Start van deze pagina
Skip navigatie, ga direct naar de Inhoud

Overheid.nl - de wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden.

De wegwijzer naar informatie en diensten van alle overheden

Tekstgrootte
+


Jaargang 2016
Nr. 529

Gepubliceerd op 22 december 2016 09:00



Besluit van 14 december 2016, houdende regels over de voorlopige onderzoeken en de vervolgonderzoeken die ter vaststelling van het gebruik van alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer kunnen worden ingezet en aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen (Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer)

Wij Willem-Alexander, bij de gratie Gods, Koning der Nederlanden, Prins van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Op de voordracht van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 25 februari 2015, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 619344;

Gelet op artikel 8, vijfde lid, en artikel 163, tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, elfde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, tiende lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, tiende lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.6, tiende lid, van de Wet luchtvaart;

De Afdeling advisering van de Raad van State gehoord (advies van 3 april 2015, nr. W03.15.0052/II);

Gezien het nader rapport van Onze Minister van Veiligheid en Justitie van 7 december 2016, directie Wetgeving en Juridische Zaken, nr. 2022958;

Hebben goedgevonden en verstaan:

§ 1. Begripsomschrijvingen

Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. opsporingsambtenaar:

een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering en een buitengewoon opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 159, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 86, eerste en tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 45, eerste en tweede lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.3, eerste lid, van de Wet luchtvaart;

b. bloedonderzoek:

een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder b, derde lid, onder b, of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede lid, onder b, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, tweede lid, onder b, van de Spoorwegwet, artikel 41, tweede lid, onder b, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, derde lid, onder b, van de Wet luchtvaart dat betrekking heeft op het gebruik van alcohol of een of meer van de in artikel 2 aangewezen stoffen;

c. aanvullend bloedonderzoek:

een onderzoek dat betrekking heeft op het gebruik van andere stoffen dan de in onderdeel b bedoelde stoffen.

§ 2. Aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen

Artikel 2

Als stoffen als bedoeld in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden aangewezen: amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA, MDA, cannabis, heroïne, morfine, GHB, gamma butyrolacton en 1,4-butaandiol.

Artikel 3

  • 1. De grenswaarden voor de in artikel 2 aangewezen stoffen zijn, indien zij enkelvoudig zijn gebruikt en gemeten in geval van:

    • a. amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA en MDA: 50 microgram amfetamine, methamfetamine, cocaïne, MDMA, MDEA of MDA per liter bloed;

    • b. cannabis: 3,0 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed;

    • c. heroïne en morfine: 20 microgram morfine per liter bloed;

    • d. GHB, gamma butyrolacton of 1,4-butaandiol: 10 milligram GHB per liter bloed.

  • 2. Indien een van de in artikel 2 aangewezen stoffen is gebruikt en gemeten in combinatie met een of meer andere van deze stoffen, alcohol of met een andere stof als bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, is de grenswaarde voor iedere in het eerste lid genoemde stof en alcohol in geval van:

    • a. amfetamine, methamfetamine, MDMA, MDEA of MDA: 25 microgram amfetamine, methamfetamine, MDMA, MDEA of MDA per liter bloed of 50 microgram voor de som van deze amfetamine-achtige stoffen indien een van deze amfetamine-achtige stoffen met een of meer andere van deze amfetamine-achtige stoffen is gebruikt en gemeten;

    • b. cannabis: 1,0 microgram tetrahydrocannabinol per liter bloed;

    • c. cocaïne, heroïne en morfine: 10 microgram cocaïne of morfine per liter bloed;

    • d. GHB, gamma butyrolacton of 1,4-butaandiol: 5,0 milligram GHB per liter bloed;

    • e. alcohol: 0,2 milligram ethanol per milliliter bloed.

§ 3. Voorlopige onderzoeken

§ 3.1. Onderzoek van de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties

Artikel 4
  • 1. Een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 is gericht op het vaststellen van de bij ministeriële regeling aangewezen uiterlijke kenmerken.

  • 2. Het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

  • 3. Indien het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan de opsporingsambtenaar het onderzoek met toepassing van het eerste lid eenmaal opnieuw verrichten.

Artikel 5
  • 1. Indien het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties indiceert dat een of meer drugs of geneesmiddelen of alcohol is gebruikt, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verbaal.

  • 2. De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het onderzoek direct mede aan degene bij wie het onderzoek is verricht.

§ 3.2. Voorlopig ademonderzoek

Artikel 6
  • 1. Een voorlopig ademonderzoek als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, vierde lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, vierde lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.4, tweede lid, van de Wet luchtvaart geschiedt door degene bij wie het onderzoek wordt verricht, in een voor het onderzoek bestemde ademtester die bij ministeriële regeling is aangewezen, ademlucht te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen.

  • 2. Het voorlopig ademonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

  • 3. Indien het voorlopig ademonderzoek niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan de opsporingsambtenaar het onderzoek met toepassing van het eerste lid eenmaal opnieuw verrichten.

Artikel 7
  • 1. Indien het voorlopig ademonderzoek indiceert dat het alcoholgehalte in de adem van de verdachte hoger is dan op grond van artikel 8, tweede lid, onder a, of derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede lid, onder a, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, tweede lid, onder a, van de Spoorwegwet, artikel 41, tweede lid, onder a, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, derde lid, onder a, van de Wet luchtvaart is toegestaan, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verbaal.

  • 2. De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het voorlopig ademonderzoek direct mede aan degene bij wie het onderzoek is verricht.

§ 3.3. Onderzoek van speeksel

Artikel 8
  • 1. Een onderzoek van speeksel als bedoeld in artikel 160, vijfde lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 geschiedt door met een voor het onderzoek bestemde speekseltester die bij ministeriële regeling is aangewezen, in de mondholte van degene bij wie het onderzoek wordt verricht, speeksel af te nemen en het resultaat daarvan af te lezen of door een bij de speekseltester behorend apparaat uit te lezen.

  • 2. Het onderzoek van speeksel wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

  • 3. Indien het onderzoek van speeksel niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan de opsporingsambtenaar het onderzoek met toepassing van het eerste lid eenmaal opnieuw verrichten.

Artikel 9
  • 1. Indien het onderzoek van speeksel indiceert dat een of meer drugs of geneesmiddelen is gebruikt, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verbaal.

  • 2. De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het onderzoek van speeksel direct mede aan degene bij wie het onderzoek is verricht.

§ 4. Vervolgonderzoeken

§ 4.1. Ademonderzoek

Artikel 10
  • 1. Een ademonderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, of derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede lid, onder a, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, tweede lid, onder a, van de Spoorwegwet, artikel 41, tweede lid, onder a, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, derde lid, onder a, van de Wet luchtvaart geschiedt door de verdachte, zo nodig viermaal, ademlucht in een voor het onderzoek bestemd ademanalyseapparaat dat bij ministeriële regeling is aangewezen, te laten blazen en het resultaat daarvan af te lezen. Het blazen kan worden beëindigd, zodra het onderzoek twee meetresultaten heeft opgeleverd.

  • 2. Het ademonderzoek wordt niet eerder verricht dan twintig minuten nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan het voorlopig ademonderzoek of, indien die vordering niet is gedaan, binnen twintig minuten na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te bevelen zijn medewerking te verlenen aan het ademonderzoek.

  • 3. Het ademonderzoek wordt verricht door een opsporingsambtenaar.

  • 4. Het alcoholgehalte van de twee meetresultaten, bedoeld in het eerste lid, wordt op een bij ministeriële regeling voorgeschreven wijze vastgesteld.

  • 5. Indien het ademonderzoek niet heeft geleid tot een geldig resultaat, kan de opsporingsambtenaar het onderzoek met toepassing van het eerste, tweede en vierde lid eenmaal opnieuw verrichten.

Artikel 11
  • 1. Indien het ademonderzoek het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte in de adem van de verdachte hoger is dan op grond van artikel 8, tweede lid, onder a, of derde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede lid, onder a, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, tweede lid, onder a, van de Spoorwegwet, artikel 41, tweede lid, onder a, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, derde lid, onder a, van de Wet luchtvaart is toegestaan, vermeldt de opsporingsambtenaar het resultaat van het onderzoek in het proces-verbaal.

  • 2. De opsporingsambtenaar deelt het resultaat van het ademonderzoek direct aan de verdachte mede en wijst hem, indien het ademonderzoek het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte in zijn adem hoger is dan op grond van artikel 8, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste of tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste of tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste of tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste of derde lid, van de Wet luchtvaart is toegestaan, erop dat hij het recht op tegenonderzoek heeft.

  • 3. Het tegenonderzoek geschiedt door middel van een bloedonderzoek. De artikelen 12 tot en met 17 en 19 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. de verdachte direct nadat hij op het recht op tegenonderzoek is gewezen aan de opsporingsambtenaar kenbaar dient te maken dat hij van dat recht gebruikmaakt, en het bloed van de verdachte direct daarna wordt afgenomen, en

    • b. de bloedafname van de verdachte voor zijn rekening geschiedt en niet wordt gedaan dan nadat hij daarvoor aan de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is en die voor de bloedafname zorgdraagt, een bij ministeriële regeling vastgesteld bedrag heeft betaald.

§ 4.2. Bloedonderzoek

Artikel 12
  • 1. Ten behoeve van het bloedonderzoek neemt een arts of verpleegkundige door middel van een venapunctie twee buisjes bloed van de verdachte af of, indien een venapunctie vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, door middel van een infuus. In afwijking van de eerste volzin mag de arts of verpleegkundige ook een buisje bloed van de verdachte afnemen indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is, twee buisjes bloed van hem af te nemen. De hoeveelheid bloed dat ieder buisje dient te bevatten, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld.

  • 2. De bloedafname geschiedt met de hulpmiddelen die bij ministeriële regeling zijn voorgeschreven.

  • 3. Indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van een of meer van de in artikel 2 aangewezen stoffen of een of meer van de stoffen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste lid, van de Wet luchtvaart, geschiedt de bloedafname uiterlijk binnen anderhalf uur nadat de verdachte is gevorderd zijn medewerking te verlenen aan een voorlopig onderzoek als bedoeld in artikel 4 of 8 of, indien die vordering niet is gedaan, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan alleen vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken. De vorige volzinnen zijn niet van toepassing indien het bloedonderzoek is gericht op de vaststelling van het gebruik van alcohol.

  • 4. De arts of verpleegkundige ontvangt voor de bloedafname een vergoeding van de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is en die voor de bloedafname zorgdraagt.

Artikel 13
  • 1. Bij de bloedafname, bedoeld in artikel 12, eerste lid, is een opsporingsambtenaar aanwezig, die:

    • a. van de bloedafname een proces-verbaal opmaakt dat hij voorziet van een sporenidentificatienummer en de naam, het geslacht, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland en het burgerservicenummer van de verdachte van wie het bloed is afgenomen, of, indien deze gegevens van de verdachte onbekend zijn, andere gegevens waarmee zijn identiteit kan worden vastgesteld,

    • b. een eventueel door de arts of verpleegkundige afgelegde schriftelijke verklaring over de door hem gedane waarnemingen ten aanzien van de verdachte als bijlage bij het proces-verbaal, bedoeld onder a, voegt,

    • c. ervoor zorgt dat ieder buisje met bloed voorzien is van een sporenidentificatienummer, en

    • d. ervoor zorgt dat de buisjes of het buisje met bloed zo spoedig mogelijk in een bij ministeriële regeling voorgeschreven verpakking die hij van een of meer fraudebestendige sluitzegels of een fraudebestendige afsluiting heeft voorzien, worden of wordt bezorgd bij het laboratorium, bedoeld in artikel 14, tweede lid.

  • 2. De opsporingsambtenaar wijst de verdachte bij de bloedafname erop dat hij het recht op tegenonderzoek heeft, indien het verslag van het bloedonderzoek, bedoeld in artikel 16, tweede lid, het vermoeden bevestigt dat hij artikel 8, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste of tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste of tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste of tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste of derde lid, van de Wet luchtvaart heeft overtreden, tenzij de bloedafname in het kader van een tegenonderzoek geschiedt.

Artikel 14
  • 1. De opsporingsambtenaar formuleert de opdracht voor de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht.

  • 2. De onderzoeker is verbonden aan een laboratorium. Als laboratorium komt alleen in aanmerking:

    • a. een laboratorium dat door de Raad voor Accreditatie is geaccrediteerd aan de hand van de algemene criteria voor het functioneren van beproevingslaboratoria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025 of van criteria die daarmee vergelijkbaar zijn, en deskundig is op het terrein van de bio-analyse, dan wel

    • b. een laboratorium dat in het buitenland is gevestigd en door een met de Raad voor Accreditatie vergelijkbare instantie is geaccrediteerd aan de hand van criteria die vergelijkbaar zijn met de criteria, genoemd in de NEN-EN ISO/IEC 17025, en deskundig is op het terrein van de bio-analyse.

  • 3. Met toepassing van artikel 28, eerste lid, laatste zinsnede, van de Dienstenwet is paragraaf 4.1.3.3. van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing op de aanvraag om accreditatie, bedoeld in het tweede lid, onder a.

  • 4. Indien de accreditatie van een laboratorium, bedoeld in het tweede lid, is ingetrokken of geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd, kan in dat laboratorium geen bloedonderzoek meer worden verricht.

Artikel 15

Het laboratorium waaraan de onderzoeker, bedoeld in artikel 14, eerste lid, is verbonden, legt na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed de volgende gegevens in een bestand vast:

  • a. de datum van ontvangst van de buisjes of het buisje,

  • b. de sporenidentificatienummers, bedoeld in artikel 13, eerste lid, onder a en c,

  • c. de naam, het geslacht, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de verdachte wiens het bloed het betreft, en

  • d. de naam van de opdrachtgever van het bloedonderzoek.

Artikel 16
  • 1. De onderzoeker, bedoeld in artikel 14, eerste lid, verricht het bloedonderzoek binnen twee weken na ontvangst van de buisjes of het buisje met bloed. De methode die hij voor het bloedonderzoek hanteert, voldoet aan de bij ministeriële regeling vastgestelde eisen.

  • 2. De onderzoeker stelt een in de Nederlandse taal gesteld schriftelijk verslag van het resultaat van het bloedonderzoek op en ondertekent dat verslag.

  • 3. In afwijking van het tweede lid mag het verslag in de Engelse taal zijn gesteld, indien de onderzoeker die het verslag opstelt, verbonden is aan een laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, onder b.

  • 4. Het verslag bevat in ieder geval:

    • a. de naam, het geslacht, de geboortedatum en het burgerservicenummer van de verdachte met behulp van wiens bloed het onderzoek is verricht,

    • b. het sporenidentificatienummer van het buisje met bloed met behulp waarvan het bloedonderzoek is verricht,

    • c. de methode met behulp waarvan het bloedonderzoek is verricht, en

    • d. het resultaat van het bloedonderzoek.

  • 5. De onderzoeker stuurt het verslag zo spoedig mogelijk na het verrichten van het bloedonderzoek aan de opdrachtgever van het bloedonderzoek.

Artikel 17

De opsporingsambtenaar stelt de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, schriftelijk in kennis van het resultaat van het bloedonderzoek en van het recht op tegenonderzoek en vermeldt daarbij het sporenidentificatienummer, bedoeld in artikel 16, vierde lid, onder b.

Artikel 18
  • 1. In geval van een aanvullend bloedonderzoek stelt het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek heeft verricht, het voor dat onderzoek bestemde buisje met bloed ter beschikking aan de onderzoeker.

  • 2. Op het aanvullend bloedonderzoek zijn de artikelen 12, 13, eerste lid, onder d, en tweede lid, en 14 tot en met 17 van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat

    • a. de termijn waarbinnen het aanvullend bloedonderzoek dient te zijn verricht, vier weken na ontvangst van het buisje met bloed is, of zes weken indien zich bijzondere omstandigheden voordoen als gevolg waarvan de termijn van vier weken in redelijkheid niet haalbaar is,

    • b. de hulpofficier van justitie belast is met de in artikel 14, eerste lid, genoemde taak, en

    • c. de opsporingsambtenaar belast is met de in artikel 17 genoemde taak.

Artikel 19
  • 1. In geval van een tegenonderzoek stelt het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek heeft verricht, het voor dat onderzoek bestemde buisje met bloed ter beschikking aan het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het tegenonderzoek verricht.

