatie van de financiële effecten inzichtelijk gemaakt voor zowel het Fonds langdurige zorg als het Gemeentefonds. Deze uitkomsten zijn gedeeld met de VNG.

8. Financiële gevolgen

De financiële gevolgen die samenhangen met de invoering van het abonnementstarief, zijn in het wetsvoorstel abonnementstarief reeds in beeld gebracht. Gemeenten zijn hiervoor gecompenseerd met een toevoeging aan het gemeentefonds. De verdere uitwerking van dit wetsvoorstel met de maatregelen in dit besluit, hebben geen aanvullende financiële gevolgen. Voor de verduidelijking van de startdatum van de bijdrage voor een pgb worden geen financiële gevolgen verwacht.

De overheveling van cliënten met een pgb beschermd wonen of opvang naar de intramurale bijdragesystematiek leidt naar verwachting structureel tot € 1,5 miljoen aan extra opbrengsten eigen bijdragen Wmo. Deze voegt het CAK toe aan de totale eigen bijdrage opbrengsten die uitgekeerd worden aan gemeenten. Voor de naar schatting 375 cliënten zijn de inkomenseffecten weergegeven in onderstaande tabel. De inkomenseffecten zijn groot. Dit heeft ermee te maken dat cliënten op dit moment geen woonlasten hebben, en de huidige bijdrage daarmee niet in verhouding staat. De hogere bijdrage die cliënten gaan betalen, is gelijk aan de bijdrage die cliënten die beschermd wonen in natura al betalen.

Inkomenseffecten (€ per maand) van het overgaan van Wmo (abonnementstarief) naar de Wlz systematiek
 

inkomensverdeling:

inkomenseffect

 

cumulatief %

LEB

HEB

50% sociaal minimum

10%

-€ 145

-€ 69

sociaal minimum

40%

-€ 145

-€ 468

€ 16.500

60%

-€ 145

-€ 539

€ 21.000

80%

-€ 156

-€ 705

€ 26.000

90%

-€ 198

-€ 833

€ 36.500

98%

-€ 285

-€ 1.173

€ 47.000

99%

-€ 373

-€ 1.530

De maatregelen om de financiële gevolgen van stapelfacturen te beperken, pakken positief uit voor de cliënten die te maken krijgen met naheffingen als gevolg van fouten die zijn gemaakt door het CAK of ketenpartners. Voor overige cliënten verandert er niets. De financiële gevolgen voor het Fonds Langdurige Zorg en gemeenten zijn inzichtelijk gemaakt in een uitvoeringstoets van het CAK. De maatregelen leiden tot minder opbrengsten aan eigen bijdragen Wlz en Wmo. De verwachte derving van de inkomsten voor het Fonds langdurige zorg is € 581.000. De derving voor gemeenten is naar verwachting € 175.300. Dit wordt gedekt uit bestaande middelen, er wordt geen extra geld toegevoegd aan het Gemeentefonds. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een goede en tijdige gegevensaanlevering bij het CAK. Vertragingen of fouten die tijdens dit proces optreden, worden niet apart gecompenseerd.

9. Gevolgen voor regeldruk

Het abonnementstarief in de Wmo 2015 ziet toe op het verminderen van de regeldruk bij zowel cliënten en aanbieders, als gemeenten. Voor de overheveling van cliënten met een pgb beschermd wonen of opvang naar de intramurale bijdragesystematiek wordt voor cliënten een beperkt regeldruk effect verwacht. Zij moeten kennis nemen van de informatie die zij hierover ontvangen. Gezien het beperkte aantal cliënten wordt dit effect als verwaarloosbaar beschouwd. Voor aanbieders zijn er geen regeldruk effecten. De maatregel voor het verkorten van de termijn waarover het CAK een herziening mag opleggen, in het geval van een ernstige tekortkoming van het CAK of een van zijn ketenpartners, heeft nauwelijks gevolgen voor de regeldruk van cliënten. Het CAK voert de verkorting van de termijn door, indien blijkt dat de herziening met meer dan 12 maanden aan eigen betalingen, ontstaan is door een fout van het CAK of ketenpartner en dit niet aan de cliënt te wijten is. De cliënt hoeft hier in principe zelf geen handelingen voor te ondernemen. Enige regeldruk wordt verwacht voor de cliënten die 12 maanden initiële aan eigen bijdrage of 36 maanden aan herziene eigen bijdrage opgelegd krijgen en toch menen dat er sprake is van een fout van het CAK of ketenpartner, die niet aan de cliënt te wijten is en bovendien in aanmerking willen komen voor de bevoegdheid van het CAK om maatwerk te leveren (bij bijzondere en verzwarende omstandigheden). Deze cliënten dienen hiervoor zelf een aanvraag in te dienen bij het CAK en de door het CAK gevraagde informatie aan te leveren. Het vastleggen van de startdatum waarop een bijdrage is verschuldigd voor pgb’s, brengt geen regeldrukeffecten met zich mee. Het Adviescollege Toetsing en Regeldruk (ATR) deelt de analyse en conclusie dat de gevolgen ten aanzien voor de regeldruk verwaarloosbaar zijn.

