Staatscourant van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Onderwijs, Cultuur en WetenschapStaatscourant 2018, 34660Besluiten van algemene strekking

Regeling van de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap van 14 juni 2018, nr. MBO/1315728, houdende regels voor de verstrekking van aanvullende middelen voor het verhogen van de kwaliteit van het beroepsonderwijs (Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap,

Gelet op artikel 2.2.3, tweede en derde lid, van de Wet educatie en beroepsonderwijs;

Besluit:

Artikel 1. Begripsbepalingen

In deze regeling wordt verstaan onder:

adviescommissie:

commissie als bedoeld in artikel 7;

aoc:

agrarisch opleidingscentrum als bedoeld in artikel 1.3.3 van de wet;

basisberoepsopleiding:

basisberoepsopleiding als bedoeld in artikel 7.2.2, eerste lid, aanhef en onder b, van de wet;

instelling:

instelling als bedoeld in artikel 1.1.1 van de wet, voor zover het bekostigde beroepsopleidingen betreft;

investeringsbudget:

de aanvullende middelen, bedoeld in artikel 4, eerste lid;

kwaliteitsagenda:

kwaliteitsagenda als bedoeld in artikel 6;

resultaatafhankelijk budget:

de aanvullende middelen, bedoeld in artikel 4, tweede lid;

wet:

Wet educatie en beroepsonderwijs.

Artikel 2. Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Deze regeling geldt in aanvulling op de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS.

Artikel 3. Te subsidiëren activiteiten

  • 1. De minister kan aan een instelling voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022 jaarlijks een aanvulling op de bekostiging verstrekken ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs van de instelling te verhogen.

  • 2. De aanvulling op de bekostiging bestaat uit een investeringsbudget en een resultaatafhankelijk budget.

  • 3. Een derde deel van het investeringsbudget wordt aan een instelling verstrekt voor de landelijke speerpunten als genoemd in bijlage 1 behorende bij deze regeling.

Artikel 4. Subsidieplafond

  • 1. Voor het verstrekken van het investeringsbudget zijn de volgende bedragen beschikbaar:

    • a. voor het kalenderjaar 2019 € 381.300.000,–;

    • b. voor het kalenderjaar 2020 € 430.000.000,–;

    • c. voor het kalenderjaar 2021 € 230.000.000,–;

    • d. voor het kalenderjaar 2022 € 230.000.000,–.

  • 2. Voor het verstrekken van het resultaatafhankelijk budget zijn de volgende bedragen beschikbaar:

    • a. voor het kalenderjaar 2021 € 200.000.000,–;

    • b. voor het kalenderjaar 2022 € 200.000.000,–.

Artikel 5. Wijze van verdeling aanvullende middelen

  • 1. Het investeringsbudget wordt per kalenderjaar als volgt verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 8 heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is:

    • a. twee derde deel wordt over deze instellingen verdeeld naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB berekende rijksbijdragedelen voor die instelling;

    • b. een derde deel wordt over deze instellingen verdeeld naar rato van het aantal studenten dat op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor een aanvulling op de bekostiging wordt verstrekt bij die instelling is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding en dat voor bekostiging in aanmerking komt.

  • 2. Het in artikel 4, tweede lid, onder a, genoemde resultaatafhankelijk budget wordt voor het kalenderjaar 2021 verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 8 heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda voldoende is, naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB berekende rijksbijdragedelen voor die instelling.

  • 3. Het in artikel 4, tweede lid, onder b, genoemde resultaatafhankelijk budget wordt vermeerderd met het resultaatafhankelijk budget, bedoeld in artikel 4, onder a, dat voor het kalenderjaar 2021 is verdeeld over de instellingen, maar op grond van zowel de midterm review, bedoeld in artikel 10, als de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 11, niet wordt verstrekt.

  • 4. Het resultaatafhankelijk budget wordt voor het kalenderjaar 2022 verdeeld over de instellingen waarvan de minister op grond van artikel 11 heeft geoordeeld dat de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende zijn, naar rato van het totaal van de voor dat kalenderjaar op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB berekende rijksbijdragedelen voor die instelling.

  • 5. De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

  • 6. Bij te late indiening van de gegevens en de verklaring als bedoeld in artikel 2.2.5, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB:

    • a. is ten aanzien van het eerste lid, onder a, artikel 2.2.5 van het Uitvoeringsbesluit WEB van toepassing; en

    • b. kan de minister ten aanzien van het eerste lid, onder b, de aanvullende bekostiging vaststellen met gebruik van het aantal studenten dat is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding op 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar, waarvoor een aanvulling op de bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 6. Kwaliteitsagenda

  • 1. Een instelling dient voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022 een aanvraag in, in de vorm van een kwaliteitsagenda.

  • 2. Een instelling legt in haar kwaliteitsagenda gemotiveerd vast:

    • a. wat zij als haar werkgebied definieert;

    • b. welke ontwikkelingen in dit werkgebied van belang zijn voor haar kwaliteitsagenda, waaronder de ontwikkelingen op de arbeidsmarkt in dit betreffende werkgebied;

    • c. een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van haar uitgangssituatie (nulmeting), waaruit concrete ambities voortvloeien, die zij op opleidings- of instellingsniveau in de periode van 2019 tot en met 2022 wil bereiken;

    • d. welke maatregelen zij gaat nemen teneinde deze ambitie te bereiken;

    • e. op welke wijze de uitvoering van het kwaliteitsagenda wordt georganiseerd met inbegrip van een indicatieve planning; en

    • f. middels een indicatieve begroting hoe zij de aanvulling op de bekostiging wil besteden.

  • 3. Onderdeel van de kwaliteitsagenda van een aoc is een onderbouwing van het ontwikkelperspectief van die instelling met het oog op de doelmatige organisatie van het onderwijs en de uitdagingen waarvoor de instelling zich de aankomende jaren gesteld gaat zien door demografische ontwikkelingen en de daarmee samenhangende studentenaantallen.

  • 4. Een instelling besteedt in de kwaliteitsagenda in elk geval aandacht aan de in bijlage 1 genoemde landelijke speerpunten en formuleert ten aanzien daarvan ambities. De instelling maakt daarbij een kwalitatieve en kwantitatieve analyse aan de hand van de elementen in bijlage 1. De instelling maakt inzichtelijk hoe zij voor deze ambities een derde deel van het investeringsbudget gaat inzetten.

  • 5. Indien een instelling geen ambities opneemt ten aanzien van één van de in het vierde lid genoemde landelijke speerpunten motiveert zij waarom zij besloten heeft hier geen inzet op te plegen.

  • 6. De instelling beschrijft in de kwaliteitsagenda op welke wijze zij interne en externe stakeholders heeft betrokken bij het opstellen van de kwaliteitsagenda en in hoeverre er draagvlak bestaat voor de kwaliteitsagenda. Ook wordt aantoonbaar gemaakt op welke wijze externe stakeholders actief betrokken zijn bij het uitvoeren van de kwaliteitsagenda.

  • 7. De instelling dient de kwaliteitsagenda uiterlijk op 31 oktober 2018 in bij de minister. De minister kan een aanvraag die na 31 oktober 2018 is ingediend afwijzen.

Artikel 7. Adviescommissie

  • 1. De minister stelt een onafhankelijke adviescommissie in die de minister adviseert ten behoeve van de beoordeling van de ingediende kwaliteitsagenda’s alsmede de midterm review en eindbeoordeling van de resultaten van de uitvoering van de goedgekeurde kwaliteitsagenda’s.

  • 2. de adviescommissie stelt een integrale rapportage met een landelijk beeld op en stuurt deze de minister toe:

    • a. in 2019: over de beoordeling van de kwaliteitsagenda’s;

    • b. in 2021: op basis van de midterm review over de voortgang van de kwaliteitsafspraken; en

    • c. in 2023: op basis van de eindbeoordeling over de eindresultaten van de kwaliteitsafspraken.

Artikel 8. Beoordeling van de kwaliteitsagenda

  • 1. De adviescommissie beoordeelt of de kwaliteitsagenda van een instelling voldoet aan deze regeling en of zij kwalitatief voldoende is. De adviescommissie beoordeelt de kwaliteitsagenda op grond van het beoordelingskader dat als bijlage 2 bij deze regeling is gevoegd.

  • 2. De instelling licht de kwaliteitsagenda toe indien de adviescommissie daaraan behoefte heeft.

  • 3. De adviescommissie informeert de instelling uiterlijk op 31 maart 2019 over haar voorlopig advies over de kwaliteitsagenda.

  • 4. Indien het voorlopige advies van de adviescommissie inhoudt dat de kwaliteitsagenda van een instelling onvoldoende bevonden wordt, kan de instelling uiterlijk op 1 mei 2019 een aangepaste kwaliteitsagenda bij de adviescommissie indienen.

  • 5. De adviescommissie adviseert de minister uiterlijk op 14 juni 2019 over de kwaliteitsagenda van de instelling.

  • 6. Met inachtneming van het advies van de adviescommissie besluit de minister uiterlijk op 1 augustus of de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is.

  • 7. Indien de kwaliteitsagenda onvoldoende is komt de instelling niet in aanmerking voor zowel het investerings- als het resultaatafhankelijk budget.

  • 8. Bij een voldoende oordeel van de kwaliteitsagenda wordt het investeringsbudget jaarlijks verstrekt voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022.

  • 9. Het investeringsbudget wordt, zonder verlening, vastgesteld:

    • a. voor het kalenderjaar 2019 uiterlijk in september 2019;

    • b. voor de kalenderjaren 2020 tot en met 2022 jaarlijks in september voorafgaand aan het kalenderjaar waarop het investeringsbudget ziet.

Artikel 9. Bijstellen kwaliteitsagenda

Indien omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de instelling een als voldoende gekwalificeerde kwaliteitsagenda bijstellen. Daartoe dient een bijgestelde kwaliteitsagenda ingediend te worden bij de minister. De adviescommissie beoordeelt of de bijgestelde kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is. Indien de minister met inachtneming van het advies van de adviescommissie heeft ingestemd met de bijstelling vindt de midterm review of de eindbeoordeling plaats op basis van deze gewijzigde kwaliteitsagenda.

Artikel 10. Midterm review

  • 1. De resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda worden in het kalenderjaar 2021 tussentijds beoordeeld door de adviescommissie.

  • 2. De instelling dient ten behoeve van de tussentijdse beoordeling voor 1 juli 2021 haar jaarverslaggeving over het kalenderjaar 2020 in.

  • 3. De instelling licht de tussentijdse resultaten van de kwaliteitsagenda toe indien de adviescommissie daaraan behoefte heeft.

  • 4. De adviescommissie adviseert de minister uiterlijk op 1 oktober 2021 over de tussentijdse beoordeling.

  • 5. Met inachtneming van het advies van de adviescommissie besluit de minister uiterlijk op 11 november 2021 of de tussentijdse resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda voldoende zijn.

  • 6. Bij een voldoende oordeel wordt het resultaatafhankelijk budget voor het kalenderjaar 2021 zonder verlening vastgesteld.

Artikel 11. Eindbeoordeling

  • 1. De resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda worden na het kalenderjaar 2022 beoordeeld door de adviescommissie.

  • 2. De instelling dient ten behoeve van de eindbeoordeling voor 1 juli 2023 haar jaarverslaggeving over het kalenderjaar 2022 in.

  • 3. De instelling licht de resultaten van de kwaliteitsagenda toe indien de adviescommissie daaraan behoefte heeft.

  • 4. De adviescommissie adviseert de minister uiterlijk op 1 oktober 2023 over de eindbeoordeling.

  • 5. Met inachtneming van het advies van de adviescommissie besluit de minister uiterlijk op 11 november 2023 of de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende zijn.

  • 6. Bij een voldoende oordeel wordt het resultaatafhankelijk budget voor het kalenderjaar 2022, en voor zover het resultaatafhankelijk budget voor het kalenderjaar 2021 niet is verstrekt ook dat resultaatafhankelijk budget, zonder verlening, vastgesteld.