  • 2. De artikelen 13, eerste lid, onder d, 14, tweede tot en met vierde lid, 15 tot en 16 zijn van overeenkomstige toepassing, met dien verstande dat:

    • a. het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het tegenonderzoek verricht, ervoor zorgt dat na het verrichten van dat onderzoek het resterende bloed naar het laboratorium wordt terugbezorgd die het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek heeft verricht, en

    • b. de onderzoeker het verslag van het tegenonderzoek naar de verdachte stuurt.

  • 3. Tegenonderzoek geschiedt op initiatief van en voor rekening van de verdachte en wordt niet verricht dan nadat de verdachte het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het tegenonderzoek verricht, het daarvoor verschuldigde bedrag heeft betaald. In dat bedrag zijn de verzendkosten van het voor het tegenonderzoek bestemde buisje met bloed door het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek heeft verricht, inbegrepen. De hoogte van die verzendkosten worden bij ministeriële regeling vastgesteld. Het bedrag voor de verzendkosten verrekent het laboratorium, bedoeld in de eerste volzin, met het laboratorium, bedoeld in de tweede volzin. De verdachte is verplicht in zijn aanvraag tot het verrichten van een tegenonderzoek zijn naam, geslacht, geboortedatum en burgerservicenummer te vermelden, alsmede het sporenidentificatienummer dat op de kennisgeving, bedoeld in artikel 17, is vermeld.

  • 4. Indien de verdachte de kosten van het tegenonderzoek niet binnen twee weken na de datum van dagtekening van de kennisgeving, bedoeld in artikel 17, heeft betaald, vervalt het recht op dat onderzoek.

  • 5. De verdachte ontvangt het bedrag, bedoeld in het derde lid, uit ’s Rijks kas terug indien het resultaat van het tegenonderzoek het vermoeden niet bevestigt dat hij artikel 8, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste of tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste of tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste of tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste of derde lid, van de Wet luchtvaart heeft overtreden.

Artikel 20
  • 1. Het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden dat het bloedonderzoek, aanvullend bloedonderzoek of tegenonderzoek heeft verricht, vernietigt het bloed dat na dat onderzoek resteert, een half jaar na de datum van dagtekening van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid.

  • 2. Indien het resultaat van het bloedonderzoek, het aanvullend bloedonderzoek of het tegenonderzoek het vermoeden niet bevestigt dat de verdachte artikel 8, eerste, tweede, derde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste of tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste of tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste of tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste of derde lid, van de Wet luchtvaart heeft overtreden, vernietigt het laboratorium, bedoeld in het eerste lid, het afschrift van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, en de daarbij behorende gegevens, bedoeld in artikel 15, een half jaar na de datum van dagtekening van dat verslag.

  • 3. Indien het resultaat van het bloedonderzoek, het aanvullend bloedonderzoek of het tegenonderzoek het vermoeden bevestigt dat de verdachte een van de in het tweede lid genoemde artikelleden heeft overtreden, vernietigt het laboratorium, bedoeld in het eerste lid, het afschrift van het verslag, bedoeld in artikel 16, tweede lid, en de daarbij behorende gegevens, bedoeld in artikel 15, vijf jaar na de datum van dagtekening van dat verslag.

  • 4. Het laboratorium, bedoeld in het eerste lid, houdt aantekening van iedere vernietiging op grond van het eerste tot en met derde lid.

Artikel 21

Indien een ander laboratorium dan het laboratorium van het Nederlands Forensisch Instituut voornemens is zijn werkzaamheden op het terrein van het bloedonderzoek of het aanvullend bloedonderzoek te beëindigen, zorgt dat laboratorium ervoor dat het bloed, de afschriften van de verslagen, bedoeld in artikel 16, tweede lid, die bij dat laboratorium worden bewaard, en de daarbij behorende gegevens, bedoeld in artikel 15, voor de beëindiging van die werkzaamheden aan dat instituut worden overgedragen, tenzij het laboratorium fuseert met een ander laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid. In het laatste geval worden het bloed, de afschriften van de verslagen en de daarbij behorende gegevens in dat andere laboratorium bewaard.

§ 5. Slotbepalingen

Artikel 22

Een onderzoek dat ter vaststelling van een overtreding op grond van artikel 8, eerste, tweede of derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, eerste of tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste of tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste of tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, eerste of derde lid, van de Wet luchtvaart voor de inwerkingtreding van dit besluit is of wordt uitgevoerd, wordt overeenkomstig de regels die daarop voor de inwerkingtreding van dit besluit van toepassing waren, afgehandeld.

Artikel 23

Het Besluit alcoholonderzoeken wordt ingetrokken.

Artikel 24

Dit besluit treedt in werking op het tijdstip waarop de wet van 26 september 2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het verbeteren van de aanpak van het rijden onder invloed van drugs (Stb. 2014, 353) in werking treedt.

Artikel 25

Dit besluit wordt aangehaald als: Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer.

Lasten en bevelen dat dit besluit en de daarbij behorende nota van toelichting in het Staatsblad zal worden geplaatst.histnoot

Wassenaar, 14 december 2016

Willem-Alexander

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

Uitgegeven de tweeëntwintigste december 2016

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur

NOTA VAN TOELICHTING

1. Inleiding

Dit besluit, Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer geheten, vormt een uitvloeisel van de wet van 26 september 2014 tot wijziging van de Wegenverkeerswet 1994 in verband met het verbeteren van de aanpak van het rijden onder invloed van drugs1. Bij deze wet zijn drie maatregelen geïntroduceerd die, zoals de titel van de wet al aangeeft, tot doel hebben om het gebruik van drugs in het verkeer, ook als dat gecombineerd wordt met alcohol, beter te kunnen aanpakken. Het gaat hier kort samengevat om de volgende drie maatregelen:

  • De eerste maatregel omvat de introductie van een afzonderlijk verbod op het rijden onder invloed van drugs in het nieuwe vijfde lid van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Indien de bestuurder van een voertuig één drug heeft gebruikt, is hij strafbaar indien zijn drugsgebruik boven de voor die drug bepaalde gedragsgerelateerde grenswaarde2 uitkomt en indien die bestuurder onder invloed is van een combinatie van drugs of van een of meer drugs en alcohol, is hij strafbaar indien zijn drugsgebruik of zijn drugs- en alcoholgebruik, boven de voor ieder van die stoffen vastgestelde nullimiet of analytische grenswaarde3 uitstijgt.

  • De tweede maatregel is neergelegd in artikel 160, vijfde lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 en bevat de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar om van een persoon die ervan verdacht wordt onder invloed van drugs een voertuig te besturen of te doen besturen dan wel aanstalten te maken een voertuig te besturen, te vorderen speeksel af te staan door middel van een zogenaamde speekseltester en de verplichting voor de bestuurder om op eerste vordering daaraan mee te werken.

  • De derde maatregel behelst de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar om een persoon die ervan verdacht wordt onder invloed van drugs een voertuig te besturen of te doen besturen dan wel aanstalten te maken een voertuig te besturen waarvan het gebruik niet met behulp van de speekseltester kan worden vastgesteld, zoals GHB, en van andere bewustzijnsbeïnvloedende stoffen, zoals geneesmiddelen, te vorderen mee te werken aan een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, en de verplichting voor die persoon om op eerste vordering aan dat onderzoek mee te werken (zie artikel 160, vijfde lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994).

Voor de achtergrond en een uitgebreide beschrijving van deze maatregelen wordt verwezen naar de schriftelijke stukken bij het voorstel van de hiervoor aangehaalde wet van 26 september 20144.

Deze drie maatregelen vragen op een aantal punten om uitwerking bij algemene maatregel van bestuur. Dit Besluit alcohol, drugs en geneesmiddelen in het verkeer voorziet daarin. Daarnaast bevat dit besluit regels die gelden voor de naleving van het verbod op het rijden onder invloed van geneesmiddelen, bedoeld in artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Tot slot zijn in dit besluit de uitvoeringsregels geïncorporeerd die nodig zijn voor de handhaving van het verbod op het gebruik van alcohol, zoals neergelegd in de Wegenverkeerswet 1994, de Scheepvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart. Die regels waren vóór de inwerkingtreding van het onderhavige besluit in het Besluit alcoholonderzoeken opgenomen. Dat besluit is bij het onderhavige besluit ingetrokken. Wel zijn bij het opstellen van het onderhavige besluit dat besluit en de vier ministeriële regelingen5 die daarop gebaseerd waren, als uitgangspunt genomen. Tegelijk is van de gelegenheid gebruik gemaakt om een aantal bepalingen uit het Besluit alcoholonderzoeken niet in het onderhavige besluit over te nemen omdat die wetgevingstechnisch overbodig waren of onnodig belastend waren voor de praktijk. Met deze exercitie is beoogd de leesbaarheid en overzichtelijkheid van de regeling te vergroten en meer recht te doen aan de praktijk, zonder de te beschermen belangen van betrokkenen geweld aan te doen.

De regeling over het alcoholgebruik uit het onderhavige besluit is op een ruimere kring van personen van kracht dan de regeling die in dit besluit is getroffen voor drugs- en geneesmiddelengebruik. De regeling van alcoholgebruik geldt ook voor diegenen die vallen onder de reikwijdte van de Scheepvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart, terwijl de regeling voor drugs- en geneesmiddelengebruik alleen maar van toepassing is op (verdachte) bestuurders als bedoeld in de Wegenverkeerswet 1994. Dat komt doordat die wetten niet, zoals de Wegenverkeerswet 1994, een afzonderlijk verbod op drugsgebruik kennen, en evenmin bevoegdheden met behulp waarvan strafbaar drugs- of geneesmiddelengebruik kan worden vastgesteld6.

Verder is ervoor gezorgd dat dit besluit en het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers inhoudelijk zoveel mogelijk overeenkomen, omdat zij beide in uitvoeringsregels voorzien voor het vaststellen van het gebruik van alcohol en drugs. Alleen waar dat vanwege het verschil in doelgroep die in deze twee besluiten centraal staat, nodig was, wijken de twee besluiten van elkaar af. Zo zijn de functionarissen die de diverse onderzoeken in dit besluit kunnen toepassen, niet dezelfde functionarissen als die in het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers bevoegd zijn. Bovendien kent dit besluit ook uitvoeringsregels voor het doen van aanvullend bloedonderzoek en het Besluit middelenonderzoek bij geweldplegers niet.

Over het ontwerp van dit besluit hebben de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, de Raad voor de rechtspraak, het voormalige College bescherming persoonsgegevens, de Stichting Wetenschappelijk Onderzoek Verkeersveiligheid (verder: SWOV), het College van procureurs-generaal, de Nederlandse Orde van Advocaten en de toenmalige Raad van Korpschefs desgevraagd advies uitgebracht. De Raad voor de rechtspraak heeft een blanco advies uitgebracht. Uit de andere adviezen kan worden geconcludeerd dat de andere instanties zich in algemene zin met de inhoud van het ontwerp van dit besluit kunnen verenigen. Wel hebben zij een aantal opmerkingen gemaakt en vragen gesteld ter verduidelijking van de inhoud en voorstellen gedaan voor aanpassing daarvan. Hierna wordt op hun opmerkingen, vragen en voorstellen, voor zover die rechtstreeks met dit besluit verband houden en meer inhouden dan een enkele teksttoevoeging of -wijziging, gereageerd.

Hierbij past de kanttekening dat hun opmerkingen, vragen en voorstellen geen betrekking hadden op de in dit besluit opgenomen uitvoeringsvoorschriften die bij de onderzoeken naar het gebruik van alcohol – het gaat hier om het (voorlopig) ademonderzoek met de ademtester en het ademanalyseapparaat – in acht moeten worden genomen. De reden daarvoor is dat het voor advies voorgelegde ontwerpbesluit uitsluitend voorschriften bevatte ter uitvoering van het verbod op drugs- en geneesmiddelengebruik in het verkeer en niet op alcoholgebruik. De verklaring daarvoor is dat het aanvankelijk de bedoeling was om de uitvoeringsvoorschriften voor het vaststellen van alcoholgebruik in een afzonderlijk Besluit alcohol in het verkeer neer te leggen. Dat besluit zou ter vervanging dienen van het Besluit alcoholonderzoeken en op dezelfde datum in werking treden als het onderhavige besluit. Van een afzonderlijk besluit is echter afgezien omdat het als gevolg van de nota van wijziging bij het voorstel van de eerder aangehaalde wet van 26 september 2014 vanuit systematisch oogpunt logischer is bevonden om in het onderhavige besluit de nullimiet voor het gebruik van alcohol vast te leggen die van toepassing is indien een bestuurder van een voertuig die stof in combinatie met een of meer drugs heeft gebruikt. In dat geval komt het de overzichtelijkheid ten goede als ook de overige regels voor de handhaving van het alcoholverbod in dit besluit zijn opgenomen. Daarmee wordt tevens optimaal tegemoet gekomen aan de wens van het College van procureurs-generaal en de voormalige Raad van Korpschefs dat de voorschriften die bij de uitvoering van een (voorlopig) ademonderzoek moeten worden gevolgd, afgestemd zijn op de voorschriften die van toepassing zijn op de uitvoering van de onderzoeken die ter vaststelling van een strafbaar gebruik van drugs en geneesmiddelen (kunnen) worden gedaan.

Omdat de voorschriften die in het onderhavige besluit zijn opgenomen met betrekking tot de uitvoering van het (voorlopig) ademonderzoek, materieel gelijk zijn aan de voorschriften uit het Besluit alcoholonderzoeken en de daarop gebaseerde ministeriële regelingen, en voor zover zij het bloedonderzoek betreffen, overeenkomen met de voorschriften die in acht moeten worden genomen bij de uitvoering van een bloedonderzoek voor de vaststelling van een strafbaar drugs- of geneesmiddelengebruik, waarover wel advies is uitgebracht, heb ik het niet nodig geoordeeld om over de voorschriften uit het onderhavige besluit die gelden bij de uitvoering van de onderzoeken naar alcoholgebruik, alsnog advies te vragen. Daarbij komt dat het Besluit alcoholonderzoeken en de daarop gebaseerde ministeriële regelingen model hebben gestaan voor het ontwerp van dit besluit.

De administratieve lasten die aan de uitvoering van dit besluit zijn verbonden, zijn – zo kan mede in reactie op het advies van het College van procureurs-generaal worden opgemerkt – ten tijde van de totstandkoming van het voorstel van de hiervoor aangehaalde wet van 26 september 2014 in beeld gebracht en grotendeels weergegeven in de memorie van toelichting bij dat wetsvoorstel7. Uit dit besluit vloeien geen verplichtingen voort die niet eerder in de wet of het Besluit alcoholonderzoeken en de daarop gebaseerde ministeriële regelingen zijn opgenomen of uit de Wet bescherming persoonsgegevens of de Wet deskundige in strafzaken8 in combinatie met de Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek van het College van procureurs-generaal van 7 mei 20139 voortvloeien. Het vorenstaande is van overeenkomstige toepassing voor zover het de beperking van grondrechten betreft die het gevolg is van de inzet van de hiervoor genoemde typen onderzoeken.

Hierna wordt in paragraaf 2 ieder artikel van dit besluit toegelicht, met uitzondering van de slotbepalingen omdat die voor zich spreken.

2. Artikelsgewijze toelichting

Artikel 1 (begripsomschrijvingen)

De opsporingsambtenaren die op grond van dit besluit bevoegd zijn handelingen te verrichten in het kader van een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, het voorlopig ademonderzoek, een onderzoek van speeksel, een ademonderzoek en een bloedonderzoek, zijn in artikel 1, onder a, van dit besluit aangeduid. Het gaat hier om de opsporingsambtenaren die in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering zijn genoemd en de buitengewone opsporingsambtenaren uit artikel 159, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 86, eerste en tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 45, eerste en tweede lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.3, eerste lid, van de Wet luchtvaart.

