Staatsblad van het Koninkrijk der Nederlanden

Datum publicatieOrganisatieJaargang en nummerRubriekDatum ondertekening
Ministerie van Infrastructuur en MilieuStaatsblad 2017, 305AMvB

Besluit van 23 juni 2017 tot wijziging van het Activiteitenbesluit milieubeheer in verband met de vermindering van emissies van gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw en open teelten

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 23 februari 2017, nr. IENM/BSK-2016/237046, Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, gedaan mede namens Onze Staatssecretaris van Economische Zaken;

Gelet op artikel 6.6, eerste lid, van de Waterwet, de artikelen 8.40 en 8.42 van de Wet milieubeheer en de artikelen 78 en 80, eerste lid, van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (26 april 2017, nr. W14.17.0050/IV );

Gezien het nader rapport van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 15 juni 2017, nr. IenM/BSK-2017/128706 Hoofddirectie Bestuurlijke en Juridische Zaken, uitgebracht mede namens Onze Staatssecretaris van Economische Zaken;

Hebben goedgevonden en verstaan:

ARTIKEL I

Het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt als volgt gewijzigd:

A

Artikel 1.1, eerste lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In alfabetische rangschikking wordt de volgende begripsomschrijving ingevoegd:

werkzame stof:

werkzame stof als bedoeld in artikel 18 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden;

2. De begripsomschrijving van «driftarme dop» komt te luiden:

driftarme dop:

spuitdop, waarvan volgens een bij ministeriële regeling aangewezen testmethode is aangetoond dat deze de drift met ten minste 50% reduceert ten opzichte van de grensdop van de klasse fijn en midden volgens de classificatie van de British Crop Protection Council (931-030-F110 bij 3 bar);

3. De begripsomschrijvingen van «luchtondersteuning» en «venturidop» vervallen.

4. In de begripsomschrijving van «kantdop» wordt de zinsnede «driftarme dop» vervangen door: spuitdop.

B

In artikel 3.57, tweede lid, vervalt de zinsnede «buiten de donkerteperiode».

C

In artikel 3.58, tweede lid, wordt de zinsnede «een ander percentage dan het percentage in het eerste lid, onder b,» vervangen door: een ander percentage dan het percentage in het eerste lid, onder a en b,.

D

Na artikel 3.64 worden de volgende artikelen ingevoegd:

Artikel 3.64a

  • 1. Drainwater, drainagewater of het spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie, dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, wordt voorafgaand aan het lozen door een zuiveringsvoorziening geleid die ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water verwijdert.

  • 2. Het eerste lid is niet van toepassing indien het water na de lozing wordt geleid door een zuiveringsvoorziening die, of een zuiveringtechnisch werk dat, ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water verwijdert.

  • 3. De werking van de zuiveringsvoorziening of het zuiveringtechnisch werk wordt aangetoond volgens een bij ministeriële regeling aangewezen testmethode.

  • 4. De hoeveelheid van het, in het eerste lid bedoelde, water dat wordt geloosd, wordt gemeten en geregistreerd.

  • 5. De resultaten van de metingen en registraties worden gedurende vijf jaren bewaard.

  • 6. Bij ministeriële regeling kunnen nadere regels worden gesteld over het meten en registreren, bedoeld in het vierde lid.

  • 7. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift afwijken van het eerste lid voor lozingen van drainagewater, afkomstig van de teelt waarbij gewassen op materiaal groeien dat in verbinding staat met de ondergrond, indien door kwel of inzijgend water het ondoelmatig is om ten minste 95% van de werkzame stoffen, die bestaan uit organische verbindingen, uit het afvalwater te verwijderen.

Artikel 3.64b

  • 1. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift bepalen dat artikel 3.64a, eerste lid, niet van toepassing is indien naar zijn oordeel aannemelijk is dat uiterlijk op 1 januari 2021 het water, bedoeld in artikel 3.64a, eerste lid, wordt geleid door een collectieve zuiveringsvoorziening die of een collectief zuiveringtechnisch werk dat ten minste 95% van de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen, uit het water verwijdert.

  • 2. Het maatwerkvoorschrift wordt verleend tot de collectieve zuiveringsvoorziening, bedoeld in het eerste lid, is gerealiseerd of tot uiterlijk 1 januari 2021.

E

In artikel 3.70 wordt de zinsnede «de artikelen 3.56 tot en met 3.64» vervangen door: 3.56 tot en met 3.64b.

F

In artikel 3.78, eerste lid, vervalt de zinsnede «binnen een afstand van 14 meter vanaf de insteek van een oppervlaktewaterlichaam».

G

Na artikel 3.78 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.78a

  • 1. Bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen bij de teelt van gewassen en op braakliggend land in de open lucht wordt een techniek gebruikt die een driftreductie bereikt van ten minste 75%, ten opzichte van een bij ministeriële regeling aangewezen referentietechniek.

  • 2. De driftreductie van de techniek, bedoeld in het eerste lid, wordt aangetoond volgens een bij ministeriële regeling aangewezen testmethode.

H

Artikel 3.80 wordt als volgt gewijzigd:

1. In het eerste lid, aanhef, vervalt de zinsnede «in andere gebieden dan de gebieden, genoemd in bijlage 1».

2. Het eerste lid, onderdeel b, komt te luiden:

  • b. ten minste 100 centimeter, indien een techniek wordt gebruikt waarmee een driftreductie wordt bereikt van ten minste 90%, ten opzichte van een bij ministeriële regeling aangewezen referentietechniek, of

3. Het tweede, vijfde en zesde lid vervallen.

4. Het derde tot en met zevende lid worden vernummerd tot tweede tot en met vierde lid.

5. Het derde lid (nieuw) komt te luiden:

  • 3. De teeltvrije zone bedraagt bij de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten:

    • a. ten minste 450 centimeter, of

    • b. ten minste 300 centimeter, indien:

      • 1°. een techniek wordt gebruikt waarmee een driftreductie wordt bereikt van ten minste 90%, ten opzichte van een bij ministeriële regeling aangewezen referentietechniek, of

      • 2°. een biologische productiemethode wordt toegepast.

6. In het vierde lid (nieuw) wordt de zinsnede «het eerste tot en met zesde lid» vervangen door: het eerste tot en met derde lid.

7. Na het vierde lid wordt een lid toegevoegd, luidende:

  • 5. De driftreductie van een techniek, als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, en het derde lid, onderdeel b, onder 1°, wordt aangetoond volgens een bij ministeriële regeling aangewezen testmethode.

I

Na artikel 3.80 wordt een nieuw artikel ingevoegd, luidende:

Artikel 3.80a

  • 1. Tot 1 januari 2021 geldt artikel 3.78a, niet voor de teelt van in opwaartse of zijwaartse richting te bespuiten boomkwekerijgewassen.

  • 2. Tot 1 januari 2021 geldt artikel 3.80, derde lid, niet voor de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten waarbij een teeltvrije zone van 3 meter wordt gehanteerd, en:

    • a. langs het oppervlaktewater een vanggewas is geplaatst dat voldoet aan ministeriële eisen;

    • b. of, gebruik wordt gemaakt van een tunnelspuit.

J

Artikel 3.81 wordt als volgt gewijzigd:

1. in het eerste lid wordt de zinsnede «artikel 3.80, eerste, tweede, vierde lid, onderdelen b en c, zesde en zevende lid,» vervangen door: artikel 3.80, eerste, derde lid, onderdelen a en b, en vierde lid.

2. Het tweede lid vervalt.

3. Het derde en vierde lid worden vernummerd tot tweede en derde lid.

K

Artikel 3.83 komt te luiden:

Artikel 3.83

  • 1. Het gebruik van veldspuitapparatuur is verboden, tenzij:

    • a. de buitenste in gebruik zijnde spuitdop aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam een kantdop is die aan de zijde van het oppervlaktewaterlichaam een verticale of nagenoeg verticale neerwaartse richting van de spuitvloeistof bewerkstelligt, en

    • b. de apparatuur zodanig is ingesteld dat de spuitdoppen zich niet hoger dan 50 cm boven het gewas bevinden.

  • 2. Bij het gebruik van veldspuitapparatuur wordt de spuitdruk geregistreerd door een drukregistratievoorziening.

  • 3. Bij het op- en zijwaarts spuiten van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten met een axiaal- of dwarsstroomspuit, waarbij spuitdoppen worden gebruikt die uitsluitend zijn aangewezen voor het gebruik bij een spuitdruk lager dan 5 bar, wordt de spuitdruk geregistreerd door een drukregistratievoorziening.

  • 4. Een drukregistratievoorziening als bedoeld in het tweede en derde lid, voldoet aan de bij ministeriële regeling gestelde eisen.

  • 5. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is verboden bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde, gemeten op:

    • a. twee meter boven het grondoppervlak bij neerwaartse bespuiting;

    • b. of, een meter boven de gemiddelde boomhoogte bij op- en neerwaartse bespuiting;

    tenzij degene die de gewasbeschermingsmiddelen gebruikt, kan aantonen dat redelijkerwijs niet anders dan door het gebruik van die middelen bij een windsnelheid groter dan 5 meter per seconde een teeltbedreigende situatie kan worden afgewend.

  • 6. Het gebruik van een spuitgeweer dat is voorzien van een werveldop of dat gebruik maakt van een werkdruk van 5 bar of meer is verboden.

  • 7. Het eerste tot en met vijfde lid is niet van toepassing op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen met een overkapte beddenspuit.

  • 8. Het tweede tot en met vierde lid zijn tot 1 januari 2019 niet van toepassing op veldspuitapparatuur die niet is voorzien van een drukregistratievoorziening als bedoeld in die leden.

L

Artikel 3.85, vijfde lid, wordt als volgt gewijzigd:

1. In onderdeel a, wordt «artikel 3.80, eerste, tweede, zesde en zevende lid» vervangen door: artikel 3.80, eerste en vierde lid.

2. In onderdeel b, wordt «artikel 3.80, derde en vierde lid» vervangen door: artikel 3.80, tweede en derde lid.

M

In artikel 3.152, derde lid, onderdeel c, wordt de zinsnede «op spuitdophoogte» vervangen door: op twee meter boven het grondoppervlak.

N

Bijlage 1 vervalt.

O

Het achtste lid van artikel 3.83 vervalt op 1 januari 2019.

ARTIKEL II

De artikelen van dit besluit treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen verschillend kan worden vastgesteld.

Lasten en bevelen dat dit besluit met de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 23 juni 2017

Willem-Alexander

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma

De Staatssecretaris van Economische Zaken, M.H.P. van Dam

Uitgegeven de veertiende juli 2017

De Minister van Veiligheid en Justitie, S.A. Blok

NOTA VAN TOELICHTING

Algemeen

1. Inleiding

Dit besluit wijzigt het Activiteitenbesluit milieubeheer met betrekking tot het gebruik en het lozen van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw. De regels voor agrarische bedrijven worden op twee onderwerpen aangescherpt.

Glastuinbouwbedrijven dienen afvalwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, te zuiveren. In de open teelten worden de teeltvrije zones van enkele gewassen verbreed en moeten verdergaande driftreducerende technieken worden toegepast.

Tevens wordt een vereenvoudiging van het besluit doorgevoerd, door vervanging van enkele middelvoorschriften door doelvoorschriften. Naar aanleiding van de inspraak op het ontwerpbesluit maakt dit besluit het mogelijk om bij maatwerkvoorschrift toe te staan dat de lichtemissie vanuit de kassen van glastuinbouwbedrijven meer of juist minder wordt gereduceerd dan in het Activiteitenbesluit milieubeheer is voorgeschreven.

