Besluit van 12 juli 2018 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB met name in verband met het afschaffen van de cascadebekostiging

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, van 12 juni 2018, nr. WJZ/1372704(8974), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Gelet op de artikelen 2.2.1, eerste lid, en 2.5.5c, vijfde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 4 juli 2018, nr. W05.18.0146/I);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van, 10 juli 2018, nr.WJZ/1387254(8974), directie Wetgeving en Juridische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I WIJZIGING UITVOERINGSBESLUIT WEB

Het Uitvoeringsbesluit WEB wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 2.1.1, tweede lid, vervalt, onder vernummering van het derde en vierde lid tot tweede respectievelijk derde lid.

B

Artikel 2.2.2 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt in de formule «∑ [(Dbbl x 0,5 x PF x Vf) + (Dbol x PF x Vf)] x Cf» telkens «x Vf», en vervalt de begripsbepaling «Vf: de op grond van het derde lid aan de desbetreffende deelnemer toegekende factor voor het verblijfsjaar in de entreeopleiding;».

2. Het derde lid vervalt.

C

Artikel 2.2.3 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het tweede lid vervalt in de formule «∑ [(Dbbl x 0,4 x PF x Vf) + (Dbol x PF x Vf)] x 0,8 x Cf» telkens «x Vf», en vervalt de begripsbepaling «Vf: de op grond van het derde lid aan de desbetreffende deelnemer toegekende factor voor het verblijfsjaar in de basisberoepsopleiding, vakopleiding, middenkaderopleiding of specialistenopleiding;».

2. Het derde lid vervalt.

D

In artikel 4b.3.3, eerste lid, vervalt de zinsnede «dan wel, voor zover het betreft het onderwijs op het gebied van landbouw, natuurlijke omgeving en voedsel, door de daartoe door Onze Minister aangewezen ambtenaren van het Ministerie van Economische Zaken».

E

Na artikel 6.1.5 worden twee nieuwe artikelen ingevoegd, luidende:

Artikel 6.1.6. Overgangsbepaling 2019-2021 wijziging berekening rijksbijdrage in verband met afschaffing cascadebekostiging

  • 1. Voor de berekening van de overgangsbekostiging beroepsonderwijs van een instelling wordt de rijksbijdrage voor een instelling voor het kalenderjaar 2019, berekend op grond van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 2.6a.1 zoals die artikelen luiden na inwerkingtreding van artikel I, onderdelen B en C, van het besluit van 12 juli 2018 tot wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB met name in verband met het afschaffen van de cascadebekostiging (Stb. 2018, 261), vergeleken met de rijksbijdrage voor beroepsonderwijs zoals die voor het kalenderjaar 2019 zou zijn vastgesteld volgens de berekeningswijze op grond van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 2.6a.1 zoals deze luidden op de dag voorafgaand aan die inwerkingtreding.

  • 2. Indien uit de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling hoger is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2019 verminderd met 75% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

  • 3. Indien uit de vergelijking, bedoeld in het eerste lid, blijkt dat de in dat lid eerstgenoemde rijksbijdrage voor een instelling lager is dan de laatstgenoemde rijksbijdrage, wordt eerstgenoemde rijksbijdrage voor 2019 aangevuld met 75% van het verschil tussen beide berekende rijksbijdragen. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

  • 4. Indien aan een instelling voor het kalenderjaar 2019 een bedrag in mindering wordt gebracht op grond van het tweede lid, wordt aan die instelling voor de kalenderjaren 2020 en 2021 50% respectievelijk 25% van het verschil, bedoeld in het tweede lid, in mindering gebracht. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

  • 5. Indien een instelling voor het kalenderjaar 2019 een aanvulling ontvangt op grond van het derde lid, ontvangt die instelling voor de kalenderjaren 2020 en 2021 50% respectievelijk 25% van het verschil, bedoeld in het derde lid. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