Naar aanleiding van het advies van het College van procureurs-generaal is in de definitie van het begrip «opsporingsambtenaar» bij de omschrijving van de buitengewone opsporingsambtenaren niet langer de toevoeging opgenomen dat die ambtenaren met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens de Wegenverkeerswet 1994 vermelde voorschriften dienen te zijn belast. Hoewel het, voor zover het gaat om de handhaving van die wet, feitelijk wel om die ambtenaren gaat, onderschrijf ik de mening van het College dat die toevoeging strikt genomen overbodig is omdat uit hun akte van beëdiging blijkt of hun opsporingsbevoegdheid zich uitstrekt tot de feiten die in de Wegenverkeerswet 1994 strafbaar zijn gesteld. Anders dan het College in zijn advies veronderstelt, zou die toevoeging echter geen inperking van de handhavingsmogelijkheden van de Wegenverkeerswet 1994 hebben betekend, omdat door de toevoeging het begrip «opsporingsambtenaar» zich uitstrekte tot alle strafbare feiten uit de Wegenverkeerswet 1994 en dus verder reikte dan de in artikel 8 van die wet strafbaar gestelde feiten die in dit besluit centraal staan.

In artikel 1, onder b en c, wordt een onderscheid gemaakt tussen een bloedonderzoek en aanvullend bloedonderzoek. Een bloedonderzoek is een onderzoek dat gericht is op het bepalen van concentraties van alcohol of de drugs die in artikel 2 zijn aangewezen. Een aanvullend bloedonderzoek is een onderzoek dat gericht is op het bepalen van de concentraties van andere stoffen dan waarop het standaard bloedonderzoek betrekking heeft. Het gaat hier om de drugs die niet in artikel 2 zijn aangewezen en geneesmiddelen. Dat onderzoek kan direct bij aanvang van het bloedonderzoek plaatsvinden alsook op een later moment. Het onderscheid tussen de twee typen onderzoek is van belang in verband met de daaraan in dit besluit te stellen eisen. Aan het eerste type onderzoek worden in dit besluit lichtere eisen gesteld dan aan het tweede type omdat dat meer standaardmatig onderzoek is.

Artikelen 2 en 3 (aanwijzing van de drugs waarvoor grenswaarden gelden en aanwijzing van de grenswaarden voor enkelvoudig en gecombineerd gebruik van drugs en van drugs en alcohol of geneesmiddelen)

Artikel 2 van dit besluit voorziet in de aanwijzing van de drugs en artikel 3 in de grenswaarden die gelden voor het strafbaar gebruik van die drugs. Die aanwijzing vloeit voort uit het nieuwe vijfde lid van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 op grond waarvan het voor een ieder verboden is een voertuig te besturen of als bestuurder te doen besturen na het gebruik van een of meer van de bij algemene maatregel van bestuur aangewezen drugs en uit onderzoek is gebleken dat de bij die drugs vermelde grenswaarden zijn overschreden. Artikel 8, vijfde lid, maakt daarbij een onderscheid tussen grenswaarden voor enkel- en meervoudig drugsgebruik en gecombineerd gebruik van drugs en alcohol. De grenswaarden voor meervoudig of gecombineerd gebruik zijn lager gesteld dan de grenswaarden voor enkelvoudig gebruik omdat een bestuurder die onder invloed van een combinatie van drugs of van een of meer drugs en alcohol aan het verkeer deelneemt, een aanzienlijk groter risico voor de verkeersveiligheid vormt dan een bestuurder die maar één drug of alleen alcohol heeft gebruikt10.

Indien een bestuurder onder invloed van één drug aan het verkeer heeft deelgenomen, gelden de zogenaamde, in artikel 3, eerste lid, vastgelegde gedragsgerelateerde grenswaarden. Dat zijn grenswaarden die een relatie leggen tussen de concentratie van de gebruikte drug en het effect daarvan op de rijvaardigheid van de bestuurder. Deze grenswaarden zijn als het ware de vertaling van de relatie tussen de concentratie van de meetbare stof van een bepaalde drug in het bloed van de bestuurder en de negatieve effecten daarvan op de rijvaardigheid die voor de inwerkingtreding van de eerder aangehaalde wet van 26 september 2014 op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 diende te worden aangetoond. De gedragsgerelateerde grenswaarden zijn gelijk aan de grenswaarden die een commissie onder leiding van het Nederlands Forensisch Instituut (verder: NFI) in het Advies grenswaarden voor drugs van 31 maart 201011 heeft voorgesteld.

Voor enkelvoudig gebruik van alcohol is in artikel 3, eerste lid, geen grenswaarde opgenomen waarboven het besturen of doen besturen van een voertuig niet is toegestaan. Dat is niet gebeurd omdat daarvoor de grenswaarden uit artikel 8, tweede en derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 gelden. Voor de ervaren bestuurder ligt die grenswaarde ingevolge artikel 8, tweede lid, bij een ademalcoholgehalte dat hoger ligt dan 220 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht of een bloedalcoholgehalte dat hoger ligt dan 0,5 promille. Voor de beginnende bestuurder ligt de grens blijkens artikel 8, derde lid, bij een ademalcoholgehalte dat hoger ligt dan 88 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht of een bloedalcoholgehalte dat hoger ligt dan 0,2 promille. Deze grens geldt ingevolge artikel 8, vierde lid, ook voor de bestuurder van een motorrijtuig die zonder rijbewijs een motorrijtuig bestuurt voor het besturen waarvan een rijbewijs vereist is.

De Scheepvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart kennen anders dan de Wegenverkeerswet 1994 geen verschil in grenswaarden voor een beginnende en ervaren bestuurder. Voor degene die op een scheepvaartweg een varend schip voert of stuurt, dan wel als loods aan boord van een zodanig schip de kapitein of de verkeersdeelnemer adviseert over de te voeren navigatie geldt op grond van artikel 27, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, een grenswaarde die gelijk is aan de grenswaarde die in de Wegenverkeerswet 1994 voor een ervaren bestuurder van een voertuig is bepaald. Die grenswaarde is ook van toepassing op degene die binnen het hoofdspoorwegverkeerssysteem of het lokale spoorwegverkeersysteem een veiligheidsfunctie uitoefent en op degene die op de uitoefening van zodanige functie toezicht houdt (zie artikel 4, tweede lid, van de Spoorwegwet respectievelijk artikel 41, tweede lid, van de Wet lokaal spoor). Voor een lid van het boordpersoneel van een luchtvaartuig is de grenswaarde bij alcoholgebruik op een vergelijkbare grenswaarde gesteld als die geldt voor de beginnende bestuurder in de Wegenverkeerswet 1994. Die grens is in artikel 2.12, derde lid, van de Wet luchtvaart vastgesteld bij een ademalcoholgehalte dat hoger ligt dan 90 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht of een bloedalcoholgehalte dat hoger ligt dan 0,2 promille.

Indien de bestuurder van een voertuig onder invloed van een combinatie van drugs heeft gereden of van een of meer drugs en alcohol, is op iedere drug waarvoor in artikel 3, eerste lid, een gedragsgerelateerde grenswaarde is vastgesteld, afzonderlijk en op alcohol een zogenaamde nullimiet of analytische grenswaarde12 van toepassing. De nullimieten zijn in het tweede lid van artikel 3 neergelegd en zijn gelijk aan de nullimieten die een soortgelijke commissie als de commissie die heeft geadviseerd over de gedragsgerelateerde grenswaarden, in het Advies analytische grenswaarden voor drugs van 26 juni 201413 heeft voorgesteld.

Nullimieten zijn grenswaarden waarbij er geen enkele relatie bestaat tussen de concentratie van de gebruikte drug en het effect of het risico daarvan op de verkeersveiligheid. Anders dan de naam van nullimieten doet veronderstellen, zijn deze limieten niet op nul gesteld, maar, zoals ook in artikel 8, vijfde lid, laatste volzin, van de Wegenverkeerswet 1994 is verwoord, op de laagst meetbare grenswaarden. De reden daarvoor is dat de apparatuur waarmee gemeten wordt, geen nul kan meten en ook omdat van GHB bekend is dat het een lichaamseigen stof is die in lage concentratie in bloed kan worden gemeten.

De in Nederland in het verkeer meest voorkomende drugs zijn cannabis (marihuana en hasj), heroïne, cocaïne, amfetamine, middelen die chemisch verwant zijn aan amfetaminen (zoals MDEA en MDMA) en GHB. In artikel 3 van dit besluit zijn dan ook voor deze drugs de grenswaarden vastgesteld waarboven het gebruik van deze drugs strafbaar is.

Voor de amfetamine-achtige stoffen (amfetamine, methamfetamine, MDMA, MDEA en MDA) is in artikel 3, tweede lid, onder a, een grenswaarde bepaald voor zowel de situatie dat een van die stoffen in combinatie met een niet-amfetamine-achtige stof is gebruikt, als voor de situatie dat verschillende van die stoffen gelijktijdig zijn gebruikt. Die grenswaarde ligt voor de amfetamine-achtige stof in de eerste situatie op 25 microgram. In de tweede situatie ligt de grenswaarde voor alle amfetamine-achtige stoffen tezamen op 50 microgram. Die grenswaarde geldt volgens artikel 3, eerste lid, onder a, ook in het geval waarin een amfetamine-achtige stof enkelvoudig is gebruikt. De verklaring voor het feit dat bij enkel- en meervoudig gebruik van amfetamine-achtige stoffen de grenswaarde op hetzelfde niveau ligt, is dat de concentraties van deze stoffen worden opgeteld, omdat de werking van die stoffen goed vergelijkbaar is. Voor de eveneens in artikel 3, eerste lid, onder a, genoemde stof cocaïne geldt dat niet. De werking van cocaïne kan niet worden vergeleken met de amfetamine-achtige stoffen. De grenswaarde voor die stof is gelijk aan de grenswaarde van een van de amfetamine-achtige stoffen of van de som van die stoffen en ligt dus op 50 microgram.

De in artikel 3 van dit besluit opgenomen grenswaarden gelden alleen in het kader van de Wegenverkeerswet 1994 en dus niet in het kader van de Scheepvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart. De reden daarvoor is dat, zoals ook al in paragraaf 1 van deze nota van toelichting uiteengezet is, in die wetten geen specifiek verbod op drugsgebruik is opgenomen. Die wetten bevatten ook geen verplichting zoals in artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 is neergelegd, om bij algemene maatregel van bestuur grenswaarden te bepalen voor enkel- en meervoudig drugsgebruik en gecombineerd gebruik van drugs en alcohol. In plaats daarvan gaan die wetten nog uit van de systematiek uit artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 die vóór de inwerkingtreding van de eerder aangehaalde wet van 26 september 2014, voor het gebruik van een van de in artikel 2 van dit besluit aangewezen drugs gold. Die systematiek houdt in dat een persoon alleen strafbaar is indien uit de bewijsmiddelen, waaronder het rapport van de deskundige die de bloedanalyse heeft uitgevoerd, de relatie kan worden aangetoond tussen de concentratie van de meetbare stof van een bepaalde drug in het bloed van betrokkene en de nadelige effecten die deze drug op de verkeersveiligheid heeft. Hiervoor wordt verwezen naar artikel 27, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, eerste lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, eerste lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 2.12, eerste lid, van de Wet luchtvaart.

De systematiek die vastligt in het eerste lid van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, is nog wel van toepassing indien een bestuurder van een voertuig een nieuwe drug heeft gebruikt die niet in artikel 2 van dit besluit is aangewezen en waarvoor in artikel 3 nog niet de gedragsgerelateerde grenswaarde en nullimiet zijn vastgesteld. Indien een drug in het verkeer wordt gebruikt waarvan uit de statistische onderzoeksgegevens van verschillende laboratoria blijkt dat van die drug steeds vaker bij bloedonderzoek meetbare stoffen worden aangetroffen, zullen deskundigen van het NFI in samenwerking met andere deskundigen uit binnen- en buitenland voor die drug de gedragsgerelateerde grenswaarde bepalen voor de situatie dat die drug enkelvoudig wordt gebruikt en de nullimiet voor het geval die drug in combinatie met een of meer andere drugs of met alcohol wordt gebruikt. Vervolgens zal worden bevorderd dat die limieten in artikel 3 worden neergelegd. In de tussentijd kan worden teruggevallen op artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 op basis waarvan tegen het gebruik van die drug strafrechtelijk kan worden opgetreden. Indien een drug die nog niet in artikel 2 is aangewezen, in combinatie is gebruikt met een drug die wel in dat artikel is aangewezen, is de grondslag voor de aanpak van dit gecombineerde gebruik, zowel artikel 8, eerste lid, als artikel 8, vijfde lid van de Wegenverkeerswet 1994. Voor de aangewezen drug geldt in die situatie de in artikel 3 vastgestelde nullimiet en voor de niet-aangewezen drug zal op basis van artikel 8, eerste lid, dienen te worden beoordeeld welk effect de drug op het gedrag van de gebruiker in het verkeer heeft gehad. De verwachting is dat het aantal keren dat op artikel 8, eerste lid, teruggevallen zal moeten worden, beperkt zal zijn omdat periodiek zal worden bezien of de drugs die in artikel 2 zijn aangewezen, aangevuld dienen te worden met nieuwe drugs en, indien dat nodig is, welke grenswaarden voor die drugs moeten worden bepaald.

De in de vorige alinea bedoelde werkzaamheden zullen worden gecoördineerd door het NFI, zoals dit instituut ook heeft gedaan in het kader van het Advies grenswaarden voor drugs en het Advies analytische grenswaarden voor drugs. Aanleiding voor het bij elkaar komen van de commissie kan, zoals hiervoor ook is opgemerkt, bijvoorbeeld zijn dat uit de statistische onderzoeksgegevens van verschillende laboratoria blijkt dat van een bepaalde, nog niet aangewezen drug steeds vaker bij bloedonderzoek meetbare stoffen worden aangetroffen. Aanleiding daarvoor kan ook zijn dat signaleringen die het Trimbos Instituut doet op het gebied van drugsgebruik in Nederland, uitwijzen dat het gebruik van een bepaalde drug sterk in opkomst is en er ook tekenen zijn dat met deze drug in het lichaam aan het verkeer wordt deelgenomen. In beide gevallen zal de commissie een consensus moeten bereiken over de vraag of het mogelijk is om voor de desbetreffende drug een grenswaarde vast te stellen en zo ja, op welke hoogte de gedragsgerelateerde grenswaarde en nullimiet voor die drug moet worden bepaald.

Morfine is in artikel 3, eerste lid, onder c, en tweede lid, onder c, opgenomen als afzonderlijke drug, maar ook als meetbare stof van de drug «heroïne». Indien tijdens het bloedonderzoek blijkt dat een bestuurder meer heeft gebruikt dan de daarvoor geldende grenswaarde van 20 microgram per liter bloed bij enkelvoudig gebruik of 10 microgram per liter bloed bij gecombineerd gebruik, zal hij wegens overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden vervolgd. Dat geldt ongeacht of de bestuurder morfine op doktersrecept als geneesmiddel heeft gebruikt of dat bij hem morfine in het bloed aangetroffen is als gevolg van het gebruik van heroïne. Op beide categorieën bestuurders zijn artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en de daarvoor in artikel 3 van dit besluit vastgestelde grenswaarden van toepassing. Met die lijn wordt aangesloten bij de systematiek van artikel 8, eerste lid, van die wet op grond waarvan voor bestuurders die verdovende middelen op doktersrecept gebruiken, ook geen uitzonderingsgrond geldt.

Op het rijden onder invloed van geneesmiddelen blijft de regeling uit artikel 8, eerste lid, van toepassing, ongeacht of de geneesmiddelen in combinatie met drugs of alcohol of enkelvoudig zijn ingenomen. De achtergrond daarvan is dat voor te weinig geneesmiddelen, bijvoorbeeld niet voor alle benzodiazepinen, grenswaarden kunnen worden vastgesteld en het bovendien lastig is om voor het geneesmiddelengebruik in het verkeer eenduidige grenswaarden te bepalen omdat de invloed van het gebruik van een geneesmiddel op de verkeersveiligheid teveel afhankelijk is van persoonlijke factoren, zoals het onderliggende ziektebeeld van betrokkene en de duur van het gebruik van het geneesmiddel14. Dat betekent dat in geval van gecombineerd gebruik van de in artikel 2 aangewezen drugs of alcohol met geneesmiddelen, alleen voor het drugs- en alcoholgebruik een nullimiet geldt.