2. Aanleiding voor het besluit

De maatregelen zijn aangekondigd in de Kabinetsnota «Gezonde Groei, Duurzame Oogst; tweede Nota duurzame gewasbescherming» (verder: nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst)1.

De evaluatie van de (eerste) Nota duurzame gewasbescherming laat zien dat er veel is bereikt2. De risico’s van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn verminderd. Het water is schoner geworden. De concurrentiekracht van de land- en tuinbouwsector is door het gewasbeschermingsbeleid niet verminderd. Desondanks zijn niet alle doelen bereikt.

Waterbeheerders constateren overschrijdingen van de waterkwaliteitsnormen uit de Kaderrichtlijn Water op meer dan de helft van de meetlocaties in oppervlaktewater. Uit monitoringsresultaten blijkt dat deze overschrijdingen van waterkwaliteitsnormen in heel Nederland voorkomen, maar vooral in gebieden met glastuinbouw, bloembollen, fruitteelt en sommige gewassen in de open teelt3.

De nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst kondigt daarom aan dat het afvalwater van glastuinbouwbedrijven dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, moet worden gezuiverd. Deze bedrijven zouden emissies ook moeten beperken door de toediening van gewasbeschermingsmiddelen af te stemmen op het tijdstip van lozing en door hergebruik van het filterspoelwater (spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie) dat met gewasbeschermingsmiddelen is verontreinigd. In de open teelten zouden technieken moeten worden toegepast die de drift (verwaaiing) van gewasbeschermingsmiddelen op het gehele landbouwperceel reduceren met ten minste 75%. Voor de gewassen gras, graszaad en granen (haver, rogge, spelt, teff, triticale, vlas, zomer- en wintertarwe, zomer- en wintergerst) is een verdubbeling van de teeltvrije zone voorzien tot ten minste 50 centimeter. Tevens zet de nota in op een vereenvoudiging van regelgeving, door het stellen van eenduidige en heldere gebruiksvoorschriften.

Na bespreking van de nota met de Tweede Kamer zijn twee moties ingediend.

Ten aanzien van de glastuinbouw vraagt de motie Dik-Faber van 12 maart 2014 de regering via een pilot te onderzoeken hoe tot verdere kostenbeheersing van de zuivering van het afvalwater van glastuinbouwbedrijven kan worden gekomen (Kamerstukken II 2012–2013, 27 858, nr. 254). De motie Bosman/Lodders van 18 maart 2014 verzoekt de regering om samen met de glastuinbouw en de waterbeheerders te zoeken naar een realistische tijdsplanning, om het afvalwater van glastuinbouwbedrijven zodanig te zuiveren dat normoverschrijdingen van gewasbeschermingsmiddelen in lokaal oppervlaktewater worden teruggebracht (Kamerstukken II 2013–2014, 27 858, nr. 259).

Over de uitvoering van beide moties hebben de ministeries van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken bestuurlijk afspraken gemaakt met de brancheorganisatie voor de glastuinbouw LTO Glaskracht Nederland, het College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (verder: Ctgb), de brancheorganisatie voor de gewasbeschermingsmiddelenindustrie Nefyto, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen. Deze afspraken in het «Hoofdlijnenakkoord waterzuivering glastuinbouw»4 kunnen als volgt worden samengevat:

  • De belasting van het oppervlaktewater als gevolg van het lozen van afvalwater met gewasbeschermingsmiddelen door de glastuinbouw moet sterk worden teruggedrongen.

  • De datum waarop glastuinbouwbedrijven op grond van de milieuwetgeving moeten beschikken over een functionerende zuiveringsvoorziening wordt, rekening houdend met zowel de milieubelangen als de economische en praktische haalbaarheid, verschoven van 1 januari 2016 naar 1 januari 2018.

  • In de milieuwetgeving (Activiteitenbesluit milieubeheer) zal een zuiveringsrendement worden voorgeschreven van ten minste 95%.

  • Het Ctgb en de beide ministeries spannen zich, elk binnen zijn bevoegdheden, verantwoordelijkheden en juridische mogelijkheden, maximaal in om bij een (her)beoordeling van een gewasbeschermingsmiddel rekening te houden met de afspraken uit het Hoofdlijnenakkoord waterzuivering glastuinbouw (synchronisatie milieubeleid en toelatingsbeleid).

  • Om te komen tot een verdere beheersing van de zuiveringskosten, zijn vier acties afgesproken. Eén van die acties is, dat het bevoegd gezag collectieve zuiveringen of aanpassing van riool-/afvalwaterzuiveringsinstallaties mag faciliteren door waar nodig meer tijd te bieden voor het voldoen aan de zuiveringsverplichting, met een maximum van drie jaar (tot uiterlijk 1 januari 2021).

Deze laatste afspraak is in bestuurlijk overleg tussen het ministerie van Infrastructuur en Milieu, LTO Glaskracht Nederland, Unie van Waterschappen en het Hoogheemraadschap van Delfland nader ingevuld. Afgesproken is om een initiatief tot aanleg en realisatie van een collectieve zuiveringsvoorziening op de afvalwaterzuiveringsinstallatie «Nieuwe Waterweg» te Hoek van Holland – en eventuele vergelijkbare initiatieven – in dit besluit te faciliteren. Dit initiatief wordt door het Hoogheemraadschap en een aantal glastuinbouwbedrijven in zijn beheersgebied ontwikkeld.

Dit besluit geeft uitvoering aan deze afspraken, voor zover die wijziging van wetgeving vereist.

Het is van belang te bezien of de zuivering van afvalwaterstromen niet leidt tot onnodige stapeling van voorschriften in het Activiteitenbesluit milieubeheer. De huidige regels voor substraatteelt omvatten namelijk een aantal middelvoorschriften (hergebruik drainwater en gebruik natriumarm gietwater) die hetzelfde doel beogen als de verplichting om het afvalwater te zuiveren – het minimaliseren van de emissies naar het oppervlaktewater. Het kan wenselijk zijn om deze middelvoorschriften te vervangen door een doelvoorschrift, zoals een zuiveringsverplichting. Het eventueel aanpassen van die voorschriften vindt echter niet in dit besluit plaats, maar maakt onderdeel uit van de stelselherziening van het omgevingsrecht. Bij de totstandkoming van het Besluit activiteiten leefomgeving worden alle regels voor de glastuinbouw in samenhang beschouwd, en kan in overleg met de doelgroepen worden besloten welke regels worden aangepast.

3. Hoofdlijnen van het besluit

Het besluit beoogt een verdere verduurzaming van de gewasbescherming door algemene regels te stellen, die technisch haalbaar en financieel betaalbaar zijn voor de betreffende sector.

De vermindering van de emissies van gewasbeschermingsmiddelen is van belang voor het realiseren van de waterkwaliteitsdoelstellingen op grond van de Kaderrichtlijn Water. Voor de kwaliteit van het oppervlaktewater bevat de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst twee doelstellingen. Voor de ecologische kwaliteit van het oppervlaktewater is de doelstelling uitgedrukt als een afname van het aantal overschrijdingen van de milieukwaliteitsnormen. De tweede doelstelling geldt specifiek voor de kwaliteit van het oppervlaktewater dat is bestemd voor de drinkwaterbereiding. Die doelstelling is uitgedrukt als een afname van het aantal overschrijdingen van de drinkwaternorm.

tabel 1: doelstellingen kwaliteit oppervlaktewater
 

2018

2023

aantal overschrijdingen van milieukwaliteitsnormen

afname 50%

afname 90%

aantal overschrijdingen van drinkwaternormen

afname 50%

afname 95%

De reductiepercentages zijn gerelateerd aan het referentiejaar 2013.

Een andere doelstelling is de vereenvoudiging van regelgeving5. Daardoor wordt de praktische uitvoerbaarheid en vervolgens de naleving door de toepasser van gewasbeschermingsmiddelen verbeterd. Tevens maakt de introductie van doelvoorschriften het mogelijk slagvaardiger in te spelen op innovaties. De mate van milieubescherming vermindert daardoor niet.

4. Bestaande voorschriften nationale wetgeving

Voor glastuinbouwbedrijven zijn de voorschriften voor gewasbeschermingsmiddelen sinds de inwerkingtreding van het Lozingenbesluit WVO glastuinbouw (november 1994) niet wezenlijk gewijzigd. De huidige voorschriften voor gewasbescherming in het Activiteitenbesluit milieubeheer bevorderen het hergebruik van grondstoffen, zoals het hergebruik van overtollig gietwater (artikelen 3.66 respectievelijk 3.71 Activiteitenbesluit). Sanering van de restlozing gebeurt door aansluiting op gemeentelijke riolering, voor zover die binnen redelijke afstand van het perceel is gelegen en de capaciteit daarvan toereikend is (artikel 3.63 Activiteitenbesluit). Tevens moeten goede landbouwpraktijken worden toegepast, zodat de lozing van percolatiewater of met gewasbeschermingsmiddelen verontreinigd hemelwater (de zogenoemde «first-flush») in de bodem, gemeentelijke riolering of het aquatisch milieu wordt voorkomen (artikel 3.60 Activiteitenbesluit).

Voor bedrijven met een open teelt schrijft de regelgeving voor dat teeltvrije zones worden aangehouden, gemeten vanaf het midden van het gewas tot de insteek van het oppervlaktewater. De breedte van de zones varieert tussen 900 en 25 centimeter. De teeltvrije zone bedraagt voor appelen, peren en overige pit- en steenvruchten ten minste 900, 600, 450 of 300 centimeter, afhankelijk van de gebruikte driftreducerende techniek. Voor aardappelen, bloembollen en andere laaggroeiende gewassen is die zone ten minste 150, 100, 50 of 0 centimeter, afhankelijk van de gebruikte driftreducerende technieken of teeltwijze. Langs bepaalde oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen in het Uitvoeringsbesluit meststoffen bedraagt de teeltvrije zone voor elk gewas 500 centimeter. Die breedte moet ook altijd ten minste worden aangehouden voor boomkwekerijgewassen, die in opwaartse of zijwaartse richting bespoten worden. Voor gras, graszaad en granen bedraagt de teeltvrije zone ten minste 25 centimeter en voor alle overige gewassen ten minste 50 centimeter.

Het bevoegd gezag kan in bepaalde situaties bij maatwerkvoorschrift andere teeltvrije zones voorschrijven.

Tevens moeten in de open teelten driftreducerende technieken worden toegepast. Het betreft op dit moment nog specifieke technieken, die volgens onderzoek ertoe leiden dat de depositie van gewasbeschermingsmiddelen op oppervlaktewater met ten minste 50% of 90% wordt gereduceerd6. Toepassing van een bepaalde driftreducerende techniek in de open teelten is toegestaan, indien die in de voorschriften expliciet wordt genoemd, of het bevoegd gezag op basis van een aanvraag heeft beslist dat met toepassing van een niet-genoemde techniek in een concreet geval een ten minste gelijkwaardig niveau aan bescherming van het milieu wordt bereikt (artikel 1.8 van het Activiteitenbesluit milieubeheer).

Bovengenoemde voorschriften zijn opgenomen in de artikelen 3.80 tot en met 3.83 van het Activiteitenbesluit milieubeheer, en technisch uitgewerkt in de artikelen 3.79 tot en met 3.91 van de Activiteitenregeling milieubeheer.

Teeltvrije zones (bufferstroken) zijn multifunctioneel; zij verminderen de drift en afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen naar oppervlaktewater, reduceren de afspoeling van meststoffen en zware metalen en hebben vanaf een bepaalde breedte positieve effecten voor de biodiversiteit en het landschapsbeheer7. Een zone is tevens noodzakelijk als «vangnet», omdat de apparatuur waarmee gewasbeschermingsmiddelen worden toegediend niet altijd en overal de gemeten driftreductie realiseert, als gevolg van bijvoorbeeld normale slijtage of de invloed van externe factoren. Een teeltvrije zone is dan ook een wezenlijk andere soort maatregel dan toepassing van een driftreducerende techniek (apparatuur voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen) die alleen de drift naar oppervlaktewater vermindert.