Artikel 6.1.7. Overgangsbepaling vaststelling bekostigingsgegevens bij te late indiening bekostiging 2019 en overgangsbekostiging 2019-2021

  • 1. Indien een instelling de gegevens en de verklaring, bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, ten behoeve van de bekostiging voor het kalenderjaar 2019 niet tijdig indient, kan Onze Minister, in afwijking van artikel 2.2.5, de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2019 en, in afwijking van artikel 6.1.6 de overgangsbekostiging voor de kalenderjaren 2019, 2020 en 2022 voor deze instelling voorlopig vaststellen met gebruik van de gegevens van het kalenderjaar 2016, respectievelijk het studiejaar 2016-2017.

  • 2. De instellingen, bedoeld in het eerste lid, dienen uiterlijk 1 november 2018 de gegevens, bedoeld in artikel 2.5.5a, tweede lid, onderdelen a, b, c, d, h, i, l, m en n, van de wet, voorzien van een goedkeurende accountantsverklaring, in bij Onze Minister.

  • 3. Indien toepassing van de artikelen 2.2.2, 2.2.3 en 6.1.6 met gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt tot een lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid, wordt die lagere rijksbijdrage of overgangsbekostiging vastgesteld. Gebruikmaking van de gegevens, bedoeld in het tweede lid, leidt in geen geval tot een hogere rijksbijdrage of overgangsbekostiging dan vastgesteld op grond van het eerste lid.

F

Na artikel 6.2a.3 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 6.2a.4. Overgangsbepaling vaststelling en verdeling rijksbijdragedeel 2019-2021

  • 1. Onze Minister verdeelt het voor het kalenderjaar 2019, 2020 respectievelijk 2021 vastgestelde budget ten behoeve van de uitkeringskosten over de instellingen naar rato van de som van de voor een instelling:

    • a. op grond van artikel 6.1.6 voor het kalenderjaar 2019, 2020 respectievelijk 2021 berekende rijksbijdrage beroepsonderwijs, die in geval van een agrarisch opleidingscentrum wordt vermeerderd met de rijksbijdrage zoals berekend op grond van artikel 2.3.2, en

    • b. op grond van artikel 2a.2.1, eerste lid, berekende rijksbijdrage vavo.

  • 2. De uitkomst van de berekening, bedoeld in het eerste lid, wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

ARTIKEL II INWERKINGTREDING

Dit besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip en is voor het eerst van toepassing op de rijksbijdrage voor het kalenderjaar 2019.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.

Wassenaar, 12 juli 2018

Willem-Alexander

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

Uitgegeven de zevende september 2018

De Minister van Justitie en Veiligheid, F.B.J. Grapperhaus

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Met deze wijziging van het Uitvoeringsbesluit WEB wordt de cascadebekostiging in het mbo afgeschaft. Door het beëindigen van de cascadebekostiging wordt de afnemende bekostiging voor de studenten die lang(er) in het mbo verblijven, ongedaan gemaakt. Daardoor ontstaat meer financiële ruimte voor instellingen om deze studenten gelijke kansen te bieden zodat ook zij met behulp van het stapelen van diploma’s of het wisselen van opleiding, een diploma kunnen halen met uitzicht op een plek op de arbeidsmarkt. Zo krijgen studenten in het mbo de kans zich in een passend tempo te ontwikkelen en te ontplooien.

2. Hoofdlijnen van het besluit

Met dit besluit wordt de bekostiging van de mbo-instellingen zo aangepast dat bij de berekening van de rijksbijdrage geen rekening meer wordt gehouden met het aantal verblijfsjaren van een student in het mbo.