  • 7. Indien de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda onvoldoende zijn, komt de instelling niet in aanmerking voor:

    • a. het resultaatafhankelijk budget voor het kalenderjaar 2022; en

    • b. het resultaatafhankelijk budget voor het kalenderjaar 2021 dat niet was verstrekt omdat de tussentijdse beoordeling van de resultaten onvoldoende was.

Artikel 12. Betaling

  • 1. De betaling van het investeringsbudget vindt plaats overeenkomstig het betaalritme waarin de bekostiging wordt betaald.

  • 2. De betaling van het resultaatafhankelijke budget vindt plaats binnen tien weken na het vaststellingsbesluit van de minister, bedoeld in artikel 10, respectievelijk het vaststellingsbesluit van de minister, bedoeld in artikel 11.

Artikel 13. Informatieverschaffing

De instelling werkt, onder meer door het verschaffen van de daartoe benodigde inlichtingen, gegevens en bescheiden, mee aan een door de adviescommissie ingesteld onderzoek dat erop is gericht de minister te adviseren over de kwaliteitsagenda alsmede de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda.

Artikel 14. Besteding

De aanvullende middelen kunnen ook worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 15. Verantwoording

De verantwoording van de aanvullende middelen geschiedt jaarlijks in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Artikel 16. Openbaarmaking

  • 1. De minister maakt de volgende documenten openbaar door deze elektronisch beschikbaar te stellen op de website www.kwaliteitsafsprakenmbo.nl:

    • a. het besluit, bedoeld in artikel 8, zesde lid, met bijbehorende kwaliteitsagenda en het advies van de adviescommissie, alsmede de besluiten, bedoeld in artikel 10, vijfde lid, en artikel 11, vijfde lid, met bijbehorende advies van de adviescommissie; en

    • b. de landelijke rapportages, bedoeld in artikel 7, tweede lid.

  • 2. Tot openbaarmaking van de in het eerste lid, onder a, genoemde documenten wordt niet overgegaan voordat vier weken zijn verstreken vanaf de dagtekening van het desbetreffende besluit.

  • 3. De uitzonderingsgronden en beperkingen, bedoeld in artikel 10 en artikel 11 van de Wet openbaarheid van bestuur, zijn van toepassing.

Artikel 17. Intrekking

De Regeling kwaliteitsafspraken mbo wordt ingetrokken.

Artikel 18. Inwerkingtreding en vervaldatum

  • 1. Deze regeling treedt in werking met ingang van 1 augustus 2018, met uitzondering van artikel 17, dat in werking treedt met ingang van 1 januari 2020.

  • 2. Deze regeling vervalt met ingang van 31 juli 2024.

Artikel 19. Citeertitel

Deze regeling wordt aangehaald als: Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022.

Deze regeling zal met de toelichting in de Staatscourant worden geplaatst.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven

BIJLAGE 1 LANDELIJKE SPEERPUNTEN KWALITEITSAFSPRAKEN MBO

Deze bijlage hoort bij de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022

Toelichting

  • De kolom analyse-elementen bevat de onderwerpen waar de instelling aandacht aan besteedt in de analyse.

  • Kolom indicatoren: Specifiek voor de landelijke speerpunten wordt u gevraagd om te reflecteren op de indicatoren uit onderstaande tabel. Deze indicatoren kunnen gebruikt worden om de urgentie van de landelijke speerpunten in uw werkgebied te duiden. De indicatoren zijn nadrukkelijk níet bedoeld om de school op af te rekenen.

  • OCW levert de data met betrekking tot de onderstaande indicatoren aan de instellingen. Uiteraard is het vervolgens aan de instelling om te besluiten of de indicatoren een goed beeld geven of dat er ook andere gegevens betrokken moeten worden om de context van het werkveld goed in beeld te brengen. Instellingen zijn uiteraard ook vrij om bij het kiezen van ambities deze indicatoren te gebruiken of op een eigen manier zichtbaar of merkbaar te maken in hoeverre de gestelde ambities behaald zijn.

  • Kolom mogelijke invulling: de instelling maakt zelf – in goed overleg binnen de instelling en met het werkgebied – de keuze hoe aan de landelijke speerpunten invulling wordt gegeven. De maatregelen in deze kolom zijn ter voorbeeld.

Speerpunt

Analyse-elementen

Indicatoren

Mogelijke invulling

Jongeren in kwetsbare positie

Kwetsbare jongeren door uitstekend onderwijs en persoonlijke begeleiding maximaal ondersteunen met als doel om uitval te voorkomen, door te stromen naar een hoger niveau of een goede start te maken op de arbeidsmarkt.

Kwantitatief

a. Analyse van de huidige populatie kwetsbare jongeren: instroom uit praktijkonderwijs, vso, vmbo-bb (waaronder leerwerktrajecten) op onderwijsniveau (entree en mbo 2)

b. Analyse van vsv, op onderwijsniveau (entree, mbo 2-4)

c. Analyse van in ieder geval niveau 2 opleidingen met matig of slecht arbeidsmarktperspectief, concreet: welke opleidingen (BC-code) scoren onder de 70% signaalwaarde van de indicator arbeidsmarktperspectief?

Kwalitatief

d. (Knelpunten in) de huidige aanpak voor deze jongeren. Daarbij wordt ingegaan op de inzet van zowel de mbo-instelling als de regionale partners (vmbo-scholen, gemeenten, zorginstellingen, bedrijven etc.)

Bijpassende indicatoren:

1. VSV

2. Arbeidsmarktrendement niveau 2-opleidingen

De instelling bepaalt op basis van de eigen analyse welke maatregelen het sterkst bijdragen aan het behalen van de doelstelling.

Maatregelen die onder andere binnen dit speerpunt passen zijn:

• Terugdringen (of vasthouden) van niveau VSV. Op landelijk niveau wordt vastgehouden aan de doelstelling van minder dan 20.000 VSV’ers in 2021 (gemeten over schooljaar 19/20)

• Kwetsbare jongeren voorbereiden op en begeleiden naar en op de arbeidsmarkt en volgen na het verlaten van het onderwijs (i.s.m. gemeenten)

• Organiseren van een regionaal sluitend vangnet voor jongeren in een kwetsbare positie (i.s.m. gemeenten)

Gelijke kansen

Het creëren van soepele overgangen binnen krachtig beroepsonderwijs zodat studenten voldoende kansen krijgen om succesvol in het mbo in te stromen of door te stromen naar een vervolgopleiding of baan die past bij hun ambities en talenten.

a. Doorstroom binnen de beroepskolom (aansluiting vmbo-mbo, doorstroom binnen mbo en doorstroom mbo-hbo)

b. Knelpunten op het gebied van gelijke kansen

Bijpassende indicatoren:

3. Succes eerstejaars mbo

4. Kwalificatie-winst

5. Opstroom na diploma

6. Doorstroom mbo-hbo

7. Succes doorstromers in eerste jaar hbo

De instelling bepaalt op basis van de eigen analyse welke maatregelen het sterkst bijdragen aan het behalen van de doelstelling.

Maatregelen die onder andere binnen dit speerpunt passen zijn:

• Het bevorderen van soepele doorstroom van vmbo naar mbo, binnen het mbo en van mbo naar hbo door stimuleren van samenwerking tussen opleidingen en onderwijsinstellingen in de beroepskolom (vmbo-mbo-hbo). Onderdeel hiervan kan zijn het in gezamenlijkheid aanbieden van mbo-opleidingen in het vmbo of het bevorderen van het gezamenlijk ontwikkelen van AD-programma’s door mbo en hbo-instellingen.

• Het tegengaan van ongelijke kansen. Ongelijke kansen zien we bij studenten met lager opgeleide ouders: zij kiezen minder vaak voor doorstuderen na hun mbo-diploma en hebben minder kans op een diploma. Dit laatste geldt ook voor studenten met een niet-westerse migratieachtergrond. Extra ondersteunings- en stimuleringsprogramma’s in het onderwijs of bij het vinden van een stageplek kunnen er voor zorgen dat deze studenten gelijke kansen krijgen om hun talent maximaal te ontplooien.

Opleiden voor de arbeidsmarkt van de toekomst

Verbetering van het arbeidsmarktperspectief van mbo-studenten door aanpassingen in het onderwijsaanbod, beïnvloeding van de studiekeuze, inhoudelijke vernieuwing van opleidingen en het versterken van de verbinding met de beroepspraktijk

a. Arbeidsmarktperspectief van kwetsbare opleidingen (welke opleidingen (BC-code) scoren onder de 70% signaalwaarde van de indicator arbeidsmarktperspectief?)

b. Stage- en bbl-markt (kans op stage, kans op werk. Waar liggen mogelijkheden om bbl uit te breiden?)

Bijpassende indicatoren:

8. Arbeidsmarktrendement

9. Ontwikkeling aandeel bbl-ers

De instelling bepaalt op basis van de eigen analyse welke maatregelen het sterkst bijdragen aan het behalen van de doelstelling.

Maatregelen die onder andere binnen dit speerpunt passen zijn:

• Sterker verbinden van het aanbod opleidingen met de sociaal-economische kenmerken en ontwikkeling van het werkgebied. Dit kan door te investeren in inhoudelijke vernieuwing van opleidingen met goed perspectief, bijvoorbeeld door het instellen van practoraten als brug tussen de innovatie op de arbeidsmarkt en innovatie van het onderwijs. Maar ook door afbouw van opleidingen met een weinig (duurzaam) arbeidsmarkt-perspectief, of het in samenspraak met andere instellingen uitwisselen van opleidingen.

• Versterking van de instroom (door de keten) naar opleidingen met goed perspectief.

• Versterken van de verbinding van opleidingen met de beroepspraktijk. Dit kan door afspraken te maken met het werkveld voor een (meer dan trendmatige) uitbreiding van het aantal bbl-plekken ook, of juist in branches en beroepen met een geringe traditie in bpv/bbl. Ook kan worden gedacht aan innovatie in de vorm van hybride opleidingen en het intensiveren van de samenwerking tussen docenten en bedrijfsleven.

Toelichting indicatoren

  • 1. Voortijdig schoolverlaten: vsv’ers zijn jongeren van 12 tot 23 jaar die zonder startkwalificatie het onderwijs verlaten. Het vsv-percentage staat voor het aantal vsv’ers als percentage van het aantal onderwijsstudenten die aan het begin van het schooljaar ingeschreven staan.

  • 2. Arbeidsmarktrendement: aandeel werkenden 12 uur per week 1 jaar na afstuderen, naar opleiding.

  • 3. Succes eerstejaars studenten: percentage van de eerstejaars dat een jaar later nog bij dezelfde instelling studeert of de instelling met een diploma heeft verlaten.

  • 4. Kwalificatiewinst is hier opgevat als het verschil tussen het behaalde diplomaniveau in het mbo en het niveau van vooropleiding in het vo.

  • 5. Opstroom na diploma: bij gediplomeerden in een teljaar is nagegaan of zij na het behalen van het diploma binnen de instelling zijn doorgestroomd naar een hoger niveau. Het gaat daarbij meer specifiek om doorstroom naar een hoger niveau dan op grond van de vooropleiding kan worden verwacht.

  • 6. Doorstroom mbo-hbo: de doelgroep voor de indicator doorstroom mbo-hbo bestaat uit gediplomeerden op niveau 4. De indicator wordt uitgedrukt in het percentage instellingsverlaters met een diploma op niveau 4 die op 1 oktober van het volgende teljaar staan ingeschreven in het hbo.

  • 7. Succes doorstromers in eerste jaar hbo: percentage van de eerstejaars dat een jaar later nog bij dezelfde instelling studeert of de instelling met een diploma heeft verlaten.

  • 8. Arbeidsmarktrendement: aandeel werkenden 12 uur per week 1 jaar na afstuderen, naar opleiding.

  • 9. Aandeel bbl’ers: het aandeel van instromers in het mbo in de beroepsbegeleidende leerweg (bbl).

BIJLAGE 2 BEOORDELINGSKADER KWALITEITSAGENDA MBO 2019–2022

Deze bijlage hoort bij de Regeling kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022

Aspect

Beoordelingscriteria

Toelichting

1. Interne en externe analyse

De kwaliteitsagenda bevat een interne analyse gericht op sterke en zwakkere punten van de organisatie en een externe analyse gericht op kansen en bedreigingen in het werkgebied van de instellingen. Op basis van deze analyse worden ambities geformuleerd.