5. Maatregelen voor een duurzame gewasbescherming

Voorschriften uit het Activiteitenbesluit milieubeheer worden aangescherpt. De maatregelen zijn niet voor alle toepassers van gewasbeschermingsmiddelen identiek, er is rekening gehouden met de specifieke situatie binnen de sectoren. In de maatregelen is daarom onderscheid gemaakt naar het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de glastuinbouw en in de open teelt.

Glastuinbouw

Voor bedrijven (inrichtingen) waar gewassen in een kas worden geteeld of gekweekt wordt voorgeschreven dat het lozen van afvalwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, niet is toegestaan tenzij dat afvalwater wordt gezuiverd.

Het gaat zowel om glastuinbouwbedrijven als om bedrijven met «ondersteunend glas». Laatstgenoemde bedrijven zijn meestal akkerbouw- of tuinbouwbedrijven waarbij de teelt in de kassen ten dienste staat aan de teelt van gewassen in de open lucht. De teelt in een kas ondersteunt de bedrijfsvoering van deze bedrijven, doordat de kas wordt gebruikt voor bijvoorbeeld de opkweek of overwintering van planten.

Zuivering van het te lozen afvalwater kan voor bedrijven met (een relatief klein oppervlakte) ondersteunend glas relatief hogere kosten met zich meebrengen. De lozing op oppervlaktewater of het vuilwaterriool vanuit die kassen kan echter vaak worden vermeden. Bij bedrijven leven vragen over de praktische uitvoerbaarheid daarvan. In doelgroepoverleg is afgesproken dat hierover een informatieve handreiking zal worden opgesteld. Indien het gewas in de grond wordt geteeld, kan de lozing van verontreinigd drainagewater bijvoorbeeld vaak worden voorkomen door de watergift af te stemmen op de gewasbehoefte. Om die behoefte aan te tonen, kan veelal gebruik worden gemaakt van vochtsensoren in de bodem. Aan een aanpak in situaties waarin sprake is van veel bedrijfsvreemd water (kwel en inzijging), wordt nog gewerkt. Ook in een teelt los van de grond (teelt op substraat) kan lozing vaak worden vermeden. Bij teelt in potten op de grond kan bijvoorbeeld na afstemming van de watergift op de gewasbehoefte eventueel overtollig water op een vloer of zeil worden opgevangen en volledig nuttig worden hergebruikt binnen het bedrijf. In die situaties zal een opvangvoorziening voor dat water nodig zijn.

Zuivering kan op dit moment plaatsvinden door ozonisatie van het afvalwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat, of door toepassing van waterstofperoxide in combinatie met een behandeling met ultraviolet licht. Het zuiveringsrendement kan worden verhoogd door gebruik van een koolfilter. In theorie kan daardoor vrijwel een nullozing van gewasbeschermingsmiddelen worden gerealiseerd. Het voorschrift gaat echter uit van een zuiveringsrendement van ten minste 95%8. Dat percentage is in het Hoofdlijnenakkoord (zie hierboven, paragraaf 2) als noodzakelijk voor het beperken van emissie naar de leefomgeving en economisch betaalbaar aangemerkt.

De bovengenoemde voorbeelden van zuiveringstechnieken met waterstofperoxide, ozon en actieve koolstof zijn werkzaam voor het verwijderen van werkzame stoffen in gewasbeschermingsmiddelen die bestaan uit organische verbindingen. Dit zijn de werkzame stoffen, zoals bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, waarbij de term «organisch» aansluit bij dat begrip in de organische chemie. De zuiveringsplicht is niet bedoeld voor anorganische stoffen zoals metalen en evenmin voor micro-organismen die als werkzame stoffen worden ingezet; de zuiveringsvoorzieningen zijn daarvoor technisch niet geschikt. Overigens leidt het gebruik van anorganische stoffen voor zover bekend niet of beperkt tot normoverschrijdingen, zodat een zuiveringsverplichting voor deze stoffen niet aan de orde is.

De benodigde capaciteit van een zuiveringsvoorziening hangt af van de aangeboden hoeveelheid te zuiveren afvalwater. De hoeveelheid afvalwater verschilt op dit moment sterk tussen bedrijven, ook indien zij op vergelijkbare locaties zijn gevestigd en vergelijkbare gewassen telen. Hoe groter de hoeveelheid, hoe groter de benodigde capaciteit en hoe hoger de vaste en variabele zuiveringskosten. Zowel de vaste als de variabele kosten kunnen daarom aanzienlijk worden verlaagd, indien bedrijven de hoeveelheid te zuiveren en te lozen afvalwater minimaliseren. Dit behoeft niet in het besluit te worden voorgeschreven, maar zal onder de aandacht van de bedrijven worden gebracht.

De zuiveringsverplichting is bedoeld voor het afvalwater van het bedrijf, voor zover het gewasbeschermingsmiddelen bevat. Het gaat dan om het drainwater (substraatteelt) en het drainagewater (grondteelt). Indien filters van de waterdoseringsinstallatie met dit afvalwater worden gespoeld, moet ook het zogenoemde filterspoelwater voorafgaande aan lozing worden gezuiverd. Een alternatief voor zuivering is het «hergebruik» van het filterspoelwater, zoals bedoeld op bladzijde 21 van de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst. Het filterspoelwater wordt dan niet geloosd op het vuilwaterriool of oppervlaktewater, maar als voedingswater nuttig toegepast voor de gewassen binnen het bedrijf.

Indien voor het spoelen uitsluitend schoon (hemel)water wordt gebruikt en het filterspoelwater geen gewasbeschermingsmiddelen bevat, is zuivering of hergebruik niet voorgeschreven. Op dit moment wordt aangenomen dat dit afvalwater geen of een verwaarloosbare hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen bevat. Mocht deze aanname onjuist zijn en wel degelijk gewasbeschermingsmiddelen worden geloosd, dan is zuivering of hergebruik wél vereist.

Het voorschrift tot zuiveren van het afvalwater geldt vanaf 1 januari 2018. Het bevoegd gezag kan bij maatwerkvoorschrift een latere datum stellen, indien ten minste twee bedrijven hun afvalwater (met daarin gewasbeschermingsmiddelen) brengen op een voorziening voor gezamenlijke (collectieve) zuivering en vervolgens het gezuiverde afvalwater lozen op oppervlaktewater of het vuilwaterriool. Het zal bij een dergelijke collectieve zuivering gaan om een vast opgestelde zuiveringsvoorziening die wordt geëxploiteerd door een samenwerkingsverband van (glastuinbouw)bedrijven. Een latere ingangsdatum van de collectieve zuiveringsverplichting is gerechtvaardigd omdat vanwege eventuele vergunningprocedures en afstemming tussen betrokkenen de datum van 1 januari 2018 niet altijd haalbaar is.

Indien voor zuivering een mobiele installatie wordt gebruikt die afwisselend op meerdere locaties wordt ingezet, maakt die tijdens het zuiveringsproces onderdeel uit van de betreffende inrichting. Hoewel een mobiele installatie gewoonlijk door meerdere bedrijven wordt geëxploiteerd, is het geen collectieve zuiveringsvoorziening in de zin van artikel 3.64b waarvoor een langere overgangstermijn kan worden verkregen.

Een (collectieve) zuivering moet plaatsvinden vóórdat het afvalwater wordt geloosd op oppervlaktewater of het vuilwaterriool, tenzij de gewasbeschermingsmiddelen uit het stedelijk afvalwater worden gezuiverd door het waterschap.

Onderzocht is of het openbaar vuilwaterriool benut mag worden voor het transport van het te zuiveren afvalwater naar een private collectieve zuiveringsvoorziening. Een private zuiveringsvoorziening in het vuilwaterriool of op de rioolwaterzuiveringsinstallatie is binnen het bestaande wettelijke stelsel echter geen realistische optie. Na lozing van het bedrijfsafvalwater in een openbaar vuilwaterriool, vermengt het zich namelijk met andere afvalwaterstromen en wordt het juridisch «stedelijk afvalwater». Het transport en de zuivering van het stedelijk afvalwater is bij wet opgedragen aan de gemeente respectievelijk het waterschap. Belemmeringen voor aanleg en exploitatie van een private zuiveringsvoorziening in het openbaar vuilwaterriool of de rioolwaterzuiveringsinstallatie zijn voorts dat een wettelijke basis ontbreekt om de kosten van betrokken overheden specifiek toe te rekenen aan de deelnemende bedrijven. Ook ontbreekt een regeling voor het toestaan van, en toezicht houden op een private collectieve zuiveringsvoorziening die in het vuilwaterriool zou zijn aangebracht.

Deze aspecten zijn in mindere mate aan de orde indien een waterschap (als wettelijk aangewezen zuiveringsbeheerder) de collectieve zuiveringsvoorziening realiseert en beheert, waarbij de kosten niet door het waterschap worden gedragen. Eén dergelijke collectieve zuiveringsvoorziening kan milieuvoordelen en kostenvoordelen voor bedrijven hebben boven een fors aantal kleine zuiveringsvoorzieningen, op elk afzonderlijk glastuinbouwbedrijf. Een dergelijke zuiveringsvoorziening – op de afvalwaterzuiveringsinstallatie «Nieuwe Waterweg» te Hoek van Holland – wordt op dit moment onderzocht door het Hoogheemraadschap van Delfland en een aantal glastuinbouwbedrijven in zijn beheersgebied. Dit initiatief, en eventuele vergelijkbare initiatieven, worden in dit besluit gefaciliteerd. Overigens is voor uitvoering ook wijziging van de Waterschapswet nodig, zodat het waterschap zijn kosten op de deelnemende bedrijven kan verhalen. Het ministerie werkt in overleg met betrokken bestuurlijke partijen een dergelijke wijziging uit. Deze wijziging van de Waterschapswet en de realisatie van de collectieve zuivering door het waterschap moeten uiterlijk op 1 januari 2021 gereed zijn. Tot dan kan op grond van artikel 3.64b uitstel worden verleend aan bedrijven voor het zuiveren, indien zij aangesloten zullen worden op een vorm van collectief zuiveren.

Anders dan op bladzijde 21 van de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst werd aangekondigd, wordt niet voorgeschreven dat «wachttijden» moeten worden aangehouden tussen het tijdstip van toediening van gewasbeschermingsmiddelen en het lozen van afvalwater. Achtergrond van deze aangekondigde maatregel is, dat gedurende de wachttijd gewasbeschermingsmiddelen worden afgebroken en een zorgvuldige keuze van het lozingsmoment dus de emissies van gewasbeschermingsmiddelen reduceert. Uitvoering van deze maatregel verdient aanbeveling, maar wordt in dit besluit niet voorgeschreven omdat het betreffende afvalwater al (bijna) volledig moet worden gezuiverd. Daarnaast is van belang dat de jaarkosten van de maatregel (gerelateerd aan de verwachte emissiereductie) betrekkelijk hoog zijn, in situaties dat een bedrijf niet beschikt over een opvangvoorziening met voldoende capaciteit9.

Open teelten

Voor de open teelten worden de voorschriften die aan het einde van paragraaf 4 zijn samengevat, aangepast. De teeltvrije zone voor de teelt van gras, graszaad en granen (haver, rogge, spelt, teff, triticale, vlas, zomer- en wintertarwe, zomer- en wintergerst) wordt met 25 centimeter verbreed naar 50 centimeter.