Tevens is de reikwijdtebepaling (artikel 2.1.1) aangepast in lijn met het regeringsbesluit om de behartiging van de aangelegenheden op het terrein van het groen onderwijs onder te brengen bij de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in plaats van de voormalige Minister van Economische Zaken. Daarnaast impliceerde het tweede lid van artikel 2.1.1 dat er nog sprake was van een apart budget voor de bekostiging van de agrarische opleidingscentra. Dat past niet bij het oogmerk om de budgetten voor groen en niet-groen onderwijs samen te voegen en het groen onderwijs per 1 januari 2019 op dezelfde wijze te financieren als het niet-groen onderwijs.1

Aanleiding afschaffen cascadebekostiging

In het regeerakkoord «Vertrouwen in de toekomst» is opgenomen dat de cascadebekostiging zal worden afgeschaft. De relevante passage luidt: «de cascadebekostiging in het MBO wordt (budgetneutraal) afgeschaft wanneer nieuwe kwaliteitsafspraken zijn gemaakt, onder andere om het aantal Beroeps-Begeleidende-Leerweg-plaatsen te laten toenemen».

Op 7 februari 2018 is met de mbo-sector het bestuursakkoord «Trots, vertrouwen en lef»2 gesloten. Met dit bestuursakkoord is de basis gelegd voor de nieuwe kwaliteitsafspraken voor de periode 2019-2022. Dit betekent dat uitwerking kan worden gegeven aan het voornemen van de regering om de cascadebekostiging af te schaffen.

Doel afschaffen cascadebekostiging

Per 2015 is de bekostiging van de mbo-instellingen gewijzigd. Een van de wijzigingen hield in dat bij de bekostiging rekening wordt gehouden met het aantal verblijfsjaren van de student in het mbo. Hierbij is het niveau van de bekostiging in het eerste jaar het hoogst en naargelang een student langer dan vier jaar ingeschreven staat, ontvangt een instelling minder bekostiging (de zogeheten cascadebekostiging).

Met de cascade werd beoogd de instellingen te stimuleren studenten met behulp van een goede intake en loopbaanbegeleiding meteen in de juiste opleiding (met arbeidsmarktperspectief) en van het juiste niveau in te schrijven. Daarbij werd verondersteld dat de samenstelling van de mbo-studenten bij alle mbo-instellingen min of meer gelijk is. Medio 2017 is echter door een aantal mbo-instellingen bij het ministerie van OCW aangekaart dat zij met een onevenredig aantal studenten te maken heeft dat vanwege een lage vooropleiding meer tijd in het mbo nodig heeft om de opleiding succesvol af te ronden. De gegevens van de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO) lieten dit beeld ook zien. De instellingen gaven aan dat de financiering van de opleiding voor deze studenten door de cascade steeds problematischer wordt. Dit is aanleiding geweest om voor die instellingen met de «Regeling compensatie langere inschrijvingsduur», aanvullende middelen beschikbaar te stellen voor een periode van twee jaar (2017 en 2018). Deze regeling was bedoeld als tijdelijke oplossing voor het bieden van gelijke kansen voor alle mbo-studenten en vooruitlopend op een structurele voorziening voor het bieden van gelijke kansen. Ook de Sociaal-Economische Raad (SER) en Onderwijsraad hebben hiervoor aandacht gevraagd3. De SER wijst op mogelijke ongewenste effecten voor vooral de studenten in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl). De bbl-route leent zich meer voor het stapelen en bbl-studenten verblijven om die reden langer in het mbo om volleerd vakman (of vakvrouw) te worden. De Onderwijsraad ziet risico’s van de cascade voor de sociale samenhang en kansengelijkheid. Instellingen zouden door de afnemende bekostiging verleid kunnen worden tot berekenend gedrag door studenten te weren uit opleidingen waar ze een strengere selectie voor toepassen. Naar aanleiding van de bovenstaande ongewenste effecten en risico’s van de cascadebekostiging is besloten deze af te schaffen. Het afschaffen van de cascadebekostiging is een belangrijke maatregel om de kansengelijkheid in het mbo-onderwijs te bevorderen. Instellingen krijgen hierdoor meer financiële ruimte om opleidingen aan te (blijven) bieden aan studenten die meer tijd dan anderen nodig hebben om hun opleiding succesvol af te ronden. Het effect van deze maatregel zal worden gemonitord.