10. Gevolgen voor fraude

De maatregelen hebben geen gevolgen voor fraudemogelijkheden. De maatregel die verschillende zaken voor het abonnementstarief in de Wmo 2015 regelt, heeft geen fraudemogelijkheden voor cliënten tot gevolg. De controle van het abonnementstarief en bovengenoemde zaken liggen bij de gemeenten en het CAK. De bijdrage voor een pgb beschermd wonen en opvang wordt door gemeenten vastgesteld en doorgegeven. Dit biedt dus geen mogelijkheid om te frauderen.

Verwacht wordt dat de maatregel voor het verkorten van de termijn waarover het CAK een herziening van de eigen bijdrage mag opleggen geen gevolgen heeft voor fraudemogelijkheden. De maatregel ziet namelijk op herzieningen die zijn ontstaan door een ernstige tekortkoming van het CAK of een van zijn ketenpartners. De oorzaken van deze herzieningen liggen hiermee buiten de beïnvloedingssfeer van de cliënt. Dit biedt voor de cliënt geen mogelijkheden om te frauderen om zo een lagere eigen bijdrage opgelegd te krijgen. Wel vermindert de prikkel bij cliënten om fouten die gemaakt zijn in de keten tijdig te corrigeren. De vierde maatregel is een technische wijziging en geeft geen mogelijkheden tot fraude.

11. Consultatie

Dit besluit is tussen 22 maart en 17 april 2019 via internet geconsulteerd voor een ieder om te reageren op de maatregelen. Op de internetconsultatie hebben 20 partijen gereageerd; waaronder de Nederlandse Zorgautoriteit, Per Saldo. Ieder(in), Federatie opvang, de RIBW-Alliantie KBO-PCOB, de Vereniging Gehandicaptenzorg Nederland, GGZ-Nederland, LOC, Mind, Patiëntenfederatie Nederland, de VNG en een aantal gemeenten. Verder heeft de Autoriteit Persoonsgegevens aangegeven geen opmerkingen te hebben bij dit besluit.

Gemeenten grijpen de consultatie aan om hun kanttekeningen te zetten bij de nieuwe wetsartikelen in de Wmo 2015 waarop dit besluit rust. De kanttekeningen gaan met name in op dat het abonnementstarief gaat gelden voor een deel van de algemene voorzieningen en op het loslaten van de inkomensafhankelijke bijdrage. Ook Zorgthuisnl sluit zich aan bij de signalering dat de zelfredzaamheid (door zelf een voorziening te betrekken) van de burger onbenut wordt gelaten door de inkomensafhankelijke bijdrage los te laten.

VNG vraagt verder aandacht voor het financiële effect voor gemeenten als gevolg van de verkorte herzieningstermijn en de bevoegdheid van het CAK om bij een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging in de gegevensuitwisseling de bijdrage te verlagen of niet verschuldigd te achten. Deze financiële effecten zijn via de uitvoeringstoets van het CAK in beeld gebracht. Ook vraagt VNG aandacht voor de verdeling van verantwoordelijkheden tussen het CAK en gemeenten met betrekking tot de bevoegdheid van het CAK om bij een ernstige tekortkoming of ernstige vertraging in de gegevensuitwisseling de bijdrage te verlagen of niet verschuldigd te achten. Aangezien het CAK de enige partij is die zicht heeft op de gehele keten, is zij volgens de wetgever de aangewezen partij voor het uitvoeren van deze maatregel.

VNG is tegen de maatregel om het pgb beschermd wonen onder de intramurale bijdragesystematiek te laten vallen. De bezwaren van VNG zien niet zozeer op de hogere eigen bijdrage die cliënten gaan betalen, maar op de definitie van beschermd wonen die wordt gehanteerd. Gemeenten zijn voorstander van een definitie van beschermd wonen die tegemoet komt aan de scheiding tussen wonen en zorg. Los van de definitie, is het doel van de wetgever om zorg te dragen dat cliënten een bijdrage betalen die past bij hun woonsituatie (als een cliënt geen woonlasten heeft, dan is het passend om een hogere bijdrage te betalen). VNG vraagt ook aandacht voor zorgvuldige communicatie richting cliënten.