De score voor het aspect Analyse is voldoende als de kwaliteitsagenda:

a. een goed onderbouwde afbakening bevat van de regio(´s) c.q. werkgebied(en) waar de mbo-instelling zich op richt, ook in relatie tot andere mbo-instellingen (zoals andere roc’s en bovenregionaal werkende vakinstellingen en aoc’s);

b. een beschrijving omvat van het profiel van de instelling, de speerpunten uit de instellingsstrategie en de doelgroepen waar de instelling zich bij voorrang op richt;

c. een goed beeld geeft van de sterke en zwakke punten van de mbo-instelling en ontwikkelingen binnen de mbo-instelling;

d. een goed beeld geeft van vraagstukken en ontwikkelingen op de arbeidsmarkt en in de economie van het werkgebied en de implicaties hiervan voor het onderwijs;

e. de kwaliteitsagenda goed inzicht geeft in de uitgangssituatie rond de landelijke speerpunten, en daarbij in ieder geval inzicht geeft in de analyse-elementen die genoemd worden in de tabel Landelijke speerpunten;

f. gebruik maakt van c.q. aansluit bij beschikbare kwalitatieve en kwantitatieve informatie, waaronder in ieder geval de door OCW beschikbaar gestelde indicatoren rond de landelijke speerpunten.

Om goede ambities te kunnen stellen en maatregelen te treffen, is een helder beeld van de uitgangssituatie van belang. Dit betreft onder meer de demografie, regionale ontwikkelingen, arbeidsmarkt, landelijke/politieke ontwikkelingen en onderwijsinhoudelijke ontwikkelingen (denk bijvoorbeeld aan studentenpopulatie, kwaliteit van onderwijs, praktijkleren, begeleiding en examinering, VSV, studiesucces, doorstroming) en de tevredenheid van studenten, medewerkers en leerbedrijven.

De analyse is onderbouwd met actuele kwalitatieve en kwantitatieve gegevens, maakt gebruik van openbare bronnen en indicatoren en bouwt waar mogelijk voort op bestaande regionale en sectorale agenda´s.

Als het strategisch plan van de instelling een dergelijke analyse bevat kan hierbij worden aangesloten.

Op basis van de analyse kan een gemotiveerde keuze worden gemaakt voor de ambities voor de periode 2019 tot en met 2022.

2. Ambities en beoogde resultaten

De instelling formuleert ambities en maakt duidelijk welke concrete resultaten daarbij eind 2022 zijn beoogd en welke tussentijdse mijlpalen in 2020 moeten zijn bereikt om het beoogde eindresultaat te behalen. De gestelde ambities en beoogde resultaten zijn ambitieus en haalbaar.

De score voor het aspect Ambities en beoogde resultaten is voldoende als:

a. de ambities logisch aansluiten bij de analyse, vooral met betrekking tot de zwakke punten en regionale ontwikkelingen;

b. de ambities (overwegend) geformuleerd zijn in termen van beoogde resultaten;

c. er sprake is van ambitieuze beoogde resultaten (te bepalen op basis van de verbetering t.o.v. de nul-situatie);

d. aannemelijk is dat de beoogde resultaten te behalen zijn met de voorgestelde maatregelen en aanpak binnen de beschikbare tijd.

e. de resultaten voldoende meetbaar en/of merkbaar en toetsbaar geformuleerd zijn;

f. voor de ambities wordt aangegeven wat de beoogde resultaten voor 2020 en 2022 zijn en hoe de voortgang en de behaalde resultaten ten opzichte van de nul-situatie objectief inzichtelijk gemaakt kunnen worden, bijvoorbeeld door middel van indicatoren.

Vanuit de strategie wordt gekozen voor een aantal ambities. De drievoudige opdracht van elke mbo-instelling met betrekking tot leren, werken en leven komt hier nadrukkelijk in terug.

Deze keuzes hangen samen met de regionale ontwikkelingen en worden afgestemd met de partners in werkgebied of regio. Het gaat hierbij onder andere om het voortgezet onderwijs, het hoger beroepsonderwijs, gemeenten en werkgevers.

Het beoogde resultaten moet zowel extern als intern helder en merkbaar zijn en zo worden geformuleerd dat deze een stimulerende werking hebben voor de onderwijsteams en dat erop kan worden gestuurd. Door middel van tussentijdse evaluatie van geboekte resultaten kan tijdig worden bijgestuurd.

Een kwart van het beschikbare budget voor de kwaliteitsafspraken is resultaatafhankelijk. Ook daarom is het van belang dat goed meetbaar is of de gestelde resultaten zijn behaald.

3. Maatregelen en budget

De instelling geeft een overzicht van maatregelen waarmee de ambities worden gerealiseerd en presenteert een indicatieve meerjarenbegroting.

De score voor het aspect Maatregelen en budget is voldoende als:

a. de ambities zijn vertaald in maatregelen;

b. de kwaliteitsagenda een indicatieve planning en een indicatieve meerjarenbegroting bevat;

c. het aannemelijk is dat de maatregelen haalbaar en uitvoerbaar zijn, gelet op de structuren en processen van de instelling;

d. per ambitie indicatief wordt aangegeven welk deel van het investeringsbudget hiervoor wordt ingezet.

e. tenminste 1/3 van het investeringsbudget wordt ingezet voor maatregelen gericht op de landelijke speerpunten;

f. de maatregelen leiden tot een duidelijke verbetering op het gebied van de landelijke speerpunten binnen het werkgebied van de instelling.

Bij deze stap gaat het om het operationaliseren van de strategie en ambities in termen van maatregelen en budget, zodat (op hoofdlijnen) inzichtelijk wordt aan welke regionale en landelijke thema’s het beschikbare budget wordt besteed en hoe de ambities worden gerealiseerd.

Er is door de minister van OCW een drietal landelijke speerpunten benoemd. Instellingen dienen 1/3 deel van het investeringsbudget in te zetten voor deze speerpunten. Dit 1/3 deel van het investeringsbudget mag de instelling op basis van de eigen analyse verdelen over de drie thema’s. Ook mag een instellingen beargumenteerd beslissen om voor een thema geen budget te reserveren.

4. Intern draagvlak en externe betrokkenheid

De kwaliteitsagenda wordt gedragen door interne stakeholders. Externe stakeholders zijn actief betrokken bij het opstellen en de uitvoering van de kwaliteitsagenda.

De score voor het aspect Intern draagvlak en externe betrokkenheid is voldoende als:

a. er sprake is van aantoonbaar draagvlak en commitment bij de interne stakeholders (studenten, docenten en medewerkers, medezeggenschap)

b. de externe stakeholders (vmbo, hbo en andere mbo-instellingen, bedrijfsleven, maatschappelijke organisaties en lokale en regionale overheden) actief betrokken zijn bij het opstellen en uitvoeren van de kwaliteitsagenda.

In de kwaliteitsagenda wordt beschreven hoe interne stakeholders en externe stakeholders zijn betrokken bij de totstandkoming van de kwaliteitsagenda.

Een goede verbinding met het werkgebied is van cruciaal belang voor elke mbo-instelling. Samen met de partners in het werkgebied wordt gewerkt aan de toekomst van de studenten. Met de partners worden speerpunten bepaald waar de kwaliteitsagenda zich op richt. Omdat mbo-instellingen (deels) actief kunnen zijn in dezelfde regio, is samenwerking met andere mbo- instellingen op thema’s vanzelfsprekend.

De betreffende mbo-instelling heeft hierin een voortrekkersfunctie. Immers, zij is verantwoordelijk voor het opstellen en uitvoeren van de kwaliteitsafspraken. Een zichtbare en betekenisvolle legitimatie van deze keuzes door de (regionale) partners versterkt de keuzes en het resultaatgerichte karakter.

5. Duurzaamheid

De kwaliteitsagenda leidt tot duurzame verbetering.

De score voor het aspect Duurzaamheid is voldoende als:

a. aannemelijk is dat de maatregelen leiden tot duurzame resultaten en tot blijvende merkbare effecten voor studenten, medewerkers en het werkveld.

In de kwaliteitsagenda wordt aangegeven hoe gezorgd wordt voor duurzame verbetering, zowel binnen de mbo-instelling als in samenwerking met de regionale partners. Dit kan bijvoorbeeld door een betere verankering van maatregelen binnen de mbo-instelling door opname in de reguliere PDCA-cyclus of door betere verankering van de samenwerking met regionale partners.

Aanvullend beoordelingsaspect voor het groen onderwijs

Aspect

Beoordelingscriteria

Toelichting

Ontwikkelperspectief groen onderwijs

Alleen voor de aoc’s

De kwaliteitsagenda’s van de aoc’s bevat een beschrijving van de maatregelen en vormen van samenwerking die noodzakelijk zijn om te komen tot een doelmatige en duurzame organisatie van de groene opleidingen.

De score voor het aspect Ontwikkelperspectief is voldoende als de kwaliteitsagenda:

a. een analyse bevat van de verwachte ontwikkeling van de (leerlingen- en) studentenaantallen waarbij gebruik is gemaakt van de ‘Prognose aantal leerlingen in het voortgezet onderwijs’ en de ‘MBO-Planningstool’ op de site van DUO;

b. duidelijk maakt welke maatregelen de instelling neemt op basis van deze analyse om te komen tot een doelmatige en duurzame organisatie van de groene opleidingen;

c. beschrijft welke vormen van samenwerking met andere aoc’s, vakinstellingen, roc’s en vo-instellingen gezocht worden om bovenstaande doelen te realiseren.

De groene sector wordt de komende jaren geconfronteerd met een aanzienlijke daling van de studentenaantallen. Het is van belang dat de sector hier adequate op anticipeert door maatregelen te nemen die leiden tot een doelmatig en duurzaam aanbod van groene opleidingen. Dit vraagt ook om goede samenwerking tussen de aoc’s en samenwerking tussen de aoc’s andere mbo-instellingen.

TOELICHTING

Algemene toelichting

Achtergrond

Sinds 2015 zijn er met mbo-instellingen afspraken gemaakt over kwaliteitsverbetering. De instellingen ontvangen daarvoor – ten behoeve van de uitvoering van de door hen ingediende kwaliteitsagenda’s – een aanvulling op de bekostiging op grond van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo, die loopt van 2015 tot en met 2018. Het kabinet heeft in het Regeerakkoord 2017–2021 ‘Vertrouwen in de Toekomst’ van 10 oktober 2017 aangekondigd dat er voor het mbo nieuwe kwaliteitsafspraken komen. Met onderhavige regeling geef ik concrete invulling aan dit voornemen.

In het mbo werken bijna 500.000 studenten aan hun toekomst. Zij werken aan succes in leren, werken en leven: doorstroom naar een vervolgopleiding, loopbaanontwikkeling en een bijdrage leveren aan de samenleving. Als gediplomeerd beroepsbeoefenaar zijn zij toegerust om mee te bewegen in ontwikkelingen en bij te dragen aan innovaties in bedrijven en instellingen. Binnen een beroepsgerichte professionele ontwikkeling worden in de mbo-opleidingen studenten uitgedaagd om 21e-eeuwse vaardigheden te ontwikkelen.

Met het oog op de cruciale rol van het mbo in de Nederlandse samenleving vindt het kabinet het van belang dat mbo-instellingen zich continu blijven verbeteren. Daarom heeft het kabinet voor de periode 2019 tot en met 2022 een bedrag van circa € 1,6 miljard beschikbaar gesteld voor kwaliteitsverbetering. Dit bedrag wordt, evenals in voorgaande jaren, aanvullend op de reguliere bekostiging, ter beschikking gesteld op basis van kwaliteitsafspraken met de mbo-instellingen.