Kwaliteitsafspraken en afschaffen cascadebekostiging

In het regeerakkoord wordt bij het afschaffen van de cascadebekostiging de relatie gelegd met de nieuwe kwaliteitsafspraken die vanaf 2019 met de mbo-instellingen gemaakt worden. Het afschaffen van de cascade betekent dan ook niet dat de doelstelling van het bieden van doelmatig en efficiënt beroepsonderwijs wordt verlaten. Maar er komt meer ruimte en verantwoordelijkheid voor de mbo-sector. In het bestuursakkoord dat met de mbo-sector is gesloten, zijn afspraken gemaakt om de kwaliteit en de doelmatigheid van het beroepsonderwijs te blijven borgen. Deze afspraken moeten ertoe leiden dat de kwaliteit van het beroepsonderwijs een voortdurende zorg is van de mbo-instellingen en verdere kwaliteitsverbetering van het beroepsonderwijs gerealiseerd wordt. Deze kwaliteitsverbetering zal aan moeten sluiten bij regionale ontwikkelingen, in samenspraak met interne en externe stakeholders tot stand moeten komen en in voldoende mate moeten aansluiten bij landelijke speerpunten. Deze landelijke speerpunten zijn: jongeren in een kwetsbare positie, gelijke kansen in het onderwijs en onderwijs dat voorbereidt op de arbeidsmarkt in de toekomst. De nadere uitwerking is opgenomen in de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019-2022 (Stcrt. 2018, 34660).

Overgangsbekostiging

Het afschaffen van de cascade heeft financiële consequenties voor elke instelling. De maatregel wordt budgetneutraal ingevoerd. Dat betekent dat er een herverdeling plaatsvindt van de middelen over de instellingen en er daardoor instellingen zijn die meer bekostiging ontvangen, maar ook instellingen die minder bekostiging ontvangen. Om de overgang van de oude naar de nieuwe bekostiging te versoepelen is in het bestuursakkoord een overgangsregime van drie jaar afgesproken. De periode van drie jaar is gebaseerd op de (gesimuleerde) herverdeeleffecten. Voor instellingen die door het afschaffen van de cascade achteruit gaan in bekostiging, wordt de achteruitgang niet in een keer doorgevoerd, maar gefaseerd in drie jaar. Dezelfde fasering geldt voor instellingen die erop vooruitgaan. Op die manier kan ook de overgangsbekostiging budgetneutraal plaatsvinden.

Berekening overgangsbekostiging 2019-2021

Om de hoogte van de overgangsbekostiging voor elke instelling vast te stellen, wordt de bekostiging berekend volgens de oude bekostigingsregels (met cascade) én de nieuwe bekostigingsregels (zonder cascade). Beide berekeningen zijn gebaseerd op het aantal ingeschreven studenten op 1 oktober 2017 inclusief de correctiefactor 2e teldatum en op het aantal diploma’s in het kalenderjaar 2017. De overgangsbekostiging bepaalt voor elke instelling één keer het verschil tussen de oude en nieuwe bekostiging. Het positieve of negatieve verschil wordt in drie jaar, in stappen van 75%, 50%, en 25%, bijbetaald of ingehouden op de nieuwe bekostiging. Op deze manier krijgen de instellingen drie jaar de tijd om naar de nieuwe situatie zonder cascade toe te groeien.

Indien een instelling er qua bekostiging op achteruitgaat, dus de bekostiging «oud» is hoger dan «nieuw», dan wordt de bekostiging voor 2019 vastgesteld op «nieuw» en wordt 75% (in 2020 50% en 2021 25%) van het verschil bij deze bekostiging opgeteld.