Ieder(in), Per Saldo, LOC, Mind, Patiëntenfederatie NL geven in een gezamenlijke brief aan dat zij positief aankijken tegen de maatregelen, maar op een aantal punten graag verduidelijking zien. Rond het uitzonderen van vervoer van het abonnementstarief uiten zij zorgen over de cumulatie van bijdragen en het overschrijden van de kosten van het abonnementstarief. Verder vragen zij wat de aanleiding kan zijn voor het tijdelijk opschorten van de inning van de eigen bijdrage en verduidelijking over wanneer opschorting dan beleidsmatig wenselijk zou zijn. Ook KBO-PCOB vraagt hiernaar. Rond vervoer is verduidelijkt dat het passender is om vervoer met een structureel karakter, zoals vervoer naar de dagbesteding, onder het abonnementstarief te brengen of dit type vervoer uit te zonderen van een bijdrage. Het besluit is aangepast om mogelijk te maken dat gemeenten verschillende typen vervoer kunnen onderscheiden in de verordening. Het is aan gemeenten om te zorgen dat vervoer laagdrempelig toegankelijk blijft voor mensen. Ook gaan gemeenten over het wel of niet opschorten van de levering van een voorziening of de verlening van een pgb. In de memorie van toelichting van de Wmo 2015 wordt hiervoor een ziekenhuisopname als voorbeeld gegeven.

In een afzonderlijke brief vraagt Per Saldo aandacht voor de bijdrage voor beschermd wonen. Zoals aangegeven bestaat de aanspraak op beschermd wonen uit een wooncomponent, echter de grootste groep van budgethouders heeft geen wooncomponent, maar enkel een uitgebreide vorm van begeleiding thuis. Het is niet de bedoeling om deze aanpassing die een kleine groep cliënten raakt, te laten uitstralen naar bestaand gemeentelijk beleid. Het doel is om de bijdrage aan te laten sluiten bij de woonsituatie van de cliënt. Deze maatregel vraagt afgezien van de bijdrage die gemeenten doorgeven aan het CAK, geen aanpassingen in de huidige werkwijze en de mogelijkheden van gemeenten rond beschermd wonen. De Federatie opvang en RIBW alliantie adviseren om te definiëren wat wordt bedoeld met «verblijf in een accommodatie van een instelling». Zoals deze organisaties aangeven gaat het daarbij om situaties, waarbij de cliënt dan geen eigenaar of huurder is van de woonvoorziening en ook geen onderhuur betaalt. De instelling is eigenaar of huurder en rekent de woonlasten niet door aan de cliënt. Het is inderdaad zo dat in dat geval naast de maatwerkvoorziening geen kosten voor verblijf mogen worden gevraagd. Dit volgt niet zozeer uit de eigen bijdrage systematiek, maar uit de definitie van beschermd wonen in de wet. Op grond van artikel 2.3.6 van de Wmo 2015 moet het pgb voor de cliënt voldoende zijn om de hele maatwerkvoorziening zelf te betrekken. Richting gemeenten moeten er duidelijke instructies komen dat degenen die geen wooncomponent ontvangen een abonnementstarief betalen.

In paragraaf 2.2 van de toelichting op het besluit wordt uitgelegd dat het te betalen abonnementstarief de kostprijs van woningaanpassing en hulpmiddelen niet mag overschrijden. KBO-PCOB geeft daarbij aan dat feitelijk dan de voorziening wordt bekostigd met een renteloze lening met een al dan niet lange doorlooptijd (€ 19 gedeeld door de kostprijs). Op grond van artikel 2.3.2 van de Wmo 2015 rust er een verplichting op het college om voorlichting te geven over de bijdrage. In principe gaat het hier om ongewijzigde voortzetting van bestaand beleid.

GGZ-Nederland en VGN vragen aandacht voor de praktijk rondom start- en stopberichten aan het CAK om het opleggen van de bijdrage te beginnen of te beëindigen. De gemeente heeft enige beleidsvrijheid met betrekking tot het moment van inzenden van het benodigde bericht aan het CAK. Met dit besluit zal daar nog niets aan veranderen, maar er wordt verkend of het wenselijk is om hier vanaf 2021 meer standaardisering in aan te brengen.