Uit de tussenevaluatie van de kwaliteitsafspraken mbo (2015–2018) is gebleken dat met de eerste tranche kwaliteitsafspraken een betekenisvolle stap is gezet naar verdere kwaliteitsverbetering van het mbo. Kwaliteitsafspraken zijn daarmee een goed instrument gebleken om verbetering te faciliteren. Ik ben van mening dat kwaliteitsverbetering niet zo zeer het wegwerken van een achterstand is, maar een continu proces. Kwaliteitsafspraken blijven daartoe ook de komende jaren meerwaarde hebben. De gesprekken die ik sinds mijn aantreden heb gevoerd met belanghebbenden (zoals de MBO Raad, de Jongeren Organisatie Beroepsonderwijs (JOB), docenten en bestuurders van instellingen, gemeenten en sociale partners) hebben mij gesterkt in die gedachte. De tussenevaluatie biedt goede inzichten en handvatten voor de inrichting van de kwaliteitsafspraken vanaf 2019.

In de afgelopen maanden is, in nauwe samenwerking tussen OCW, de MBO Raad en een denktank van mbo-instellingen, gewerkt aan de contouren van een regeling voor de kwaliteitsafspraken. Deze uitgangspunten zijn vastgelegd in de notitie ‘Mbo-scholen aan zet, Voorbereiding Kwaliteitsagenda MBO 2019 – 2022’. Mede door het proces van gezamenlijke totstandkoming is er breed draagvlak in de sector voor de gekozen aanpak en de specifieke invulling, die is opgenomen in onderhavige regeling. Dit draagvlak is bekrachtigd in het bestuursakkoord dat ik op 7 februari 2018 met de MBO Raad heb gesloten (Kamerstukken II, vergaderjaar 2017–2018, 31 524, nr. 351).

Uitgangspunten

De uitgangspunten voor de tweede tranche kwaliteitsafspraken zijn uitgewerkt in de gezamenlijke notitie ‘Mbo-scholen aan zet, Voorbereiding Kwaliteitsagenda MBO 2019 – 2022’ 1 en opgenomen in het bestuursakkoord. Deze uitgangspunten betreffen het volgende:

  • Elke mbo-instelling maakt één op één afspraken met de minister van OCW. Deze afspraken worden vastgelegd in de kwaliteitsagenda van de mbo-instelling.

  • De kwaliteitsagenda vloeit voort uit de strategie van de mbo-instelling, die breed gedragen wordt door interne en externe stakeholders.

  • De kwaliteitsagenda behandelt speerpunten die de mbo-instelling in samenspraak met haar werkgebied heeft geformuleerd en die gericht zijn op specifieke vraagstukken in dit werkgebied. Dit kan ook resulteren in maatregelen op het gebied van onderwijskundige, personele en bedrijfskundige aspecten van de mbo-instelling, waarop de instelling verbetering, vernieuwing en/of innovatie behoeft.

  • De kwaliteitsagenda wordt vormgegeven met de partners van de mbo-instelling.

  • De kwaliteitsagenda laat ruimte om specifieke doelgroepen te definiëren.

  • De kwaliteitsagenda is gericht op het succes van studenten op de arbeidsmarkt, doorstroom in het onderwijs en persoonsvorming.

  • De kwaliteitsagenda draagt bij aan de toekomstbestendigheid van de mbo-sector.

  • De kwaliteitsagenda is ambitieus, duurzaam, deels resultaatafhankelijk, vertaald in concrete beloftes en uitvoerbaar binnen de planperiode van vier jaar en heeft SMART geformuleerde ambities.

  • De kwaliteitsagenda sluit aan op de P&C-cyclus van de mbo-instelling. Verantwoording vindt plaats in de jaarverslaggeving.

  • De kwaliteitsagenda wordt beoordeeld door een nieuw samen te stellen, onafhankelijke commissie, die hierover advies uitbrengt aan de minister van OCW. Deze commissie monitort de realisatie van de kwaliteitsagenda tussentijds en beoordeelt de realisatie na 2022.

  • De goedgekeurde kwaliteitsagenda kent een midterm review en kan tussentijds bijgesteld worden.

  • De toekenning van de kwaliteitsmiddelen vindt plaats op basis van een stabiel perspectief, dat is afgeleid van de meerjarenbegroting van het ministerie van OCW.

  • De kwaliteitsagenda biedt ruimte voor landelijke speerpunten.

  • Voor de agrarische opleidingscentra (aoc’s) geldt de specifieke afspraak dat zij in hun kwaliteitsagenda expliciet rekening houden met onderlinge samenwerking en samenwerking met regionale opleidingscentra (roc’s) en vakinstellingen.

Wijzigingen t.o.v. huidige kwaliteitsafspraken

Ten opzichte van de huidige Regeling kwaliteitsafspraken mbo wordt er met de nieuwe regeling in verschillende opzichten een nieuwe koers ingezet.

Er komt meer ruimte voor regionale verschillen en een eigen invulling van ambities door de instellingen. De kwaliteitsagenda van elke mbo-instelling is gebaseerd op een analyse van het werkgebied van de instelling en de mede daaruit voortvloeiende strategische koers van de instelling. Het aantal landelijke speerpunten is beperkt, waardoor de instellingen meer ruimte krijgen om eigen speerpunten te kiezen en daarop ambities te formuleren. Voorwaarde daarbij is wel dat de gekozen koers breed draagvlak heeft binnen de eigen organisatie én bij externe stakeholders in haar werkgebied.

Terwijl voorheen de instellingen op een zestal landelijke speerpunten verschillende plannen moesten indienen welke ook, voor zover het resultaatafhankelijke bekostiging betrof, afzonderlijk beoordeeld en bekostigd werden, is er nu sprake van een integrale planvorming, beoordeling en bekostiging. Hierdoor kan veel beter bij de planning en control cyclus van de instelling worden aangesloten en wordt de kwaliteitsagenda veel meer integraal onderdeel van de strategische koers van de instelling. Ook worden de administratieve lasten kleiner aangezien niet meer op verschillende momenten over verschillende plannen gerapporteerd hoeft te worden.

Wel blijven er een drietal landelijke speerpunten waarop de instellingen gevraagd wordt ambities en concrete beloften te formuleren. Deze zijn in afstemming met de sector tot stand gekomen en vastgelegd in het bestuursakkoord. Een derde van het investeringsbudget dient besteed te worden aan maatregelen gericht op de landelijke speerpunten.

Landelijke speerpunten

De instelling besteedt in de kwaliteitsagenda in elk geval aandacht aan de in bijlage 1 genoemde landelijke speerpunten. De instelling zal daarbij een kwantitatieve en kwalitatieve analyse moeten maken, waarvoor de benodigde elementen eveneens in bijlage 1 worden vermeld.

Specifiek voor de landelijke speerpunten wordt de instelling gevraagd om te reflecteren op de indicatoren uit tabel in bijlage 1. Deze indicatoren kunnen gebruikt worden om de urgentie van de landelijke speerpunten in het werkgebied te duiden. De indicatoren zijn nadrukkelijk níet bedoeld om de school op af te rekenen. OCW levert de data met betrekking tot de onderstaande indicatoren aan de instellingen. Uiteraard is het vervolgens aan de instelling om te besluiten of de indicatoren een goed beeld geven of dat er ook andere gegevens betrokken moeten worden om de context van het werkveld goed in beeld te brengen. Instellingen zijn uiteraard ook vrij om bij het kiezen van ambities deze indicatoren te gebruiken of op een eigen manier zichtbaar of merkbaar te maken in hoeverre de gestelde ambities behaald zijn. De instelling maakt zelf – in goed overleg binnen de instelling en met het werkgebied – de keuze hoe aan de landelijke speerpunten invulling wordt gegeven.

Aan de hand van de analyse formuleert de instelling ambities en neemt de maatregelen op die nodig zijn om deze te bereiken. Omdat een derde van het investeringsbudget specifiek bestemd is voor de landelijke speerpunten maakt de instelling in de kwaliteitsagenda inzichtelijk hoe zij voor deze ambities een derde deel van het investeringsbudget gaat inzetten. De mbo-instelling kan gemotiveerd besluiten om ten aanzien van een landelijk speerpunt geen aanvullende maatregelen te nemen. Er is hiermee ruimte voor verschillen en daarmee maatwerk per instelling. De landelijke speerpunten zijn:

a. Jongeren in een kwetsbare positie

Kwetsbare jongeren door uitstekend onderwijs en persoonlijke begeleiding maximaal ondersteunen met als doel uitval te voorkomen, de jongeren door te laten stromen naar een hoger niveau of een goede start te laten maken op de arbeidsmarkt.

b. Gelijke kansen in het onderwijs

Het creëren van soepele overgangen binnen krachtig beroepsonderwijs zodat studenten voldoende kansen krijgen om succesvol in het mbo in te stromen of door te stromen naar een vervolgopleiding (of -schooltype) die past bij hun ambities en talenten.

c. Onderwijs dat voorbereidt op de arbeidsmarkt van de toekomst

Verbetering van het arbeidsmarktperspectief van mbo-studenten door aanpassingen in het onderwijsaanbod, beïnvloeding van de studiekeuze, inhoudelijke vernieuwing van opleidingen en het versterken van de verbinding met de beroepspraktijk.

Kwaliteitsagenda

Om in aanmerking te komen voor aanvullende bekostiging ten behoeve van de kwaliteitsafspraken dient de instelling een aanvraag in voor de periode 2019 tot en met 2022 in de vorm van een kwaliteitsagenda.

De kwaliteitsagenda is gericht op het succes van studenten op de arbeidsmarkt, doorstroom in het onderwijs en persoonsvorming. De kwaliteitsagenda draagt bij aan de toekomstbestendigheid van de mbo-sector. De kwaliteitsagenda is ambitieus, duurzaam, deels resultaatafhankelijk, vertaald in concrete beloftes en uitvoerbaar binnen de planperiode van vier jaar en heeft SMART geformuleerde ambities. De kwaliteitsagenda vloeit voort uit de strategie van de mbo-instelling en wordt vormgegeven met de partners van de mbo-instelling.

Er is een aantal aspecten die de instelling ten minste in haar kwaliteitsagenda dient vast te leggen.

Ten eerste geeft de instelling aan wat zij als haar werkgebied definieert. Het werkgebied is geen vaststaande geografische of bestuurlijk-administratieve eenheid, maar het gebied dat de mbo-instelling zelf als de meest effectieve schaal verkiest voor een optimale vervulling van haar wettelijke taken en de uitvoering van de kwaliteitsagenda. Voor de roc’s en aoc’s is dat werkgebied in beginsel een geografische regio. Voor de vakinstellingen kan het werkgebied groter zijn dan de regio en in bepaalde gevallen het hele land omvatten. Bovendien kan de term werkgebied breed geïnterpreteerd worden, in die zin dat er meerdere werkgebieden kunnen zijn binnen een instelling, die onderling verschillen. Bijvoorbeeld tussen opleidingsniveaus, opleidingsdomeinen of de gekozen en landelijke speerpunten uit de kwaliteitsagenda. De instelling heeft de ruimte om hier in haar kwaliteitsagenda zelf invulling aan te geven. In deze regeling en de toelichting daarop wordt voor de leesbaarheid de neutrale term werkgebied gehanteerd.

Ten tweede geeft de instelling aan welke ontwikkelingen in dit werkgebied van belang zijn voor haar kwaliteitsagenda, waarbij in elk geval ontwikkelingen ten aanzien van het arbeidsmarktperspectief worden benoemd. Denk hierbij aan arbeidsmarktontwikkelingen die van invloed zijn op de vraag naar vakmensen in specifieke beroepen, ontwikkelingen die van invloed zijn op de instroom en op termijn uitstroom van studenten en (technologische) ontwikkelingen die impact hebben op de inhoud en vormgeving van opleidingen.

Ten derde maakt de instelling een kwalitatieve en kwantitatieve analyse van haar uitgangssituatie (nulmeting), waaruit concrete ambities voorvloeien, die zij op opleidings- dan wel instellingsniveau in de periode van 2019 tot en met 2022 wil bereiken. In de kwaliteitsagenda dienen ten minste voornoemde landelijke speerpunten aan bod te komen. De concrete ambities in de kwaliteitsagenda dienen realistisch, maar ook ambitieus te zijn.