Daarnaast wordt het middelvoorschrift dat een bepaalde techniek wordt gebruikt – die volgens onderzoek de drift met ten minste 50% vermindert – vervangen door het voorschrift dat maatregelen moeten worden toegepast die de drift verminderen met ten minste 75%. Technieken kunnen worden gecombineerd, zoals een veldspuitapparatuur met een 75%-driftreducerende spuitdop, of veldspuitapparatuur met luchtondersteuning in combinatie met een spuitdop die de drift met 50% reduceert. Op basis van het het meetprotocol Driftreductie Neerwaartse en Zijwaartse Spuittechnieken10 kan het driftreducerend effect van (combinaties van) technieken worden bepaald.

De toepassing van driftreducerende maatregelen beogen niet alleen de bescherming van het oppervlaktewater, maar zullen ook leiden tot vermindering van de (kans op) blootstelling voor omwonenden en passanten van landbouwpercelen. De toepassing van driftreducerende maatregelen op het gehele perceel in plaats van alleen naast oppervlaktewater, is landbouwkundig goed mogelijk en behoeft niet te leiden tot extra nalevingskosten. Gelet op de beginselen van een geïntegreerde gewasbescherming, zoals bedoeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden, dient de driftreductie daarom op het gehele perceel te worden gerealiseerd.

Vereenvoudiging van regelgeving

De voorschriften van het Activiteitenbesluit milieubeheer worden vereenvoudigd door toepassing van doelvoorschriften. In plaats van een opsomming van driftreducerende technieken of zuiveringsvoorzieningen wordt voorgeschreven dat een maatregel moet worden toegepast die de drift of – indien het gaat om een zuiveringsvoorziening – emissie met ten minste een bepaald percentage vermindert. Omdat de daadwerkelijk bereikte reductie moeilijk in de praktijk kan worden geconstateerd (analyses van gewasbeschermingsmiddelen zijn kostbaar en moeten periodiek worden herhaald), wordt voorgeschreven dat die reductie moet worden aangetoond door in representatieve gebruiksomstandigheden metingen uit te voeren volgens de aangewezen testmethoden. De bewijslast ligt bij de toepasser van een gewasbeschermingsmiddel. In de praktijk kan hij daarvoor onderzoeksrapporten van de producent van de techniek of – indien het gaat om de zuivering van afvalwater – zuiveringsvoorziening gebruiken, die met inachtneming van de voorgeschreven of ten minste gelijkwaardige testmethoden zijn opgesteld.

Daarnaast moet de toepasser aantonen dat zijn toepassing overeenkomt met de omstandigheden waaronder de techniek is onderzocht. Die omstandigheden worden gewoonlijk door de producent van de techniek of door de verkoper opgenomen in een zogenoemde systeembeschrijving.

Tevens worden de voorschriften voor de teelt van bloembollen en bloemknollen ingekort, op grond van een afspraak in het doelgroepoverleg, in het Bestuurlijk Overleg Open Teelt en veehouderij. Vanuit het oogpunt van bescherming van het milieu, en gelet op de maatregelen die redelijkerwijs van toepassers van gewasbeschermingsmiddelen mogen worden gevergd, bestaat onvoldoende reden om binnen gebieden waar deze gewassen intensief worden geteeld, andere voorschriften te stellen dan daarbuiten. De voorschriften zijn daarom samengevoegd.

6. Gevolgen van het besluit

In deze paragraaf wordt eerst ingegaan op de financiële betaalbaarheid van de maatregelen in dit besluit. Daarna worden de gevolgen voor administratieve lasten en nalevingskosten benoemd. Tenslotte worden de gevolgen van de maatregelen voor het milieu besproken.

6.1 Financiële betaalbaarheid

Het Landbouw-Economisch Instituut (LEI) heeft de financiële betaalbaarheid onderzocht van de maatregelen, door de jaarkosten van een maatregel uit te drukken als aandeel van het «bedrijfssaldo». Daardoor wordt zichtbaar welk beslag de extra jaarkosten die voortvloeien uit naleving van de maatregel, leggen op de financiële middelen die beschikbaar zijn voor dekking van de vaste kosten van het bedrijf. Het bedrijfssaldo bestaat uit de totale geldopbrengsten van een bedrijf, verminderd met de kosten van zaaizaad, plantgoed, meststoffen, gewasbeschermingsmiddelen, energie- en brandstofverbruik en werk door derden (inclusief uitzendkrachten).

Het percentage saldoverlies dat in een bepaalde situatie financieel betaalbaar wordt geacht, is het resultaat van een politieke of bestuurlijke afweging. In de evaluatie van het gewasbeschermingsbeleid uit de (eerste) Nota duurzame gewasbescherming is uitgegaan van een saldoverlies van ten hoogste één procent, als criterium voor financiële betaalbaarheid. Het criterium maakt de financiële gevolgen voor een type bedrijf inzichtelijk. Met nadruk wordt erop gewezen dat het criterium geen informatie biedt over het percentage bedrijven dat als gevolg van een maatregel in continuïteitsproblemen kan geraken.

Het LEI heeft onderzocht hoeveel procent van de bedrijven (zowel glastuinbouw als open teelten) en van de teeltarealen (alleen glastuinbouw) te maken krijgt met extra jaarkosten die hoger zijn dan dit criterium. Daarbij is de toename van de jaarkosten per bedrijfstype vergeleken met meerjarige gemiddelden van de bedrijfssaldi van de betrokken bedrijfstypen.

Glastuinbouw

In 2014 waren in Nederland 4.788 glastuinbouwbedrijven, met een totale oppervlakte van 9.818 hectaren. Het onderzoek richtte zich op de grootste groep, bestaande uit 3.292 bedrijven met 9.332 hectaren. De andere 1.496 bedrijven (486 hectaren) bestaan uit niet-gespecialiseerde bedrijven, zoals bedrijven waarvan de glastuinbouw niet de hoofdactiviteit vormt, en relatief kleine bedrijven (<2.500 m2glasoppervlak).

Volgens het LEI-onderzoek leidt de invoering van de zuiveringsverplichting voor ongeveer 65% van de bedrijven tot jaarkosten die hoger zijn dan het bovengenoemde criterium11. Het voorschrijven van de zuiveringsverplichting in het Activiteitenbesluit milieubeheer is daarmee een financieel ingrijpende maatregel voor glastuinbouwbedrijven, vergeleken met de gerealiseerde maatregelen uit de (eerste) Nota duurzame gewasbescherming.

Open teelten

In 2014 telden de agrarische sectoren ongeveer 20.000 gespecialiseerde bedrijven en bedrijven die meerdere gewassen telen die tot verschillende sectoren behoren (zoals de combinatie akkerbouw én bollenteelt). Een bedrijf wordt aangemerkt als «gespecialiseerd», indien ten minste tweederde van de geldwaarde van de agrarische activiteiten samenhangt met de teelt van gewassen. Een melkveehouderij die tevens het gewas snijmaïs teelt, is geen gespecialiseerd bedrijf maar is wel meegeteld als akkerbouwbedrijf.

In een aantal gevallen passen aannemers gewasbeschermingsmiddelen toe in opdracht van agrarische bedrijven. Naar schatting betreft het ongeveer 800 aannemingsbedrijven.

Volgens het LEI-onderzoek leiden de maatregelen niet tot jaarkosten die hoger zijn dan het criterium12.

6.2 Administratieve lasten en nalevingskosten

Ten opzichte van bestaande regels nemen de administratieve lasten niet toe. Het besluit gaat niet gepaard met aanvullende informatieverplichtingen jegens de overheid. Bestaande voorschriften met dergelijke verplichtingen worden niet uitgebreid of gewijzigd.

Wel leidt het besluit tot een toename van de nalevingskosten.

Glastuinbouw

De totale zuiveringskosten worden geschat op ongeveer dertig miljoen euro.

Een reden om de maatregel desondanks algemeen voor te schrijven, is dat het Ctgb sinds februari 2014 in zogenoemde toelatingsbesluiten voorschrijft dat een specifiek gewasbeschermingsmiddel niet mag worden gebruikt, tenzij het afvalwater wordt gezuiverd. Deze verplichting is bedoeld om onaanvaardbare effecten voor het milieu als gevolg van het gebruik van dat gewasbeschermingsmiddel te voorkomen en geldt inmiddels voor meerdere gewasbeschermingsmiddelen die noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering van glastuinbouwbedrijven13. In feite wordt in dit besluit de zuiveringsverplichting uit de verschillende toelatingsbesluiten vervangen door een zuiveringsverplichting in een algemene regel.

De tabel geeft het aantal bedrijven, met de kosten die zijn gemoeid met de zuivering van het afvalwater. De vaste en variabele kosten zijn bepaald per bedrijf, in euro’s, per jaar14.

tabel 2: nalevingskosten glastuinbouw (jaarkosten in euro per jaar)

bedrijfsgrootte

aantal bedrijven

vaste kosten

variabele kosten

kosten

0 – 1,5 hectare

2.650

4.900

2–800

14.310.000

1,5 – 5 hectaren

1.325

6.000–7.000

1.400–1.500

10.533.750

> 5 hectaren

441

6.200–8.800

1.400–3.400

4.365.900

 

totale zuiveringskosten:

29.209.650

In de schatting is buiten beschouwing gebleven dat de meeste bedrijven hun afvalwater reeds moeten zuiveren, op grond van voorschriften in toelatingsbesluiten. Evenmin is rekening gehouden met mogelijke (aanzienlijke) kostenreducties als gevolg van vermindering van het volume te zuiveren afvalwater, innovatie en doorontwikkeling in technieken, de inzet van mobiele zuiveringen (vooral op kleinere bedrijven) en het gezamenlijk gebruik van collectieve zuiveringsvoorzieningen.

Open teelten

De totale nalevingskosten voor de open teelten worden geschat op ongeveer een half miljoen euro.

De tabel geeft het aantal spuiten, met de extra nalevingskosten die zijn gemoeid met de toepassing van 75%-driftreducerende technieken. Het aantal spuiten is gebaseerd op keuringsgevens van de stichting Kwaliteitseisen Landbouwtechniek.

tabel 3: nalevingskosten open teelten (in euro per jaar)
 

totaal aantal spuiten

aantal spuiten ≤50%

extra kosten

kosten

akkerbouw

12.237

2.548 (spuitdop)

 

382.200

boomteelt (laag)

   

100–200

 

bloembollen

 

397 (kantdop)

 

59.550

vollegrondgroente

       

boomteelt (hoog)

1.871

408 (spuitdop)

200

81.600

laanbomen

       
 

totale nalevingskosten

523.350

In de schatting is buiten beschouwing gebleven dat gewoonlijk op spuitapparatuur meerdere soorten spuitdoppen per eenheid zijn gemonteerd, waarvan ten minste één de drift met 75% of meer reduceert. De voorschriften leiden in die situatie niet tot extra nalevingskosten, maar de reeds aanwezige driftreducerende spuitdoppen worden dan op een andere manier, meer intensief, gebruikt.

Over de nalevingskosten als gevolg van de verbreding van de teeltvrije zone wordt het volgende opgemerkt.

Een verbreding van de teeltvrije zone van 25 centimeter naar 50 centimeter kost gemiddeld ongeveer 0,3% van de teeltopbrengst van een hectare in de akkerbouw15. De financiële opbrengst verschilt per gewas. In 2014 bedroeg die voor tarwe bijvoorbeeld ongeveer 170 euro per ton en voor brouwgerst ongeveer 185 euro per ton. De teeltopbrengst is ongeveer tien ton per hectare. De kosten zijn sterk afhankelijk van de bedrijfsvoering, maar kunnen dicht liggen bij de financiële opbrengsten.