Indien een instelling er qua bekostiging op vooruitgaat, dus de bekostiging «oud» is lager dan «nieuw», dan wordt de bekostiging voor 2019 vastgesteld op «nieuw» en wordt 75% (in 2020 50% en 2021 25%) van het verschil op deze bekostiging in mindering gebracht.

Caribisch Nederland

In Caribisch Nederland wordt op elk van de drie eilanden mbo-onderwijs verzorgd door de vo-instelling op dat eiland. Voor de bekostiging van dat mbo-onderwijs geldt specifieke regelgeving, zonder cascadebekostiging. Het afschaffen van de cascadebekostiging door dit besluit heeft dan ook geen gevolgen voor Caribisch Nederland.

3. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid

Het besluit is voorgelegd aan de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). DUO acht de wijziging van de bekostiging van het mbo en de opgenomen overgangsbekostiging uitvoerbaar. DUO wijst erop dat gezien de datum waarop het besluit in werking zou kunnen treden, de instellingen de bekostigingsbeschikkingen later dan gebruikelijk zullen ontvangen. De mbo-instellingen zijn hiervan op hoogte en er is afgesproken de instellingen al eerder te informeren over de gevolgen voor hun bekostiging. Ook in het bestuursakkoord is afgesproken dat binnen zes maanden simulaties worden gemaakt in verband met de stijging of daling van de rijksbijdrage in verband met de harmonisatie van de bekostiging van het groen onderwijs en het afschaffen van de cascadebekostiging per 1 januari 2019. Naar aanleiding van deze afspraak zijn in maart en april 2018 bijeenkomsten georganiseerd door de MBO Raad. Tijdens deze bijeenkomsten is inzicht gegeven in de gevolgen voor elke instelling. Voor de simulaties is gebruik gemaakt van de voorlopige bekostigings- en begrotingsgegevens. Dat betekent dat definitieve gegevens nog tot wijzigingen kunnen leiden. Om die reden zal eind september begin oktober 2018 opnieuw met behulp van simulaties informatie aan de instellingen worden gegeven.

4. Financiële gevolgen voor de Rijksbegroting

Dit besluit heeft geen gevolgen voor de rijksbegroting. Dit besluit regelt de afschaffing van de cascadebekostiging en deze afschaffing vindt budgetneutraal plaats. De hoogte van het budget voor beroepsonderwijs wordt jaarlijks door de begrotingswetgever vastgesteld. Indien het aantal mbo-studenten toeneemt omdat ze door deze maatregel langer in het mbo verblijven of omdat meer bbl-studenten worden ingeschreven, dan gelden hiervoor de gebruikelijke begrotingsafspraken zoals het jaarlijks herijken van het macrobudget in relatie tot het aantal mbo-studenten.

Dit besluit regelt de wijze waarop het beschikbare macrobudget jaarlijks over de mbo-instellingen wordt verdeeld.

5. Administratieve lasten

Dit besluit leidt niet tot extra administratieve lasten voor mbo-instellingen. Het afschaffen van de cascade heeft geen consequenties voor de (studenten-)administratie van de instellingen. Het Adviescollege toetsing regeldruk, waaraan dit besluit is voorgelegd, merkt eveneens op dat het besluit geen gevolgen heeft voor de administratieve lasten en regeldruk.

6. Draagvlak en gevoerd overleg met de mbo-sector

In het kader van het bestuursakkoord en de daarin opgenomen afspraken is ook de afschaffing van de cascadebekostiging aan de orde geweest. Bij de MBO Raad en instellingen is draagvlak voor het afschaffen van de cascadebekostiging mede gezien de samenhang met de aanvullende bekostiging voor de te maken kwaliteitsafspraken per 2019 en de overgangsbekostiging. Hieromtrent is afgesproken dat in de eerste helft van 2018 simulaties gemaakt worden om instellingen te informeren over de gevolgen voor de bekostiging van hun instelling. Instellingen kunnen aan de hand van deze informatie hun bedrijfsvoering daarop afstemmen.