Ten vierde wordt aangegeven welke maatregelen de instelling gaat nemen teneinde de ambities te bereiken. De maatregelen worden in de kwaliteitsagenda concreet gemaakt en gerelateerd aan de landelijke en/of eigen ambities.

Ten vijfde wordt aangegeven op welke wijze de uitvoering van de kwaliteitsagenda wordt georganiseerd met inbegrip van een indicatieve planning. Hiermee wordt aannemelijk gemaakt dat met de aanpak en sturing de beoogde resultaten worden behaald in de periode waarop de kwaliteitsafspraken betrekking hebben. Ook is er aandacht voor de wijze waarop wordt samengewerkt met relevante partners om de beoogde resultaten te bereiken.

Ten zesde bevat de kwaliteitsagenda een indicatieve meerjarenbegroting waarin de instelling beschrijft hoe zij de aanvulling op de bekostiging wil gaan besteden.

Tot slot geeft de instelling in haar kwaliteitsagenda aan op welke wijze interne en externe stakeholders betrokken zijn bij de totstandkoming van haar kwaliteitsagenda. Zij geeft aan welk draagvlak er bestaat voor de door haar geformuleerde ambities, op welke wijze de ambities passen in dan wel aansluiten op andere bestaande (regionale) plannen en afspraken alsmede op welke onderdelen eventueel verschil van inzicht bestaat met de stakeholders. Daarnaast dienen interne en externe stakeholders betrokken zijn bij de uitvoering van de kwaliteitsagenda. Dit is vooral van belang bij de ambities waar samenwerking met stakeholders noodzakelijk is om goede resultaten te behalen.

Het staat de instelling vrij om naast de bovenstaande punten nog andere aspecten aan bod te laten komen in de kwaliteitsagenda.

Aanvullende vereiste voor aoc’s met betrekking tot kwaliteitsagenda

Aoc’s dienen, in aanvulling op bovenstaande elementen, in de kwaliteitsagenda een onderbouwing van het ontwikkelperspectief van de instelling op te nemen met het oog op de doelmatige organisatie van het onderwijs en de uitdagingen waarvoor de instelling zich de aankomende jaren gesteld gaan zien door demografische ontwikkelingen en de daarmee samenhangende studentenaantallen. Hierbij is het van belang aandacht te hebben voor de duurzaamheid van het aanbod van groen onderwijs. Ook de samenwerking met andere instellingen dient hierbij aan bod te komen. Het kan dan gaan om samenwerking en clustering tussen aoc’s, maar ook om samenwerking met roc’s en vakinstellingen.

Deze voorwaarde geldt specifiek voor aoc’s, omdat met name voor deze instellingen geldt dat zij te maken krijgen met teruglopende leerling- en studentenaantallen als gevolg van de krimp. Volgens de referentieramingen 2017 worden de aoc’s tussen 2017 en 2032 geconfronteerd met een daling van de leerlingen- en studentenaantallen van 22% voor vo en mbo gezamenlijk. De daling in het groen mbo is zelfs gemiddeld 30%. Dit percentage ligt hoger dan de daling van de studentenaantallen mbo-breed. Deze daling van de studentenaantallen kan een negatieve invloed hebben op de continuïteit van instellingen als er de aankomende tijd onvoldoende maatregelen worden genomen door besturen om risico’s als gevolg van dalende studentenaantallen te voorkomen. Ook de Inspectie van het Onderwijs concludeert in haar onderzoek ‘Financiële positie en ontwikkeling van de agrarische opleidingscentra’ dat er onvoldoende wordt geanticipeerd op de daling van de studentenaantallen door aoc’s en dat dit risico’s met zich mee brengt voor zowel de financiële continuïteit als ook de kwaliteitsborging binnen de instellingen.

Om die reden is in het bestuursakkoord de specifieke afspraak gemaakt dat aoc’s in hun kwaliteitsagenda expliciet in gaan op onderlinge samenwerking en samenwerking met roc’s en vakinstellingen.

Rol en verantwoordelijkheden adviescommissie

De beoordeling van de kwaliteitsagenda’s vraagt om specifieke expertise. Daarom wordt een onafhankelijke commissie kwaliteitsafspraken mbo ingesteld.

De commissie:

  • beoordeelt de kwaliteitsagenda 2019–2022 per mbo-instelling, zo nodig mede op basis van een gesprek met de instelling, en adviseert de minister over goedkeuring daarvan;

  • beoordeelt de tussentijdse resultaten, zo nodig mede op basis van een gesprek met de instelling, en adviseert de minister over toekenning van het resultaatafhankelijke budget;

  • komt tot een eindbeoordeling gebaseerd op de vergelijking van de resultaten met ambities verwoord in de kwaliteitsagenda, zo nodig mede op basis van een gesprek met de instelling, en adviseert de minister over de toekenning van het resultaatafhankelijke budget;

  • adviseert de minister over de bijstelling van de kwaliteitsagenda van een instelling die daartoe een verzoek heeft ingediend; en

  • stelt een integrale rapportage op met een landelijk beeld van de voortgang en/of resultaten van de kwaliteitsafspraken op drie momenten, te weten na de initiële beoordeling van de kwaliteitsagenda’s, na de midterm review en na de eindbeoordeling.

De commissie adviseert de minister, waarna de minister besluit of de kwaliteitsagenda dan wel de (tussentijdse) realisatie daarvan voldoende is en daarmee of de aanvullende bekostiging wordt toegekend.

De commissie maakt bij de beoordeling van de kwaliteitsagenda’s en de voortgang van de uitvoering maximaal gebruik van informatie van instellingen, de Inspectie van het Onderwijs en stakeholders (waaronder werkgevers).

Rol commissie in relatie tot Inspectie van het Onderwijs

De commissie heeft een rol als het gaat om de kwaliteit van de kwaliteitsagenda, de maatregelen die in dit kader worden uitgevoerd en de resultaten die in dit kader worden behaald. De commissie heeft geen rol ten aanzien van de kwaliteit van het onderwijs, de kwaliteitszorg door de instelling en de naleving van de wet- en regelgeving, die onder het toezicht van de Inspectie van het Onderwijs vallen.

Beoordeling

De commissie voert een integrale beoordeling van de kwaliteitsagenda uit. Daarbij ligt de focus op de vijf aspecten die zijn opgenomen in het beoordelingskader, dat als bijlage 2 is opgenomen bij deze regeling. In het beoordelingskader zijn voor elk van de vijf aspecten specifieke beoordelingscriteria opgenomen.

Per aspect kent de commissie een score toe en bepaalt op basis van een integrale afweging van de scores op alle aspecten of de kwaliteitsagenda een voldoende of onvoldoende score krijgt. De commissie informeert de instelling vervolgens over het voorlopige advies. Een kwaliteitsagenda van een instelling waarvan de commissie heeft aangegeven deze als onvoldoende te beoordelen kan eenmalig bijgesteld worden door de instelling (herkansingsmogelijkheid). De commissie beoordeelt vervolgens de bijgestelde kwaliteitsagenda en stelt aan de hand van die beoordeling haar definitieve advies op. Op basis van het oordeel van de commissie besluit de minister of de kwaliteitsagenda voldoet aan de gestelde voorwaarden voor toekenning van het investeringsbudget.

De vijf aspecten waarop de kwaliteitsagenda wordt beoordeeld zijn:

  • 1. Interne en externe analyse

    De kwaliteitsagenda bevat een interne analyse gericht op sterke en zwakkere punten van de organisatie en een externe analyse gericht op kansen en bedreigingen in het werkgebied van de instellingen. Op basis van deze analyse worden ambities geformuleerd.

  • 2. Ambities en beoogde resultaten

    De instelling formuleert ambities en maakt duidelijk welke concrete resultaten daarbij eind 2022 zijn beoogd en welke tussentijdse mijlpalen nodig zijn 2020 om het beoogde eindresultaat te behalen. De gestelde ambities en beoogde resultaten zijn ambitieus en haalbaar.

  • 3. Maatregelen en budget

    De instelling geeft een overzicht van maatregelen waarmee de ambities worden gerealiseerd en presenteert een indicatieve meerjarenbegroting.

  • 4. Intern draagvlak en externe betrokkenheid

    De kwaliteitsagenda wordt gedragen door interne stakeholders. Externe stakeholders zijn actief betrokken bij het opstellen en de uitvoering van de kwaliteitsagenda.

  • 5. Duurzaamheid

    De kwaliteitsagenda leidt tot duurzame verbetering.

De commissie stelt na de beoordeling van alle kwaliteitsagenda’s een integrale rapportage op met een landelijk beeld van de stand van zaken van de kwaliteitsafspraken.

Midterm review

De commissie voert bij de midterm review een integrale beoordeling uit van de voortgang in de uitvoering en de bereikte resultaten. De vastgestelde kwaliteitsagenda is de maatstaf. De commissie beoordeelt in hoeverre de beoogde resultaten zijn gerealiseerd en in hoeverre de voorgenomen maatregelen zijn uitgevoerd. Bij de beoordeling neemt de commissie het geheel van de gepleegde inspanningen, de mate van doelbereiking en onvoorziene omstandigheden, die de resultaten hebben beïnvloed, in beschouwing. De commissie beoordeelt de voortgang als voldoende als de voor de midterm review beoogde resultaten in overwegende mate behaald zijn. Daarbij kijkt de commissie niet alleen naar de afzonderlijke resultaten, maar ook naar het geheel.

De beoordeling van behaalde resultaten vindt plaats aan de hand van de in de jaarverslaggeving opgenomen verantwoording. In die jaarverslaggeving dient dus een afdoende verantwoording opgenomen te worden. De commissie zal vooruitlopend op de beoordeling de instellingen tijdig informeren over hoe een dergelijke verantwoording eruit kan zien, zodat de instellingen bij het opstellen van de jaarverslaggeving dit hulpmiddel kunnen gebruiken. De commissie kan voor haar beoordeling aanvullende informatie vragen of in gesprek gaan met de instelling over de totstandkoming van de resultaten indien verantwoording in de jaarverslaggeving daar aanleiding toe geeft. Indien de jaarverslaggeving onvoldoende inzicht geeft in de resultaten kan dit tot het oordeel leiden dat de resultaten onvoldoende zijn.

De commissie brengt van haar beoordeling verslag uit aan het College van Bestuur (CvB) van de instelling en aan de minister. De commissie onderbouwt en motiveert haar oordeel. Ook stelt de commissie een integrale rapportage op met een landelijk beeld van de voortgang van de kwaliteitsafspraken.

Eindbeoordeling

De commissie voert bij de eindbeoordeling eveneens een integrale beoordeling uit van de voortgang in de uitvoering en de bereikte resultaten. De vastgestelde kwaliteitsagenda is ook hierbij de maatstaf. De commissie beoordeelt in hoeverre de beoogde resultaten zijn gerealiseerd en in hoeverre de voorgenomen maatregelen zijn uitgevoerd. Bij de beoordeling neemt de commissie het geheel van de gepleegde inspanningen, de mate van doelbereiking en onvoorziene omstandigheden die de resultaten hebben beïnvloed in beschouwing. De commissie beoordeelt de behaalde resultaten als voldoende als de beoogde resultaten in overwegende mate behaald zijn. Daarbij kijkt de commissie niet alleen naar de afzonderlijke resultaten, maar ook naar het geheel.

De behaalde resultaten worden, zoals bij de midterm review, beoordeeld op basis van de verantwoording in de jaarverslaggeving, waarbij de commissie – indien de verantwoording in de jaarverslaggeving daartoe aanleiding geeft, aanvullende informatie kan vragen of in gesprek kan gaan met de instelling over de (totstandkoming van de) resultaten.

De commissie brengt van haar beoordeling wederom verslag uit aan het CvB van de instelling en aan de minister. De commissie onderbouwt en motiveert haar oordeel. Ook stelt de commissie een integrale rapportage op met een landelijk beeld van de resultaten van de kwaliteitsafspraken.

Financiële systematiek

Over de gehele periode 2019 tot en met 2022 wordt van de totale aanvullende bekostiging circa driekwart bestemd als investeringsbudget. Circa een kwart van het budget is resultaatafhankelijk.