Artikelsgewijs

Artikelen I, onderdelen A en D, en II, onderdeel D, vijfde lid, en E, derde lid, en III

Het CAK legt een bijdrage op en kan deze herzien als de beslissing tot het opleggen van die bijdrage niet (meer) berust op juiste gegevens. Als bijvoorbeeld het inkomen of de leveringsvorm van een Wlz-verzekerde of Wmo-cliënt verandert of diegene gaat scheiden of AOW-gerechtigd wordt kan dit effect hebben op de hoogte van de bijdrage.

Het CAK krijgt de bevoegdheid om, uit eigen beweging of op aanvraag, de termijn waarover een bijdrage wordt opgelegd in te korten of geheel niet verschuldigd te achten bij een ernstige tekortkoming of vertraging bij het CAK of in de keten (aanbieders, gegevensknooppunten, Belastingdienst, zorgkantoor e.d.). In deze gevallen zijn de juiste gegevens niet beschikbaar bij het CAK die nodig zijn om een eigen bijdrage eerder te kunnen vaststellen of herzien. In de praktijk kwam het voor dat mensen een tijd lang een onjuiste bijdrage opgelegd kregen door fouten in de keten buiten hun schuld om.

Bij een herziening van een bijdrage – die over 36 maanden voor de oplegging kan plaatsvinden kan de termijn waarover een bijdrage verschuldigd is naar 12 maanden worden ingekort. Het CAK acteert in de normale situatie op basis van gegevens van het zorgkantoor, maar handelt ook uit eigen beweging als via andere wegen de informatie over de (verzwarende) omstandigheden ter ore komen. Als er naar aanleiding van de ernstige vertraging of tekortkoming in de keten schrijnende situaties ontstaan kan de termijn nog verder worden ingekort (bijvoorbeeld gekoppeld aan de periode waarover de schrijnende situatie zich voordoet) of kan een bijdrage geheel niet verschuldigd worden geacht.

Bij de initiële oplegging geldt al een maximale termijn van 12 maanden en kan op aanvraag eveneens in schrijnende gevallen de termijn waarover de bijdrage wordt opgelegd verder worden ingekort of kan de bijdrage niet verschuldigd worden geacht. Het is dan meestal nodig om een aanvraag te doen, omdat het CAK in dat geval geen kennis heeft van de omstandigheden van het geval. Het CAK is op dat moment dan ook niet altijd op de hoogte van de individuele omstandigheden waaronder de eigen bijdrage wordt vastgesteld en net zo min of er sprake is van een schrijnend geval. De cliënt of verzekerde wordt immers met uitsluitend 12 maanden terugwerkende kracht reeds op voorhand ontzien.

Het CAK handelt in schrijnende situaties uit eigen beweging als zij bij de beoordeling ten behoeve van verkorting van de herziening van 36 naar 12 maanden al voldoende aanleiding heeft om de termijn waarover de bijdrage wordt opgelegd verder in te korten of in het geheel niet verschuldigd te achten. Het CAK zal echter niet altijd de omstandigheden kennen of in staat zijn om dit te allen tijde vooraf te beoordelen. In dat geval kan de verzekerde of cliënt altijd een aanvraag indienen.

Het CAK kan de afweging maken of het wenselijk is om een kortere termijn dan 12 maanden te hanteren of zelfs de eigen bijdrage niet verschuldigd te achten. Indien een cliënt in aanmerking wil komen voor deze bevoegdheid, dient deze dus een aanvraag in te dienen bij het CAK. Het CAK zal beleidsregels maken waarin een beoordelingskader wordt geschetst voor verzoeken tot toepassing van de bevoegdheid. Het is vervolgens ook aan het CAK om de individuele omstandigheden van de cliënt te wegen en al dan niet tot een toepassing van de bevoegdheid te komen. Het niet verschuldigd achten van de eigen bijdrage als gevolg van het verkorten van de termijnen (incl. maatwerk) laat de regels van samenloop en anti-cumulatie onverlet. De burger is in de basis op zorg wel de eigen bijdrage verschuldigd, maar door andere omstandigheden wordt deze betalingsverplichting niet opgelegd door het CAK. Het is immers niet beoogd dat de verschuldigdheid van de bijdrage bijvoorbeeld voor Wmo 2015 «herleeft» door de verkorting van termijn. Dit is reeds bij de eerdere verkorting van 36 naar 12 maanden gehanteerd en blijft nu ook ongewijzigd.