7. Internetconsultatie

Op de internetconsultatie zijn zes reacties binnengekomen. In de reacties werd positief ingegaan op het afschaffen van de cascadebekostiging. Vooral vanuit de detailhandel en de levensmiddelenhandel, waar veel gebruik gemaakt wordt van de beroepsbegeleidende leerweg, werd onderstreept dat met het afschaffen van de cascadebekostiging meer gelijke kansen worden gecreëerd voor alle werknemers. Ervaren werd dat roc’s terughoudend waren om bbl-studenten door te laten stromen of werknemers met een afgeronde mbo-opleiding toe te laten. Daarbij werd wel nadrukkelijk aandacht gevraagd voor de bekostiging in zijn algemeenheid, nu de afschaffing van de cascadebekostiging budgetneutraal wordt ingevoerd. Een toename van het aantal bbl-studenten zou niet belemmerd mogen worden door financieringsproblemen.

De reacties onderstrepen dat met het afschaffen van de cascadebekostiging de prikkel voor instellingen om studenten uit financiële overwegingen niet toe te laten, wordt weggenomen. Deze reacties ondersteunen daarmee de voorgenomen maatregel. De budgetneutrale afschaffing van de cascadebekostiging betekent dat het macrobudget voor het mbo-onderwijs niet wordt aangepast maar alleen de wijze waarop het budget over de instellingen wordt verdeeld. Mocht het aantal bbl-studenten groeien en daarmee het totaal aantal mbo-studenten door deze maatregel toenemen, dan gelden hiervoor de gebruikelijke begrotingsafspraken zoals het jaarlijks herijken van het macrobudget in relatie tot het aantal mbo-studenten.

Bij een reactie werd ook aandacht gevraagd voor de «regeling Studiewaarde». Deze regeling zou ook een negatief effect hebben op de inschrijving van studenten voor wie wordt ingeschat dat de kans laag is op een hoger niveau dan bij binnenkomst af te studeren. De «regeling studiewaarde» maakt deel uit van de kwaliteitsafspraken 2015-2018 en vervalt met de nieuwe kwaliteitsafspraken 2019-2022.

Een zelfstandig ondernemer gaf aan het voorgestelde besluit als een goede stap te zien om «zwakkere» MBO jongeren toch aan een diploma te helpen.

Artikelsgewijs

Artikel I, onderdelen A en D (artikelen 2.1.1 en 4b.3.3 Uitvoeringsbesluit WEB)

Deze wijzigingen hangen samen met de portefeuillewisseling van de bevoegde ministers. Nu is uitsluitend de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap verantwoordelijk geworden voor het groene onderwijs. Dat wordt zichtbaar gemaakt door de wijzigingen in artikelen 2.1.1 en 4b.3.3. van het Uitvoeringsbesluit WEB. De wijziging in laatstgenoemd artikel is ook nodig, omdat er geen reden meer is om ambtenaren van het ministerie van EZK of LNV toegang te geven tot het gebruik van onderwijsgegevens ten behoeve van de vaststelling van de bekostiging.

Artikel I, onderdelen B en C (artikelen 2.2.2 en 2.2.3 UWEB)

Eén van de factoren voor de berekening van de rijksbijdrage is het aantal verblijfsjaren van de studenten. Deze factor is in het Uitvoeringsbesluit WEB opgenomen in de formule waarmee de rijksbijdrage wordt berekend. Door de onderdelen B en C wordt deze factor uit de formule geschrapt.