Alleen bekostigde mbo-instellingen waarvan de kwaliteitsagenda als voldoende is beoordeeld ontvangen jaarlijks het investeringsbudget en maken aanspraak op het resultaatafhankelijke budget. Indien de kwaliteitsagenda onvoldoende is, komt de instelling niet in aanmerking voor zowel het investerings- als het resultaatafhankelijk budget.

De berekening van het investeringsdeel van de aanvullende bekostiging is als volgt:

  • twee derde deel wordt over de instellingen waarvan de kwaliteitsagenda als voldoende is beoordeeld verdeeld naar rato van de lumpsum.

  • een derde deel wordt over de instellingen waarvan de kwaliteitsagenda als voldoende is beoordeeld verdeeld naar rato van het aantal studenten dat op t-2 is ingeschreven voor een basisberoepsopleiding (mbo-niveau 2), waarbij t het jaar is waarvoor de aanvullende bekostiging wordt vastgesteld.

Het resultaatafhankelijke deel van de aanvullende bekostiging wordt over de instellingen waarvan de kwaliteitsagenda als voldoende is beoordeeld, verdeeld naar rato van de lumpsum vastgesteld voor het jaar waarvoor aanvullende bekostiging wordt verstrekt. Voor het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2022 geldt dat hieraan wordt toegevoegd het budget voor het kalenderjaar 2021 dat uiteindelijk naar aanleiding van de beoordeling van zowel de midterm review als de eindbeoordeling niet is verstrekt aan een instelling (zie hieronder).

De toekenning van het resultaatafhankelijke deel vindt als volgt plaats. Na twee jaar (in 2021) volgt een midterm review. Bij een positieve beoordeling van de voortgang vindt toekenning plaats van de resultaatafhankelijke middelen voor het kalenderjaar 2021. Na vier jaar (in 2023) wordt de realisatie van de kwaliteitsagenda integraal beoordeeld. Alle instellingen die in voldoende mate hun ambities uit de kwaliteitsagenda hebben gerealiseerd, ontvangen de resultaatafhankelijke middelen voor het kalenderjaar 2022. Een mbo-instelling die bij de midterm review een onvoldoende beoordeling kreeg, maar bij het eindbeoordeling een voldoende oordeel krijgt, ontvangt alsnog haar volledige aandeel in het resultaatafhankelijk budget (dus voor zowel het jaar 2021 als het jaar 2022).

Indien de realisatie van de kwaliteitsagenda onvoldoende is en de betreffende mbo-instelling ook bij de midterm review een onvoldoende beoordeling heeft gekregen, ontvangt deze mbo-instelling ook voor het jaar 2022 niet het resultaatafhankelijk budget.

Planning

In de regeling zijn een aantal data vastgelegd. De belangrijkste momenten en deadlines voor de kwaliteitsafspraken mbo 2019–2022 zijn:

Goedkeuring kwaliteitsagenda
  • De instelling dient de kwaliteitsagenda uiterlijk in op 31 oktober 2018. Aanvragen die na deze datum zijn ontvangen, kunnen worden afgewezen.

  • De commissie informeert de instelling uiterlijk op 31 maart 2019 over haar voorlopige advies over de kwaliteitsagenda.

  • Indien het voorlopige advies van de commissie een onvoldoende beoordeling inhoudt, kan de instelling een aangepaste kwaliteitsagenda uiterlijk op 1 mei 2019 aan de commissie indienen.

  • De commissie adviseert de minister uiterlijk op 14 juni 2019 over de kwaliteitsagenda van de instelling.

  • Met inachtneming van het advies van de commissie beoordeelt de minister uiterlijk op 1 augustus 2019 na ontvangst van voornoemd advies of de kwaliteitsagenda voldoende is.

Tussentijdse beoordeling
  • De tussentijdse beoordeling vindt plaats aan de hand van het door de instelling bij de minister ingediende jaarverslaggeving over het kalenderjaar 2020. De instelling dient de jaarverslaggeving voor 1 juli 2021 in.

  • De commissie adviseert de minister uiterlijk 1 oktober 2021 over de tussentijdse beoordeling op basis van de door de instelling ingediende jaarverslaggeving en zo nodig mede op basis van een gesprek met de instelling.

  • Op basis van het advies van de commissie beoordeelt de minister uiterlijk 11 november 2021 na ontvangst van voornoemd advies of de tussentijdse voortgang van de uitvoering van de kwaliteitsagenda van een instelling voldoende is (midterm review).

Eindbeoordeling
  • De eindbeoordeling vindt plaats aan de hand van het door de instelling bij de minister ingediende jaarverslaggeving over het kalenderjaar 2022. De instelling dient de jaarverslaggeving voor 1 juli 2023 in.

  • De commissie adviseert de minister uiterlijk 1 oktober 2023 over de eindbeoordeling op basis van de door de instelling ingediende jaarverslaggeving en zo nodig mede op basis van een eindgesprek met de instelling.

  • Op basis van het advies van de commissie beoordeelt de minister uiterlijk 11 november 2023 na ontvangst van voornoemd advies of het resultaat van de uitvoering van de kwaliteitsagenda van een instelling voldoende is (eindbeoordeling).

Verantwoording

Om administratieve lasten te verminderen wordt bij de verantwoording zoveel als mogelijk aangesloten bij de reguliere planning en control cyclus van de instelling. De instelling rapporteert jaarlijks over de jaren 2019 tot en met 2022 over de voortgang van de uitvoering van de kwaliteitsagenda.

In het bestuursakkoord van 7 februari 2018 met de MBO Raad is afgesproken dat de mbo-instellingen zich jaarlijks verantwoorden over de voortgang en realisatie van de kwaliteitsagenda’s in de jaarverslaggeving.

Met het oog op een vlotte beoordeling van de voortgang door de commissie en de uitkering van het resultaatafhankelijk budget kan het deel van de jaarverslaggeving dat betrekking heeft op de kwaliteitsagenda’s eerder in het voorjaar van 2021 en 2023 worden uitgebracht. Ten behoeve van de midterm review worden de uitgevoerde maatregelen en behaalde resultaten ultimo 2020 beschreven. Ten behoeve van de eindbeoordeling worden de uitgevoerde maatregelen en behaalde resultaten ultimo 2022 beschreven.

De instelling kan hierbij een toelichting geven, waarin wordt ingegaan op de specifieke context in het werkgebied. In deze toelichting kan de instelling bijvoorbeeld ingaan op:

  • a. Oorzaken voor het verschil tussen de beoogde en de behaalde resultaten.

  • b. Oorzaken voor het verschil tussen de voorgenomen en de uitgevoerde maatregelen.

  • c. Aanpassingen in de focus in de kwaliteitsagenda, die hebben geleid tot compensatie van een behaald resultaat door een ander behaald resultaat.

  • d. Bij het opstellen van de kwaliteitsagenda onvoorziene omstandigheden die het behalen van de resultaten hebben beïnvloed.

Uitvoering en handhaafbaarheid

DUO acht de regeling uitvoerbaar.

Administratieve lasten

De administratieve lasten die gemoeid zijn met de uitvoering van deze regeling betreffen:

  • (a) incidentele administratieve lasten:

    • het opstellen van de kwaliteitsagenda

    • eventuele kosten voor bezwaar en beroep

  • (b) vaste administratieve lasten:

    • het voeren van (voortgangs)gesprekken met de adviescommissie

    • het rapporteren over de voortgang en resultaten en het verantwoorden van de besteding van de bekostiging in de jaarverslaggeving

Bij de eerste tranche kwaliteitsafspraken werden de incidentele kosten geraamd op circa € 507.600 voor de periode 2015 tot en met 2018 voor de gehele mbo-sector, of gemiddeld € 7.357 per instelling. De vaste administratieve lasten werden vier jaar geleden geraamd op circa € 217.350 per jaar voor de gehele mbo-sector. Dit komt neer op gemiddeld € 3.150 per jaar per instelling.

Ten opzichte van de eerste tranche kwaliteitsafspraken zijn er met de nieuwe regeling minder administratieve lasten gemoeid aangezien nu slechts één integraal plan (kwaliteitsagenda) hoeft te worden opgesteld en hierover ook slechts eenmaal per jaar integraal gerapporteerd wordt terwijl bij de vorige tranche verschillende plannen op verschillende momenten werden gevraagd, waarover deels ook afzonderlijk gerapporteerd diende te worden. De planning en rapportage kan onder het nieuwe regime volledig geïntegreerd worden in de planning en control cyclus van de instellingen.

Artikelsgewijze toelichting

Artikel 2 Toepassing Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS

Het betreft het verstrekken van aanvullende middelen op grond van artikel 2.2.3 van de Wet educatie en beroepsonderwijs (hierna: WEB). Ingevolge artikel 9.3 van de Kaderregeling subsidies OCW, SZW en VWS (hierna: kaderregeling) is die regeling van toepassing op subsidieverstrekking door de minister op grond van onder meer artikel 2.2.3 van de WEB of de daarop gebaseerde regelingen. Daarom is voornoemde kaderregeling van toepassing op onderhavige regeling, met die aantekening dat ingevolge artikel 9.1, eerste lid, van de kaderregeling op bekostigde onderwijsinstellingen, waarop de Regeling jaarverslaggeving onderwijs van toepassing is, de hoofdstukken 7 en 8 niet van toepassing zijn.

Artikel 3 Te subsidiëren activiteiten

In navolging van de Regeling kwaliteitsafspraken mbo (die betrekking heeft op de jaren 2015 tot en met 2018) wordt met deze regeling voor de jaren 2019 tot en met 2022 aan een instelling een aanvulling op de bekostiging verstrekt ten behoeve van activiteiten die erop zijn gericht de kwaliteit van het middelbaar beroepsonderwijs dat door de instelling wordt verzorgd, te verhogen. Het gaat daarbij om kwaliteit in de brede zin van het woord: het gaat niet alleen om de onderwijs- en examenkwaliteit, maar ook de afstemming met en in de regio. Wel wordt de reikwijdte van de regeling ingeperkt, doordat deze regeling ziet op de kwaliteit van beroepsopleidingen (middelbaar beroepsonderwijs) en niet op het voortgezet onderwijs dat de agrarische opleidingscentra dan wel de scholengemeenschappen aanbieden alsmede de opleidingen voortgezet algemeen volwassenenonderwijs (vavo) verzorgd door een regionale opleidingencentrum.

De aanvulling op de bekostiging bestaat voor een instelling uit twee separate budgetten:

  • een investeringsbudget, waarvan een derde deel bestemd is voor de ambities ten behoeve van de landelijke speerpunten die in bijlage 1 genoemd zijn; en

  • een resultaatafhankelijk budget.

Artikel 4 Subsidieplafond

Voor de kwaliteitsafspraken is op de begroting van OCW voor de periode 2019 tot en met 2022 in totaal een budget van € 1,6 mld. opgenomen. Bij de voorjaarsnota 2018 zijn de budgetten van de regelingen schoolmaatschappelijk werk (€ 15 mln. vanaf 2019) en de regeling gelijke kansen/doorstroom mbo-hbo (€ 7,5 mln. vanaf 2020) aan het investeringsbudget toegevoegd. Deze toevoeging betekent dat de mbo-instellingen zich vanaf 2019 respectievelijk 2020 niet meer afzonderlijk en specifiek hoeven te verantwoorden over de onderwerpen uit de genoemde regelingen. Tegelijkertijd is deze toevoeging in lijn met het uitgangspunt dat de horizontale dialoog met regionale partners als gemeenten en aansluitend onderwijs wordt versterkt. Daarbij hoort uiteraard dat de mbo- instellingen naar deze partners transparant zijn over hun prestaties. De uitvoeringskosten en de kosten voor de adviescommissie zijn reeds in mindering gebracht op de beschikbare middelen voor het investeringsbudget.

Vervolgens is het totale budget onderverdeeld in een met de sector overeengekomen ratio van 25% van het totaal als resultaatafhankelijk budget en 75% van het totaal als investeringsbudget.

Gelet op al het voorgaande zijn de beschikbare bedragen voor het investeringsbudget jaarlijks verschillend, te weten:

  • voor 2019 € 381 mln;

  • voor 2020 € 430 mln;

  • voor 2021 € 230 mln;

  • voor 2022 € 230 mln.