De bevoegdheden om de termijn waarover de bijdrage verschuldigd is in te korten of de bijdrage niet op te leggen, onder de voorwaarden zoals hierboven geschetst, kan het CAK toepassen vanaf beschikkingen die zijn afgegeven in 2020. Dit geldt voor zowel herzieningen als initiële opleggingen. Normaliter kan anders de inkorting of het niet verschuldigd achten bij herzieningen ook op de volledige 36 maanden betrekking hebben (2017–2020). Voor de initiële oplegging gold al een 12 maanden termijn, maar die kan ook worden ingekort of er kan worden gekozen voor het niet verschuldigd achten van de bijdrage. Het voorgaande is uitvoeringstechnisch niet mogelijk. In de periode voor 2020 wordt uitgegaan van bijdrageperiode van 4 of 5 weken. Vanaf 2020 gaat men niet meer uit van bijdrageperioden, maar van maanden. Het besluit voorziet erin dat er bij bijdragen die teruggrijpen op de periode voor de inwerkingtreding van dit besluit de systematiek met bijdrageperioden (artikel 3.8, derde lid) nog worden toegepast in plaats van de maandensystematiek.

Artikelen I, onderdelen B en C, en II, onderdelen K, L en M

In deze onderdelen wordt verduidelijkt dat een persoonsgebonden budget aanvangt als de verleningsbeschikking in werking is getreden. De levering van het pgb is dus gekoppeld aan het moment van verlening door het zorgkantoor of gemeente (die verlening kan overigens ook met terugwerkende kracht over een afgelopen periode worden vastgesteld). Het gaat niet om het moment waarop er feitelijke beschikking komt over het budget doordat zorg of maatschappelijke ondersteuning kan worden gedeclareerd. In de paragraaf die de bijdrage voor beschermd wonen regelt, worden consequent nu de leveringsvormen «maatwerkvoorziening» en «persoonsgebonden budget» voor beschermd wonen genoemd. Hierbij is de zin «verblijf in een instelling voor beschermd wonen» vervangen door het noemen van het gebruik van deze leveringsvormen. Zie verder het algemene deel van deze toelichting.

Artikel II, onderdelen A, D, eerste, tweede en vierde lid, E, tweede en vierde lid, J en N

Zie voor de wijziging bij onderdeel A mede §2.4 van het algemene deel van deze toelichting. Materieel is enkel het overgangsrecht op grond van artikel 8.4, tweede lid, van de Wmo 2015 in werking ten aanzien van de bijdrage verbonden aan GGZ-C-indicatiebesluiten onder de AWBZ. Hiervoor geldt dan met terugwerkende kracht de paragraaf die ook wordt toegepast voor de bijdrage voor beschermd wonen.

Verder wordt geregeld dat pgb’s voor beschermd wonen en opvang onder de intramurale bijdragesystematiek worden gebracht. In zowel het pgb opvang als beschermd wonen zit een verblijfscomponent (huisvesting) in tegenstelling tot het pgb onder de Wlz. Dit heeft als gevolg dat de bijdrage voor een pgb opvang ook buiten het abonnementstarief valt. In de artikelen zijn daarvoor telkens afzonderlijk de specifieke leveringsvormen van de maatschappelijke ondersteuning opgesomd. Onder het abonnementstarief vallen bij verordening aangewezen algemene voorzieningen, maatwerkvoorzieningen en pgb’s. Daarbij is voor beschermd wonen en opvang de leveringsvorm persoonsgebonden budget toegevoegd naast de maatwerkvoorziening (in natura levering).

Daarbij is nog geregeld dat als een abonnementstarief (zoals opgenomen in het vierde lid) wordt opgelegd, bijdragen die vanaf de eerste van de maand zijn verschuldigd, al vanaf diezelfde maand verschuldigd zijn. Normaliter zijn bijdragen één maand nadat de zorg is aangevangen, verschuldigd. Bij pgb’s geven echter gemeenten een budgetperiode door van 1 januari tot en met 31 december (een kalenderjaar) waarbij de bijdrage is gekoppeld aan het gebruik (zie artikel 2.1.4a van de Wmo 2015). Cliënten zouden dan maar 11 maanden een bijdrage verschuldigd zijn. Dat wordt hiermee nu voorkomen.

Ten slotte wordt niet meer uitgegaan van een bijdrage in een bijdrageperiode van vier of vijf weken binnen een reeks van dertien per jaar, maar van een bijdrage per maand binnen een reeks van twaalf maanden per kalenderjaar.