Artikel I, onderdeel E (artikelen 6.1.6 en 6.1.7 UWEB)

Artikel 6.1.6 is een overgangsartikel, inhoudend dat het verschil in de rijksbijdrage als gevolg van de nieuwe berekening ten opzichte van de oude berekening wordt gecorrigeerd met een aanvullende rijksbijdrage ingeval van een negatief verschil, dan wel in mindering wordt gebracht ingeval van een positief verschil. Reden hiervan is dat instellingen niet vanwege de nieuwe berekeningswijze geconfronteerd moeten worden met een te groot verschil in de rijksbijdrage. Deze aanvulling dan wel vermindering van de rijksbijdrage wordt afgebouwd in drie jaar en geldt alleen voor de jaren 2019 tot en met 2021. In drie jaar tijd zouden instellingen redelijkerwijs in staat moeten zijn hun bedrijfsvoering aan te passen aan de nieuwe financiële situatie. De genoemde jaartallen houden verband met de bekostiging voor het kalenderjaar waarop afschaffing van de cascade voor het eerst van toepassing is, namelijk 2019.

Artikel 6.1.7 voorziet in de wijze van vaststelling van de bekostiging voor het bekostigingsjaar 2019 en de overgangsbekostiging voor de jaren 2019 tot en met 2021, indien gegevens te laat zijn ingediend. Dit is nodig omdat voor de bekostiging en voor de berekening van de overgangsbekostiging tijdig over de gegevens van alle instellingen beschikt moet worden. De bekostiging betreft immers een verdeelmodel aan de hand van de ingeschreven studenten en de diploma’s van het jaar t-2. Indien een instelling te laat is, dat wil zeggen niet voor 1 juli 2018 de gegevens voorzien van accountantsverklaring heeft ingediend, kan voor de formules van artikel 2.2.2 en 2.2.3 en berekeningswijze van 6.1.6 gebruik gemaakt worden van de gegevens van de studenten van het studiejaar 2016-2017 (teldata 1 oktober 2016 en 1 februari 2017) en de diploma’s van het kalenderjaar 2016. De instelling die de gegevens niet op tijd had ingediend, moet vervolgens zorgen dat voor 1 november 2018 wel over de juiste gegevens beschikt kan worden. Met behulp van deze gegevens wordt opnieuw de bekostiging en overgangsbekostiging voor het kalenderjaar 2019 voor deze instelling berekend. Voor beide berekeningen geldt dat de uitkomst steeds op het laagste bedrag wordt vastgesteld. Dat betekent dat als de rijksbijdrage 2019 berekend op basis van de gegevens van 2017 hoger is dan berekend op basis van de gegevens van 2016, de rijksbijdrage niet wordt bijgesteld. Indien de rijksbijdrage berekend op basis van de gegevens 2017 lager uitvalt, wordt de rijksbijdrage wel naar beneden bijgesteld. Ditzelfde geldt voor de overgangsbekostiging voor de jaren 2019 tot en met 2021.

Artikel I, onderdeel F (artikel 6.2a.4 UWEB)

Dit artikel bevat de berekeningswijze voor de verdeling van het budget voor de kosten van werkloosheidsuitkeringen en suppleties inzake arbeidsongeschiktheid in de overgangsperiode 2019-2021. In deze periode vindt op grond van artikel 6.1.6 overgangsbekostiging plaats voor de rijksbijdrage beroepsonderwijs (voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2021). Voor de overgangsperiode 2019-2021 is de verdeling van het budget voor de uitkeringskosten voor beroepsonderwijs op artikel 6.1.6 afgestemd.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
1

Tweede Kamer 2017/18, 34 284, nr. 11.

X Noot
2

Tweede Kamer 2017/18, 31 524, nr. 351

X Noot
3

Zie SER, «Toekomstgericht beroepsonderwijs»(2016) https://www.ser.nl/nl/publicaties/adviezen/2010-2019/2016/toekomstbestendig-beroepsonderwijs.aspx en Onderwijsraad: «Regeerakkoord Vertrouwen in de toekomst en de adviezen van de Onderwijsraad https://www.onderwijsraad.nl/publicaties/2017/regeerakkoord-en-onderwijsraad/volledig/item7613

Naar boven