Het resultaatafhankelijke budget is voor zowel het kalenderjaar 2021 als het kalenderjaar 2022 hetzelfde, namelijk € 200 mln.

Artikel 5 Wijze van verdeling aanvullende middelen

Indien de minister ten aanzien van een instelling heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda kwalitatief onvoldoende is, komt de instelling niet in aanmerking voor zowel het investerings- als het resultaatafhankelijk budget.

Het investeringsbudget wordt jaarlijks op eenzelfde wijze verdeeld over de instellingen, waarvan de minister op grond van artikel 8 heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is. De verdeling vindt als volgt plaats.

Investeringsbudget

De verdeling van het investeringsbudget volgt voor twee derde deel de systematiek van de rijksbijdragedelen, zoals berekend op grond van artikel 2.2.1, eerste lid, van het Uitvoeringsbesluit WEB. Met ingang van het kalenderjaar 2019 is voor de berekening van de rijksbijdrage één landelijk budget beschikbaar voor de exploitatiekosten en de huisvestingskosten voor al het beroepsonderwijs (incl. het beroepsonderwijs binnen agrarische opleidingscentra dat voorheen een eigen landelijk budget kende, welke vastgesteld werd door de minister van Economische Zaken).

Deze rijksbijdragedelen bestaan uit zowel de rijksbijdrage voor de exploitatiekosten als de huisvestingskosten voor de entreeopleiding, de basisberoepsopleiding, de vakopleiding, middenkaderopleiding alsmede specialistenopleiding. De overgangsbekostiging in verband met het afschaffen van de zogenaamde cascadebekostiging2 wordt niet meegenomen in de berekening van het investeringsbudget.

Een derde deel van het budget wordt verdeeld naar rato van het aantal studenten dat is ingeschreven op 1 oktober van het tweede kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarvoor een aanvulling op de bekostiging wordt verstrekt (t-2) in de basisberoepsopleiding (mbo-niveau 2). De verdeling vindt alleen plaats over de instellingen, waarvan de minister op grond van artikel 8 heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is. Indien een kwaliteitsagenda niet kwalitatief voldoende was, wordt de betreffende instelling dus niet meegenomen in de jaarlijkse verdeling van de middelen voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022.

Resultaatafhankelijke budget

De verdeling van het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2021 vindt plaats naar rato van de rijksbijdragedelen, zoals berekend op grond van het Uitvoeringsbesluit WEB. Maar ook daarbij geldt dat de verdeling alleen plaats vindt over de instellingen, waarvan de minister op grond van artikel 8 heeft geoordeeld dat de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is.

Voor het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2022 geldt dat dit verhoogd wordt met het budget voor het kalenderjaar 2021 dat uiteindelijk naar aanleiding van zowel de midterm review als de eindbeoordeling niet uitgekeerd is aan een instelling. Het resultaatafhankelijke budget wordt naar rato van de rijksbijdragedelen, zoals berekend op grond van het Uitvoeringsbesluit WEB, verdeeld over de instellingen, waarvan de minister op grond van artikel 11 geoordeeld heeft dat de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende zijn.

Voorbeeld: De minister heeft geoordeeld dat 50 instellingen van de 66 een kwalitatief voldoende kwaliteitsagenda hebben ingediend. Voor het gemak wordt ervan uitgegaan dat elke instelling een gelijk deel aan rijksbijdrage ontvangt.

 

Voor het kalenderjaarjaar 2021 wordt het resultaatafhankelijke budget van € 200 mln. daarom verdeeld over 50 instellingen, zijnde € 4 mln. per instelling. Van die 50 instellingen wordt bij de midterm review geoordeeld dat 10 instellingen onvoldoende voortgang hebben laten zien. In 2021 krijgen daarom 40 instellingen een bedrag van € 4 mln. per instelling. Bij de eindbeoordeling blijkt dat de 40 instellingen die een voldoende midterm review hadden er 35 instellingen kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende hebben uitgevoerd. Van de 10 instellingen die de midterm review niet gehaald hebben, hebben alsnog 5 instellingen bij de eindbeoordeling laten zien dat ze uiteindelijk de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende hebben uitgevoerd.

 

Bij het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2022 van € 200 mln. wordt daarom opgeteld: 5 instellingen x € 4 mln. = 20 mln. Dat is een totaal van € 220 mln. voor het jaar 2022 dat verdeeld wordt over 40 instellingen (35 instellingen die zowel bij de midterm review als de eindbeoordeling een voldoende scoorde als de 5 instellingen die alleen bij de eindbeoordeling een voldoende kregen) wat uitkomt op € 5,5 mln. per instelling.

De 35 instelling die zowel bij de midterm review als de eindbeoordeling een voldoende hadden, ontvangen voor het jaar 2021 € 4 mln. (uitbetaald 2021) en het jaar 2023 € 5,5 mln. (uitbetaald 2023).

 

De 5 instellingen die bij de midterm review een onvoldoende hadden, maar bij de eindbeoordeling een onvoldoende hadden krijgen in 2023 € 9,5 mln. (€ 4 mln. voor het jaar 2021 + € 5,5 mln. voor het jaar 2022) uitbetaald.

De 5 instellingen die bij de midterm review een voldoende hadden, maar bij de eindbeoordeling een onvoldoende krijgen voor het jaar 2022 geen resultaatsafhankelijk budget.

En de 5 instellingen die zowel bij de midterm review als de eindbeoordeling een onvoldoende scoorden, krijgen in zijn geheel geen resultaatsafhankelijk budget.

De uitkomst van de berekening wordt rekenkundig afgerond op hele euro’s.

Indien een instelling de bekostigingsgegevens voor enig jaar te laat heeft ingediend is voor het vaststellen van het rijksbijdragedelen artikel 2.2.5 van het Uitvoeringsbesluit WEB van toepassing. Voor het aantal ingeschreven studenten in de basisberoepsopleiding wordt bij te late indiening van de bekostigingsgegevens gebruik gemaakt van het aantal ingeschreven studenten op 1 oktober van het derde kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar, waarvoor een aanvulling op de bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 6 Kwaliteitsagenda

Om in aanmerking te komen voor de aanvullende bekostiging moet een instelling een aanvraag indienen. Deze aanvraag gaat in de vorm van een kwaliteitsagenda. De instelling zal in haar kwaliteitsagenda gemotiveerd vast moeten leggen wat haar concrete ambities zijn, die zij de aankomende vier jaar wil bereiken alsmede wat de uitgangspositie is (nulmeting) ten aanzien van deze ambities is bij het opstellen van de kwaliteitsagenda. Voorts zal de instellingen moeten definiëren wat haar werkgebied is. Het werkgebied kan per instelling en type instelling verschillen. Aan de hand van dit werkgebied moet de instelling aangeven welke ontwikkelingen in dit gedefinieerde werkgebied van belang zijn voor haar kwaliteitsagenda. In elk geval zal daarbij ingegaan moeten worden op ontwikkelingen ten aanzien van het arbeidsmarktperspectief.

Ten aanzien van de gestelde ambities beschrijft de instelling welke maatregelen in elk geval genomen moeten worden om deze te bereiken en hoe zij de aanvullende bekostiging daarvoor gaat inzetten. Een meerjarenbegroting maakt daarmee onderdeel uit van de kwaliteitsagenda.

In bijlage 1 bij deze regeling zijn drie landelijke speerpunten benoemd. De instelling besteedt in de kwaliteitsagenda in elk geval aandacht aan de in bijlage 1 genoemde landelijke speerpunten. De instelling zal daarbij een kwantitatieve en kwalitatieve analyse moeten maken waarvoor de benodigde elementen eveneens in bijlage 1 zijn vermeld. Aan de hand van deze analyse formuleert de instelling ambities en neemt de maatregelen op die nodig zijn om die te bereiken. Omdat een derde van het investeringsbudget specifiek bestemd is voor de landelijke speerpunten maakt de instelling in de kwaliteitsagenda inzichtelijk hoe zij voor deze ambities een derde deel van het investeringsbudget gaat inzetten.

Als de instelling ten aanzien van één van deze landelijke speerpunten geen ambities opneemt, dient de instelling in de kwaliteitsagenda uit te leggen waarom zij besloten heeft dat niet te doen.

Een ander onderdeel van de kwaliteitsagenda is een beschrijving op welke wijze interne (studenten, ouders, docenten, personeel) en externe stakeholders (andere onderwijsinstellingen en scholen, bedrijven, organisaties, gemeenten etc.) betrokken zijn bij het opstellen van de kwaliteitsagenda. Daarbij dient ook aangegeven te worden in hoeverre er draagvlak bij deze stakeholders bestaat over de gemaakte keuzes.

Daarnaast zal, als onderdeel van deze kwaliteitsagenda, een aoc haar ontwikkelperspectief moeten onderbouwen met het oog op de doelmatige organisatie van het onderwijs en de uitdagingen waarvoor het aoc zich de aankomende jaren gesteld gaat zien door demografische ontwikkelingen en de daarmee samenhangende studentenaantallen. Bij dit ontwikkelperspectief zal de mogelijkheid van samenwerking met andere instellingen middels bijvoorbeeld een samenwerkingscollege of fusie meegenomen dienen te worden. Gelet op de demografische ontwikkelingen zullen veelal alle aoc’s zich op de langere termijn gesteld zien voor nieuwe uitdagingen en zal een tijdige reflectie op de ontwikkelingsmogelijkheden van de instelling hen daarbij kunnen helpen. Door de benodigde maatregelen tijdig in te zetten, wordt voorkomen dat de kwaliteit die onder meer met de kwaliteitsagenda wordt ingezet onder druk komt te staan.

De kwaliteitsagenda moet uiterlijk op 31 oktober 2018 elektronisch zijn ingediend via de website van de commissie: http://www.ckmbo.nl/.

Omdat de aanvullende bekostiging verdeeld wordt naar rato van de rijksbijdrage over de instellingen, waarvan is geoordeeld dat de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is, dient op een bepaald moment duidelijk te zijn welke instellingen voldoen en aanspraak maken. Om die berekening te kunnen doen en alle benodigde gegevens daarvoor tijdig te hebben, is het noodzakelijk dat alle kwaliteitsagenda’s uiterlijk op 31 oktober 2018 ontvangen te zijn. Dit geeft voldoende tijd voor met name de commissie om de kwaliteitsagenda’s te beoordelen en – indien noodzakelijk – een instelling nog de gelegenheid te geven de kwaliteitsagenda bij te stellen. Indien een kwaliteitsagenda na 31 oktober 2018 ontvangen is, kan deze worden afgewezen. In dat geval komt de instelling niet in aanmerking voor aanvullende bekostiging op grond van deze regeling. De datum van 31 oktober 2018 is daarmee een cruciale datum.

Artikel 7 Adviescommissie

Er wordt een onafhankelijke adviescommissie ingesteld die ten aanzien van de ingediende kwaliteitsagenda’s mij zal adviseren of deze kwaliteitsagenda’s kwalitatief voldoende zijn. De adviescommissie zal ondersteund worden door een secretariaat.

De commissie stelt daarnaast op drie momenten, te weten in 2019 (beoordeling kwaliteitsagenda’s), 2021 (voortgang op basis van midterm review) en 2023 (eindresultaten op basis van de eindbeoordeling) een integrale rapportage op waarin het landelijk beeld van de voortgang en/of resultaten van de kwaliteitsafspraken. Deze integrale rapportage wordt door de commissie aan de minister toegezonden.

Artikel 8 Beoordeling van de kwaliteitsagenda

De adviescommissie beoordeelt of de kwaliteitsagenda voldoet aan hetgeen gesteld is in deze regeling. Zo zal gekeken worden of alle verplichte onderdelen zijn opgenomen in de kwaliteitsagenda. Indien de kwaliteitsagenda voldoet aan hetgeen gesteld is in deze regeling beoordeelt de adviescommissie vervolgens of de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is. Deze beoordeling wordt gedaan op grond van het beoordelingskader dat is opgenomen in bijlage 2 bij deze regeling.