Artikel II, onderdeel B, eerste lid

De cliënt betaalt de bijdrage uiterlijk binnen 30 dagen nadat hij het besluit heeft ontvangen van het CAK waarin de bijdrage is opgelegd. Hierop komt een uitzondering. Bij het abonnementstarief is er geen mogelijkheid dat elke maand de bijdrage fluctueert (zoals vanwege een controle op kostprijs per bijdrageperiode). Deze wordt in principe per jaar met een beschikking van het CAK vastgesteld. Dat betekent dat de cliënt niet elke maand een besluit krijgt uitgereikt naar aanleiding waarvan de 30-dagentermijn gaat lopen. Daarom is hier geregeld dat de cliënt, zonder maandelijks inningsbesluit, de bijdrage elke maand moet voldoen binnen de termijn van één maand na de maand waarover de € 19 (voor het eerst) moet worden betaald. Deze regel gaat overigens niet op in geval van een beschikking waarin de door de klant te betalen bijdrage met terugwerkende kracht wordt herzien. Dit is uiteraard niet op te volgen voor een cliënt. De bijdrage is dan verschuldigd na de maand waarin het besluit met de herziening is verzonden.

Artikel II, onderdelen B, tweede lid, D, derde en vierde lid, en E, eerste lid,

In deze onderdelen wordt technisch gewijzigd dat de instelling die bij verordening wordt aangewezen om de bijdrage voor opvang als bedoeld in artikel 1.1.1 van de Wmo 2015 te innen nu op grond van een ander artikel wordt aangewezen. Inhoudelijk is echter niets veranderd.

Artikel II, onderdeel B, derde lid

Het lid dat het college (of de aanbieder) uiterlijk binnen 4 weken na afloop van een bijdrageperiode gegevens over de maatschappelijke ondersteuning aan het CAK zendt, wordt geschrapt. De bepaling wordt samen met andere maatregelen ter voorkoming van stapelfacturen of andere zaken rond de informatie-uitwisseling in de keten ondergebracht in de Uitvoeringsregeling Wmo 2015 op grond van artikel 2.6.7a van de Wmo 2015.

Artikel II, onderdeel C

Binnen het abonnementstarief is geregeld dat de bijdrage is verschuldigd vanaf de maand die volgt op de maand waarin het college heeft aangegeven dat de maatschappelijke ondersteuning aanvangt. Daarbij is nog geregeld dat als een abonnementstarief wordt opgelegd, bijdragen die vanaf de eerste van de maand zijn verschuldigd, al vanaf diezelfde maand verschuldigd zijn. Zoals gezegd, bij pgb’s geven gemeenten veelal een budgetperiode door van 1 januari tot en met 31 december (een kalenderjaar) waarbij de bijdrage is gekoppeld aan het gebruik (zie artikel 2.1.4a van de Wmo 2015). Cliënten zouden dan maar 11 maanden een bijdrage verschuldigd zijn. Echter, er zijn ook gevallen waarin de bijdrage niet afhankelijk is van de kennisgeving van het college over de startdatum van de maatschappelijke ondersteuning.

Te denken valt aan de situaties in artikel 3.8, vierde lid, van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015: iemand wordt meerderjarig, iemand krijgt de pensioengerechtigde leeftijd of iemand treedt in het huwelijk. Deze omstandigheden kunnen van invloed zijn op de bijdrage en of die al dan niet verschuldigd is. De regels over de ingangsdata ten aanzien van de vaststelling van bijdragen zijn van toepassing op de ingang van de bijdrage naar aanleiding van het zich voordoen van deze omstandigheden die effect hebben op de verschuldigdheid van de bijdrage.

Artikel II, onderdeel G

Het eerste lid regelt dat vervoer wordt uitgezonderd van de werking van het abonnementstarief voor zover de gemeente voor een voorziening voor vervoer bij verordening de hoogte vaststelt. De gemeente zal de bijdrage voor deze voorziening ook innen (zie artikelen 2.1.4a, derde en vierde lid, en 2.14b, eerste lid, van de wet). Dat kan dus betekenen dat de gemeente een bijdrage voor vervoer van en naar de dagbesteding binnen het abonnementstarief laat, maar vervoersdiensten waarbij iemand met een (taxi)bus of taxi wordt verplaatst in het kader van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie via de verordening vaststelt. Ruimte moet worden geboden aan gemeenten om vervoer laagdrempelig aan te bieden. Dit vanwege de verwachting dat veelal de gecombineerde ritprijzen per maand niet of nauwelijks het abonnementstarief overstijgen. Het is doelmatiger om de uitzondering van het abonnementstarief dan voor deze vervoersdiensten te laten gelden. Volledigheidshalve wordt nog benadrukt dat het hier niet gaat om (mobiliteits)hulpmiddelen zoals een gesloten buitenwagen, scootmobiel, al dan niet elektrische aangepaste (motor)fiets of rolstoel. Iemand kan zichzelf daarmee zelfstandig verplaatsten in de omgeving.