Volledigheidshalve wordt opgemerkt dat, in aanmerking genomen dat in een teeltvrije zone geen gewas mag worden geteeld en geen meststoffen mogen worden toegediend, de verbreding van de teeltvrije zone direct naast oppervlaktewater leidt tot een verkleining van het oppervlak landbouwgrond waarop meststoffen worden toegediend.

6.3 Gevolgen voor het milieu

Volgens onderzoek leiden de maatregelen in de verschillende agrarische sectoren niet tot het bereiken van de waterkwaliteitsdoelstellingen voor 2018, met uitzondering van de sectoren glastuinbouw en veehouderij (teelt van gras en maïs).

De voortgang op de doelstellingen in de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst zal in 2018 worden geëvalueerd. Op basis van de resultaten van deze tussenevaluatie wordt bezien of nieuwe dan wel bijgestelde maatregelen nodig zijn voor de jaren 2019 tot en met 2023. In 2023 vindt een eindevaluatie plaats16.

De doelstellingen voor het oppervlaktewater zijn geformuleerd als een afname van het aantal overschrijdingen van de waterkwaliteitsnormen. In 2018 moet het aantal normoverschrijdingen met ten minste 50% zijn verminderd, en per 2023 met ten minste 90%. Teneinde (de effecten van) maatregelen te kunnen bepalen, zijn deze waterkwaliteitsdoelstellingen geoperationaliseerd door te berekenen hoever de emissies ten minste moeten verminderen om de doelstellingen te realiseren. De doelstellingen gelden voor de gezamenlijke sectoren, maar zijn in het onderzoek toegespitst op de verschillende agrarische sectoren. Tevens is de verwachte reductie onderzocht, dat is het verwachte effect van uitvoering van de maatregelen op de emissies naar oppervlaktewater, uitgaande van volledige naleving.

De tabel geeft de verwachte emissiereducties als gevolg van de maatregelen in dit besluit, en de emissiereducties die nodig zijn om de waterkwaliteitsdoelstellingen van 2018 en 2023 te bereiken17.

tabel 4: benodigde emissiereductie per 2018 en 2023 en verwachte emissiereductie, in procenten
 

verwachte reductie

benodigde reductie

   

2018

2023

boomkwekerij

50

67

98

fruitteelt

50

80

99,5

bloembollenteelt

47

83

99,3

vollegrondgroente

49

67

98

akkerbouw

51

57

93

veehouderij

54

50

75

glastuinbouw

95

75

99,7

In de tabel blijft buiten beschouwing dat een aantal toepassers nu reeds (combinaties van) technieken hanteert die de drift meer dan 50% reduceren. Dergelijke technieken worden in de praktijk wel gebruikt omdat het Activiteitenbesluit milieubeheer of een toelatingsbesluit van een bepaald gewasbeschermingsmiddel dat voorschrijft, of omdat de toepasser de technieken vrijwillig toepast ter bescherming van mens en milieu. In die gevallen zal de daadwerkelijke reductie lager zijn dan de verwachte reductie.

7. Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van het besluit

De voorschriften voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in dit besluit zijn gebaseerd op verschillende wettelijke grondslagen. Dit heeft gevolgen voor de handhaving. Voor zover dit besluit voorschriften stelt aan een lozing op oppervlaktewater, is de grondslag artikel 6.6 van de Waterwet. Lozingen op het vuilwaterriool worden geregeld in hoofdstuk 10 van de Wet milieubeheer. Het bevoegd gezag voor handhaving is in dat geval de waterbeheerder. In het geval de voorschriften niet zien op een (dreigende) lozing zijn deze gebaseerd op de artikelen 78 en 80 van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden. De Nederlandse Voedsel- en Warenautoriteit is in dat geval bevoegd tot handhaving. De toezichthouders voor deze wet zijn aangewezen in artikel 9.1 van de Regeling gewasbeschermingsmiddelen en biociden.

Deze gedeelde bevoegdheid tot handhaving vloeit voort uit de verschillende wettelijke bepalingen die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen reguleren. In dit besluit worden voorschriften gegeven die gelden voor het hele bedrijf. Hiermee wordt aan de gebruiker van gewasbeschermingsmiddelen duidelijkheid geboden. Het is aan de toezichthoudende instanties om afstemming te zoeken over handhaving van de voorschriften en de uitoefening van de respectievelijke bevoegdheden.

Ten aanzien van de driftreducerende technieken was een begrenzing opgenomen van 14 meter vanaf het oppervlaktewater. Algemeen werd aangenomen dat buiten deze afstand geen sprake was van een (dreigende) lozing waarvoor de waterbeheerder bevoegd was tot handhaving. Inhoudelijk wordt aan dit uitgangspunt geen afbreuk gedaan. Binnen de zone van veertien meter kan nog steeds worden aangenomen dat er sprake is van een (dreigende) lozing waardoor de waterbeheerder in ieder geval bevoegd is. Buiten deze zone zal het van de omstandigheden van het geval afhankelijk zijn of het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen ter plaatse een (dreigende) lozing is. In dat geval zal de waterbeheerder ook buiten de 14 meter zone bevoegd zijn.

De zuivering van het afvalwater vanuit glastuinbouwbedrijven is in dit besluit een nieuwe maatregel, die tot een inhoudelijke wijziging van de taken leidt. Sinds februari 2014 bevatten echter toelatingsbesluiten van specifieke gewasbeschermingsmiddelen de verplichting tot zuivering van afvalwater. Kennis en expertise die sindsdien zijn opgebouwd, kunnen worden benut voor het toezicht op de naleving van dit besluit.

Het gebruik van teeltvrije zones en van driftreducerende technieken wordt sinds een aantal jaren in regelgeving voorgeschreven. Het toezicht op de naleving van die zones en technieken vergt daarom geen andere kennis of expertise dan die waarover de toezichthouder nu al moet beschikken.

8. Relevante Europese regelgeving

De maatregelen dragen bij aan realisering van de waterkwaliteitsdoelstellingen op grond van de Kaderrichtlijn Water18. Doel van deze richtlijn is de vaststelling van een kader voor onder meer de verhoogde bescherming en verbetering van het aquatisch milieu. Daartoe dienen onder meer specifieke maatregelen worden genomen, om lozingen en emissies van verontreinigende stoffen te verminderen. De zuivering van afvalwater vanuit glastuinbouwbedrijven, de toepassing van driftreducerende technieken en van teeltvrije zones zijn dergelijke maatregelen, bedoeld om de lozingen en emissies van gewasbeschermingsmiddelen te voorkomen of te verminderen.

Specifiek voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen kondigde het Europese Zesde Milieuactieprogramma in 2002 een Thematische strategie voor een duurzaam gebruik van pesticiden aan19. Doel van de strategie was een kader «voor de totstandbrenging van een duurzamer gebruik van pesticiden door vermindering van de risico’s en de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu op een manier die verenigbaar is met de noodzakelijke bescherming van de gewassen». Daartoe werd in 2009 de bestaande richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen vervangen door twee verordeningen en twee richtlijnen, waaronder een verordening inzake de toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, een richtlijn over de toelating van machines en een richtlijn over het duurzaam gebruik van die toegelaten middelen en machines.

Verordening (EG) nr. 1107/2009 toelating gewasbeschermingsmiddelen

De toelating tot de Nederlandse markt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen worden gereguleerd door de verordening (EG) nr. 1107/200920. Doel van de verordening is harmonisatie van criteria en procedures voor het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, onder de waarborg van een hoog beschermingsniveau. Daartoe worden gewasbeschermingsmiddelen uniform beoordeeld en indien mogelijk toegelaten op basis van geharmoniseerde criteria en procedures.

Volgens de verordening moet een gewasbeschermingsmiddel aan bepaalde criteria voldoen. Het Ctgb besluit over toelating tot de Nederlandse markt op grond van een beoordeling. In de beoordeling maakt het Ctgb gebruik van Europees geharmoniseerde beoordelingsmethoden. Uitgaande van goede gewasbeschermingspraktijken en realistische gebruiksomstandigheden en rekening houdend met de zogenoemde Uniforme Beginselen, mag het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel niet leiden tot onaanvaardbare gevolgen voor onder meer het milieu. Indien nodig stelt het Ctgb gebruiksvoorschriften om het optreden van onaanvaardbare gevolgen te voorkomen. Deze gebruiksvoorschriften zijn nodig omdat een gewasbeschermingsmiddel anders niet tot de Nederlandse markt kan worden toegelaten, en zijn niet bedoeld om milieudoelstellingen zoals de waterkwaliteitsdoelstellingen op grond van de Kaderrichtlijn Water, te realiseren.

De verordening staat in beginsel niet in de weg aan aanvullende voorwaarden aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen, die in milieuregelgeving worden gesteld met het oogmerk om milieudoelstellingen te bereiken.

Richtlijn 2009/127/EG wijziging Machinerichtlijn

De toelating tot de Nederlandse markt van hulpmiddelen waarmee gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast (zoals spuitdoppen) wordt gereguleerd door de richtlijn 2009/127/EG21. Doel van de richtlijn is harmonisatie van de normen op het gebied van risicopreventie bij het ontwerp en de bouw van machines voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen. Een machine moet onder meer zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat een hoog beschermingsniveau van de gezondheid en veiligheid van personen en van het milieu wordt verkregen. Daartoe stelt de richtlijn voorschriften waaraan machines moeten voldoen alvorens zij in de handel worden gebracht en/of in bedrijf worden gesteld. Deze voorschriften zijn dan ook niet bedoeld om milieudoelstellingen zoals de waterkwaliteitsdoelstellingen op grond van de Kaderrichtlijn Water, te realiseren.

De machinerichtlijn staat er niet aan in de weg, dat in milieuregelgeving het gebruik van een bepaald type machine of hulpmiddel wordt voorgeschreven, met het oogmerk om milieudoelstellingen te bereiken.

Richtlijn 2009/128/EG duurzaam gebruik pesticiden

Het duurzaam gebruik van toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en van toegelaten machines voor toepassing van gewasbeschermingsmiddelen wordt gereguleerd door richtlijn 2009/128/EG22. Doel van deze richtlijn is onder meer de vermindering van de risico’s en effecten van gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de menselijke gezondheid en het milieu. Daartoe worden beperkingen gesteld aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en van machines, die op grond van verordening (EG) nr. 1107/2009 en richtlijn 2009/127/EG op de markt mogen worden gebracht en mogen worden gebruikt. Passende maatregelen moeten worden genomen om een duurzaam gebruik te stimuleren, waaronder ook de zogenoemde geïntegreerde gewasbescherming is begrepen.

Achtergrond van de richtlijn is, dat een toegelaten gewasbeschermingsmiddel of een machine voor de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen niet zonder meer duurzaam worden gebruikt. Duurzaamheid is op zichzelf ook geen criterium voor toelating op grond van de verordening (EG) nr. 1107/2009 en van richtlijn 2009/127/EG. De maatregelen op basis van de richtlijn wijzigen de beoordeling of de inhoud van een toelatingsbesluit niet. Zij vormen een aanvulling op de voorschriften die worden gesteld aan toegelaten gewasbeschermingsmiddelen en toegelaten machines en doen daaraan geen afbreuk.

9. Totstandkomingsprocedure

De maatregelen vloeien voort uit de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst. Bij de totstandkoming daarvan hebben tal van organisaties hun opvattingen ingebracht. Daaronder bevonden zich vertegenwoordigers van het toenmalige Productschap Tuinbouw, waterschappen, de handel en distributie van gewasbeschermingsmiddelen (Agrodis), vertegenwoordigers van agrarische sectoren, wetenschappelijke instellingen, toelatinghouders van gewasbeschermingsmiddelen en retailorganisaties.