Als de adviescommissie het noodzakelijk acht licht de instelling de kwaliteitsagenda toe. Dit gebeurt op verzoek van de adviescommissie.

Voorts informeert de adviescommissie de instelling uiterlijk op 31 maart 2019 over haar voorlopig advies over de kwaliteitsagenda. Op basis van dit advies kan de instelling de kwaliteitsagenda aanpassen indien het voorlopig advies inhoudt dat de kwaliteitsagenda onvoldoende wordt bevonden. De aangepaste kwaliteitsagenda dient uiterlijk op 1 mei 2019 te worden toegezonden aan de adviescommissie. Op uiterlijk 14 juni 2019 brengt de adviescommissie haar advies uit over alle kwaliteitsagenda’s. Met inachtneming van het advies van de commissie besluit de minister vervolgens uiterlijk 1 augustus 2019 na ontvangst van voornoemd advies of een kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende is. Indien het oordeel is dat de kwaliteitsagenda onvoldoende is, komt de betreffende instelling niet in aanmerking voor zowel het investeringsbudget als het resultaatafhankelijke budget. Bij een voldoende oordeel wordt het investeringsbudget voor de kalenderjaren 2019 tot en met 2022 jaarlijks verstrekt aan de betreffende instellingen. Op basis van de kaderregeling wordt veelal bij het toekennen van een subsidie op aanvraag eerst middels een beschikking een subsidie verleend (verleningsbeschikking), waarna na afronding van de activiteiten aan de hand van de ingediende verantwoording het subsidiebedrag wordt vastgesteld.

De bekostigingssystematiek in het mbo gaat echter uit van direct vaststellen. Om die reden wordt het investeringsbudget zonder verleningsbeschikking jaarlijks vastgesteld in september voorafgaand aan het jaar waarop het investeringsbudget ziet (overeenkomstig de rijksbijdrage), met uitzondering van het investeringsbudget voor het kalenderjaar 2019 dat uiterlijk in september 2019 zal worden vastgesteld. Voornoemde besluit zal aan de instellingen worden toegezonden.

Artikel 9 Bijstellen kwaliteitsagenda

Indien omstandigheden daartoe aanleiding geven, kan de instelling een goedgekeurde kwaliteitsagenda bijstellen. Daartoe kan de instelling op ieder moment een melding doen bij de minister. Bij melding tot wijziging wordt altijd advies gevraagd aan de commissie. Op grond daarvan zal de minister een besluit nemen over bijstelling van de kwaliteitsagenda. Instemming van de minister met deze bijstelling is noodzakelijk, wil de midterm review of de eindbeoordeling plaatsvinden op basis van deze gewijzigde kwaliteitsagenda. Indien de instemming ontbreekt vinden beide beoordelingen plaats op basis van de oorspronkelijke, als voldoende geoordeelde, kwaliteitsagenda.

Indien sprake is van een fusie van twee of meerdere instellingen zal mogelijk een bijgestelde kwaliteitsagenda ter beoordeling ingediend moeten worden. De ‘nieuwe’ instelling zal dan op basis van één bijgestelde kwaliteitsagenda beoordeeld worden.

Artikel 10 Midterm review

De resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda worden in het kalenderjaar 2021 tussentijds beoordeeld door de adviescommissie (midterm review). De adviescommissie zal uiterlijk 1 oktober 2021 de minister adviseren over deze voortgang per instelling. De beoordeling vindt plaats aan de hand van het door de instelling ingediende jaarverslaggeving over het kalenderjaar 2020. Als de adviescommissie het noodzakelijk acht licht de instelling de kwaliteitsagenda toe. Dit gebeurt op verzoek van de adviescommissie.

Op grond van artikel 2.5.4 van de WEB wordt de jaarverslaggeving jaarlijks vastgesteld door de instelling over het afgelopen jaar. In de jaarverslaggeving legt de instelling verantwoording af over de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda tot dan toe. Deze jaarverslaggeving dient voor 1 juli 2021 ingediend te worden bij de Dienst Uitvoering Onderwijs (DUO). Niettemin is in het Bestuursakkoord ‘Trots-lef-vertrouwen’ (Kamerstukken II, vergaderjaar 2017–2018, 31 524, nr. 351) met de sector overeengekomen dat de verantwoording ten aanzien van de kwaliteitsagenda al in het voorjaar (in conceptvorm) kan worden toegezonden.

De instelling dient de jaarverslaggeving in voor 1 juli 2021. Indien de jaarverslaggeving niet tijdig door een instelling is ingediend zal dit in principe leiden tot een onvoldoende oordeel en wordt het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2021 voor deze instelling niet vastgesteld. De berekening van de resultaatafhankelijke budgetten vindt evenwel plaats op grond van alle instellingen die een goedgekeurde kwaliteitsagenda hebben en het budget blijft dan ook gereserveerd voor die instelling tot de eindbeoordeling. Het betreffende budget wordt vervolgens alsnog vastgesteld in het jaar 2023 als de eindbeoordeling, bedoeld in artikel 11, voldoende is. Als de eindbeoordeling onvoldoende is, wordt het vrijgevallen budget voor het kalenderjaar 2021 toegevoegd aan het budget voor het kalenderjaar 2022.

In het hiervoor genoemde bestuursakkoord is met de sector overeengekomen dat het resultaatsgerichte budget een beloning is. Om die reden vindt geen verlening van de middelen plaats, maar wordt achteraf bezien of voldaan is. Indien dat het geval is wordt het budget direct vastgesteld en vervolgens uitbetaald. Op die manier hoeven middelen niet teruggevorderd te worden, indien de eindbeoordeling onvoldoende is.

Met inachtneming van het advies van de adviescommissie besluit de minister uiterlijk 11 november 2021 na ontvangst van voornoemd advies of de tussentijdse resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende zijn. Bij een voldoende oordeel wordt vervolgens het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2021, eveneens zonder voorafgaande verleningsbeschikking, vastgesteld. Voornoemde besluit zal aan de instellingen worden toegezonden.

Artikel 11 Eindbeoordeling

Na het jaar 2022 worden de uiteindelijk bereikte resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda beoordeeld door de adviescommissie. Deze beoordeling vindt plaats in het jaar 2023 op grond van de jaarverslaggeving over het kalenderjaar 2022 dat voor 1 juli 2023 is ingediend bij DUO. De instelling dient de jaarverslaggeving in voor 1 juli 2023. Indien de jaarverslaggeving niet tijdig door een instelling is ingediend zal dit in principe leiden tot een onvoldoende oordeel en wordt het resultaatafhankelijke budget voor 2022, en als het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2021 nog niet was verstrekt omdat de tussentijds beoordeling, bedoeld in artikel 10, onvoldoende was ook het budget voor het kalenderjaar 2021, voor deze instelling niet vastgesteld.

Als de adviescommissie het noodzakelijk acht licht de instelling de kwaliteitsagenda toe. Dit gebeurt op verzoek van de adviescommissie.

De adviescommissie adviseert de minister uiterlijk op 1 oktober 2023 per instelling over de eindbeoordeling, waarna met inachtneming van het advies van de adviescommissie uiterlijk 11 november 2023 na ontvangst van voornoemd advies een besluit wordt genomen of de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda kwalitatief voldoende zijn. Bij een voldoende oordeel wordt het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2022, en voor zover het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2021 niet in dat jaar is vastgesteld (maar doorgeschoven) ook dat resultaatafhankelijk budget, zonder verlening vastgesteld. Bij een onvoldoende oordeel komt de instelling niet in aanmerking voor het resultaatafhankelijk budget.

Voorbeeld 1: Een instelling krijgt bij de tussentijdse beoordeling in het jaar 2021 een onvoldoende, maar bij de eindbeoordeling in 2023 een voldoende oordeel. In dat geval krijgt de instelling in 2021 niet het resultaatafhankelijke budget voor dat kalenderjaar, maar wordt in 2023 zowel het resultaatafhankelijke budget voor zowel het kalenderjaar 2021 als het kalenderjaar 2022 vastgesteld en uitbetaald.

 

Voorbeeld 2: Een instelling krijgt bij de tussentijdse beoordeling in het jaar 2021 een voldoende, maar bij de eindbeoordeling in 2023 een onvoldoende oordeel. In dat geval wordt het resultaatafhankelijk budget voor het kalenderjaar 2021 in 2021 vastgesteld en uitbetaald, maar krijgt de instelling het resultaatafhankelijke budget voor het kalenderjaar 2022 niet. Het budget voor het kalenderjaar 2022 vloeit in plaats daarvan terug naar het totale budget en wordt verdeeld over de instellingen die wel een voldoende beoordeling hadden.

 

Voorbeeld 3: Een instelling krijgt bij zowel de tussentijdse beoordeling in 2021 als de eindbeoordeling in 2023 een onvoldoende oordeel. In dat geval krijgt de instelling zowel voor het kalenderjaar 2021 als het kalenderjaar 2022 niet het resultaatafhankelijke budget. Beide budgetten (voor 2021 en 2022) vloeien terug naar c.q. worden toegevoegd aan het totale resultaatafhankelijke budget voor 2022 en verdeeld over de instellingen die wel een voldoende beoordeling hadden.

Anders dan het investeringsbudget wordt het resultaatafhankelijke budget voor het jaar 2022 dus vastgesteld (en uitbetaald) nadat de activiteiten zijn uitgevoerd waarvoor de aanvullende bekostiging is gekregen. Pas na het kalenderjaar 2022 kan beoordeeld worden of de resultaten van de uitvoering van de kwaliteitsagenda voldoende zijn, om die reden vindt vaststelling van dat budget pas in het jaar 2023 plaats.

Voornoemde besluit zal aan de instellingen worden toegezonden.

Artikel 12 Betaling

De betaling van het investeringsbudget vindt plaats overeenkomstig het betaalritme waarin de bekostiging wordt betaald. Voor het kalenderjaar 2019 betekent dit dat het budget uitbetaald wordt volgens het betaalritme gedurende de resterend maanden van dat jaar.

De betaling van het resultaatafhankelijk budget vindt in één keer plaats binnen tien weken na het vaststellingsbesluit van de minister, bedoeld in artikel 10, (besluit op basis van midterm review) respectievelijk het besluit van de minister, bedoeld in artikel 11 (besluit op basis van eindbeoordeling).

Artikel 13 Informatieverschaffing

De instelling is gehouden om mee te werken aan een door de adviescommissie ingesteld onderzoek dat erop is gericht om mij te adviseren over de kwaliteitsagenda dan wel de resultaten van de uitvoering van die kwaliteitsagenda. Dit kan ertoe leiden dat een instelling bijvoorbeeld nadere inlichtingen moet verschaffen of documenten dient te overleggen. Ook kan de adviescommissie op locatie een onderzoek uitvoeren.

Artikel 14 Besteding

De aanvullende middelen kunnen ook worden besteed aan andere activiteiten waarvoor bekostiging wordt verstrekt.

Artikel 15 Verantwoording

De verantwoording van de aanvullende bekostiging geschiedt in de jaarverslaggeving overeenkomstig de Regeling jaarverslaggeving onderwijs.

Artikel 16 Openbaarmaking

In het kader van transparantie worden de besluiten alsmede de daarbij behorende ingediende kwaliteitsagenda’s en definitieve adviezen van de commissie alsmede de integrale landelijke rapportages van de commissie actief openbaar gemaakt. De besluiten en de bijbehorende adviezen, alsmede de kwaliteitsagenda’s worden pas vier weken na dagtekening van het betreffende besluit openbaar gemaakt. Dit houdt in dat pas met het besluit of een kwaliteitsagenda al dan niet van voldoende kwaliteit is de kwaliteitsagenda en het advies van de commissie gezamenlijk worden gepubliceerd. Een bijgestelde kwaliteitsagenda wordt bij het instemmingsbesluit gepubliceerd. De uitzonderingsgronden en beperkingen voor het openbaar maken van informatie uit de Wet openbaarheid van bestuur zijn van toepassing op deze actieve openbaarmaking.

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, I.K. van Engelshoven


X Noot
2

Bekostiging waarbij rekening wordt gehouden met de verblijfsjaren van studenten in het mbo.