Het tweede lid regelt voor welke categorieën het minimabeleid geldt. Hierin is geen wijziging doorgevoerd ten opzichte van de situatie in 2019.

Het derde lid vervalt omdat het abonnementstarief niet meer wordt geïnd per bijdrageperiode van vier of vijf weken, maar per maand.

In het vierde en zesde lid worden een tweetal van belang zijnde zaken geregeld. Het eerste punt gaat over de werking van artikel 2.1.5 van de Wmo 2015 in relatie tot de vrijstellingen van bijdragen die bij algemene maatregel van bestuur kunnen worden bepaald op grond van artikel 2.1.4a van de Wmo 2015. In dit verband is geregeld dat minderjarigen pas een bijdrage zijn verschuldigd als de ouders of verzorgers die voor hen betalen. Als een gemeente geen verordening op grond van artikel 2.1.5 vaststelt betaalt een minderjarige geen bijdrage voor een woningaanpassing. Overigens komt dit ook in de praktijk niet voor. Voor voorzieningen voor een minderjarige legt het CAK geen eigen bijdrage op, tenzij sprake is van een woningaanpassing en het college heeft bepaald dat daar een bijdrage voor verschuldigd is (zie artikel 3.8, derde lid). Op grond van artikel 2.1.5 van de Wmo 2015 kunnen (als hoofdregel) diegene met het ouderlijk gezag bij verordening worden aangewezen om de bijdrage te betalen. Gemeenten bepalen eerst bij verordening of een bijdrage verschuldigd is, bij algemene maatregel van bestuur kunnen op die verschuldigdheid uitzonderingen worden gemaakt (artikel 2.1.4a Wmo 2015) en vervolgens kan een bijdrage aan een ouder door het CAK worden gefactureerd als dat bij verordening is geregeld (artikel 2.1.5 Wmo 2015). Sinds de invoering van de Wmo 2015 leveren gemeenten, uitsluitend gegevens van de ouders of verzorgers van het minderjarige kind aan het CAK. Het CAK behandelt de bijdrageplichtige ouder of verzorger van de minderjarige cliënt dan als ware het de cliënt zelf. Dit volgt echter niet direct uit de regelgeving. Dit heeft als effect dat in de uitvoeringspraktijk de koopkrachtmaatregel – alle niet AOW-gerechtigde gehuwde cliënten betalen geen eigen bijdragen6 – op de ouders of verzorgers van de cliënt wordt toegepast. Op grond van artikel 2.1.4a van de Wmo 2015 is expliciet geregeld – in lijn met de uitvoeringspraktijk – dat de uitzonderingen op de verschuldigdheid van de bijdragen in artikel 3.8 van het Uitvoeringsbesluit ook gelden voor diegenen die op grond van artikel 2.1.5 een bijdrage verschuldigd zijn voor een woningaanpassing voor een minderjarige cliënt.

Het tweede punt heeft betrekking op de mogelijkheden om de opleggingstermijn te verkorten bij ernstige vertragingen in de keten door tekortkomingen in de informatie-uitwisseling in relatie tot de vrijstelling van een bijdrage als de cliënt of de echtgenoot van de cliënt een bijdrage voor beschermd wonen of langdurige zorg is verschuldigd. In dat geval hoeft men niet een abonnementstarief te betalen in het kader van het tegengaan van de cumulatie van bijdragen. Echter, als de bijdrage dus door het CAK voor een bepaalde periode niet wordt opgelegd vanwege een ernstige tekortkoming zou juist de bijdrage voor beschermd wonen of Wlz-zorg wel betaald moeten worden. Dat is onwenselijk en wordt in dit lid derhalve uitgesloten. Het verkorten van de termijnen heeft geen effect op de anticumulatieregels zoals deze reeds gelden. Volledigheidshalve kan nog genoemd worden dat bij een opschorting de verschuldigdheid van de bijdrage door het college voor een cliënt of diens echtgenoot (bijvoorbeeld omdat iemand tijdelijk geen gebruikmaakt van een voorziening) alleen opgeschort wordt als er binnen het huishouden geen andere bijdragen verschuldigd zijn. Met andere woorden, als één van de twee gehuwden geen bijdrage verschuldigd is, kan de ander in dat geval wel een bijdrage verschuldigd zijn.