Artikelen 4 en 5 (onderzoek van de psychomotorische functies en oog- en spraakfuncties)

De artikelen 4 en 5 bevatten, ter uitwerking van artikel 163, tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, de voorschriften die bij de uitvoering van een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties in acht moeten worden genomen en de waarborgen waarmee dat onderzoek is omgeven. Dat type onderzoek dient ter vaststelling van een mogelijk strafbaar drugs- of geneesmiddelengebruik en vervult de functie van voorselectiemiddel. Met behulp daarvan kan aannemelijk worden gemaakt dat betrokkene onder invloed is van een drug of geneesmiddel. Aanleiding voor het instellen van het onderzoek kan zijn gelegen in de constatering dat de bestuurder vreemd rijgedrag of uiterlijke kenmerken vertoont die duiden op het gebruik van drugs of geneesmiddelen terwijl het speekselonderzoek negatief was. Bij die kenmerken kan worden gedacht aan schuim om de mond of versuft gedrag. Aanleiding voor het uitvoeren van het onderzoek kan ook zijn dat een bestuurder naar alcohol ruikt, maar de opsporingsambtenaar op dat moment niet de beschikking heeft over een ademtester (zie de artikelen 6 en 7). Het onderzoek kan dan in de plaats van het voorlopig ademonderzoek worden gehouden.

De uitvoeringsregels met betrekking tot het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties zijn, zoals ook uit de formulering van artikel 4, eerste lid, blijkt, alleen van toepassing op degenen die genoemd zijn in artikel 160, vijfde lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994. Dat zijn de bestuurder van een voertuig en degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen. Doordat de vordering tot medewerking aan een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ook gericht kan worden tot degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen, kan het onderzoek ook preventief worden toegepast om te voorkomen dat iemand die op het punt staat om een voertuig te besturen alsnog daartoe overgaat. Onder het begrip «bestuurder» valt verder ook degene die het motorrijtuig doet besturen. Dat vloeit voort uit artikel 168 van de Wegenverkeerswet 1994 waarin met een bestuurder gelijk is gesteld degene die geacht wordt een motorrijtuig onder onmiddellijk toezicht van de bestuurder te besturen.

Zoals ook al in paragraaf 1 van deze nota van toelichting uiteengezet is, kennen de Scheepvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart geen bevoegdheid tot het vorderen van medewerking aan het onderhavige onderzoek. Als gevolg daarvan bevatten die wetten ook geen verplichting om ter uitvoering van die bevoegdheid bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen, zoals wel het geval is in artikel 163, tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994. De uitvoeringsregels met betrekking tot het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties zijn dan ook niet van toepassing op het scheepvaart-, spoorweg- en luchtvaartverkeer.

Artikel 4, eerste lid, voorziet erin dat de uiterlijke kenmerken waarop het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties gericht kan zijn, bij ministeriële regeling worden aangewezen. Bij die uiterlijke kenmerken kan worden gedacht aan het bepalen van iemands reactiesnelheid en evenwichtsfuncties, een onderzoek van de grootte van de pupil en de reflex van de pupil op licht. Bij het verrichten van het onderzoek moet de opsporingsambtenaar op zijn waarnemingen en de interpretatie daarvan afgaan. Indien hij op basis daarvan tot de conclusie komt dat de bestuurder of degene die aanstalten maakte een voertuig te gaan besturen vermoedelijk onder invloed van alcohol, drugs of geneesmiddelen is, vermeldt hij dat op grond van artikel 5 in het proces-verbaal en meldt hij het resultaat direct aan de betrokkene.

Indien het resultaat van het onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties positief is, wordt degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd, verdacht van overtreding van artikel 8, vijfde of eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en meegenomen naar het politiebureau waar een nader adem- of een bloedonderzoek volgt dat tot doel heeft om dat resultaat te bevestigen of te ontkrachten.

Als de speekseltester een indicatie geeft dat de bestuurder drugs heeft gebruikt, is dat voldoende om hem te bevelen bloed af te staan. Het is dan niet nodig om bij de bestuurder een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties uit te voeren. Uit artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994 volgt dat het bevel tot het afstaan van bloed niet kan worden gegeven aan degene die aanstalten maakte een voertuig te gaan besturen.

Wanneer de bestuurder de verplichting om mee te werken aan een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties niet nakomt, kan hij op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften administratiefrechtelijk of op grond van artikel 177, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 strafrechtelijk worden aangepakt. Overtreding van artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 levert namelijk op grond van artikel 177, eerste lid, onder a, van die wet een strafbaar feit op.

Artikelen 6 en 7 (voorlopig ademonderzoek)

De artikelen 6 en 7 hebben zowel betrekking op het wegverkeer als op het scheepvaart-, spoorweg- en luchtvaartverkeer en bevatten uitvoeringsregels ten aanzien van het voorlopig ademonderzoek. Dat onderzoek heeft tot doel vast te stellen of het alcoholverbod mogelijk is overtreden. In artikel 160, vijfde lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28, eerste lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, vierde lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, vierde lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.4, tweede lid, van de Wet luchtvaart wordt dit onderzoek omschreven als het voorlopig onderzoek van uitgeademde lucht. Dit type onderzoek vervult, evenals het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, de functie van voorselectiemiddel.

Het voorlopig ademonderzoek geschiedt op grond van artikel 6, eerste lid, van dit besluit door betrokkene op aanwijzing van een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 1, onder a, ademlucht te laten blazen in een daarvoor bestemde ademtester. Indien de opsporingsambtenaar geen ademtester voorhanden heeft, heeft hij ook de mogelijkheid om hem een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties te laten doen. Zowel dat onderzoek als het voorlopig ademonderzoek vervullen de functie van voorselectiemiddel.

Indien het resultaat van het voorlopig ademonderzoek indiceert dat het alcoholgehalte in de adem van degene bij wie dat onderzoek is uitgevoerd, hoger is dan de voor die stof wettelijk vastgestelde grenswaarde, dient de opsporingsambtenaar dit resultaat op grond van artikel 7 in het proces-verbaal op te nemen en direct aan de verdachte mede te delen. Op die manier is de betrokkene snel op de hoogte van het feit dat tegen hem een vermoeden van alcoholgebruik is gerezen. Daarna zal bij de verdachte een ademonderzoek worden uitgevoerd (zie voor de uitwerking van dat onderzoek de artikelen 10 en 11 van dit besluit) of een bloedonderzoek (zie voor de uitwerking van dat onderzoek de artikelen 12 tot en met 19 van dit besluit).

Artikelen 8 en 9 (onderzoek van speeksel)

Artikel 8

Artikel 8 bevat regels die tot doel hebben dat een onderzoek van het speeksel op een zorgvuldige en betrouwbare wijze bij een bestuurder van een voertuig of degene die aanstalten maakt het voertuig te gaan besturen, wordt uitgevoerd. Dit artikel vormt, evenals artikel 9, een invulling van artikel 160, vijfde lid, onder c, van de Wegenverkeerswet 1994 waarover volgens artikel 163, tiende lid, van die wet regels dienen te worden vastgesteld. Het onderzoek van speeksel is, zoals ook het geval is met het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties en het voorlopig ademonderzoek, een voorlopig selectiemiddel en strekt er vooral toe om een indicatie te verkrijgen of de bestuurder het drugsverbod uit artikel 8, vijfde lid juncto eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft overtreden. Het onderzoek van het speeksel kan, zoals ook het geval is ten aanzien van het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties, niet worden ingezet in het kader van de Scheepvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart omdat in die wetten daarvoor een grondslag ontbreekt.

Een speekselonderzoek bestaat volgens artikel 8, eerste lid, uit het door middel van een speekseltester afnemen van speeksel in de mondholte van de bestuurder en het aflezen van het resultaat van de speekseltester of het uitlezen van het bij die tester behorende apparaat. Op grond van dat artikellid mag alleen maar gebruik worden gemaakt van de speekseltester die de Minister van Veiligheid en Justitie bij ministeriële regeling heeft aangewezen. De minister zal een speekseltester pas aanwijzen als die een voldoende betrouwbaar onderzoeksresultaat oplevert en derhalve als voorselectiemiddel kan worden ingezet. In internationaal verband, laatstelijk in het Europese DRUID (Driving Under the Influence of Drugs, alcohol and medicines)-onderzoek15, is veel onderzoek gedaan naar de eisen waaraan een geschikte speekseltester moet voldoen. Bij de eisen gaat het om algemene eisen aan de speekseltester en eisen ten aanzien van de chemische aspecten en betrouwbaarheid van dat apparaat en om aanvullende eisen aan readers.

Op grond van artikel 160, vijfde lid, aanhef en onder c, juncto artikel 168 van de Wegenverkeerswet 1994 kan een opsporingsambtenaar degene die een voertuig bestuurt of doet besturen, en degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen, aan een speekselonderzoek onderwerpen. Dit kan – zo kan in reactie op het advies van de SWOV worden opgemerkt – als hij een vermoeden heeft dat betrokkene drugs heeft gebruikt, rijgevaarlijk gedrag in het verkeer vertoont of bij een aselecte drugscontrole.

In het geval het speekselonderzoek geen positief resultaat tot gevolg heeft, maar de opsporingsambtenaar wel bepaalde uiterlijke kenmerken waarneemt die duiden op het gebruik van drugs, zoals bij het gebruik van GHB het geval kan zijn, zal de opsporingsambtenaar overeenkomstig artikel 4 het onderzoek naar de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties uitvoeren. Ook indien bijvoorbeeld bij een grote verkeerscontrole geen speekseltesters meer voorradig zijn of betrokkene onvoldoende speeksel heeft voor een speekselonderzoek, kan worden overgegaan op een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties wanneer daartoe aanleiding is.

Er zijn omstandigheden denkbaar die ervoor kunnen zorgen dat het speekselonderzoek dient te worden afgebroken, bijvoorbeeld indien de bestuurder moet braken. In artikel 8, derde lid, is daarom bepaald dat, wanneer het afnemen van speeksel niet heeft geleid tot een geldig resultaat, de opsporingsambtenaar het speekselonderzoek nog ten hoogste een keer kan herhalen. Met een geldig resultaat wordt bedoeld dat het onderzoek een testresultaat heeft opgeleverd, hetzij positief, hetzij negatief. Met een negatieve uitslag wordt bedoeld dat het onderzoek geen indicatie geeft voor drugs- of geneesmiddelengebruik door de verdachte.

Artikel 8, derde lid, bevat geen verplichting voor de opsporingsambtenaar om het speekselonderzoek te herhalen. Daarvoor is gekozen omdat het niet in alle gevallen zinvol zal zijn om voor de tweede keer een speekselonderzoek te doen. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn in een situatie waarin de bestuurder weigert om mee te werken aan het eerste speekselonderzoek, bijvoorbeeld door het onderzoek bewust te frustreren of door mede te delen dat hij weigert om mee te werken. In een dergelijk geval kan tegen de bestuurder op grond van de Wet administratiefrechtelijke handhaving verkeersvoorschriften administratiefrechtelijk of op grond van artikel 177, eerste lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 strafrechtelijk worden opgetreden. Of sprake is van een weigering moet door de opsporingsambtenaar worden beoordeeld op grond van de omstandigheden van het geval.

Artikel 9

Op grond van artikel 9, tweede lid, is de opsporingsambtenaar verplicht het resultaat van het speekselonderzoek direct aan de bestuurder mede te delen. Zo weet hij of bij hem sporen van drugsgebruik zijn aangetroffen. Indien het speekselonderzoek indiceert dat de bestuurder een of meer drugs heeft gebruikt, is hij verdachte van overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 en zal hij op grond van artikel 163, vierde of vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden gevraagd of verplicht om mee te doen aan een bloedonderzoek (zie de artikelen 12 tot en met 19 van dit besluit) om de verdenking die op hem is komen te rusten, te bevestigen of te ontkrachten.

Het eerste lid van artikel 9 schrijft de opsporingsambtenaar voor dat hij van een positief resultaat van een speekselonderzoek melding doet in het proces-verbaal. In dat proces-verbaal kan hij ook melding van andere aanwijzingen maken die duiden op strafbaar gebruik van drugs. Die aanwijzingen kunnen dienen ter ondersteuning van het bewijs van overtreding van het verbod.

Indien de uitslag van het speekselonderzoek negatief is, is het, tenzij er andere aanwijzingen zijn die duiden op strafbaar drugsgebruik, niet nodig om daarvan proces-verbaal op te maken omdat de bestuurder in dat geval geen verdachte is en zijn weg kan vervolgen. Die aanwijzingen kunnen zijn verkregen op grond van een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties of zijn rijgedrag.

Bij een positief resultaat van het speekselonderzoek kan zowel aan degene die een voertuig bestuurt of doet besturen, als aan degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen op grond van artikel 162 van de Wegenverkeerswet 1994 een tijdelijk rijverbod worden opgelegd. In dat geval kan echter alleen degene die een voertuig bestuurt of doet besturen als verdachte van overtreding van artikel 8, vijfde lid, van de Wegenverkeerswet 1994 worden aangemerkt en worden gevraagd of verplicht mee te doen aan een bloedonderzoek.

Artikelen 10 en 11 (ademonderzoek)

Artikel 10

Artikel 10 bevat de uitvoeringsvoorschriften die bij een ademonderzoek naar het gebruik van alcohol in acht moeten worden genomen en de waarborgen die in dat kader van toepassing zijn. Materieel zijn die voorschriften en waarborgen gelijk aan de voorschriften en waarborgen die in de artikelen 3 tot en met 9 van het bij dit besluit ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken waren opgenomen. Het ademonderzoek wordt in beginsel verricht als het voorlopig ademonderzoek indiceert dat het alcoholgehalte in de adem van degene die aan dat onderzoek is onderworpen geweest, hoger is dan op grond van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4 van de Spoorwegwet, artikel 41 van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12 van de Wet luchtvaart is toegestaan. Het ademonderzoek fungeert anders dan het geval is met het voorlopig ademonderzoek niet als voorselectiemiddel, maar – sinds jaar en dag – als wettig bewijs voor het strafbaar gebruik van alcohol in het weg-, scheepvaart-, spoor- en luchtverkeer. Vandaar dat in artikel 10 de term «verdachte» wordt gehanteerd. Daaronder valt niet degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen. Die persoon kan, indien het voorlopig ademonderzoek indiceert dat hij onder invloed van alcohol verkeert, niet gevraagd of verplicht worden mee te werken aan een ademonderzoek. Dat volgt uit artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 10 is, zoals hiervoor is opgemerkt, inhoudelijk een samenvoeging van de artikelen 3 tot en met 9 van het oude Besluit alcoholonderzoeken, met dien verstande dat de eisen die aan het ademanalyseapparaat zullen worden gesteld, niet deels in het onderhavige besluit zijn neergelegd, zoals wel het geval was in het Besluit alcoholonderzoeken, en deels in een ministeriele regeling. De reden daarvoor is dat deze eisen sinds de vorming van de nationale politie onderdeel uitmaken van de aanbestedingsprocedure die tot de aanschaf van het ademanalyseapparaat moet leiden dat de Minister van Veiligheid en Justitie uiteindelijk bij ministeriele regeling zal aanwijzen. Tegen die achtergrond is het overbodig om die eisen ook nog eens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vast te leggen. Dit laat onverlet dat het voor de bestuurders die ervan worden verdacht met een te hoog alcoholpromillage aan het verkeer te hebben deelgenomen, duidelijk moet zijn welke eisen aan het ademanalyseapparaat gesteld zijn en dat die eisen voor hen raadpleegbaar dienen te zijn. Daarom worden die eisen met ingang van de inwerkingtreding van dit besluit op de websites van de nationale politie en het openbaar ministerie geplaatst.

Artikel 11

De inhoud van dit artikel komt materieel overeen met de artikelen 10 en 10a, eerste lid, van het voormalige Besluit alcoholonderzoeken. De voorschriften die in artikel 10a, tweede en derde lid, en artikel 11 van dat besluit over het tegenonderzoek waren gesteld, zijn in het onderhavige besluit verplaatst naar de paragraaf die gaat over het bloedonderzoek omdat zij daar systematisch beter passen.