De uitwerking van de maatregelen in dit besluit is sindsdien herhaaldelijk geagendeerd in het doelgroepoverleg van organisaties die nauw betrokken zijn bij het gewasbeschermingsbeleid, namelijk in het Platform duurzame gewasbescherming, het Platform duurzame glastuinbouw en het Bestuurlijk Overleg Open Teelt.

Specifieke afspraken over de zuiveringsverplichting in de glastuinbouw zijn door de ministeries van Infrastructuur en Milieu en van Economische Zaken, de brancheorganisatie voor de glastuinbouw LTO Glaskracht Nederland, het Ctgb, de brancheorganisatie voor de gewasbeschermingsmiddelenindustrie Nefyto, de Vereniging Nederlandse Gemeenten en de Unie van Waterschappen, vastgelegd in een Hoofdlijnenakkoord waterzuivering glastuinbouw. In dit besluit worden enkele afspraken uit dit akkoord vastgelegd in regelgeving.

Eenieder is in de gelegenheid gesteld om tussen 7 juli en 4 augustus 2016 zijn schriftelijke zienswijze over het ontwerpbesluit in te dienen (Stcrt. 6 juli 2016, nr. 32229). Zienswijzen zijn ingediend door de Bijenstichting, het College voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden, Cumela, Fedecom, John Deere Fabriek Horst BV, de Koninklijke Algemeene Vereeniging voor Bloembollencultuur, LTO Glaskracht, LTO Nederland, Maatschap Bongers, de Nederlandse Akkerbouw Vakbond, de Nederlandse Fruittelers Organisatie, de Nederlandse Melkveehouders Vakbond, de Nederlandse stichting voor Fytofarmacie (Nefyto), de Unie van Waterschappen en de Vereniging van waterbedrijven in Nederland (Vewin).

De zienswijzen bevatten wijzigingsvoorstellen, opmerkingen en vragen. Enkele organisaties ondersteunen de maatregelen, volgens anderen moeten verdergaande maatregelen worden voorgeschreven, of moeten ontwerpvoorschriften daarentegen juist worden versoepeld. In deze paragraaf wordt ingegaan op de meest relevante wijzigingsvoorstellen.

Glastuinbouw

In een zienswijze wordt een uitzondering op de zuiveringsverplichting voorgesteld voor bedrijven met open teelten met een beperkte oppervlakte «ondersteunend glas», omdat de zuiveringskosten voor die bedrijven disproportioneel zouden zijn. Ook wordt voorgesteld dat filterspoelwater niet behoeft te worden gezuiverd, indien voor het spoelen uitsluitend «schoon» water wordt gebruikt. Tenslotte wordt erop gewezen dat een bepaalde type zuiveringsvoorziening, op basis van waterstofperoxide, volgens recent onderzoek kostbaarder is dan eerder is aangenomen23.

De zuivering van afvalwater wordt zowel voorgeschreven in bepaalde toelatingsbesluiten van het Ctgb als in dit besluit. Dit besluit beoogt mede om de algemene regels voor het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te uniformeren met de toelatingsbesluiten van specifieke middelen. Het toelatingsbeleid van het Ctgb kent geen uitzonderingen, zoals voor het lozen vanuit ondersteunend glas. Een uitzondering voor deze lozingen in dit besluit zou dus afwijken van het toelatingsbeleid. Hierdoor wordt de gewenste uniformering niet bereikt en de suggestie gewekt dat dergelijke lozingen zijn toegestaan, terwijl zij daarentegen zijn verboden op grond van toelatingsbesluiten voor specifieke gewasbeschermingsmiddelen.

De nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst kondigde aan dat het filterspoelwater van de waterdoseringsinstallatie moet worden hergebruikt. Het afvalwater mag dus niet worden geloosd, indien het gaat om filterspoelwater dat gewasbeschermingsmiddelen bevat. Of daarvan sprake is in de situatie dat de filters met schoon (hemel-)water wordt gespoeld, zal in samenspraak tussen toezichthouder en lozer worden bepaald.

Volgens het rapport dat in de zienswijze wordt genoemd, zouden de kosten van een zuiveringsvoorziening op basis van waterstofperoxide hoger zijn dan op basis van ozon. Een bedrijf doet er goed aan om niet alleen beide genoemde technieken, maar ook de verschillende alternatieven van een zuiveringsvoorziening in zijn afwegingen te betrekken. In een aantal gevallen kan namelijk de lozing van het met gewasbeschermingsmiddelen verontreinigde afvalwater worden voorkomen. In andere gevallen leidt het lozen op een mobiele of collectieve zuiveringsvoorziening tot relatief lagere kosten.

Open teelten

In meerdere zienswijzen wordt opgeroepen tot schrappen van de bestaande verplichting tot het registreren van de druk waarmee gewasbeschermingsmiddelen over het gewas worden verspoten (artikel 3.83 van het Activiteitenbesluit). In enkele andere zienswijzen wordt opgeroepen de voorschriften te differentiëren naar gebied, geteeld gewas of sector. Meerdere betrokkenen wijzen er ook op dat het milieu niet alleen wordt belast door de drift van gewasbeschermingsmiddelen; verontreiniging gebeurt ook door bijvoorbeeld afspoeling van gewasbeschermingsmiddelen vanaf het perceel of het erf. In de praktijk zijn maatregelen en technieken beschikbaar om die emissies te reduceren.

Het registreren van de druk bij het gebruik is noodzakelijk omdat de spuitdruk direct invloed heeft op de mate van drift. Om deze reden was in het Activiteitenbesluit reeds een verplichting opgenomen om de spuitdruk te registreren. De overgangstermijn voor deze verplichting eindigde op 1 januari 2017.

Het voorstel om de registratie van de spuitdruk in zijn geheel te laten vervallen, wordt niet overgenomen. In de praktijk bestaat er een «prikkel» tot oneigenlijk gebruik van de spuitapparatuur. Om (vermeende) risico’s voor het gewas te voorkomen, bestaat in de praktijk de neiging een te hoge spuitdruk toe te passen. In het doelgroepoverleg is vastgesteld dat bewustwording van grote betekenis is om dit oneigenlijk gebruik van spuitapparatuur te beëindigen. Afspraken daarover zullen worden verankerd in de Delta-Aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater, zodat uitvoering ervan in beeld blijft. De vraag of daarna een drukregistratievoorziening voor bepaalde spuitapparatuur nog noodzakelijk of onredelijk is, behoeft nadere uitwerking in het doelgroepoverleg. Als op een later moment blijkt dat dit het geval is, kan worden overwogen om dit alsnog in de regelgeving te verankeren.

De termijn tot 1 januari 2017 was te kort om deze acties uit te voeren. Daarom is in het ontwerpbesluit de overgangstermijn met twee jaar verlengd, tot 1 januari 2019.

Uitgangspunt in dit besluit is dat verontreiniging van het milieu moeten worden voorkomen of zoveel mogelijk beperkt, door het stellen van voorschriften die voor een bedrijfstak in Nederland technisch haalbaar en financieel betaalbaar zijn. Indien een maatregel aan dit criterium voldoet, is er geen aanleiding om voor bepaalde gebieden, gewassen of sectoren een minder vergaande maatregel voor te schrijven.

Terecht wordt erop gewezen dat gewasbeschermingsmiddelen ook via andere routes dan drift in oppervlaktewater geraken. Naar aanleiding van de tussenevaluatie (paragraaf 6.3) zal worden bezien of maatregelen nodig zijn om de doelstellingen uit de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst te realiseren. Daarbij zullen ook andere maatregelen dan alleen driftreducerende technieken worden betrokken.

Maatwerk voorschriften lichtemissie

De lichtuitstraling vanuit de kassen van een glastuinbouwbedrijf moet per 1 januari 2017 met ten minste 98% worden gereduceerd, in plaats van 95%. In een zienswijze wordt aangegeven dat in bepaalde gevallen nog niet met de toepassing van beste beschikbare technieken aan het voorschrift kan worden voldaan. In die gevallen (ongeveer 3% van het Nederlandse glasareaal) kunnen bij bepaalde weersomstandigheden zodanige problemen met de klimaatbeheersing ontstaan dat een rendabele teelt van het betreffende gewas niet mogelijk is24. Daarom wordt gevraagd dat in die gevallen maatwerk over het percentage mag worden toegepast, vooruitlopend op de mogelijkheid die volgens planning in het Besluit activiteiten leefomgeving zal worden opgenomen.

Naar aanleiding van de zienswijze zijn de artikelen 3.57 en 3.58 aangepast.

10. Notificatie Europese Commissie

Het ontwerpbesluit is op 1 maart 2017 gemeld aan de Commissie van de Europese Gemeenschappen (notificatienummer 2017/0086/NL). Daarmee is voldaan aan artikel 5, eerste lid, van de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie).

De volgende bepalingen bevatten vermoedelijk technische voorschriften: 3.64a, 3.78a, 3.80 en 3.83. Deze bepalingen zijn verenigbaar met het vrije verkeer van goederen; ze zijn evenredig en, daar waar nodig, voorzien van een gelijkwaardigheidsbepaling met het oog op de wederzijdse erkenning.

Het ontwerpbesluit is niet aan de World Trade Organisation (WTO) voorgelegd, omdat het in dat kader geen significante gevolgen heeft.

Artikelsgewijs

Artikel I

Onderdeel A

De wijzigingen in dit besluit hebben gevolgen voor de definitiebepaling.

De definitie van werkzame stof wordt toegevoegd. Dit zijn de stoffen in de gewasbeschermingsmiddelen die een algemene of specifieke werking hebben tegen schadelijke organismen of planten en daarmee het belangrijkste ingrediënt vormen van een gewasbeschermingsmiddel. De zuiveringsverplichting betreft de werkzame stoffen die bestaan uit organische verbindingen. De term «organisch» sluit aan bij dat begrip in de organische chemie. Het gaat dan om verbindingen die koolstofatomen bevatten, niet bedoeld worden dus bijvoorbeeld micro-organismen, zoals schimmels, of anorganische stoffen, zoals het metaal koper. Het te behalen zuiveringsrendement ziet uitsluitend op de werkzame stoffen in de gewasbeschermingsmiddelen.

De bestaande voorschriften over driftreductie schreven (onder meer) het gebruik van een driftarme dop voor. Deze dop reduceert de drift met ten minste 50%, ten opzichte van de referentietechniek. Dit middelvoorschrift wordt zoveel mogelijk vervangen door een scherper doelvoorschrift (75% reductie). Dit doel kan worden bereikt door een dop die een hogere driftreductie bereikt dan de driftreducerende dop of door een combinatie van een driftreducerende dop met andere technieken. De term «drift» is overigens een gangbare landbouwtechnische term die slaat op de ongecontroleerde en ongewenste verplaatsing van gewasbeschermingsmiddelen via de lucht tot buiten het toepassingsgebied, onder invloed van wind.

In lijn met de overige bepalingen over driftreductie wordt in de definitie van driftreducerende dop niet meer verwezen naar specifieke kenmerken maar naar een testmethode waarin onder meer een meetprotocol is opgenomen. Deze testmethode zal bij ministeriele regeling worden aangewezen. De referentietechniek blijft ongewijzigd ten opzichte van de oude definitie van driftarme dop en kan daarom hier worden gehandhaafd.

Doordat in het besluit niet meer rechtstreeks wordt verwezen naar specifieke technieken kunnen de definities van «luchtondersteuning» en «venturidop» vervallen. Voor zover deze termen van belang zijn om de vereiste driftreductie te bereiken zullen deze terugkomen in de testmethode die in een ministeriele regeling wordt aangewezen.