Artikel II, onderdeel H

In het Belastingplan 2015 is bepaald dat de zogenaamde ouderentoeslag wordt afgeschaft (artikel 5.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001). Deze maatregel werd genomen als dekking voor het niet doorgaan van de huishoudentoeslag in 2016 en opvolgende jaren. De ouderentoeslag hield in dat een pensioengerechtigde belastingplichtige met een bepaald inkomen in box 1 en een bepaalde grondslag sparen en beleggen (grondslag voor box 3) op grond van de Wet inkomstenbelasting 2001 recht had op een verhoging van het heffingsvrije vermogen in box 3. De afschaffing van de ouderentoeslag in de Wet inkomstenbelasting 2001 zou zonder aanvullende maatregelen doorwerken in de hoogte van het bijdrageplichtig inkomen waarop de eigen bijdragen voor de Wlz en de Wmo 2015 zijn gebaseerd. Dergelijke doorwerking van de afschaffing van de ouderentoeslag in de bijdrageberekening van de Wlz en de Wmo 2015 is ongewenst. Daarom worden bij de berekening van het bijdrageplichtig inkomen de nadelige gevolgen voor pensioengerechtigden ten gevolge van het vervallen van de ouderentoeslag gecompenseerd. Deze compensatie is echter niet nodig voor die voorzieningen of persoonsgebonden budgetten die onder het abonnementstarief vallen. Het inkomen van cliënten speelt daarbij geen rol, echter cliënten kunnen nog wel onder het minimabeleid van gemeenten vallen. Gemeenten kunnen een inkomen vaststellen in hun verordening en doorgeven aan het CAK op grond van artikel 2.1.4a van de Wmo 2015 waaronder cliënten geen bijdrage hoeven te betalen. Cliënten kunnen een peiljaarverlegging aanvragen op grond van artikel 3.9 van het Uitvoeringsbesluit als zij een lager inkomen (in 2019 € 2.600) hebben over het lopende jaar dan het peiljaar (t-2) zodat zij alsnog onder het minimabeleid vallen. De compensatie van de ouderentoeslag als correctie op het door de gemeente doorgegeven bedrag is overbodig. Gemeenten kunnen zelf het bedrag bepalen, waaronder specifiek voor pensioengerechtigden, en het is niet passend om hier nog bedragen van af te trekken. Vanaf 25.000 euro vermogen komt de compensatie in beeld. In dat kader wordt hier dus de compensatie ouderentoeslag voor het abonnementstarief geschrapt. De compensatie blijft bestaan voor beschermd wonen. Daarop is een andere (intramurale) bijdragesystematiek van toepassing.

Artikel II, onderdeel I

Zoals reeds is geschetst in § 2.3 wordt in het kader van de vereenvoudiging geregeld dat er geen deelbedragen, gebaseerd op het deel van de maand dat de cliënt ondersteuning heeft ontvangen, bij de cliënt in rekening worden gebracht.

Verder wordt de wettelijke opdracht ingevuld dat de geïnde bijdrage niet mag uitstijgen boven de door de gemeente bepaalde kostprijs van een maatwerkvoorziening of persoonsgebonden budget voor een (mobiliteits)hulpmiddel of een woningaanpassing. Deze wettelijke norm geldt ook voor de maatwerkvoorziening die is uitgezonderd van het abonnementstarief, namelijk vervoer. Het college is primair verantwoordelijk voor de kostprijsbewaking in relatie tot de eigen bijdrage, echter het CAK kan voor het college de nodige werkzaamheden uitvoeren. Zie verder § 2.2 van het algemene deel van deze toelichting.

Artikel IV

Beoogd wordt om dit besluit met ingang van 1 januari 2020 in werking te laten treden. Artikelen I, onderdeel F, en II, onderdelen A en I, krijgen terugwerkende kracht tot en met tot 1 januari 2019. Zie verder §2.4 van het algemene deel van deze toelichting en de artikelsgewijze toelichting bij «Artikelen I, onderdeel F, en II, onderdeel I»

De Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, H.M. de Jonge


X Noot
1

Bijlage 820240, p. 16 bij Kamerstukken II 2017–2018 34 700, nr. 34.

X Noot
2

Kamerstukken II 2018–2019 35 093, nr. A.

X Noot
3

Voor zorg in natura en niet voor modulair of volledig pakket thuis of pgb.

X Noot
4

Stb. 2018, 444.

X Noot
5

Aanhangsel Handelingen II, 2018/19, nr. 881.

X Noot
6

Stb. 2018, 444.