Indien de uitslag van een ademonderzoek het vermoeden bevestigt dat het alcoholgehalte in de adem van de verdachte bestuurder hoger is dan wettelijk is toegestaan, kan hij die uitslag bestrijden door gebruik te maken van zijn recht op tegenonderzoek. Dat dient hij op grond van het derde lid van artikel 11 direct te doen nadat de opsporingsambtenaar hem op dit recht heeft gewezen. De reden daarvoor is dat het tegenonderzoek op grond van dat artikellid door middel van een bloedonderzoek geschiedt en het bloed zo snel mogelijk van hem dient te worden afgenomen omdat indien dat pas na verloop van tijd gebeurt de hoeveelheid alcohol in zijn bloed is afgenomen of verdwenen. Directe bloedafname is bovendien van belang om ervoor te zorgen dat de hoeveelheid alcohol in zijn bloed gelijk is aan de hoeveelheid alcohol in de eerder – in het kader van het ademonderzoek – afgenomen adem. Als de hoeveelheden door het tijdsverloop zouden verschillen, zou het bloedonderzoek ten onrechte een voor de verdachte gunstigere uitslag kunnen opleveren dan het ademonderzoek. Dat het bloed direct van de verdachte dient te worden afgenomen, betekent niet dat er geen tijd is om een arts of verpleegkundige op te roepen om het bloed af te nemen. Die tijd is er wel. Met directe bloedafname wordt bedoeld dat er geen uren of dagen over heen mogen gaan voordat bij de verdachte bloed wordt afgenomen. De bloedafname dient binnen een redelijke termijn te gebeuren opdat de verdachte niet onnodig van zijn vrijheid wordt beroofd.

Artikelen 12 tot en met 21 (bloedonderzoek)

De artikelen 12 tot en met 21 van dit besluit voorzien in de uitvoeringsvoorschriften die op een bloedonderzoek van toepassing zijn en de daarvoor geldende waarborgen. De waarborgen hebben onder meer betrekking op de wijze van afname van het bloed van de verdachte, de laboratoria die gerechtigd zijn het bloedonderzoek te verrichten, het bewaren van het bloed en de termijnen die op het bewaren van het bloed van toepassing zijn.

Het bloedonderzoek volgt zodra het speekselonderzoek of het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties de verdenking heeft bevestigd of heeft doen ontstaan dat degene bij wie het onderzoek is uitgevoerd, een of meer drugs of geneesmiddelen heeft gebruikt. Het wordt ook gedaan als een ademonderzoek bij betrokkene buiten zijn toedoen niet tot een geldig resultaat heeft geleid, indien aannemelijk is dat een ademonderzoek om bijzondere geneeskundige redenen bij hem onwenselijk is (zie artikel 163, derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, vierde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, derde lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, derde lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 11.6, derde lid, van de Wet luchtvaart) of indien het vermoeden bestaat dat de verdachte onder invloed verkeert van een combinatie van alcohol of een of meer drugs of geneesmiddelen. Een bloedonderzoek vindt ook plaats in het geval waarin het ademonderzoek heeft uitgewezen dat het alcoholgehalte in het bloed van betrokkene hoger is dan wettelijk is toegestaan en hij met behulp van zijn in artikel 11, tweede lid, van dit besluit verwoorde recht op tegenonderzoek dat onderzoeksresultaat wil bestrijden.

Het bloedonderzoek geldt, evenals het ademonderzoek, niet als voorselectiemiddel, maar als wettig bewijs voor overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4 van de Spoorwegwet, artikel 41 van de Wet lokaal spoor en artikel 2.12 van de Wet luchtvaart. Vandaar dat in artikel 12 en de daarop volgende artikelen die op het bloedonderzoek betrekking hebben, de term «verdachte» wordt gehanteerd. Daaronder valt niet degene die aanstalten maakt een voertuig te gaan besturen. Die persoon kan bijvoorbeeld, indien het speekselonderzoek of het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties indiceert dat hij onder invloed van drugs verkeert, niet gevraagd of verplicht worden mee te werken aan een bloedonderzoek. Dat volgt uit artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 12

Op grond van artikel 163, zesde en negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, zevende en tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, zesde en negende lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, zesde en negende lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 11.6, zesde en negende lid, van de Wet luchtvaart neemt een arts bij een verdachte bloed af om vast te kunnen stellen of de verdachte bestuurder met een te hoog alcoholpromillage of een te grote hoeveelheid drugs of geneesmiddelen aan het verkeer heeft deelgenomen. Voor zover het gaat om een verdachte die aan het wegverkeer heeft deelgenomen, kan voor dat doel ook een verpleegkundige bloed afnemen. Artikel 12, eerste lid, schrijft voor dat de arts of verpleegkundige de bloedafname primair met behulp van een venapunctie doet. Deze methode is overgenomen uit artikel 12 van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken.

Naar aanleiding van het eerder genoemde Advies grenswaarden voor drugs is onderzocht of het mogelijk zou zijn in dit besluit te kiezen voor het afnemen van bloed door middel van de voor de betrokkene minder ingrijpende vingerprik16. Ook de SWOV heeft in haar advies op de mogelijkheid van de inzet van de vingerprik geattendeerd. De conclusie van deze oriëntatie is dat de vingerprik op dit moment niet voor het onderhavige doel geschikt is omdat het waarschijnlijk te weinig bloed oplevert voor de huidige analysemethode van het bloed en nog onvoldoende duidelijk is of het bloed uit de vingerprik een gelijk meetresultaat oplevert als bloed dat via een venapunctie is verkregen.

In het geval dat de verdachte in een ziekenhuis is opgenomen en het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is om bij hem door middel van een venapunctie bloed af te nemen, staat artikel 12, eerste lid, toe dat het bloed via een infuus bij hem wordt afgenomen.

Anders dan de voormalige Raad van Korpschefs in zijn advies veronderstelt, mag een verpleegkundige zonder toezicht door en tussenkomst van een arts door middel van een venapunctie bloed afnemen. Die bevoegdheid van een verpleegkundige is neergelegd in artikel 2, onder c, van het Besluit functionele zelfstandigheid dat op artikel 39, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg is gebaseerd.

Artikel 12, eerste lid, bepaalt verder dat voor het bloedonderzoek twee buisjes worden afgenomen. Het ene buisje is bestemd voor het bloedonderzoek en een aanvullend onderzoek en het andere buisje is bestemd voor een tegenonderzoek. De hoeveelheid bloed dat ieder buisje moet bevatten en dus bij de verdachte moet worden afgenomen, wordt bij ministeriële regeling vastgesteld. Ingevolge het tweede lid van artikel 12 zal in die regeling eveneens worden voorgeschreven met welke hulpmiddelen het bloed dient te worden afgenomen.

In bijzondere omstandigheden, indien het vanuit medisch oogpunt niet verantwoord is om twee buisjes bloed van de verdachte af te nemen, kan van deze regel worden afgeweken en worden volstaan met de afname van één buisje bloed. Het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek verricht, zorgt er in dat geval voor dat er, voor zover dat mogelijk is, na het (aanvullend) bloedonderzoek genoeg overblijft voor een eventueel tegenonderzoek.

De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft aandacht gevraagd voor de situatie dat een verdachte medische bezwaren aanvoert tegen het afnemen van bloed. Volgens deze vereniging vergt de weging van die bezwaren medische kennis, die volgens haar niet, of althans niet voldoende bij een verpleegkundige aanwezig is. Zij stelt daarom voor ervoor te zorgen dat in gevallen waarin de verdachte vanwege door hem aangevoerde medische bezwaren weigert bloed te laten afnemen, een arts kan worden geconsulteerd. Uit informatie van het Forensisch Medisch Genootschap en het NFI blijkt dat er geen aandoeningen bekend zijn waarbij bloedafname bij een verdachte niet mogelijk of verantwoord is, maar waarbij betrokkene wel een motorrijtuig of een fiets kan (en mag) besturen. In de situatie waarin hij ten overstaan van een verpleegkundige medische bezwaren tegen de bloedafname aanvoert, is er voor de verpleegkundige derhalve geen reden om een arts in te schakelen. Wel kan zich bij een verkeersongeval de situatie voordoen dat de behandelend arts van de verdachte die bij dat ongeval betrokken is, oordeelt dat bij hem zo snel mogelijk medisch moet worden ingegrepen en dat om die reden bij hem (tijdelijk) geen bloed kan worden afgenomen om te bepalen of hij het verbod van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994 heeft overtreden.

Voor de bloedafname ontvangt de arts of verpleegkundige een vergoeding van de organisatie waarbij de opsporingsambtenaar werkzaam is die voor de bloedafname zorgdraagt. De hoogte van die vergoeding vormt onderdeel van de afspraken die door middel van een aanbestedingsprocedure door de politie over de beschikbaarheid en bereikbaarheid van artsen en verpleegkundigen voor het afnemen van bloed van verdachten zullen worden gemaakt. Voor de hoogte van die vergoeding kan namelijk niet bij het tarief worden aangesloten dat de Nederlandse Zorgautoriteit voor het verrichten van een dergelijke handeling heeft vastgesteld omdat de bloedafname in het kader van dit besluit niet op basis van vrijwilligheid plaatsvindt, terwijl bij het door de Nederlandse Zorgautoriteit vastgestelde tarief wel van vrijwilligheid voor bloedafname wordt uitgegaan.

De vergoeding voor de bloedafname wordt op grond van artikel 11, derde lid, van dit besluit aan de verdachte doorberekend, indien het bloedonderzoek een tegenonderzoek is dat na een positief resultaat van een ademonderzoek plaatsvindt. Dat is niet het geval indien het tegenonderzoek na het bloedonderzoek wordt uitgevoerd. Dit onderscheid vloeit voort uit het feit dat bij de eerste vorm van tegenonderzoek afzonderlijk een arts of verpleegkundige moet worden ingeschakeld om bij de verdachte bloed af te nemen, terwijl bij de tweede vorm van tegenonderzoek het bloed al in het kader van het bloedonderzoek van de verdachte is afgenomen. Als gevolg daarvan worden bij de eerste vorm van tegenonderzoek wel extra kosten gemaakt en bij de tweede vorm niet en is het ook logisch dat die kosten, nu het een onderzoek is dat op zijn eigen initiatief geschiedt, voor zijn rekening komen.

In het derde lid van artikel 12 is geregeld dat de bloedafname van de verdachte uiterlijk binnen anderhalf uur geschiedt nadat hij is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek. Van die termijn kan slechts vanwege bijzondere omstandigheden worden afgeweken. Aanleiding voor het opnemen van deze termijn is het feit dat de SWOV in haar advies over het ontwerp van dit besluit te kennen heeft gegeven dat zij voorstander is van een zo kort mogelijke tijd tussen het eerste contact van de opsporingsambtenaar met de bestuurder en het moment waarop hij van hem bloed laat afnemen. Volgens de SWOV past daarbij niet het recht van de verdachte op een tweede bloedafname dat in het ontwerp van het besluit was opgenomen. Het argument dat de SWOV voor dit standpunt aanvoert, is dat naarmate de tijd verstrijkt de werkzame stof van een bewustzijnsbeïnvloedende stof als cannabis, cocaïne en GHB steeds meer in het bloed van de bestuurder afbreekt als gevolg waarvan het risico steeds groter wordt dat de bestuurder ten aanzien van wie op basis van een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties een verdenking van drugsgebruik is gerezen, naar aanleiding van het bloedonderzoek vrijuit gaat, niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer heeft deelgenomen, maar louter doordat door het verstrijken van de tijd de concentratie van de werkzame stof van die drug onder de grenswaarde is gekomen. Ieder half uur kan die concentratie namelijk bij bepaalde stoffen halveren. Volgens de SWOV zouden er door deze zogenaamde halfwaardetijd bij een wachttijd van een uur voordat bloed van een verdachte wordt afgenomen, nog maar 27 van de 71 Nederlandse bestuurders die in het kader van het Europese DRUID-onderzoek positief op het gebruik van GHB en cannabis zijn getest, boven de in artikel 3, eerste lid, bepaalde grenswaarden uitkomen. Wanneer het bijvoorbeeld anderhalf uur zou duren voordat bloed wordt afgenomen, zouden slechts 18 van de 71 Nederlandse bestuurders die in het kader van het DRUID-onderzoek positief op het gebruik van die drugs zijn getest, boven deze grenswaarden blijven, terwijl dat er bij een wachttijd van een half uur 43 zouden zijn. Doorgaans is na een tijdsverloop van vier uur na gebruik van deze drugs geen spoor meer in het bloed van betrokkene terug te vinden.

Naar aanleiding van het advies van de SWOV heb ik het recht op een tweede bloedafname van de verdachte dan ook heroverwogen. Dat recht was overgenomen uit artikel 15 van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken. In de tijd waarin dat artikel tot stand kwam, werd ervan uitgegaan dat van een verdachte in beginsel niet binnen een uur na zijn aanhouding bloed zou (kunnen) worden afgenomen. De reden daarvoor was dat in die tijd artsen pas doorgaans na een uur beschikbaar waren. Omdat naarmate de tijd verstrijkt een steeds lager gehalte van de werkzame stof van een bewustzijnsbeïnvloedende stof als alcohol in bloed kan worden gemeten, zou een verdachte bij wie wel in een bijzonder geval binnen een uur bloed zou worden afgenomen, in een nadeliger positie komen te verkeren dan de verdachte bij wie dat na een uur zou gebeuren. Vandaar dat het ten tijde van de totstandkoming van artikel 15 gerechtvaardigd werd geoordeeld dat de eerst bedoelde verdachte na dat uur nog een keer bloed kon laten afnemen en dat het bloedonderzoek dat het laagste alcoholpromillage opleverde, bepalend was voor een eventuele vervolging op grond van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994. Op die manier had ook de bestuurder profijt van het tijdsverloop.

Aan het recht op een tweede bloedafname kleven echter, zoals de SWOV in haar advies ook heeft laten zien, belangrijke nadelen. In de eerste plaats is daaraan het hiervoor vermelde risico verbonden dat een verdachte naar aanleiding van een bloedonderzoek vrijuit gaat, niet omdat hij niet boven de grenswaarde aan het verkeer heeft deelgenomen, maar louter doordat door het verstrijken van de tijd de concentratie van de werkzame van de stof van een drug onder de grenswaarde is gekomen. Dat is vanuit oogpunt van verkeersveiligheid uiteraard ongewenst. Dat nadeel kent bovendien als keerzijden dat die bestuurder, achteraf bezien, onnodig van zijn vrijheid is beroofd en de betrokken opsporingsambtenaar en arts of verpleegkundige onnodig inspanningen hebben geleverd. De hiervoor beschreven situaties uit het advies van de SWOV tonen aan dat dat niet ondenkbeeldig is.

Met de SWOV ben ik, alles afwegende, bij nader inzien van mening dat een tweede bloedonderzoek de effectiviteit van het verbod op het deelnemen aan het verkeer onder invloed van een bewustzijnsbeïnvloedende stof niet ten goede komt. Ik heb er daarom voor gekozen dat recht niet in dit besluit op te nemen, ook niet voor het geval iemand onder invloed is van alcohol of een geneesmiddel, omdat ook die stoffen in de tijd afbreken, maar in plaats daarvan in artikel 12, derde lid, van dit besluit het uitgangspunt neer te leggen dat van een verdachte zo snel mogelijk bloed wordt afgenomen opdat de factor tijd zo min mogelijk in zijn voordeel is. Uiterlijk binnen anderhalf uur na het moment waarop de verdachte is gevorderd om mee te werken aan een speekselonderzoek of een onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties of, indien hij niet daartoe is gevorderd, binnen anderhalf uur na het eerste contact tussen de opsporingsambtenaar en de verdachte dat aanleiding was om de verdachte te vragen zijn medewerking te verlenen aan het bloedonderzoek, moet van hem bloed worden afgenomen. Na die termijn mag geen bloed meer van hem worden afgenomen en gaat hij vrijuit, tenzij er sprake is van een bijzondere omstandigheid. Een voorbeeld van een dergelijke omstandigheid is de situatie dat de verdachte ernstige verwondingen heeft opgelopen bij een verkeersongeval en een arts oordeelt dat bij hem tijdelijk geen bloed kan worden afgenomen omdat hij zo snel mogelijk moet worden behandeld. Een bijzondere omstandigheid kan ook zijn dat een arts of verpleegkundige buiten zijn toedoen, bijvoorbeeld omdat hij opgeroepen wordt voor het verrichten van een levensreddende handeling, niet op tijd beschikbaar is. Het enkele feit dat een arts of verpleegkundige tegen de met hem door de politie gemaakte afspraken niet aanwezig is om bloed af te nemen, maakt van die omstandigheid echter geen bijzondere omstandigheid.