Om onduidelijkheid over de terminologie te voorkomen is in de definitie van «kantdop» het woord «driftarme» geschrapt.

Onderdeel B en C

Naar aanleiding van de inspraak op het concept van deze wijziging zijn de nieuwe onderdelen B en C ingevoegd. Door deze wijziging wordt het mogelijk om bij maatwerkvoorschrift af te wijken van de verplichting om de lichtuitstraling met 98% te reduceren tijdens de donkerteperiode.

Onderdeel D en E

Het nieuwe artikel 3.64a ziet op het lozen vanuit een kas van specifieke afvalwaterstromen die verontreinigd zijn met gewasbeschermingsmiddelen. Deze verplichting is dus niet van toepassing als het te lozen afvalwater geen gewasbeschermingsmiddelen bevat. Minieme achtergrondconcentraties van gewasbeschermingsmiddelen, die bijvoorbeeld ook voorkomen in drink- en regenwater, maken niet dat het afvalwater gezuiverd moet worden.

Het betreft drainwater, drainagewater en spoelwater van filters van een waterdoseringsinstallatie (zowel teelt op substraat als teelt in de grond).

Drainwater is het voedingswater dat bij de teelt op substraat (teelt los van de grond, bijvoorbeeld op tafels of steenwol) niet wordt opgenomen door het gewas. Drainwater bevat gewasbeschermingsmiddelen en meststoffen en is in beginsel geschikt voor hergebruik als voedingswater. Drainagewater is het water dat door een stelsel van buizen (drainagesysteem) onder het teeltoppervlak wordt afgevoerd. Het water bestaat uit voedingswater dat bij de teelt in de grond niet is opgenomen door het gewas en, afhankelijk van de ligging van het bedrijf, uit bedrijfsvreemd water, afkomstig van kwel of inzijging.

Het Ctgb schrijft in toelatingsbesluiten eveneens de zuivering van afvalwater voor, om te voorkomen dat het gebruik van een specifiek middel leidt tot onaanvaardbare effecten voor het milieu (geen overschrijding toelatingsnormen). In dit besluit wordt een generieke zuiveringsverplichting voorgeschreven, om het aantal overschrijdingen van de waterkwaliteitsnormen te verminderen. Beide verplichtingen gelden naast elkaar. Overigens kan het Ctgb, indien nodig, voor een specifiek middel een hoger percentage zuivering dan in dit ontwerpbesluit voorschrijven.

Op grond van artikel 6.2 van de Waterwet is het verboden om te lozen op oppervlaktewater. In het Activiteitenbesluit milieubeheer is in artikel 3.60 tot en met 3.64, in verbinding gelezen met artikel 1.6, vrijstelling verleend van dit verbod voor lozen vanuit een kas. De voorkeursvolgorde daarbij is dat eerst de capaciteit van het vuilwaterriool wordt benut (artikel 3.63, eerste lid, onderdeel 1 en 2) en vervolgens op het oppervlaktewater wordt geloosd. In het geval een uitzondering geldt op het verbod, en dus geloosd mag worden op oppervlaktewater of het vuilwaterriool, moet het lozen voldoen aan de overige eisen en voorwaarden die dit besluit aan een lozing stelt. Deze eisen en voorwaarden zijn deels opgenomen in de artikelen 3.60-3.64, deels in de artikelen die daar op volgen.

De zuiveringsverplichting die in dit wijzigingsbesluit wordt toegevoegd, geldt als een aanvullende voorwaarde bij het lozen. Het artikel bevat dus op zichzelf geen uitzondering op het verbod om water te lozen.

Het voorschrift in het eerste lid geldt alleen als er sprake is van een lozing, in de zin van artikel 1.1. Het tweede lid bevat een uitzondering op het eerste lid indien de gewasbeschermingsmiddelen na de lozing uit het water worden gezuiverd. Dit kan zich voordoen als het water op een riool wordt geloosd of op een andere voorziening voor de inzameling en het transport van afvalwater. Voordat het afvalwater vermengd raakt met stedelijk afvalwater in het openbaar vuilwaterriool kan het worden gezuiverd door een particuliere zuiveringsvoorziening. Nadat het afvalwater in het openbaar vuilwaterriool vermengd raakt met stedelijk afvalwater valt het onder de zorgplicht van artikel 3.4 van de Waterwet. Het water kan dan alleen nog door, of onder verantwoordelijkheid van, het waterschap gezuiverd worden. Een voorbeeld hiervan is de geplande zuivering in de afvalwaterzuiveringsinstallatie Nieuwe Waterweg.

Het derde lid schrijft de wijze voor waarop degene die de inrichting drijft, moet aantonen dat zijn lozing voldoet aan het eerste lid. Bij ministeriële regeling wordt een testmethode aangewezen op basis waarvan de zuiveringsvoorziening wordt beoordeeld. Als de zuiveringsvoorziening de vereiste reductie bereikt en de omstandigheden waaronder de techniek wordt ingezet op een representatieve wijze zijn betrokken bij het onderzoek, kan worden aangenomen dat aan het eerste lid wordt voldaan. Hiermee wordt de bewijslast bij de lozer gelegd en worden voorwaarden gesteld aan de wijze waarop hij aan de bewijslast kan voldoen.

Een zorgvuldig gebruik van de zuiveringsvoorziening, met inachtneming van de condities waaronder deze getest is, behoort tot de zorgplicht. Als gevolg daarvan kan zo nodig handhavend worden opgetreden indien een toepasser bijvoorbeeld het water wel door de zuiveringsvoorziening leidt maar deze niet in werking is gesteld.

Het vierde, vijfde en zesdelid van artikel 3.64a bevatten voorwaarden voor het meten en registreren van de hoeveelheid afvalwater die wordt gezuiverd en geloosd. Deze informatie is noodzakelijk om toezicht te kunnen uitoefenen op het juiste gebruik van de zuiveringsinstallatie.

Het zevende lid biedt de mogelijkheid aan het bevoegd gezag om bij maatwerkvoorschrift ontheffing te verlenen in een specifieke omstandigheid. Bij grondgebonden teelt kan door kwel en inzijgend water veel bedrijfsvreemd water in het drainagewater komen. Daardoor wordt de drainagewaterstroom zeer groot en kostbaar om te zuiveren. Wanneer dit effect zodanig optreedt dat het ondoelmatig is om een zuiveringsrendement van 95% te eisen kan van dit voorschrift bij maatwerkvoorschrift door het bevoegd gezag worden afgeweken.

Artikel 3.64b bevat een overgangsregeling voor de zuiveringsplicht die wordt ingesteld in artikel 3.64a van het besluit. Glastuinbouwbedrijven kunnen ervoor kiezen om de zuivering van het afvalwater gezamenlijk uit te voeren. Er is dan sprake van een collectieve zuivering. Collectieve zuivering kan plaatsvinden voor of na de lozing van het water.

Deze collectieve aanpak neemt meer tijd in beslag om te realiseren. Het is aan het bevoegd gezag om te beoordelen welke termijn noodzakelijk is om een collectieve voorziening te realiseren en het maatwerkvoorschrift daar op af te stemmen. Daarom wordt in artikel 3.64b de mogelijkheid geboden om in dergelijke gevallen bij maatwerkvoorschrift een langere overgangstermijn vast te stellen, uiterlijk tot 1 januari 2021.

Onderdeel F

Door deze aanpassing worden de artikelen 3.79 tot en met 3.83 van toepassing op het gehele perceel en niet alleen op een zone aan het oppervlaktewater. Deze artikelen dienen zowel het belang van de kwaliteit van het oppervlaktewater als die van het duurzaam gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.

In de uitvoering van de regelgeving bleek een begrenzing van 14 meter bovendien kunstmatig. Gewasbeschermingsmiddelen worden in de regel met één techniek, op een gelijke wijze aangebracht op het hele perceel. Een afwijkend regime voor een strook van 14 meter langs oppervlaktewater past daar landbouwkundig niet in. Om de regels beter uitvoerbaar en handhaafbaar te maken, geldt de maatregel op het hele perceel.

Onderdelen G tot en met K

De wijzigingen in deze onderdelen vormen de gedetailleerde middelvoorschriften over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen om tot doelvoorschriften. Het doelvoorschrift wordt bovendien aangescherpt tot 75% driftreductie.

Onderdeel G

Er wordt een nieuw artikel 3.78a toegevoegd. In dit artikel wordt een minimaal te bereiken driftreductie voorgeschreven. De driftreductie dient te worden aangetoond door middel van een technische beoordeling conform één van de bij ministeriele regeling aangewezen testmethoden. Daarbij zal tevens een referentietechniek worden aangewezen. Deze referentietechniek verschilt per toepassingsmethode, is technisch van aard en zal daarom in de ministeriele regeling worden uitgewerkt.

Dit voorschrift legt de bewijslast voor het aantonen dat aan de norm wordt voldaan bij de toepasser en normeert deze. Achtergrond hiervan is dat het nagenoeg onmogelijk is om bij gebruik waar te nemen of aan de norm wordt voldaan. Dit wordt veroorzaakt doordat de reductie moet worden bereikt ten opzichte van een referentietechniek en dat de reductie afhankelijk is van veel verschillende factoren (type dop, spuitdruk, spuitboomhoogte etc.). Om onzekerheid bij de toepasser en toezichthoudende instanties te voorkomen wordt voorgeschreven op welke wijze wordt aangetoond dat aan de norm is voldaan.

Een zorgvuldig gebruik van de driftreducerende technieken, met inachtneming van de condities waaronder deze getest zijn, behoort tot de zorgplicht. Wanneer de driftreducerende technieken op een andere manier worden gebruikt, bijvoorbeeld bij een hogere spuitdruk dan gangbaar is, kan immers worden verwacht dat een (te) hoge drift optreedt.

De verplichting om driftreducerende maatregelen te treffen is ook van toepassing bij gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op braakliggend land.

Onderdeel H

Het tweede lid van artikel 3.80 vervalt als gevolg waarvan het verschil in voorschriften tussen bedrijven met bloembollenteelt in beide regio’s komt te vervallen. Met het vervallen van het zesde lid van artikel 3.80 wordt de teeltvrije zone voor elk gewas gesteld op ten minste 50 centimeter. Een teeltvrije zone van 25 centimeter is niet meer aan de orde.

In het huidige artikel was voor de teelt van appelen, peren en overige pit- en steenvruchten, bij een spuitvrije zone van 900 centimeter, het gebruik van driftreducerende technieken niet voorgeschreven. Zoals in het algemeen deel van de toelichting is aangegeven wordt het nu wenselijk geacht om op het hele perceel driftreducerende technieken toe te passen. Daarom is deze categorie komen te vervallen.

Als gevolg van de wijzigingen in artikel 3.80 worden in de artikelen 3.81 en 3.85, vijfde lid, enkele verwijzingen aangepast.

Onderdeel I

In het nieuwe artikel 3.80a wordt in enkele situaties een overgangstermijn geboden, omdat een eerdere datum voor een aantal bedrijven financieel onevenredig nadelige gevolgen zou hebben.

Voor de teelt van hoge laanbomen zijn op dit moment nog onvoldoende technieken beschikbaar die de drift aantoonbaar voldoende reduceren. Met een overgangstermijn tot 2021 kan deze agrarische sector bestaande technieken verder ontwikkelen of nieuwe technieken introduceren en daarvan het driftreducerend effect onderzoeken.

Op grond van de meest recente inzichten reduceert de tunnelspuit, een techniek die wordt toegepast in de fruitteelt, de drift niet met meer dan 90%, maar met ten minste 75%. Een bedrijf dat zich hield aan artikel 3.80, vierde lid, onderdeel c, zou als gevolg van de aanscherping van de driftreducerende maatregelen óf de tunnelspuit niet meer mogen gebruiken, óf zijn teeltvrije zone moeten verbreden door het kappen van een rij fruitbomen.