In het geval waarin de bloedafname bij de verdachte meer dan anderhalf uur na aanvang van de hiervoor genoemde termijn heeft plaatsgevonden, is het van belang dat de bijzondere omstandigheid die daaraan ten grondslag heeft gelegen, in het proces-verbaal wordt opgenomen opdat naderhand kan worden getoetst of inderdaad daarvan sprake is geweest.

Omdat er goede afspraken tussen de politie en artsen bestaan over het afnemen van bloed ten behoeve van controles in het verkeer en er met de inwerkingtreding van de eerder aangehaalde wet van 26 september 2014 ook verpleegkundigen kunnen worden ingezet voor het afnemen van bloed bij bestuurders van voertuigen, als gevolg waarvan de groep van personen die bloed kunnen afnemen in de sector «wegverkeer» waarin het aantal deelnemers het hoogst is, aanzienlijk in omvang toeneemt, is de verwachting gerechtvaardigd dat het bloed van een verdachte binnen de gekozen termijn van anderhalf uur zal kunnen worden afgenomen. Bovendien zal de wetenschap dat een werkzame stof van een bewustzijnsbeïnvloedende stof snel kan afbreken, ervoor zorgen dat de opsporingsambtenaren er alles aan gelegen is om de bloedafname zo snel mogelijk binnen die termijn te laten geschieden.

De gestelde termijn is niet alleen in het voordeel van de verkeersveiligheid en opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen, maar ook van verdachten. Opsporingsambtenaren, artsen en verpleegkundigen zullen daardoor hun kostbare tijd en capaciteit alleen aan die mensen besteden die naar verwachting vervolgd kunnen worden en verdachten zullen zo kort mogelijk en zo min mogelijk onnodig van hun vrijheid worden beroofd.

Los van de situatie waarin zich een bijzondere omstandigheid voordoet, geldt het uitgangspunt dat de bloedafname van de verdachte aan de maximale termijn van anderhalf uur gebonden is, op grond van artikel 12, derde lid, niet indien de bloedafname ten behoeve van de uitvoering van een bloedonderzoek plaatsvindt dat enkel en alleen op het bepalen van de hoeveelheid alcohol in het bloed van de verdachte gericht is. De gedachte daarachter is dat ethanol – dat is de werkzame stof van alcohol – in het bloed, in tegenstelling tot drugs en geneesmiddelen, volgens een vast patroon afbreekt, waardoor alcohol bij overschrijding van de daarvoor vastgestelde grenswaarde, afhankelijk van de genuttigde hoeveelheid nog vele uren na het moment van inname in het bloed van betrokkene aantoonbaar kan zijn. De alcoholconcentratie in bloed kan bovendien in de tijd worden teruggerekend. Een bloedonderzoek naar het gebruik van alcohol kan daarom ook na de termijn van anderhalf uur nog zinvol zijn. Uiteraard dient de bloedafname voor een dergelijk onderzoek wel binnen een redelijke termijn te gebeuren opdat de verdachte niet nodeloos van zijn vrijheid wordt beroofd.

Voor de inzet van het speekselonderzoek en het onderzoek van de psychomotorische functies en de oog- en spraakfuncties ter vaststelling van het gebruik van drugs of geneesmiddelen door de bestuurder is in dit besluit geen maximale termijn gesteld omdat die termijn uit de aard der zaak al voor die onderzoeken geldt nu het bloedonderzoek dat op die onderzoeken volgt, al aan een maximale tijdspanne is gebonden.

De inhoud van twee artikelen die wel in het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken waren opgenomen, zijn niet in artikel 12 of een van de daarop volgende bepalingen verwerkt.

In de eerste plaats is artikel 16, eerste lid, van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken niet overgenomen. In dat artikellid was een regeling getroffen voor de verdachte die door zijn fysieke of psychische toestand niet in staat is toestemming te geven voor het afnemen van bloed ten behoeve van de uitvoering van een bloedonderzoek. Die situatie kan zich bijvoorbeeld voordoen indien hij slachtoffer is van een verkeersongeval en als gevolg daarvan buiten bewustzijn is geraakt. Artikel 163, negende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, tiende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, negende lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, negende lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.6, negende lid, van de Wet luchtvaart bevatten al een grondslag om in een dergelijk geval met toestemming van de verdachte bloed af te nemen op het moment dat hij in staat is om die te verlenen. Ook kennen die artikelleden een voorziening voor het geval hij niet binnen redelijke termijn een besluit kan nemen om al dan niet op vrijwillige basis zijn bloed af te staan. In dat geval kan dat op gedwongen wijze plaatsvinden. Omdat de bescherming van de verdachte die in een hierboven beschreven toestand van onmacht verkeert, al bij formele wet gewaarborgd is en die wet bovendien een beschrijving van de te volgen procedure bevat, zou het opnemen van een bepaling als artikel 16, eerste lid, van het oude Besluit alcoholonderzoeken in dit besluit een overbodige herhaling vormen en overregulering inhouden.

In de tweede plaats bevat artikel 12 of een van de daarop volgende bepalingen geen regeling voor het afstaan en onderzoeken van urine. Hoewel artikel 163, achtste lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, negende lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, achtste lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, achtste lid, van de Wet lokaal spoor en artikel 11.6, achtste lid, van de Wet luchtvaart erin voorzien dat een verdachte verplicht is aan een urineonderzoek mee te werken, ingeval om bijzondere geneeskundige redenen geen mogelijkheid bestaat om van hem bloed af te nemen, is ervan afgezien om naar analogie van de artikelen 17 tot en met 22 van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken regels te stellen over de wijze waarop een urineonderzoek dient te worden uitgevoerd. De eerste reden daarvoor is dat het urineonderzoek ongeschikt is voor het bepalen of het drugsgebruik van de verdachte hoger is dan de in artikel 3 voor die drugs vastgestelde grenswaarden. Door middel van urineonderzoek kan namelijk slechts worden vastgesteld dat de verdachte drugs heeft gebruikt, maar niet de gevolgen daarvan voor zijn rijvaardigheid. Ook ten aanzien van geneesmiddelen is het niet mogelijk om op grond van de hoogte van het gehalte in de urine de gevolgen daarvan voor zijn rijvaardigheid te bepalen. Dat is bewijsrechtelijk wel van belang omdat voor strafbaarheid op grond van artikel 8, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 de relatie tussen het medicijngebruik van de verdachte en de negatieve gevolgen daarvan voor zijn rijvaardigheid dienen te worden aangetoond. Deze relatie kan slechts worden gelegd als bekend is wat het medicijngehalte in het bloed van de verdachte is. Dat gehalte kan slechts door middel van bloedonderzoek worden bepaald. Voor het vaststellen van het alcoholgehalte is een urineonderzoek tot slot op zich wel een goed middel, omdat het promillage alcohol waarmee aan het verkeer is deelgenomen, met urine kan worden vastgesteld, maar de toepassing van een dergelijk onderzoek is in de praktijk niet aan de orde omdat, zoals ook eerder in de toelichting op het onderhavige artikel is uiteengezet, er geen medische gronden zijn op grond waarvan bij de verdachte geen bloed kan worden afgenomen. Dat uitvoering van urineonderzoek niet langer mogelijk is bij personen van wie vermoed wordt dat zij onder invloed van alcohol, drugs of geneesmiddelen verkeren, zal gelet op het vorenstaande dan ook geen problemen met de bewijslast van het gebruik van die stoffen opleveren.

Artikel 13

Net als in artikel 14 van het oude Besluit alcoholonderzoeken was bepaald, moet volgens artikel 13, eerste lid, van dit besluit een opsporingsambtenaar bij de bloedafname aanwezig zijn. Hij dient op grond van onderdeel a van dat artikellid de gang van zaken van de bloedafname in een proces-verbaal van bevindingen vast te leggen. Voordat het bloed naar het laboratorium wordt verzonden waar het bloedonderzoek zal plaatsvinden, moet hij er voorts voor zorgen dat het afgenomen bloed administratief wordt gekoppeld aan de persoon van wie bloed is afgenomen en aan het proces-verbaal waarin de bloedafname wordt beschreven. In dat proces-verbaal moet hij daarom volgens artikel 13, eerste lid, onder a, de naam, het geslacht, de geboortedatum en -plaats en het geboorteland en het burgerservicenummer (BSN) van de verdachte van wie bloed is afgenomen, noteren, alsmede het sporenidentificatienummer (verder: SIN) met bijbehorende barcode zetten. Wanneer het SIN op het proces-verbaal ontbreekt, hoeft dat niet te betekenen dat het onderzoek gebrekkig is geweest, mits maar op enigerlei wijze aannemelijk kan worden gemaakt dat vergissing over de herkomst van het bloed uitgesloten is.

Van de verdachte worden, indien twijfels over zijn identiteit bestaan, op grond van artikel 55c, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering na een bevel van de officier van justitie of hulpofficier van justitie een of meer foto’s en vingerafdrukken afgenomen ten behoeve van de vaststelling van zijn identiteit. Indien de verdachte bijvoorbeeld een vals of vervalst identiteitsbewijs heeft overgelegd, kan mogelijk met behulp van deze biometrische persoonsgegevens alsnog zijn identiteit worden achterhaald. De personalia en de eventuele biometrische persoonsgegevens van de verdachte worden aan het strafrechtsketennummer (SKN) gekoppeld dat op grond van artikel 27b, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering aan hem is toegekend. Omdat particuliere laboratoria die een bloedonderzoek uitvoeren geen organen zijn die met de toepassing van het strafrecht zijn belast, mag de politie in het kader van de uitwisseling van informatie met hen over een verdachte niet het SKN van de verdachte gebruiken (zie artikel 27b, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafvordering). De politie dient voor dat doel op grond van artikel 27b, derde lid, zijn BSN te gebruiken.

De opsporingsambtenaar zorgt er op grond van artikel 13, eerste lid, onder c, voor dat de buisjes met bloed worden verpakt in een speciale verpakking, het zogenaamde «bloedblok», en dat die buisjes naar een laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid, worden opgestuurd. Op of in deze verpakking brengt hij hetzelfde SIN aan dat hij op het proces-verbaal heeft geplaatst. Die handeling verricht hij ook ten aanzien van de twee buisjes met bloed dat de arts of verpleegkundige overeenkomstig artikel 12 van dit besluit heeft afgenomen. Op ieder buisje bloed brengt hij een SIN aan dat qua nummer opvolgend is aan het SIN op het proces-verbaal.

Indien een verdachte voor een tweede keer op dezelfde dag betrokken raakt bij een onderzoek naar het gebruik van een bewustzijnsbeïnvloedende stof en bij hem wederom bloed wordt afgenomen, kent de opsporingsambtenaar aan het bijbehorende proces-verbaal alsmede aan de buisjes van die nieuwe bloedafname en de verpakking daarvan nieuwe SIN’s toe.

Op grond van artikel 13, eerste lid, onder b, dient de opsporingsambtenaar een eventueel door de arts of verpleegkundige afgelegde schriftelijke verklaring waarin hij zijn waarnemingen met betrekking tot de verdachte heeft neergelegd, als bijlage bij het proces-verbaal te voegen. Die waarnemingen kunnen bijvoorbeeld bestaan uit de constatering dat de verdachte uiterlijke kenmerken vertoonde waarvan hem beroepshalve bekend is dat deze kenmerken voorkomen bij gebruik van een bepaalde drug. Door deze verklaring bij het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar te voegen wordt voorkomen dat de verklaring van de arts of verpleegkundige als «de auditu-verklaring» in het proces-verbaal van de opsporingsambtenaar wordt opgenomen.

De opsporingsambtenaar is op grond van het tweede lid van artikel 13 verplicht de verdachte bij de afname van zijn bloed op het recht op tegenonderzoek te wijzen, tenzij de bloedafname na het ademonderzoek in het kader van een tegenonderzoek geschiedt. In dat geval zou het wijzen op dat recht overbodig zijn omdat het bloedonderzoek dan het tegenonderzoek is en de verdachte geen tweede keer een beroep op dat recht kan doen. Bovendien rust op grond van artikel 11, tweede lid, op de opsporingsambtenaar al de verplichting hem na een positief resultaat van het ademonderzoek op dat recht te attenderen.

Artikel 14

In artikel 14, tweede lid, van dit besluit is een omschrijving gegeven van de laboratoria die bloedonderzoeken mogen verrichten. Hierdoor is het niet langer nodig de laboratoria afzonderlijk aan te wijzen, zoals artikel 19, eerste lid, van het voormalige Besluit alcoholonderzoeken voorschreef. Ieder laboratorium dat aan de hierna vermelde kwaliteitseisen voldoet, kan een bloedonderzoek verrichten en vaststellen welke en hoeveel bewustzijnsbeïnvloedende stof of stoffen in het bloed van de verdachte voorkomen. Dat neemt niet weg dat, net zoals nu het geval is, het primaat van de bloedonderzoeken in de praktijk bij het NFI zal blijven liggen. Die stelling is gebaseerd op de pilot die in het najaar van 2009 tot eind 2011 op initiatief van het Ministerie van Veiligheid en Justitie heeft plaatsgevonden17. Deze pilot had tot doel inzicht te verkrijgen in het effect van de inschakeling van particuliere instituten op de strafrechtsketen en op de kwaliteit, veiligheid en informatie en continuïteit van beschikbaarheid van forensisch onderzoek. Uit de pilot is gebleken dat slechts in een zeer klein aantal gevallen particuliere instituten toxicologisch onderzoek doen. Door in dit besluit de mogelijkheid te behouden dat een laboratorium van een ander instituut dan het laboratorium van het NFI voor een bloedonderzoek wordt ingeschakeld, wordt de nodige flexibiliteit tijdens het opsporingsonderzoek gewaarborgd. Redenen om naar een ander laboratorium uit te wijken kunnen de capaciteit van het NFI zijn of de snelheid waarmee het bloedonderzoek moet worden verricht. Mocht in de praktijk blijken dat het aantal bloedonderzoeken waartoe opdracht wordt gegeven, het aantal bloedonderzoeken overstijgt dat het NFI met het openbaar ministerie en de politie in het zogenaamde Service Level Agreement heeft afgesproken te zullen uitvoeren, dan biedt dit besluit de mogelijkheid om de bloedonderzoeken die het NFI niet kan verrichten, alsnog bij een ander laboratorium te laten uitvoeren. Een andere reden om een ander laboratorium dan het laboratorium van het NFI in te schakelen kan zijn dat het vanwege de met het transport gemoeide afstand en tijd onwenselijk is om het afgenomen bloed bij het NFI te laten onderzoeken. In dat geval biedt dit besluit de mogelijkheid om te kiezen voor het meest dichtbij zijnde laboratorium dat voldoet aan de in artikel 14, tweede lid, van dit besluit gestelde eisen.

Slechts die laboratoria komen in aanmerking voor het verrichten van een bloedonderzoek die volgens de NEN-EN ISO/IEC 17 025 of een daarmee vergelijkbare norm geaccrediteerd zijn, bijvoorbeeld de ISO 15189 die geldt voor de accreditatie van medische laboratoria, en deskundig zijn op het gebied van bio-analyse. Indien laboratoria aan deze eisen voldoen, hebben zij onderzoekers in dienst die voor het verrichten van het bloedonderzoek met succes de benodigde opleidingen hebben afgerond en het bloedonderzoek op een betrouwbare en zorgvuldige manier kunnen doen. Vergelijkbare kwaliteitseisen gelden in artikel 14, tweede lid, ook voor buitenlandse laboratoria.

De accreditatie wordt, voor zover een laboratorium in Nederland is gevestigd, verleend door de Raad voor Accreditatie. Artikel 14, derde lid, bepaalt dat indien de Raad niet tijdig op de aanvraag van een laboratorium om accreditatie beslist, niet van rechtswege aan dit laboratorium een accreditatie wordt geacht te zijn verleend. Dat is gedaan door de aanvraag om accreditatie uit te zonderen van de regeling van de zogeheten lex silencio positivo die in paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is neergelegd. Een laboratorium mag dus alleen maar een bloedonderzoek uitvoeren als het daadwerkelijk geaccrediteerd is. Daarvoor is gekozen omdat accreditatie de garantie biedt dat een bloedonderzoek deugdelijk en zorgvuldig wordt uitgevoerd. De betrouwbaarheid van het resultaat van een dergelijk onderzoek moet groot zijn omdat dat een rol kan spelen in het bewijs dat een verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan overtreding van het in de Wegenverkeerswet 1994, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor of de Wet luchtvaart neergelegde verbod op het rijden onder invloed van een bewustzijnsbeïnvloedende stof als alcohol of drugs. In artikel 14, derde lid, van het onderhavige besluit is daarom bepaald dat het laboratorium alleen een bloedonderzoek mag uitvoeren als het daadwerkelijk geaccrediteerd is.

In artikel 14, vierde lid, is bepaald dat het een laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek uitvoert, niet langer toegestaan is een bloedonderzoek te verrichten als de in het tweede lid bedoelde accreditatie is ingetrokken of geschorst of na haar vervaldatum niet is verlengd. De reden daarvoor is dat buiten kijf moet staan dat het laboratorium in staat is om de onderzoeker het bloedonderzoek op een deugdelijke en zorgvuldige wijze te laten verrichten. De accreditatie van de Raad voor Accreditatie is vier jaar geldig. Na die periode vindt een nieuwe beoordeling van het laboratorium plaats die even omvangrijk is als de beoordeling die ten grondslag heeft gelegen aan de destijds verleende accreditatie. Als een laboratorium eenmaal is geaccrediteerd, wordt periodiek – doorgaans jaarlijks – gecontroleerd of het voldoet aan de noodzakelijke eisen en of nog steeds wordt gewerkt volgens de juiste procedures. Indien de Raad voor Accreditatie vaststelt dat dit niet langer het geval is, stelt hij het desbetreffende laboratorium in de gelegenheid de geconstateerde tekortkomingen te herstellen. Als het laboratorium hieraan niet binnen de gestelde termijn voldoet, kan de Raad het laboratorium schorsen. Wanneer het geschorste laboratorium niet binnen zes maanden voldoende maatregelen neemt, kan de Raad de accreditatie intrekken. Verder kan de Raad na vier jaar weigeren de accreditatie opnieuw te verlenen omdat het laboratorium niet meer aan de eisen voldoet.

In het ontwerp van dit besluit was er in voorzien dat een deskundige van een laboratorium pas een bloedonderzoek kon verrichten als hij over een opdracht van de officier van justitie beschikte. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak, het College van procureurs-generaal en de voormalige Raad van Korpschefs hebben zich in hun adviezen daar echter kritisch over uitgelaten. De Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak heeft in haar advies erop aangedrongen om deze nieuwe taak van de officier van justitie kritisch te bezien vanuit het oogpunt van juridische noodzaak, efficiëntie en praktische uitvoering. Volgens deze vereniging stuit de huidige praktijk waarin de opsporingsambtenaar zonder tussenkomst van een officier van justitie het NFI een bloedonderzoek laat doen, niet op bezwaren en is zij niet overtuigd van de meerwaarde of de noodzaak van het veranderen van die praktijk. Dat geldt temeer omdat volgens haar de te volgen procedure en het doel van het onderzoek helder zijn omschreven. Ook het College van procureurs-generaal is niet overtuigd van de meerwaarde van de inzet van de officier van justitie. Het College stelt dat deze wijziging in de procedure alleen maar extra administratie veroorzaakt, omdat de politie contact moet leggen met een officier van justitie voordat hij de opdracht kan geven en dat op die manier zowel bij de politie als het openbaar ministerie een administratie moet worden bijgehouden over het verzenden van bloed naar laboratoria. De voorgestelde procedure vindt het College verder onnodig complex en tijdrovend, waardoor het streven om verdachten zo snel mogelijk op de hoogte te stellen van het resultaat van het onderzoek en zaken zo snel mogelijk af te doen in het gedrang komt. De voormalige Raad van Korpschefs was om vergelijkbare redenen als het College van procureurs-generaal geen voorstander van verandering van de huidige werkwijze.

In het ontwerp van dit besluit was ervoor gekozen om de bevoegdheid tot het laten verrichten van een bloedonderzoek toe te bedelen aan de officier van justitie omdat dat dat aansloot bij de systematiek van de in de paragraaf 1 genoemde Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek van het College van procureurs-generaal. Volgens die aanwijzing is het bloedonderzoek naar de aanwezigheid van alcohol, drugs en geneesmiddelen technisch onderzoek dat als deskundigenonderzoek in de zin van artikel 150 van het Wetboek van Strafvordering moet worden bestempeld. Voor het uitvoeren van een dergelijk onderzoek dient naar het oordeel van het College de officier van justitie een deskundige te benoemen18. De reden hiervoor is onder meer dat het bloedonderzoek volgens het College aangemerkt kan worden als aanvullend onderzoek omdat het verder reikt dan de vaststelling van de aanwezigheid van een of meer van de stoffen uit bijlage 2 bij de aanwijzing. In het bloedonderzoek dient immers ook de concentratie van alcohol, drugs of geneesmiddelen bepaald te worden, en voor zover, het gaat om niet in artikel 2 aangewezen drugs, alsmede geneesmiddelen, ook de invloed van deze stoffen op de verkeersveiligheid19. Andere redenen waarom het bloedonderzoek volgens de aanwijzing als deskundigenonderzoek moet worden beschouwd waarvoor de officier van justitie verantwoordelijk is, zijn dat het onderzoek niet wordt verricht door een opsporingsinstantie, maar door een geaccrediteerd laboratorium en het onderzoek ook een tegenonderzoek kan inhouden. Hoewel het advies dat het College over het ontwerp van dit besluit heeft uitgebracht, niet strookt met de door hem vastgestelde Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek en de bevoegdhedenverdeling in artikel 150 van het Wetboek van Strafvordering op grond waarvan de officier van justitie verantwoordelijk is voor deskundigenonderzoek en de hulpofficier van justitie voor technisch onderzoek, ben ik wel gevoelig voor het argument van het College, de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak en de voormalige Raad van Korpschefs dat de huidige praktijk waarin de opsporingsambtenaar de opdracht geeft tot het laten uitvoeren van een bloedonderzoek en ook bepaalt op welke stof of stoffen dat onderzoek gericht moet zijn, goed functioneert. Vanuit dat perspectief bestaat voor het veranderen van die praktijk geen reden en derhalve ook niet voor het overhevelen van de bevoegdheid van de opsporingsambtenaar naar de officier van justitie. Daarbij komt dat de regeling uit de Wegenverkeerswet 1994, de Scheepsvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor en de Wet luchtvaart over het bloedonderzoek ter vaststelling van strafbaar gebruik van alcohol, drugs of geneesmiddelen en dit besluit een lex specialis zijn ten opzichte van de regeling over de deskundige in strafzaken uit het Wetboek van Strafvordering. Tegelijk acht ik het wel van belang dat ten aanzien van de bevoegdhedenverdeling voor dat bloedonderzoek zoveel mogelijk wordt aangesloten bij de bevoegdhedenverdeling in de regeling over de deskundige in strafzaken. Dat heeft ertoe geleid dat de bevoegdheid tot het laten uitvoeren van een meer standaardmatig bloedonderzoek in artikel 14, eerste lid, van dit besluit is toegekend aan de opsporingsambtenaar. Het gaat hier om het onderzoek dat gericht is op het vaststellen van de aanwezigheid van alcohol en de in artikel 2 van dit besluit aangewezen drugs in het bloed en van de daarin aanwezige hoeveelheid van die stof of stoffen. Zodra het bloedonderzoek betrekking heeft op drugs die niet in artikel 2 zijn aangewezen of op geneesmiddelen – dit onderzoek wordt in het besluit aangeduid als aanvullend bloedonderzoek –, is op grond van artikel 18, tweede lid, onder b, de hulpofficier van justitie daarmee belast. Omdat dat onderzoek geen standaardmatig onderzoek is en relatief kostbaar is, is het wenselijk dat de verantwoordelijkheid voor dat onderzoek bij een hogere functionaris ligt en dat hij de omvang en de richting van dat onderzoek bepaalt. Ik zal het College verzoeken zijn Aanwijzing technisch opsporingsonderzoek/deskundigenonderzoek daarmee in overeenstemming te brengen.

Aan een aanvullend bloedonderzoek kan direct bij aanvang van het bloedonderzoek naar het gebruik van alcohol of de in artikel 2 aangewezen drugs, alsook op een later moment behoefte bestaan. In beide gevallen is de hulpofficier van justitie degene die de opdracht tot het bloedonderzoek geeft. In het geval dat het nodig wordt geoordeeld dat het aanvullend bloedonderzoek tegelijk plaatsvindt met het bloedonderzoek naar het gebruik van alcohol of de in artikel 2 aangewezen drugs, is de hulpofficier van justitie ook voor het laatste bloedonderzoek de opdrachtgever en niet de opsporingsambtenaar.

In artikel 14, eerste lid, is gekozen voor de term «onderzoeker». Deze term is ruimer dan het begrip «deskundige», en omvat ook dat begrip. Door die term in plaats van begrip «deskundige» te hanteren is het mogelijk dat voor de uitvoering van een meer standaardmatig onderzoek – dat is, zoals hiervoor is beschreven, het onderzoek dat gericht is op het vaststellen van de aanwezigheid van alcohol en de in artikel 2 aangewezen drugs in het bloed en van de daarin aanwezige hoeveelheid van die stof of stoffen – ook een minder gekwalificeerde medewerker van een laboratorium de eindverantwoordelijkheid kan dragen en dat een deskundige die verantwoordelijkheid slechts heeft als de zwaarte van het onderzoek dat vereist.

Artikel 15

Artikel 15 legt, overeenkomstig de huidige praktijk, het laboratorium waaraan de onderzoeker is verbonden die het bloedonderzoek verricht, de verplichting op om na ontvangst van de buisjes met het afgenomen bloed de in dat artikel voorgeschreven gegevens in een bestand vast te leggen. In vrijwel alle gevallen zal dat het laboratorium van het NFI zijn (zie ook de toelichting op artikel 14). Het vastleggen van die gegevens is onder meer van belang om te voorkomen dat onduidelijkheid over de verblijfplaats van het bloed kan ontstaan en te kunnen waarborgen dat het bloed en de daarbij behorende gegevens beschikbaar zijn op het moment dat zij nodig zijn voor een aanvullend bloedonderzoek of een tegenonderzoek.

De naam, het geslacht en de geboortedatum van de verdachte zijn enkele van de in artikel 15 opgesomde gegevens die het laboratorium dat het bloedonderzoek zal verrichten, in een bestand moet vastleggen. Op grond van artikel 27b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is het NFI ook verplicht het strafrechtsketennummer (SKN) van de verdachte te registeren. Op andere laboratoria dan het laboratorium van het NFI rust die verplichting niet omdat zij geen partner in de strafrechtsketen zijn en om die reden het SKN niet mogen gebruiken. Deze laboratoria gebruiken voor de uitwisseling van informatie met het NFI of met een verdachte die een tegenonderzoek aanvraagt, op grond van artikel 27b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering het burgerservicenummer (BSN). Ook het NFI gebruikt voor dat doel dat nummer. Het College bescherming persoonsgegevens heeft in zijn advies vraagtekens geplaatst bij de noodzaak van het gebruik van het BSN in het kader van de informatie-uitwisseling met partijen buiten de strafrechtsketen18. Voor een organisatie in de strafrechtsketen is het BSN echter sinds 1 mei 201419 het voertuig voor de communicatie met een organisatie buiten die keten indien in het kader daarvan gebruikt wordt gemaakt van identificerende persoonsgegevens van een verdachte.

Artikel 16

Artikel 16 bevat verplichtingen voor de onderzoeker die het bloedonderzoek verricht. Deze voorschriften dienen mede ter uitwerking van artikel 51l van het Wetboek van Strafvordering waarin eisen aan het verslag van een deskundige zijn gesteld.

In artikel 16, eerste en tweede lid, is bepaald dat de onderzoeker binnen twee weken het bloedonderzoek moet uitvoeren en dat hij van de resultaten van het onderzoek een met redenen omkleed schriftelijk verslag opmaakt en dat verslag ondertekent. Onder «ondertekenen» kan niet alleen een «natte handtekening», maar ook een elektronische handtekening worden begrepen. Een elektronische handtekening kan slechts worden gebruikt indien de authenticiteit en integriteit ervan voldoende is gewaarborgd.

Het vierde lid bepaalt welke onderdelen het verslag in ieder geval dient te bevatten. De verplichting om deze informatie op te nemen, dient onder meer voor eenduidigheid te zorgen in de door de onderzoekers op te maken verslagen. Het verslag dient in ieder geval de methode met behulp waarvan het onderzoek is verricht (onder c), en de uitslag van het onderzoek (onder d) te bevatten. Aan de methode zullen naar analogie van de regeling in artikel 19, tweede lid, van het ingetrokken Besluit alcoholonderzoeken juncto artikel 8, eerste lid, van de ingetrokken Regeling bloed- en urineonderzoek eisen worden gesteld die bij ministeriële regeling zullen worden bepaald.

Artikel 17

Artikel 17 bepaalt dat de opsporingsambtenaar de verdachte binnen een week na ontvangst van het verslag van het bloedonderzoek schriftelijk de uitslag van het onderzoek mededeelt. Op grond van artikel 18, tweede lid, onder c, is hij ook degene die de verdachte van de uitslag van een aanvullend bloedonderzoek op de hoogte stelt. Op die wijze komt de verdachte op de hoogte van het feit of hij wel of niet het alcohol-, drugs- of geneesmiddelenverbod uit de Wegenverkeerswet 1994, de Scheepsvaartverkeerswet, de Spoorwegwet, de Wet lokaal spoor of de Wet luchtvaart heeft overtreden. Uiteraard staat met de schriftelijke mededeling van een negatieve uitslag van het bloedonderzoek voor de verdachte vast dat hij geen strafbaar feit heeft gepleegd en dat hij niet verder betrokken zal worden in een strafrechtelijke procedure. Het verzenden van een schriftelijke mededeling naar het adres dat de verdachte zelf heeft opgegeven, is overigens voldoende.

Artikel 18

Artikel 18 bevat regels voor het uitvoeren van een aanvullend bloedonderzoek. De onderzoeker die dat onderzoek zal doen, verkrijgt daartoe de beschikking over het buisje bloed dat nodig is om het onderzoek te doen.

Aanvullend onderzoek kan nodig zijn in het geval het resultaat van een standaard onderzoek naar de aanwezigheid van alcohol of drugs in het bloed van de verdachte negatief is en in de loop van het opsporingsonderzoek nieuwe feiten of omstandigheden het redelijk vermoeden doen ontstaan dat de verdachte ten tijde van de bloedafname niettemin onder invloed van een bewustzijnsbeïnvloedende stof moet zijn geweest. De hulpofficier van justitie dient de opdracht tot een aanvullend onderzoek te geven voor het verstrijken van de in artikel 20, eerste lid, genoemde bewaartermijn van zes maanden. Na het verstrijken van die termijn dient het bloed immers door het laboratorium vernietigd te worden. Bij het bepalen van het moment waarop de hulpofficier van justitie de opdracht tot een aanvullend onderzoek geeft, dient hij er tevens rekening mee te houden dat er voor de verdachte voldoende tijd is om een tegenonderzoek te kunnen laten uitvoeren.

Het aanvullend bloedonderzoek dient in beginsel binnen vier weken na ontvangst van de van de verdachte afgenomen buisjes bloed te zijn verricht. Deze termijn is twee weken langer dan de termijn die voor de uitvoering van het standaard bloedonderzoek in artikel 16, eerste lid, is gesteld. De reden daarvoor is dat het aanvullend bloedonderzoek ingewikkelder onderzoek is dan het standaard bloedonderzoek en daardoor meer tijd vergt. Indien zich bijzondere omstandigheden voordoen als gevolg waarvan de termijn van vier weken in redelijkheid niet haalbaar is, is het toegestaan het aanvullend bloedonderzoek binnen zes weken uit te voeren. Bij die omstandigheden kan bijvoorbeeld worden gedacht aan de situatie dat het betrokken laboratorium een bepaalde referentiestof voor het uitvoeren van het onderzoek niet voorhanden heeft en die stof daarom besteld moet worden en niet binnen een dusdanige termijn geleverd kan worden dat het aanvullende bloedonderzoek nog in redelijkheid binnen een termijn van vier weken kan worden verricht.