Een overgangstermijn wordt ook geboden voor fruitteeltbedrijven die de drift reduceerden met een teeltvrije zone van 3 meter en een driftreducerende techniek in combinatie met een vanggewas naast oppervlaktewater. Omdat de driftreducerende maatregelen op het gehele perceel moeten worden toegepast, moeten ook deze bedrijven overstappen op andere technieken, of de teeltvrije zone verbreden door het kappen van een rij fruitbomen.

In beide situaties geldt de overgangstermijn tot uiterlijk 1 januari 2021.

Onderdeel J

Als gevolg van de overgang van middelvoorschriften naar doelvoorschriften en enkele andere wijzigingen wordt artikel 3.83 ingrijpend gewijzigd.

In het eerste lid vervalt de verplichting om een driftreducerende dop te gebruiken. In de plaats daarvan geldt het doelvoorschrift dat in het nieuwe artikel 3.78a is opgenomen. Deze «driftreducerende dop» bereikt op zichzelf niet de vereiste 75% driftreductie. Het gebruik van dit type dop, in combinatie met andere technieken, kan wel de vereiste driftreductie opleveren.

De vereisten aan de richting van de spuitdop, in relatie tot het oppervlaktewater en de hoogte van de spuitdop blijven wel relevant en worden daarom opnieuw opgenomen in het eerste lid.

Het tweede tot vierde lid van artikel 3.83 bevat de ongewijzigde verplichting om een drukregistratievoorziening te gebruiken. De eisen aan de drukregistratievoorziening zijn op grond van het oude recht reeds uitgewerkt in artikel 3.91 van de Activiteitenregeling.

In het vijfde lid is de wijze van meten van de windsnelheid aangepast. Het meten van de windsnelheid op spuitdophoogte geeft een minder goed beeld van de daadwerkelijke windsnelheid. De voorschriften zijn daarom aangepast. Deze aanpassingen sluiten ook aan bij de wijze van het meten van de windsnelheid in de testmethode voor het bepalen van de driftreductie van spuittechnieken.

Het zesde en zevende lid zijn ongewijzigd ten opzichte van het oude zevende en achtste lid.

Het achtste lid bevat een verlenging van de overgangstermijn voor de verplichting om een drukregistratievoorziening te gebruiken, van 1 januari 2017 naar 1 januari 2019. Een drukregistratievoorziening is noodzakelijk om aan te tonen dat de juiste spuitdruk wordt gehanteerd en dat de spuitapparatuur de drift dus voldoende reduceert. In doelgroepoverleg is vastgesteld dat bewustwording van grote betekenis is om de prikkel tot oneigenlijk gebruik van spuitapparatuur weg te nemen. De vraag of een drukregistratievoorziening voor bepaalde spuitapparatuur niet noodzakelijk of onredelijk is, behoeft nadere uitwerking en kan nu niet worden meegenomen in dit besluit. Afgesproken is dat de brancheorganisaties van de agrarische sectoren daarover concrete voorstellen zullen doen. Afspraken zullen worden verankerd in de Delta-Aanpak Waterkwaliteit en Zoetwater, zodat uitvoering ervan in beeld blijft.

De termijn tot 1 januari 2017 was te kort om deze acties uit te voeren. Om die reden is de datum van inwerkingtreding uitgesteld tot 1 januari 2019.

Onderdeel M

In overeenstemming met het nieuwe vijfde lid van artikel 3.83 wordt de wijze van het meten van de windsnelheid aangepast.

Onderdeel N

Door het vervallen van artikel 3.80, tweede lid, kan ook bijlage 1 bij het Activiteitenbesluit milieubeheer vervallen. In deze bijlage waren gebieden aangewezen waarvoor een afwijkend regime gold voor de teeltvrije zone. Dit onderscheid is komen te vervallen waardoor de bijlage geen functie meer heeft.

Artikel II

Het besluit treedt in werking op een bij koninklijk besluit vast te stellen datum, wat kan verschillen per artikel. Hiervoor is gekozen omdat de inwerkingtreding afhankelijk is van de notificatie van technische voorschriften die zullen worden opgenomen in de Activiteitenregeling op grond van de artikelen 3.64a, 3.78a, 3.80 en 3.83 zoals gewijzigd in dit voorstel.

De Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, S.A.M. Dijksma


X Noot
1

Nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst, bijlage bij de brief van 14 mei 2013, Kamerstukken II 2012/13, 27 858, nr. 146. Voor een verslag van een notaoverleg: Kamerstukken II 2012/13, 27 858, nr. 210

X Noot
2

Van Eerdt, M. et al. (2012), Evaluatie van de nota Duurzame gewasbescherming, Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving; bijlage bij de brief van 8 maart 2012, Kamerstukken II 2011/12, 27 858, nr. 102. Voor een overzicht van de milieubelasting door gewasbeschermingsmiddelen vanuit de land- en tuinbouw (periode 1998–2010), zie hoofdstukken 3 en 4 van Evaluatie van de nota Duurzame Gewasbescherming; deelrapport Milieu (RIVM Rapport 607059001/2012)

X Noot
3

Monitoringsresultaten voor oppervlaktewater kunnen worden geraadpleegd op www.bestrijdingsmiddelenatlas.nl

X Noot
4

Brieven van 23 juni 2015 en 12 oktober 2015 (Kamerstukken II 2014–2015, 32 627, nrs. 19 en 20). Voor een lijst met vragen en antwoorden over het Hoofdlijnenakkoord waterzuivering glastuinbouw: brief van 30 november 2015, Kamerstukken II 2014–2015, 32 627, nr. 21

X Noot
5

Voor de doelstellingen, zie bladzijden 34, 35 en 52 van de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst, Bijlage bij de brief van 14 mei 2013, Kamerstukken II 2012/13, 27 858, nr. 146

X Noot
6

Een lijst met maatregelpakketten die volgens de Technische Commissie Techniekbeoordeling allen tot eenzelfde driftdepositie op oppervlaktewater leiden, is opgenomen op de website www.helpdeskwater.nl

X Noot
7

Rapport «Teeltvrije zones; invloed op belasting van oppervlaktewater»; Linden, A.M.A. van der, S. Lukacs, A.J. Schouten en H.J. van Wijnen; RIVM rapport 607640001/2010 en rapport «Uitspoeling van zware metalen uit landbouwbodems; Toetsing van modelberekeningen middels veldmetingen»; Bonten, L.T.C.; Alterra rapport 1883/2009

X Noot
8

Het zuiveringsrendement kan worden bepaald met toepassing van Meetprotocol voor het testen van het zuiveringsrendement van zuiveringsinstallaties glastuinbouw, te raadplegen op www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/emissiebeheer/agrarisch/glastuinbouw

X Noot
9

Bladzijden 27 en 35, rapport «Waterkwaliteit binnen de normen; haalbaarheid en betaalbaarheid van ambities uit de 2e Nota duurzame gewasbescherming» (juli 2013); Buurma J.S., P.C. Leendertse en A. Visser. LEI-rapport 2013-044, CLM-rapport 826-2013

X Noot
10

Het meetprotocol Driftreductie Spuitdoppen en het meetprotocol Driftreductie Neerwaartse en Zijwaartse Spuittechnieken zijn te raadplegen op: http://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/emissiebeheer/agrarisch/open-teelt/

X Noot
11

Buurma Jan, Ruud van der Meer, Erik van Os en Henny van der Veen, «Betaalbaarheid zuivering lozingswater glastuinbouw, Addendum bij LEI-rapport 2013-044» Wageningen, LEI, februari 2015; zie ook Jan Buurma, Ruud van der Meer, Erik van Os, Jim van Ruijven en Hennie van der Veen «Betaalbaarheid zuivering lozingswater glastuinbouw, Addendum bij LEI-rapport 2015-001» Wageningen, LEI, 2016

X Noot
12

Bladzijde 36, rapport «Waterkwaliteit binnen de normen; haalbaarheid en betaalbaarheid van ambities uit de 2e Nota duurzame gewasbescherming» (juli 2013); Buurma J.S., P.C. Leendertse en A. Visser. LEI-rapport 2013-044, CLM-rapport 826-2013

X Noot
13

Toelatingsbesluiten (besluiten tot toelating van een gewasbeschermingsmiddel tot de Nederlandse markt) zijn te raadplegen in de Toelatingen Databank op de website van het Ctgb. Begin november 2016 gold de zuiveringsverplichting voor middelen op basis van de werkzame stoffen imidacloprid, abamectine, fluazinam, teflubenzuron, pirimicarb, fluazinam en thiacloprid

X Noot
14

Bladzijde 54, van rapport «Betaalbaarheid zuivering lozingswater glastuinbouw, Addendum bij LEI-rapport 2013-044» Buurma Jan, Ruud van der Meer, Erik van Os en Henny van der Veen; Wageningen, LEI, februari 2015. Voor een kostenoverzicht zie tevens antwoord 39 uit de Lijst van vragen en antwoorden van 30 november 2015 (Kamerstukken II 2015–2016, 32 627, nr. 21)

X Noot
15

Volgens de tabellen 3 en 4 van het rapport «Teeltvrije zones; invloed op belasting van oppervlaktewater»; Linden, A.M.A. van der, S. Lukacs, A.J. Schouten en H.J. van Wijnen; RIVM rapport 607640001/2010, kost een teeltvrije zone van 50 centimeter gemiddeld ongeveer 0,6% van de teeltopbrengst van een hectare in de akkerbouw, ten opzichte van de situatie dat géén teeltvrije zone wordt aangehouden. Bijvoorbeeld: granen (totaal ongeveer 200.000 hectaren) worden voornamelijk geteeld op zeeklei (ongeveer 120.000 hectaren, opbrengstverlies 0,58%) en zand (ongeveer 55.000 hectaren, opbrengstverlies 0,67%)

X Noot
16

Bladzijde 12, van de nota Gezonde Groei, Duurzame Oogst, bijlage bij de brief van 14 mei 2013, Kamerstukken II 2012/13, 27 858, nr. 146

X Noot
17

Bladzijden 30 en 32, rapport «Waterkwaliteit binnen de normen; haalbaarheid en betaalbaarheid van ambities uit de 2e Nota duurzame gewasbescherming» (juli 2013); Buurma J.S., P.C. Leendertse en A. Visser. LEI-rapport 2013-044, CLM-rapport 826-2013

X Noot
18

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid

X Noot
19

Besluit 1600/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juli 2002 tot vaststelling van het zesde Milieuactieprogramma van de Europese Gemeenschap (PbEU 2002, L 242)

X Noot
20

Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG (PbEU 2009, L 309)

X Noot
21

Richtlijn 2009/127/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot wijziging van Richtlijn 2006/42/EG met betrekking tot machines voor de toepassing van pesticiden (PbEU 2009, L 310)

X Noot
22

Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEU 2009, L 309)

X Noot
23

Rapport «Betaalbaarheid zuivering lozingswater Glastuinbouw, Addendum bij LEI-rapport 2015-001 naar aanleiding van aangescherpte zuiveringseisen» (februari 2016); Buurma J., R. van der Meer, E. van Os, J. van Ruijven en H. van der Veen

X Noot
24

Rapport «Mogelijkheden lichtafscherming bij de teelt van Roos ter beperking van lichthinder»; Van der Knaap, E.; Delphy rapport 20 december 2016

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt niet openbaar gemaakt op grond van artikel 26, zesde lid j° vijfde lid, van de Wet op de Raad van State, omdat het zonder meer instemmend luidt.