Indien bij de bloedafname al duidelijk is dat gelijktijdig met het standaard bloedonderzoek een aanvullend bloedonderzoek zal plaatsvinden, dient de verdachte op dat moment erop gewezen te worden dat hij recht op tegenonderzoek heeft indien de uitslag van het bloedonderzoek, het aanvullend bloedonderzoek of beide onderzoeken positief is. Dat geldt ook indien op het moment van de bloedafname nog onduidelijk is of een aanvullend bloedonderzoek naast of in vervolg op een bloedonderzoek zal worden verricht. In dat geval dient de opsporingsambtenaar hem erop te wijzen dat met het bloed dat van hem is afgenomen, op een later moment een aanvullend bloedonderzoek kan worden verricht en dat hij bij een positieve uitslag van dat aanvullend onderzoek, net zoals bij het standaard bloedonderzoek het geval is, recht op tegenonderzoek heeft. Het vorenstaande vloeit voort uit het feit dat in artikel 18, tweede lid, artikel 13, tweede lid, van overeenkomstige toepassing is verklaard en uit het aan artikel 18, tweede lid, toegevoegde onderdeel c.

Artikel 19

Nadat het resultaat van het bloedonderzoek aan de verdachte medegedeeld is, heeft hij naar analogie van artikel 150a, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering en overeenkomstig artikel 163, tiende lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 28a, elfde lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 89, tiende lid, van de Spoorwegwet, artikel 48, tiende lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 11.6, tiende lid, van de Wet luchtvaart het recht om binnen twee weken na de datum van dagtekening van de kennisgeving van het resultaat van het bloedonderzoek een tegenonderzoek te laten verrichten. De regels die in artikel 19 voor het uitvoeren van een tegenonderzoek zijn neergelegd, vormen een nadere invulling van artikel 150c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering.

Anders dan in het ontwerp van het besluit was geregeld, is naar aanleiding van het advies van de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak voor het verrichten van een tegenonderzoek geen interventie van de officier van justitie vereist en ook niet van een andere functionaris. De verdachte kan zelf beslissen of hij een tegenonderzoek wil laten uitvoeren. Indien hij dat wenst, dient hij voor dat onderzoek op grond van artikel 19, derde lid, een bedrag te betalen aan het laboratorium dat het onderzoek voor hem zal uitvoeren. Indien hij die verplichting niet binnen twee weken nakomt, vervalt op grond van het vierde lid van artikel 19 zijn recht op tegenonderzoek.

De verdachte bepaalt zelf of hij het resultaat van het tegenonderzoek in zijn strafzaak inbrengt. Indien het resultaat van het tegenonderzoek het vermoeden niet bevestigt dat hij artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27 van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4 van de Spoorwegwet, artikel 41 van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12 van de Wet luchtvaart heeft overtreden, ontvangt hij op grond van artikel 19, vijfde lid, het bedrag dat hij voor dat onderzoek heeft betaald, uit ’s Rijks kas terug, tenzij uiteraard later blijkt dat het laboratorium het tegenonderzoek bijvoorbeeld met een methode heeft uitgevoerd die niet aan de bij de ministeriele regeling gestelde eisen voldoet. Dat geldt bijvoorbeeld ook indien door tijdsverloop rekenkundig te verklaren is waarom het alcoholpromillage in het bloed van de verdachte bij het tegenonderzoek lager uitvalt dan bij het initiële onderzoek.

De onderzoeker die het tegenonderzoek verricht, moet dat onderzoek op gelijkwaardige wijze verrichten als de onderzoeker die het eerste onderzoek heeft uitgevoerd. Dat betekent onder meer dat de methode met behulp waarvan hij het tegenonderzoek verricht, gelijkwaardig dient te zijn aan de methode met behulp waarvan het eerste onderzoek is verricht en dat hij verbonden moet zijn aan een geaccrediteerd laboratorium als bedoeld in artikel 14, tweede lid.

In artikel 150c, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering is bepaald dat de onderzoeker die het tegenonderzoek verricht, in staat wordt gesteld dit uit te voeren. Ter uitwerking van dit artikellid bepaalt artikel 19, eerste lid, dat hij de beschikking krijgt over het tweede buisje bloed dat ten behoeve van het verrichten van tegenonderzoek is bewaard.

Artikel 20

Voorheen was de termijn voor het bewaren van het bloed dat was verkregen ter vaststelling van het alcoholverbod in de verkeerswetgeving en dat bestemd was voor een eventueel tegenonderzoek, neergelegd in een ministeriële regeling, te weten de Regeling bloed- en urineonderzoek. Er is voor gekozen de termijnen die gelden voor het vernietigen en bewaren van het bloed dat overblijft na het bloedonderzoek, nu op een hoger niveau te regelen en in artikel 20 van dit besluit op te nemen omdat het hier gaat om een beperking van het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer en het voor de burgers en de mensen uit de opsporings- en rechtspraktijk bovendien overzichtelijker is als de regels die op dat onderzoek betrekking hebben, zoveel mogelijk in één regeling zijn opgenomen.

De noodzaak van het bewaren van het bloed wordt onder meer bepaald door de bevoegdheid van de hulpofficier officier van justitie om opdracht tot een aanvullend bloedonderzoek te geven en van het recht van de verdachte op een tegenonderzoek. Het voorgaande vertaalt zich in artikel 20, eerste tot en met derde lid, in de hierna te bespreken bewaartermijnen voor het bloed en het verslag en de daarbij horende gegevens uit het bestand, bedoeld in artikel 15.

Op grond van artikel 20, eerste lid, is de bewaartermijn voor zowel het resterende bloed waarmee het (aanvullend) bloedonderzoek is verricht als het bloed dat bestemd is voor tegenonderzoek een half jaar na dagtekening van het verslag van het onderzoek indien het resultaat van het bloedonderzoek negatief is. Voor die termijn is in de eerste plaats gekozen om de hulpofficier van justitie voldoende tijd te bieden om zo nodig opdracht te kunnen geven voor een aanvullend onderzoek aan het resterende bloed en dat onderzoek te laten uitvoeren. Het bewaren van het bloed gedurende die termijn is in het voordeel van de verdachte, omdat in het geval waarin de hulpofficier van justitie een aanvullend onderzoek laat uitvoeren, hij niet nogmaals bloed hoeft af te staan en een nieuwe inbreuk op zijn lichamelijke integriteit wordt voorkomen. De termijn van zes maanden biedt de verdachte bovendien voldoende tijd om een tegenonderzoek te laten doen.

Voor het vernietigen van het afschrift van het verslag van het onderzoek en voor de daarbij behorende gegevens, bedoeld in artikel 15, zijn in artikel 20, tweede en derde lid, twee verschillende bewaartermijnen bepaald die afhankelijk zijn van het resultaat van het bloedonderzoek. In het geval van een negatief resultaat van het bloedonderzoek, het aanvullend onderzoek of het tegenonderzoek vernietigt het laboratorium het verslag dat het van het betreffende onderzoek bewaart, zes maanden na dagtekening van dat verslag (zie artikel 20, tweede lid). Bij een negatieve uitslag zal er immers geen strafzaak volgen waarin de onderzoeker het afschrift van het verslag ten behoeve van een verhoor ter terechtzitting nodig zou kunnen hebben. Met een negatieve uitslag van het bloedonderzoek wordt namelijk bedoeld dat bij het bloedonderzoek in het geheel geen bewustzijnsbeïnvloedende stof in het bloed van de verdachte is aangetroffen, het gehalte van de gemeten stof de grenswaarde die voor die stof in artikel 3 van dit besluit of in artikel 8, tweede of derde lid, van de Wegenverkeerswet 1994, artikel 27, tweede lid, van de Scheepvaartverkeerswet, artikel 4, tweede lid, van de Spoorwegwet, artikel 41, tweede lid, van de Wet lokaal spoor of artikel 2.12, derde lid, van de Wet luchtvaart is vastgelegd, niet overstijgt of het gebruik van de stof waarvoor geen grenswaarde geldt, geen gevaar voor de verkeersveiligheid heeft opgeleverd.

Bij een positief resultaat geldt voor het vernietigen van het afschrift van het verslag en de daarbij behorende gegevens op grond van artikel 20, derde lid, een langere termijn dan zes maanden, te weten vijf jaar na dagtekening van het verslag van de onderzoeker. Die termijn is nodig voor het geval de rechter ter terechtzitting de onderzoeker die het onderzoek heeft verricht, op grond van artikel 51m van het Wetboek van Strafvordering wil horen. Om in die situatie beslagen ten ijs te komen dient de onderzoeker te beschikken over de achterliggende informatie van het verrichte bloedonderzoek. Een termijn van vijf jaar is daarvoor, gelet op de praktijkervaringen van het NFI, toereikend. Na het verstrijken van die termijn vernietigt het betrokken laboratorium het afschrift van het verslag van het onderzoek en de bij dat verslag behorende gegevens uit het bestand, bedoeld in artikel 15.

De hierboven aangegeven vernietigingstermijnen verhouden zich naar mijn oordeel met artikel 10, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Artikel 8, eerste lid, van dat verdrag bepaalt dat een ieder recht heeft op eerbiediging van onder andere zijn privéleven. De persoonlijke levenssfeer in de zin van artikel 10, eerste lid, van de Grondwet, omvat wat in artikel 8, eerste lid, van het EVRM is omschreven als privéleven. Artikel 10, eerste lid, van de Grondwet bepaalt dat beperkingen op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer bij of krachtens de wet moeten zijn geregeld. Ingevolge het tweede lid van artikel 8 EVRM is geen inmenging van enig openbaar gezag in de uitoefening van dit recht toegestaan, dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is op grond van een aantal nader aangegeven gronden. Tot die gronden behoort onder meer het voorkomen van strafbare feiten.

Vanwege het feit dat artikel 8, tweede lid, van het EVRM rechtstreeks van toepassing is, dienen de bepalingen over het bewaren en vernietigen van bloed, de afschriften van de verslagen van het onderzoek en de daarbij behorende gegevens die in het bestand, bedoeld in artikel 15 zijn opgenomen, aan de vereisten van dat artikellid te voldoen. Dit betekent dat deze gegevens in ieder geval niet langer mogen worden bewaard dan noodzakelijk is voor het opsporen en vervolgen van strafbare feiten, en in overeenstemming is met de beginselen van proportionaliteit (de inmenging in het privéleven staat in verhouding tot het beoogde doel: afweging van het opsporingsbelang en het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer) en subsidiariteit (de verplichting om binnen redelijke grenzen een inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen te vermijden dan wel zo beperkt mogelijk te houden). Door de gedifferentieerde termijnen die in dit besluit voor het bewaren en vernietigen van het van de verdachten afgenomen bloed, de afschriften van de verslagen van het onderzoek en de daarbij behorende gegevens in het bestand, bedoeld in artikel 15, wordt zoveel mogelijk recht gedaan aan deze beginselen.

Door het differentiëren van de bewaartermijnen van het onderzoeksmateriaal en de daarbij behorende afschriften van de verslagen van het onderzoek en de gegevens in het bestand, bedoeld in artikel 15, wordt ook voldaan aan de eisen die in de artikelen 10 en 11 van de Wet bescherming persoonsgegevens zijn neergelegd. Deze persoonsgegevens zullen namelijk niet langer worden bewaard in een vorm die het mogelijk maakt de betrokkene te identificeren, dan noodzakelijk is voor de verwerkelijking van de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt en zij worden vernietigd op het moment waarop zij niet meer ter zake dienend en bovenmatig zijn.

Artikel 21

Artikel 21 bevat een voorziening voor het geval een particulier laboratorium gedurende de periode waarbinnen het bloedonderzoeken verricht en de termijnen die in artikel 20 voor het bewaren van het bloed, de afschriften van de verslagen van de bloedonderzoeken en de bij die verslagen behorende gegevens uit het bestand, bedoeld in artikel 15, zijn gesteld, van plan is zijn werkzaamheden op dat terrein te beëindigen of beëindigt. In die situatie zorgt dat laboratorium ervoor dat die persoonsgegevens voor de beëindiging van zijn werkzaamheden worden overgedragen aan het NFI, tenzij het laboratorium fuseert met een ander laboratorium dat eveneens voor de uitvoering van die werkzaamheden geaccrediteerd is. In het laatste geval worden het bloed, de afschriften van de verslagen van de bloedonderzoeken en de daarbij behorende gegevens uit het bestand, bedoeld in artikel 15, in dat andere laboratorium bewaard.

De Minister van Veiligheid en Justitie, G.A. van der Steur


X Noot
1

Stb. 2014, 353.

X Noot
2

Zie voor uitleg over dit begrip de toelichting op de artikelen 2 en 3 van dit besluit.

X Noot
3

Zie noot 2.

X Noot
4

Zie met name Kamerstukken II 2010/11, 32 859, nr. 3 en Kamerstukken II 2011/12, 32 859, nr. 7.

X Noot
5

Het gaat hier om de Regeling bloed- en urineonderzoek, de Regeling voorlopig ademonderzoek, de Regeling ademanalyse en de Regeling typeaanwijzing ademanalyseapparaat.

X Noot
6

Zie voor meer achtergrondinformatie: Kamerstukken II 2011/12, 32 859, nr. 7, blz. 41 en 42.

X Noot
7

Zie Kamerstukken II 2010/11, 32 859, nr. 3, blz. 18–20.

X Noot
8

Stb. 2009, 33.

X Noot
10

Zie Kamerstukken II 2013/14, 32 859, nr. 11, blz. 2.

X Noot
11

Dat advies was als bijlage gevoegd bij de memorie van toelichting van het voorstel van wet tot wijziging van de Wegenverkeerswet in verband met het verbeteren van de aanpak van het rijden onder invloed van drugs (zie Kamerstukken II 2010/11, 32 859, nr. 3, blz. 8).

X Noot
12

Deze grenswaarden worden ook wel aangeduid als limits of quantitation of zerotolerancewaarden.

X Noot
13

Zie de bijlage bij Kamerstukken II 2014/15, 32 859, nrs. 16 en C.

X Noot
14

Kamerstukken II 2011/12, 32 859, nr. 7, blz. 17.

X Noot
15

Zie Evaluation of oral fluid Screening devices by TISPOL to Harmonise European police Requirements, deliverable 3.1.1 of DRUID, Driving Under the Influence of Drugs, Alcohol and Medicines, 2009.

X Noot
16

Zie blz. 15 van het advies.

X Noot
17

Kamerstukken II 2008/09, 31 700 VI, nr. 150, blz. 4.

X Noot
18

Zie blz. 4 van de aanwijzing.

X Noot
19

Vgl. noot 9 op blz. 7 van de aanwijzing.

X Noot
18

Vgl. ook Kamerstukken II 2011/12, 33 352, nr. 3, blz. 29.

X Noot
19

Het BSN is bij artikel III, onder A, van de wet van 12 maart 2014 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht en de Wegenverkeerswet 1994 in verband met de verbetering van de aanpak van fraude met identiteitsbewijzen en wijziging van het Wetboek van Strafvordering, de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen en de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden in verband met de verbetering van de regeling van de identiteitsvaststelling van verdachten en veroordeelden (Stb. 2014, 125) in artikel 27b, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering geïntroduceerd.

XHistnoot
histnoot

Het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State wordt met de daarbij behorende stukken openbaar gemaakt door publicatie in de Staatscourant.


SnelzoekenInfo

Snelzoeken
U kunt dit veld gebruiken om te zoeken op
–een vrije zoekterm voor het zoeken op tekst (bijvoorbeeld "milieu")
–een betekenisvolle zoekterm voor het zoeken naar specifieke publicaties (bijvoorbeeld dossiernummer '32123' of 'trb 2009 16').
U kunt termen combineren door EN te zetten tussen de termen (blg 32123 EN milieu).
U kunt zoeken op letterlijke tekst door '' om de term te zetten. ('appellabele toezeggingen').

Voor meer mogelijkheden en uitleg verwijzen wij u naar de help-pagina's van Officiële bekendmakingen op overheid.nl